Contact Service
Artikel 7.4 Aankleding
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Artikel 7.4 Aankleding

In dit artikel zijn voorschriften opgenomen voor de aankleding van een besloten ruimte, met het oog op het voorkomen van brandgevaar. Deze eisen worden uitsluitend aan een besloten ruimte gesteld omdat wordt aangenomen dat aan een niet besloten ruimte, bijvoorbeeld een binnenplaats of tuin, andere (beperktere) brandveiligheidsrisico’s kleven. Bij dergelijke niet besloten ruimten kan in een specifiek geval zo nodig een beroep op het «vangnetartikel» 7.10 worden gedaan. In dit besluit wordt onderscheid gemaakt tussen constructieonderdelen, aankleding, inventaris en «inrichtingselementen» (een deelverzameling van «inventaris»). In hoofdstuk 2 van dit besluit worden bouwtechnische eisen aan constructieonderdelen van ruimten gesteld en in dit hoofdstuk (7) gebruikseisen aan aankleding en inventaris van die ruimten. Met «aankleding» wordt gedoeld op gordijnen, vitrages, slingers en andere ornamenten in een ruimte, die niet worden gerekend tot de constructieonderdelen of tot de inventaris. Meubilair in een ruimte valt niet onder aankleding of constructieonderdelen maar onder inventaris (zie ook artikel 7.13). Artikel 7.5 spreekt van inrichtingselementen in de zinsnede «stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen». Dergelijke inrichtingselementen zijn evenals meubilair te beschouwen als «inventaris».

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat aankleding geen brandgevaar mag opleveren en in welke gevallen mag worden aangenomen dat er geen sprake is van brandgevaar. Brandgevaar is in ieder geval niet aanwezig wanneer:

a.de aankleding een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert;
b.de aankleding onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064;
c.de aankleding voldoet aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501-1;
d.de aankleding voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen als bedoeld in afdeling 2.9 of
e.de navlamduur ten hoogste 15 seconden en de nagloeiduur ten hoogste 60 seconden is.
Het antwoord op de vraag wanneer aankleding een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert is sterk afhankelijk van de omstandigheden. In het algemeen is een kerststukje op de tafeltjes in een restaurant geen probleem. Dat kerststukje kan wel een probleem worden als er in de nabijheid aankleding is waarnaar brand in het kerststukje eenvoudig kan overslaan. Onderdeel a van het eerste lid biedt ook de mogelijkheid om in een klaslokaal slingers of tekeningen op te hangen, zolang deze een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar leveren. De brand mag zich dus niet als een lopend vuurtje door de ruimte kunnen verspreiden.

In het tweede lid is een speciale bepaling opgenomen voor aankleding in een besloten ruimte voor het verblijven of het vluchten van meer dan 50 personen. Bij aankleding in een dergelijke ruimte die voldoet aan het gestelde in het eerste lid, onderdeel e, wordt niet zonder meer aangenomen dat er geen sprake van brandgevaar is. De in onderdeel e gegeven maximale navlam- en nagloeiduur waarborgen de brandveiligheid onvoldoende bij aankleding (versiering) die lager hangt dan 2,5 m boven een gedeelte van een vloer waar zich mensen kunnen bevinden. Bij laag hangende versiering is een risico aanwezig dat deze in aanraking komt met open vuur van bijvoorbeeld in de hand gehouden brandende aanstekers, kaarsen, vuurwerk of sigaretten. De onder e bedoelde criteria zijn wel afdoende wanneer de aankleding direct op vloer, trap of hellingbaan is aangebracht, ofwel wanneer het vaste vloerbedekking betreft. Met andere woorden: in een besloten ruimte voor het verblijven of vluchten van meer dan 50 personen wordt de aankleding als brandveilig beschouwd als deze aan een van de in het eerste lid, onderdelen a tot en met d genoemde voorwaarden voldoet. Als dit niet het geval is, maar de navlamduur en nagloeiduur liggen onder de grens van het eerste lid, onderdeel e, dan is de aankleding brandveilig als deze zich meer dan 2,5 m boven een voor personen bestemde vloer bevindt of boven een niet voor personen bestemd gedeelte van de vloer (ongeacht de hoogte van de versiering) bevindt of als het vloerbedekking betreft. Dit tweede lid is dus voornamelijk van belang bij het voorkomen van brandgevaar door laaghangende versiering. Of sprake is van een gedeelte van de vloer waar zich geen personen kunnen bevinden is afhankelijk van de inrichting van de ruimte. Het gaat om die plaatsen waar zich normaliter geen mensen bevinden, bijvoorbeeld boven een tafel, een barmeubel of stand. Met de situatie dat iemand op een dergelijk inrichtingselement klimt behoeft geen rekening te worden gehouden. Door de NVBR wordt in haar folder «Brandveiligheidsinfo 18: feestversiering het kan en moet veilig!» daarover praktische informatie gegeven. Deze folder kan worden gedownload via www.brandweer.nl. De recent ontwikkelde Nederlandse technische afspraak NTA 8007 «Brandgedrag versieringsmaterialen» bevat eveneens praktische informatie die nuttig kan zijn bij de toepassing van de in dit artikel gestelde eisen. Deze NTA is verkrijgbaar bij NEN (www.nen.nl).

Na het tweede lid van artikel 7.4 is bij stb. 2014, 51 een nieuw derde lid ingevoegd. In dit nieuwe lid is een specifiek voorschrift opgenomen voor de lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren. In afwijking van het eerste lid is het bij stallen niet meer mogelijk de veiligheid van de aankleding aan te tonen volgens de in onderdeel e opgenomen methode. De veiligheid van aankleding die niet direct op vloer, trap of hellingbaan is aangebracht kan dus alleen worden aangetoond met een van de onder a tot en met d genoemde methoden. Aan de aankleding die direct op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht, zoals bijvoorbeeld stro, worden dus geen eisen gesteld. Met deze aangescherpte eisen aan de overige aankleding van stallen kunnen dieren in stallen beter worden beschermd tegen brand. Zie ook de toelichting op de onderdelen K en L. Voor specifiek overgangsrecht met betrekking tot dit onderwerp wordt verwezen naar artikel II.

In het vierde lid is bepaald dat die delen van apparatuur en installaties die hitte uitstralen (meer dan 90° C worden), niet in aanraking mogen komen met de aankleding. Dit mag weer wel wanneer de aankleding onbrandbaar is. Met dit voorschrift kan bijvoorbeeld worden opgetreden tegen een situatie waarin door een halogeenspotje brand in de gordijnen zou kunnen ontstaan.

Het vijfde lid schrijft voor dat in een besloten ruimte geen met brandbaar gas gevulde ballonnen aanwezig mogen zijn.

Op grond van het zesde lid zijn het eerste tot en met vijfde lid niet van toepassing op niet-gemeenschappelijke ruimten van de woonfunctie en de andere logiesfunctie. Dit betekent dat deze eisen niet van toepassing zijn op bijvoorbeeld de meubels, het behang of de gordijnen binnen een woning of binnen een vakantiehuisje.

Het zevende lid biedt de mogelijkheid bij ministeriële regeling nadere eisen te stellen omtrent de bijdrage aan brandgevaar van aankleding.