Contact Service
II Artikelsgewijs
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


II Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1Algemene bepalingen

Artikel 1.1Begripsbepalingen

Algemeen geldt dat de begripsbepalingen van het Bouwbesluit 2012 tevens van toepassing zijn op de Regeling Bouwbesluit 2012. In aanvulling op die begripsbepalingen is in de regeling een beperkt aantal begripsbepalingen opgenomen. Aangezien veel in de Regeling Bouwbesluit 2012 gehanteerde begrippen zijn opgenomen in begripsbepalingen van het Bouwbesluit 2012 zelf, in andere voorschriften en in normen, is het aantal begripsbepalingen in deze regeling beperkt gebleven.Voortvloeiend uit de verordening bouwproducten zijn ten opzichte van de Regeling Bouwbesluit 2003 de vier nieuwe begripsbepalingen voor aangemelde instantie, aanmeldende autoriteit, prestatieverklaring en technische beoordelingsinstantie opgenomen.

De aangemelde instanties (in Europees verband worden deze instanties Notified Bodies genoemd) als bedoeld in artikel 39 van de verordening bouwproducten zijn instanties die door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden aangewezen en aangemeld zijn bij de Europese Commissie. Daarmee zijn zij bevoegd om specifieke taken uit te voeren bij de beoordeling en verificatie van de prestatiebestendigheid in het kader van de verordening bouwproducten. Van belang voor de betrouwbaarheid van de CE-markering op het product is dat deze aangemelde instanties onafhankelijk zijn van de producent en of importeur. Daarbij moeten deze instanties van voldoende kwaliteit zijn om deze beoordeling en verificatie uit te voeren. De door Nederland aangemelde instanties zijn opgenomen in de Nando-database die geplaatst is op de website van de Europese Commissie.De aanmeldende autoriteit is verantwoordelijk voor de instelling en uitvoering van de procedures voor de beoordeling en aanmelding van de instanties die zullen worden gemachtigd om taken van derden uit te voeren bij de beoordeling en verificatie van de bestendigheid van de prestaties voor de toepassing van de verordening bouwproducten. Tevens houdt de aanmeldende autoriteit toezicht op de aangemelde instanties.In de prestatieverklaring zijn de prestaties van bouwproducten geformuleerd met betrekking tot hun essentiële kenmerken overeenkomstig de relevante geharmoniseerde technische specificaties. Een technische beoordelingsinstantie, voorheen goedkeuringsinstantie, verstrekt de Europese technische beoordeling in een productgebied waarvoor zij is aangewezen.

In de wijziging Stcrt. 2013, 16919 is naar een ISSO publicatie verwezen. Daarom is het nodig dit begrip te definiëren.

In Stcrt. 2014, 4047 zijn de begrippen conformiteitscertificaat, conformiteitsverklaring, Europese goedkeuringsrichtlijn, Europese technische goedkeuring, geharmoniseerde norm en prestatieverklaring vervallen. De eerste vier begrippen zijn vervallen omdat zij na de volledige inwerkingtreding van de verordening bouwproducten geen rol meer spelen in de nationale regelgeving. De begrippen geharmoniseerde norm en prestatieverklaring zijn hier vervallen omdat deze begrippen nu in het Bouwbesluit 2012 zijn gedefinieerd.

Bij Stcrt. 2017, 73470 is een drietal nieuwe begripsbepalingen opgenomen. De begrippen bijeenkomstgebouw en celgebouw zijn nodig om te voldoen aan de eis dat met ingang van 1 januari 2019 nieuwe gebouwen waarvan de overheid eigenaar is en waarin overheidsinstanties zijn gevestigd bijna energieneutraal zijn. Het begrip kantoorgebouw dat hiervoor ook nodig is, is in de wijziging van het Bouwbesluit 2012 betreffende drijvende bouwwerken, de milieugrenswaarde en enkele andere wijzigingen (Stb. 2017, 494) opgenomen. In artikel 5.2, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 zoals dat luidt na de hiervoor genoemde wijziging wordt in overeenstemming met de herziene EPBD gesproken van gebouwen en niet van gebruiksfuncties. Met genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012 is het kantoorgebouw gedefinieerd als gebouw of gedeelte daarvan met uitsluitend een of meer kantoorfuncties en nevenfuncties daarvan. In de voorliggende wijzigingsregeling zijn vergelijkbare definities opgenomen voor bijeenkomstgebouw en celgebouw. Zij zijn gedefinieerd als een gebouw of gedeelte daarvan met uitsluitend een of meer (bijeenkomst/cel) functies en nevenfuncties daarvan. Hieruit volgt dat een dergelijk gebouw een afzonderlijk gebouw kan zijn maar ook een onderdeel van een groter gebouw. Het is mogelijk dat bijvoorbeeld een celfunctie zelf een nevenfunctie van een andere gebruiksfunctie is. In een dergelijk geval kan er geen sprake zijn van een celgebouw. In deze systematiek geldt hetzelfde voor een bijeenkomstfunctie en een kantoorfunctie. Voor het nieuwe begrip veiligheidsafstand wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2.12.

Artikel 1.2NEN

In het eerste lid wordt voor de datum van uitgifte van de in het besluit en deze regeling, aangewezen normbladen en het van toepassing zijn van op deze normbladen uitgebrachte correctie-, wijzigings-, of aanvullingsbladen verwezen naar bijlage I bij deze regeling en wat betreft de constructienormen in de afdelingen 2.1 en 2.2 naar bijlage II bij deze regeling.In het tweede lid is bepaald dat bij doorverwijzing vanuit een in bijlage I of bijlage II aangestuurde norm voor de bouwregelgeving uitsluitend de doorverwijzingen naar andere in bijlage I respectievelijk bijlage II aangestuurde normen of onderdeel daarvan van toepassing is. Verwijzingsketens binnen normen worden, mede gezien het belang van beperking van regeldruk, voor de technische bouwregelgeving zo veel mogelijk beperkt. Nieuw is dat bij een aantal recente uitgaven van NEN-normen de daarin geïntegreerde wijzigings- en/of correctiebladen nu ook in de aanduiding van die normen is weergegeven. In de bijlagen zijn deze nieuwe aanduidingen vermeld.Van het tweede lid uitgezonderd zijn de NEN-normen voor gas, water en elektriciteit, aangewezen in de afdelingen 6.2 en 6.3 van het besluit. De genoemde normen voor gas, water en elektriciteit vallen niet onder de zogenoemde ‘bouwnormen’ en zijn voor wat betreft inhoud en structuur onvoldoende afgestemd op de publieke verwijzing vanuit de bouwregelgeving.

Stcrt. 2013, 5457 bevat een vijftal wijzigingen van bijlage I en een tweetal wijzigingen van bijlage II. In bijlage I is een nieuwe verwijzing naar NEN 2575 2004 opgenomen, die dezelfde is als die daarvoor heeft gegolden. Ook is een nieuwe verwijzing naar NEN 5077+C3:2012 opgenomen en is de verwijzing naar NEN 5077:2006 vervallen. Verder zijn in bijlage I de verwijzingen naar NEN 6092:1995 en NEN-EN 1997-2+C1:2010 vervallen. In bijlage II is de verwijzing naar NEN-EN 1993-1-4:2006 aangepast en is een nieuwe verwijzing naar NEN-EN 1997-2 opgenomen. De verwijzing naar NEN-EN 1997-2 is naar bijlage II verplaatst omdat het een in de afdeling 2.1 van het Bouwbesluit 2012 aangewezen NEN-EN betreft. Ook is daarbij voortaan de nationale bijlage NB:2011 van toepassing.

Zowel bijlage I, behorende bij artikel 1.2 als bijlage II, behorende bij artikel 1.2 zijn bij Stcrt. 2014, 4057 opnieuw vastgesteld. Hiervoor is in overleg met NEN gekozen omdat er sprake is van een aanzienlijk aantal grotendeels redactionele wijzigingen. De meeste van die wijzigingen hebben betrekking op de wijze waarop de normen geciteerd zijn, daarnaast is in enkele gevallen sprake van nieuwe (geconsolideerde) versies. Ook is soms sprake van het toevoegen van een nationale bijlage of van het opnemen van een nieuw correctieblad. In een enkel geval is een nieuwe versie van de norm aangewezen. Alleen bij NEN 8701 is sprake van een meer fundamentele wijziging. Die tweedelijns norm werd namelijk eerder nog niet aangewezen. Overeenkomstig artikel 1.2, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012, zijn de verwijzingen naar deze norm door het aanwijzen van deze norm van toepassing. In de navolgende normen zijn ondergeschikte wijzigingen als hierboven beschreven opgenomen:

Bijlage I

NEN 1068; NEN 1413; NEN 2535; NEN 2559; NEN 2608; NEN 2768; NEN 2991; NEN 5077; NEN 5087; NEN 5096; NEN 6061; NEN 6068; NEN 6075; NEN 7120; NEN 8701; NEN-EN 13501; NEN-EN-IEC 61936.

Bijlage II

NEN-EN 1991 (twee maal); NEN-EN 1993 (negen maal); NEN-EN 1996.

Bij Stcrt. 2014, 34076, zijn in bijlage I de verwijzingen naar NEN 1068 en NEN 7120 geactualiseerd.

Bij Stcrt. 2014, 37003, is in bijlage I van de Regeling Bouwbesluit 2012 een correctie in de verwijzingen naar NEN 1068 en NEN 7120 aangebracht.

In Stcrt 2015, 17338 zijn een zevental wijzigingen van bijlage I. opgenomen. Met deze wijzigingen zijn de laatste versies van de desbetreffende normen aangewezen. In bijlage I zijn nieuwe verwijzingen naar NEN 1010, NEN 2575, NEN 3011, NEN 3215, NEN–EN 1838 en NEN-EN-IEC 61936 opgenomen. Ook zijn verwijzingen naar zevental normen vervallen, omdat deze normen niet meer in het Bouwbesluit 2012 worden aangestuurd. Er wordt op gewezen dat NEN 2575 2004 vervangen is door vijf nieuwe onderdelen. Wat betreft de verwijzing naar NEN–EN 1838 wordt opgemerkt dat voortaan de versie van 1999 voor bestaande bouw als de versie van 2013 voor nieuwbouw wordt aangewezen. Hierbij is echter voor de toepassing van artikel 6.24, tweede lid, van het Bouwbesluit een uitzondering gemaakt. Ook bij nieuw te bouwen wegtunnels mag worden uitgegaan van de normversie van 1999. In bijlage II zijn bij Stcrt, 2015, 17338, nieuwe verwijzingen naar NEN-EN 1991, NEN-EN 1993, NEN-EN 1994, NEN-EN 1995 en NEN-EN 1999 opgenomen.

In Stcrt. 2015, 45221 is een zestal wijzigingen van bijlage I doorgevoerd. Met deze wijzigingen zijn de laatste versies van de desbetreffende nationale normen aangewezen. Evenzo zijn van een viertal normen in bijlage II bij de wijziging in die Staatscourant de laatste versies aangewezen.

In Stcrt. 2016, 71548 zijn de verwijzingen naar de normbladen NEN 1006, NEN 1010, NEN 1594, NEN 2768, NEN 5087, NEN 6068 en NEN EN 1997 1 geactualiseerd. Voor bestaande funderingen en verbouw van funderingen is NEN EN 1997-1+C1:2011 en NB:2012 aangewezen.

Bij deze wijzigingsregeling is van een aantal in bijlage I opgenomen normen een nieuwere versie aangewezen. NEN 1006:2015 Algemene voorschriften voor leidingwaterinstallaties is aangepast aan de Europese norm voor leidingwaterinstallaties (de zogenoemde NEN-EN 806-serie). Met NEN 1010:2015 Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties is de Europese norm voor laagspanningsinstallaties (de zogenoemde HD-IEC 60364-reeks) omgezet. Bij de overige normen gaat het om meer ondergeschikte aanpassingen, verduidelijkingen of een beperkte toepassingsuitbreiding.

In bijlage II is de constructienorm voor funderingen (NEN-EN 1997-1) aangepast voor nieuwbouw. In deze norm is de puntdraagkracht van funderingspalen met 30% gereduceerd ten opzichte van de huidige norm. Uit onderzoek is gebleken dat het voorgestane veiligheidsniveau van het Bouwbesluit 2012 niet aantoonbaar gehaald kan worden met de huidige paaldraagkrachtfactoren. Vergelijking met buitenlandse normen bevestigt dit.Voor bestaande bouw en verbouw is de eerder aangestuurde versie van de NEN-EN 1997-1, een tweedelijns norm die volgt uit de NEN 8700, nog van toepassing en geldt de verzwaring dus niet.

Op verzoek van NEN zijn bij Stcrt. 2017, 73470 nieuwe versies van een aantal NEN-normen aangewezen in bijlage I en II van de Regeling Bouwbesluit 2012. Het gaat in alle gevallen om relatief beperkte wijzigingen van bestaande normen. Het betreft de normbladen NEN 1010, NEN 1068, NEN 2559,,NEN 2608, NEN 2991, NEN 6069, NEN 6090, NEN 7120, NVN 7125, NEN-EN 1992-1-1, NEN-EN 1992-2, NEN-EN 1993-1-1, NEN-EN 1993-1-4, NEN-EN 1993-1-5, NEN-EN 1993-1-6, NEN EN 1993-1-8, NEN-EN 1993-1-10 en NEN-EN 1993-4-2.

Wat betreft de wijzing van NEN 1068 geldt dat deze versie vooralsnog alleen geldt als tweedelijnsnorm bij de nieuwe NEN 7120 voor de BENG-eisen voor overheidsgebouwen. Voor NEN 7120 geldt dat deze nieuwe versie ook alleen geldt voor de BENG-eisen voor overheidsgebouwen, in samenhang met de RVO-Handreiking BENG. De nieuwe versie van NEN 7125 is de opvolger van NVN 7125 en gaat ook vooralsnog alleen gelden voor de BENG-eisen voor overheidsgebouwen in samenhang met de RVO-Handreiking BENG.

Verder zijn op grond van dit artikel de nadere voorschriften omtrent NEN-EN 1997-1 in relatie tot de paalpuntfactoren verder verduidelijkt.

