Contact Service
Afdeling 7.1 Voorkomen van brandgevaar en ontw ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Afdeling 7.1 Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand, nieuwbouw en bestaande bouw

De voorschriften van deze afdeling zijn gericht op het zoveel mogelijk voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand.

Artikel 7.1Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat het gebruik van een bouwwerk zodanig moet zijn dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand wordt voorkomen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Er wordt op gewezen dat het vijfde lid van artikel 7.4 geldt voor de niet gemeenschappelijke ruimten van een woonfunctie en van een niet in een logiesgebouw gelegen logiesfunctie. Dit betekent dat de eisen met betrekking tot aankleding niet van toepassing zijn op de aankleding binnen een woning of een vakantiehuisje en wel gelden voor alle andere gebruiksfuncties. Dit komt overeen met het niveau van eisen van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken [Stb. 2011, 676]. Verder wordt opgemerkt dat het zesde lid van artikel 7.4, dat bij ministeriële regeling nadere voorschriften kunnen worden gegeven over de bijdrage aan brandgevaar van aankleding voor alle gebruiksfuncties geldt. [Stb. 2011, 676].

Na het tweede lid van artikel 7.4 is bij Stb. 2014, 51 een nieuw derde lid ingevoegd. In dit nieuwe lid is een specifiek voorschrift opgenomen voor de lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren. In afwijking van het eerste lid is het bij stallen niet meer mogelijk de veiligheid van de aankleding aan te tonen volgens de in onderdeel e opgenomen methode. De veiligheid van aankleding die niet direct op vloer, trap of hellingbaan is aangebracht kan dus alleen worden aangetoond met een van de onder a tot en met d genoemde methoden. Aan de aankleding die direct op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht, zoals bijvoorbeeld stro, worden dus geen eisen gesteld. Met deze aangescherpte eisen aan de overige aankleding van stallen kunnen dieren in stallen beter worden beschermd tegen brand. Zie ook de toelichting op de onderdelen K en L. Voor specifiek overgangsrecht met betrekking tot dit onderwerp wordt verwezen naar artikel III 1. Tabel 7.1 is overeenkomstig aangepast.

Opmerking BRIS

1 In artikel III is specifiek overgangsrecht opgenomen voor de lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren. Als voor de inwerkingtreding van dit besluit aankleding in een besloten ruimte van een stal is aangebracht niet direct op een vloer, trappen of hellingbaan, dan mag worden uitgegaan artikel 7.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit. Met deze overgangsbepaling zijn de met dit wijzigingsbesluit aangescherpte brandveiligheidsvoorschriften niet van toepassing op een bestaande situatie. Het overgangsrecht heeft alleen betrekking op de aankleding die niet direct op een vloer trap of hellingbaan is aangebracht. Voor aankleding die wel direct op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht, zoals bijvoorbeeld stro, gelden geen eisen.

Artikel 7.2Verbod op roken en open vuur

Het eerste lid bevat een verbod om te roken of open vuur te hebben in ruimten die voor de opslag van brandgevaarlijke stoffen zijn bestemd, bij het verrichten van handelingen die het uitstromen van brandbare vloeistoffen of gassen kunnen veroorzaken en bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of gas.

Het tweede lid bepaalt dat het verbod kenbaar moet worden gemaakt door duidelijk zichtbaar aangebrachte pictogrammen zoals beschreven in NEN 3011 (uitgave 2004).

Artikel 7.3Vastzetten zelfsluitend constructieonderdeel

Artikel 7.3 schrijft voor dat een zelfsluitende deur niet in geopende stand mag zijn vastgezet tenzij die deur bij brand en bij rook door brand automatisch wordt losgelaten. Onder automatisch loslaten wordt verstaan dat de deur bij brand en bij rook door brand vanzelf (en met automatische detectie, dus zonder tussenkomst van een persoon) sluit. In het algemeen is de temperatuur van de rook in de beginfase van een brand nog zo laag dat een smeltzekering niet adequaat zal functioneren. Daarom zal bij een rookscheiding een ander systeem dan een smeltzekering moeten worden toegepast. Op grond van de artikelen 2.94, derde lid, en 2.107, derde lid, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden gegeven omtrent de rookdoorgang van een brandscheiding. Uit deze voorschriften kan voortvloeien dat een brandscheiding ook een rookscheiding zal moeten zijn. Dit betekent dat, hoewel de smeltzekering bij een brandscheiding wel voldoende is, in een dergelijk geval toch (of daarnaast) een ander systeem moet worden toegepast.

