Contact Service
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1Begripsbepalingen

Algemeen geldt dat de begripsbepalingen van het Bouwbesluit 2012 tevens van toepassing zijn op de Regeling Bouwbesluit 2012. In aanvulling op die begripsbepalingen is in de regeling een beperkt aantal begripsbepalingen opgenomen. Aangezien veel in de Regeling Bouwbesluit 2012 gehanteerde begrippen zijn opgenomen in begripsbepalingen van het Bouwbesluit 2012 zelf, in andere voorschriften en in normen, is het aantal begripsbepalingen in deze regeling beperkt gebleven.Voortvloeiend uit de verordening bouwproducten zijn ten opzichte van de Regeling Bouwbesluit 2003 de vier nieuwe begripsbepalingen voor aangemelde instantie, aanmeldende autoriteit, prestatieverklaring en technische beoordelingsinstantie opgenomen.

De aangemelde instanties (in Europees verband worden deze instanties Notified Bodies genoemd) als bedoeld in artikel 39 van de verordening bouwproducten zijn instanties die door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden aangewezen en aangemeld zijn bij de Europese Commissie. Daarmee zijn zij bevoegd om specifieke taken uit te voeren bij de beoordeling en verificatie van de prestatiebestendigheid in het kader van de verordening bouwproducten. Van belang voor de betrouwbaarheid van de CE-markering op het product is dat deze aangemelde instanties onafhankelijk zijn van de producent en of importeur. Daarbij moeten deze instanties van voldoende kwaliteit zijn om deze beoordeling en verificatie uit te voeren. De door Nederland aangemelde instanties zijn opgenomen in de Nando-database die geplaatst is op de website van de Europese Commissie.De aanmeldende autoriteit is verantwoordelijk voor de instelling en uitvoering van de procedures voor de beoordeling en aanmelding van de instanties die zullen worden gemachtigd om taken van derden uit te voeren bij de beoordeling en verificatie van de bestendigheid van de prestaties voor de toepassing van de verordening bouwproducten. Tevens houdt de aanmeldende autoriteit toezicht op de aangemelde instanties.In de prestatieverklaring zijn de prestaties van bouwproducten geformuleerd met betrekking tot hun essentiële kenmerken overeenkomstig de relevante geharmoniseerde technische specificaties. Een technische beoordelingsinstantie, voorheen goedkeuringsinstantie, verstrekt de Europese technische beoordeling in een productgebied waarvoor zij is aangewezen.

In de wijziging Stcrt. 2013, 16919 is naar een ISSO publicatie verwezen. Daarom is het nodig dit begrip te definiëren.

In Stcrt. 2014, 4047 zijn de begrippen conformiteitscertificaat, conformiteitsverklaring, Europese goedkeuringsrichtlijn, Europese technische goedkeuring, geharmoniseerde norm en prestatieverklaring vervallen. De eerste vier begrippen zijn vervallen omdat zij na de volledige inwerkingtreding van de verordening bouwproducten geen rol meer spelen in de nationale regelgeving. De begrippen geharmoniseerde norm en prestatieverklaring zijn hier vervallen omdat deze begrippen nu in het Bouwbesluit 2012 zijn gedefinieerd.

Bij Stcrt. 2017, 73470 is een drietal nieuwe begripsbepalingen opgenomen. De begrippen bijeenkomstgebouw en celgebouw zijn nodig om te voldoen aan de eis dat met ingang van 1 januari 2019 nieuwe gebouwen waarvan de overheid eigenaar is en waarin overheidsinstanties zijn gevestigd bijna energieneutraal zijn. Het begrip kantoorgebouw dat hiervoor ook nodig is, is in de wijziging van het Bouwbesluit 2012 betreffende drijvende bouwwerken, de milieugrenswaarde en enkele andere wijzigingen (Stb. 2017, 494) opgenomen. In artikel 5.2, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 zoals dat luidt na de hiervoor genoemde wijziging wordt in overeenstemming met de herziene EPBD gesproken van gebouwen en niet van gebruiksfuncties. Met genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012 is het kantoorgebouw gedefinieerd als gebouw of gedeelte daarvan met uitsluitend een of meer kantoorfuncties en nevenfuncties daarvan. In de voorliggende wijzigingsregeling zijn vergelijkbare definities opgenomen voor bijeenkomstgebouw en celgebouw. Zij zijn gedefinieerd als een gebouw of gedeelte daarvan met uitsluitend een of meer (bijeenkomst/cel) functies en nevenfuncties daarvan. Hieruit volgt dat een dergelijk gebouw een afzonderlijk gebouw kan zijn maar ook een onderdeel van een groter gebouw. Het is mogelijk dat bijvoorbeeld een celfunctie zelf een nevenfunctie van een andere gebruiksfunctie is. In een dergelijk geval kan er geen sprake zijn van een celgebouw. In deze systematiek geldt hetzelfde voor een bijeenkomstfunctie en een kantoorfunctie. Voor het nieuwe begrip veiligheidsafstand wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2.12.