Artikel 1.3CE-markeringen

In zijn algemeenheid kan de CE-markering op bouwproducten worden aangebracht als daarvoor een zogeheten Europees geharmoniseerde technische specificatie (Europese normen en technische goedkeuringen) beschikbaar is en van toepassing is op het specifieke product. Informatie over deze specificaties is te vinden in de NANDO-database op de website van de Europese Commissie en in de module CE-markeringen op Rijksoverheid.nl. In artikel 1.6 van het besluit is voorgeschreven wanneer de CE-markering op bouwproducten verplicht moet worden aangebracht. Het eerste lid van artikel 1.3 houdt in dat fabrikanten van bouwproducten die onder een Europees geharmoniseerde norm vallen de CE-markering (met bijbehorende informatie) kunnen aanbrengen overeenkomstig die norm, zodra de norm is gepubliceerd in het publicatieblad van de Europese Unie. Nadat de zogeheten co-existentieperiode of overgangsperiode van die norm, welke is genoemd in het publicatieblad bij de publicatie van de norm, is verstreken, moet het product volgens de Europese regelgeving worden voorzien van de CE-markering (met bijbehorende informatie).In het tweede lid is bepaald dat de CE-markering (met bijbehorende informatie) ook kan worden aangebracht op bouwproducten die niet onder een geharmoniseerde norm vallen, maar waarvoor een Europese goedkeuringsrichtlijn bekend is gemaakt. Deze goedkeuringsrichtlijnen vormen de technische grondslag voor het opstellen van Europese technische goedkeuringen. Fabrikanten die de CE-markering op hun producten willen aanbrengen dienen dan in bezit te zijn van een Europese technische goedkeuring die voor hen op basis van de overeenkomstige goedkeuringsrichtlijn is opgesteld door een technische beoordelingsinstantie (zie artikel 1.4) die in de richtlijn bouwproducten nog goedkeuringsinstantie worden genoemd. Het gaat hier om een vrijwillige keuze van de fabrikant. In tegenstelling tot geharmoniseerde normen bestaat er voor goedkeuringsrichtlijnen geen co-existentieperiode. In het derde lid is bepaald dat de CE-markering (met bijbehorende informatie) ook kan worden aangebracht indien de fabrikant in het bezit is van een Europese goedkeuring, waarvoor geen goedkeuringsrichtlijn bestaat. Het betreft hier niche producten die bekend staan onder de term CUAP (Common Understanding Assessment Procedure). De lijst met CUAP’s kunt u eveneens inzien in de NANDO-database op de website van de Europese Commissie. In het vierde lid is aangegeven dat aan alle bouwproducten met CE-markering waarvoor een conformiteitsverklaring of een conformiteitscertificaat is afgegeven het ‘vermoeden van conformiteit’ moet worden gegeven. Afhankelijk van het type bouwproduct kan een conformiteitscertificaat nodig zijn, opgesteld door een aangemelde instantie. Of een certificaat van een aangemelde instantie nodig is, hangt af van het conformiteitsniveau (of systeem van verklaring van overeenstemming) dat van toepassing is op het product voor de eigenschappen waarvoor de prestatie wordt bepaald, afhankelijk van het beoogd gebruik van het betreffende product. Informatie hierover is terug te vinden in de tabel ZA in de technische specificatie van toepassing op het bouwproduct. In Europees verband worden de aangemelde instanties Notified Bodies genoemd (zie artikel 1.5). Algemeen uitgangspunt van de CE-markering is dat vertrouwen moet worden gegeven aan de testresultaten die de fabrikant voor zijn product heeft opgegeven. Zo mag er in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning geen aanvullend bewijs voor een bepaald testresultaat (bijvoorbeeld een Europese brandklasse) worden gevraagd. Indien er niettemin ernstige twijfel is over de juistheid van de door de fabrikant opgegeven informatie kan dit worden gemeld aan het bevoegde gezag, de markttoezichtautoriteit voor CE-markering op bouwproducten (voor Nederland: de Inspectie Leefomgeving en Transport), en een handhavingsverzoek worden gedaan.

Stcrt. 2014, 4057: Het oorspronkelijke artikel 1.3 is overbodig geworden als gevolg van de rechtstreekse werking van de verordening bouwproducten. In artikel 4 van de verordening is namelijk de verhouding tussen geharmoniseerde normen, Europese technische beoordelingen en prestatieverklaringen beschreven. Voor een verdere toelichting op het systeem wordt verwezen naar de brochure ‘CE-markering op bouwproducten’ in het dossier ‘bouwproducten’ op rijksoverheid.nl. In het nieuwe artikel 1.3 zijn met het oog op de goede handhaving daarvan door de Inspectie Leefomgeving en Transport een aantal voorschriften uit de verordening opgenomen. Gedragingen in strijd met de voorschriften die ter zake van de implementatie van de verordening bouwproducten in het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit 2012 zijn opgenomen zijn op grond van artikel 120, tweede lid, van de Woningwet namelijk verboden en daarmee economische delicten op grond van artikel 1a, tweede lid, van de Wet economische delicten. In het nieuwe eerste lid van artikel 1.3 is bepaald aan welke eisen het aanbrengen van een CE-markering moet voldoen. Dit voorschrift is gebaseerd op artikel 9, eerste lid, van de verordening. In het tweede lid van artikel 1.3 is bepaald dat instructies en informatie over de veiligheid in de Nederlandse taal moeten worden gesteld. Er is voor gekozen dat dergelijke informatie in de Nederlandse taal ter beschikking moet worden gesteld omdat dit voor gebruikers het meest toegankelijk is.

Artikel 1.4 en 1.5CE-markeringen

Op 4 april 2011 is de verordening nr. 305/2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (verordening bouwproducten) gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (88/5). Deze verordening is de opvolger van de richtlijn bouwproducten. De van deze verordening reeds van kracht zijnde artikelen betreffen met name de aanwijzing van technische beoordelingsinstanties, kortweg TBI’s en de aangemelde instanties. Deze aangemelde instanties zijn certificatie- en inspectieinstanties en testlaboratoria. De instanties die in het kader van de richtlijn bouwproducten reeds zijn aangemeld, zullen in het kader van de verordening bouwproducten opnieuw moeten worden aangewezen en aangemeld volgens de criteria en procedures van deze verordening. Tot het moment dat de instantie opnieuw is aangewezen en aangemeld geldt de oude aanwijzing en aanmelding. Hoe lang deze nog geldig blijft is vooralsnog niet vastgesteld door de Europese Commissie. De kandidaat-instanties moeten aantonen dat zij voor het uitvoeren van de door een aangemelde instantie uit te voeren taken, waaronder het testen en beoordelen van producten, het controleren van de interne kwaliteitscontrole in de fabriek, competent is. Aangezien de toetsing aan de criteria die zijn opgenomen in de verordening technische expertise vereist, delegeert de minister de toetsing van de instanties. Die delegatie uitgewerkt in de artikelen 1.4 en 1.5. Artikel 1.4 heeft betrekking op de procedures voor de aanwijzing en de aanmelding van technische beoordelingsinstanties. Voor advies ten aanzien van de geschiktheid van kandidaat-instanties wijst de minister een ter zake kundige instelling aan. De technische beoordelingsinstanties moeten in staat zijn om op aanvraag van een fabrikant een Europese technische goedkeuring op te stellen voor de werkgebieden als aangegeven in bijlage IV, tabel 1 van de betreffende verordening. In tabel 2 van die bijlage zijn de beoordelingscriteria gegeven waaraan de technische beoordelingsinstanties moeten voldoen. De ter zake kundige instelling maakt de procedure voor de toetsing van kandidaat-instanties openbaar.Artikel 1.5 heeft betrekking op de procedures voor de aanwijzing en aanmelding van aangemelde instanties. In principe geldt hier als uitgangspunt accreditatie. De verordening maakt het echter tevens mogelijk dat op basis van andere bewijsstukken de bekwaamheid van een organisatie kan worden aangetoond (artikel 48, vierde lid). De verordening bouwproducten verlangt dat de lidstaten voor het instellen en uitvoeren van de nodige procedures voor de beoordeling en de aanmelding van deze aangemelde instanties een aanmeldende autoriteit aanwijzen. De eisen aan de aangemelde instanties zijn vastgelegd in artikel 43 van de betreffende verordening en vormen een leidraad voor de toetsing door de aanmeldende autoriteit.In het derde lid is aangegeven dat de aanmeldende autoriteit de procedure voor de beoordeling en aanmelding van en voor het toezicht op de betreffende instanties zoals bedoeld in artikel 43 van de verordening moet opstellen, en een actueel overzicht van de aangemelde instanties moet bekendmaken.

Artikel 1.6CE-markeringen

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat de minister zo nodig aan de aanwijzingen op grond van de artikelen 1.4 en 1.5 voorschriften kan verbinden. Daarnaast is in het tweede lid bepaald dat de instellingen voor het beoordelen van en het toezicht houden op technische beoordelingsinstanties en aangemelde instanties de minister onverwijld moeten informeren als deze instanties hun taken niet naar behoren uitoefenen. Ten slotte is in het derde lid bepaald dat de minister na een dergelijke melding een aanwijzing (en dus ook de aanmelding in de NANDO-database) van een technische beoordelingsinstantie of aangemelde instantie kan intrekken.

Artikel 1.7Kwaliteitsverklaringen

Evenals in de Regeling Bouwbesluit 2003 is in de regeling uit het oogpunt van administratieve lastenverlichting een extra faciliteit voor bepaalde buitenlandse instituten geboden. Een buitenlandse instelling die overeenkomstig artikel 16 van de richtlijn bouwproducten in het land van oorsprong is erkend voor het doen van proeven en controles, wordt indien deze proeven en controles in overeen-stemming met de voorschriften in Nederland zijn, gelijkgesteld met een onafhankelijk deskundig instituut dat voldoet aan de kwalificaties genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet. Dit betekent dat een voor een dergelijk bouwproduct afgegeven test- of evaluatierapport, eventueel voorzien van het eigen merkteken, geldt als een door de minister van BZK erkende kwaliteitsverklaring als bedoeld in artikel 1.11 van het besluit.

Artikel 1.8Kwaliteitsverklaringen

Een individueel erkende kwaliteitsverklaring is een kwaliteitsverklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet. Deze worden door een coördinerende instelling afgegeven en bekendgemaakt. De kwaliteitsverklaringen die binnen dit stelsel worden afgegeven, gelden in het kader van de omgevingsvergunningprocedure als voldoende bewijs dat aan de eisen van de bouwregelgeving is voldaan, voor zover het althans de eisen betreft waarover de betreffende verklaringen een uitspraak doen.Binnen het stelsel van kwaliteitsverklaringen kunnen zowel productcertificaten, attesten als procescertificaten worden afgegeven, mits er een aantoonbaar verband is met de bouwregelgeving. Dit verband is per te certificeren onderwerp aangegeven in een geharmoniseerde grondslag voor certificatie, ook wel een beoordelingsrichtlijn (BRL) genoemd. Individuele woordmerken of logo’s zoals bijvoorbeeld KOMO worden in deze voorschriften niet genoemd, want alle instellingen moeten toegang hebben tot het stelsel, mits zij aan de objectieve kwaliteitscriteria daarvan kunnen voldoen. Deze kwaliteitscriteria worden in een met de betrokken partijen te sluiten overeenkomst vastgelegd. De minister publiceert deze overeenkomst vervolgens in de Staatscourant. In deze overeenkomst worden ten minste de volgende uitgangspunten opgenomen:

1.De kwaliteitsverklaringen die onder het te erkennen stelsel worden afgegeven hebben een aantoonbare relatie met de bouwregelgeving;
2.De toegang tot het stelsel wordt gewaarborgd voor alle instellingen die voldoen aan van tevoren vastgestelde kwaliteitscriteria, waarbij als algemeen uitgangspunt geldt dat de betreffende certificatie-instellingen zijn geaccrediteerd op basis van de EN 45000 of de NEN-ISO 17.000 normenserie;
3.De kwaliteitsverklaringen zijn gebaseerd op technische specificaties die niet strijdig zijn met de Europese geharmoniseerde specificaties, waarbij gestreefd is naar harmonisatie van sectorspecifieke certificatie-eisen;
4.De beoordeling of kwaliteitsverklaringen voldoen aan de hierboven gestelde eisen van het stelsel zoals aangewezen in Staatscourant nr. 132 van 11 juli 2006, wordt gedaan door een onafhankelijke commissie. Deze commissie is door de coördinerende instelling, in overleg met de minister, ingesteld. Aan de onder het tweede of derde punt gestelde voorwaarden is ook voldaan, indien, ter beoordeling van de bovengenoemde commissie, gelijkwaardigheid aan die voorwaarden in voldoende mate is aangetoond, en
5.Een objectieve toelating van instellingen tot het stelsel is gewaarborgd door een bezwaar- en beroepsprocedure.

Artikel 1.9Kwaliteitsverklaringen

In artikel 1.9 is bepaald dat de minister een coördinerende instelling aanwijst die het overzicht van kwaliteitsverklaringen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet vaststelt en publiceert. Als coördinerende instelling is de Stichting Bouwkwaliteit aangewezen.

Paragraaf 1.5Inspectieschema’s

Op grond van de artikelen 6.20, 6.23 en 6.32 moet respectievelijk een brandmeldinstallatie, een ontruimingsalarminstallatie, een automatische brandblusinstallatie (bijvoorbeeld sprinkler) en een rookbeheersingssysteem voorzien zijn van een inspectiecertificaat. In artikel 1.10 zijn voorschriften gegeven met betrekking tot de geldigheidsduur van de betreffende certificaten voor brandmeld- en ontruimingsalarminstallaties. Voor beiden geldt eenzelfde regime.Het eerste lid bepaalt dat de betreffende installaties voor ingebruikname voorzien moeten zijn van een inspectiecertificaat.Het tweede lid bepaalt vervolgens dat een inspectiecertificaat als bedoeld in het eerste lid een geldigheidsduur van drie jaar heeft. Voor die gebouwen waarbij op grond van artikel 6.20, eerste lid, doormelding verplicht is, geldt echter een geldigheidsduur van een jaar. De geldigheidsduur wordt daarmee afhankelijk gesteld van de risicofactoren die aan de betreffende gebruiksfunctie verbonden zijn.In artikel 1.11 zijn voorschriften gegeven met betrekking tot de geldigheidsduur van de betreffende certificaten voor automatische brandblusinstallaties en rookbeheersingssystemen. Dit soort installaties is op grond van het besluit niet verplicht en wordt veelal toegepast bij gelijkwaardige oplossingen. Om die reden is de maximale inspectiefrequentie gesteld op een jaar, zonder afhankelijkheid van doormelding.In relatie tot de genoemde geldigheidsduur wordt overigens nog verwezen naar het overgangsrecht in artikel 9.2, zesde lid, van het besluit. Op grond van dit overgangsrecht wordt een document dat voor 1 januari 2015 is afgegeven gelijkgesteld met een in het besluit voorgeschreven certificaat.In bijzondere situaties (bijvoorbeeld ondergrondse of hoge gebouwen en bijzondere blusinstallaties) en volgens andere regelgeving kan een andere frequentie van de inspectie dan hierboven genoemd, worden gegeven. Daarnaast kunnen vanuit andere wet- en regelgeving voor specifiek gebruik andere voorschriften van toepassing zijn.Artikel 1.12 bepaalt dat de toe te passen inspectieschema’s van het CCV gepubliceerd moeten zijn in 2011.

De verwijzing in artikel 1.12 naar de inspectieschema’s 2011 is bij Stcrt 2013, 5457 vervangen door een verwijzing naar de desbetreffende onderdelen van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging van 1 september 2012, inclusief wijzigingsblad W1:2012. Dit inspectieschema fungeert als inspectieschema voor de verschillende in de artikelen 6.20, zesde lid, 6.23, vierde lid, en 6.32 van het Bouwbesluit 2012 genoemde CCV-inspectieschema’s. Het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging is te downloaden van de site van het Centrum Criminaliteitspreventie Veiligheid (CCV). In artikel 1.12 was ten onrechte ook een verwijzing naar artikel 6.20, zevende lid, van het Bouwbesluit 2012 opgenomen. Dit is bij die Staatscourant gecorrigeerd.