Artikel 7.4Aankleding

In dit artikel zijn voorschriften opgenomen voor de aankleding van een besloten ruimte, met het oog op het voorkomen van brandgevaar. Deze eisen worden uitsluitend aan een besloten ruimte gesteld omdat wordt aangenomen dat aan een niet besloten ruimte, bijvoorbeeld een binnenplaats of tuin, andere (beperktere) brandveiligheidsrisico’s kleven. Bij dergelijke niet besloten ruimten kan in een specifiek geval zo nodig een beroep op het «vangnetartikel» 7.10 worden gedaan. In dit besluit wordt onderscheid gemaakt tussen constructieonderdelen, aankleding, inventaris en «inrichtingselementen» (een deelverzameling van «inventaris»). In hoofdstuk 2 van dit besluit worden bouwtechnische eisen aan constructieonderdelen van ruimten gesteld en in dit hoofdstuk (7) gebruikseisen aan aankleding en inventaris van die ruimten. Met «aankleding» wordt gedoeld op gordijnen, vitrages, slingers en andere ornamenten in een ruimte, die niet worden gerekend tot de constructieonderdelen of tot de inventaris. Meubilair in een ruimte valt niet onder aankleding of constructieonderdelen maar onder inventaris (zie ook artikel 7.13). Artikel 7.5 spreekt van inrichtingselementen in de zinsnede «stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen». Dergelijke inrichtingselementen zijn evenals meubilair te beschouwen als «inventaris».

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat aankleding geen brandgevaar mag opleveren en in welke gevallen mag worden aangenomen dat er geen sprake is van brandgevaar. Brandgevaar is in ieder geval niet aanwezig wanneer:

a.de aankleding een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert;
b.de aankleding onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064;
c.de aankleding voldoet aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501-1;
d.de aankleding voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen als bedoeld in afdeling 2.9 of
e.de navlamduur ten hoogste 15 seconden en de nagloeiduur ten hoogste 60 seconden is.
Het antwoord op de vraag wanneer aankleding een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert is sterk afhankelijk van de omstandigheden. In het algemeen is een kerststukje op de tafeltjes in een restaurant geen probleem. Dat kerststukje kan wel een probleem worden als er in de nabijheid aankleding is waarnaar brand in het kerststukje eenvoudig kan overslaan. Onderdeel a van het eerste lid biedt ook de mogelijkheid om in een klaslokaal slingers of tekeningen op te hangen, zolang deze een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar leveren. De brand mag zich dus niet als een lopend vuurtje door de ruimte kunnen verspreiden.