Artikel 1.2NEN

In het eerste lid wordt voor de datum van uitgifte van de in het besluit en deze regeling, aangewezen normbladen en het van toepassing zijn van op deze normbladen uitgebrachte correctie-, wijzigings-, of aanvullingsbladen verwezen naar bijlage I bij deze regeling en wat betreft de constructienormen in de afdelingen 2.1 en 2.2 naar bijlage II bij deze regeling.In het tweede lid is bepaald dat bij doorverwijzing vanuit een in bijlage I of bijlage II aangestuurde norm voor de bouwregelgeving uitsluitend de doorverwijzingen naar andere in bijlage I respectievelijk bijlage II aangestuurde normen of onderdeel daarvan van toepassing is. Verwijzingsketens binnen normen worden, mede gezien het belang van beperking van regeldruk, voor de technische bouwregelgeving zo veel mogelijk beperkt. Nieuw is dat bij een aantal recente uitgaven van NEN-normen de daarin geïntegreerde wijzigings- en/of correctiebladen nu ook in de aanduiding van die normen is weergegeven. In de bijlagen zijn deze nieuwe aanduidingen vermeld.Van het tweede lid uitgezonderd zijn de NEN-normen voor gas, water en elektriciteit, aangewezen in de afdelingen 6.2 en 6.3 van het besluit. De genoemde normen voor gas, water en elektriciteit vallen niet onder de zogenoemde ‘bouwnormen’ en zijn voor wat betreft inhoud en structuur onvoldoende afgestemd op de publieke verwijzing vanuit de bouwregelgeving.

Stcrt. 2013, 5457 bevat een vijftal wijzigingen van bijlage I en een tweetal wijzigingen van bijlage II. In bijlage I is een nieuwe verwijzing naar NEN 2575 2004 opgenomen, die dezelfde is als die daarvoor heeft gegolden. Ook is een nieuwe verwijzing naar NEN 5077+C3:2012 opgenomen en is de verwijzing naar NEN 5077:2006 vervallen. Verder zijn in bijlage I de verwijzingen naar NEN 6092:1995 en NEN-EN 1997-2+C1:2010 vervallen. In bijlage II is de verwijzing naar NEN-EN 1993-1-4:2006 aangepast en is een nieuwe verwijzing naar NEN-EN 1997-2 opgenomen. De verwijzing naar NEN-EN 1997-2 is naar bijlage II verplaatst omdat het een in de afdeling 2.1 van het Bouwbesluit 2012 aangewezen NEN-EN betreft. Ook is daarbij voortaan de nationale bijlage NB:2011 van toepassing.

Zowel bijlage I, behorende bij artikel 1.2 als bijlage II, behorende bij artikel 1.2 zijn bij Stcrt. 2014, 4057 opnieuw vastgesteld. Hiervoor is in overleg met NEN gekozen omdat er sprake is van een aanzienlijk aantal grotendeels redactionele wijzigingen. De meeste van die wijzigingen hebben betrekking op de wijze waarop de normen geciteerd zijn, daarnaast is in enkele gevallen sprake van nieuwe (geconsolideerde) versies. Ook is soms sprake van het toevoegen van een nationale bijlage of van het opnemen van een nieuw correctieblad. In een enkel geval is een nieuwe versie van de norm aangewezen. Alleen bij NEN 8701 is sprake van een meer fundamentele wijziging. Die tweedelijns norm werd namelijk eerder nog niet aangewezen. Overeenkomstig artikel 1.2, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012, zijn de verwijzingen naar deze norm door het aanwijzen van deze norm van toepassing. In de navolgende normen zijn ondergeschikte wijzigingen als hierboven beschreven opgenomen:

