Contact Service
Hoofdstuk 3 Gezondheid, energiezuinigheid en m ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Hoofdstuk 3 Gezondheid, energiezuinigheid en milieu (Stcrt. 2013, 16919 en Stcrt 2015. 17338)

De titel van hoofdstuk 3 middels Stcrt. 16919 is van ″duurzaam bouwen″ gewijzigd in ″energiezuinigheid en milieu″. Deze nieuwe titel is breder en dekt ook voorschriften met betrekking tot ingrijpende renovatie en systeemrendement.

In het opschrift van hoofdstuk 3 is middels Stcrt. 2015, 17338 nu “gezondheid” toegevoegd. Deze aanvulling is nodig omdat in dit hoofdstuk een nieuw artikel 3.5 is toegevoegd over de eisen die uit het oogpunt van gezondheid aan kooldioxidemeters worden gesteld.

Artikel 3.1

Bij Stcrt. 2017, 73470 is artikel 3.1 in zijn geheel vervangen door een nieuw artikel. In artikel 5.9 van het Bouwbesluit 2012 geldt met ingang van 1 januari 2018 een grenswaarde van 1.0 voor de milieuprestatie (Stb. 2017, 494). In het kader hiervan is de bepalingsmethode aangepast met een wijzigingsblad. In dit wijzigingsblad staat aangegeven welke constructies en installaties in beschouwing moeten worden genomen bij de bepaling van de grenswaarde. Het wijzigingsblad is verwerkt in de doorlopende tekst van de bepalingsmethode. Zowel het wijzigingsblad als de doorlopende tekst zijn te vinden op de website van de Nationale Milieudatabase (https://www.milieudatabase.nl/index.php?q=bepalingsmethode). Artikel 3.1 is hierop aangepast, zodat verwezen wordt naar de nieuwe bepalingsmethode voor de milieuprestatie. Daarnaast is een nieuw tweede lid van artikel 3.1 opgenomen op grond waarvan de uitkomst van de milieuprestatieberekening mag worden verlaagd met 0.4 wanneer er bij de berekening gebruik is gemaakt van de Nationale Milieudatabase (NMD) release 2.0 of hoger. Er wordt vanuit gegaan dat bij de milieuprestatieberekening gebruik is gemaakt van de meest recente release (uitgave) van de NMD. Gebleken is dat een berekening met de NMD release 2.0 tot hogere waarden kan leiden ten opzichte van een berekening met de vorige release (release 1.8). Met de bijstelling van 0.4 wordt zeker gesteld dat de milieuprestatiegrenswaarde van 1.0 in het Bouwbesluit 2012 eenvoudig haalbaar is. Wanneer bijvoorbeeld een milieuprestatie van 1.3 is berekend met gebruik van de NMD release 2.0, dan mag daar dus 0.4 van worden afgetrokken. Dit resulteert dan in een milieuprestatie van 0.9, waarmee wordt voldaan aan de milieuprestatiegrenswaarde van het Bouwbesluit 2012. Deze bijstelling is overigens bedoeld als een tijdelijke maatregel. De Stichting Bouwkwaliteit zal nog verder onderzoek (laten) uitvoeren naar de consequenties van de NMD release 2.0 teneinde de aftrekwaarde meer specifiek te onderbouwen. In overleg met het Overlegplatform bouwregelgeving zal vervolgens worden besloten of de bijstelling van 0.4 moet worden aangepast of kan komen te vervallen. Het onderzoek wordt medio 2018 verwacht.