In het tweede lid is een speciale bepaling opgenomen voor aankleding in een besloten ruimte voor het verblijven of het vluchten van meer dan 50 personen. Bij aankleding in een dergelijke ruimte die voldoet aan het gestelde in het eerste lid, onderdeel e, wordt niet zonder meer aangenomen dat er geen sprake van brandgevaar is. De in onderdeel e gegeven maximale navlam- en nagloeiduur waarborgen de brandveiligheid onvoldoende bij aankleding (versiering) die lager hangt dan 2,5 m boven een gedeelte van een vloer waar zich mensen kunnen bevinden. Bij laag hangende versiering is een risico aanwezig dat deze in aanraking komt met open vuur van bijvoorbeeld in de hand gehouden brandende aanstekers, kaarsen, vuurwerk of sigaretten. De onder e bedoelde criteria zijn wel afdoende wanneer de aankleding direct op vloer, trap of hellingbaan is aangebracht, ofwel wanneer het vaste vloerbedekking betreft. Met andere woorden: in een besloten ruimte voor het verblijven of vluchten van meer dan 50 personen wordt de aankleding als brandveilig beschouwd als deze aan een van de in het eerste lid, onderdelen a tot en met d genoemde voorwaarden voldoet. Als dit niet het geval is, maar de navlamduur en nagloeiduur liggen onder de grens van het eerste lid, onderdeel e, dan is de aankleding brandveilig als deze zich meer dan 2,5 m boven een voor personen bestemde vloer bevindt of boven een niet voor personen bestemd gedeelte van de vloer (ongeacht de hoogte van de versiering) bevindt of als het vloerbedekking betreft. Dit tweede lid is dus voornamelijk van belang bij het voorkomen van brandgevaar door laaghangende versiering. Of sprake is van een gedeelte van de vloer waar zich geen personen kunnen bevinden is afhankelijk van de inrichting van de ruimte. Het gaat om die plaatsen waar zich normaliter geen mensen bevinden, bijvoorbeeld boven een tafel, een barmeubel of stand. Met de situatie dat iemand op een dergelijk inrichtingselement klimt behoeft geen rekening te worden gehouden. Door de NVBR wordt in haar folder «Brandveiligheidsinfo 18: feestversiering het kan en moet veilig!» daarover praktische informatie gegeven. Deze folder kan worden gedownload via www.brandweer.nl. De recent ontwikkelde Nederlandse technische afspraak NTA 8007 «Brandgedrag versieringsmaterialen» bevat eveneens praktische informatie die nuttig kan zijn bij de toepassing van de in dit artikel gestelde eisen. Deze NTA is verkrijgbaar bij NEN (www.nen.nl).

Na het tweede lid van artikel 7.4 is bij stb. 2014, 51 een nieuw derde lid ingevoegd. In dit nieuwe lid is een specifiek voorschrift opgenomen voor de lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren. In afwijking van het eerste lid is het bij stallen niet meer mogelijk de veiligheid van de aankleding aan te tonen volgens de in onderdeel e opgenomen methode. De veiligheid van aankleding die niet direct op vloer, trap of hellingbaan is aangebracht kan dus alleen worden aangetoond met een van de onder a tot en met d genoemde methoden. Aan de aankleding die direct op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht, zoals bijvoorbeeld stro, worden dus geen eisen gesteld. Met deze aangescherpte eisen aan de overige aankleding van stallen kunnen dieren in stallen beter worden beschermd tegen brand. Zie ook de toelichting op de onderdelen K en L. Voor specifiek overgangsrecht met betrekking tot dit onderwerp wordt verwezen naar artikel II.

In het vierde lid is bepaald dat die delen van apparatuur en installaties die hitte uitstralen (meer dan 90° C worden), niet in aanraking mogen komen met de aankleding. Dit mag weer wel wanneer de aankleding onbrandbaar is. Met dit voorschrift kan bijvoorbeeld worden opgetreden tegen een situatie waarin door een halogeenspotje brand in de gordijnen zou kunnen ontstaan.

Het vijfde lid schrijft voor dat in een besloten ruimte geen met brandbaar gas gevulde ballonnen aanwezig mogen zijn.

Op grond van het zesde lid zijn het eerste tot en met vijfde lid niet van toepassing op niet-gemeenschappelijke ruimten van de woonfunctie en de andere logiesfunctie. Dit betekent dat deze eisen niet van toepassing zijn op bijvoorbeeld de meubels, het behang of de gordijnen binnen een woning of binnen een vakantiehuisje.

Het zevende lid biedt de mogelijkheid bij ministeriële regeling nadere eisen te stellen omtrent de bijdrage aan brandgevaar van aankleding.