Bijlage I

NEN 1068; NEN 1413; NEN 2535; NEN 2559; NEN 2608; NEN 2768; NEN 2991; NEN 5077; NEN 5087; NEN 5096; NEN 6061; NEN 6068; NEN 6075; NEN 7120; NEN 8701; NEN-EN 13501; NEN-EN-IEC 61936.

Bijlage II

NEN-EN 1991 (twee maal); NEN-EN 1993 (negen maal); NEN-EN 1996.

Bij Stcrt. 2014, 34076, zijn in bijlage I de verwijzingen naar NEN 1068 en NEN 7120 geactualiseerd.

Bij Stcrt. 2014, 37003, is in bijlage I van de Regeling Bouwbesluit 2012 een correctie in de verwijzingen naar NEN 1068 en NEN 7120 aangebracht.

In Stcrt 2015, 17338 zijn een zevental wijzigingen van bijlage I. opgenomen. Met deze wijzigingen zijn de laatste versies van de desbetreffende normen aangewezen. In bijlage I zijn nieuwe verwijzingen naar NEN 1010, NEN 2575, NEN 3011, NEN 3215, NEN–EN 1838 en NEN-EN-IEC 61936 opgenomen. Ook zijn verwijzingen naar zevental normen vervallen, omdat deze normen niet meer in het Bouwbesluit 2012 worden aangestuurd. Er wordt op gewezen dat NEN 2575 2004 vervangen is door vijf nieuwe onderdelen. Wat betreft de verwijzing naar NEN–EN 1838 wordt opgemerkt dat voortaan de versie van 1999 voor bestaande bouw als de versie van 2013 voor nieuwbouw wordt aangewezen. Hierbij is echter voor de toepassing van artikel 6.24, tweede lid, van het Bouwbesluit een uitzondering gemaakt. Ook bij nieuw te bouwen wegtunnels mag worden uitgegaan van de normversie van 1999. In bijlage II zijn bij Stcrt, 2015, 17338, nieuwe verwijzingen naar NEN-EN 1991, NEN-EN 1993, NEN-EN 1994, NEN-EN 1995 en NEN-EN 1999 opgenomen.

In Stcrt. 2015, 45221 is een zestal wijzigingen van bijlage I doorgevoerd. Met deze wijzigingen zijn de laatste versies van de desbetreffende nationale normen aangewezen. Evenzo zijn van een viertal normen in bijlage II bij de wijziging in die Staatscourant de laatste versies aangewezen.

In Stcrt. 2016, 71548 zijn de verwijzingen naar de normbladen NEN 1006, NEN 1010, NEN 1594, NEN 2768, NEN 5087, NEN 6068 en NEN EN 1997 1 geactualiseerd. Voor bestaande funderingen en verbouw van funderingen is NEN EN 1997-1+C1:2011 en NB:2012 aangewezen.

Bij deze wijzigingsregeling is van een aantal in bijlage I opgenomen normen een nieuwere versie aangewezen. NEN 1006:2015 Algemene voorschriften voor leidingwaterinstallaties is aangepast aan de Europese norm voor leidingwaterinstallaties (de zogenoemde NEN-EN 806-serie). Met NEN 1010:2015 Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties is de Europese norm voor laagspanningsinstallaties (de zogenoemde HD-IEC 60364-reeks) omgezet. Bij de overige normen gaat het om meer ondergeschikte aanpassingen, verduidelijkingen of een beperkte toepassingsuitbreiding.

In bijlage II is de constructienorm voor funderingen (NEN-EN 1997-1) aangepast voor nieuwbouw. In deze norm is de puntdraagkracht van funderingspalen met 30% gereduceerd ten opzichte van de huidige norm. Uit onderzoek is gebleken dat het voorgestane veiligheidsniveau van het Bouwbesluit 2012 niet aantoonbaar gehaald kan worden met de huidige paaldraagkrachtfactoren. Vergelijking met buitenlandse normen bevestigt dit.Voor bestaande bouw en verbouw is de eerder aangestuurde versie van de NEN-EN 1997-1, een tweedelijns norm die volgt uit de NEN 8700, nog van toepassing en geldt de verzwaring dus niet.

