Contact Service
II Artikelsgewijs
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


II Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1Algemene bepalingen

Afdeling 1.1Begripsbepalingen

Artikel 1.1

Met het begrip rijbaanvloer is de vloeroppervlakte van de tunnel waarop de voor een wegtunnel kenmerkende activiteit (verkeersafwikkeling) plaatsvindt gedefinieerd. De noodzakelijk voorzieningen van de tunnel, zoals de aanwezigheid van nooduitgangen of de capaciteit van de ventilatie, moeten op die rijbaanvloer zijn afgestemd.

De begripsbepaling wegtunnelbuis is opgenomen om onderscheid te kunnen maken tussen een tunnelbuis voor het wegverkeer en een tunnelbuis voor andere doeleinden.

Hierbij kan gedacht worden aan een tunnelbuis voor zogenoemd dienstgebruik of voor vluchten, maar ook aan een tunnelbuis voor bijvoorbeeld voetgangers of fietsers. Opgemerkt wordt dat het noodzakelijk is gebleken om zowel de tunnellengte als de tunnelbuislengte te definieren. Een afzonderlijke tunnelbuis kan minder lang zijn dan de wegtunnel waarvoor de lengte van de langste wegtunnelbuis bepalend is.

Bij het bepalen van de tunnelbuislengte wordt, net als bij het bepalen van de tunnellengte (begripsbepaling opgenomen in het Bouwbesluit 2003), uitgegaan van het ‘omsloten gedeelte’. In de bouwregelgeving is geen definitie van ‘omsloten’ opgenomen. In beginsel zal het omsloten gedeelte van de tunnelbuis zich uitstrekken van tunnelbuismond tot tunnelbuismond.

In een enkel geval kan het omsloten gedeelte van de tunnelbuis ook achter de tunnelbuismond beginnen, bijvoorbeeld indien er zich in het dak van de tunnelbuis of de wand voldoende grote openingen bevinden om de bij een brand ontstane rook en hitte in voldoende mate af te voeren. Dit is met name het geval indien capaciteit van de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook zodanig zijn, dat er in dat gedeelte van de wegtunnelbuis kan worden gesproken van een niet-besloten ruimte. Wanneer er bij een aanvraag om bouwvergunning sprake is van een ‘omsloten gedeelte’ is uiteindelijk ter beoordeling van de gemeente.

Artikel 1a

Artikel 1a is toegevoegd bij Stcrt. 2010, 7184, welk artikel voorziet in een nieuwe wettelijke grondslag voor de regeling, voor zover deze mede was gebaseerd op het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning. Dit besluit is als gevolg van de Wabo van rechtswege vervallen. De vervangende grondslag voor dit onderdeel van de regeling is artikel 4.4, eerste lid, van het Bor.

Afdeling 1.2NEN

Artikel 1.2

In het eerste lid van artikel 1.2 is geregeld dat in bijlage I van deze regeling is bepaald welke uitgaven van de direct door het Bouwbesluit 2003, hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht, dat de indieningsvereisten bevat voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, of deze regeling aangewezen normbladen en de op deze normbladen uitgebrachte correctie-, wijzigings-, of aanvullingsbladen van kracht zijn.

Op grond van het tweede lid van artikel 1.2 was tot 21 mei 2009 NEN 2000 van belang voor de directe en indirecte doorverwijzingen naar tweedelijns normen en de afbakening van de zogenoemde verwijzingsketens tussen die normen. Een tweedelijns norm is een norm die via een direct in het Bouwbesluit 2003 of in deze regeling genoemde norm (eerstelijns norm) wordt aangestuurd. Voor de datum van uitgifte van NEN 2000 is bijlage I van belang.

Eens per jaar zal NEN, in overleg met het ministerie van VROM, NEN 2000 actualiseren.

Het tweede lid van dit artikel bakent de verwijzingsketens binnen de normen af. De normverwijzingen die niet in NEN 2000 (hoofdstuk 3) zijn vermeld, zijn in het kader van het besluit of deze regeling niet van toepassing. Die afgekapte verwijzingen of doorverwijzingen, kunnen bijvoorbeeld in het kader van het Bouwbesluit niet relevante alternatieven of overbodig geachte specificaties betreffen. In het tweede lid is per 21 mei 2009 (Stcrt. 2009, 91) de verwijzing naar NEN 2000 vervallen, mede omdat de sinds 2005 opgenomen bijlage I de in het kader van de bouwregelgeving geldende versie van de aangestuurde eerstelijns normen bepaalt. Verwijzingsketens binnen normen moeten, mede in relatie tot de drastische beperking van regeldruk, voor de technische bouwregelgeving zo veel mogelijk worden beperkt. Voortaan zijn alleen de eerstelijns normen, alle vermeld in bijlage I, van toepassing. Daarom is de tekst van het tweede lid nu zo geredigeerd dat bij doorverwijzing vanuit een in bijlage I aangestuurde norm voor de bouwregelgeving uitsluitend een doorverwijzing naar een andere in bijlage I aangestuurde norm of onderdeel daarvan van toepassing is. Uitzondering op deze doorverwijzing zijn de NEN-normen voor elektriciteit, gas en water en de in het Besluit omgevingsvergunning (Bor) aangewezen NEN-normen. Deze vallen niet onder de zogenoemde bouwnormen en zijn voor wat betreft inhoud en structuur niet afgestemd op de publieke verwijzing vanuit de bouwregelgeving. Een dergelijke afbakening als geregeld was tot 21 mei 2009 ontbreekt nog voor de in afdeling 1.3 van deze regeling voorgeschreven voorzieningen voor elektriciteit, noodstroom, gas en water met uitzondering van de (bouwnorm) NEN 2768. Voor de in het Bor genoemde normen is evenmin een afbakening van normketens en specificaties gegeven. Voor die gevallen geldt ook na 21 mei 2009 het algemene uitgangspunt dat van geval tot geval moet worden bekeken of een doorverwijzing relevant is.

Het derde lid van artikel 1.2 biedt de mogelijkheid om voor het bepalen van het 'materiaalgedrag bij brand' naar keuze gebruik te maken van ofwel de bestaande Nederlandse normbladen, ofwel het nieuwe Europese normblad NEN-EN 13501-1, waarbij de in het Bouwbesluit 2003 opgenomen brand- en rookklassen worden omgezet volgens tabel 1.1. Wanneer voor een bouwproduct nog geen Europees normblad of technische goedkeuring is vastgesteld en de CE-markering dus nog niet operationeel is, biedt dit voorschrift de fabrikanten de mogelijkheid om vrijwillig de Euroklassen toe te passen. Indien zij hiervoor kiezen, zijn zij daarmee niet langer verplicht om de in het Bouwbesluit 2003 aangestuurde Nederlandse brand- en rookklassen na te leven. Gemeenten moeten de toepassing van de Europese brand- en rookklassen aanvaarden.

Tabel 1.1 van deze regeling geeft aan op welke wijze de Nederlandse brand- en rookklassen, voorgeschreven in de paragrafen 2.11.1, 2.12.1 en 2.15.1 van het Bouwbesluit 2003, moeten worden omgezet naar de Euroklassen. In het Europese systeem bestaan twee brandklassen die kunnen worden vertaald als de Nederlandse 'onbrandbaarheidklasse' van NEN 6064, namelijk klasse A1 en A1(fl). Deze laatste klasse betreft de onbrandbaarheid van de bovenzijde van een vloer, hellingbaan of trap. Bij de omzetting worden, gelet op het uitgangspunt het huidige veiligheidsniveau te blijven hanteren, voor materialen nabij stookplaatsen, rookkanalen, de binnenkant van schachten en luchtkanalen deze zwaarste Europese klassen aangehouden.

Voor het materiaalgedrag bij brand van constructie-onderdelen die zijn toegepast rondom of in een ruimte waardoor een rookvrije of een van brand en rook gevrijwaarde vluchtroute voert, is in het Bouwbesluit 2003 een relatie gelegd tussen de klasse van brandvoortplanting en de rookproductie. Omdat het Europese systeem materialen op een andere manier beoordeelt, moeten deze twee in Nederland onderscheiden situaties beide door dezelfde Euroklasse worden vervangen.

De Europese bepalingsmethode voor de brandvoortplanting van de bovenzijde van een vloer, hellingbaan of trap en de brandklassen zijn bijna gelijk aan de Nederlandse (NEN 1775). De 'laagste' Europese brandklasse (E(fl) kan echter niet worden gekoppeld aan een rookklasse en is derhalve niet aangewezen. Als gevolg hiervan is gekozen voor brandklasse D(fl) en de iets zwaardere brandklasse C(fl). Voor de brandvoortplanting van de overige constructie-onderdelen verschillen zowel de Europese bepalingsmethoden als brandklassen aanzienlijk van de Nederlandse brandklassen (NEN 6065). Omdat de laagste Europese brandklasse (E) hier evenmin gekoppeld kan worden aan een Europese rookklasse, wordt deze klasse ook niet aangewezen. Ter vervanging van de laagste Nederlandse brandklasse (4) is daarom gekozen voor de Europese brandklasse D.

Voor de Nederlandse bepaling van de rookproductie (de rookklasse) worden in NEN 6066 in totaal vier niveaus onderscheiden, waarvan het laagste niveau 'geen eis' is. De Europese rookklassen voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan of trap sluiten niet goed aan bij deze Nederlandse indeling. De Europese indeling is namelijk in twee niveaus, het laagste niveau 'geen eis' en rookklasse s1(fl). Gekozen is daarom voor rookklasse s1(fl), die goed te combineren is met de brandklassen C(fl) en D(fl).

Voor de rookproductie van de overige constructie-onderdelen is gekozen voor één Europese rookklasse (s2), die ook goed te combineren is met de aangewezen brandklassen. Deze enkele rookklasse zal een beperkte wijziging van het veiligheidsniveau tot gevolg kunnen hebben. Artikel 2.126 van het Bouwbesluit 2003 dat nu nog drie Nederlandse rookklassen voorschrijft, zal dus bij voltooiing van de implementatie aangepast moeten worden, omdat dan alleen de rookklassen s2 en s1(fl) aangewezen worden.

De tabel is per 1 september 2005 op verzoek van de bouwpraktijk op onderdelen aangepast, om ook bij de toepassing van Euroklassen, de in Nederland reeds lang geaccepteerde bouwmateriaalcombinaties te kunnen blijven gebruiken. Het gaat daarbij met name om de toepassing van materialen bij de onderste 2,5 m van de gevel (buitenoppervlak). Verder is sedertdien voor een ruimte waardoor een niet-besloten, rookvrije vluchtroute voert qua brandklasse Euroklasse C in plaats van Euroklasse B voorgeschreven en Euroklasse B in plaats van Euroklasse A2. Ook maakt de tabel duidelijk dat voor een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert noch een Nederlandse noch een Europese rookklasse is voorgeschreven.

Afdeling 1.3Voorzieningen voor elektriciteit, noodstroom, gas en water

Artikel 1.3 tot en met 1.5

De bouwtechnische voorschriften voor elektriciteit of noodstroom worden nu in deze regeling vermeld. De voorheen in het besluit genoemde model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie van EnergieNed bevatten niet langer bouwtechnische voorschriften. Nadere aanwijzingen van NEN-normen of onderdelen daarvan door middel van een publicatie in het blad Stroomlijn zijn hiermee overbodig geworden.

Het voorschrift in artikel 1.3 is bedoeld voor nieuwbouw en het voorschrift in artikel 1.4 voor bestaande bouw.

Het derde lid van artikel 1.3 (vanaf 21 mei 2009 is dat het tweede lid) regelt leidingdoorvoeren, waaronder een mantelbuis, bij elektriciteitsvoorzieningen. Deze voorschriften zijn materieel afkomstig uit hoofdstuk 4 (bruikbaarheid) van het Bouwbesluit 2003. De aanwezigheid van deze doorvoeren is echter vooral uit het oogpunt van veiligheid voorgeschreven (zie ook de toelichting op artikel I, onderdeel DDDDDDD van Stb. 2005, 1). Daarom vallen deze voorschriften voortaan onder de 'veiligheidseisen' als bedoeld in artikel 2.49 van het Bouwbesluit 2003, waarvan de nadere uitwerking voorlopig in artikel 1.3 van de regeling is opgenomen. Voor de veiligheid van een standaardvoorziening voor elektriciteit ten behoeve van huishoudelijk gebruik werd in artikel 1.4 voor de bestaande bouw tot september 2005 uitsluitend verwezen naar NEN 1010, uitgave 1962. Met toepassing van de norm uit 1962 werd evenals voor alle andere onderwerpen geen recht gedaan aan de ontwikkeling van het veiligheidsniveau sinds 1962 (bijvoorbeeld aardlekschakelaar en kleurcodes van de bedrading). In de voormalige Model aansluitvoorwaarden van de Vereniging van Exploitanten van Elektriciteitsbedrijven in Nederland werd voorgeschreven dat installaties die na 1962 zijn aangelegd ten minste moeten voldoen aan de op het tijdstip van aanleg geldende voorschriften. Op zich was dit een overbodig voorschrift omdat vanwege algemene rechtsbeginselen het rechtens verkregen niveau niet mag worden onderschreden.

Met de verwijzing naar de meer recente NEN 1010 zoals aangestuurd in bijlage I, is per 1 september 2005 ook deel 9 van de norm van toepassing. In dit deel zijn voorschriften voor bestaande bouw, dus ook voor na 1962 aangelegde installaties van bouwwerken, opgenomen. Met het aansturen van deze meer recente NEN 1010 is het vermeende gat in de regelgeving, dat ontstond toen de Model aansluitvoorwaarden niet meer werden aangewezen (1 januari 2003), ongedaan gemaakt. Deze wijze van regulering betekent een doorbreking van de standaard aangehouden systematiek.

Met de aansturing van NEN 1010, versie 2007, is niet langer sprake van afzonderlijke delen en dus ook niet langer van deel 9. De voorschriften die gelden voor een elektrische installatie in een bestaand bouwwerk zijn nu geïntegreerd in lopende tekst van NEN 1010.

Artikel 1.5 zag tot 21 mei 2009 voor zowel nieuwbouw als bestaande bouw toe op de situaties met risico op gas- en stofontploffing. Per 21 mei 2009 zijn deze voorschriften vervallen.

Deze voorschriften (artikel 1.3 en 1.4) omvatten nagenoeg dezelfde eisen als voorheen in de genoemde model-aansluitvoorwaarden en aanwijzingen voor elektriciteit of noodstroom waren opgenomen. Het bodemniveau voor de bestaande bouw is echter, na overleg met EnergieNed, iets meer op de praktijk toegesneden. Voor een voorziening voor elektriciteit voor hoge spanning in de bestaande bouw, wordt als minimumniveau verwezen naar een voorloper van de NEN-norm verwezen, die al in de oorlogsjaren werd gepubliceerd en gedurende enige decennia voor nieuwbouw van kracht is geweest (V 1041).

Met het oog op de vermindering van regeldruk is het voorschrijven van specifieke voorzieningen voor elektriciteit, naast de standaardvoorzieningen voor elektriciteit, vervallen. Dit betekent dat de voorschriften voor apparatuur voor medisch onderzoek (artikelen 1.3 en 1.4) en voor elektrisch materiaal bij een risico voor gasontploffing of stofontploffing (artikel 1.5) vervallen. NEN 1010 en NPR 5310 kunnen hier voor de bouwregelgeving reeds afdoende in voorzien, zowel voor nieuwbouw als voor bestaande bouw.

Om deze reden is de aansturing van de in deze voorschriften genoemde normen NEN 3134, NEN-EN-IEC 60079-14, NEN-EN-IEC 61241-14 en NEN-EN-IEC 61241-17 ook in bijlage I vervallen.

Artikel 1.6 en 1.7

Evenals bij de voorziening voor elektriciteit en noodstroom, worden de eisen voor een voorziening voor gas nu in deze regeling vermeld. Met deze directe aanwijzing zijn nadere aanwijzingen van NEN-normen of onderdelen daarvan in het blad Gaswijs voor toepassing van het Bouwbesluit niet meer relevant. Het voorschrift in artikel 1.6 is bedoeld voor nieuwbouw en het voorschrift in artikel 1.7 voor bestaande bouw.

Deze voorschriften omvatten dezelfde eisen als voorheen in de genoemde Model-aansluitvoorwaarden en aanwijzingen voor gas, behoudens de aansturing van NEN 2078. Abusievelijk was dit normblad vanaf 1998 voor het besluit niet aangestuurd.

Het derde lid van artikel 1.6 regelt voorschriften voor leidingdoorvoeren, waaronder een mantelbuis, bij gasvoorzieningen. Deze voorschriften zijn materieel afkomstig uit hoofdstuk 4 (bruikbaarheid) van het Bouwbesluit 2003. De aanwezigheid van deze doorvoeren is vooral uit het oogpunt van veiligheid voorgeschreven (zie ook de toelichting op artikel I, onderdeel DDDDDD, van Stb. 2005, 1). Daarom vallen deze voorschriften voortaan onder de 'veiligheidseisen' als bedoeld in artikel 2.71 van het Bouwbesluit 2003, waarvan de nadere uitwerking voorlopig in artikel 1.6 van de regeling is opgenomen.

Voor de veiligheid van een standaardvoorziening van gas voor huishoudelijk gebruik in de bestaande bouw werd tot september 2005 wegens het ontbreken van een geschikt normblad verwezen naar het document 'Bodemniveau Gasinstallaties'. Sedertdien geldt NEN 8078.

Artikel 1.8 en 1.9

Evenals bij elektriciteit, noodstroom en gas worden de bouwtechnische eisen voor een voorziening voor drinkwater en warmwater nu direct aangewezen in deze regeling.

Het voorschrift in artikel 1.8 is bedoeld voor nieuwbouw en het voorschrift in artikel 1.9 voor bestaande bouw.

De in NEN 2000 aangestuurde uitgave van normblad NEN 1006 is niet voldoende afgestemd op het Bouwbesluit 2003. Op grond van artikel 2 van de Woningwet zijn voor toepassing in het kader van het besluit alleen de bouwtechnische eisen voor drinkwater of warmwater van belang. NEN is thans bezig met een herziening van het normblad.

Omdat de in NEN 2000 aangestuurde uitgave van het normblad NEN 1006 te hoge eisen stelt voor de bestaande bouw is daarvoor in deze regeling de uitgave van 1981, inclusief correctieblad van juni 1990, aangewezen.

Afdeling 1.4CE-markeringen

Artikel 1.10

Dit artikel regelt de publicatie van aan CE-markeringen gerelateerde normen, richtlijnen en specificaties.

De Europese Commissie heeft in overleg met de lidstaten een procedure afgesproken voor de bekendmaking van de Europese technische specificaties en de overgangsperioden voor het gebruik van de CE-markering. Een en ander is vastgelegd in het Guidance paper J; Transitional arrangements under the Construction Products Directive (Construct 2001/477, 22 mei 2001).

In het tweede lid is het moment van bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant aangegeven voor Europese geharmoniseerde normen, voor Nederlandse normen waarin deze normen zijn getransponeerd, en voor door lidstaten vastgestelde technische specificaties ten aanzien waarvan de Europese Commissie heeft medegedeeld dat deze in overeenstemming zijn met de in de richtlijn bouwproducten bedoelde voorschriften. Voor de Europese geharmoniseerde normen (hEN's) of Nederlandse normen waarin de Europese geharmoniseerde normen zijn getransponeerd (NEN-EN), gebeurt dit op het moment dat de Europese Commissie de hEN's heeft gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Voor de technische goedkeuringsrichtlijnen geschiedt dit binnen een redelijke termijn nadat deze richtlijnen door de Europese Commissie aan de lidstaten bekend zijn gemaakt. In het hierboven genoemde Guidance paper J wordt hiervoor een termijn van ten hoogste negen maanden genoemd.

Nadere informatie over de CE-markering is te vinden op de website www.vrom.nl en te verkrijgen bij het Nederlands normalisatie instituut NEN te Delft en de Stichting Bouwkwaliteit (SBK) te Rijswijk (ZH).

Artikel 1.11

Ter uitvoering van Europese afspraken inzake overgangsperioden voor de CE-markering op bouwproducten zijn in dit artikel de rechten en verplichtingen van de fabrikant en zijn vertegenwoordiger opgenomen.

In het eerste lid is vastgelegd wanneer producenten de CE-markering op hun bouwproducten moeten aanbrengen, voor zover de Europese technische specificaties op die producten betrekking hebben. Het na de in dit lid aangegeven ingangsdatum in de handel brengen van bouwproducten die niet zijn voorzien van de CE markering, is strafbaar ingevolge artikel 1.8 van het Bouwbesluit 2003.

In het tweede lid is aangegeven wanneer de CE-markering mag worden aangebracht.

Het derde lid betreft de Europese technische goedkeuringen. Zodra de goedkeurings-richtlijnen bekend zijn gemaakt aan de lidstaten, kan op basis van de Europese goedkeuring de CE-markering op het bouwproduct worden aangebracht.

In het vierde lid is aangegeven dat zodra voor een product een conformiteitsverklaring of een conformiteitscertificaat is afgegeven de in die verklaring aangegeven specificaties als juist moeten worden aangemerkt en derhalve voor toepassing zijn toegelaten. Voor de lijst van Europese technische goedkeuringen op basis van CUAP's, als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de richtlijn, wordt verwezen naar de website van EOTA: www.eota.be.

Artikel 1.12 tot en met 1.14

Artikel 1.12 regelt de aanwijzing van certificatie- en inspectie-instellingen en testlaboratoria.

Artikel 1.13 geeft nadere voorschriften waaraan deze instellingen moeten voldoen.

In artikel 1.14 zijn de verplichtingen van deze instellingen jegens de rijksoverheid opgenomen.

Artikel 1.15

Dit artikel regelt dat de minister bouwproducten kan aanwijzen waarvoor het verbod tot het op de eigen markt in de handel brengen zonder CE-markering niet geldt.

Artikel 1.16

Het eerste lid omvat de verplichting voor de minister van VROM om jaarlijks een overzicht bekend te maken van de in artikel 1.12, eerste lid nieuw aangewezen onafhankelijke deskundige instellingen die de in de richtlijn bouwproducten bedoelde taken uitvoeren. Dit betreft de zogeheten Notified Bodies. Deze moeten niet worden verward met de Approval Bodies die de minister van VROM aanwijst op grond van artikel 10, eerste lid, van de richtlijn bouwproducten. Deze laatste stellen de technische goedkeuringen op en hebben daartoe met de minister van VROM een privaatrechtelijke overeenkomst opgesteld.

Op grond van het tweede lid moet de minister van VROM een overzicht geven van de in artikel 1.15 bedoelde bouwproducten en van bouwproducten die geen of slechts een geringe invloed hebben op de veiligheid en volksgezondheid (artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn bouwproducten).

Afdeling 1.5Kwaliteitsverklaringen

Artikel 1.17

Uit het oogpunt van administratieve lastenverlichting wordt een extra faciliteit voor bepaalde buitenlandse instituten geboden. Een buitenlandse instelling die overeenkomstig artikel 16 van de richtlijn bouwproducten in het land van oorsprong is erkend voor het doen van proeven en controles, wordt indien deze in overeenstemming met de voorschriften in Nederland zijn, gelijkgesteld met een onafhankelijk deskundig instituut dat voldoet aan de kwalificaties genoemd in artikel 1, eerste lid, onder i, van de Woningwet. Dit betekent dat een voor een dergelijk bouwproduct afgegeven testrapport, eventueel voorzien van het eigen merkteken, geldt als een door de minister van VROM erkende kwaliteitsverklaring als bedoeld in artikel 1.6 van het besluit.

Artikel 1.18 en 1.19

De artikelen 1.18 en 1.19 zijn gebaseerd op een (algemene) erkenning door de minister van het stelsel als zodanig waarbinnen kwaliteitsverklaringen tot stand komen. Kwaliteitsverklaringen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet en de artikelen 1.6 en 1.7 van het Bouwbesluit 2003 worden niet door de minister zelf, maar door een door de minister aangewezen coördinerende instelling erkend door bekendmaking van die verklaringen op de lijst van erkende kwaliteitsverklaringen.

Dit stelsel is gericht op:

  • Brede toepasbaarheid
  • Rransparantie (rechtszekerheid en rechtsgelijkheid)
  • Toedeling van verantwoordelijkheden
  • Beperking van de administratieve lasten
  • Laagdrempeligheid
  • Objectieve kwaliteitscriteria

De kwaliteitsverklaringen die binnen het stelsel worden afgegeven, gelden in het kader van de bouwvergunningprocedure nog als voldoende bewijs dat aan de eisen van de bouwregelgeving is voldaan, voorzover het althans de eisen betreft waarover de betreffende verklaringen een uitspraak doen.

Binnen het stelsel kunnen zowel productcertificaten, attesten als procescertificaten worden afgegeven mits er een aantoonbaar verband is met de bouwregelgeving. Dit verband is per te certificeren onderwerp aangegeven in een geharmoniseerde grondslag voor certificatie, ook wel een beoordelingsrichtlijn genoemd. In tegenstelling tot het stelsel zoals dat eerder gold, worden in deze regeling voortaan geen individuele woordmerken of logo's zoals bijvoorbeeld KOMO meer genoemd. Het gaat erom dat alle instellingen toegang hebben tot het stelsel, mits zij aan de objectieve kwaliteitscriteria van het stelsel voldoen. Deze kwaliteitscriteria worden in een met de betrokken partijen te sluiten overeenkomst vastgelegd. De minister publiceert deze overeenkomst vervolgens in de Staatscourant. In deze in artikel 1.18, tweede lid, van de regeling bedoelde overeenkomst worden ten minste de volgende uitgangspunten opgenomen:

1.De kwaliteitsverklaringen die onder het te erkennen stelsel worden afgegeven hebben een aantoonbare relatie met de bouwregelgeving;
2.De toegang tot het stelsel wordt gewaarborgd voor alle instellingen die voldoen aan van tevoren vastgestelde kwaliteitscriteria, waarbij als algemeen uitgangspunt geldt dat de betreffende certificatie-instellingen zijn geaccrediteerd op basis van de EN 45000 normenserie;
3.De kwaliteitsverklaringen als bedoeld onder 1 zijn gebaseerd op technische specificaties die niet strijdig zijn met de Europese geharmoniseerde specificaties en waarbij gestreefd is naar harmonisatie van sectorspecifieke certificatie-eisen;
4.De beoordeling of kwaliteitsverklaringen voldoen aan de hierboven gestelde eisen van het gewijzigde stelsel wordt gedaan door een onafhankelijke commissie. Deze commissie zal door de coördinerende instelling, in overleg met de minister, worden ingesteld. Aan de onder het tweede of derde punt gestelde voorwaarden is ook voldaan, indien, ter beoordeling van de bovengenoemde commissie, gelijkwaardigheid aan die voorwaarden in voldoende mate is aangetoond, en;
5.Een objectieve toelating van instellingen tot het stelsel is gewaarborgd door een bezwaar- en beroepsprocedure.

Het voornemen bestaat om de Stichting Bouwkwaliteit als coördinerende instelling aan te wijzen en deze als enige te autoriseren om het overzicht van kwaliteitsverklaringen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van de Woningwet vast te stellen en te publiceren (bijvoorbeeld op internet).

Hoofdstuk 2Materialen

Afdeling 2.1Brandbare, brandbevorderende, bij brand gevaar opleverende en voor de gezondheid schadelijke stoffen

Artikel 2.1

In artikel 2.1 was aangegeven welke stoffen werden begrepen onder het begrip ’brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen’ dat op meerdere plaatsen in het besluit voorkomt. Dit artikel is per 21 mei 2009 vervallen. Reden voor het schrappen van dit artikel is dat de brandveilige opslag van de betreffende stoffen inmiddels in andere voorschriften, niet behorende tot het domein van de bouwregelgeving, is geregeld. Door het schrappen van dit inmiddels overbodige artikel 2.1 hebben de desbetreffende verwijzingen in het Bouwbesluit 2003 terzake van de brandcompartimentering feitelijk geen betekenis meer. Zij zullen in het geïntegreerde besluit dan ook niet meer terugkomen.

Met deze wijziging van de regeling is de brandveilige opslag van bedoelde stoffen voortaan als volgt geregeld:

Brand- en milieugevaarlijke stoffen

Het geven van voorschriften over stoffen die zowel brand- als milieugevaarlijk zijn, behoort vanaf de zogenoemde Ivb-grens uitsluitend tot het domein van de milieuregelgeving (= bedrijfsmatige opslag). De Ivb-grens is de ondergrens waarmee in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb) is aangegeven welke hoeveelheden van welke stoffen onder de reikwijdte van de milieuregelgeving vallen. Het geven van voorschriften over de bedrijfsmatige opslag van stoffen die zowel brand- als milieugevaarlijk zijn, geschiedt voortaan dus alleen nog op grond van de Wet milieubeheer, zoals in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) en in milieuvergunningen.

Ten aanzien van stoffen die zowel brand- als milieugevaarlijk zijn, resteren voor de bouwregelgeving voorschriften over hoeveelheden tot de Ivb-grens (= opslag voor huishoudelijk gebruik). Die voorschriften zijn opgenomen in het Gebruiksbesluit, waar in artikel 2.1.8 de toegestane maximale hoeveelheden voor huishoudelijk gebruik, ingedeeld volgens de zogenaamde ADR-classificatie, staan vermeld.

Brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen

Door de inwerkingtreding van het Gebruiksbesluit zijn de voorschriften over de bedrijfsmatige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, zoals hout, rubber, banden en kunststoffen, voortaan alleen nog opgenomen in het Gebruiksbesluit. Die voorschriften, die zowel betrekking hebben op bedrijfsmatige opslag in en buiten gebouwen, zoals onder een overkapping of op een open erf of terrein, zijn opgenomen in artikel 2.1.9 van dat besluit.

Milieuzorgplicht

De nieuwe domeinafbakening tussen de bouw- en de milieuregelgeving betekent niet dat voortaan bij de toepassing van de bouwregelgeving (zoals het Gebruiksbesluit) geen rekening meer hoeft te worden gehouden met eventuele nadelige gevolgen voor het milieu. De milieuzorgplicht (artikel 1.1a Wet milieubeheer) is ook na de inwerkingtreding van het Gebruiksbesluit van toepassing. Dit betekent dat men ook bij de opslag van stoffen die door de bouwregelgeving wordt gereguleerd voldoende zorg voor het milieu in acht moet (blijven) nemen. Met het vervallen van de voorschriften in artikel 2.1 is ook de aansturing van de normen NEN-EN-ISO 3680 en NEN-ISO 2719 in bijlage I vervallen.

Afdeling 2.2Voorschriften omtrent de beperking van de toepassing van formaldehyde

Artikel 2.2

Uit onderzoek van TNO Bouw (rapport B-92-0468) is gebleken dat de afgifte van formaldehyde uit een bouwmateriaal varieert met de temperatuur en met de relatieve vochtigheid van de lucht. Om de concentratie aan formaldehyde in een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie onder alle omstandigheden te kunnen meten, is de grenswaarde van de toelaatbare concentratie afhankelijk gesteld van de temperatuur en de relatieve vochtigheid.

Deze voorschriften geven geen verbod voor de toepassing van bouwproducten of bouwmaterialen die formaldehyde afgeven, maar bepalen dat in het binnenmilieu een bepaalde concentratie niet mag worden overschreden. Deze toegelaten concentratie is gerelateerd aan de concentratie in de buitenlucht.

Bij de eis is de grenswaarde van 120 µg/m³ als in absolute zin maximaal toelaatbare concentratie in de binnenlucht, bij een binnenluchttemperatuur van 23° C en een relatieve luchtvochtigheid van 50 %, als uitgangspunt genomen. Uit onderzoek is gebleken dat de in de buitenlucht aanwezige formaldehydeconcentratie gemiddeld 10 µg/m³ bedraagt. Uit onderzoek is verder gebleken dat de formaldehydeconcentratie afkomstig uit niet tot een bouwwerk behorende bronnen gemiddeld 50 µg/m³ bedraagt.

De in dit artikel gegeven eisen leiden bij een binnenluchttemperatuur en een relatieve luchtvochtigheid als eerder bedoeld, tot een absolute concentratie aan formaldehyde afkomstig uit constructie-onderdelen in een verblijfsgebied van 50 µg/m³, echter in een verblijfsgebied van een woonwagen van 70 µg/m³. Deze eis kan in verbinding met de in deze regeling beschreven bepalingsmethode gedurende 5 % van de tijd zijn overschreden doordat onderschrijding van de ventilatieconditie die aan de bepalingsmethode ten grondslag ligt.

Om te voorkomen dat bij het bepalen van de formaldehydeconcentratie in de binnenlucht de emissie van formaldehyde vanuit beide zijden van een binnen het verblijfsgebied gelegen constructie-onderdeel wordt meegerekend, is voor de oppervlakte A, zoals deze in de formule voorkomt, bepaald dat hiermee is bedoeld de getalswaarde van de verticale doorsnede van het bedoelde constructie-onderdeel.

Artikel 2.3

In dit artikel is aangegeven op welke wijze de meetmethode moet worden gehanteerd ter bepaling of aan de in artikel 2.2 gestelde eis is voldaan. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van de methode die wordt voorgeschreven in NEN 2795.

Dit artikel bevat tevens de beproevingsmethode waarmee van een monster binnenlucht, afkomstig uit het te beoordelen verblijfsgebied of uit de buitenlucht ter plaatse van het verblijfsgebied de concentratie aan formaldehyde kan worden bepaald.

Om betrouwbaar te kunnen bepalen of aan de in artikel 2.2 gestelde eis is voldaan, regelt het tweede lid dat voorafgaand aan de meting het verblijfsgebied in voldoende mate moet zijn geventileerd en dat de temperatuur en relatieve luchtvochtigheid niet te sterk mogen variëren.

Het derde lid bepaalt dat de monsterneming van de binnenlucht uit het verblijfsgebied moet plaatsvinden bij de omschreven condities voor de binnenluchttemperatuur, relatieve luchtvochtigheid en ventilatiecapaciteit. De aangehouden condities voor de temperatuur en relatieve vochtigheid zijn ook de waarden die in de formule, gegeven in artikel 2.2, moeten zijn ingevuld.

Het vierde lid regelt dat toetreding van formaldehyde van buiten een verblijfsgebied zoveel mogelijk wordt beperkt, terwijl door het openlaten van de deuren binnen het verblijfsgebied een gelijkmatige luchtmenging binnen het verblijfsgebied wordt nagestreefd. De concentratie aan formaldehyde in het verblijfsgebied zal daardoor zo gelijkmatig mogelijk zijn.

Het vijfde lid beoogt te voorkomen dat eventuele formaldehyde-afgifte van kleding de meting verstoort.

Artikel 2.4

Dit artikel geeft een beschrijving van de voorwaarden waaronder en de apparatuur die voor het uitvoeren van de meting van de concentratie aan formaldehyde in een verblijfsgebied moet worden gehanteerd.

Afdeling 2.3Voorschriften omtrent de concentratie van asbestvezels

Artikel 2.5

Dit artikel bevat in het eerst lid de grenswaarde voor de toelaatbare concentratie asbest in nieuwe te bouwen bouwwerken, die gelijk is gesteld aan de streefwaarde (SW).

Bij brief van 13 oktober 1993, heeft de toenmalige minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal medegedeeld dat hij voornemens is voorschriften te geven waarin de voor het binnenmilieu toelaatbare concentratie van asbestvezels wordt geregeld. Deze voorschriften zijn noodzakelijk omdat weliswaar op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit beroepsmatige verwerking van asbesthoudende materialen en bouwdelen in bouwwerken niet meer is toegestaan, maar het de burger niet is verboden asbest te verwerken.

Het voorschrift is afkomstig uit de thans vervallen Regeling Bouwbesluit materialen 1998 en dient de toepassing van asbestbevattende materialen in bouwwerken door particulieren onmogelijk te maken. Gemeenten kunnen op grond van hoofdstuk III van de Woningwet eigenaren van gebouwen aanschrijven tot het treffen van voorzieningen. Dit kan dus ook gelden voor gebouwen waarin zich zogenoemd niet-hechtgebonden asbestbevattende bouwmaterialen bevinden die niet of niet goed zijn afgeschermd, met als gevolg een gezondheidsrisico. Deze voorzieningen kunnen dan bestaan uit verwijdering of afscherming van het niet-hechtgebonden asbestbevattend materiaal. Bij wijze van uitzondering geeft het voorschrift een concreet niveau van eisen terwijl er niet naar een bepalingsmethode wordt verwezen. Reden hiervoor is dat een in een NEN vastgelegde bepalingsmethode vooralsnog ontbreekt. Een geschikte bepalingsmethode is ondermeer te vinden in het TNO Bouw rapport 96-BKR-R0637.

In de loop van 2003 is het Productenbesluit asbest in werking getreden, op grond waarvan onder meer een algemeen verbod, ook voor particulieren, op toepassing en hergebruik van asbest is ingesteld. Desondanks is het nieuwbouwvoorschrift gehandhaafd om een titel te hebben binnen de bouwregelgeving om in het geval in strijd met de nieuwbouweisen asbest wordt toegepast, te kunnen optreden.

In artikel 3.109b van het Bouwbesluit 2003 is na inwerkingtreding van Stb. 2005, per 1 september 2005 voor bestaande bouw, overeenkomstig artikel 3.107 voor nieuwbouw, de mogelijkheid opgenomen in de Regeling Bouwbesluit 2003 nadere voorschriften te stellen omtrent het in een bouwwerk aanwezig zijn van materialen waaruit giftige of hinderlijke stoffen vrijkomen.

Op grond hiervan is in het tweede lid van artikel 2.5 een voorschrift voor de concentratie van asbest in de ruimte in een bestaand bouwwerk opgenomen. Voor de meting van de asbestconcentratie bij bestaande bouw is evenals bij nieuwbouw uitgegaan van het gestelde in de milieukwaliteitsdoelstellingen voor asbest (Kamerstukken II 1990/1991, 21 137, nr. 86). De grenswaarde voor de bestaande bouw is gebaseerd op een advies van de Gezondheidsraad in 1988, waarbij is gekozen voor een maximaal toelaatbaar risico (MTR). Dit advies gaat uit van een maximaal toelaatbaar risiconiveau van 100.000 vezelequivalenten per m³ per jaar (jaargemiddelde).

Indien een gemeente bij een bestaand bouwwerk wegens een te hoge concentratie van asbestvezels wil aanschrijven dan kan deze zonodig tot maximaal het nieuwbouwniveau aanschrijven- mits daartoe voldoende motivering bestaat ('noodzakelijkheidbeginsel'). Het nieuwbouwniveau gaat uit van een verwaarloosbaar risico (VR) van 1.000 vezelequivalenten per m³ per jaar.

Hoewel NEN 2991 met daarin een bepalingsmethode voor asbestdeeltjes beschikbaar is, is er toch voor gekozen deze norm niet in juridische zin aan te wijzen.

De in NEN 2991 opgenomen bepalingsmethode maakt, evenals de tot nu toe aanbevolen bepalingsmethode, uit het TNO-Bouw rapport 96-BKR-R0637, onvoldoende onderscheid in de oorsprong van de gemeten concentratie asbestvezels. Een dergelijk onderscheid in de oorsprong van de asbestvezels is wel noodzakelijk omdat het Bouwbesluit 2003 zich uitsluitend richt op constructiedelen en niet op asbest afkomstig uit andere bronnen, zoals die van installatieonderdelen. Dit laat onverlet dat er in de praktijk voor de bepaling van de feitelijke asbestconcentratie in een ruimte wel gebruik kan worden gemaakt van de genoemde norm (of van het TNO-rapport).

Overigens kan bij een te hoge concentratie aan asbestvezels, die niet afkomstig is van constructie-onderdelen van het bouwwerk, maar bijvoorbeeld van losliggende verouderde vloerbedekking, niet op grond van het Bouwbesluit 2003 worden aangeschreven maar 'uit anderen hoofde' (gezondheid).

Het voornemen bestaat om in het kader van het in ontwikkeling zijnde Gebruiksbesluit een vergelijkbaar voorschrift voor een maximaal toelaatbare hoeveelheid asbestvezels in een ruimte op te nemen, waarin dan wel rechtstreeks kan worden verwezen naar NEN 2991.

Hoofdstuk 3Brandveiligheidsvoorschriften voor een te bouwen bouwwerk.

Afdeling 3.1Opvang- en doorstroomcapaciteit van een vluchttrappenhuis

Artikel 3.1

In artikel 2.173 van het Bouwbesluit 2003 is bepaald dat in de ministeriële regeling voorschriften worden gegeven voor de opvangcapaciteit en de doorstroomcapaciteit van een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert. Dit voorschrift regelt dat de vluchtroute de vluchtende voldoende snel kan opvangen en afvoeren. Andere voorschriften waarborgen dat een rookcompartiment bij brand voldoende snel kan worden verlaten.

Na afstemming van de in de Regeling Bouwbesluit nieuwbouw 1998 opgenomen bepalingsmethoden op het Bouwbesluit 2003, bleek dat de desbetreffende bepalingsmethoden en grenswaarden onvoldoende zijn toegesneden op toepassing voor andere gebruiksfuncties dan kantoor- en logiesfuncties en voor bezettingsgraadklassen hoger dan B3. Hoewel er momenteel aan alternatieve bepalingsmethoden wordt gewerkt is er nog geen methode beschikbaar die op voldoende draagvlak kan rekenen. Handhaving van concrete prestatievoorschriften voor kantoor- en logiesgebouwen zoals vastgelegd in de Ministeriële regeling nieuwbouw 1998 is niet mogelijk omdat het begrip toegankelijkheidssector een andere betekenis heeft gekregen. Ook zijn deze voorschriften niet afgestemd op de mogelijkheid dat in een gebouw naast een kantoor- of logiesfunctie ook een andere gebruiksfunctie voorkomt die van dezelfde vluchtroute gebruik maakt.

Derhalve is er voor gekozen in de ministeriële regeling alleen een functionele eis op te nemen.

Hoewel er dus nog geen alternatief is met voldoende draagvlak voor opname in deze regeling zijn er voldoende bouwstenen voor het bepalen of aan de functionele eis is voldaan te vinden in onder meer SBR-rapport 29-2, "Menselijk gedrag bij brand"; Stichting Bouwresearch, Rotterdam, 1984; Vluchten bij brand uit grote compartimenten, bepalingsmethode voor veilig vluchten, PRC Bouwcentrum, februari 1997, Achtergronden vluchtmethodiek grote brandcompartimenten, TNO Bouw rapport; 96-CVB-R0330/04, Richtlijn vluchtmethodiek grote brandcompartimenten, TNO Bouw rapport; 96-CVB-R0330/03, Achtergronden vultijdenmodel grote brandcompartimenten, TNO Bouw rapport; 96-CVB-R0330/02, Richtlijn vultijdenmodel grote brandcompartimenten, TNO Bouw rapport; 96-CVB-R0330/01, Richtlijn vultijdenmodel grote brandcompartimenten, TNO-rapport; 96-CVB-R1172, Achtergronden vultijdenmodel grote brandcompartimenten, TNO-rapport; 96-CVB-R1173 en de reeks Brandbeveiligingsconcepten zoals uitgegeven door het ministerie van BZK.

In het onderstaande zijn de bepalingsmethoden voor opvang- en doorstroomcapaciteit, zoals deze in de ministeriële regeling nieuwbouw 1998 waren opgenomen, uitgewerkt voor het Bouwbesluit 2003. Met daarbij de opmerking dat deze met name voor andere gebruiksfuncties dan een kantoor- of logiesfunctie en een bezettingsgraadklasse B1 of B2, en in een enkel geval ook B3 door de praktijk als onredelijke eisen ervaren kan worden. Daarbij kan worden aangetekend dat deze bepalingsmethode uitgaat van zowel de aanwezigheid van een opvangcapaciteit als een doorstroomcapaciteit. Het is echter in bepaalde situaties denkbaar dat met een goede doorstroomcapaciteit geen of slechts een beperkte opvangcapaciteit nodig is om aan de functionele eis te voldoen.

Opvangcapaciteit van een vluchttrappenhuis

1.Een vloer van een bouwlaag in een vluchttrappenhuis waarover een of meer rookvrije vluchtroutes het vluchttrappenhuis binnenkomen heeft een opvangcapaciteit, van ten minste het aantal personen dat via die vluchtroutes het vluchttrappenhuis binnenkomt. Dit aantal is gelijk aan de hoogste waarde van:
a. Afbeelding
b. Afbeelding

waarin wordt verstaan onder:

VBi: de getalswaarde van de totale vloeroppervlakte in m² aan verblijfsgebied met bezettingsgraadklasse Bi, die is aangewezen op de vluchtroutes die over die vloer het vluchttrappenhuis binnenkomen;

GBi: de getalswaarde van de totale gebruiksoppervlakte op de bouwlaag in m² aan ruimte met bezettingsgraadklasse Bi, die is aangewezen op de vluchtroutes die over die vloer het vluchttrappenhuis binnenkomen, waarbij een rookcompartiment of een subbrandcompartiment als één ruimte mag worden beschouwd.

2.De opvangcapaciteit van een vloer van een bouwlaag in een vluchttrappenhuis waarover een of meer rookvrije vluchtroutes het vluchttrappenhuis binnenkomen wordt bepaald door het bij elkaar optellen van de opvangcapaciteiten van de volgende vloeren en treden:
a.de vloer van de bouwlaag in het vluchttrappenhuis waarover die vluchtroutes het vluchttrappenhuis binnenkomen;
b.alle trappen en vloeren in het vluchttrappenhuis die vervolgens in de vluchtrichting worden gepasseerd totdat in het vluchttrappenhuis een vloer van een andere bouwlaag wordt bereikt waarover een andere vluchtroute het vluchttrappenhuis binnenkomt;

Daarbij geldt:

a.de opvangcapaciteit van een vloer bedraagt 4 personen per m² vrije vloeroppervlakte;
b.de opvangcapaciteit van de trede van een trap, als bedoeld in kolom A van tabel 2.28b van het besluit, uitgedrukt in personen, is gelijk aan 0,5;
c.de opvangcapaciteit van de trede van een trap, als bedoeld in kolom B van tabel 2.28b van het besluit, uitgedrukt in personen, is gelijk aan 0,9 x de breedte van de trap, uitgedrukt in meters.

Deze op kantoor- en logiesfuncties toegesneden methode gaat uit van het volgende:

In geval van brand zullen de in het gebouw aanwezige personen zich eerst naar een tijdelijk als veilig ervaren plaats zullen spoeden om van daaruit naar het aansluitende terrein te vluchten óf de in het gebouw aanwezige personen zo direct mogelijk naar buiten zullen vluchten. Deze benadering is ingegeven vanuit het gegeven dat snel de ruimte met de brand moet kunnen worden verlaten door de direct bedreigde mensen. Mensen die zich elders in het gebouw bevinden zullen, zonodig gefaseerd, gaan vluchten en al dan niet via opvang op een voor hun veilige plaats aan de ontruiming beginnen. Een vluchttrappenhuis wordt vanwege de daaraan gestelde eisen als veilige plaats beschouwd. In beginsel moet een gebouw zonder veiligheidstrappenhuis en rooksluizen in 15 minuten kunnen zijn ontruimd. Bij een gebouw met rooksluizen is in beginsel meer tijd beschikbaar voor de vluchtenden. Bij een veiligheidstrappenhuis is nog meer tijd beschikbaar.

De vereiste opvangcapaciteit is het aantal personen dat in een deel van een trappenhuis bij brand moet kunnen worden opgevangen. De eis wordt steeds gesteld aan de 'overbrugging tussen twee bouwlagen', in het trappenhuis. Voor de bovenste bouwlaag van een gebouw bestaat deze overbrugging uit de vloer van die bouwlaag, gelegen in het trappenhuis, aangevuld met de trappen die naar de eerste lager gelegen bouwlaag voeren waar mensen naar dat trappenhuis toestromen, inclusief de eventueel daartussen gelegen bordessen. De vloer in het trappenhuis van de eerste lager gelegen bouwlaag waar mensen toestromen telt niet meer mee, omdat die moet zorgen voor de opvang van de personen die van die bouwlaag moeten vluchten. De 'overbrugging' voor de op een na bovenste bouwlaag wordt op vergelijkbare wijze bepaald. Deze methode wordt herhaalt voor elke volgende bouwlaag daaronder.

Bij het vaststellen van de wijze waarop de vereiste opvangcapaciteit kan worden berekend, geldt als uitgangspunt dat het aantal op te vangen personen op twee manieren moet worden berekend, namelijk op basis van de bezettingsgraad van de gebruiksoppervlakte en op basis van de bezettingsgraden van de vloeroppervlakten aan verblijfsgebied. De vereiste opvangcapaciteit moet gelijk zijn aan het hoogste, op deze wijze gevonden aantal personen.

Onderdeel twee van de bepalingsmethode voor de opvangcapaciteit geeft aan hoe de beschikbare opvangcapaciteit kan worden bepaald. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen vloeren en trappen, omdat op trappen per vierkante meter minder mensen kunnen worden opvangen dan op vloeren. Wanneer in een trappenhuis een hellingbaan is gesitueerd, kan, wat de opvangcapaciteit betreft, worden uitgegaan van de waarden die voor een vloer gelden.

Doorstroomcapaciteit van een rookvrije vluchtroute door een vluchttrappenhuis

1.Vanaf een punt in een vluchttrappenhuis heeft een rookvrije vluchtroute een doorstroomcapaciteit van ten minste: Afbeelding

waarin wordt verstaan onder:

Pk: Het totaal aantal personen dat bepaald overeenkomstig onderdeel 1 van de bovengenoemde bepalingsmethode voor de opvangcapaciteit op een eerder punt van de vluchtroute het vluchttrappenhuis binnenkomt.

t: de toegestane ontruimingstijd van het vluchttrappenhuis in minuten;

n: het aantal bouwlagen van het vluchttrappenhuis dat zich bevindt tussen het gedeelte van de vluchtroute en de vloer ter plaatse van de toegang van het aansluitende terrein waarop de vluchtroute is aangewezen, waarbij een bouwlaag waarop geen vluchtroute het vluchttrappenhuis binnenkomt buiten beschouwing blijft.

De toegestane ontruimingstijd (t) van het vluchttrappenhuis bedraagt:

a.30 minuten, voor zover de vluchtroute door een veiligheidstrappenhuis voert, en
b.15 minuten, voor zover de vluchtroute niet door een veiligheidstrappenhuis voert, zij het dat 20 minuten mag zijn aangehouden indien de vluchtroute, voor zover deze door een vluchttrappenhuis voert, slechts vanuit een verblijfsgebied kan worden bereikt door een verkeersruimte, welke verkeersruimte een lengte heeft van ten minste 2 meter en welke ruimte, voor zover die besloten is, is ingericht als een rookcompartiment.

2.De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute wordt als volgt bepaald:
a.als de vluchtroute over een vloer voert, is de doorstroomcapaciteit van de vluchtroute, uitgedrukt in personen per minuut, gelijk aan 90 x de breedte van de vrije doorgang van de vluchtroute, in meters;
b.als de vluchtroute over een trap voert als bedoeld in kolom A van tabel 2.28bvan het besluit, is de doorstroomcapaciteit van de vluchtroute, uitgedrukt in personen per minuut, gelijk aan 25; en
c.als de vluchtroute over een trap voert als bedoeld in kolom B van tabel 2.28b van het besluit, is de doorstroomcapaciteit van de vluchtroute, uitgedrukt in personen per minuut, gelijk aan 45 x de breedte van de trap, in meters.

Aan de in de bepalingsmethode voor de doorstroomcapaciteit van een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, ligt dezelfde benadering ten grondslag als aan de eis voor de opvangcapaciteit.

Op grond van het eerste onderdeel van de hier boven beschreven bepalingsmethode kan het aantal personen per tijdseenheid worden berekend, dat een doorsnede in een trappenhuis en daarop aansluitende ruimten in de vluchtrichting moet kunnen passeren. Dit is de vereiste doorstroomcapaciteit van het trappenhuis en daarom aansluitende ruimten. De doorstroom- capaciteit van het trappenhuis hoeft niet op elke plaats gelijk te zijn, maar mag bij gebruik van deze methode, in de vluchtrichting, nooit zover afnemen dat de capaciteit als gevolg van opstoppingen (opstuwing) in gevaar komt.

In elke doorsnede van het trappenhuis en daarop aansluitende ruimten moet blijkens het eerste lid de doorstroomcapaciteit zijn afgestemd op het aantal personen dat zich op de bouwlagen boven die doorsnede bevindt. Bij deze berekening is rekening gehouden met de omstandigheid dat vluchten vanaf een hoger gelegen bouwlaag meer tijd kost dan van een lager gelegen bouwlaag. Om die reden is voor een doorsnede van een hoger gelegen bouwlaag 1 minuut per bouwlaag in mindering gebracht op de ontruimingstijd van het gebouw.

Bij het vaststellen van de wijze waarop de benodigde doorstroomcapaciteit kan worden berekend, heeft het uitgangspunt gegolden dat een doorsnede op de vluchtroute dat ver verwijderd is van het eind van de vluchtroute, ruim voor het verstrijken van de toegestane ontruimingstijd van het gebouw moet zijn gepasseerd door alle vluchtenden die langs deze doorsnede moeten. Na het passeren van dat punt moeten de vluchtenden immers nog diverse bouwlagen overbruggen voor zij buiten zijn.

De toegestane ontruimingstijd van het gebouw (trappenhuis en daarop aansluitende ruimten) is afhankelijk van de uitvoering van dat trappenhuis, maar bedraagt nooit meer dan 30 minuten. Zonder aanvullende voorzieningen (gelijkwaardigheid) kan, wil zijn voldaan aan het voorschrift inzake de doostroomcapaciteit, praktisch gezien een gebouw bij toepassing van deze methode niet meer dan 30 bouwlagen hebben.

Het tweede onderdeel geeft een bepalingsmethode waarmee kan worden vastgesteld hoe groot de doorstroomcapaciteit van een vluchtroute op een bepaalde plaats is. De doorstroomcapaciteit is recht evenredig met de breedte van de vrije doorgang van de vluchtroute. Omdat men zich over trappen minder snel kan verplaatsen, is de doorstroomcapaciteit daar lager dan op vloeren.

Indien wordt voldaan aan beide hierboven genoemde (facultatieve) prestatie-eisen, kan men er in de regel van uitgaan dat is voldaan aan de functionele eis van artikel 3.1. In de tweede volzin van artikel 3.1 is bovendien bepaald dat eventueel rekening mag worden gehouden met een gefaseerde ontruiming. In de hierboven genoemde prestatie-eisen is daarmee geen rekening gehouden. Mede om deze reden is onder bepaalde omstandigheden denkbaar, dat aan de functionele eis is voldaan zonder volledig aan de hierboven gegeven prestatie-eisen te voldoen. Net als bij andere functionele eisen ligt de uiteindelijke beslissing of aan het voorschrift is voldaan bij burgemeester en wethouders.

Voor de berekening van de opvang- en doorstroomcapaciteit zijn voor de bovenstaande prestatie-eisen de volgende rekenwaarden van de bezettingsgraad aangehouden. Deze rekenwaarden zijn gelijk aan de rekenwaarden die ten grondslag liggen aan de bezettingsgraadtabel in het Bouwbesluit 2003 (artikel 1.1, zesde lid).

Afbeelding

Inmiddels is door het Nederlands Normalisatie-instituut ontwerp NEN 6089:2005 gepubliceerd. Deze kan als inspiratiebron worden gebruikt voor het uitvoeren van berekeningen voor de opvang- en doorstroomcapaciteit.

Hoofdstuk 4Nadere voorschriften omtrent de toepassing van normen

Afdeling 4.1 Nieuwbouw

Artikel 4.1NEN 1010

Het specifieke voorschrift ten aanzien van een preferente stroomketen voor een brandweerlift is vervallen, aangezien de per 21 mei 2009 aangewezen versie van NEN 1010 hierin voorziet. Dit was een aanvullend voorschrift omtrent de elektrische voeding van brandweerliften als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003. Dit aanvullende voorschrift vloeit voort uit NEN-EN 81-72 en wordt mede aangestuurd vanuit artikel 4.16 van deze regeling, welke aansturing niet is vervallen. De basisvoorschriften in artikel 1.3 verwijzen voor de elektrische installatie naar NEN 1010. Deze aanvullende voorschriften dienden om onderdeel 8.783 van NEN 1010 in overeenstemming met NEN-EN 81-72 te brengen op het terrein van de brandpreventieve en brandrepressieve installaties. Het gaat er om dat brandweerliften op een preferente groep of rechtstreeks op de hoofdvoeding van de voorziening van elektriciteit zijn aangesloten. Dit conform de praktijk, die mede gebaseerd is op bijlage Z.4 van de nu ingetrokken NEN-EN 81-1 (september 1986, inclusief correctieblad, december 1989). De hiervoor genoemde voorzieningen bieden voldoende waarborgen dat de brandweerlift blijft functioneren als bij calamiteiten de gewone elektriciteitsvoorziening buiten gebruik raakt. Een andere mogelijkheid is om de brandweerlift aan te sluiten op een noodstroomvoorziening. Toepassing van dit voorschrift behoeft enige nadere toelichting. Wanneer een brand zich bijvoorbeeld bevindt op de begane grond of de eerste verdieping zal de brandweer geen gebruik maken van de brandweerlift en bekabeling op deze verdiepingen behoeft dan ook niet in de vorm van kabels met functiebehoud te worden uitgevoerd.

Tevens moet in de gaten worden gehouden dat als niet worden gekozen voor een aparte groepenkast voor de brandweerlift, er dan weer een aparte zekering noodzakelijk is. Dat leidt tot complexe voorzieningen. De kans op stroomuitval bij brand is gering en de brandweer zal in geval van brand de stroom niet afschakelen, zodat de eenvoudige oplossing van een aparte groep reeds volstaat.

Om dezelfde reden is het ook niet logisch te kiezen voor aansluiting op noodstroom. Dit nog afgezien van het feit dat als daarvoor wordt gekozen, dan ook nog het functiebehoud nader moet worden ingevuld hoewel de uitwerking in dit artikel dat niet zonder meer duidelijk maakt. Het Bouwbesluit 2003 verwijst voor de bouwtechnische ‘voorziening voor elektriciteit’ via deze regeling naar NEN 1010. Deze NEN 1010 regelt veel meer dan nodig is voor het Bouwbesluit 2003. Dit heeft een historische achtergrond. De norm werd in het verleden aangewezen via de zogenoemde ‘modelaansluitvoorwaarden’ en de periodieke uitgave Stroomlijn van EnergieNed .

Het Bouwbesluit verwees toen voor de voorziening van elektriciteit naar die model-aansluitvoorwaarden. Bij deze indirecte aanwijzing had de wetgever geen invloed op de structuur, de inhoud en de aan te wijzen versie van NEN 1010. NEN 1010 viel om deze redenen buiten de zogenoemde reeks bouwnormen. Die bouwnormen zijn voor wat betreft inhoud en structuur wel aangepast aan de publiekrechtelijke verwijzing daarnaar vanuit het Bouwbesluit 2003. In de bouwnormen worden de bouwtechnische onderdelen onderscheiden van de administratieve, procedurele en informatieve onderdelen. Deze systematiek is bij NEN 1010 en de andere in afdeling 1.3 genoemde normen voor elektriciteit, gas en water, (nog) niet doorgevoerd.

In onderdeel a worden de onderdelen van NEN 1010 opgesomd die voor de publiekrechtelijke aanwijzing voor de bouwregelgeving buiten toepassing behoren te blijven. Het gaat om de in NEN 1010 opgenomen administratieve, procedurele en informatieve bepalingen, eisen aan voedingsbronnen, eisen aan verbruikstoestellen (toestellen, apparaten en machines), eisen aan elektrisch gevoede installaties (alarminstallatie, geluidinstallatie, etc), andere gebruiksbepalingen, eisen aan installaties buiten bouwwerken of mobiele installaties, eisen ten aanzien van de netwerkbeheerder, vakmanschap en inspectie.

Het Bouwbesluit 2003 bevat eisen ten aanzien van het brandgedrag van het bouwwerk. Zo worden er eisen gesteld aan de beperking van de brandvoortplanting via het oppervlak van bouwdelen. Uitgangspunt is echter dat het Bouwbesluit 2003 geen eisen stelt aan de brandvoortplanting via kabels. Eisen aan alarminstallaties, waaronder bijvoorbeeld een brandmeldinstallatie (bmi) of een ontruimingsalarminstallatie behoren niet in het Bouwbesluit 2003 maar in het Gebruiksbesluit te staan, zodat deze onderdelen van NEN 1010 in dit artikel ook buiten toepassing worden verklaard. Het installeren van een elektrische installatie in een gebouw zou tot gevolg kunnen hebben dat het gebouw niet (meer) voldoet aan de eisen die worden gesteld aan het gebouw zelf. Als er bedrading door een brandscheiding wordt gevoerd, kan dat de brandwerendheid van die scheiding aantasten. In het algemeen kunnen installaties de prestaties van andere bouwdelen negatief beïnvloeden. Om dit te voorkomen gelden er voor de installaties in NEN 1010 naast de primaire eisen ook secundaire eisen. De primaire eisen hebben betrekking op de prestaties van de installatie zelf; de secundaire eisen hebben betrekking op de invloed van de installatie op de prestaties van andere bouwdelen. Het Bouwbesluit 2003 stelt impliciet al alle secundaire eisen die in NEN 1010 zijn vermeld, zodat de laatste eveneens buiten toepassing kunnen blijven. Als bedrading de brandscheiding of de geluidsisolatie aantast, dan voldoet de scheiding niet meer. Het maakt daarbij bouwtechnisch gezien niet uit of dat wordt veroorzaakt door de aannemer of door de installateur. Ook onderwerpen als noodstroom en noodverlichting worden ook al in het Bouwbesluit 2003 geregeld, zodat deze onderwerpen eveneens buiten toepassing kunnen blijven. Waar NEN 1010 verwijst naar het Bouwbesluit 2003 of naar andere publiekrechtelijke regelgeving kan alleen sprake zijn van nadere informatie, omdat het Bouwbesluit 2003 niet via een omweg van verwijzing naar NEN 1010 weer naar zichzelf of naar andere publiekrechtelijke regelgeving verwijst. Verwijzingen vanuit NEN 1010 naar het Bouwbesluit 2003 en naar andere publiekrechtelijke regelgeving hebben slechts een informatief karakter.

Onderdeel b betreft een aanvulling op onderdeel 710.55.6.1 van NEN 1010 waarin nadere voorschriften worden gegeven voor elektrisch materieel en wandcontactdozen in medisch gebruikte ruimte. Met deze aanvulling blijft op dit onderdeel het eisenniveau van de vorige NEN 3234 grotendeels behouden.

Artikel 4.3NEN 2057

Het nadere voorschrift op NEN 2057 is een gevolg van het feit dat het Bouwbesluit 2003 geen eis stelt aan de lichtdoorlatendheid van glas. Nu het normblad dat wel doet, is integrale aanwijzing van het normblad niet mogelijk.

Artikel 4.3aNEN 2555

In artikel 2.146, zevende lid, van het Bouwbesluit 2003 zijn voorschriften gesteld aan de aanwezigheid van een rookmelder die is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit en die voldoet aan de primaire inrichtingseisen en de primaire producteisen volgens NEN 2555. De tot 21 mei 2009 in dit artikel opgenomen voorschriften voor een noodstroomvoorziening van een rookmelder zijn vervallen. Deze hebben inmiddels een plaats gekregen in de vanaf dat moment in bijlage I genoemde versie van NEN 2555.

Artikel 4.4NEN 2916

De in dit artikel genoemde correctiefactoren voor gebruiksfuncties zijn aangepast ten opzichte van de correctiefactoren in de Regeling Bouwbesluit nieuwbouw 1998. Deze aanpassing vloeit voort uit wijzigingen in NEN 2916. De getalswaarden van deze nieuwe correctiefactoren zijn zo gekozen dat gemiddeld genomen het toepassen van de in bijlage I aangegeven druk van het normblad bij toepassing van dezelfde energiebesparingstechnieken niet leidt tot een andere uitkomst in de epc ten opzichte van de toepassing van de daar aan voorafgaande druk van het normblad. De correctiefactoren hebben voorts tot gevolg dat een eventuele verandering van de grenswaarde van de epc voor een woning of woongebouw niet van invloed hoeft te zijn op de toepassing van artikel 5.12, derde lid, van het Bouwbesluit 2003 voor de situatie dat een woonfunctie of een woongebouw deel uitmaakt van een gecombineerd gebouw. Anders gezegd de toepassing van NEN 2916 zal bij gewijzigd beleid ten aanzien van woonfuncties en woongebouwen niet van invloed hoeven te zijn op niet tot bewoning bestemde gebouwen, ook al maken deze deel uit van een gecombineerd gebouw waarvan ook een woning of woongebouw deel uitmaakt. Door bijstelling van de correctiefactor ?verlies kan deze "neutralisatie" worden geëffectueerd.

Artikel 4.5 tot en met 4.11NEN 5077

Op grond van het Bouwbesluit 2003, ter uitvoering van artikel 25, vijfde lid, van de Luchtvaartwet, is een eis gesteld aan de karakteristieke LAeq geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, bestemd voor het overnachten. Tevens zijn specifieke voorschriften gegeven die relatie hebben met de sanering rond vliegvelden met uitgevoerd structureel nachtelijk vliegverkeer. NEN 5077 bevat de meetmethoden voor geluidsaspecten voorzover deze een generiek karakter hebben.

In deze artikelen zijn de nadere voorschriften opgenomen voor de bepaling van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie in het kader van de K e en L Aeq- geluidsisolatie teneinde het Bouwbesluit 2003 volledig af te stemmen op de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (RGV '97). Niet opgenomen in NEN 5077 zijn de bepalingen in de RGV '97 die betrekking hebben op:

  • spectra L Aeq;
  • afscherming K e en L Aeq;
  • een berekeningsmethode, en
  • de berekening van de L Aeq uit gemeten of berekende G A's).

De reden dat deze bepalingen niet overgenomen zijn is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1.spectra: deze zijn zeer specifiek, per luchthaven gedefinieerd en daardoor aan uitbreidingen en aanpassingen onderhevig;
2.afscherming: dit heeft te maken met de berekeningsmethode voor de geluidbelasting en valt daarmee zowel buiten het kader van de NEN 5077 als buiten de competentie van de normcommissie 351 003, en
3.berekeningsmethode: de NEN 5077 behandelt uitsluitend metingen.

Teneinde toch te zorgen voor een 1-op-1 afstemming met de RGV '97 zijn in de artikelen 4.6 t/m 4.11 de noodzakelijke nadere voorschriften opgenomen die moeten worden gebruikt bij de toepassing van NEN 5077.

Artikel 4.12NEN 5078

De verwijzing naar NEN 5078 (galm) in artikel 3.16 van het Bouwbesluit 2003 is niet meer juist,als gevolg van het recente vervangen van deze norm door de Europese norm NEN-EN 12354-6. In artikel 4.12 wordt hiervoor een oplossing geboden tot de Europese norm in een volgende wijziging van het Bouwbesluit 2003 wordt aangewezen. Dit nieuwe normblad levert voor de gebruiker geen inhoudelijke wijzigingen op.

Artikel 4.13NEN 5128

De in dit artikel genoemde correctiefactor is aangepast ten opzichte van de correctiefactor in de Regeling Bouwbesluit nieuwbouw 1998. Deze aanpassing vloeit voort uit wijzigingen in NEN 5128.

De getalswaarde van deze nieuwe correctiefactor is zo gekozen dat gemiddeld genomen het toepassen van de in bijlage I aangegeven druk van het normblad bij toepassing van dezelfde energiebesparingstechnieken niet leidt tot een andere uitkomst in de epc ten opzichte van de toepassing van de daar aan voorafgaande druk van het normblad.

Artikel 4.14 en 4.15NEN 6090

De nadere voorschriften bij deze artikelen maken duidelijk welke onderdelen van het desbetreffende normblad bij bepaalde voorschriften van het besluit van toepassing zijn. Voor NEN 6090 zijn dat vanaf 21 mei 2009 andere onderdelen aangestuurd dan daarvoor omdat een nieuwe versie van het normblad is aangestuurd.

De nadere voorschriften bij de toepassing van NEN 6702 zijn per 21 mei 2009 aangevuld met een passage die betrekking heeft op de veiligheid bij het gebruik van gevelbekleding in de bouw. De indeling in veiligheidsklasse 2 en 3 op basis van het gewicht is naar beneden aangepast naar aanleiding van het in de praktijk regelmatig naar beneden vallen van gevelelementen. De voorwaarden ten aanzien van de windbelasting zijn in het eveneens aangewezen wijzigingsblad A1: 2005 reeds aangepast.

Artikel 4.16NEN-EN 81-72

Dit artikel bevat nadere voorschriften bij NEN-EN 81-72, welke in artikel 1.1, tweede lid, is aangestuurd voor het vastleggen van het begrip"brandweerlift". Abusievelijk kent het Bouwbesluit 2003 geen technische inhoudelijke voorschriften die verband houden met de liftschacht voor een brandweerlift waarvoor voornoemd geharmoniseerd normblad de voorschriften bevat. Via deze tijdelijke constructie is daarin alsnog voorzien. Het geharmoniseerde deel van normblad bestaat uit de onderdelen 5.2 t.m. 5.8 en bevat wat betreft bouwtechnische onderwerpen voorschriften met betrekking tot omgeving/gebouw, fundamentele brandweerlifteisen, bescherming van elektrische apparatuur tegen water, bevrijding van in de kooi opgesloten brandweerlieden, liftmachine en bijbehorende apparatuur, besturingssystemen en energievoorziening voor brandweerliften. De in dit normblad genoemde voorschriften gelden slechts voor zover van belang voor de toepassing van het besluit. Voor de onderdelen 5.1 en 5.9 heeft de overheid door middel van deze regeling in de nadere regeling als gevraagd in het normblad, voldaan.

In afwijking van artikel 1.2, tweede lid, van deze regeling gelden de uit dit normblad voortvloeiende verwijzingen naar andere normbladen slechts voor zover van belang voor de toepassing van het besluit.

Het Europese normblad kent geen onderscheid tussen een rookvrije of een brand- en rookvrije ruimte en bij de Nederlandse vertaling van deze Europese norm is de terminologie "fire protected lobby" vertaald in "tegen brand beschermde hal". Uitgaande van de gangbare bouwpraktijk is hier echter sprake van een rookvrije verkeersruimte die bouwtechnisch wordt gekwalificeerd als een rookcompartiment als bedoeld in afdeling 2.16 van het Bouwbesluit 2003. De eis voor een rookvrije verkeersruimte is overeenkomstig de publicatie 'Brandbeveiligingsinstallaties', maart 2003, van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) waarin wordt gesproken van een rookwerende sluis. Een zwaardere eis is voor deze ruimte niet alleen onnodig, maar zou ook leiden tot een stijging van de bouwkosten.

In het verlengde van het voorschrift van artikel 2.104, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003, waarin wordt gesteld dat een liftschacht die voldoet aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute geen brandcompartiment behoeft te zijn, is nu voor de liftschacht van een brandweerlift voorgeschreven dat er tussen de liftschacht en een naastgelegen ruimte waarin brand kan ontstaan een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag is van ten minste 60 minuten. Het rookvrije portaal voor de toegang van de lift mag binnen dat compartiment gelegen zijn. Indien dat niet het geval is dan zal de deur van de liftschacht brandwerend moeten zijn met bijbehorende kostenconsequenties.

Voor de vrije doorgang van de toegang van de liftschacht van de brandweerlift is ook het nationale voorschrift van ten minste 85 cm van toepassing. Op deze maatvoering zal de kooideur behoren aan te sluiten, omdat het anders te krap manoeuvreren voor de brandweer zal worden. Bovendien is het overgrote deel van de brandweerliften onder normale omstandigheden al een gewone personenlift met een vrije doorgang voor de liftschacht van ten minste 85 cm.

Afdeling 4.2Bestaande bouw

Artikel 4.17, 4.18 en 4.20 tot en met 4.34NEN 2057

In deze artikelen worden nadere voorschriften gegeven waardoor de desbetreffende nieuwbouwnormen voor bestaande bouw kunnen worden toegepast.

Artikel 4.19NEN 2757

Tot de invoering van de wijziging van de regeling op 1 september 2005 werd voor de bestaande bouw gebruik gemaakt van een in dit artikel sterk aangepaste tekst van de nieuwbouwnorm NEN 2757. Recent is echter NEN 8757 voor bestaande bouw beschikbaar gekomen waarmee de noodzaak om de nieuwbouwnorm voor bestaande bouw aan te passen is vervallen. Omdat het normblad voor bestaande bouw nog niet in het Bouwbesluit 2003 is aangewezen, is er voor gekozen deze norm tijdelijk in de Regeling Bouwbesluit 2003 aan te wijzen. In een volgende wijziging van het Bouwbesluit 2003 zal NEN 8757 rechtstreeks worden aangewezen.

Artikel 4.20 en artikelen 4.26 tot en met 4.31NEN 3859

Deze nadere voorschriften hebben betrekking op:

  • het in overeenstemming brengen van de normbladen met het voor een bestaande bouwconstructie gehanteerde uitgangspunt van veiligheid op enig moment (met een referentieperiode van 1 jaar), in tegenstelling tot het uitgangspunt van duurzame veiligheid voor nieuwbouw (met een referentieperiode van 15 respectievelijk 50 jaar, afhankelijk van de veiligheidsklasse van bouwwerken);
  • het buiten toepassing laten van die bepalingen in de desbetreffende normen die direct betrekking hebben op de waarborging van de onder a bedoelde duurzame veiligheid;
  • de aanpassing van de methoden waarmee de eigenschappen van de materialen die onderdeel uitmaken van de bouwconstructie worden bepaald, en
  • de op enig moment bij een bestaande bouwconstructie aanwezige feitelijke geometrische eigenschappen.

Deze aanpassingen zijn mede gebaseerd op het TNO-rapport 'Veiligheidsbeoordeling bestaande bouw' (2004-CI-R0159).

Artikel 4.24NEN 6700

Deze voorschriften hebben betrekking op:

  • in de basisnorm NEN 6700 zijn op basis van de waarschijnlijkheidsleer voorschriften gegeven, ongeacht het materiaal waarvan zij zijn gemaakt en ongeacht de wijze van gebruik van het bouwwerk. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een belasting ten gevolge van stortgoederen in silo's en aan dynamische belastingen. Deze veiligheidsfilosofie die voor de nieuwbouw als onderlegger wordt gehanteerd binnen de NEN 6700-serie is, zo blijkt uit het TNO Bouw-rapport B-91-832, welk rapport in 2004 is geactualiseerd via rapport 2004-CI-R0159, in principe ook bruikbaar voor de beoordeling van een bestaande bouwconstructie. In deze regeling is dan ook voor de bestaande bouw verwezen naar de voor de nieuwbouw geldende constructienormen (TGB's). Die verwijzing is in deze TGB's echter minder vergaand en heeft betrekking op:  
  • het in overeenstemming brengen van de geldende normen met het voor een bestaande bouwconstructie gehanteerde uitgangspunt van veiligheid op enig moment (met een referentieperiode van 1 jaar), in tegenstelling tot het uitgangspunt van duurzame veiligheid voor nieuwbouw (met een referentieperiode van 15 respectievelijk 50 jaar, afhankelijk van de veiligheidsklasse van bouwwerken);  
  • het buiten toepassing laten van die bepalingen in de desbetreffende normen die direct betrekking hebben op de waarborging van de onder a bedoelde duurzame veiligheid;  
  • de aanpassing van de methoden waarmee de eigenschappen van de materialen die onderdeel uitmaken van de bouwconstructie worden bepaald, en  
  • de op enig moment bij een bestaande bouwconstructie aanwezige feitelijke geometrische eigenschappen.  

Artikel 4.25NEN 6702

De voorschriften bij NEN 6702 hebben betrekking op:

  • Het in overeenstemming brengen van de norm met het voor een bestaande bouwconstructie gehanteerde uitgangspunt van veiligheid op enig moment (met een referentieperiode van 1 jaar), in tegenstelling tot het uitgangspunt van duurzame veiligheid voor nieuwbouw (met een referentieperiode van 15 respectievelijk 50 jaar, afhankelijk van de veiligheidsklasse van bouwwerken);
  • Het buiten toepassing laten van die bepalingen in de desbetreffende normen die direct betrekking hebben op de waarborging van de onder a bedoelde duurzame veiligheid;
  • het preciseren van de bijzondere belasting brand die als enige voor de beoordeling van een bestaand bouwwerk een rol speelt.

Deze aanpassingen zijn mede gebaseerd op het TNO-rapport 'Veiligheidsbeoordeling bestaande bouw' (2004-CI-R0159).

Voorts is een nader voorschrift gegeven om te bepalen of een bestaand dak voldoende bestand is tegen wateraccumulatie. Daarbij kan, omdat zettingen hebben plaatsgevonden, de hoogte van de afvoer in de praktijk nauwkeurig worden vastgesteld, zodat met minder veiligheiden in de berekening rekening behoeft te worden gehouden om toch de vereiste betrouwbaarheid te kunnen aantonen.

De wijzigingen die op grond van Stcrt. 2010, 7184, in artikel 4.25 zijn aangebracht hebben betrekking op de verwijzingen naar de bouwvergunning. Aan deze verwijzing is de omgevingsvergunning toegevoegd. Omdat de grondslag van deze regeling, via het Bouwbesluit 2003, mede wordt gevormd door de Woningwet, moet in de context van de regeling onder omgevingsvergunning worden begrepen wat daaronder in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Woningwet wordt verstaan (vergunning voor een bouwactivi-teit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo).

Hoofdstuk 5Veiligheidseisen voor wegtunnels

Afdeling 5.1Sterkte bij brand

§ 5.1.1Nieuwbouw

Artikel 5.1

In dit artikel is vastgelegd dat, om aan artikel 2.9, zevende lid, van het Bouwbesluit 2003 te voldoen, de hoofddraagconstructie van een nieuw te bouwen tunnel bij brand gedurende 60 minuten niet mag bezwijken.

Voorzover de tunnel onder open water ligt is deze periode 120 minuten. Het is namelijk zo dat, indien bij brand een gedeelte van een tunnelbuis dat onder open water ligt bezwijkt, het gevaar bestaat dat de gehele tunnelbuis in korte tijd onder water komt te staan. Daardoor kunnen vluchtenden en hulpverleners, ook in gedeelten van de tunnel die niet direct door de brand worden bedreigd, plotseling in een levensbedreigende situatie komen. Om dit te voorkomen zal de hoofddraagconstructie van het deel van de tunnel dat onder open water ligt gedurende langere tijd niet mogen bezwijken. Met ‘open water’ wordt hier een rivier, waterbekken, zeearm, kanaal, meer of daarmee in verbinding staand water bedoeld, waardoor een vrijwel onbeperkte hoeveelheid water kan toestromen.

Zou de tunnelwand bezwijken, dan is het noodzakelijk om de waterkerende functie te herstellen voordat de tunnel kan worden drooggepompt. Dit is in een tunnel die vol water staat een tijdrovende en kostbare aangelegenheid. Om deze reden is ook de continuïteit van de infrastructuur gebaat bij een langere periode van brandwerendheid met betrekking tot bezwijken.

§ 5.1.2Bestaande bouw

Artikel 5.2

Zie de toelichting op § 5.1.1, Nieuwbouw.

In aanvulling hierop wordt opgemerkt dat de periode dat de hoofddraagconstructie niet mag bezwijken bij bestaande bouw 30 minuten is en voor zover de tunnel onder open water ligt 60 minuten.

Afdeling 5.2Overbrugging van hoogteverschillen

§ 5.2.1Nieuwbouw

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m gelden voor afdeling 5.2 van het Bouwbesluit 2003 dezelfde functionele eis en dezelfde aansturing van artikelen, als voor een ander ‘bouwwerk geen gebouw zijnde’. In deze regeling is daarom geen bepaling opgenomen die specifiek voor wegtunnels aangeeft aan welke voorschriften moet zijn voldaan om aan de functionele eis van artikel 2.23, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 te voldoen.

Artikel 5.3

In het eerste lid van artikel 5.3 is aangegeven hoe artikel 2.24, tweede lid, voor wegtunnels moet worden gelezen. In wegtunnels moeten, net als bij gebouwen, hoogteverschillen van meer dan 21 cm zijn overbrugd door een trap of hellingbaan. In afwijking van dit eerste lid is in het tweede lid bepaald dat op de route in de wegtunnelbuis hoogteverschillen van 30 cm zonder trap of hellingbaan zijn toegestaan. Dit voorschrift is opgenomen om te voorkomen dat randen naast de weg uit oogpunt van verkeersveiligheid te laag worden.

§ 5.2.2Bestaande bouw

Artikel 5.4

Zie de toelichting op § 5.2.1, Nieuwbouw.

Afdeling 5.3Trap, Nieuwbouw

Voor de afmetingen van trappen in een wegtunnel is de beloopbaarheid van even groot belang als in gebouwen en andere bouwwerken. Daarom is in artikel 5.5 in beginsel naar dezelfde voorschriften verwezen, met dien verstande dat uitsluitend trappen volgens kolom A zijn aangewezen. Het gaat in wegtunnels tenslotte uitsluitend om trappen voor noodgebruik. De noodzakelijke capaciteit van deze trappen is, net als bij de andere gebruiksfuncties, geregeld bij het aspect Inrichting van rookvrije vluchtroutes. Zie de toelichting op afdeling 5.10 van deze regeling.

In deze regeling zijn geen voorschriften voor bestaande trappen in wegtunnels opgenomen. Voor dergelijke trappen gelden onverkort de voorschriften voor bestaande bouw die in het Bouwbesluit 2003 voor de gebruiksfunctie bouwwerk geen gebouw zijnde zijn opgenomen.

Afdeling 5.4Elektriciteits- en noodstroomvoorziening

§ 5.4.1 Nieuwbouw

Artikel 5.6

In artikel 5.6 van deze regeling is voor wegtunnels bepaald aan welke voorschriften moet zijn voldaan om aan de functionele eis van artikel 2.46, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 te voldoen.

In dit artikel is vastgelegd hoe een wegtunnel aan de functionele eis van artikel 2.46, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 kan voldoen. Met andere woorden, wanneer heeft een wegtunnel een veilige voorziening voor elektriciteit? Dit is het geval wanneer aan de in Artikel 5.6 van deze regeling genoemde artikelen is voldaan.

De in artikel 2.47 van het Bouwbesluit 2003 bedoelde noodstroomvoorziening moet bij een wegtunnel de stroomvoorziening gedurende ten minste 60 minuten waarborgen voor alle niet direct in de brandhaard gelegen veiligheidsvoorzieningen. Bij een normaal brandverloop is dit ondermeer het geval indien de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vanuit de wegtunnelbuis naar de noodstroomvoorzienings niet lager is dan 60 minuten. In een wegtunnelbuis kan echter, bijvoorbeeld vanwege het transport van brandgevaarlijke stoffen, sprake zijn van een brandverloop waarin deze bepalingsmethode (NEN 6068) niet voorziet. In dat geval zal op andere wijze moeten worden aangetoond dat het functiebehoud ten minste 60 minuten bedraagt. Naast de hiervoor beschreven noodstroomvoorziening is er ook noodstroom nodig voor de bij evacuatie voorgeschreven essentiële veiligheidsvoorzieningen. Deze laatste noodstroomvoorziening is voorgeschreven op basis van het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels. Deze noodstroomvoorziening wordt in het kader van de bouwregelgeving niet aangemerkt als bouwkundige voorziening maar als gebruiksvoorziening. In de praktijk kan derhalve sprake zijn van één noodstroominstallatie waarvan de omvang en prestaties bepaald worden door twee stukken regelgeving.

§ 5.4.2Bestaande bouw

Artikel 5.7

Zie de toelichting op § 5.4.1, Nieuwbouw.

Afdeling 5.5Verlichting

§ 5.5.1Nieuwbouw

Artikel 5.8

In dit artikel is vastgelegd hoe een wegtunnel aan de functionele eis van artikel 2.56, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 kan voldoen. Met andere woorden, wanneer heeft een wegtunnel een verlichtingsinstallatie die zodanig is dat de tunnel veilig kan worden verlaten, sociaal veilig en bruikbaar is? Dit is het geval wanneer aan de in artikel 5.8 van deze regeling genoemde artikelen is voldaan.

Artikel 5.9

Elke vloer, trap en hellingbaan moet volgens het eerste lid zodanig verlicht zijn dat dat niet alleen voldoende is voor wegvoertuigen, maar ook voor passagiers en andere personen die zich bij een incident in veiligheid moeten kunnen stellen.

Dit artikel moet in samenhang met artikel 5.57 worden gelezen. Daaruit volgt dat de overgang tussen de verlichting buiten, en de verlichting in de wegtunnelbuis zodanig moet zijn dat de weggebruikers niet kunnen worden verblind. Het vraagt per slot van rekening enige tijd voordat ogen zich aan een veranderde lichtintensiteit hebben aangepast. Dat voorschrift is in het belang van de verkeersveiligheid.

Artikel 5.10

In Artikel 5.10 wordt een nadere invulling gegeven aan artikel 2.59, derde lid, van het Bouwbesluit 2003. Deze nadere invulling is dat er bij tunnels in elke ruimte noodverlichting moet zijn.

De nood- en reguliere verlichting kunnen tezamen worden beschouwd als de in Artikel 5.9 bedoelde ‘verlichtingsinstallatie’. Het is dus niet noodzakelijk dat de noodverlichting via de armaturen voor reguliere verlichting wordt gewaarborgd. In het in artikel 5.8 van deze regeling aangestuurde artikel 2.60 van het Bouwbesluit 2003 is geregeld dat de noodverlichting gedurende 60 minuten een lichtsterkte van ten minste 1 lux moet geven.

§ 5.5.2Bestaande bouw

Zie de toelichting op § 5.5.1, Nieuwbouw.

Afdeling 5.6Beperking van uitbreiding van brand

Er is voor gekozen om in deze afdeling naast het aspect brandveiligheid ook het aspect risico’s van giftige vloeistoffen op te nemen. Daardoor is het niet nodig een afzonderlijke afdeling met dezelfde prestatie-eis, echter toegespitst op giftige vloeistoffen in deze regeling op te nemen.

§ 5.6.1Nieuwbouw

Artikel 5.14

In dit artikel is vastgelegd hoe een wegtunnel aan de functionele eis van artikel 2.103, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 kan voldoen. Met andere woorden, wanneer is een wegtunnel zodanig dat de uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt? Dit is het geval wanneer aan de in artikel 5.14 van deze regeling genoemde artikelen is voldaan.

Artikel 5.15

In aanvulling op artikel 2.104, eerste en derde lid, van het Bouwbesluit 2003 is geregeld dat zowel een besloten als een niet besloten gedeelte van een wegtunnel in een brandcompartiment ligt. Een wegtunnelbuis staat per slot van rekening aan twee zijden in open verbinding met de buitenlucht.

Artikel 5.16

Aan artikel 2.105, achtste lid, van het Bouwbesluit 2003 wordt voor wegtunnels voldaan wanneer elke wegtunnelbuis brandwerend is gescheiden van een andere wegtunnelbuis. Andere ruimten, zoals een technische ruimte of hulppost kunnen, voor zover deze niet in een andere wegtunnelbuis liggen, wel in hetzelfde brandcompartiment liggen. Op deze wijze is niet uitgesloten dat in hetzelfde brandcompartiment als de tunnelbuis ook andere ruimten liggen. Een andere wegtunnelbuis moet dus altijd in een ander brandcompartiment liggen.

Artikel 5.17

Met de in artikel 5.17 genoemde afvoervoorziening is het totale stelsel waarop de roosters e.d. zijn aangesloten bedoeld. Aan de capaciteit van de afzonderlijke roosters en de afvoerbuizen e.d. zijn overeenkomstig de tunnelrichtlijn (bijlage I onderdeel 2.6.1) geen concrete prestatie-eisen gesteld.

Bij een calamiteit waarbij een lekkage van gevaarlijke vloeistoffen optreedt, is het nodig, om het verspreiden of ontstaan van brand of verspreiding van giftige vloeistoffen te voorkomen, dat deze vloeistoffen snel en veilig kunnen worden afgevoerd. Dit zal in de praktijk onder meer betekenen dat een afvoerbuis in het systeem een diameter heeft van ten minste 0,2 m en dat door middel van verval of een pompsysteem een voldoend snelle afvoer naar een reservoir (middenkelder) mogelijk is. De minimale streefwaarde voor de nuttige berging van een middenkelder is 30 m³. De minimale streefwaarde voor de nuttige berging van bluswater in een zogenoemde hoofdkelder is 240 m³.

Meer hierover is opgenomen in de Veiligheids Richtlijn deel C (VRC), uitgave van Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Steunpunt Tunnelveiligheid, januari 2004.

§ 5.6.2Bestaande bouw

Zie de toelichting op § 5.6.1, Nieuwbouw.

Bij de beoordeling van de vraag of de capaciteit van de afvoervoorziening als bedoeld in artikel 5.21 van deze regeling voldoende is, zal rekening moeten worden gehouden met het nieuwbouwniveau. In principe zullen de eisen aan de afvoervoorziening in een bestaande wegtunnel niet hoger mogen zijn dan het concrete niveau dat in artikel 5.17 voor nieuwbouw is opgenomen.

Afdeling 5.7Beperking van verspreiding van rook

§ 5.7.1Nieuwbouw

Artikel 5.22

In dit artikel is vastgelegd hoe een wegtunnel aan de functionele eis van artikel 2.134, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 kan voldoen. Met andere woorden, wanneer is een wegtunnel zodanig dat bij brand rook zich niet binnen korte tijd kan verspreiden naar een ander deel van de wegtunnel zodat op veilige wijze het aansluitende terrein kan worden bereikt? Dit is het geval wanneer aan de in artikel 5.22 van deze regeling genoemde artikelen is voldaan.

Uit deze artikelen volgt dat het brandcompartiment van een wegtunnelbuis tevens een rookcompartiment is en dat dit compartiment aan de voor een effectieve rookcompartimentering noodzakelijke randvoorwaarden moet voldoen.

Meer in het bijzonder gaat het er om, dat rookvrije vluchtroutes in de wegtunnel in voldoende mate gevrijwaard blijven van rook gedurende de tijd die nodig is om de tunnel te ontruimen. Een rookvrije vluchtroute van een wegtunnelbuis begint altijd bij de toegang (lees ook uitgang) van een rookcompartiment.

§ 5.7.2Bestaande bouw

Zie de toelichting op § 5.7.1, Nieuwbouw.

Afdeling 5.8Vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment

§ 5.8.1Nieuwbouw

Artikel 5.24

In dit artikel is vastgelegd hoe een wegtunnel aan de functionele eis van artikel 2.145, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 kan voldoen. Met andere woorden, wanneer is een wegtunnel zodanig dat een rookcompartiment daarvan voldoende snel en veilig kan worden verlaten? Dit is het geval wanneer aan de in artikel 5.24 van deze regeling genoemde artikelen is voldaan. Overigens wordt opgemerkt dat een wegtunnel geen subbrandcompartiment behoeft te hebben, bij tunnels worden hier dan ook geen eisen aan gesteld.

Artikel 5.25

In artikel 5.25 van deze regeling is aangegeven hoe artikel 2.148, tweede tot en met vierde lid, van het Bouwbesluit 2003 voor een wegtunnel moet worden gelezen. In het tweede lid zijn beperkingen gesteld aan de maximale loopafstand vanaf de rijbaan in een wegtunnelbuis naar een toegang (lees ook uitgang) van die tunnelbuis. De loopafstand wordt op twee wijzen gemaximeerd.

Ten eerste is geregeld dat altijd binnen de 150 m een toegang moet kunnen worden bereikt. Door in aanvulling daarop te stellen dat toegangen niet verder dan 250 m uit elkaar mogen liggen is gewaarborgd dat, indien een toegang is geblokkeerd, altijd binnen 250 m een volgende toegang wordt aangetroffen. Met de waarde van 150 m wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat in de tunnelbuis bouwkundige obstakels zijn (bijvoorbeeld hoogteverschillen groter dan 0,3 m, zonder trap of hellingbaan), zodat niet vanuit ieder punt op de rijbaanvloer in een rechte lijn naar de toegang kan worden gelopen. Het spreekt voor zich dat in deze wijzigingsregeling met ‘de afstand tussen twee toegangen’ de afstand tussen twee opeenvolgende toegangen wordt bedoeld. In het algemeen betekenen deze maximale loopafstanden dat men binnen vijf minuten de wegtunnelbuis lopend kan verlaten.

Overeenkomstig de systematiek van het Bouwbesluit 2003 wordt bij de beoordeling van aanvraag om bouwvergunning elke toegang van de wegtunnelbuis in beschouwing genomen. In het niveau van eisen is reeds rekening gehouden met de mogelijkheid dat een toegang (lees ook uitgang) als gevolg van een ongeval geblokkeerd kan raken. Dit mogelijke risico mag dus niet leiden tot nadere (lees: hogere) eisen bij het verlenen van de bouwvergunning.

In het vierde lid is geregeld dat een deur in een vluchtroute niet tegen de vluchtrichting in mag draaien. Dit voorschrift is opgenomen omdat er bij een ongeluk minimaal 25 personen per toegang moeten kunnen vluchten. 25 personen per toegang is in het Bouwbesluit 2003 de rekenwaarde om een deur die niet tegen de vluchtrichting in mag draaien voor te schrijven.

§ 5.8.2Bestaande bouw

Zie de toelichting op § 5.8.1, Nieuwbouw.

Afdeling 5.9Vluchtroutes

§ 5.9.1Nieuwbouw

Artikel 5.28

In dit artikel is vastgelegd hoe een wegtunnel aan de functionele eis van artikel 2.153, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 kan voldoen. Met andere woorden, wanneer heeft een wegtunnel voldoende vluchtroutes waarlangs bij brand een veilige plaats kan worden bereikt? Dit is het geval wanneer aan de in artikel 5.28 van deze regeling genoemde artikelen is voldaan.

Op basis van artikel 2.154, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 is ook voor wegtunnels gewaarborgd dat men beschikt over adequate rookvrije vluchtroutes die men kan gebruiken zonder het risico te lopen in zijn vlucht te worden gestuit door een slot op een deur.

Artikel 5.29

Voorts is in artikel 5.29 geregeld dat artikel 2.156, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003, voor een wegtunnel zo moet worden gelezen dat bij een toegang van een rookcompartiment (wegtunnelbuis) altijd ten minste één in plaats van twee rookvrije vluchtroutes moeten beginnen. Een wegtunnelbuis heeft per definitie meer dan één vluchtroute, via de beide uiteinden van de wegtunnelbuis.

De rookvrije vluchtroute mag ook door de aangrenzende wegtunnelbuis lopen.

§ 5.9.2Bestaande bouw

Zie de toelichting op § 5.9.1, Nieuwbouw.

Afdeling 5.10Inrichting van rookvrije vluchtroutes

§ 5.10.1Nieuwbouw

Artikel 5.32

In dit artikel is vastgelegd hoe een wegtunnel aan de functionele eis van artikel 2.166, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 kan voldoen. Met andere woorden, wanneer heeft een wegtunnel zodanig ingerichte rookvrije vluchtroutes, dat in geval van brand snel kan worden gevlucht? Dit is het geval wanneer aan de in artikel 5.32 van deze regeling genoemde artikelen is voldaan.

Artikel 5.33

In artikel 5.33 van deze regeling zijn voor wegtunnels minimum afmetingen opgenomen die afwijken van artikel 2.167, eerste en tweede lid, van het Bouwbesluit 2003. In het eerste lid van artikel 5.33 zijn de minimale afmetingen van deuropeningen of andere incidentele versmallingen op de rookvrije vluchtroute vastgelegd. Het tweede lid van dit artikel heeft betrekking op de vrije doorgang van alle ruimten waardoor de vluchtroute voert (bijvoorbeeld een vluchttunnelbuis).

Artikel 5.34

In artikel 5.34 van deze regeling is evenals bij artikel 5.25 geregeld dat vluchtdeuren in een wegtunnelbuis niet tegen de vluchtrichting in mogen draaien.

§ 5.10.2Bestaande bouw

Zie de toelichting op § 5.10.1, Nieuwbouw.

Afdeling 5.11Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand

§ 5.11.1Nieuwbouw

Artikel 5.38

In dit artikel is vastgelegd hoe een wegtunnel aan de functionele eis van 2.183, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 kan voldoen. Met andere woorden, wanneer is een wegtunnel zodanig dat personen kunnen worden gered en brand kan worden bestreden? Dit is het geval wanneer aan de in artikel 5.38 van deze regeling genoemde artikelen is voldaan.

Artikel 5.39

Op basis van dit voorschrift wordt bepaald hoeveel hulpposten in een tunnelbuis moeten worden opgenomen. De loopafstand vanaf ieder punt in de tunnel tot een hulppost mag niet groter zijn dan 75 meter. De onderlinge afstand tussen twee hulpposten mag ten hoogste 100 m zijn. Een hulppost is een ruimte waar men terecht kan voor onder meer alarmering, communicatie en brandblusmiddelen. Eisen aan de inrichting van een hulppost zijn opgenomen in het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels.

§ 5.11.2Bestaande bouw

Zie de toelichting op § 5.11.1, Nieuwbouw.

Voorzover bij bestaande wegtunnels nog niet aan dit voorschrift is voldaan, biedt artikel 7.1, derde lid, van het Bouwbesluit 2003, de mogelijkheid dit alsnog, doch voor 1 mei 2014, te realiseren. Deze overgangsbepaling is overeenkomstig de tunnelrichtlijn.

Afdeling 5.12Bestrijding van brand

§ 5.12.1Nieuwbouw

Artikel 5.42

In dit artikel is vastgelegd hoe een wegtunnel aan de functionele eis van 2.190, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 kan voldoen. Met andere woorden, wanneer heeft een wegtunnel zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden? Dit is het geval wanneer aan de in artikel 5.42 van deze regeling genoemde artikelen is voldaan.

Artikel 5.43

Net als voor andere in het Bouwbesluit 2003 genoemde gebruiksfuncties moeten in een wegtunnel voorzieningen voor het bestrijden van brand aanwezig zijn. De voorziening die in een wegtunnel wordt verlangd is een blusleiding, zoals bepaald in artikel 2.191 van het Bouwbesluit 2003, met een aansluiting in elke hulppost zoals bepaald in artikel 5.44 van deze regeling.

Uit artikel 5.43 volgt, door het woord ‘natte’ in artikel 2.191 van het Bouwbesluit 2003 te laten vervallen, dat in een wegtunnel zowel een droge als een natte blusleiding kan worden toegepast. Voor alle andere gebruiksfuncties wordt, voor zover een blusleiding is vereist, uitgegaan van een droge blusleiding.

Opgemerkt wordt dat in artikel 2.193, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 is bepaald dat NEN 1594 de specificaties voor een droge blusleiding geeft. De eisen aan een brandkraan (natte blusleiding) volgen uit het besluit gebruikseisen tunnelveiligheid.

§ 5.12.2Bestaande bouw

Zie de toelichting op § 5.12.1, Nieuwbouw.

Afdeling 5.13Luchtverversing van overige ruimten

§ 5.13.1Nieuwbouw

Artikel 5.48

Met dit artikel is voldaan aan het voorschrift uit de richtlijn tunnelveiligheid, dat er een ventilatiesysteem moet zijn dat voorziet in de beheersing van de emissie van verontreinigende stoffen bij normaal verkeer en tijdens verkeerspieken, de beheersing van de emissie van verontreinigende stoffen indien het verkeer stilstaat wegens een incident of een ongeval en de beheersing van hitte en rook bij brand. De lezer moet begrijpen dat vanwege de oorsprong in artikel 2.216 van het Bouwbesluit weliswaar de Bouwsbesluit 2003 voorschriften spreken over gezondheid, maar dat dit ook moet worden gelezen als mede betrekking te hebben op veiligheid.

Bouwstenen voor het bepalen of aan deze functionele eis is voldaan zijn te vinden in hoofdstuk 12 van de Veiligheids Richtlijn deel C (VRC), uitgave van Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Steunpunt Tunnelveiligheid, januari 2004. In deze richtlijn is aangegeven dat onder normale omstandigheden door het rijdend verkeer een langsstroming in de tunnelbuis wordt opgewekt die in de meeste gevallen voldoende is voor verversing van de lucht. De schone lucht wordt dan aangevoerd via de ingang van de wegtunnelbuis en de vervuilde lucht verdwijnt via de uitgang. Bij kortere tunnels kan de luchtbeweging door wind voldoende zijn om zelfs bij stilstaand verkeer voldoende ventilatiecapaciteit te waarborgen.

Artikel 5.49

Bij een lange wegtunnelbuis kan volgens de richtlijn tunnelveiligheid niet worden vertrouwd op natuurlijke ventilatie. Daarom volgt uit artikel 5.49 van deze regeling dat bij een tunnelbuislengte van meer dan 500 m mechanische ventilatie moet worden toegepast.

Artikel 5.50

In artikel 5.50 is geregeld dat de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten en de afvoer van binnenlucht uit de wegtunnelbuis rechtstreeks naar buiten plaats moet vinden. Rechtstreeks van respectievelijk naar buiten wil zeggen dat de ventilatielucht niet via een andere ruimte dan de wegtunnelbuis zelf mag worden aan- en afgevoerd. Dit betekent dat er wel gebruik mag worden gemaakt van rechtstreekse aan- en afvoer via de tunnelbuismond of van een kanalensysteem dat door andere ruimten loopt.

§ 5.13.2Bestaande bouw

Zie de toelichting op § 5.13.1, Nieuwbouw.

Afdeling 5.14Meterruimte, Nieuwbouw

Artikel 5.54

In dit artikel is vastgelegd hoe een wegtunnel aan de functionele eis van artikel 4.65, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 kan voldoen. Met andere woorden, wanneer heeft een wegtunnel waarin zich een voorziening voor elektriciteit, gas, drinkwater of verwarming bevindt een meterruimte waarin de centrale schakel-, verdeel- en meetapparatuur voor die voorziening kan worden geplaatst. Dit is het geval wanneer aan de in Artikel 5.54 van deze regeling genoemde artikelen is voldaan. Op deze wijze is geregeld dat een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m een meterruimte moet hebben voor de elektrische installatie die, net als bij andere bouwwerken met een elektrische installatie, is afgestemd op de daarin te plaatsen apparatuur. Uit artikel 4.69 van het Bouwbesluit 2003 volgt dat deze meterruimte regenwerend moet zijn.

Afdeling 5.15Inrichtingseisen

§ 5.15.1Nieuwbouw

Deze afdeling heeft, in tegenstelling tot de andere afdelingen van deze regeling geen equivalent in het Bouwbesluit 2003 zelf.

In deze afdeling zijn een aantal voorschriften opgenomen die betrekking hebben op verschillende veiligheidsaspecten.

Artikel 5.55

In artikel 5.55 is geregeld dat een wegtunnel met een lengte van meer dan 250 meter voor twee rijrichtingen twee afzonderlijke tunnelbuizen moet hebben. Op deze wijze kunnen met het oog op de verkeersveiligheid verkeersstromen met verschillende rijrichting worden gescheiden.

Dit voorschrift geldt niet voor een tunnel binnen de bebouwde kom. Binnen de bebouwde kom geldt in beginsel een snelheidslimiet van 50 km/h, waardoor het verkeersveiligheidsrisico beperkter is dan een tunnel buiten de bebouwde kom.

De voorschriften voor het daadwerkelijk gebruik van de tunnelbuis zijn opgenomen in het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels. Daarin is onder meer geregeld onder welke restricties tweerichtingsverkeer in een enkele tunnelbuis is toegestaan.

Artikel 5.56

Het gaat in artikel 5.56 niet om een hellingbaan voor personen maar om een hellingbaan voor motorvoertuigen. Dit is een ander soort hellingbaan dan die in afdeling 2.6 van Bouwbesluit 2003. In afdeling 2.6 gaat het alleen om het overbruggen van hoogteverschillen door niet in een gemotoriseerd voertuig gezeten personen (dus lopend of bijvoorbeeld in een kinderwagen of rolstoel).

Artikel 5.57

Bij een plotselinge overgang van daglicht naar tunnellicht en van tunnellicht naar daglicht, kunnen automobilisten verblind raken. Om verkeersongevallen door verblinding te voorkomen bepaalt artikel 5.57 dat aan de tunnelmond voorzieningen moeten worden getroffen om een geleidelijke overgang van daglicht naar kunstlicht te waarborgen. De voorschriften met betrekking tot verlichting zijn te vinden in afdeling 5.5 van deze regeling. De noodzaak en aard van de voorzieningen zijn afhankelijk van een aantal factoren zoals omgevingsfactoren, oriëntatie en verlichting in de wegtunnelbuis.

De voorschriften met betrekking tot de reguliere tunnelverlichting zijn te vinden in afdeling 5.5 van deze regeling.

Artikel 5.58

Bij een incident in een wegtunnel is het noodzakelijk dat hulpverleningsvoertuigen een vrachtwagen met een hulpverleningsvoertuig kunnen passeren. De in artikel 5.58 vastgelegde minimum afmetingen van een wegtunnelbuis waarborgen dat daarvoor voldoende ruimte is.

§ 5.15.2Bestaande bouw

Zie de toelichting op § 5.15.1, Nieuwbouw.

Hoofdstuk 6Slotbepalingen

Artikel 6.2

De datum van inwerkingtreding is 1 januari 2003. Dit is gelijktijdig met de voorgenomen inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2003.

Bijlage I geeft een overzicht van alle in het Bouwbesluit 2003, in het Besluit indieningvereisten aanvraag bouwvergunning en in de Regeling Bouwbesluit 2003 aangestuurde eerstelijns normbladen met daarbij aangegeven welke uitgave van toepassing is. Deze lijst, die sinds 1 januari 2003 in NEN 2000 stond, is ter verbetering van de gebruiksvriendelijkheid van de bouwregelgeving opnieuw direct in deze regeling opgenomen. In het geval voor nieuwbouw en bestaande bouw hetzelfde normblad is aangewezen en voor de bestaande bouw een eerdere uitgave geldt, dan is dit in bijlage I kenbaar gemaakt door de vermelding '(bestaande bouw)' achter de omschrijving van die eerdere uitgave van de norm. De per 21 mei 2009 aangepaste versie van bijlage I vermeldt de geactualiseerde versies van NEN 1010, NEN 1041, NEN 2580, NEN 3215, NEN 5087, NEN 5096, NEN 6063, NEN 6068, NEN 6090, NEN-EN 13501-1 en NEN-EN-ISO/IEC 17025. Verder verwijst de bijlage bij NEN 1006, NEN 1068, NEN 1594, NEN 2555, NEN 2608, NEN 2686, NEN 2690, NEN 2916, NEN 5128, NEN 6700, NEN 6707 en NEN 6720 naar recente wijzigingsbladen of correctiebladen van die normbladen. Voorts is in bijlage I de vermelding van zeven normbladen geschrapt, omdat deze niet meer door de bouwregelgeving worden aangestuurd, waaronder NEN 2000.