Artikel 7.5Brandveiligheid inrichtingselementen

Dit artikel stelt eisen aan de brandveiligheid van stands, kramen, schappen, podia en daarmee vergelijkbare inrichtingselementen wanneer zij zijn opgesteld in voor het publiek toegankelijke ruimten, zoals winkel-, beurs-, markt-, tentoonstellings-, school-, muziek-, theater- en overdekte speelruimten, wijkcentra en bibliotheken. Doel van deze voorschriften is te voorkomen dat een beginnende brand in de opstellingsruimte zich snel kan ontwikkelen en/of dat de gebruikte materialen bij een brand letselrisico’s voor in die ruimte aanwezige personen opleveren. Er worden geen eisen gesteld aan de in de stands uitgestalde producten of voorwerpen. Te verwachten problemen als gevolg van de uitgestalde producten of voorwerpen kunnen zo nodig op grond van het «vangnetartikel» 7.10 worden aangepakt.

In het eerste lid is bepaald dat de inrichtingselementen brandveilig moeten zijn. Dit houdt in dat deze elementen niet snel vlam mogen vatten en geen grote bijdrage mogen leveren aan de voortplanting van brand.

In het tweede lid is bepaald wanneer in ieder geval aan de in het eerste lid gestelde eisen is voldaan. Dit is het geval wanneer een naar de lucht toegekeerd onderdeel:

1.onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064,
2.voldoet aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501-1,
3.een dikte heeft van ten minste 3,5 mm en voldoet aan brandklasse D, als bedoeld in NEN-EN 13501-1;
4.een dikte heeft van ten minste 3,5 mm en voldoet aan klasse 4 als bedoeld in NEN 6065, of
5.een dikte heeft van minder dan 3,5 mm en over de volle oppervlakte is verlijmd met een onderdeel als bedoeld onder c of d.
Dunne materialen hebben in het algemeen minder gunstige brandeigenschappen dan dikkere (dunne materialen ontbranden dikwijls sneller). Indien een dun materiaal als bedoeld onder e over de volle oppervlakte is verlijmd met een materiaal als bedoeld in onderdeel c of d (de drager), dan benaderen de eigenschappen van de samengevoegde materialen de brandeigenschappen van het dikkere dragermateriaal.

Op grond van het derde lid zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op de niet gemeenschappelijke ruimten van een woonfunctie en een andere logiesfunctie (vakantiehuisje).

Artikel 7.6Brandgevaarlijke stoffen

Dit artikel heeft betrekking op de aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen in, op en nabij bouwwerken, de zogenoemde huishoudelijke opslag. Zoals in artikel 1.1, eerste lid, is aangegeven wordt onder brandgevaarlijke stoffen verstaan: vaste stoffen, vloeistoffen en gassen die brandbaar of brandbevorderend zijn of bij brand gevaar opleveren. Sedert enkele jaren valt het geven van voorschriften over stoffen die zowel brand- als milieugevaarlijk zijn, vanaf de zogenoemde Ivb-grens uitsluitend onder de milieuregelgeving en het geven van voorschriften over dergelijke stoffen tot die Ivb-grens onder de bouwregelgeving. De Ivb-grens is de ondergrens waarmee in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb) was aangegeven welke hoeveelheden van welke stoffen onder de reikwijdte van dat milieubesluit vielen. Sinds 1 oktober 2010 (inwerkingtreding Wabo) is de Ivb opgegaan in de ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Het geven van voorschriften over bedrijfsmatige opslag van stoffen die zowel brand- als milieugevaarlijk zijn, geschiedt dus alleen in regelgeving gebaseerd op de Wet milieubeheer, zoals het Activiteitenbesluit milieubeheer en in omgevingsvergunningen voor het oprichten, veranderen of in werking hebben van een milieu-inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. De bouwregelgeving beperkt zich tot huishoudelijke opslag, dat wil zeggen kleinere hoeveelheden die – rekening houdend met de gevaarsaspecten van de desbetreffende stoffen – voor de goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mogen worden beschouwd. Dit is in artikel 7.6 uitgewerkt in een verbod op het aanwezig hebben van brandgevaarlijke stoffen in combinatie met expliciete uitzonderingen op dat verbod. In de bij dit artikel opgenomen tabel 7.6 is per soort stof en verpakkingsgroep (zie definitie in artikel 1.1, eerste lid) aangegeven welke hoeveelheid van een brandgevaarlijke stof is toegestaan. In de eerste kolom van de tabel zijn de desbetreffende stoffen geordend overeenkomstig de deelverzameling «stoffen die zowel milieu- als brandgevaarlijk zijn» van de ADR (zie definitie in artikel 1.1, eerste lid). Conform de ADR-terminologie wordt daarbij de netto massa in kilo’s gehanteerd als eenheid voor het vaststellen van hoeveelheden vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen en onder druk opgeloste gassen en wordt de nominale inhoud in liters als eenheid gehanteerd indien het vloeistoffen en samengeperste gassen betreft.