Bij Stcrt. 2019, 36206 is artikel 3,1 geheel vervangen. Met de wijziging van artikel 3.1 is de laatste versie van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebou wen en GWW-werken aangewezen. Deze nieuwe versie van de bepalingsmethode MPG (versie 1 januari 2019 met inbegrip van het wijzigingsblad van 1 juli 2019) is te raadplegen op de site over de Nationale Milieudatabase van Stichting Bouwkwaliteit: www.milieudatabase.nl. Met deze wijziging is de bepalingsmethode verder afgestemd op NEN-EN15804. Ook zijn in deze versie de databases voor de burgerlijke en utiliteitsbouw samengevoegd met die voor de grond-, weg- en waterbouw. De nieuwe versie van de bepalingsmethode MPG is voorafgaand aan de vaststelling door de Stichting Bouwkwaliteit getoetst bij gebruikers, deskundigen en andere belanghebbende partijen. Met de introductie van de nieuwe bepalingsmethode is de correctiefactor van 0.4 die eerder in het tweede lid van dit artikel was opgenomen vervallen. Op basis van artikel 3.1, tweede lid, mocht de uitkomst van de milieuprestatieberekening worden verlaagd met 0.4 wanneer er bij de berekening gebruik was gemaakt van de Nationale Milieudatabase (NMD) release 2.0 of hoger. Deze correctie was alleen bedoeld als een tijdelijke maatregel en vervalt nu. In het verlengde van de vaststelling van de nieuwe bepalingsmethode MPG zijn overigens diverse technische verbeteringen in de Nationale Milieudatabase doorgevoerd.

Artikel 3.2

Met artikel 3.2, ingevoegd via Stcrt. 2013, 16919, is een uitwerking gegeven aan artikel 5.6, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012. In artikel 3.2 is bepaald dat van ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 2 van de herziene richtlijn energie prestatie gebouwen sprake is wanneer meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil wordt vernieuwd, veranderd of vergroot én deze vernieuwing, verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft. Hiermee wordt bedoeld dat de uitwendige scheidingsconstructie volledig, dat wil zeggen met inbegrip van alle constructieonderdelen (binnenblad, spouwvulling, buitenblad) wordt gerenoveerd. Het voorschrift geldt alleen voor het deel van de gebouwschil dat wordt gerenoveerd en niet voor de gehele gebouwschil van het gebouw. Met deze keuze voor de oppervlakte van de gebouwschil als criterium voor de beoordeling van de vraag of sprake is van ingrijpende renovatie is uitvoering gegeven aan de keuzemogelijkheid zoals deze in artikel 2 onderdeel 10 van de herziene richtlijn is gegeven. De berekening of er sprake is van 25% van de gebouwschil wordt uitgevoerd aan de hand van ISSO publicatie nr. 75.1, uitgave oktober 2011. De berekeningswijze in deze publicatie heeft weliswaar betrekking op utiliteitsgebouwen, maar is ook te gebruiken bij woningen. Bij de berekening van het percentage van de gebouwschil wordt niet gekeken naar de gebruiksfunctie, maar wordt uitgegaan van het gebouw. De gebouwschil kan bestaan uit gevels (inclusief ramen en deuren), daken en vloeren. Zie hiervoor paragraaf 6.6 in genoemde ISSO publicatie. De oppervlakte van de gevel wordt bepaald aan de hand van paragraaf 6.6.2.1 van de genoemde publicatie, waarin is aangegeven hoe de horizontale afmeting en de verticale afmeting van de gesloten gevel moet worden bepaald. De oppervlakte van ramen en deuren wordt niet van de totale oppervlakte afgetrokken. De oppervlakte van het dak wordt bepaald conform paragraaf 6.6.2.3. Dit dakvlak wordt binnenwerks gemeten tussen de beide aansluitingen met de gevel (bij een plat dak) of tussen de aansluiting met de gevel en de nok (bij een hellend dak).De oppervlakte van de vloer wordt bepaald conform paragraaf 6.6.2.4. Deze oppervlakte wordt binnenwerks gemeten tussen de opgaande wanden.

Er wordt op gewezen dat deze ISSO publicatie is te raadplegen via www.isso.nl.