Op verzoek van NEN zijn bij Stcrt. 2017, 73470 nieuwe versies van een aantal NEN-normen aangewezen in bijlage I en II van de Regeling Bouwbesluit 2012. Het gaat in alle gevallen om relatief beperkte wijzigingen van bestaande normen. Het betreft de normbladen NEN 1010, NEN 1068, NEN 2559,,NEN 2608, NEN 2991, NEN 6069, NEN 6090, NEN 7120, NVN 7125, NEN-EN 1992-1-1, NEN-EN 1992-2, NEN-EN 1993-1-1, NEN-EN 1993-1-4, NEN-EN 1993-1-5, NEN-EN 1993-1-6, NEN EN 1993-1-8, NEN-EN 1993-1-10 en NEN-EN 1993-4-2.

Wat betreft de wijzing van NEN 1068 geldt dat deze versie vooralsnog alleen geldt als tweedelijnsnorm bij de nieuwe NEN 7120 voor de BENG-eisen voor overheidsgebouwen. Voor NEN 7120 geldt dat deze nieuwe versie ook alleen geldt voor de BENG-eisen voor overheidsgebouwen, in samenhang met de RVO-Handreiking BENG. De nieuwe versie van NEN 7125 is de opvolger van NVN 7125 en gaat ook vooralsnog alleen gelden voor de BENG-eisen voor overheidsgebouwen in samenhang met de RVO-Handreiking BENG.

Verder zijn op grond van dit artikel de nadere voorschriften omtrent NEN-EN 1997-1 in relatie tot de paalpuntfactoren verder verduidelijkt.

Stcrt. 2018, 72508 bevat een groot aantal aanpassingen van de aansturing van normbladen, zodat de aangestuurde normbladen zoveel mogelijk de door NEN gepubliceerde actuele versies zijn.

