Contact Service
Hoofdstuk 4 Nadere voorschriften omtrent de to ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Hoofdstuk 4 Nadere voorschriften omtrent de toepassing van normen

Afdeling 4.1 Nieuwbouw

Artikel 4.1NEN 1010

Het specifieke voorschrift ten aanzien van een preferente stroomketen voor een brandweerlift is vervallen, aangezien de per 21 mei 2009 aangewezen versie van NEN 1010 hierin voorziet. Dit was een aanvullend voorschrift omtrent de elektrische voeding van brandweerliften als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003. Dit aanvullende voorschrift vloeit voort uit NEN-EN 81-72 en wordt mede aangestuurd vanuit artikel 4.16 van deze regeling, welke aansturing niet is vervallen. De basisvoorschriften in artikel 1.3 verwijzen voor de elektrische installatie naar NEN 1010. Deze aanvullende voorschriften dienden om onderdeel 8.783 van NEN 1010 in overeenstemming met NEN-EN 81-72 te brengen op het terrein van de brandpreventieve en brandrepressieve installaties. Het gaat er om dat brandweerliften op een preferente groep of rechtstreeks op de hoofdvoeding van de voorziening van elektriciteit zijn aangesloten. Dit conform de praktijk, die mede gebaseerd is op bijlage Z.4 van de nu ingetrokken NEN-EN 81-1 (september 1986, inclusief correctieblad, december 1989). De hiervoor genoemde voorzieningen bieden voldoende waarborgen dat de brandweerlift blijft functioneren als bij calamiteiten de gewone elektriciteitsvoorziening buiten gebruik raakt. Een andere mogelijkheid is om de brandweerlift aan te sluiten op een noodstroomvoorziening. Toepassing van dit voorschrift behoeft enige nadere toelichting. Wanneer een brand zich bijvoorbeeld bevindt op de begane grond of de eerste verdieping zal de brandweer geen gebruik maken van de brandweerlift en bekabeling op deze verdiepingen behoeft dan ook niet in de vorm van kabels met functiebehoud te worden uitgevoerd.

Tevens moet in de gaten worden gehouden dat als niet worden gekozen voor een aparte groepenkast voor de brandweerlift, er dan weer een aparte zekering noodzakelijk is. Dat leidt tot complexe voorzieningen. De kans op stroomuitval bij brand is gering en de brandweer zal in geval van brand de stroom niet afschakelen, zodat de eenvoudige oplossing van een aparte groep reeds volstaat.

Om dezelfde reden is het ook niet logisch te kiezen voor aansluiting op noodstroom. Dit nog afgezien van het feit dat als daarvoor wordt gekozen, dan ook nog het functiebehoud nader moet worden ingevuld hoewel de uitwerking in dit artikel dat niet zonder meer duidelijk maakt. Het Bouwbesluit 2003 verwijst voor de bouwtechnische ‘voorziening voor elektriciteit’ via deze regeling naar NEN 1010. Deze NEN 1010 regelt veel meer dan nodig is voor het Bouwbesluit 2003. Dit heeft een historische achtergrond. De norm werd in het verleden aangewezen via de zogenoemde ‘modelaansluitvoorwaarden’ en de periodieke uitgave Stroomlijn van EnergieNed .

Het Bouwbesluit verwees toen voor de voorziening van elektriciteit naar die model-aansluitvoorwaarden. Bij deze indirecte aanwijzing had de wetgever geen invloed op de structuur, de inhoud en de aan te wijzen versie van NEN 1010. NEN 1010 viel om deze redenen buiten de zogenoemde reeks bouwnormen. Die bouwnormen zijn voor wat betreft inhoud en structuur wel aangepast aan de publiekrechtelijke verwijzing daarnaar vanuit het Bouwbesluit 2003. In de bouwnormen worden de bouwtechnische onderdelen onderscheiden van de administratieve, procedurele en informatieve onderdelen. Deze systematiek is bij NEN 1010 en de andere in afdeling 1.3 genoemde normen voor elektriciteit, gas en water, (nog) niet doorgevoerd.

In onderdeel a worden de onderdelen van NEN 1010 opgesomd die voor de publiekrechtelijke aanwijzing voor de bouwregelgeving buiten toepassing behoren te blijven. Het gaat om de in NEN 1010 opgenomen administratieve, procedurele en informatieve bepalingen, eisen aan voedingsbronnen, eisen aan verbruikstoestellen (toestellen, apparaten en machines), eisen aan elektrisch gevoede installaties (alarminstallatie, geluidinstallatie, etc), andere gebruiksbepalingen, eisen aan installaties buiten bouwwerken of mobiele installaties, eisen ten aanzien van de netwerkbeheerder, vakmanschap en inspectie.