Als op basis van het eerste deel van het voorschrift is bepaald dat er sprake is van een ingreep die betrekking heeft op meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil, moet daarna worden nagegaan of deze ingreep de integrale gebouwschil betreft. Alleen voor zover daar sprake van is, geldt op grond van het derde lid van artikel 5.6 voor de ingreep in kwestie het nieuwbouwniveau. Van een renovatie van de integrale gebouwschil is bijvoorbeeld sprake wanneer een dak of gevel volledig wordt opengelegd en vernieuwd, waardoor de mogelijkheid bestaat om tegelijkertijd de isolatie aan te brengen die voldoet aan de nieuwbouweis. Bij aanpassingen die geen betrekking hebben op de integrale bouwschil is, ook als het gaat om renovatie van meer dan 25% van de gebouwschil, geen sprake van ingrijpende renovatie. Voorbeelden van dergelijke niet ingrijpende renovaties zijn bijvoorbeeld: na-isolatie van een spouwmuur, na-isolatie van enkelsteens buitenmuren aan binnen- of buitenkant, na-isolatie onder dakpannen of tegen het dakbeschot. Bij aanpassingen waarbij geen werkzaamheden aan de integrale gebouwschil worden verricht, kan op grond van het eerste lid van artikel 5.6 met het rechtens verkregen niveau worden volstaan.

De verwijzing in artikel 3.2 naar ISSO 75.1 is bij Stcrt. 2014, 34076 geactualiseerd. Voortaan (vanaf 1 januari 2015) kan bij de berekening van de oppervlakte van de gebouwschil gebruik worden gemaakt van de versie van juli 2014.

Met de wijziging in Stcrt. 2016, 33491 van het derde lid in het vierde lid is de verwijzing in artikel 3.2 weer in overeenstemming met de nummering van artikel 5.6 in het Bouwbesluit 2012. Met ingang van 24 november 2015 is namelijk een extra lid ingevoegd in artikel 5.6 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2015, 425).

Artikel 3.3

Het in artikel 6.55 van het besluit bedoelde systeemrendement wordt bepaald op basis van de bijlage bij deze wijzigingsregeling. In deze bijlage III bij de Regeling Bouwbesluit 2012 is voor zover mogelijk aangesloten bij NEN 7120 Energieprestatie van gebouwen – Bepalingsmethode, uitgave 15 april 2011, inclusief correctiebladen C1 en C2: uitgaven 2011. Bijlage III is met name bedoeld om te berekenen of bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een technisch bouwsysteem voldaan is aan de het systeemrendement zoals dat is opgenomen in tabel 6.55 van het Bouwbesluit 2012. De in bijlage III opgenomen methodiek berekent het systeemrendement op een, vergeleken met de in NEN 7120 opgenomen methodiek, relatief eenvoudige wijze. Omdat hierbij met vereenvoudigde aannames is gewerkt, is de methodiek van bijlage III niet geschikt om in specifieke gevallen het daadwerkelijk te realiseren rendement te berekenen. Een handzame rekentool om snel het systeemrendement te kunnen bepalen conform de methode in bijlage III is te vinden op http://kennisbank.isso.nl/docs/tool/rekentool/systeemrendement/softwaretool-systeemrendement.

Bij het vaststellen van de rendementseisen, zoals deze zijn opgenomen in artikel 6.55 van het besluit en zijn uitgewerkt in bijlage III, is uitgegaan van een niveau van eisen, dat in veel gevallen op dit moment in de praktijk al wordt gerealiseerd. Dit betekent ook dat bij een correcte toepassing van een aantal gangbare uitvoeringen het niet nodig is de in bijlage III opgenomen berekeningen uit te voeren, omdat duidelijk is dat het voorgeschreven rendement al gehaald wordt.Het voorgeschreven rendement wordt in ieder geval gehaald bij de volgende toepassingen:

  • Ruimteverwarmingsystemen bestaande uit HR 100 (of beter) ketels, met een hoogtemperatuurafgiftesysteem en geïsoleerde leidingen;
  • Airconditioningsystemen met compressie koelmachines;
  • Warmtapwatersystemen bestaande uit een gasboiler, HR combitap, een indirect gestookte boiler aangesloten op een HR 100 ketel of een decentrale elektrische boiler met tappunten binnen 3 m.