In het eerste lid is het verbod op het aanwezig hebben van een brandgevaarlijke stof opgenomen. Of iets een brandgevaarlijke stof is, is te lezen in tabel 7.6. Uit deze tabel blijkt dat ook medicinale zuurstof een gas is dat onder het voorschrift van artikel 7.6 valt.

Op grond van het tweede lid is het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing wanneer de toegestane maximum hoeveelheid van een bepaalde stof niet wordt overschreden (onderdeel a), de stof deugdelijk is verpakt (onderdeel b) en die stof met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen wordt gebruikt (onderdeel c). Hierbij geldt dat de totale hoeveelheid stoffen niet meer mag zijn dan 100 kilogram of liter. De stof dient zodanig verpakt te zijn dat de verpakking tegen een normale behandeling bestand is (hetgeen bij de originele verpakking in de regel al het geval zal zijn) en van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen (hetgeen bij deugdelijke sluiting van een geopende originele verpakking in de regel het geval zal zijn). Bij gebruik overeenkomstig de gevaarsaanduiding moeten de zogenoemde R- en S-zinnen in acht worden genomen. Die zinnen, die in de regel op de originele verpakking zijn aangegeven, geven de producteigenschappen aan (R = risc: bijvoorbeeld «ontvlambaar») en bevatten gebruiksinstructies (S = safety: bijvoorbeeld «niet roken tijdens het gebruik»).

In het derde lid wordt een aantal zelfstandig te lezen afwijkingen van het eerste lid gegeven. Bij de bepaling van de totale hoeveelheid toegestane stoffen behoeft geen rekening te worden gehouden met de in het derde lid opgenomen stoffen. Er behoeft bijvoorbeeld geen rekening te worden gehouden met de in een auto of scooter aanwezige motorbrandstoffen (a) of met voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken (c). Onderdeel f van het derde lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Wet milieubeheer of de Wabo is toegestaan. Hiermee wordt zeker gesteld dat voor dergelijke stoffen uitsluitend de Wet milieubeheer en een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo gelden en zodoende strijdige voorschriften worden uitgesloten.

Op grond van het vierde lid moet de inhoudsmaat van een aangebroken verpakking volledig worden meegerekend. Indien bijvoorbeeld in een vat nog vier liter zit van de oorspronkelijke tien liter dan moet gerekend worden met tien liter. Enkele rekenvoorbeelden op basis van artikel 7.6. Ongeacht de aanwezigheid van andere stoffen mogen altijd gasflessen met een maximum inhoud van in totaal 115 liter en maximaal 1.000 liter diesel-, gas- of lichte stookolie (vlampunt tussen 61°C en 100°C) aanwezig zijn. Bij de overige stoffen gaat het niet alleen om een maximum hoeveelheid voor stoffen per ADR-klasse (bijvoorbeeld: geen grotere hoeveelheid van stoffen van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep II dan totaal 25 liter) maar mag ook de hoeveelheid van stoffen uit alle genoemde ADR-klassen tezamen niet meer dan 100 kilogram of liter bedragen. Wanneer, bijvoorbeeld, in een bouwwerk 50 liter vloeistof van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep III en 50 kilogram stoffen van ADR-klasse 5.1 aanwezig zijn, is die grens van de toegestane maximum hoeveelheid van 100 kilogram of liter bereikt. In dat geval mogen daarnaast nog wel de eerdergenoemde gasflessen en oliesoorten tot maximaal de daarvoor aangegeven maximum hoeveelheid aanwezig zijn maar geen van de overige in de tabel aangegeven stoffen.