Het Bouwbesluit 2003 bevat eisen ten aanzien van het brandgedrag van het bouwwerk. Zo worden er eisen gesteld aan de beperking van de brandvoortplanting via het oppervlak van bouwdelen. Uitgangspunt is echter dat het Bouwbesluit 2003 geen eisen stelt aan de brandvoortplanting via kabels. Eisen aan alarminstallaties, waaronder bijvoorbeeld een brandmeldinstallatie (bmi) of een ontruimingsalarminstallatie behoren niet in het Bouwbesluit 2003 maar in het Gebruiksbesluit te staan, zodat deze onderdelen van NEN 1010 in dit artikel ook buiten toepassing worden verklaard. Het installeren van een elektrische installatie in een gebouw zou tot gevolg kunnen hebben dat het gebouw niet (meer) voldoet aan de eisen die worden gesteld aan het gebouw zelf. Als er bedrading door een brandscheiding wordt gevoerd, kan dat de brandwerendheid van die scheiding aantasten. In het algemeen kunnen installaties de prestaties van andere bouwdelen negatief beïnvloeden. Om dit te voorkomen gelden er voor de installaties in NEN 1010 naast de primaire eisen ook secundaire eisen. De primaire eisen hebben betrekking op de prestaties van de installatie zelf; de secundaire eisen hebben betrekking op de invloed van de installatie op de prestaties van andere bouwdelen. Het Bouwbesluit 2003 stelt impliciet al alle secundaire eisen die in NEN 1010 zijn vermeld, zodat de laatste eveneens buiten toepassing kunnen blijven. Als bedrading de brandscheiding of de geluidsisolatie aantast, dan voldoet de scheiding niet meer. Het maakt daarbij bouwtechnisch gezien niet uit of dat wordt veroorzaakt door de aannemer of door de installateur. Ook onderwerpen als noodstroom en noodverlichting worden ook al in het Bouwbesluit 2003 geregeld, zodat deze onderwerpen eveneens buiten toepassing kunnen blijven. Waar NEN 1010 verwijst naar het Bouwbesluit 2003 of naar andere publiekrechtelijke regelgeving kan alleen sprake zijn van nadere informatie, omdat het Bouwbesluit 2003 niet via een omweg van verwijzing naar NEN 1010 weer naar zichzelf of naar andere publiekrechtelijke regelgeving verwijst. Verwijzingen vanuit NEN 1010 naar het Bouwbesluit 2003 en naar andere publiekrechtelijke regelgeving hebben slechts een informatief karakter.

Onderdeel b betreft een aanvulling op onderdeel 710.55.6.1 van NEN 1010 waarin nadere voorschriften worden gegeven voor elektrisch materieel en wandcontactdozen in medisch gebruikte ruimte. Met deze aanvulling blijft op dit onderdeel het eisenniveau van de vorige NEN 3234 grotendeels behouden.

Artikel 4.3NEN 2057

Het nadere voorschrift op NEN 2057 is een gevolg van het feit dat het Bouwbesluit 2003 geen eis stelt aan de lichtdoorlatendheid van glas. Nu het normblad dat wel doet, is integrale aanwijzing van het normblad niet mogelijk.

Artikel 4.3aNEN 2555

In artikel 2.146, zevende lid, van het Bouwbesluit 2003 zijn voorschriften gesteld aan de aanwezigheid van een rookmelder die is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit en die voldoet aan de primaire inrichtingseisen en de primaire producteisen volgens NEN 2555. De tot 21 mei 2009 in dit artikel opgenomen voorschriften voor een noodstroomvoorziening van een rookmelder zijn vervallen. Deze hebben inmiddels een plaats gekregen in de vanaf dat moment in bijlage I genoemde versie van NEN 2555.

Artikel 4.4NEN 2916

De in dit artikel genoemde correctiefactoren voor gebruiksfuncties zijn aangepast ten opzichte van de correctiefactoren in de Regeling Bouwbesluit nieuwbouw 1998. Deze aanpassing vloeit voort uit wijzigingen in NEN 2916. De getalswaarden van deze nieuwe correctiefactoren zijn zo gekozen dat gemiddeld genomen het toepassen van de in bijlage I aangegeven druk van het normblad bij toepassing van dezelfde energiebesparingstechnieken niet leidt tot een andere uitkomst in de epc ten opzichte van de toepassing van de daar aan voorafgaande druk van het normblad. De correctiefactoren hebben voorts tot gevolg dat een eventuele verandering van de grenswaarde van de epc voor een woning of woongebouw niet van invloed hoeft te zijn op de toepassing van artikel 5.12, derde lid, van het Bouwbesluit 2003 voor de situatie dat een woonfunctie of een woongebouw deel uitmaakt van een gecombineerd gebouw. Anders gezegd de toepassing van NEN 2916 zal bij gewijzigd beleid ten aanzien van woonfuncties en woongebouwen niet van invloed hoeven te zijn op niet tot bewoning bestemde gebouwen, ook al maken deze deel uit van een gecombineerd gebouw waarvan ook een woning of woongebouw deel uitmaakt. Door bijstelling van de correctiefactor ?verlies kan deze "neutralisatie" worden geëffectueerd.