Artikel 1.12 is bij Stcrt. 2015, 17338 geactualiseerd met de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging. Deze nieuwe versie maakt het mogelijk om bij inspecties beter rekening te houden met de specifieke eigenschappen van de verschillende brandbeveiliginginstallaties.

Artikel 1.12 is bij Stcrt. 2015 45221, geactualiseerd met de aanwijzing van een nieuwe versie 10.0 van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging. De wijziging ten opzichte van versie 9.0 is dat certificaten voor levering en onderhoud van de zogenoemde Vast opgestelde Brandbeheersing- en Blussystemen (VBB-systemen) die nog niet onder accreditatie zijn afgegeven, tot 1 januari 2016 gelijk gesteld zijn met de oorspronkelijke LPS 1233 certificaten (van de Certificatie Instelling voor Beveiliging en Veiligheid).

Artikel 1.12 is bij Stcrt. 2018, 35386 geactualiseerd met de aanwijzing van een nieuwe versie 11.0 van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging, welke per 01-07-2018 in werking is getreden.

Artikel 1.13

Op grond van artikel 6.53, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 moet een te bouwen gebouw voldoende gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen voor het kunnen uitvoeren van veilig onderhoud hebben indien dat onderhoud niet veilig zonder die voorzieningen kan worden uitgevoerd. Artikel 1.13 van de Regeling Bouwbesluit 2012 geeft aan dat aan de hand van de Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen 2012 de veiligheidsvoorzieningen moeten worden beoordeeld indien dergelijke voorzieningen op grond van genoemd artikel 6.53, eerste lid, noodzakelijk zijn. In dat geval moet de checklist door de aanvrager worden ingevuld en bij de stukken voor de aanvraag van aanvraag de vergunning voor het bouwen worden gevoegd. Beoordeling van de veiligheidsvoorzieningen in de Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen 2012 gebeurt op basis van de huidige stand der techniek. Deze checklist is te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bouwregelgeving/documenten/formulieren/2012/03/19/formulier-toetsingskader-veilig-onderhoud.

Hoofdstuk 2Brandveiligheidsvoorschriften

Artikel 2.1Opvang- en doorstroomcapaciteit

In artikel 2.108, tweede lid, van het besluit is opgenomen dat bij ministeriële regeling voorschriften kunnen worden gegeven over een gedeelte van een vluchtroute, gelegen buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint, op grond waarvan kan worden afgeweken van het eerste lid van dat artikel.Met artikel 2.1 wordt invulling gegeven aan het genoemde artikel 2.108, tweede lid. Artikel 2.1 is gericht op het bepalen van de doorstroomcapaciteit van het deel van een vluchtroute buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint, waar sprake is van ‘vernauwingen’ in die route. Van een vernauwing is sprake als op de vluchtroute een punt aanwezig is waar niet meer voldaan kan worden aan de doorstroomcapaciteit als bedoeld in artikel 2.108, eerste lid, van het besluit. Zo’n situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen in een trappenhuis, want het aantal personen dat op het trappenhuis is aangewezen, wordt door toestroom van personen van andere verdiepingen in de regel groter naarmate men verder afdaalt en dichter bij de uitgang van het trappenhuis komt. De uitgang van het trappenhuis of het onderste gedeelte van de trap kan dan onvoldoende capaciteit hebben om alle door het trappenhuis vluchtende personen in één minuut te laten passeren. Het uitgangspunt bij de geboden afwijkingsmogelijkheid is dat men op een vluchtroute, na het passeren van een brandscheiding, in een ruimte komt waarin men gedurende langere tijd veiliger is dan in het subbrandcompartiment van waaruit het vluchten is gestart. Het is daarom geen probleem als het vluchten uit deze meer veiligheid biedende plaats langer duurt. Zo’n ruimte moet natuurlijk wel voldoende opvangcapaciteit hebben opdat iedereen enige tijd veilig in die ruimte kan verblijven.De in dit artikel genoemde waarden en uitgangspunten zijn grotendeels in lijn met NEN 6089 die kan worden gebruikt als bepalingsmethode, mits de waarden en uitgangspunten van dit artikel worden gehanteerd.Het is niet verplicht het alternatief van dit artikel toe te passen, want met een beroep op gelijkwaardigheid (artikel 1.3 van het besluit) kan men ook kiezen voor een andere gelijkwaardige bepalingsmethode. Het verschil is dat met toepassing van artikel 2.1 is voldaan aan de functionele eis van artikel 2.101 van het besluit, terwijl de gelijkwaardigheid moet worden aangetoond. Een gelijkwaardige oplossing zou bijvoorbeeld kunnen liggen in een gefaseerde ontruiming van een bouwwerk. Bij gefaseerde ontruiming begint de ontruiming van het direct door brand bedreigde deel eerder dan de andere delen. Gefaseerd ontruimen kan alleen als sprake is van een ontruimingsinstallatie die daarop is afgestemd. De ontruimingsinstallatie moet het mogelijk maken dat de personen die eerder worden ontruimd gealarmeerd worden zonder dat de overige personen in het gebouw dat merken.

Het eerste lid van artikel 2.1 geeft een voorschrift voor de tijd waarbinnen personen die zijn aangewe-zen op bepaalde vluchtroutes het aansluitend terrein veilig moeten kunnen bereiken. De tijd is afhankelijk van het veiligheidsniveau van de vluchtroute. De veilige tijd van 15 minuten geldt zowel voor een beschermde als voor een onbeschermde vluchtroute, omdat er bij een onbeschermde vluchtroute altijd een alternatieve vluchtroute moet zijn die ten minste 30 minuten brandwerend gescheiden is van de eerste vluchtroute. In een vluchttrappenhuis met rooksluizen is men langer veilig waardoor kan worden uitgegaan van een veilige tijd van 20 minuten. Bij een veiligheidsvluchtroute geldt een nog langere veilige tijd van 30 minuten.Het tweede lid bepaalt dat de opvang- en doorstroomcapaciteit van de vluchtroute buiten het bedreigde subbrandcompartiment zodanig moet zijn dat het bedreigde subbrandcompartiment binnen 1 minuut kan zijn verlaten.

Met de wijziging van derde lid, onderdeel b, van artikel 2.1 is bij Stcrt. 2014, 4057 een onvolkomenheid in het oorspronkelijke voorschrift gecorrigeerd. Het gaat om de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een bedreigd subbrandcompartiment en een opvangruimte, en niet om de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een opvangruimten en een bedreigd subbrandcompartiment zoals in de oorspronkelijke tekst stond. Het voorschrift gaat er vanuit dat wanneer in het bedreigde subbrandcompartiment een brand is deze brand zich niet binnen een bepaalde tijd uitbreidt naar de opvangruimte.

Het derde lid geeft een voorschrift voor de tijd waarbinnen personen mogen worden opgevangen in een ruimte op dezelfde bouwlaag als het bedreigde subbrandcompartiment, niet zijnde het trappenhuis. In een ruimte op dezelfde bouwlaag als het bedreigde subbrandcompartiment mogen personen worden opgevangen zolang deze ruimte maar binnen 3,5 minuut is verlaten. Indien er tussen het bedreigde subbrandcompartiment en zo’n ruimte een weerstand tegen branddoorslag en brandover-slag is van ten minste 30 minuten geldt een opvangtijd tot 6 minuten.Het vierde lid geeft de uitgangspunten die bij de berekening van de in het eerste tot en met derde lid genoemde tijden moeten worden gehanteerd. Impliciet volgt uit deze uitgangspunten dat er geen rekening mee behoeft te worden gehouden dat een vluchtroute is geblokkeerd door brand. Hoewel de eis op het niveau van een afzonderlijke vluchtroute is gesteld, moet de berekening worden uitgevoerd op bouwwerkniveau. Alle vluchtroutes in een bouwwerk moeten namelijk tegelijkertijd voldoen aan de eis. Dat betekent niet dat geen rekening mag worden gehouden met het niet gelijktijdig gebruiken van bepaalde ruimten. Zo zullen bij een schoolgebouw de aula en leslokalen niet tegelijkertijd volledig zijn bezet. De berekening moet herhaald (iteratief) worden uitgevoerd met tijdstappen van 30 seconden totdat alle personen het aansluitende terrein hebben bereikt. De tijdstap van 30 seconden komt praktisch overeen met de aan te houden daal- en stijgsnelheid per bouwlaag. Op het tijdstip t = 0 min wordt verondersteld dat alarmering plaatsvindt en de eerste personen de subbrandcompartimenten direct al verlaten. De verdeling van de personen over de uitgangen van een subbrandcompartiment is vrij, maar moet door de aanvrager van een omgevingsvergunning wel kunnen worden onderbouwd. Buiten de subbrandcompartimenten wordt verder gevlucht met behulp van de aan te houden doorstroom- en opvangcapaciteiten en daalsnelheden. Uitgangspunt hierbij is dat de bouwlagen op ten minste 2,1 m en ten hoogste 4 m afstand van elkaar liggen, wat voor de meest voorkomende bouwwerken geldt. Bij andere hoogtes tussen bouwlagen of splitlevelbouwlagen kan ingevolge artikel 1.3 van het besluit op basis van gelijkwaardigheid een berekening worden uitgevoerd.Bij samenkomende vluchtroutes wordt de beschikbare doorstroom- en opvangcapaciteit evenredig verdeeld over de personen die van deze vluchtroutes komen. Alleen de tijd die nodig is voor het verticale verplaatsen (via trappen) wordt in rekening gebracht en niet de tijd die nodig is voor horizontale loopafstanden of voor hellingbanen, omdat de horizontale loopafstanden in het besluit al worden beperkt.

Met de wijziging van het vierde lid van artikel 2.1 worden bij Stcrt. 2014, 4057 de uitgangspunten die gehanteerd worden bij het bepalen van de opvang- en doorstroomcapaciteit bij nieuwbouw uitgebreid met twee nieuwe onderdelen, l en m. Onderdeel l geeft een nader voorschrift voor de toepassing van artikel 6.25, derde lid van het besluit. Het gaat daarbij om het aantal personen dat per minuut mag zijn aangewezen op een tegen de vluchtrichting indraaiende deur. Dat betreft 37 personen per deur ongeacht de afmetingen van de deur. Onderdeel m bepaalt dat wanneer in de ruimte voor een tegen de vluchtrichting indraaiende deur meer dan 37 personen tegelijkertijd aanwezig (kunnen) zijn, er op deze deur nooit meer dan 37 personen tegelijk mogen zijn aangewezen. Op ieder moment staan er, rekening houdend met de doorstroming, dus maximaal 37 mensen voor de deur.

Het vijfde lid geeft in aanvulling op het vierde lid uitgangspunten die specifiek bij de bepaling van de tijden uit het tweede en derde lid moeten worden gehanteerd. In tegenstelling tot de bepaling van de ontvluchtingstijd als bedoeld in het eerste lid, wordt er hier wel van uitgegaan dat er een vluchtroute is geblokkeerd door brand. Uitgangspunt is dat in een bouwwerk slechts in één subbrandcompartiment tegelijkertijd brand kan ontstaan. Omdat elk subbrandcompartiment een bedreigd subbrandcompartiment kan zijn, moet de berekening in beginsel worden uitgevoerd voor ieder bedreigd subbrandcompartiment. In de praktijk kan het echter mogelijk zijn het aantal berekeningen te beperken tot de meest kritische subbrandcompartimenten. Uit onderdeel c van dit lid volgt dat door het bedreigde subbrandcompartiment geen vluchtroute mag voeren die niet is begonnen in dit subbrandcompartiment.Het zesde lid geeft bij toepassing van het vierde lid, onder j, voor een bijeenkomstfunctie een aanvullende eis. Bij een bijeenkomstfunctie, vooral bij uitgaansgelegenheden, is de kans namelijk te groot dat personen bij een vertraging in de vluchtstroom (vernauwing) in de verdrukking raken. Dit lid geldt wanneer er meer dan 200 personen tegelijkertijd worden opgevangen in een opvangruimte. Dan moet er per twee personen ten minste 1 m2 vloeroppervlakte beschikbaar zijn indien die ruimte niet door alle personen binnen 3,5 minuten, bepaald volgens het eerste tot en met vijfde lid, kan worden verlaten. Het optreden van verdrukking bij de ontvluchting kan verder worden voorkomen door een goede BHV-organisatie.

Artikel 2.2 Installaties

Het opschrift van paragraf 2.2 is bij Stcrt. 2014, 4057 van “Ontruimingsinstallatie en geluidssignaal” gewijzigd in ‘installaties’, daarmee is het mogelijk in deze paragraaf ook voorschriften op te nemen met betrekking tot andere installaties dan de ontruimingsinstallatie en het geluidssignaal.

Volgens artikel 6.20 van het besluit zijn logiesfuncties gelegen in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking verplicht (zie de definitie in artikel 1.1 van het besluit) om een brandmeldinstallatie met rechtstreekse doormelding naar de regionale alarmcentrale van de veiligheidsregio te hebben. Bij de in dit artikel genoemde logiesfuncties geldt dat bij detectie van brand het ontruimingsignaal direct in het gehele gebouw in werking moet worden gesteld. Een stil alarm of een vertraging in het alarm wordt dus niet toegestaan. Voor logiesfuncties met 24-uurs bewaking gelden andere voorschriften (zie de betreffende definitie in artikel 1.1 van het besluit).

Het nieuwe artikel 2.3 [Stcrt. 2014, 4058] bepaalt dat bij nieuwbouw portiekwoningen de deuren van de afzonderlijke woningen zelfsluitend te zijn. De bedoeling van dit nieuwe voorschrift is het voorkomen van rook in een portiek. Als een portiek vol met rook staat kunnen de bewoners namelijk niet meer vluchten door dit portiek, terwijl er ook geen andere vluchtroute is. Uit het rapport ‘Onderzoek rookbeheersing portiekoplossing’ van Adviesburo Nieman B.V. (30 september 2011) blijkt dat het toepassen van een zelfsluitende deur de meest aangewezen oplossing is voor het voorkomen van rook in het portiek.