Artikel 1.3CE-markeringen

In zijn algemeenheid kan de CE-markering op bouwproducten worden aangebracht als daarvoor een zogeheten Europees geharmoniseerde technische specificatie (Europese normen en technische goedkeuringen) beschikbaar is en van toepassing is op het specifieke product. Informatie over deze specificaties is te vinden in de NANDO-database op de website van de Europese Commissie en in de module CE-markeringen op Rijksoverheid.nl. In artikel 1.6 van het besluit is voorgeschreven wanneer de CE-markering op bouwproducten verplicht moet worden aangebracht. Het eerste lid van artikel 1.3 houdt in dat fabrikanten van bouwproducten die onder een Europees geharmoniseerde norm vallen de CE-markering (met bijbehorende informatie) kunnen aanbrengen overeenkomstig die norm, zodra de norm is gepubliceerd in het publicatieblad van de Europese Unie. Nadat de zogeheten co-existentieperiode of overgangsperiode van die norm, welke is genoemd in het publicatieblad bij de publicatie van de norm, is verstreken, moet het product volgens de Europese regelgeving worden voorzien van de CE-markering (met bijbehorende informatie).In het tweede lid is bepaald dat de CE-markering (met bijbehorende informatie) ook kan worden aangebracht op bouwproducten die niet onder een geharmoniseerde norm vallen, maar waarvoor een Europese goedkeuringsrichtlijn bekend is gemaakt. Deze goedkeuringsrichtlijnen vormen de technische grondslag voor het opstellen van Europese technische goedkeuringen. Fabrikanten die de CE-markering op hun producten willen aanbrengen dienen dan in bezit te zijn van een Europese technische goedkeuring die voor hen op basis van de overeenkomstige goedkeuringsrichtlijn is opgesteld door een technische beoordelingsinstantie (zie artikel 1.4) die in de richtlijn bouwproducten nog goedkeuringsinstantie worden genoemd. Het gaat hier om een vrijwillige keuze van de fabrikant. In tegenstelling tot geharmoniseerde normen bestaat er voor goedkeuringsrichtlijnen geen co-existentieperiode. In het derde lid is bepaald dat de CE-markering (met bijbehorende informatie) ook kan worden aangebracht indien de fabrikant in het bezit is van een Europese goedkeuring, waarvoor geen goedkeuringsrichtlijn bestaat. Het betreft hier niche producten die bekend staan onder de term CUAP (Common Understanding Assessment Procedure). De lijst met CUAP’s kunt u eveneens inzien in de NANDO-database op de website van de Europese Commissie. In het vierde lid is aangegeven dat aan alle bouwproducten met CE-markering waarvoor een conformiteitsverklaring of een conformiteitscertificaat is afgegeven het ‘vermoeden van conformiteit’ moet worden gegeven. Afhankelijk van het type bouwproduct kan een conformiteitscertificaat nodig zijn, opgesteld door een aangemelde instantie. Of een certificaat van een aangemelde instantie nodig is, hangt af van het conformiteitsniveau (of systeem van verklaring van overeenstemming) dat van toepassing is op het product voor de eigenschappen waarvoor de prestatie wordt bepaald, afhankelijk van het beoogd gebruik van het betreffende product. Informatie hierover is terug te vinden in de tabel ZA in de technische specificatie van toepassing op het bouwproduct. In Europees verband worden de aangemelde instanties Notified Bodies genoemd (zie artikel 1.5). Algemeen uitgangspunt van de CE-markering is dat vertrouwen moet worden gegeven aan de testresultaten die de fabrikant voor zijn product heeft opgegeven. Zo mag er in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning geen aanvullend bewijs voor een bepaald testresultaat (bijvoorbeeld een Europese brandklasse) worden gevraagd. Indien er niettemin ernstige twijfel is over de juistheid van de door de fabrikant opgegeven informatie kan dit worden gemeld aan het bevoegde gezag, de markttoezichtautoriteit voor CE-markering op bouwproducten (voor Nederland: de Inspectie Leefomgeving en Transport), en een handhavingsverzoek worden gedaan.

Stcrt. 2014, 4057: Het oorspronkelijke artikel 1.3 is overbodig geworden als gevolg van de rechtstreekse werking van de verordening bouwproducten. In artikel 4 van de verordening is namelijk de verhouding tussen geharmoniseerde normen, Europese technische beoordelingen en prestatieverklaringen beschreven. Voor een verdere toelichting op het systeem wordt verwezen naar de brochure ‘CE-markering op bouwproducten’ in het dossier ‘bouwproducten’ op rijksoverheid.nl. In het nieuwe artikel 1.3 zijn met het oog op de goede handhaving daarvan door de Inspectie Leefomgeving en Transport een aantal voorschriften uit de verordening opgenomen. Gedragingen in strijd met de voorschriften die ter zake van de implementatie van de verordening bouwproducten in het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit 2012 zijn opgenomen zijn op grond van artikel 120, tweede lid, van de Woningwet namelijk verboden en daarmee economische delicten op grond van artikel 1a, tweede lid, van de Wet economische delicten. In het nieuwe eerste lid van artikel 1.3 is bepaald aan welke eisen het aanbrengen van een CE-markering moet voldoen. Dit voorschrift is gebaseerd op artikel 9, eerste lid, van de verordening. In het tweede lid van artikel 1.3 is bepaald dat instructies en informatie over de veiligheid in de Nederlandse taal moeten worden gesteld. Er is voor gekozen dat dergelijke informatie in de Nederlandse taal ter beschikking moet worden gesteld omdat dit voor gebruikers het meest toegankelijk is.