In het vijfde lid is geregeld dat in afwijking van het derde lid, onderdeel e, meer dan 1.000 liter van een in dat artikelonderdeel bedoelde oliesoort aanwezig mag zijn indien de wijze van opslag en gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende worden voorkomen. Op grond daarvan kan het bevoegd gezag dus instemmen met de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid. De reikwijdte van die bevoegdheid is beperkt tot gevallen die buiten de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer in een bouwwerk dat geen inrichting in de zin van de Wet milieubeheer is (bijvoorbeeld een stadion) meer dan 1.000 liter dieselolie aanwezig is ten behoeve van generatoren die tijdens een evenement worden gebruikt.

Artikel 7.7Brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen

In dit artikel gaat het om de bedrijfsmatige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen (bijvoorbeeld hout, autobanden en kunststoffen). Dergelijke stoffen vallen sedert 2008 niet meer onder de milieuregelgeving omdat het brandgevaarlijk zijn op zich niet als een direct milieurisico wordt gezien.

Het eerste lid geeft een functionele eis voor de bedrijfsmatige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen. De opslag van dergelijke stoffen in een bouwwerk of in de open lucht moet zodanig zijn dat bij brand geen onaanvaardbaar risico ontstaat voor percelen die zijn gelegen naast het perceel waar die opslag plaatsvindt. Dit geldt alleen wanneer de belending een bestaande of toekomstige kampeerterrein, een speeltuin of een opslag van brandgevaarlijke stoffen is en voor gebouwen op het belendend perceel. Het begrip «brandgevaarlijke stof» is gedefinieerd in artikel 1.1, eerste lid. Omdat dit eerste lid ook van toepassing is op toekomstige situaties betekent dit dat het bedrijf zich zal moeten aanpassen. Het gaat daarbij alleen om toekomstige situaties die kunnen worden gerealiseerd op grond van het bestaande bestemmingsplan. Het gaat in dit lid dus met name om het voorkomen van brandoverslag naar die aangrenzende percelen.

In het tweede lid zijn is aangegeven wanneer bij de opslag van hout buiten een gebouw aan het eerste lid is voldaan. Er mag geen sprake zijn van brandoverslag naar het andere perceel gedurende een uur nadat een brand in de opslag is uitgebroken. Wanneer aan deze prestatie-eis is voldaan, is daarmee ook voldaan aan de in het eerste lid gegeven functionele eis. Degene die voor de opslag verantwoordelijk is, zal zo nodig ten genoegen van het bevoegd gezag aannemelijk moeten maken dat de opslag aan de in het voorschrift gestelde eisen voldoet. Zie ook de «Bepalingsmethode warmtestralingsbelasting opslag van hout» van het voormalige ministerie van VROM (mei 2004) (te downloaden via www.rijksoverheid.nl) en het daarbij behorende computermodel (te downloaden via www.infomil.nl).

In het derde lid is bepaald hoe de stralingsbelasting van de opslag moet worden gemeten. Wanneer op het aangrenzend perceel een kampeerterrein, een speeltuin of een opslag van brandgevaarlijke stoffen is gevestigd, moet op de perceelsgrens worden gemeten. Wanneer op het aangrenzende perceel een gebouw is gelegen mag op geen enkel punt van de uitwendige scheidingsconstructie de in het tweede lid bedoelde stralingsbelasting worden overschreden. Dit kan het beste gemeten worden op de naar de perceelsgrens toegekeerde muur.