>

Paragraaf 2.3Veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied [Stcrt. 2014, 4057]

De nieuwe paragraaf 2.3, veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied, bevat voorschriften ter uitwerking van de gelijknamige afdeling 2.16 van het besluit. Veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden zijn ruimtelijke zones langs en boven bepaalde, door de Minister van Infrastructuur en Milieu krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen aangewezen wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren die van belang worden geacht voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dergelijke transportroutes worden basisnetroutes genoemd. Het gaat hierbij om routes waarover brandbare en/of giftige vloeistoffen of gassen worden vervoerd. Het Besluit externe veiligheid transportroutes stelt beperkingen aan het in planologische zin toelaten van nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen deze zones en gebieden. Indien op grond van dat besluit bebouwingsmogelijkheden toelaatbaar zijn voor deze objecten, dienen deze te bouwen bouwwerken aan een aantal extra bouweisen te voldoen. Daarin voorziet deze paragraaf. Bij het bouwen van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten in plasbrandaandachtsgebieden moet in het bijzonder rekening gehouden worden met de effecten van een plasbrand die veroorzaakt kan worden door lekkage van een brandbare vloeistof. In zowel veiligheidszones als plasbrandaandachtsgebieden moet rekening gehouden worden met aanvullende maatregelen voor bouwwerken om veiligheidsrisico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De technische eisen die gesteld worden aan aldaar te bouwen bouwwerken houden rekening met verschillende scenario’s die zich kunnen voordoen bij incidenten op basisnetroutes met bepaalde gevaarlijke stoffen. Die eisen geven de personen in een bouwwerk voldoende tijd om het bouwwerk veilig te ontvluchten en bieden de brandweer en hulpverleningsdiensten voldoende tijd om adequaat op te treden. De eisen gelden dan ook voor alle bouwwerken waar mensen gedurende een zekere tijd verblijven. De hier bedoelde gebouwen zijn kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen), ziekenhuizen, scholen en grotere hotels en kantoren. Bij beperkte kwetsbare objecten kan men denken aan verspreid liggende woningen en bedrijfswoningen, bedrijfsgebouwen en kleinere hotels en kantoren. De in de artikelen 2.5 tot en met 2.9 opgenomen voorschriften gelden uitsluitend voor dat gedeelte van een te bouwen bouwwerk dat binnen een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied ligt. De eis van mechanische ventilatie (artikel 2.10) geldt daarentegen voor het gehele gebouw, ook als dat gebouw slechts gedeeltelijk binnen een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied ligt. Met deze voorschriften wordt uitvoering gegeven aan de motie Van Heugten/Roefs (Kamerstukken II 2008/2009, 30 373, nr. 35).

>

Artikel 2.4

Dit artikel geeft aan in welke gevallen te bouwen bouwwerken moeten voldoen aan de in de artikel 2.5 en volgende opgenomen eisen.

Eerste en derde lid Het eerste en derde lid hebben betrekking op te bouwen bouwwerken die tevens beperkt kwetsbare objecten zijn in veiligheidszones op en langs wegen en spoorwegen die onderdeel zijn van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes zijn nieuwe kwetsbare objecten niet toegelaten binnen deze veiligheidszones. Onder omstandigheden kunnen bij ruimtelijke besluitvorming binnen die zones wel nieuwe beperkt kwetsbare objecten worden toegelaten. Voor de bescherming van de daarin aanwezige mensen moet het bouwwerk aan een aantal extra eisen voldoen. Deze eisen zijn neergelegd in de artikelen 2.5 tot en met 2.10. Deze eisen gelden ook voor beperkt kwetsbare objecten die over een weg of spoorweg heen worden gebouwd. Dit is geregeld in het derde lid.

Tweede lid Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes mogen onder omstandigheden zowel kwetsbare als beperkt kwetsbare objecten worden toegelaten binnen een plasbrandaandachtsgebied. In verband met de effecten van een mogelijke plasbrand bij een incident met brandbare vloeistoffen op de desbetreffende weg of spoorweg, moet bij de bouw van nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wel worden voldaan aan de in de artikelen 2.5 tot en met 2.9 opgenomen eisen.

Vierde lid Anders dan bij een basisnetroute die een weg of spoorweg is, kunnen onder omstandigheden op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes bij een basisnetroute die een binnenwater is naast beperkt kwetsbare ook kwetsbare objecten binnen de veiligheidszone worden toegestaan. Voor die gevallen volgt uit het vierde lid dat ter bescherming tegen de effecten van een mogelijke plasbrand aan de in de artikelen 2.5 tot en met 2.9 opgenomen eisen moet worden voldaan.

Vijfde lid Het vijfde lid bevat een uitzondering op het eerste tot en met vierde lid. Op grond daarvan hoeven de in die leden bedoelde bouwwerken niet aan de in de artikelen 2.5 tot en met 2.10 opgenomen eisen te voldoen indien en voor zover het bouwwerk een object betreft met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, zoals bijvoorbeeld een telefoon- of elektriciteitscentrale. In dergelijke objecten verblijven geen mensen, terwijl de in de artikelen 2.5 tot en met 2.10 opgenomen eisen uitsluitend ten doel hebben mensen die in bouwwerken verblijven te beschermen tegen de gevolgen van een calamiteit op een basisnetroute waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn.

Artikel 2.5

Op grond van dit artikel moet een bouwwerk een zodanige kwaliteit hebben dat in het geval van een plasbrand of een ander ernstig incident met gevaarlijke stoffen voldoende tijd is om het bouwwerk veilig te verlaten en de brandweer voldoende gelegenheid heeft om te voorkomen dat de brand overslaat naar de belendingen. In het eerste lid is geregeld dat de brandwerendheid van een uitwendige scheidingsconstructie van het gedeelte van een te bouwen bouwwerk dat gelegen is in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied ten minste 60 minuten moet zijn. De relevante beoordelingscriteria voor de brandwerendheid volgen uit de aangewezen NEN 6069. Afhankelijk van het bouwdeel in de uitwendige scheidingsconstructie en afhankelijk van de te beschermen ruimte, kan het hierbij gaan om vlamdichtheid (E), temperatuur (I), warmtestraling (W) en/of bezwijken (R). Hoewel NEN 6069 niet specifiek bedoeld is voor de bepaling van de brandwerendheid van een uitwendige scheidingsconstructie van buiten naar binnen, kan deze NEN 6069 toch worden gebruikt ervan uitgaande dat de buitenruimte wordt beschouwd als brandcompartiment. Uit praktische overweging is verder uitgegaan van de standaardbrandkromme voor een buitenbrand die volgt uit NEN-EN 13501-2. De specifiek bij een plasbrand of ernstig incident optredende brandbelasting kan dus buiten beschouwing blijven. Deze aanpak maakt het mogelijk dat niet bij ieder bouwwerk een maatwerkbepaling nodig is en dat gebruik kan worden gemaakt van de bestaande brandklasse gegevens van constructieonderdelen van uitwendige scheidingsconstructies.

Dit betekent niet dat een beoordeling op basis van de feitelijk optredende brandbelasting onmogelijk is. Dit kan op basis van gelijkwaardigheid (zie artikel 1.3 van het Besluit). Dit is zinvol als kan worden aangetoond dat de feitelijke brandbelasting geringer is.

Artikel 2.6

Het eerste lid eist brandklasse A2 voor de constructieonderdelen die in de buitengevel worden toegepast. Hierdoor wordt gerealiseerd dat een eventuele brand zich niet zo snel kan voortplanten dat de ontvluchting van personen of een adequaat repressief optreden door de brandweer wordt belemmerd. Het gaat hierbij alleen om de constructieonderdelen die in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied zijn gelegen. De reikwijdte van het voorschrift kan worden bepaald aan de hand van de projectie op het grondvlak. In het tweede tot en met vierde lid zijn uitzonderingen op het basisprincipe van het eerste lid opgenomen.

Artikel 2.7

Met het voorschrift van het eerste lid dat bovenop een dakconstructie een constructieonderdeel moet worden toegepast dat aan de buitenzijde aan brandklasse A2 voldoet, wordt bewerkstelligd dat een eventuele brand zich op een dak niet zo snel kan voortplanten dat hierdoor de ontvluchting van personen of een adequaat repressief optreden door de brandweer wordt belemmerd. De eis in dit artikel is niet aan het dak zelf gesteld omdat de Europese klasseringsnorm voor daken EN 13501-5 alleen een brandklasse E kent en geen klasse A2. Het gaat in dit voorschrift alleen om dat deel van het dak dat in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied ligt. Op grond van de tweede lid behoeft 5% van de oppervlakte van de dakconstructie niet aan het voorschrift van het eerste lid te voldoen.

Artikel 2.8

Bij een incident met gevaarlijke stoffen dient voorkomen te worden dat personen gebruik moeten maken van vluchtroutes, zoals bedoeld in afdeling 2.12 van het Besluit, die uitkomen op het buitenterrein waar het incident zich voordoet. Het eerste lid stelt dat er geen uitgang waardoor een vluchtroute voert, gelegen mag zijn in een buitenzijde van een bouwwerk, die zich bevindt in de veiligheidszone of het plasbrandaandachtsgebied. Indien het bouwwerk zich in z’n geheel bevindt in de veiligheidszone of het plasbrandaandachtsgebied stelt het tweede lid dat zo’n uitgang in dat geval aan die zijde moet zijn gelegen die van de infrastructuur is afgekeerd. Het eerste en tweede lid betekenen niet dat er helemaal geen deuren aanwezig mogen zijn in de betreffende zijden van een bouwwerk. Zolang door deze deuren geen noodzakelijke vluchtroute voert als bedoeld in afdeling 2.12 van het Bouwbesluit 2012, zijn deze deuren wel toegestaan. Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat op de begane grond van een woning een tuindeur aanwezig mag zijn in de naar de infrastructuur toegekeerde zijde.

Artikel 2.9

Het eerste lid bepaalt dat de eisen die het Bouwbesluit 2012 in afdeling 2.2 stelt aan de sterkte bij brand ook gelden bij een buitenbrand.

Evenals bij artikel 2.5 is hier er uit praktisch oogpunt voor gekozen om uit te gaan van de standaardbrand-kromme voor een buitenbrand. Verder wordt er hierbij van uitgegaan dat de buitenruimte een subbrandcompartiment of brandcompartiment is. De tijdsduur waarbinnen een bouwconstructie niet mag bezwijken door brand zijn daarbij overeenkomstig afdeling 2.2 gerelateerd aan de gebouwhoogte. Het tweede lid geldt alleen voor bouwconstructies die geheel of gedeeltelijk over een plasbrandaandachtsgebied, veiligheidszone of basisnetroute heen worden gebouwd. Hierbij worden deze bouwconstructies van onderaf blootgesteld aan brand. Bij deze bouwconstructies is de tijdsduur waarbinnen de bouwconstructie niet mag bezwijken 90 minuten zodat gedurende deze langere tijd inzet door de hulpdiensten mogelijk is. In tegenstelling tot het eerste lid moet hierbij wel worden uitgegaan van de reële brandscenario’s. Deze scenario's zullen per transportroute en bouwconstructie verschillen, en zijn ter goedkeuring van het bevoegd gezag.

Artikel 2.10

Met een handmatig bedienbare voorziening kan het aanwezige mechanische ventilatiesysteem tijdelijk worden uitgeschakeld in het geval van een calamiteit waarbij giftige gassen zijn vrijgekomen. Bij aanwezigheid van een ruimte met een opstelplaats voor een elektriciteitsmeter heeft het de voorkeur de voorziening daar aan te brengen.

Bij Stcrt. 2017, 73470 is een nieuwe paragraaf “2.4 Drijvende bouwwerken, met vijf artikelen toegevoegd als verdere invulling van de regels die in het Bouwbesluit 2012 gelden voor de drijvende bouwwerken. Gezien de inhoud van paragraaf 2.4 is het opschrift van hoofdstuk 2 zo aangepast dat het niet meer alleen om brandveiligheid gaat, maar om veiligheid in het algemeen. De artikelen 2.11 tot en met 2.15 zijn hieronder toegelicht.

Artikel 2.11

In het eerste lid is de functionele eis gesteld dat een te bouwen drijvend bouwwerk en een tijdelijk drijvend bouwwerk voldoende stabiliteit, drijfvermogen en sterkte hebben. Deze eis is gebaseerd op artikel 2.5c van het Bouwbesluit 2012. Op grond van artikel 1.12 van het Bouwbesluit 2012 geldt deze eis ook voor verbouw. Hiermee geldt de functionele eis dus zowel voor nieuwbouw, tijdelijke bouw als verbouw. De eis is aanvullend op de eisen voor constructieve veiligheid in de artikelen 2.2 tot en met 2.5a van het besluit. Het tweede lid stelt dat aan deze eis wordt voldaan door de overige voorschriften van paragraaf 2.3 op te volgen. Dit geldt alleen voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1 of CC2 zoals bedoeld in NEN-EN 1990 zonder vloer van een verblijfsgebied hoger dan 6 meter boven de waterlijn en dat niet is gelegen in:

a.een rivier, kanaal, meer of ander water dat bestemd is voor motorvrachtschepen;
b.een water dat onderhevig is aan getijdenwisseling.

Voor drijvende bouwwerken die niet aan voormelde vereisten voldoen, moet per aanvraag aan het bevoegd gezag aannemelijk worden gemaakt dat het drijvend bouwwerk voldoende stabiliteit, drijfvermogen en sterkte heeft en daarmee voldoet aan de functionele eis in het eerste lid. Bij het bepalen of deze drijvende bouwwerken voldoen aan de functionele eis van het eerste lid kan gebruik worden gemaakt van het rapport van Hageman “Constructieve veiligheid drijvende bouwwerken” van 5 september 2017 (www.rijksoverheid.nl). In dit rapport is beschreven hoe rekening kan worden gehouden met golven door beroepsvaart en getijdenstroming.

Artikel 2.12

In dit artikel staan de voorschriften met betrekking tot stabiliteit en drijfvermogen. Stabiliteit houdt in dat een drijvend bouwwerk niet mag kantelen. Met drijfvermogen wordt bedoeld dat een drijvend bouwwerk geen water mag maken. Het eerste lid geeft aan wat de afstand is tussen het metacentrum en het zwaartepunt van een drijvend bouwwerk, waarbij het metacentrum zich boven het zwaartepunt bevindt. Het metacentrum is een algemeen begrip in de scheepsmechanica. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar genoemd rapport van Hageman. Als het metacentrum zich onder het zwaartepunt bevindt, is een drijvend bouwwerk niet stabiel en zal het omslaan. In het tweede lid staat hoe groot de veiligheidsafstand ten minste moet zijn. In onderdeel A is hiervoor het begrip veiligheidsafstand geïntroduceerd. De veiligheidsafstand is de aanwezige loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en het laagste punt van de ingedompelde zijde waarboven het drijvend bouwwerk niet meer waterdicht is, bepaald volgens NEN 2778. NEN 2778 is de bestaande norm in het Bouwbesluit 2012 voor waterdichtheid. De minimale veiligheidsafstand hangt af van de gevolgklasse van het drijvend bouwwerk. In het derde lid is aangegeven hoe de benodigde veiligheidsafstand moet worden vergroot in het geval het drijvend bouwwerk is gelegen in een water waarin grote golven zijn die door wind kunnen ontstaan. Als de significante golfhoogte vermenigvuldigd met 1,125 groter is dan 300mm, dan wordt de veiligheidsafstand verhoogd met het verschil tussen de significante golfhoogte vermenigvuldigd met 1,125 en 300mm. De significante golfhoogte wordt bepaald volgens tabel 2.12.1 (voor windgebied I) of tabel 2.12.2 (voor windgebieden II en III). Naast deze veiligheidsafstand geldt ook dat een drijvend bouwwerk niet te veel scheef mag komen te liggen. Het vierde lid regelt daarom dat de scheefstand van het horizontale vlak van het drijflichaam, behorend bij de in het tweede lid bedoelde veiligheidsafstand, niet groter mag zijn dan 5 graden.