Artikel 1.4 en 1.5CE-markeringen

Op 4 april 2011 is de verordening nr. 305/2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (verordening bouwproducten) gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (88/5). Deze verordening is de opvolger van de richtlijn bouwproducten. De van deze verordening reeds van kracht zijnde artikelen betreffen met name de aanwijzing van technische beoordelingsinstanties, kortweg TBI’s en de aangemelde instanties. Deze aangemelde instanties zijn certificatie- en inspectieinstanties en testlaboratoria. De instanties die in het kader van de richtlijn bouwproducten reeds zijn aangemeld, zullen in het kader van de verordening bouwproducten opnieuw moeten worden aangewezen en aangemeld volgens de criteria en procedures van deze verordening. Tot het moment dat de instantie opnieuw is aangewezen en aangemeld geldt de oude aanwijzing en aanmelding. Hoe lang deze nog geldig blijft is vooralsnog niet vastgesteld door de Europese Commissie. De kandidaat-instanties moeten aantonen dat zij voor het uitvoeren van de door een aangemelde instantie uit te voeren taken, waaronder het testen en beoordelen van producten, het controleren van de interne kwaliteitscontrole in de fabriek, competent is. Aangezien de toetsing aan de criteria die zijn opgenomen in de verordening technische expertise vereist, delegeert de minister de toetsing van de instanties. Die delegatie uitgewerkt in de artikelen 1.4 en 1.5. Artikel 1.4 heeft betrekking op de procedures voor de aanwijzing en de aanmelding van technische beoordelingsinstanties. Voor advies ten aanzien van de geschiktheid van kandidaat-instanties wijst de minister een ter zake kundige instelling aan. De technische beoordelingsinstanties moeten in staat zijn om op aanvraag van een fabrikant een Europese technische goedkeuring op te stellen voor de werkgebieden als aangegeven in bijlage IV, tabel 1 van de betreffende verordening. In tabel 2 van die bijlage zijn de beoordelingscriteria gegeven waaraan de technische beoordelingsinstanties moeten voldoen. De ter zake kundige instelling maakt de procedure voor de toetsing van kandidaat-instanties openbaar.Artikel 1.5 heeft betrekking op de procedures voor de aanwijzing en aanmelding van aangemelde instanties. In principe geldt hier als uitgangspunt accreditatie. De verordening maakt het echter tevens mogelijk dat op basis van andere bewijsstukken de bekwaamheid van een organisatie kan worden aangetoond (artikel 48, vierde lid). De verordening bouwproducten verlangt dat de lidstaten voor het instellen en uitvoeren van de nodige procedures voor de beoordeling en de aanmelding van deze aangemelde instanties een aanmeldende autoriteit aanwijzen. De eisen aan de aangemelde instanties zijn vastgelegd in artikel 43 van de betreffende verordening en vormen een leidraad voor de toetsing door de aanmeldende autoriteit.In het derde lid is aangegeven dat de aanmeldende autoriteit de procedure voor de beoordeling en aanmelding van en voor het toezicht op de betreffende instanties zoals bedoeld in artikel 43 van de verordening moet opstellen, en een actueel overzicht van de aangemelde instanties moet bekendmaken.

Artikel 1.6CE-markeringen

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat de minister zo nodig aan de aanwijzingen op grond van de artikelen 1.4 en 1.5 voorschriften kan verbinden. Daarnaast is in het tweede lid bepaald dat de instellingen voor het beoordelen van en het toezicht houden op technische beoordelingsinstanties en aangemelde instanties de minister onverwijld moeten informeren als deze instanties hun taken niet naar behoren uitoefenen. Ten slotte is in het derde lid bepaald dat de minister na een dergelijke melding een aanwijzing (en dus ook de aanmelding in de NANDO-database) van een technische beoordelingsinstantie of aangemelde instantie kan intrekken.

Artikel 1.7Kwaliteitsverklaringen

Evenals in de Regeling Bouwbesluit 2003 is in de regeling uit het oogpunt van administratieve lastenverlichting een extra faciliteit voor bepaalde buitenlandse instituten geboden. Een buitenlandse instelling die overeenkomstig artikel 16 van de richtlijn bouwproducten in het land van oorsprong is erkend voor het doen van proeven en controles, wordt indien deze proeven en controles in overeen-stemming met de voorschriften in Nederland zijn, gelijkgesteld met een onafhankelijk deskundig instituut dat voldoet aan de kwalificaties genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet. Dit betekent dat een voor een dergelijk bouwproduct afgegeven test- of evaluatierapport, eventueel voorzien van het eigen merkteken, geldt als een door de minister van BZK erkende kwaliteitsverklaring als bedoeld in artikel 1.11 van het besluit.

Artikel 1.8Kwaliteitsverklaringen

Een individueel erkende kwaliteitsverklaring is een kwaliteitsverklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet. Deze worden door een coördinerende instelling afgegeven en bekendgemaakt. De kwaliteitsverklaringen die binnen dit stelsel worden afgegeven, gelden in het kader van de omgevingsvergunningprocedure als voldoende bewijs dat aan de eisen van de bouwregelgeving is voldaan, voor zover het althans de eisen betreft waarover de betreffende verklaringen een uitspraak doen.Binnen het stelsel van kwaliteitsverklaringen kunnen zowel productcertificaten, attesten als procescertificaten worden afgegeven, mits er een aantoonbaar verband is met de bouwregelgeving. Dit verband is per te certificeren onderwerp aangegeven in een geharmoniseerde grondslag voor certificatie, ook wel een beoordelingsrichtlijn (BRL) genoemd. Individuele woordmerken of logo’s zoals bijvoorbeeld KOMO worden in deze voorschriften niet genoemd, want alle instellingen moeten toegang hebben tot het stelsel, mits zij aan de objectieve kwaliteitscriteria daarvan kunnen voldoen. Deze kwaliteitscriteria worden in een met de betrokken partijen te sluiten overeenkomst vastgelegd. De minister publiceert deze overeenkomst vervolgens in de Staatscourant. In deze overeenkomst worden ten minste de volgende uitgangspunten opgenomen:

1.De kwaliteitsverklaringen die onder het te erkennen stelsel worden afgegeven hebben een aantoonbare relatie met de bouwregelgeving;
2.De toegang tot het stelsel wordt gewaarborgd voor alle instellingen die voldoen aan van tevoren vastgestelde kwaliteitscriteria, waarbij als algemeen uitgangspunt geldt dat de betreffende certificatie-instellingen zijn geaccrediteerd op basis van de EN 45000 of de NEN-ISO 17.000 normenserie;
3.De kwaliteitsverklaringen zijn gebaseerd op technische specificaties die niet strijdig zijn met de Europese geharmoniseerde specificaties, waarbij gestreefd is naar harmonisatie van sectorspecifieke certificatie-eisen;
4.De beoordeling of kwaliteitsverklaringen voldoen aan de hierboven gestelde eisen van het stelsel zoals aangewezen in Staatscourant nr. 132 van 11 juli 2006, wordt gedaan door een onafhankelijke commissie. Deze commissie is door de coördinerende instelling, in overleg met de minister, ingesteld. Aan de onder het tweede of derde punt gestelde voorwaarden is ook voldaan, indien, ter beoordeling van de bovengenoemde commissie, gelijkwaardigheid aan die voorwaarden in voldoende mate is aangetoond, en
5.Een objectieve toelating van instellingen tot het stelsel is gewaarborgd door een bezwaar- en beroepsprocedure.

Artikel 1.9Kwaliteitsverklaringen

In artikel 1.9 is bepaald dat de minister een coördinerende instelling aanwijst die het overzicht van kwaliteitsverklaringen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet vaststelt en publiceert. Als coördinerende instelling is de Stichting Bouwkwaliteit aangewezen.