Artikel 4.5 tot en met 4.11NEN 5077

Op grond van het Bouwbesluit 2003, ter uitvoering van artikel 25, vijfde lid, van de Luchtvaartwet, is een eis gesteld aan de karakteristieke LAeq geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, bestemd voor het overnachten. Tevens zijn specifieke voorschriften gegeven die relatie hebben met de sanering rond vliegvelden met uitgevoerd structureel nachtelijk vliegverkeer. NEN 5077 bevat de meetmethoden voor geluidsaspecten voorzover deze een generiek karakter hebben.

In deze artikelen zijn de nadere voorschriften opgenomen voor de bepaling van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie in het kader van de K e en L Aeq- geluidsisolatie teneinde het Bouwbesluit 2003 volledig af te stemmen op de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (RGV '97). Niet opgenomen in NEN 5077 zijn de bepalingen in de RGV '97 die betrekking hebben op:

  • spectra L Aeq;
  • afscherming K e en L Aeq;
  • een berekeningsmethode, en
  • de berekening van de L Aeq uit gemeten of berekende G A's).

De reden dat deze bepalingen niet overgenomen zijn is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1.spectra: deze zijn zeer specifiek, per luchthaven gedefinieerd en daardoor aan uitbreidingen en aanpassingen onderhevig;
2.afscherming: dit heeft te maken met de berekeningsmethode voor de geluidbelasting en valt daarmee zowel buiten het kader van de NEN 5077 als buiten de competentie van de normcommissie 351 003, en
3.berekeningsmethode: de NEN 5077 behandelt uitsluitend metingen.

Teneinde toch te zorgen voor een 1-op-1 afstemming met de RGV '97 zijn in de artikelen 4.6 t/m 4.11 de noodzakelijke nadere voorschriften opgenomen die moeten worden gebruikt bij de toepassing van NEN 5077.

Artikel 4.12NEN 5078

De verwijzing naar NEN 5078 (galm) in artikel 3.16 van het Bouwbesluit 2003 is niet meer juist,als gevolg van het recente vervangen van deze norm door de Europese norm NEN-EN 12354-6. In artikel 4.12 wordt hiervoor een oplossing geboden tot de Europese norm in een volgende wijziging van het Bouwbesluit 2003 wordt aangewezen. Dit nieuwe normblad levert voor de gebruiker geen inhoudelijke wijzigingen op.

Artikel 4.13NEN 5128

De in dit artikel genoemde correctiefactor is aangepast ten opzichte van de correctiefactor in de Regeling Bouwbesluit nieuwbouw 1998. Deze aanpassing vloeit voort uit wijzigingen in NEN 5128.

De getalswaarde van deze nieuwe correctiefactor is zo gekozen dat gemiddeld genomen het toepassen van de in bijlage I aangegeven druk van het normblad bij toepassing van dezelfde energiebesparingstechnieken niet leidt tot een andere uitkomst in de epc ten opzichte van de toepassing van de daar aan voorafgaande druk van het normblad.

Artikel 4.14 en 4.15NEN 6090

De nadere voorschriften bij deze artikelen maken duidelijk welke onderdelen van het desbetreffende normblad bij bepaalde voorschriften van het besluit van toepassing zijn. Voor NEN 6090 zijn dat vanaf 21 mei 2009 andere onderdelen aangestuurd dan daarvoor omdat een nieuwe versie van het normblad is aangestuurd.

De nadere voorschriften bij de toepassing van NEN 6702 zijn per 21 mei 2009 aangevuld met een passage die betrekking heeft op de veiligheid bij het gebruik van gevelbekleding in de bouw. De indeling in veiligheidsklasse 2 en 3 op basis van het gewicht is naar beneden aangepast naar aanleiding van het in de praktijk regelmatig naar beneden vallen van gevelelementen. De voorwaarden ten aanzien van de windbelasting zijn in het eveneens aangewezen wijzigingsblad A1: 2005 reeds aangepast.