Artikel 2.13

In dit artikel staan de bepalingsmethoden voor de voorschriften uit artikel 2.12 met betrekking tot stabiliteit en drijfvermogen. In het eerste lid is de bepalingsmethode gegeven waarmee de grenswaarde van artikel 2.12, eerste lid, (de afstand tussen het metacentrum en het zwaartepunt van een drijvend bouwwerk) bepaald wordt. Onder a is aangegeven dat uitgegaan moet worden van de meest ongunstige belastingcombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990. Onder b staan veranderlijke belastingen (in NEN-EN 1991) die daarbij voor drijvende bouwwerken als blijvende belastingen worden meegenomen, omdat deze belastingen bij drijvende bouwwerken veelal een permanent karakter hebben. Onder c is aangegeven dat bij de belastingcombinatie moeten worden uitgegaan van de opgelegde belastingen volgens NEN-EN 1991 en worden afwijkingen hierop gegeven. Zo hoeft men geen rekening te houden met een ongunstige plaatsing van de opgelegde belasting. Voor de bepaling van het zwaartepunt is namelijk alleen de rechtstandige zakking van het drijvend bouwwerk van belang. Verder hoeft men slechts op één vloer de extreme waarde aan te houden, terwijl de norm uitgaat van twee vloeren. Het tweede lid geeft de bepalingsmethode waarmee de veiligheidsafstand bedoeld in artikel 2.12, tweede en derde lid, bepaald wordt. Onder a is aangegeven dat uitgegaan moet worden van de meest ongunstige belastingcombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990. Onder b staan veranderlijke belastingen (in NEN-EN 1991) die daarbij voor drijvende bouwwerken als blijvende belastingen worden meegenomen, omdat deze bij belastingen bij drijvende bouwwerken veelal een permanent karakter hebben. Onder c is aangegeven dat bij de belastingcombinatie moeten worden uitgegaan van de veranderlijke belastingen volgens NEN-EN 1991 en worden afwijkingen hierop gegeven. Zo hoeft men slechts op één vloer de extreme waarde van de opgelegde belasting aan te houden, terwijl de norm uitgaat van twee vloeren. Wel wordt gerekend met een ongunstige plaatsing van deze extreme waarde van de opgelegde belasting op een vloer zodanig dat het kantelende moment het grootst is. Bij deze belasting hoeft men geen rekening te houden met overige veranderlijke belastingen zoals wind. Indien de opgelegde belastingen niet overheersend zijn, hoeft men geen rekening te houden met een ongunstige plaats van deze belastingen. Wel zal men dan alle andere veranderlijke belastingen die NEN-EN 1991 kent, in rekening moeten brengen. Het meest bepalende hierbij is dan de windbelasting. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het hierboven genoemde rapport van Hageman. Verder is geregeld dat de belasting door golven alleen mee hoeft te worden genomen als deze hoger zijn dan 0,5 m. Tot slot geeft het derde lid aan wanneer de bepalingsmethoden uit het eerste en tweede lid van dit artikel toegepast mogen worden. Onderdeel a stelt dat de scheefstand bij oplevering van een drijvend bouwwerk niet groter mag zijn dan 0,5 graden. Dit betekent dat een drijvend bouwwerk nagenoeg horizontaal waterpas moet liggen. Dit gebeurt in de praktijk door het aanbrengen van trimgewichten in het drijflichaam, het zogenaamde trimmen. Bij het gebruik van het drijvend bouwwerk zal deze situatie in stand moeten worden gehouden. Dit valt onder de zorgplicht uit artikel 1a van de Woningwet en wordt niet expliciet geregeld in de Regeling Bouwbesluit 2012. In onderdeel b is geregeld dat een drijvend bouwwerk met een drijflichaam met een holle ruimte een waterniveau-alarm moet hebben. Dat geeft een alarmsignaal af als er water op de bodem van het drijflichaam komt. Voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 met een drijflichaam met een holle ruimte geldt verder dat het drijflichaam ten minste moet bestaan uit twee gescheiden compartimenten en een automatische pomp moet hebben in ieder compartiment. Al deze voorzieningen zijn erop gericht dat de kans op het volstromen en zinken van een drijvend bouwwerk beperkt blijft. Aan het alarm en de waterpomp worden geen specifieke producteisen gesteld in de regeling. Het is aan de aanvrager van een vergunning om te bepalen welk alarm of welke pomp hij toepast. Het bevoegd gezag kan vervolgens beoordelen of deze keuze voldoende tegemoet komt aan hetgeen is beoogd (alarmeren van gebruikers van het drijvend bouwwerk respectievelijk het afvoeren van binnenkomend water). Het alarm en de pomp moeten uiteraard in het gebruik ook goed functioneren. Het gebruik valt onder de zorgplicht van artikel 1a van de Woningwet en is daarom niet expliciet geregeld.

Artikel 2.14

Dit artikel regelt de belastingen waarvan uitgegaan moet worden bij de bepaling van het niet bezwijken van een drijflichaam van een drijvend bouwwerk. De bepalingsmethode zelf volgt al uit het Bouwbesluit 2012. In onderdeel a is geregeld dat de belastingen die op een drijvend bouwwerk worden uitgeoefend als gevolg van de belastingscombinaties uit artikel 2.13 ook daadwerkelijk door het drijvend bouwwerk moet kunnen worden opgenomen zonder dat deze bezwijkt. In onderdeel b is verder geregeld dat bij de bepaling van het niet bezwijken van het drijflichaam uitgegaan moet worden van de fundamentele belastingscombinaties als bedoeld in artikel 2.2 van het besluit waarin de belasting door ijs en golven zijn meegenomen als veranderlijke belasting. Wat betreft de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997 geldt op basis van deze norm dat ijsbelastingen niet behoeven te worden meegenomen als er maatregelen zijn getroffen waardoor ijsbelastingen niet kunnen optreden. Voor een nadere toelichting daarop wordt verwezen naar het rapport van Hageman. De belasting door golven hoeft alleen mee te worden genomen als deze hoger zijn dan 0,5 m. In onderdeel c is geregeld dat een drijvend bouwwerk niet mag zinken door een calamiteit. Uit artikel 2.3 van het Bouwbesluit 2012 volgt dat hierbij alleen de bekende buitengewone belastingen hoeven te worden beschouwd. Voor een drijvend bouwwerk is dit met name de aanvaarbelasting. Omdat het toepassingsgebied (zie hiervoor artikel 2.11, tweede lid) beperkt is tot wateren zonder motorvrachtschepen behoeft hierbij alleen rekening te worden gehouden met toeristische scheepvaart. In NEN-EN 1991-1-7 worden hiervoor stootbelastingen gegeven. Drijvende bouwwerken in gevolgklasse CC1 met minder dan twee bouwlagen zijn hiervan uitgezonderd. Deze uitzondering is opgenomen omdat ook het gestelde in artikel 2.3 van het Bouwbesluit 2012 niet uitsluit dat eenvoudige tweelaagse bouwwerken door een calamiteit kunnen bezwijken. Als er maatregelen worden genomen om aanvaringen te voorkomen zoals het aanbrengen van beschermingsconstructies rondom het drijvend bouwwerk, behoeft geen rekening te worden met een aanvaring. Dit geldt ook als het drijvend bouwwerk is gelegen in (een gedeelte van) een water waarin helemaal geen scheepvaart plaatsvindt.

Artikel 2.15

Dit artikel regelt de belastingen waarvan moet worden uitgegaan bij de bepaling van het niet bezwijken van een aanmeerconstructie van een drijvend bouwwerk. De bepalingsmethode zelf volgt uit het Bouwbesluit 2012. Met onderdeel a is geregeld dat de belastingen, die op een aanmeerconstructie worden uitgeoefend als gevolg van de belastingscombinaties uit artikel 2.13, ook daadwerkelijk door de aanmeerconstructie moet kunnen worden hoe opgenomen zonder dat deze bezwijkt. In onderdeel b is geregeld dat bij de bepaling van het niet bezwijken van de aanmeerconstructie ook moet worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties als bedoeld in artikel 2.2 van het Bouwbesluit 2012 waarin de belasting door ijs is meegenomen als veranderlijke belasting. Wat betreft de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997 geldt op basis van deze norm dat ijsbelastingen niet hoeven te worden beschouwd als er maatregelen zijn getroffen waardoor ijsbelastingen niet zullen optreden.

Hoofdstuk 3Gezondheid, energiezuinigheid en milieu (Stcrt. 2013, 16919 en Stcrt 2015. 17338)

De titel van hoofdstuk 3 middels Stcrt. 16919 is van ″duurzaam bouwen″ gewijzigd in ″energiezuinigheid en milieu″. Deze nieuwe titel is breder en dekt ook voorschriften met betrekking tot ingrijpende renovatie en systeemrendement.

In het opschrift van hoofdstuk 3 is middels Stcrt. 2015, 17338 nu “gezondheid” toegevoegd. Deze aanvulling is nodig omdat in dit hoofdstuk een nieuw artikel 3.5 is toegevoegd over de eisen die uit het oogpunt van gezondheid aan kooldioxidemeters worden gesteld.

Artikel 3.1

Bij Stcrt. 2017, 73470 is artikel 3.1 in zijn geheel vervangen door een nieuw artikel. In artikel 5.9 van het Bouwbesluit 2012 geldt met ingang van 1 januari 2018 een grenswaarde van 1.0 voor de milieuprestatie (Stb. 2017, 494). In het kader hiervan is de bepalingsmethode aangepast met een wijzigingsblad. In dit wijzigingsblad staat aangegeven welke constructies en installaties in beschouwing moeten worden genomen bij de bepaling van de grenswaarde. Het wijzigingsblad is verwerkt in de doorlopende tekst van de bepalingsmethode. Zowel het wijzigingsblad als de doorlopende tekst zijn te vinden op de website van de Nationale Milieudatabase (https://www.milieudatabase.nl/index.php?q=bepalingsmethode). Artikel 3.1 is hierop aangepast, zodat verwezen wordt naar de nieuwe bepalingsmethode voor de milieuprestatie. Daarnaast is een nieuw tweede lid van artikel 3.1 opgenomen op grond waarvan de uitkomst van de milieuprestatieberekening mag worden verlaagd met 0.4 wanneer er bij de berekening gebruik is gemaakt van de Nationale Milieudatabase (NMD) release 2.0 of hoger. Er wordt vanuit gegaan dat bij de milieuprestatieberekening gebruik is gemaakt van de meest recente release (uitgave) van de NMD. Gebleken is dat een berekening met de NMD release 2.0 tot hogere waarden kan leiden ten opzichte van een berekening met de vorige release (release 1.8). Met de bijstelling van 0.4 wordt zeker gesteld dat de milieuprestatiegrenswaarde van 1.0 in het Bouwbesluit 2012 eenvoudig haalbaar is. Wanneer bijvoorbeeld een milieuprestatie van 1.3 is berekend met gebruik van de NMD release 2.0, dan mag daar dus 0.4 van worden afgetrokken. Dit resulteert dan in een milieuprestatie van 0.9, waarmee wordt voldaan aan de milieuprestatiegrenswaarde van het Bouwbesluit 2012. Deze bijstelling is overigens bedoeld als een tijdelijke maatregel. De Stichting Bouwkwaliteit zal nog verder onderzoek (laten) uitvoeren naar de consequenties van de NMD release 2.0 teneinde de aftrekwaarde meer specifiek te onderbouwen. In overleg met het Overlegplatform bouwregelgeving zal vervolgens worden besloten of de bijstelling van 0.4 moet worden aangepast of kan komen te vervallen. Het onderzoek wordt medio 2018 verwacht.

Artikel 3.2

Met artikel 3.2, ingevoegd via Stcrt. 2013, 16919, is een uitwerking gegeven aan artikel 5.6, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012. In artikel 3.2 is bepaald dat van ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 2 van de herziene richtlijn energie prestatie gebouwen sprake is wanneer meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil wordt vernieuwd, veranderd of vergroot én deze vernieuwing, verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft. Hiermee wordt bedoeld dat de uitwendige scheidingsconstructie volledig, dat wil zeggen met inbegrip van alle constructieonderdelen (binnenblad, spouwvulling, buitenblad) wordt gerenoveerd. Het voorschrift geldt alleen voor het deel van de gebouwschil dat wordt gerenoveerd en niet voor de gehele gebouwschil van het gebouw. Met deze keuze voor de oppervlakte van de gebouwschil als criterium voor de beoordeling van de vraag of sprake is van ingrijpende renovatie is uitvoering gegeven aan de keuzemogelijkheid zoals deze in artikel 2 onderdeel 10 van de herziene richtlijn is gegeven. De berekening of er sprake is van 25% van de gebouwschil wordt uitgevoerd aan de hand van ISSO publicatie nr. 75.1, uitgave oktober 2011. De berekeningswijze in deze publicatie heeft weliswaar betrekking op utiliteitsgebouwen, maar is ook te gebruiken bij woningen. Bij de berekening van het percentage van de gebouwschil wordt niet gekeken naar de gebruiksfunctie, maar wordt uitgegaan van het gebouw. De gebouwschil kan bestaan uit gevels (inclusief ramen en deuren), daken en vloeren. Zie hiervoor paragraaf 6.6 in genoemde ISSO publicatie. De oppervlakte van de gevel wordt bepaald aan de hand van paragraaf 6.6.2.1 van de genoemde publicatie, waarin is aangegeven hoe de horizontale afmeting en de verticale afmeting van de gesloten gevel moet worden bepaald. De oppervlakte van ramen en deuren wordt niet van de totale oppervlakte afgetrokken. De oppervlakte van het dak wordt bepaald conform paragraaf 6.6.2.3. Dit dakvlak wordt binnenwerks gemeten tussen de beide aansluitingen met de gevel (bij een plat dak) of tussen de aansluiting met de gevel en de nok (bij een hellend dak).De oppervlakte van de vloer wordt bepaald conform paragraaf 6.6.2.4. Deze oppervlakte wordt binnenwerks gemeten tussen de opgaande wanden.

Er wordt op gewezen dat deze ISSO publicatie is te raadplegen via www.isso.nl.

Als op basis van het eerste deel van het voorschrift is bepaald dat er sprake is van een ingreep die betrekking heeft op meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil, moet daarna worden nagegaan of deze ingreep de integrale gebouwschil betreft. Alleen voor zover daar sprake van is, geldt op grond van het derde lid van artikel 5.6 voor de ingreep in kwestie het nieuwbouwniveau. Van een renovatie van de integrale gebouwschil is bijvoorbeeld sprake wanneer een dak of gevel volledig wordt opengelegd en vernieuwd, waardoor de mogelijkheid bestaat om tegelijkertijd de isolatie aan te brengen die voldoet aan de nieuwbouweis. Bij aanpassingen die geen betrekking hebben op de integrale bouwschil is, ook als het gaat om renovatie van meer dan 25% van de gebouwschil, geen sprake van ingrijpende renovatie. Voorbeelden van dergelijke niet ingrijpende renovaties zijn bijvoorbeeld: na-isolatie van een spouwmuur, na-isolatie van enkelsteens buitenmuren aan binnen- of buitenkant, na-isolatie onder dakpannen of tegen het dakbeschot. Bij aanpassingen waarbij geen werkzaamheden aan de integrale gebouwschil worden verricht, kan op grond van het eerste lid van artikel 5.6 met het rechtens verkregen niveau worden volstaan.