Paragraaf 1.5Inspectieschema’s

Op grond van de artikelen 6.20, 6.23 en 6.32 moet respectievelijk een brandmeldinstallatie, een ontruimingsalarminstallatie, een automatische brandblusinstallatie (bijvoorbeeld sprinkler) en een rookbeheersingssysteem voorzien zijn van een inspectiecertificaat. In artikel 1.10 zijn voorschriften gegeven met betrekking tot de geldigheidsduur van de betreffende certificaten voor brandmeld- en ontruimingsalarminstallaties. Voor beiden geldt eenzelfde regime.Het eerste lid bepaalt dat de betreffende installaties voor ingebruikname voorzien moeten zijn van een inspectiecertificaat.Het tweede lid bepaalt vervolgens dat een inspectiecertificaat als bedoeld in het eerste lid een geldigheidsduur van drie jaar heeft. Voor die gebouwen waarbij op grond van artikel 6.20, eerste lid, doormelding verplicht is, geldt echter een geldigheidsduur van een jaar. De geldigheidsduur wordt daarmee afhankelijk gesteld van de risicofactoren die aan de betreffende gebruiksfunctie verbonden zijn.In artikel 1.11 zijn voorschriften gegeven met betrekking tot de geldigheidsduur van de betreffende certificaten voor automatische brandblusinstallaties en rookbeheersingssystemen. Dit soort installaties is op grond van het besluit niet verplicht en wordt veelal toegepast bij gelijkwaardige oplossingen. Om die reden is de maximale inspectiefrequentie gesteld op een jaar, zonder afhankelijkheid van doormelding.In relatie tot de genoemde geldigheidsduur wordt overigens nog verwezen naar het overgangsrecht in artikel 9.2, zesde lid, van het besluit. Op grond van dit overgangsrecht wordt een document dat voor 1 januari 2015 is afgegeven gelijkgesteld met een in het besluit voorgeschreven certificaat.In bijzondere situaties (bijvoorbeeld ondergrondse of hoge gebouwen en bijzondere blusinstallaties) en volgens andere regelgeving kan een andere frequentie van de inspectie dan hierboven genoemd, worden gegeven. Daarnaast kunnen vanuit andere wet- en regelgeving voor specifiek gebruik andere voorschriften van toepassing zijn.Artikel 1.12 bepaalt dat de toe te passen inspectieschema’s van het CCV gepubliceerd moeten zijn in 2011.

De verwijzing in artikel 1.12 naar de inspectieschema’s 2011 is bij Stcrt 2013, 5457 vervangen door een verwijzing naar de desbetreffende onderdelen van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging van 1 september 2012, inclusief wijzigingsblad W1:2012. Dit inspectieschema fungeert als inspectieschema voor de verschillende in de artikelen 6.20, zesde lid, 6.23, vierde lid, en 6.32 van het Bouwbesluit 2012 genoemde CCV-inspectieschema’s. Het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging is te downloaden van de site van het Centrum Criminaliteitspreventie Veiligheid (CCV). In artikel 1.12 was ten onrechte ook een verwijzing naar artikel 6.20, zevende lid, van het Bouwbesluit 2012 opgenomen. Dit is bij die Staatscourant gecorrigeerd.

Artikel 1.12 is bij Stcrt. 2015, 17338 geactualiseerd met de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging. Deze nieuwe versie maakt het mogelijk om bij inspecties beter rekening te houden met de specifieke eigenschappen van de verschillende brandbeveiliginginstallaties.

Artikel 1.12 is bij Stcrt. 2015 45221, geactualiseerd met de aanwijzing van een nieuwe versie 10.0 van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging. De wijziging ten opzichte van versie 9.0 is dat certificaten voor levering en onderhoud van de zogenoemde Vast opgestelde Brandbeheersing- en Blussystemen (VBB-systemen) die nog niet onder accreditatie zijn afgegeven, tot 1 januari 2016 gelijk gesteld zijn met de oorspronkelijke LPS 1233 certificaten (van de Certificatie Instelling voor Beveiliging en Veiligheid).

Artikel 1.12 is bij Stcrt. 2018, 35386 geactualiseerd met de aanwijzing van een nieuwe versie 11.0 van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging, welke per 01-07-2018 in werking is getreden.

Artikel 1.13

Op grond van artikel 6.53, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 moet een te bouwen gebouw voldoende gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen voor het kunnen uitvoeren van veilig onderhoud hebben indien dat onderhoud niet veilig zonder die voorzieningen kan worden uitgevoerd. Artikel 1.13 van de Regeling Bouwbesluit 2012 geeft aan dat aan de hand van de Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen 2012 de veiligheidsvoorzieningen moeten worden beoordeeld indien dergelijke voorzieningen op grond van genoemd artikel 6.53, eerste lid, noodzakelijk zijn. In dat geval moet de checklist door de aanvrager worden ingevuld en bij de stukken voor de aanvraag van aanvraag de vergunning voor het bouwen worden gevoegd. Beoordeling van de veiligheidsvoorzieningen in de Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen 2012 gebeurt op basis van de huidige stand der techniek. Deze checklist is te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bouwregelgeving/documenten/formulieren/2012/03/19/formulier-toetsingskader-veilig-onderhoud.