Artikel 4.16NEN-EN 81-72

Dit artikel bevat nadere voorschriften bij NEN-EN 81-72, welke in artikel 1.1, tweede lid, is aangestuurd voor het vastleggen van het begrip"brandweerlift". Abusievelijk kent het Bouwbesluit 2003 geen technische inhoudelijke voorschriften die verband houden met de liftschacht voor een brandweerlift waarvoor voornoemd geharmoniseerd normblad de voorschriften bevat. Via deze tijdelijke constructie is daarin alsnog voorzien. Het geharmoniseerde deel van normblad bestaat uit de onderdelen 5.2 t.m. 5.8 en bevat wat betreft bouwtechnische onderwerpen voorschriften met betrekking tot omgeving/gebouw, fundamentele brandweerlifteisen, bescherming van elektrische apparatuur tegen water, bevrijding van in de kooi opgesloten brandweerlieden, liftmachine en bijbehorende apparatuur, besturingssystemen en energievoorziening voor brandweerliften. De in dit normblad genoemde voorschriften gelden slechts voor zover van belang voor de toepassing van het besluit. Voor de onderdelen 5.1 en 5.9 heeft de overheid door middel van deze regeling in de nadere regeling als gevraagd in het normblad, voldaan.

In afwijking van artikel 1.2, tweede lid, van deze regeling gelden de uit dit normblad voortvloeiende verwijzingen naar andere normbladen slechts voor zover van belang voor de toepassing van het besluit.

Het Europese normblad kent geen onderscheid tussen een rookvrije of een brand- en rookvrije ruimte en bij de Nederlandse vertaling van deze Europese norm is de terminologie "fire protected lobby" vertaald in "tegen brand beschermde hal". Uitgaande van de gangbare bouwpraktijk is hier echter sprake van een rookvrije verkeersruimte die bouwtechnisch wordt gekwalificeerd als een rookcompartiment als bedoeld in afdeling 2.16 van het Bouwbesluit 2003. De eis voor een rookvrije verkeersruimte is overeenkomstig de publicatie 'Brandbeveiligingsinstallaties', maart 2003, van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) waarin wordt gesproken van een rookwerende sluis. Een zwaardere eis is voor deze ruimte niet alleen onnodig, maar zou ook leiden tot een stijging van de bouwkosten.

In het verlengde van het voorschrift van artikel 2.104, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003, waarin wordt gesteld dat een liftschacht die voldoet aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute geen brandcompartiment behoeft te zijn, is nu voor de liftschacht van een brandweerlift voorgeschreven dat er tussen de liftschacht en een naastgelegen ruimte waarin brand kan ontstaan een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag is van ten minste 60 minuten. Het rookvrije portaal voor de toegang van de lift mag binnen dat compartiment gelegen zijn. Indien dat niet het geval is dan zal de deur van de liftschacht brandwerend moeten zijn met bijbehorende kostenconsequenties.

Voor de vrije doorgang van de toegang van de liftschacht van de brandweerlift is ook het nationale voorschrift van ten minste 85 cm van toepassing. Op deze maatvoering zal de kooideur behoren aan te sluiten, omdat het anders te krap manoeuvreren voor de brandweer zal worden. Bovendien is het overgrote deel van de brandweerliften onder normale omstandigheden al een gewone personenlift met een vrije doorgang voor de liftschacht van ten minste 85 cm.

Afdeling 4.2Bestaande bouw

Artikel 4.17, 4.18 en 4.20 tot en met 4.34NEN 2057

In deze artikelen worden nadere voorschriften gegeven waardoor de desbetreffende nieuwbouwnormen voor bestaande bouw kunnen worden toegepast.

Artikel 4.19NEN 2757

Tot de invoering van de wijziging van de regeling op 1 september 2005 werd voor de bestaande bouw gebruik gemaakt van een in dit artikel sterk aangepaste tekst van de nieuwbouwnorm NEN 2757. Recent is echter NEN 8757 voor bestaande bouw beschikbaar gekomen waarmee de noodzaak om de nieuwbouwnorm voor bestaande bouw aan te passen is vervallen. Omdat het normblad voor bestaande bouw nog niet in het Bouwbesluit 2003 is aangewezen, is er voor gekozen deze norm tijdelijk in de Regeling Bouwbesluit 2003 aan te wijzen. In een volgende wijziging van het Bouwbesluit 2003 zal NEN 8757 rechtstreeks worden aangewezen.