De rendementseisen voor het ventilatiesysteem hebben alleen betrekking op grote systemen met een capaciteit van meer dan 5000 m3 per uur en komen derhalve alleen voor in utiliteitsgebouwen en woongebouwen met een collectief ventilatiesysteem. In een dergelijk geval kan de SFP (Specific Fan Power in W/(dm3/s)) worden bepaald door het nominale vermogen van de elektromotor van de ventilator te delen door de maximale luchtvolumestroom van de ventilator. Deze gegevens zijn in het algemeen terug te vinden op het typeplaatje van de ventilator of de luchtbehandelingkast. Ventilatoren die na 1990 zijn gefabriceerd voldoen in principe aan de rendementseis.

Verder wordt opgemerkt dat de in artikel 6.55 van het besluit opgenomen rendementseisen in principe kosteneffectief zijn. Mocht dit niet het geval zijn, dan is het natuurlijk altijd mogelijk om overeenkomstig artikel 1.3 een beroep op gelijkwaardigheid te doen.

In onderdeel 14.6.4.3 van bijlage III is bij Stcrt. 2015, 45221, een tekstuele onvolkomenheid hersteld.

Artikel 3.4

Met het nieuwe artikel 3.4, ingevoeg bij Stcrt 2014, 34076, is een formule gegeven om de gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) van ramen, deuren en kozijnen als bedoeld in artikel 5.3, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 te berekenen. Deze gemiddelde U-waarde van een bouwwerk wordt als volgt bepaald.

  • Bepaal van ieder raam, deur en kozijn de U-waarde en het geprojecteerde oppervlak volgens NEN 1068;
  • Bepaal daarna het gesommeerd geprojecteerd oppervlak van alle ramen, deuren en kozijnen;
  • Bereken van ieder raam, deur en kozijn het quotiënt van beide bovengenoemde berekeningen en vermenigvuldig deze uitkomst met de U-waarde. Dit is de gewogen U-waarde;
  • De op basis van bovenstaande gesommeerde gewogen U-waarde is het in het zesde lid bedoelde getal;
  • Dit getal mag dus niet hoger zijn dan 1,65 W/m2.K om aan de in het Bouwbesluit 2012 gestelde eis te voldoen.

Artikel 3.5

(Stcrt. 2015, 17338) In artikel 7.23 van het Bouwbesluit is bepaald dat de verblijfsruimten van de onderwijsfunctie voor het basisonderwijs een kooldioxidemeter moeten hebben en dat daaraan bij ministeriële regeling eisen kunnen worden gesteld. Artikel 3.5 bevat deze eisen. In onderdeel e wordt gesproken over de drie signaalniveaus met een eigen kleurcode. Op grond van een advies van Rijksbouwmeester over scholenbouw, getiteld “Gezond en goed. Scholenbouw in topconditie” uit 2009 is de vereiste capaciteit van de voorziening voor de luchtverversing in een onderwijsfunctie aangescherpt. Op basis van de ISSO-publicatie nr. 89 – 2008 Binnenklimaat scholen, komt dit overeen met een CO2-concentratie van ten hoogste 1000 ppm. In een recent advies van de Gezondheidsraad over de binnenluchtkwaliteit in basisscholen (Binnenluchtkwaliteit in basisscholen, 2010, publicatienr. 2010/06) is de raad van mening dat er in verreweg de meeste onderzoeken geen aanwijzingen zijn dat gezondheidsklachten ontstaan bij gemiddelde CO2-concentraties onder 1200 ppm. De indeling in drie signaalniveaus met drie signaalkleuren is aan deze twee waarden gerelateerd. Gebruikelijk is het signaalniveau van de laagste concentratie groen te maken, de middelste oranje en de hoogste rood.