De verwijzing in artikel 3.2 naar ISSO 75.1 is bij Stcrt. 2014, 34076 geactualiseerd. Voortaan (vanaf 1 januari 2015) kan bij de berekening van de oppervlakte van de gebouwschil gebruik worden gemaakt van de versie van juli 2014.

Met de wijziging in Stcrt. 2016, 33491 van het derde lid in het vierde lid is de verwijzing in artikel 3.2 weer in overeenstemming met de nummering van artikel 5.6 in het Bouwbesluit 2012. Met ingang van 24 november 2015 is namelijk een extra lid ingevoegd in artikel 5.6 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2015, 425).

Artikel 3.3

Het in artikel 6.55 van het besluit bedoelde systeemrendement wordt bepaald op basis van de bijlage bij deze wijzigingsregeling. In deze bijlage III bij de Regeling Bouwbesluit 2012 is voor zover mogelijk aangesloten bij NEN 7120 Energieprestatie van gebouwen – Bepalingsmethode, uitgave 15 april 2011, inclusief correctiebladen C1 en C2: uitgaven 2011. Bijlage III is met name bedoeld om te berekenen of bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een technisch bouwsysteem voldaan is aan de het systeemrendement zoals dat is opgenomen in tabel 6.55 van het Bouwbesluit 2012. De in bijlage III opgenomen methodiek berekent het systeemrendement op een, vergeleken met de in NEN 7120 opgenomen methodiek, relatief eenvoudige wijze. Omdat hierbij met vereenvoudigde aannames is gewerkt, is de methodiek van bijlage III niet geschikt om in specifieke gevallen het daadwerkelijk te realiseren rendement te berekenen. Een handzame rekentool om snel het systeemrendement te kunnen bepalen conform de methode in bijlage III is te vinden op http://kennisbank.isso.nl/docs/tool/rekentool/systeemrendement/softwaretool-systeemrendement.

Bij het vaststellen van de rendementseisen, zoals deze zijn opgenomen in artikel 6.55 van het besluit en zijn uitgewerkt in bijlage III, is uitgegaan van een niveau van eisen, dat in veel gevallen op dit moment in de praktijk al wordt gerealiseerd. Dit betekent ook dat bij een correcte toepassing van een aantal gangbare uitvoeringen het niet nodig is de in bijlage III opgenomen berekeningen uit te voeren, omdat duidelijk is dat het voorgeschreven rendement al gehaald wordt.Het voorgeschreven rendement wordt in ieder geval gehaald bij de volgende toepassingen:

  • Ruimteverwarmingsystemen bestaande uit HR 100 (of beter) ketels, met een hoogtemperatuurafgiftesysteem en geïsoleerde leidingen;
  • Airconditioningsystemen met compressie koelmachines;
  • Warmtapwatersystemen bestaande uit een gasboiler, HR combitap, een indirect gestookte boiler aangesloten op een HR 100 ketel of een decentrale elektrische boiler met tappunten binnen 3 m.

De rendementseisen voor het ventilatiesysteem hebben alleen betrekking op grote systemen met een capaciteit van meer dan 5000 m3 per uur en komen derhalve alleen voor in utiliteitsgebouwen en woongebouwen met een collectief ventilatiesysteem. In een dergelijk geval kan de SFP (Specific Fan Power in W/(dm3/s)) worden bepaald door het nominale vermogen van de elektromotor van de ventilator te delen door de maximale luchtvolumestroom van de ventilator. Deze gegevens zijn in het algemeen terug te vinden op het typeplaatje van de ventilator of de luchtbehandelingkast. Ventilatoren die na 1990 zijn gefabriceerd voldoen in principe aan de rendementseis.

Verder wordt opgemerkt dat de in artikel 6.55 van het besluit opgenomen rendementseisen in principe kosteneffectief zijn. Mocht dit niet het geval zijn, dan is het natuurlijk altijd mogelijk om overeenkomstig artikel 1.3 een beroep op gelijkwaardigheid te doen.

In onderdeel 14.6.4.3 van bijlage III is bij Stcrt. 2015, 45221, een tekstuele onvolkomenheid hersteld.

Artikel 3.4

Met het nieuwe artikel 3.4, ingevoeg bij Stcrt 2014, 34076, is een formule gegeven om de gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) van ramen, deuren en kozijnen als bedoeld in artikel 5.3, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 te berekenen. Deze gemiddelde U-waarde van een bouwwerk wordt als volgt bepaald.

  • Bepaal van ieder raam, deur en kozijn de U-waarde en het geprojecteerde oppervlak volgens NEN 1068;
  • Bepaal daarna het gesommeerd geprojecteerd oppervlak van alle ramen, deuren en kozijnen;
  • Bereken van ieder raam, deur en kozijn het quotiënt van beide bovengenoemde berekeningen en vermenigvuldig deze uitkomst met de U-waarde. Dit is de gewogen U-waarde;
  • De op basis van bovenstaande gesommeerde gewogen U-waarde is het in het zesde lid bedoelde getal;
  • Dit getal mag dus niet hoger zijn dan 1,65 W/m2.K om aan de in het Bouwbesluit 2012 gestelde eis te voldoen.

Artikel 3.5

(Stcrt. 2015, 17338) In artikel 7.23 van het Bouwbesluit is bepaald dat de verblijfsruimten van de onderwijsfunctie voor het basisonderwijs een kooldioxidemeter moeten hebben en dat daaraan bij ministeriële regeling eisen kunnen worden gesteld. Artikel 3.5 bevat deze eisen. In onderdeel e wordt gesproken over de drie signaalniveaus met een eigen kleurcode. Op grond van een advies van Rijksbouwmeester over scholenbouw, getiteld “Gezond en goed. Scholenbouw in topconditie” uit 2009 is de vereiste capaciteit van de voorziening voor de luchtverversing in een onderwijsfunctie aangescherpt. Op basis van de ISSO-publicatie nr. 89 – 2008 Binnenklimaat scholen, komt dit overeen met een CO2-concentratie van ten hoogste 1000 ppm. In een recent advies van de Gezondheidsraad over de binnenluchtkwaliteit in basisscholen (Binnenluchtkwaliteit in basisscholen, 2010, publicatienr. 2010/06) is de raad van mening dat er in verreweg de meeste onderzoeken geen aanwijzingen zijn dat gezondheidsklachten ontstaan bij gemiddelde CO2-concentraties onder 1200 ppm. De indeling in drie signaalniveaus met drie signaalkleuren is aan deze twee waarden gerelateerd. Gebruikelijk is het signaalniveau van de laagste concentratie groen te maken, de middelste oranje en de hoogste rood.

Artikel 3.6(Stcrt. 2017, 73470)

In artikel 5.2, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 is opgenomen dat per 1 januari 2019 nieuwe gebouwen waarvan de overheid eigenaar is en waarin overheidsinstanties zijn gevestigd bijna energieneutraal moeten zijn. Deze bepaling is ter omzetting van artikel 9, eerste lid, van de herziene EPBD. Tevens is ter omzetting van artikel 9, eerste lid, van de herziene EPBD in artikel 5.2, zevende lid, van het Bouwbesluit 2012 opgenomen dat alle overige gebouwen bijna energieneutraal moeten zijn met ingang van 31 december 2020. In het achtste lid van artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat bij ministeriële regeling voorschriften kunnen worden gegeven over (onder andere) deze beide leden. Met artikel 3.6 dat invulling geeft aan genoemd artikel 5.2, zesde lid, is uitgewerkt aan welke voorwaarden nieuwe overheidsgebouwen moeten voldoen om bijna energieneutraal te zijn. De energieprestatie is hiervoor in drie indicatoren uitgewerkt: de maximale energiebehoefte, het maximale primaire fossiel energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. In de brief aan de Tweede Kamer van 2 juli 2015 (Kamerstukken II 2014/15, 30196, nr. 352) zijn de voorlopige eisen voor de drie waarden opgenomen. Volgens het methodologisch kader van de herziene EPBD moet vervolgens de kostenoptimaliteit (van het primair fossiel energiegebruik) en de kosteneffectiviteit (van de energiebehoefte en het aandeel hernieuwbare energie) worden bepaald. Hiertoe is een kostenoptimaliteitsstudie uitgevoerd, in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Uit de kostenoptimaliteitsstudie is gebleken dat de voorgenomen eisen voor kantoren kostenoptimaal (primair fossiel energiegebruik) en kosteneffectief (energiebehoefte en aandeel hernieuwbare energie) zijn. Dit geldt ook voor de kostenoptimaliteit (primair fossiel energiegebruik) en kosteneffectiviteit (aandeel hernieuwbare energie) van de bijeenkomstgebouwen en de kosteneffectiviteit (aandeel hernieuwbare energie) van de celgebouwen. De voorgenomen eisen voor de energiebehoefte voor de bijeenkomstgebouwen en de celgebouwen en de voorgenomen eis voor primair fossiel energiegebruik voor de celgebouwen bleken te ambitieus, omdat de maatregelenpakketten niet kosteneffectief dan wel kostenoptimaal bleken te zijn. Deze eisen zijn, vergeleken met de voorlopige eisen, aangepast conform de procedures die de Europese Commissie voorschrijft. In de kostenoptimaliteitsstudie is gekeken naar de meest voorkomende soorten overheidsgebouwen: de kantoorgebouwen, bijeenkomstgebouwen en celgebouwen. Uitzonderlijke soorten gebouwen zijn vanwege de beperkte doorlooptijd van deze studie niet meegenomen. Deze gebouwen worden meegenomen bij het kostenoptimaliteitsonderzoek in 2018. Voor nieuwe overheidsgebouwen, anders dan de kantoor-, bijeenkomst- of celgebouwen, blijven in de periode van 1 januari 2019 tot het moment waarop de BENG-eisen voor alle nieuwbouw gaan gelden (1 januari 2020) de huidige EPC-eisen van kracht. Bovenstaande eis voor kantoorgebouwen geldt niet voor zeer kleine kantoorgebouwen met een vloeroppervlakte kleiner dan 100 m2 . Daarvoor blijven voorlopig de huidige EPC-eisen gelden. Het derde lid geeft de bepalingsmethode waarmee de waarden uit het eerste lid bepaald moeten worden. Deze bepalingsmethode is te vinden in de Handreiking BENG van 28 augustus 2017 (www.rijksoverheid.nl). Er wordt op gewezen dat in de Handreiking BENG nieuwe versies van NEN 1068, NEN 7120 en NVN 7125 zijn aangewezen. Bijlage I, waarin is aangegeven welke versie van een bepaalde norm van toepassing is, is overeenkomstig aangepast. Zie de toelichting bij artikel 1.2.

Hoofdstuk 4Scheiden bouw- en sloopafval

Artikel 4.1

De voorschriften van dit artikel zijn gericht op een optimaal hergebruik van materialen uit bouw- en sloopafval. Het eerste lid bepaalt in welke fracties bouw- en sloopafval moet worden gescheiden.Het tweede lid stelt een verbod op het scheiden of mengen van de in het eerste lid, onder a, genoemde gevaarlijke stoffen. Zie daartoe ook de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke stoffen. Dit betekent dat een gemeente hiervoor ook geen ontheffing mag verlenen.Het derde lid bepaalt dat de in het eerste lid genoemde fracties op het bouw- of sloopterrein zelf gescheiden moeten worden en daarna gescheiden van elkaar moeten worden afgevoerd.Het vierde lid bepaalt ten slotte dat scheiden in een fractie niet nodig is indien de hoeveelheid afval van zo’n fractie minder is dan 1 m3. Dit geldt niet voor de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid onder a. Dergelijke afvalstoffen dienen altijd gescheiden te worden van het andere afval.Het vijfde lid betreft een uitzondering op de derde lid. Als het redelijkerwijs niet mogelijk is het afval op het bouw- of sloopterrein te scheiden, dan kan dit met goedkeuring van het bevoegd gezag op een andere locatie plaatsvinden. Op die andere locatie moet dan ook aan de scheiding in dezelfde fracties als bedoeld in het eerste lid worden voldaan.

[Stcrt. 2014, 4057] In de Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG) is een afvalhiërarchie opgenomen die lidstaten bij het opstellen van wetgeving en beleidsinitiatieven voor de preventie en het beheer van afvalstoffen als prioriteitsvolgorde moeten hanteren. Volgens deze hiërarchie moeten afvalstoffen zoveel mogelijk worden gerecycled. In het Regeerakkoord ‘Bruggen slaan’ van 29 oktober 2012 is daarover onder meer opgenomen: ‘Het kabinet streeft naar een circulaire economie en wil de (Europese) markt voor duurzame grondstoffen en hergebruik van schaarse materialen stimuleren.’

Aan het eerste lid van artikel 4.1 zijn derhalve de categorieën te scheiden bouw- en sloopafval ‘vlakglas’, ‘armaturen’ en ‘gasontladingslampen’ toegevoegd en is de categorie ‘steenachtig sloopafval’ komen te vervallen. Met deze aanpassing is aangesloten bij het principe dat categorieën bouw- en sloopafval bij de bron moeten worden gescheiden op basis van de volgende uitgangspunten:

  • gevaarlijke afvalstoffen;
  • categorieën bouw- en sloopafval die als zij niet gescheiden blijven een negatief (vervuilend) effect hebben op het recyclingproces van het bouw- en sloopafval waarin het terechtkomt. Een voorbeeld daarvan is gips, dat is naderhand niet meer van het overige steenachtig afval te scheiden en heeft daarom een negatief effect op de herbruikbaarheid van steenachtige materiaal;
  • categorieën bouw- en sloopafval die alleen voor recycling in aanmerking komen als er bronscheiding wordt toegepast omdat nascheiding technisch en/of economisch redelijkerwijs niet haalbaar is.

Alle overige afvalstromen die vrijkomen, zoals steenachtig materiaal, metaal, hout en kunststoffen, moeten ook optimaal kunnen worden hergebruikt. Dergelijke stoffen behoeven, in tegenstelling tot de in artikel 4.1, eerste lid, genoemde stoffen, niet aan de bron te worden gescheiden, zij mogen ook op een andere plaats dan op de bouw- of sloopplaats gescheiden worden. Voor de afvalstromen vlakglas en dakbedekking in lid 1 is aangegeven dat deze materialen al dan niet nog in de kozijnen respectievelijk aan het dakbeschot vast gescheiden mogen worden van andere materialen. In sommige gevallen is op die manier het scheiden van die afvalstoffen uiteindelijk beter mogelijk. Om die reden wordt in de opsomming gesproken van dakbedekking ‘al dan niet met dakbeschot’ en van vlakglas ‘al dan niet met kozijn’. Dit betekent dat wanneer de dakbedekking op de bouwplaats zo gescheiden is dat dakbedekking en dakbeschot nog aan elkaar vastzitten, of wanneer het vlakglas samen met het kozijn waar dat glas inzit gescheiden wordt er aan de verplichting van het eerste lid is voldaan.

Het vierde lid is evenals het eerste lid aangepast. Als de hoeveelheid van de desbetreffende fractie minder dan 1 m³ bedraagt hoeft het afval niet te worden gescheiden. Deze uitzondering geldt alleen voor de fracties die zijn genoemd in de onderdelen d tot en met j van het eerste lid. Dit betekent dat teerhoudende dakbedekking (al dan niet met dakbeschot) en teerhoudend asfalt ook bij een hoeveelheid van minder dan 1 m³ moeten worden gescheiden. Dergelijke materialen kunnen dermate schadelijk of moeilijk te scheiden zijn, dat het mengen van deze categorieën vanuit milieuoogpunt onwenselijk is.

Hoofdstuk 5Nadere voorschriften omtrent de toepassing van normen

Nieuwbouw

Artikel 5.1NEN 1006

Met dit onderdeel is bij Stcrt. 2016, 71548 een nieuw artikel 5.1 over NEN 1006 tussengevoegd. Het oude artikel 5.1, dat gewijzigd is met onderdeel B, is daarbij vernummerd tot artikel 5.1a. NEN 1006 regelt meer dan noodzakelijk is voor een adequate toepassing van de artikelen 6.12 en 6.13 van het Bouwbesluit 2012. In dit nieuwe artikel is daarom bepaald dat NEN 1006 alleen van toepassing is voor zover het gaat om technische voorschriften die aan een voorziening voor drinkwater of warmwater van een bouwwerk zijn gesteld uit oogpunt van gezondheid. Dit betekent dat de onderdelen van NEN 1006 die betrekking hebben op administratieve en procedurele bepalingen niet van toepassing zijn. Hetzelfde geldt voor voorschriften voor installaties buiten bouwwerken en voor voorschriften die geen betrekking hebben op gezondheid maar bijvoorbeeld op bruikbaarheid.

Artikel 5.1aNEN 1010

De NEN 1010 regelt meer dan nodig is voor de bouwregelgeving. NEN 1010 valt buiten de zoge-noemde reeks bouwnormen en is daarom niet aangepast aan de publiekrechtelijke verwijzing daarnaar vanuit het besluit. In de bouwnormen worden de bouwtechnische onderdelen namelijk onderscheiden van de administratieve, procedurele en informatieve onderdelen. Met de voorschriften in dit artikel is deze systematiek alsnog voor NEN 1010 doorgevoerd.In onderdeel a zijn de onderdelen van NEN 1010 opgesomd die voor de publiekrechtelijke aanwijzing voor de bouwregelgeving buiten toepassing behoren te blijven. Het gaat om de in NEN 1010 opgenomen administratieve, procedurele en informatieve bepalingen, eisen aan voedingsbronnen, eisen aan verbruikstoestellen (toestellen, apparaten en machines), eisen aan elektrisch gevoede installaties (alarminstallatie, geluidinstallatie, etc.), andere gebruiksbepalingen, eisen aan installaties buiten bouwwerken of mobiele installaties, eisen ten aanzien van de netwerkbeheerder, vakmanschap en inspectie.Het voorschrift onder b houdt verband met gewijzigde inzichten omtrent openbare verlichting. Het plaatsen van een lantaarnpaal is bouwen in de zin van de Woningwet, waarvoor eenzelfde niveau van veiligheidsvoorschriften behoort te gelden als voor een ander bouwwerk. Hierbij is het niet relevant of de lantaarnpaal direct of indirect op het netwerk van de netbeheerder is aangesloten.

Bij Strcr. 2016, 71548 is een gewijzigde versie van NEN 1010 aangestuurd. In NEN 1010 is meer opgenomen dan nodig is voor de toepassing van artikel 6.8 van het Bouwbesluit 2012. Eerder bevatte artikel 5.1 een uitgebreide opsomming waarin was aangegeven welke onderdelen bij toepassing van NEN 1010 buiten beschouwing moesten blijven. Met deze wijziging van de opzet van artikel 5.1 (voortaan artikel 5.1a) is bepaald dat NEN 1010 alleen van toepassing is voor zover het gaat om technische voorschriften voor een voorziening voor elektriciteit van een bouwwerk die zijn gesteld uit oogpunt van veiligheid. Dit betekent dat onderdelen van NEN 1010 die bijvoorbeeld betrekking hebben op administratieve en procedurele bepalingen niet van toepassing zijn. Hetzelfde geldt voor voorschriften voor installaties buiten bouwwerken en voor voorschriften die geen betrekking hebben op veiligheid maar bijvoorbeeld bruikbaarheid. De voorliggende wijziging heeft op zich geen inhoudelijk effect, maar heeft als voordeel dat nu de norm is gewijzigd (zie onderdeel D van de wijziging in Stcrt. 2016, 71548 ) het niet nodig is de opsomming van de onderdelen die buiten beschouwing mogen blijven op die wijziging aan te passen.

Artikel 5.2NEN 1087

(Stcrt. 2015, 17338) Artikel 5.2 bevat nadere voorschriften omtrent de toepassing van NEN 1087. Aan dit artikel is een nieuw lid toegevoegd. De oorspronkelijke tekst is nu tweede lid geworden. Met het nieuwe eerste lid is duidelijk gemaakt dat bij de vaststelling van de capaciteit van een voorziening voor luchtverversing overeenkomstig artikel 3.29 van het besluit op grond van de hoofdstukken 5 en 8 van de norm ook de stromingsrichting moet worden bepaald. Dit betekent dat de berekende capaciteit in de praktijk ook daadwerkelijk mogelijk is en niet wordt belemmerd door een onjuiste stromingsrichting. Met deze aanvulling van artikel 5.2 is het voorschrift van artikel 3.29 weer in overeenstemming gebracht met het vergelijkbare voorschrift uit het Bouwbesluit 2003.

Artikel 5.3NEN 2057

Het nadere voorschrift op NEN 2057 is een gevolg van het feit dat het Bouwbesluit 2003 geen eis stelt aan de lichtdoorlatendheid van glas. Nu het normblad dat wel doet, is integrale aanwijzing van het normblad niet mogelijk.

Artikel 5.3aNEN 2535 en NEN 2575

Aangegeven is hoe bij toepassing van NEN 2535 en NEN 2575 moet worden omgegaan met de in die normen genoemde toestemming van de bevoegde autoriteit. Dit hoeft niet te leiden tot het separaat goedkeuren van het Programma van Eisen (PvE) naast het verlenen van een vergunning voor het bouwen. Uit het voorschrift blijkt dat het voldoende is wanneer er een vergunning voor het bouwen of voor brandveilig gebruik of een melding als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 aanwezig is.

Artikel 5.4NEN 2654-1

Met de wijziging van artikel 5.4 6 bij Stcrt. 2016, 33491 is een onjuistheid in de aansturing van de van toepassing zijnde onderdelen van NEN 2654-1 gecorrigeerd.

Artikel 5.7NEN 5077

Doordat bij de wijziging vervat in Stcrt. 2013, 5457 de verwijzing naar NEN 5077:2006 is vervallen en in de plaats daarvan de nieuwe versie NEN 5077:2012 is aangestuurd zijn de nadere voorschriften zoals die in artikel 5.7 waren opgenomen overbodig geworden. Artikel 5.7 is daarom vervallen.

Met het nieuwe artikel 5.7 is bij Stcrt. 2014, 4057 zeker gesteld dat bij de bepaling van het toegestane karakteristieke luchtgeluidniveauverschil wordt uitgegaan van een werkende ventilatie.

Artikel 5.8NEN 7120

NEN 7120 bepaalt zowel de energieprestatie van utiliteitsbouw als van woningen. Met NEN 7120 is tevens de mogelijkheid geïntroduceerd waarmee energiemaatregelen op gebiedsniveau kunnen worden gewaardeerd met de NVN 7125. De C epc-waarden zijn ontleend aan het DGMR rapport E.2009.1646.06.R001 van 26 januari 2012.

Bij Stcrt. 2013, 5457 is in artikel 5.8 de tabel met de correctiefactoren gewijzigd. Deze wijziging heeft uitsluitend betrekking op de indeling van de gebruiksfuncties. Deze indeling is nu in overeenstemming met de in het Bouwbesluit 2012 gebruikte terminologie. Er is geen sprake geweest van een wijziging van de correctiefactoren.

De eerdere correctiefactoren zijn bij Stcrt. 2014, 34076 vervangen door nieuwe correctiefactoren waarin rekening is gehouden met de laatste aanpassingen in NEN 7120. Met deze nieuwe correctiefactoren is zeker gesteld dat een energieprestatieberekening op basis van de aangepaste NEN 7120 gemiddeld genomen tot dezelfde resultaten leidt als de vergelijkbare berekening op basis van de oude NEN 7120 voor de invoering van deze wijzigingsregeling.

Artikel 5.8aNEN-EN 1838

Met het nieuwe artikel 5.8a, ingevoegd bij Stcrt. 2015, 17338, is duidelijk gemaakt dat het bij de verwijzing in artikel 6.24, eerste en vierde lid, het alleen gaat om de artikelen 5.4.5 en 5.4.6 van NEN-EN 1838.

Artikel 5.8a is bij Stcrt. 2016, 71548 zodanig aangepast dat artikel 5.4.6 van NEN-EN 1838 niet meer van toepassing is. Het voorschrift van artikel 5.4.6 uit deze norm is namelijk niet in overeenstemming met de uitgangspunten van artikel 6.24, vierde lid, en artikel 6.3, vijfde lid, van het Bouwbesluit 2012. Uit deze leden volgt dat bij het uitvallen van de voorziening van elektriciteit de noodvoorziening binnen 15 seconden volledig moet werken. Uit artikel 5.4.6 van NEN-EN 1838 volgt echter dat al na 5 seconden 50% moet worden overgenomen door de noodvoorziening en 100% na 60 seconden. Met de voorliggende aanpassing van artikel 5.8a, waarmee bij artikel 6.24, eerste en vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 alleen nog maar rekening hoeft te worden gehouden met de zichtbaarheidseisen van artikel 5.4.5 van NEN EN 1838 is de eerdere discrepantie tussen het Bouwbesluit 2012 en de aangestuurde normartikelen verholpen.

Artikel 5.8bNEN-EN 1990

Met het nieuwe artikel 5.8b, ingevoegd bij Stcrt. 2015, 17338, is een invulling gegeven aan het nieuwe voorschrift van artikel 2.5a van het Bouwbesluit 2012, waarin voor tijdelijke bouw niet alleen van een ontwerplevensduur van 5 jaar maar desgewenst ook van een ontwerplevensduur van 15 jaar kan worden uitgegaan. Ten behoeve van de in genoemd artikel bedoelde toepassing van NEN-EN 1990 is onder artikel 5.8b een aangepaste tabel NB1 – 2.1 opgenomen waarin zowel van een ontwerplevensduur van vijf jaar als van een ontwerplevensduur van 15 jaar is uitgegaan..

Artikel 5.8cNEN-EN 1997

Met dit nieuwe voorschrift, vastgelegd in Srtc. 2015, 45221, is vastgelegd dat bij toepassing van NEN EN 1997, voetnoot a bij tabel 7c buiten beschouwing mag worden gelaten. Genoemde voetnoot bepaalt dat er met ingang van 1 januari 2016 moet worden gerekend met reductie van 33% van de draagkracht. Op dit moment is NEN nog bezig met nader onderzoek van de consequenties van genoemde voetnoot. Afhankelijk van de bevindingen zal genoemde voetnoot, althans de inhoud ervan, in de toekomst van toepassing kunnen worden verklaard.

Met ingang van 1 januari 2017 (Stcrt. 2016, 71548) is de constructienorm voor funderingen (NEN-EN 1997-1) aangescherpt voor nieuwbouw. Voor bestaande bouw en verbouw is daarbij de eerder aangestuurde versie van de NEN-EN 1997-1, een tweedelijns norm die volgt uit de NEN 8700, van toepassing gebleven. Eerder is verzuimd deze wijziging ook te verwerken in artikel 5.8c. Met Stcrt. 2017, 73470 is dit gecorrigeerd, zodat deze nieuwe versie van de norm voortaan alleen nog geldt voor verbouw1. Met het nieuwe artikel 5.10a is de aansturing voor NEN-EN 1997-1 voor bestaande bouw geregeld.

Opmerking BRIS

1 Bedoeld is nieuwbouw.

Bestaande bouw

Artikel 5.9NEN 2057

Het nadere voorschrift op NEN 2057 is een gevolg van het feit dat het Bouwbesluit 2003 geen eis stelt aan de lichtdoorlatendheid van glas. Nu het normblad dat wel doet, is integrale aanwijzing van het normblad niet mogelijk.

Artikel 5.9aNEN 2535

Aangegeven is hoe bij toepassing van NEN 2535 en NEN 2575 moet worden omgegaan met de in die normen genoemde toestemming van de bevoegde autoriteit. Dit hoeft niet te leiden tot het separaat goedkeuren van het Programma van Eisen (PvE) naast het verlenen van een vergunning voor het bouwen. Uit het voorschrift blijkt dat het voldoende is wanneer er een vergunning voor het bouwen of voor brandveilig gebruik of een melding als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 aanwezig is.

Artikel 5.9a dat eerder betrekking had op NEN 2535 en NEN 2575 is nu bij Stcrt. 2015, 17338, gesplitst in een artikel 5.9a over NEN 2535 en een artikel 5.9b over NEN 2575. Het voorschrift over NEN 2535 dat nog steeds in artikel 5.9a is opgenomen, is ongewijzigd.

Artikel 5.9bNEN 2575

(Stcrt. 2015, 17338) Het voorschrift over NEN 2575 bevat een aantal nieuwe onderdelen. Het eerste lid bevat de tekst zoals deze eerder voor NEN 2575 in het oude artikel 5.9a was opgenomen. In het tweede lid is een aantal nadere voorschriften opgenomen die gelden bij de toepassing van artikel 6.23 van het Bouwbesluit. Deze nadere voorschriften hebben betrekking op het geluidniveau van de ontruimingsalarminstallatie en op een aantal onderdelen van de norm die bij toepassing van artikel 6.23 van het Bouwbesluit buiten beschouwing moeten worden gelaten. In het derde lid is aangegeven dat het tweede lid niet van toepassing is op een ontruimingsalarminstallatie die behoort bij een brandmeldinstallatie met doormelding als bedoeld in artikel 6.20 van het Bouwbesluit en op een ontruimingsalarminstallatie die behoort bij een brandmeldinstallatie zonder doormelding die na 1 november 2008 zijn opgeleverd of gewijzigd. Dit betekent dat het tweede lid alleen van toepassing is op ontruimingsalarminstallaties die zijn opgeleverd voor 1 november 2008 en die daarna niet zijn gewijzigd. Er wordt op gewezen dat het voor de beoordeling of het tweede en derde lid van toepassing zijn het nodig is om bijlage I bij het Bouwbesluit 2012 te raadplegen.

Artikel 5.10NEN 8062

Dit artikel bevat voorschriften voor de toepassing van de betreffende norm voor de bestaande bouw. Zo kan in plaats van de Nederlandse brandklasse (onbrandbaar) ook de Europese brandklasse A1 worden toegepast.

Artikel 5.10aNEN-EN 1997 (Stcrt. 2017, 73470)

Met ingang van 1 januari 2017 (Stcrt. 2016, 71548) is de constructienorm voor funderingen (NEN-EN 1997-1) aangescherpt voor nieuwbouw (aanscherping paalpuntfactoren). Voor bestaande bouw en verbouw is daarbij de eerder aangestuurde versie van de NEN-EN 1997-1, een tweedelijns norm die volgt uit de NEN 8700, van toepassing gebleven. Eerder is verzuimd deze wijziging ook te verwerken de voor bestaande bouw is geregeld. Met dit nieuwe artikel is dit geregeld, zodat daarvoor de oude paalpuntfactoren blijven gelden.

Hoofdstuk 5aOnderzoeksverplichting zorgplicht

Artikel 5.11Galerijflats

Ingevoegd met Stcrt. 2015, 45221

Sedert 1 januari 2015 kent de Woningwet in artikel 1a, derde lid, de mogelijkheid om bij ministeriële regeling categorieën bouwwerken aan te wijzen waarvan vast is komen te staan dat die een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kunnen opleveren. De eigenaar of degene die uit andere hoofde bevoegd is voorzieningen te treffen, moet in een dergelijk geval onderzoek (laten) uitvoeren naar de staat van dat bouwwerk. De VNG heeft verzocht om het derde lid van artikel 1a van de Woningwet in te zetten voor een onderzoeksplicht naar de constructieve veiligheid van galerijvloeren en balkons van oude galerijflats. Nadat in 2011 een galerijvloer is bezweken in Leeuwarden, zijn gebouweigenaren opgeroepen onderzoek te doen bij soortgelijke galerijen en balkons en is gemeenten verzocht hierop toe te zien. Dit is gebeurd aan de hand van het Infoblad Onderzoek galerijvloeren bij flatgebouwen1. Hoewel sedert dien al bij veel galerijflats onderzoek naar de constructieve veiligheid uitgevoerd is, is het toch zinvol gebleken om een onderzoekverplichting in het leven te roepen teneinde op korte termijn in alle gevallen te komen tot een veilige situatie bij galerijflats. Deze onderzoeksverplichting is opgenomen in het nieuwe hoofdstuk 5a, onderzoeksverplichting zorgplicht (artikel 5.11). Het eerste lid bepaalt voor welke categorie bouwwerk de onderzoeksverplichting geldt. Het gaat om galerijflats met uitkragende betonnen galerij- of balkonvloeren die monoliet zijn verbonden aan de betonnen verdiepingsvloeren of gevelbalken. Het tweede lid bepaalt dat het onderzoek moet worden uitgevoerd volgens de SBRpublicatie 248 ‘Constructieve veiligheid van uitkragende galerijplaten – Tweede, herziene uitgave’2 . Het beschreven onderzoek in de SBR-publicatie heeft ook betrekking op balkonvloeren. Uit de SBR-publicatie volgt verder dat de bedoelde galerijflats met name zijn gebouwd in de periode 1950-1970. Het tweede lid bepaalt verder dat de uitkomsten van dit onderzoek voor 1 juli 2017 in een rapport moeten worden vastgelegd. Op grond van het derde lid is geen onderzoek nodig wanneer er voor 1 januari 2016 al een vergelijkbaar onderzoeksrapport door de desbetreffende gemeente is geaccepteerd. Afhankelijk van de conclusies uit het onderzoek zal de eigenaar zo nodig maatregelen moeten nemen om te voldoen aan de constructieve veiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit 2012.

Er wordt op gewezen dat het achterwege laten van het bedoelde onderzoek of het vervolgens treffen van de benodigde maatregelen een overtreding van het zorgplichtartikel is, waartegen het bevoegd gezag handhavend kan optreden door het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Op grond van titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een toezichthouder op ieder moment bevoegd het onderzoeksrapport op te vragen en geldt een medewerkingsplicht om aan deze vraag gehoor te geven.

In artikel 5.11 over de onderzoeksverplichting is bij Stcrt. 2016, 33491 een ondergeschikte redactionele wijziging aangebracht om dat artikel tekstueel meer in overeenstemming te brengen met artikel 5.12 (onderdeel B van de wijziging die in voornoemde Staatscourant is doorgevoerd).

1 http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/brochures/2012/10/26/infoblad-onderzoek-galerijvloeren-bij-flatgebouwen-bouwbesluit-2012.html 2 http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/richtlijnen/2013/02/06/protocol-onderzoek-naar-en-beoordeling-van-de-constructieve-veiligheid-van-uitkragende-betonnen-vloeren-van-galerijflats.html

Artikel 5.12Zwembaden

Sedert 1 januari 2015 kent de Woningwet in artikel 1a, derde lid, de mogelijkheid om bij ministeriële regeling categorieën bouwwerken aan te wijzen waarvan vast is komen te staan dat die een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kunnen opleveren. De eigenaar of degene die uit andere hoofde bevoegd is voorzieningen te treffen, moet in een dergelijk geval onderzoek (laten) uitvoeren naar de staat van dat bouwwerk.

Het eerste lid bepaalt voor welke categorie bouwwerk de onderzoeksverplichting geldt. Het gaat om gebouwen met daarin een zwembad dat ook een badinrichting is zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Whvbz). Het kan daarbij gaan om afzonderlijke zwembaden maar ook om zwembaden die onderdeel zijn van hotels, vakantieparken, zorginstellingen, et cetera. Zwembaden voor privé gebruik vallen niet onder de Whvbz en daarmee ook niet onder de onderzoeksplicht.

Het tweede lid geeft een uitzondering voor gebouwen die geheel nieuw worden gebouwd en waarvoor de omgevingsvergunning voor het bouwen na 1 juli 2016 is ingediend. De gedachte hierbij is dat een gemeente bij de beoordeling van de vergunningaanvraag informatie kan opvragen over de toegepaste materialen en daarmee de geschiktheid van die materialen kan beoordelen.

Het derde lid beschrijft het onderzoek. Uit onderdeel a volgt dat de dragende metalen delen die zijn toegepast in het zwembad moeten worden geïnventariseerd. De term dragende metalen delen is breder bedoeld dan het begrip bouwconstructies in het Bouwbesluit 2012. Onder dragende metalen delen vallen alle delen die een belasting dragen ook als deze geen bouwconstructie zijn volgens het Bouwbesluit 2012. Inrichtingselementen, zoals geluidsboxen die in een zwembad zijn opgehangen met RVS verbindingen, worden in principe niet gezien als bouwconstructie in de zin van het Bouwbesluit 2012, maar de veiligheid van dergelijke elementen valt wel onder de werkingsfeer van het zorgplichtartikel 1a van de Woningwet. Het zorgplichtartikel is namelijk ook bedoeld als vangnetartikel voor die veiligheidsaspecten die niet zijn geregeld in het Bouwbesluit 2012. Naast de bouwconstructies van het gebouw zelf (o.a. dak, gevels, trappen, vloerafscheidingen) is het derde lid daarom ook van toepassing op ophangconstructies voor plafonds, lampen, geluidsinstallaties, luchtverversingskanalen en dergelijke en bevestigingsmiddelen van zwembadvoorzieningen zoals bijvoorbeeld bassintrappen en duik- en startblokken.

De dragende delen behoeven alleen te worden geïnventariseerd in de ruimten waar de typisch zwembadatmosfeer (chloorlucht) heerst. Deze ruimten zijn benoemd in onderdeel b.

Deze ruimten moeten worden uitgesplitst in een gebied A en een gebied B. Gebied A betreft het zwembad-bassin en het gebied hieromheen dat begrenst wordt door de zogenaamde spatwaterzone. Gebied B is het overige gebied. Een onderscheid tussen de gebieden A en B is nodig, omdat binnen de spatwaterzone (gebied A) de risico’s op gevaarlijke corrosie kleiner zijn dan in gebied B. Ernstige ongevallen die zich in Nederland hebben voorgedaan, waren vooral het gevolg van het bezwijken van dragende delen in gebied B.

In de onderdelen c tot en met e is het begrip constatering gebruikt. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat wanneer niet kan worden geconstateerd dat aan de in deze onderdelen genoemde eisen is voldaan er geen sprake is van een voldoende veiligheidsniveau. Met onderdeel c is geregeld dat bij het onderzoek moet worden onderzocht dat er in gebied A geen dragende delen van niet-resistent RVS worden toegepast waarvan het bezwijken kan leiden tot persoonlijk letsel. Van de resterende niet-resistente RVS delen in gebied A moet op grond van onderdeel d worden nagegaan of deze direct visueel inspecteerbaar zijn of zijn voorzien van een coating. Deze laatste beoordeling is nodig omdat deze metalen delen zo nodig eenvoudig periodiek moeten kunnen worden gecontroleerd op de aanwezigheid van corrosie. Met direct visueel inspecteerbaar wordt bedoeld dat het deel zichtbaar en aanraakbaar is voor een persoon zonder dat eerst andere delen weg moeten worden gehaald of gebruik moet worden gemaakt van hulpmiddelen zoals een trap. Met onderdeel d is zeker gesteld dat de beoordeling van corrosievorming van niet-resistente RVS, anders dan bedoeld onder onderdeel c, onderdeel is van het onderzoek. De periodieke beoordeling van dit RVS na het eenmalige onderzoek van dit artikel, wordt met deze onderzoeksplicht niet nader ingevuld. Hiervoor geldt de algemene zorgplicht van de Woningwet waaraan de eigenaar zelf zo nodig met een periodieke beoordeling invulling kan geven.

Met onderdeel e is geregeld dat bij het onderzoek moet worden geconstateerd dat er geen dragende delen van niet-resistent RVS worden toegepast in gebied B.

In het vierde lid is aangegeven wat wordt verstaan onder niet-resistent RVS. De beoordeling of sprake is van resistent RVS is alleen mogelijk met specialistische analyseapparatuur ter plaatse of in een laboratorium. Bij recent aangebracht RVS kan uit de specificaties van de leverancier blijken dat sprake is van resistent RVS. Zonder aanvullende informatie moet men er van uit gaan dat sprake is van niet-resistent RVS.

Het vijfde lid bepaalt dat het onderzoek moet worden uitgevoerd door een ter zake kundig persoon. Uitgaande van het beschreven onderzoek zal deze persoon vooral deskundig moeten zijn op het terrein van metaalkennis, en het beoordelen van de constructieve veiligheid.

Het zesde lid bepaalt dat de uitkomsten van het onderzoek voor 1 januari 2017 in een rapport moeten worden vastgelegd. Uit dit onderzoeksrapport moet in overeenstemming met het derde lid in ieder geval blijken dat er geen niet-resistent RVS aanwezig is in de deelgebieden A en B. Hiermee is beoogd dat voor 1 januari 2017 alle overdekte zwembaden in deelgebied B volledig zijn ontdaan van dragende delen van niet-resistent RVS en in deelgebied A alleen voor zover het gaat om dragende delen van niet-resistent RVS die bij bezwijken kunnen leiden tot persoonlijk letsel. Van deze eisen kan alleen worden afgeweken als het bevoegd gezag akkoord gaat met een gelijkwaardige oplossing.

Het niet hebben van het in het zesde lid bedoelde rapport, of het hebben van een rapport waaruit niet blijkt dat volledig aan de in het derde lid, onderdelen c tot en met e, bedoelde eisen is voldaan betekent dat niet aan het op grond van het Bouwbesluit 2012 geldende veiligheidsniveau wordt voldaan of dat er sprake is van een overtreding van het zorgplichtartikel. Het bevoegd gezag (de gemeente) kan in dergelijke gevallen handhavend optreden door het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Er is dus altijd sprake van een overtreding als uit het rapport blijkt dat er nog niet-resistent RVS aanwezig is.

Op grond van titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een toezichthouder op ieder moment bevoegd het onderzoeksrapport op te vragen en geldt een medewerkingsplicht om aan deze vraag gehoor te geven. De gemeente heeft overigens wel de mogelijkheid akkoord te gaan met een eventuele gelijkwaardige oplossing indien toch niet-resistent RVS aanwezig is. Van een gelijkwaardige oplossing zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn wanneer een tweede draagweg wordt aangebracht zodat het bezwijken van metalen dragende delen van niet-resistent roestvaststaal niet kan leiden tot vallende objecten, metalen onderdelen of constructies op plaatsen waar zich personen kunnen bevinden.

Het zevende lid bepaalt dat er geen onderzoek nodig is wanneer er voor 1 juli 2016 al een onderzoeksrapport door het bevoegd gezag is goedgekeurd waaruit blijkt dat in de gebieden A en B geen dragende delen van niet-resistent roestvaststaal aanwezig zijn. In het verleden is er bij veel zwembaden namelijk al onderzoek uitgevoerd naar niet-resistent RVS. In dergelijke gevallen behoeft niet opnieuw onderzoek te worden gedaan. Het is van belang om hierover tijdig met de betreffende gemeente te overleggen.

Bij het uitvoeren van het hierboven beschreven onderzoek kan zo nodig als hulpmiddel gebruik worden gemaakt van het in bijlage A van NPR 9200:2015 “Metalen ophangconstructies en bevestigingsmiddelen in zwembaden” opgenomen inspectieprotocol. Voor zover het gestelde in dat inspectieprotocol afwijkt van het in het derde lid beschreven onderzoek geldt dit derde lid en de toelichting daarop.

Hoofdstuk 6Slotbepalingen

Artikel 6.2

Deze regeling treedt gelijk met het Bouwbesluit 2012 in werking1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11. Naar verwachting is dat op 1 april 2012. Met een inwerkingtreding op 1 april 2012 voldoet deze regeling aan het uitgangspunt van de vaste verandermomenten.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst,

1) De regeling is gewijzigd per 1 juli 2012 bij Stcrt. 2012, 13245. 2) De regeling is gewijzigd per 1 maart 2013 bij Stcrt. 2013, 5457. 3) De regeling is gewijzigd per 1 juli 2013 bij Stcrt. 2013, 16919. 4) Deze regeling is per 1 april 2014 gewijzigd bij Stcrt 2014, 4057, waarbij de artikelen betrekking hebbende op de Verordening bouwproducten met terugwerkende kracht per 1 juli 2013 in werking zijn getreden. Het onderdeel over plasbrandaandachtsgebieden treedt in werking als artikel 2.16 van het Bouwbesluit 2012 in werking treedt. Bij Stb. 2015, 92 is deze datum bepaald op 1 april 2015. 5) De regeling is gewijzigd per 1 januari 2015 bij Stcrt. 2014, 34076. 6) De regeling is gewijzigd per 1 januari 2015 bij Stcrt. 2014, 37003. 7) De regeling is gewijzigd per 1 juli 2015 bij Stcrt. 2015, 17338. 8) De regeling is gewijzigd per 1 januari 2016 bij Stcrt. 2015, 45221. 9) De regeling is gewijzigd per 1 juli 2016 bij Stcrt. 2016, 33491 10) De regeling is gewijzigd per 1 januari 2017 bij Stcrt. 2016, 71548 11) De regeling is gewijzigd per 1 januari 2018 bij Stcrt. 2017, 73470 12) De regeling is gewijzigd per 1 juli 2018 bij Stcrt. 2018, 35386