Artikel 4.20 en artikelen 4.26 tot en met 4.31NEN 3859

Deze nadere voorschriften hebben betrekking op:

  • het in overeenstemming brengen van de normbladen met het voor een bestaande bouwconstructie gehanteerde uitgangspunt van veiligheid op enig moment (met een referentieperiode van 1 jaar), in tegenstelling tot het uitgangspunt van duurzame veiligheid voor nieuwbouw (met een referentieperiode van 15 respectievelijk 50 jaar, afhankelijk van de veiligheidsklasse van bouwwerken);
  • het buiten toepassing laten van die bepalingen in de desbetreffende normen die direct betrekking hebben op de waarborging van de onder a bedoelde duurzame veiligheid;
  • de aanpassing van de methoden waarmee de eigenschappen van de materialen die onderdeel uitmaken van de bouwconstructie worden bepaald, en
  • de op enig moment bij een bestaande bouwconstructie aanwezige feitelijke geometrische eigenschappen.

Deze aanpassingen zijn mede gebaseerd op het TNO-rapport 'Veiligheidsbeoordeling bestaande bouw' (2004-CI-R0159).

Artikel 4.24NEN 6700

Deze voorschriften hebben betrekking op:

  • in de basisnorm NEN 6700 zijn op basis van de waarschijnlijkheidsleer voorschriften gegeven, ongeacht het materiaal waarvan zij zijn gemaakt en ongeacht de wijze van gebruik van het bouwwerk. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een belasting ten gevolge van stortgoederen in silo's en aan dynamische belastingen. Deze veiligheidsfilosofie die voor de nieuwbouw als onderlegger wordt gehanteerd binnen de NEN 6700-serie is, zo blijkt uit het TNO Bouw-rapport B-91-832, welk rapport in 2004 is geactualiseerd via rapport 2004-CI-R0159, in principe ook bruikbaar voor de beoordeling van een bestaande bouwconstructie. In deze regeling is dan ook voor de bestaande bouw verwezen naar de voor de nieuwbouw geldende constructienormen (TGB's). Die verwijzing is in deze TGB's echter minder vergaand en heeft betrekking op:  
  • het in overeenstemming brengen van de geldende normen met het voor een bestaande bouwconstructie gehanteerde uitgangspunt van veiligheid op enig moment (met een referentieperiode van 1 jaar), in tegenstelling tot het uitgangspunt van duurzame veiligheid voor nieuwbouw (met een referentieperiode van 15 respectievelijk 50 jaar, afhankelijk van de veiligheidsklasse van bouwwerken);  
  • het buiten toepassing laten van die bepalingen in de desbetreffende normen die direct betrekking hebben op de waarborging van de onder a bedoelde duurzame veiligheid;  
  • de aanpassing van de methoden waarmee de eigenschappen van de materialen die onderdeel uitmaken van de bouwconstructie worden bepaald, en  
  • de op enig moment bij een bestaande bouwconstructie aanwezige feitelijke geometrische eigenschappen.  

Artikel 4.25NEN 6702

De voorschriften bij NEN 6702 hebben betrekking op:

  • Het in overeenstemming brengen van de norm met het voor een bestaande bouwconstructie gehanteerde uitgangspunt van veiligheid op enig moment (met een referentieperiode van 1 jaar), in tegenstelling tot het uitgangspunt van duurzame veiligheid voor nieuwbouw (met een referentieperiode van 15 respectievelijk 50 jaar, afhankelijk van de veiligheidsklasse van bouwwerken);
  • Het buiten toepassing laten van die bepalingen in de desbetreffende normen die direct betrekking hebben op de waarborging van de onder a bedoelde duurzame veiligheid;
  • het preciseren van de bijzondere belasting brand die als enige voor de beoordeling van een bestaand bouwwerk een rol speelt.

Deze aanpassingen zijn mede gebaseerd op het TNO-rapport 'Veiligheidsbeoordeling bestaande bouw' (2004-CI-R0159).

Voorts is een nader voorschrift gegeven om te bepalen of een bestaand dak voldoende bestand is tegen wateraccumulatie. Daarbij kan, omdat zettingen hebben plaatsgevonden, de hoogte van de afvoer in de praktijk nauwkeurig worden vastgesteld, zodat met minder veiligheiden in de berekening rekening behoeft te worden gehouden om toch de vereiste betrouwbaarheid te kunnen aantonen.

De wijzigingen die op grond van Stcrt. 2010, 7184, in artikel 4.25 zijn aangebracht hebben betrekking op de verwijzingen naar de bouwvergunning. Aan deze verwijzing is de omgevingsvergunning toegevoegd. Omdat de grondslag van deze regeling, via het Bouwbesluit 2003, mede wordt gevormd door de Woningwet, moet in de context van de regeling onder omgevingsvergunning worden begrepen wat daaronder in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Woningwet wordt verstaan (vergunning voor een bouwactivi-teit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo).