Contact Service
I Algemeen
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


I Algemeen

1Inleiding

Deze Regeling Bouwbesluit 2003 vervangt al de voorgaande regelingen van het Bouwbesluit, te weten de Regeling Bouwbesluit Nieuwbouw 1998, de Regeling Bestaande Bouw 1998, de Regeling Bouwbesluit Materialen 1998, de Regeling Bouwbesluit Aansluitvoorwaarden en de Regeling Bouwbesluit CE-markeringen en erkende kwaliteitsverklaringen. Veel voorschriften uit de genoemde regelingen hebben inmiddels een plaats gekregen in het Bouwbesluit 2003 (Stb. 2001, 410; Stb. 2002, 203; Stb. 2002, 516 en Stb. 2002, 518, of in NEN-normen. Nieuw in deze regeling is de doorverwijzing naar de door het Nederlands Normalisatie-instituut (verder genoemd NEN) ontwikkelde NEN 2000. Dit normblad bevat het overzicht van de door het Bouwbesluit 2003 (ook genoemd het besluit) aangestuurde normbladen met vermelding van datum van uitgifte en van toepassing zijnde correcte, wijzigings- en aanvullingsbladen. Tevens bevat het normblad een overzicht van verwijzingen naar delen van andere normbladen die relevant zijn voor de toepassing in het kader van de bij of krachtens het besluit, deze regeling en het Besluit omgevingsvergunning met betrekking tot een aanvraag om bouwvergunning gegeven voorschriften. De vermelding van de datum van uitgifte van de eerstelijns NEN-normen, en daarbij behorende correctie- of wijzigingsbladen zijn daarom in de regeling achterwege gebleven.

Nadere voorschriften bij de toepassing van de NEN-normen in het kader van de bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschriften blijven onderdeel van de Regeling Bouwbesluit 2003. Deze regeling is ingedeeld in hoofdstukken en volgt de systematiek van het Bouwbesluit 2003.

Wijzigingen van de regeling:

a.Implementatie van de Euroklassen (Stcrt. 2003, 101)

Inleiding

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 worden de Europese bepalingsmethoden ten aanzien van het materiaalgedrag bij brand van bouwmaterialen geïmplementeerd. Deze zogenoemde Euroklassen zullen voor nieuwbouw en verbouw op termijn volledig de plaats gaan innemen van de nu in het Bouwbesluit 2003 voorgeschreven Nederlandse bepalingsmethoden voor het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie (§ 2.11.1), de beperking van de ontwikkeling van brand (§ 2.12.1) en de beperking van het ontstaan van rook (§ 2.15.1). Met deze wijziging wordt een zogenoemd duaal stelsel ingevoerd, dat wil zeggen dat naast de in het Bouwbesluit 2003 voorgeschreven Nederlandse brand- en rookklassen naar keuze ook gebruik kan worden gemaakt van de Euroklassen.

Voor bouwproducten die als zodanig in een bouwwerk als constructieonderdeel worden toegepast en reeds aan de Euroklassen moeten voldoen, kan met de tabel in bijlage III worden bepaald aan welke Europese klasse voortaan moet worden voldaan. Voor dergelijke bouwproducten waarvoor de Euroklassen nog niet verplicht zijn, kan, eveneens op basis van de tabel in bijlage III, op vrijwillige basis gebruik worden gemaakt van de Euroklassen. Voor zulke bouwproducten zijn er dan geen belemmeringen meer in het vrije handelsverkeer binnen de Europese markt. Voor bouwproducten die tezamen met andere bouwproducten een constructie- onderdeel vormen is met de toepassing van de Euroklassen nog niet het bewijs geleverd dat het samengestelde constructie-onderdeel aan het Bouwbesluit 2003 voldoet. Dat zal van geval tot geval nader moeten worden aangetoond. Indien aanvragers van een bouwvergunning gebruik maken van de Euroklassen, moeten gemeenten hiermee rekening houden bij de toetsing.

Richtlijn bouwproducten

De richtlijn bouwproducten verplicht lidstaten hun publiekrechtelijke regelgeving zo aan te passen dat er geen onnodige handelsbelemmeringen zijn voor de toepassing van bouwproducten die in overeenstemming zijn met Europese technische specificaties. Het Nederlandse klasseringstelsel voor materiaalgedrag bij brand moet daarom worden vervangen door de Europese wijze van klasseren. In artikel 1.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 is bepaald dat een geharmoniseerd Europese normblad in de plaats treedt van het voor het desbetreffende onderwerp geldende Nederlandse normblad 12. In het tweede lid van artikel 1.4 van het Bouwbesluit 2003 is voorzien in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling nadere voorschriften terzake te geven. 13 De invoering van een duaal stelsel is zo'n nader voorschrift .

NEN-EN 13501-1

De Europese klassering en de bijbehorende bepalingsmethoden voor het aspect 'materiaalgedrag bij brand' (reaction to fire) zijn geharmoniseerd in NEN-EN 13501-1. Dit klasseringstelsel voor materiaalgedrag bij brand heeft eenzelfde opbouw als het Nederlandse stelsel zoals dat nu in het Bouwbesluit 2003 is opgenomen, namelijk een grenswaarde en een daarbij behorende bepalingsmethode. Deze bepalingsmethode is zoveel mogelijk gebaseerd op het testen van de 'end use' situatie, dat wil zeggen op een wijze die overeenkomt met de wijze waarop het bouwproduct wordt toegepast in een bouwconstructie. Het normblad kan daarom worden gebruikt voor het bepalen van het materiaalgedrag van een bouwproduct en een (prefab) bouwconstructie, of constructie- onderdeel in een bepaalde toepassing. Als een bouwconstructie of constructie-onderdeel voor een bepaalde toepassing is beproefd, dan zal een andere toepassing daarvan opnieuw moeten worden beproefd, tenzij duidelijk is dat de testresultaten ook voor die andere toepassing hun waarde behouden. NEN zal daartoe voor de bouwpraktijk een norm met nadere aanwijzingen gaan ontwikkelen. Dat normblad moet het ook mogelijk maken de Europese brandproeven te gebruiken voor de beoordeling van in-situ vervaardigde constructie-onderdelen.

Omzetting van de nationale brandklassering

Voor de onderbouwing van de nieuw aan te houden grenswaarden is een vergelijkend onderzoek uitgevoerd (TNO, CvB rapport 2001-CVB-R03569, 4 september 2001). Het onderzoek omvatte de vergelijking van de prestaties van bouwproducten op basis van de Nederlandse testmethode en de nieuwe Europese testmethode volgens NEN-EN 13501-1. Uitgangspunt hierbij was het gelijk blijven van het huidige veiligheidsniveau, waarbij de volgende aspecten hebben meegewogen:

  • goede aansluiting van het prestatieniveau van momenteel en in de toekomst toegestane producten;
  • geen structurele verhoging van de bouwkosten;
  • beperkte consequenties voor de bouwmarkt als geheel, en
  • aansluiting bij eisenniveaus in omringende landen

De wijze van uitvoeren van de brandproeven (mounting and fixing) is afgestemd op het testen in 'end use' situatie, waarbij zo nodig voor bepaalde productgroepen de brandscenario's nader worden gedifferentieerd, bijvoorbeeld voor gevels. Uit het onderzoek is gebleken dat de Europese brandklassen en rookklassen niet altijd goed op elkaar aansluiten. Genoemde onderzoeksresultaten zijn bepalend geweest voor het omzetten van de nationale brand- en rookklassen naar de Europese brand- en rookklassen zoals vermeld in bijlage III.

Regeleffect toetsen

Om de effecten van de Europese brandklassen in kaart te brengen is onderzoek uitgevoerd (DHV, 'Regeleffecttoets, Europese klassering materiaalgedrag bij brand', november 2002). Hierbij zijn de bedrijfseffecten, milieueffecten, effecten op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid en de gevolgen voor indirect belanghebbenden aan de orde gekomen. Uit de rapportage blijkt dat het omzetten van de brandveiligheidseisen zal betekenen dat voor enkele producten bepaalde toepassingen niet meer worden toegestaan. De gevolgen daarvan zijn mede afhankelijk van de mogelijkheden van de desbetreffende fabrikanten om eventuele aanpassingen in hun producten of productieproces te realiseren. Daarnaast zijn in al deze gevallen al bruikbare alternatieven op de markt. De Europese brandklassen zullen daarmee een relatief kleine omzetverschuiving binnen de bouwkolom veroorzaken van ca. 3% van de totale jaaromzet aan bouwproducten. Er zijn geen aanwijzingen dat de invoering van de Europese brandklassen effecten voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, het milieu en de indirect belanghebbenden zal hebben.

Invoering van de Euroklassen

Voor productgroepen waarvoor Europese productnormbladen van kracht worden dan wel reeds zijn geworden, of waarvoor de Europese technische goedkeuringen mogen worden toegepast, en die als constructie-onderdeel worden toegepast, worden op grond van artikel 1.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 de in dat besluit vermelde Nederlandse brand- en rookklassen voor nieuwbouw en verbouw vervangen door de Euroklassen en de bepalingsmethoden volgens NEN-EN 13501-1. De betreffende fabrikanten kunnen door middel van de transponeringtabel in bijlage III vaststellen welke Europese brand- en rookklasse overeenkomt met de in het Bouwbesluit 2003 vermelde Nederlandse brand- en rookklasse en zijn voortaan verplicht de CE-markering op hun bouwproducten, bouwconstructies 40 of constructie-onderdelen te voeren. De gereedgekomen Europese technische specificaties worden met hun overgangstermijnen bekendgemaakt in de Staatscourant. Deze worden tevens geplaatst op de website van VROM, onder 'CE-markeringen' (www.vrom.nl)

Vrijwillige toepassing Euroklassen

Gedurende de periode dat een voor een bouwproduct, bouwconstructie of constructie-onderdeel bedoeld productnormblad of technische goedkeuring nog in ontwikkeling is, zouden formeel de in het Bouwbesluit 2003 voorgeschreven Nederlandse brand- en rookklassen blijven gelden. Echter, ter bevordering van het vrije handelsverkeer mogen fabrikanten op vrijwillige basis al gebruik maken van de Euroklassen en de Europese bepalingsmethoden voor 'reaction to fire' volgens NEN-EN 13501-1. Het in deze regeling opgenomen duale stelsel voor nieuwbouw en verbouw biedt daartoe de mogelijkheid. Aan de hand van de tabel in bijlage III kan de vereiste Europese klasse worden vastgesteld.

Toekomstige ontwikkelingen

Zoals eerder aangegeven zal het in deze regeling opgenomen duale stelsel voor nieuwbouw en verbouw enige jaren blijven gelden en zullen steeds meer fabrikanten op de Euroklassen moeten overstappen. Naar verwachting zal het Europese stelsel in het Bouwbesluit 2003 worden geïmplementeerd op het moment dat alle Europese geharmoniseerde productnormbladen en technische goedkeuringen van kracht zijn, dan wel toegepast mogen worden. Voor de eerder genoemde samengestelde constructie-onderdelen en andere toepassingen waarvoor de zogenoemde SBI-test geen inrichting van de testcondities heeft gespecificeerd (bijvoorbeeld 'in situ' toepassingen), zal het NEN een apart Nederlands normblad gaan ontwikkelen. Dit normblad zal nadere aanwijzingen bevatten voor de monsterneming en de wijze van aanbrengen van proefstukken in de testopstelling en zal gereed zijn voordat de huidige nationale brand- en rookklassen zijn ingetrokken en nog uitsluitend van de Euroklassen gebruik kan worden gemaakt.

Voor de bestaande bouw geldt het 'rechtens verkregen niveau'. Omdat de Euroklassen en de daarbij toegepaste systematiek aanzienlijk verschillen met de huidige Nederlandse, zijn de Euroklassen niet 1-op-1 toepasbaar in de bestaande situatie en blijven de Nederlandse brand- en rookklassen voor de bestaande bouw van kracht. Na de implementatie van de Euroklassen voor nieuwbouw en verbouw in het Bouwbesluit 2003 zal om deze reden sprake zijn van een afwijkend stelsel van brandklassen voor enerzijds nieuwbouw en verbouw en anderzijds bestaande bouw. Punt van aandacht hierbij zijn de nieuw te bouwen niet-permanente bouwwerken. Deze moeten volgens artikel 1.13 van het Bouwbesluit 2003 ten minste voldoen aan de voorschriften voor bestaande bouw en voor wat betreft de brandklassen bovendien aan enige voorschriften voor nieuwbouw. Op welke wijze in de toekomst voor nietpermanente bouwwerken ontheffing tot het niveau van de Nederlandse brand- en rookklassen (bestaande bouw) zal kunnen worden verleend, terwijl zij gebouwd zijn met constructie- onderdelen die voldoen aan de Euroklassen, zal op een later tijdstip nader worden bezien.

b.Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 juli 2005, nr. DJZ2005163532, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 (Wijzigingen in verband met de wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijzigingen in verband met het opnemen van de subgebruiksfunctie kinderopvang, het dereguleren van de onderwijsfunctie en enkele andere wijzigingen van het Bouwbesluit 2003, Staatsblad 2005, 1), de stelselwijziging kwaliteitsverklaringen en enkele andere wijzigingen van de Regeling Bouwbesluit 2003 (Stcrt. 2005, 163)

Met deze wijziging is de Regeling Bouwbesluit 2003 afgestemd op de wijziging van het Bouwbesluit 2003 (Stb. 2005, 1).

In deze wijziging van de regeling wordt het gebruik van NEN 2000 als aanwijzingsinstrument voor de aan te sturen eerstelijns bouwnormbladen, zoals per 1 januari 2003 geïntroduceerd, losgelaten. Een overzicht van de door het Bouwbesluit 2003 aangestuurde normbladen met vermelding van datum van uitgifte en van toepassing zijnde correctie-, wijzigings- en aanvullingsbladen is nu opgenomen als bijlage I bij de regeling. Voorts zijn een aantal voorschriften geactualiseerd in verband met aanpassingen van in het Bouwbesluit 2003 aangewezen normbladen, wijzigingsbladen, of correctiebladen. Ook zijn een aantal Europese normbladen beschikbaar gekomen of gewijzigd.

In deze wijzigingsregeling is verder gebruik gemaakt van de mogelijkheid die bovengenoemde wijziging van het Bouwbesluit 2003 biedt om voor de bestaande bouw, evenals reeds bij nieuwbouw het geval is, nadere voorschriften te stellen omtrent het in een bouwwerk aanwezig zijn van materialen waaruit giftige of hinderlijke stoffen (asbest) vrijkomen. Ook is in deze wijzigingsregeling de grondslag voor de stelselwijziging voor kwaliteitsverklaringen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van de Woningwet opgenomen. De essentie van deze stelselwijziging is dat de systematiek van individueel erkende kwaliteisverklaringen is gewijzigd in een (algemene) erkenning door de minister van het stelsel als zodanig. Individuele kwaliteitsverklaringen zullen voortaan niet meer door de minister zelf, maar door een door de minister aangewezen coördinerende instelling via publicatie van de lijst van erkende kwaliteitsverklaringen worden erkend en bekendgemaakt.

c.Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 december 2005, nr. DJZ 2005218222, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 (Wijzigingen in verband met de herziening van normbladen en enkele reparaties), Stcrt. 2005, 249

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 worden de laatste versies van de beide normen voor de bepaling van de energieprestatiecoëfficiënt aangewezen. Het gaat hier om NEN 2916 2001, de bepalingsmethode voor utiliteitsgebouwen, die wordt vervangen door de versie uit 2004. NEN 5128 2001, de bepalingsmethode voor de woonfunctie, wordt eveneens vervangen door de versie uit 2004. Deze nieuwe versies van de normen bieden meer mogelijkheden aan de in stallatiebranche bij het toepassen van nieuwe installatietechnieken. Bij het toepassen van deze nieuwe normbladen is het eenvoudiger dan bij gebruik van de vorige versies om de invloed van dergelijke nieuwe technieken op de energieprestatiecoëfficiënt te bepalen. Dergelijke nieuwe installatietechnieken zijn met name ook van belang bij het halen van de aangescherpte energieprestatiecoëfficiënt voor de woonfunctie. De wijziging van het Bouwbesluit 2003 met betrekking tot aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt voor de woonfunctie (Stb. 2005, 528) treedt naar verwachting 1 januari 2006 in werking, gelijktijdig met deze wijziging. Voorts wordt een nieuwe versie van NEN 2000 aangewezen en van een tweetal andere normen de laatste versie aangewezen, waarmee enkele onvolkomenheden in de in die normen opgenomen bepalingsmethoden zijn weggenomen.

Verder zijn in deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 een aantal reparaties opgenomen. Het gaat hier om het herstellen van redactionele onvolkomenheden, zoals het ten onrechte opnemen van de datum van uitgave van een norm, terwijl deze datum ook al in bijlage I is genoemd.

De wijzigingen in de uitgaven van NEN 6068 en NEN 6069 hebben eveneens betrekking op een wijziging in de bepalingsmethode en vloeien voort uit de nadere afstemming met de Europese NEN-EN 81-85.

d.Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 23 juni 2006, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 (wijzigingen in verband met de implementatie van de richtlijn tunnelveiligheid), Stcrt. 2006, 122.

d.1. Inleiding

Deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 is ter implementatie van de bouwtechnische voorschriften die voortvloeien uit richtlijn 2004/54/EG van het Europees parlement en de raad van 29 april 2004 inzake minimum veiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet.

Deze richtlijn beoogt een minimaal veiligheidsniveau te verzekeren voor weggebruikers in tunnels van het trans-Europese wegennet door preventie van kritische gebeurtenissen die mensenlevens, milieu en tunnel installaties in gevaar kunnen brengen, en door bescherming te bieden bij ongevallen. Deze richtlijn is van toepassing op alle tunnels met een lengte van meer dan 500 m, ongeacht of deze in gebruik, in aanbouw, dan wel in de ontwerpfase zijn. De implementatietermijn verstrijkt op 30 april 2006.

Implementatie van deze richtlijn vindt deels plaats door het stellen van regels m.b.t. de veiligheid van voor het wegverkeer toegankelijke tunnels in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Kamerstukken II 2004/2005, 30 209, nr. 2), het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels en een daarop gebaseerde regeling. De noodzakelijke bouwtechnische voorschriften zijn opgenomen in een wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijzigingen in verband met de implementatie van de richtlijn tunnelveiligheid), Stb. 2006, 148, en deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003.

In het systeem van het Bouwbesluit 2003 vallen tunnels of tunnelvormige bouwwerken onder gebruiksfunctie 12 "Bouwwerk geen gebouw zijnde". Tot de inwerkingtreding van genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2003 gelden voor deze gebruiksfunctie geen of beperkt prestatie-eisen die specifiek op wegtunnels zijn gericht. Om dit mogelijk alsnog te maken is in het Bouwbesluit 2003 een nieuwe afdeling 2.26 Tunnelveiligheid opgenomen. In deze afdeling is een paragraaf voor nieuwbouw en een paragraaf voor bestaande bouw opgenomen. Op basis van deze afdeling in het Bouwbesluit 2003 zijn specifieke technische voorschriften in een nieuw hoofdstuk in onderhavige regeling opgenomen. Op deze wijze wordt de toegankelijkheid voor zowel de reguliere gebruiker van het Bouwbesluit 2003 als voor de opdrachtgevers voor tunnels zo goed mogelijk gediend.

Hoewel het hierboven genoemde wetsvoorstel zich in beginsel beperkt tot implementatie van de richtlijn, gaat het voorstel op een beperkt aantal onderdelen iets verder. Ditzelfde geldt derhalve voor het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels, Stb. 2006, 248, en voor genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2003 en deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003. Voorzover hier van belang: de richtlijn heeft betrekking op tunnels in het trans-Europese wegennet langer dan 500 m. Gelet op overweging 25 bij de richtlijn die de lidstaten aanspoort vergelijkbare veiligheidsniveaus toe te passen voor wegtunnels op grondgebied die geen deel uitmaken van het Europese wegvervoersnet is de werkingssfeer van het wetsvoorstel uitgebreid tot alle wegtunnels met een minimum lengte van 250 meter. In lijn hiermee is ook in de bouwtechnische voorschriften ook uitgegaan van wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 meter.

Voor een nadere toelichting hierop wordt ook verwezen naar de op 8 juli 2005 aan de Tweede Kamer aangeboden Beleidsvisie Tunnelveiligheid deel B (Kamerstukken II, 2004/2005, 29 296, nr. 3)

d.2. Systematiek

Er is voor gekozen om de specifieke voorschriften voor tunnels in deze regeling op te nemen. De grondslag hiervoor is opgenomen in (een nieuwe) afdeling 2.26 Tunnelveiligheid van het Bouwbesluit 2003 (het besluit). In artikel 2. 217 voor nieuwbouw en 2.219 voor bestaande bouw is aangegeven dat bij ministeriële regeling nadere voorschriften zullen worden gegeven. In (het nieuwe) hoofdstuk 5 Veiligheidseisen voor wegtunnels zijn deze nader voorschriften opgenomen. In dit hoofdstuk is dezelfde volgorde van de beoordelingsaspecten aangehouden als in het Bouwbesluit 2003. Per beoordelingsaspect is een afdeling opgenomen met in de meeste gevallen een paragraaf voor nieuwbouw en een paragraaf voor bestaande bouw. Het systeem hierbij is dat voor tunnels in principe alle voorschriften gelden die in het Bouwbesluit 2003 zijn opgenomen voor bouwwerken geen gebouw zijnde. Bij een aantal beoordelingsaspecten zijn de voorschriften die in het Bouwbesluit 2003 voor de gebruiksfunctie “bouwwerk geen gebouw zijnde” zijn opgenomen niet voldoende op de situatie in wegtunnels toegespitst. Voor die gevallen zijn in hoofdstuk 5 van deze regeling nadere voorschriften opgenomen.

Bij de beoordeling welke voorschriften voor wegtunnels gelden kan het volgende onderscheid worden aangebracht:

1.Voor de beoordelingsaspecten (afdelingen) die niet in hoofdstuk 5 van deze regeling zijn opgenomen geldt het Bouwbesluit 2003 onverkort. Dit betekent dat voor die beoordelingsaspecten de desbetreffende tabel van het Bouwbesluit 2003 aangeeft welke voorschriften voor een wegtunnel (bouwwerk geen gebouw zijnde) zijn aangestuurd.
2.Voor de beoordelingsaspecten waar een afdeling in hoofdstuk 5 van deze regeling is opgenomen, volgt uit die afdeling hoe het gelijknamige en gelijkgenummerde beoordelingsaspect uit het Bouwbesluit 2003 moet worden gelezen (toegepast). Hierbij zijn ruwweg twee situaties te onderscheiden:
a.Om aan de functionele eis te voldoen geldt de aansturing uit het Bouwbesluit 2003 onverkort. In de regeling is aangegeven dat een of meer bepalingen anders moeten worden toegepast. Dit is alleen het geval bij ‘sterkte bij brand’ (afdeling 5.1) en ‘overbrugging van hoogte verschillen’ (afdeling 5.2)
b.Om aan de functionele eis te voldoen geldt een andere aansturing dan in het Bouwbesluit 2003 bij dat beoordelingsaspect is opgenomen. Dit kan zowel betekenen dat er gebruik wordt gemaakt van artikelen uit het Bouwbesluit 2003 maar ook dat een bepaling anders moet worden gelezen of dat er aanvullende bepalingen in deze regeling zijn opgenomen.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in de systematiek van het Bouwbesluit 2003, in afwijking van het spraakgebruik, geen onderscheid wordt gemaakt tussen toegangen en uitgangen. Het Bouwbesluit 2003 merkt ook een (nood)uitgang aan als een toegang. Dit geldt dus ook voor een (nood)uitgang in een wegtunnel, die nimmer toegang is.

Het Bouwbesluit 2003 stelt voorschriften uit oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid. Hoewel de richtlijn zich specifiek richt op de veiligheid van tunnels, stelt de richtlijn ook eisen die in de systematiek van het Bouwbesluit 2003 onder de hoofdstukken gezondheid en bruikbaarheid vallen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de ventilatievoorschriften in de richtlijn die in de systematiek van het Bouwbesluit 2003 zijn opgenomen in het hoofdstuk gezondheid. De regeling ziet niet op de ventilatie die in geval van een brand een essentiële rol vervult. Alleen via het tunnelveiligheidsplan kan worden geregeld dat in technische zin alsnog dergelijke voorzieningen worden aangebracht. Het tunnelveiligheidsplan is blijkens artikel 44a van de Woningwet weigeringsgrond voor de bouwvergunning.

Gelijkwaardigheid

In artikel 14 van de richtlijn is een specifieke procedure opgenomen die het mogelijk maakt af te wijken van de voorschriften in de richtlijn wanneer sprake is van innovatieve technieken. In het Bouwbesluit 2003 is in artikel 1.5 een zogenoemde gelijkwaardigheidsbepaling opgenomen. Dit artikel biedt de aanvrager van een bouwvergunning de mogelijkheid om van een in het Bouwbesluit 2003 opgenomen prestatie-eis af te wijken. De aanvrager die een beroep op dit gelijkwaardigheids-artikel doet, moet ten genoegen van burgemeester en wethouders aantonen dat het bouwwerk tenminste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als beoogd is met het oorspronkelijke voorschrift. Dit betekent dat aan de aanvrager aan de functionele eis moet blijven voldoen en dat de gekozen oplossingen gelijkwaardig zijn aan de prestatie-eisen. Op het moment dat de aanvrager daar niet aan kan voldoen, is er sprake van de situatie als bedoeld in artikel 14 van de richtlijn. In dergelijke gevallen moet de daarvoor in de richtlijn opgenomen procedure worden gevolgd. Artikel 14 van de richtlijn is geïmplementeerd met een wijziging van artikel 7 van de Woningwet (het experimenteerartikel, Kamerstukken II 2005/2006, 30209, nr. 8). Het is de verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders om bij de aanvraag van een bouwvergunning voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 meter in voorkomende gevallen na te gaan of er sprake is van gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 en bij tunnels langer dan 500 meter ook of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 14 van de richtlijn.

d.3. Gevolgde procedure en inspraak

Deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 is voorbereid met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en met het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Voorts is de wijziging besproken in het Interdepartementaal Overleg Bouwregelgeving (IOB), de Juridisch Technische Commissie (JTC) en het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB).

d.4 Toetsing administratieve lasten

De onderhavige regeling is niet voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal). Zoals Actal bij de behandeling van het Wetsvoorstel aanvullende regels veiligheid wegtunnels heeft vastgesteld, is ook bij de onderhavige regeling geen sprake van administratieve lasten voor burgers of voor het bedrijfsleven.

d.5 Bedrijfseffecten

De kosten voor de implementatie van de richtlijn zijn relatief gering. Zoals in de toelichting op de wijziging van het Bouwbesluit 2003 inzake de implementatie van de richtlijn tunnelveiligheid reeds is aangegeven zijn de kosten, voor de periode tot 1 mei 2014, het moment dat alle bestaande tunnels ook aan de voorschriften van de richtlijn moeten voldoen, begroot op circa 5.1 miljoen euro voor rijktunnels en circa twee miljoen euro voor gemeentelijke tunnels (Beleidsvisie Tunnelveiligheid deel B).

e. Regeling van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 29 april 2009, nr. BJZ2009030903, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 (wijzigingen in verband met de herziening van normbladen en een enkele reparatie), Stcrt 2009, 91

Met deze wijzigingsregeling wordt een nieuwe versie van bijlage I bij de Regeling Bouwbesluit 2003 vastgesteld.

Eerder was het voornemen wijzigingspakket 3 van het Bouwbesluit 2003, inclusief een algehele herziening van de regeling van het Bouwbesluit 2003, op 1 januari 2009 in werking te laten treden. Inmiddels is besloten om wijzigingspakket 3 niet apart in werking te laten treden, maar het Bouwbesluit 2003 en het op 1 november j.l. in werking getreden Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Gebruiksbesluit) samen te voegen in een nieuwe algemene maatregel van bestuur. De inwerkingtreding van deze nieuwe algemene maatregel van bestuur, inclusief de algehele herziening van deze ministeriële regeling, zal naar verwachting in 2010 kunnen plaatsvinden.

Gezien de technologische ontwikkelingen en de bijbehorende normalisatie is het niet wenselijk om met de wijziging van bijlage I te wachten op het bovengenoemde geïntegreerde besluit en de daarbij behorende ministeriële regeling. Derhalve is besloten om in een tussentijdse bijstelling van deze regeling de uitgave van een aantal door het Bouwbesluit 2003 aangestuurde normen te actualiseren. Daarbij zijn de volgende voorwaarden gehanteerd:

  • de actualisering heeft niet tot gevolg dat wijziging van het Bouwbesluit 2003 nodig is;
  • als de NEN-norm bij de eerstkomende wijziging van het besluit wordt vervangen door een Europese norm (bijvoorbeeld een Eurocode-deel) worden van de nu aangewezen norm alleen nog nieuwe wijzigingsbladen of correctiebladen aangewezen;
  • de gewijzigde aansturing van een norm of onderdeel daarvan, omvat geen (technische) inhoudelijke wijziging anders dan ter omzetting van Europese normen.

Om deze redenen is deze wijziging van de regeling beperkt gebleven tot het aansturen van elf nieuwe uitgaven van NEN-normen en enige wijzigingsbladen of correctiebladen bij NEN-normen. De wijzigingen van deze normen vloeien voor een belangrijk deel voort uit aanpassingen aan Europese normalisatie en betreffen verder redactionele verbeteringen, zoals bijvoorbeeld het opnemen van een wijzigingsblad in de norm zelf. Voorts is de aansturing van NEN 2000 vervallen waardoor de verwijsketens binnen de bouwnormen voortaan beperkt blijven tot doorverwijzing naar andere in Bijlage I vermelde eerstelijnsnormen. Overigens wordt opgemerkt dat NEN-normen beschikbaar zijn via NEN (Nederlands Normalisatie Instituut te Delft).

Daarnaast is het voorschrift met betrekking tot de hoeveelheden aan bedrijfsmatige opslag van brandbare, brandbevorderende, bij brand gevaar opleverende en voor de gezondheid schadelijke stoffen die in een brandcompartiment moeten liggen, hier geschrapt omdat de opslag van dergelijke stoffen tot het domein van de milieuregelgeving behoort. Dit betekent dat de verwijzingen vanuit het Bouwbesluit 2003 naar ‘bij ministeriële aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen’ tot het in werking treden van het geïntegreerde besluit leeg zijn.

f. Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 mei 2010, nr. BJZ2010011775, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, houdende wijziging van diverse ministeriële regelingen in verband met de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringsregeling Wet algemene bepalingen omgevingsrecht)

Deze wijzigingsregeling voorziet in de aanpassing van diverse regelingen in verband met de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Via deze regeling worden die regelingen aangepast aan de Wabo en de daarop gebaseerde regelgeving, te weten het Besluit omgevingsrecht (Bor), alsmede aan de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wabo) en het Invoeringsbesluit Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringsbesluit Wabo).De wijzigingen zijn voornamelijk technisch-administratief van aard. Het betreft aanpassing van verwijzingen naar bijvoorbeeld algemene maatregelen van bestuur die inmiddels vervallen zijn, zoals het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, alsmede het vervangen van de verwijzingen naar bijvoorbeeld bouwvergunning, aanlegvergunning etc. naar daarmee overeenkomende omgevingsvergunningen. In de wijzigingsregeling zijn alle regelingen op het beleidsterrein van VROM die wijziging behoeven in verband met de Wabo, de Invoeringswet Wabo en het Invoeringsbesluit Wabo aangepast. Tevens is hierin de aanpassing van een aantal regelingen die primair onder de verantwoordelijkheid van andere bewindspersonen vallen, meegenomen. De regeling is om die reden vastgesteld in overeenstemming met de betrokken bewindspersonen. De wijzigingen zijn alfabetisch gerangschikt. In de memorie van toelichting bij de Wabo en in de nota van toelichting bij het Bor is uitgebreid ingegaan op de effecten van de nieuwe regelgeving op bestuur, burgers, bedrijven en instellingen. Ook zijn daarbij de bedrijfs- en milieueffecten en vermindering van administratieve lasten in beeld gebracht. Uit de onderhavige regeling vloeien geen zelfstandige bedrijfseffecten of administratieve lasten voort. Ook is er geen sprake van een vermeerdering van financiële of administratieve lasten voor de (decentrale) overheid.

2Notificatie

De ontwerp-regeling is op 6 maart 2002 gemeld aan de Commissie van de Europese gemeenschappen (notificatienummer 2002/0110/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

Er zijn geen opmerkingen of bezwaren ingebracht door lidstaten of de Commissie.

Wijzigingen van de regeling

a. Implementatie van de Euroklassen (Stcrt. 2003, 101)

De regeling, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 (implementatie Europese brand- en rookklassen) is niet genotificeerd.

b. Wijzigingsregeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 juli 2005, nr. DJZ2005163532, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 (Wijzigingen in verband met de wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijzigingen in verband met het opnemen van de subgebruiksfunctie kinderopvang, het dereguleren van de onderwijsfunctie en enkele andere wijzigingen van het Bouwbesluit 2003, Staatsblad 2005, 1), de stelselwijziging kwaliteitsverklaringen en enkele andere wijzigingen van de Regeling Bouwbesluit 2003 (Stcrt. 2005, 163)

De ontwerpregeling is op 14 maart 2005 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen, notificatienummer 2005/0115/NL, ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

De meeste artikelen in deze wijzigingsregeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Met een beroep op de gelijkwaardigheidsbepaling (artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003) zullen deze voorschriften niet tot een situatie behoeven te leiden waarin het vrije verkeer van goederen op een niet gerechtvaardigde of discriminerende wijze wordt belemmerd. Door de Commissie zijn geen bemerkingen gemaakt.

Melding aan het Secretariaat van de Wereld Handelsorganisatie, ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu er in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

c. Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 december 2005, nr. DJZ 2005218222, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 (Wijzigingen in verband met de herziening van normbladen en enkele reparaties), Stcrt. 2005, 249

Deze regeling is niet genotificeerd.

d. Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 23 juni 2006 houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 (wijzigingen in verband met de implementatie van de richtlijn tunnelveiligheid), Stcrt. 2006, 122

Deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 is op 2 maart 2006 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen, notificatienummer 2006/0122/NL, ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

Deze regeling bevat technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Met een beroep op de gelijkwaardigheidsbepaling (artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003) zullen deze voorschriften niet tot een situatie behoeven te leiden waarin het vrije verkeer van goederen op een niet gerechtvaardigde of discriminerende wijze wordt belemmerd. Door de Commissie zijn geen opmerkingen gemaakt.

Melding aan het Secretariaat van de Wereld Handelsorganisatie, ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu er in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

e. Regeling van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 29 april 2009, nr. BJZ2009030903, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 (wijzigingen in verband met de herziening van normbladen en een enkele reparatie), Stcrt. 2009, 91

Deze regeling is niet genotificeerd.

f. Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 mei 2010, nr. BJZ2010011775, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, houdende wijziging van diverse ministeriële regelingen in verband met de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringsregeling Wet algemene bepalingen omgevingsrecht)

Deze regeling is niet genotificeerd.