Artikel 3.6(Stcrt. 2017, 73470)

In artikel 5.2, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 is opgenomen dat per 1 januari 2019 nieuwe gebouwen waarvan de overheid eigenaar is en waarin overheidsinstanties zijn gevestigd bijna energieneutraal moeten zijn. Deze bepaling is ter omzetting van artikel 9, eerste lid, van de herziene EPBD. Tevens is ter omzetting van artikel 9, eerste lid, van de herziene EPBD in artikel 5.2, zevende lid, van het Bouwbesluit 2012 opgenomen dat alle overige gebouwen bijna energieneutraal moeten zijn met ingang van 31 december 2020. In het achtste lid van artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat bij ministeriële regeling voorschriften kunnen worden gegeven over (onder andere) deze beide leden. Met artikel 3.6 dat invulling geeft aan genoemd artikel 5.2, zesde lid, is uitgewerkt aan welke voorwaarden nieuwe overheidsgebouwen moeten voldoen om bijna energieneutraal te zijn. De energieprestatie is hiervoor in drie indicatoren uitgewerkt: de maximale energiebehoefte, het maximale primaire fossiel energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. In de brief aan de Tweede Kamer van 2 juli 2015 (Kamerstukken II 2014/15, 30196, nr. 352) zijn de voorlopige eisen voor de drie waarden opgenomen. Volgens het methodologisch kader van de herziene EPBD moet vervolgens de kostenoptimaliteit (van het primair fossiel energiegebruik) en de kosteneffectiviteit (van de energiebehoefte en het aandeel hernieuwbare energie) worden bepaald. Hiertoe is een kostenoptimaliteitsstudie uitgevoerd, in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Uit de kostenoptimaliteitsstudie is gebleken dat de voorgenomen eisen voor kantoren kostenoptimaal (primair fossiel energiegebruik) en kosteneffectief (energiebehoefte en aandeel hernieuwbare energie) zijn. Dit geldt ook voor de kostenoptimaliteit (primair fossiel energiegebruik) en kosteneffectiviteit (aandeel hernieuwbare energie) van de bijeenkomstgebouwen en de kosteneffectiviteit (aandeel hernieuwbare energie) van de celgebouwen. De voorgenomen eisen voor de energiebehoefte voor de bijeenkomstgebouwen en de celgebouwen en de voorgenomen eis voor primair fossiel energiegebruik voor de celgebouwen bleken te ambitieus, omdat de maatregelenpakketten niet kosteneffectief dan wel kostenoptimaal bleken te zijn. Deze eisen zijn, vergeleken met de voorlopige eisen, aangepast conform de procedures die de Europese Commissie voorschrijft. In de kostenoptimaliteitsstudie is gekeken naar de meest voorkomende soorten overheidsgebouwen: de kantoorgebouwen, bijeenkomstgebouwen en celgebouwen. Uitzonderlijke soorten gebouwen zijn vanwege de beperkte doorlooptijd van deze studie niet meegenomen. Deze gebouwen worden meegenomen bij het kostenoptimaliteitsonderzoek in 2018. Voor nieuwe overheidsgebouwen, anders dan de kantoor-, bijeenkomst- of celgebouwen, blijven in de periode van 1 januari 2019 tot het moment waarop de BENG-eisen voor alle nieuwbouw gaan gelden (1 januari 2020) de huidige EPC-eisen van kracht. Bovenstaande eis voor kantoorgebouwen geldt niet voor zeer kleine kantoorgebouwen met een vloeroppervlakte kleiner dan 100 m2 . Daarvoor blijven voorlopig de huidige EPC-eisen gelden. Het derde lid geeft de bepalingsmethode waarmee de waarden uit het eerste lid bepaald moeten worden. Deze bepalingsmethode is te vinden in de Handreiking BENG van 28 augustus 2017 (www.rijksoverheid.nl). Er wordt op gewezen dat in de Handreiking BENG nieuwe versies van NEN 1068, NEN 7120 en NVN 7125 zijn aangewezen. Bijlage I, waarin is aangegeven welke versie van een bepaalde norm van toepassing is, is overeenkomstig aangepast. Zie de toelichting bij artikel 1.2.