Een voorbeeld. Naast een palletbedrijf bevindt zich op 100 m afstand van de perceelsgrens van dat bedrijf de buitenmuur van een schoolgebouw. In dat geval moet de stralingsbelasting worden gemeten op de naar de houtopslag van dat bedrijf gekeerde buitenmuur van die school. Wanneer de school overeenkomstig het in het bestemmingsplan aangegeven bouwblok wil uitbreiden met een lokaal, waardoor de buitenmuur van de school op bijvoorbeeld 50 m van de perceelsgrens van het palletbedrijf komt te staan, zal de stralingsbelasting het beste kunnen worden berekend op die nieuwe buitenmuur. Zolang van de mogelijkheid van een extra lokaal geen gebruik wordt gemaakt, moet de stralingsbelasting worden berekend op de buitenmuur die op 100 m van de perceelsgrens is gelegen. Zodra het nieuwe lokaal is gebouwd, moet de stralingsbelasting worden berekend op de nieuwe buitenmuur die op 50 m van de perceelsgrens is gelegen. Om aan de eisen te kunnen voldoen, kan het noodzakelijk zijn dat de houtopslag op het terrein van het bedrijf na het bouwen van het extra lokaal verplaatst moet worden of dat het palletbedrijf op zijn terrein extra brandwerende voorzieningen moet treffen. Het bedrijf kan in een dergelijk geval geen rechten ontlenen aan de oude situatie. Het geven van een concrete prestatie-eis voor de bedrijfsmatige opslag van andere brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, zoals bijvoorbeeld autobanden of kunststofproducten, is nog niet mogelijk omdat daarvoor nog geen bepalingsmethode beschikbaar is.

Artikel 7.8Opslag in stookruimte

Dit artikel bepaalt dat in een ruimte waarin een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW aanwezig zijn geen brandbare goederen mogen zijn opgeslagen of opgesteld.

Artikel 7.8 is bij Stb. 2015, 249, verduidelijkt. Het voorschrift heeft alleen betrekking op technische ruimten waar verbrandingstoestellen staan opgesteld. Met het vervangen van het begrip “ruimte” door technische ruimte is duidelijk gemaakt dat het voorschrift niet van toepassing is op functie- of verblijfsruimten waar verbrandingstoestellen, zoals lokale verwarmingsinstallaties, zijn opgesteld.

Artikel 7.9Veilig gebruik verbrandingstoestel

In dit artikel staan de voorwaarden waaraan bij het gebruik van een verbrandingstoestel moet zijn voldaan.

Onderdeel a van het eerste lid bepaalt dat tijdens het gebruik van een verbrandingstoestel de openingen in de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht of de afvoer van rookgas niet afgesloten mogen zijn. Hiermee worden een brandgevaarlijke situatie en koolmonoxidevergiftiging als gevolg van een slechte toevoer van verbrandingslucht of onvoldoende afvoer van rookgassen voorkomen. In artikel 3.49 staat dat er een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel voorzieningen moet hebben voor de toevoer van verbrandingslucht of de afvoer van rookgas. Onderdeel b bepaalt dat een verbrandingstoestel niet mag worden gebruikt als de capaciteit van de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht of de voorziening voor de afvoer van rook gas onvoldoende is om het toestel goed te kunnen laten functioneren. Ook de capaciteit van eventueel aangebrachte aansluitingen tussen deze voorzieningen en het verbrandingstoestel moet voldoende zijn. Zie voor de capaciteit ook afdeling 3.8. Onderdeel c bepaalt dat de opstelling met inbegrip van de aansluitleiding tussen het toestel en de voorziening voor de afvoer van rookgas brandveilig moet zijn. In het tweede lid van dit artikel staat wanneer daar in ieder geval aan is voldaan. Onderdeel d eist dat een schoorsteen of afvoerkanaal doeltreffend moet zijn gereinigd. Dit is voor een stooktoestel in het algemeen het geval indien de schoorsteen afhankelijk van het gebruik eenmaal per jaar wordt geveegd. Onderdeel e regelt dat het verbrandingstoestel met een rookgasafvoeropening met aansluitmogelijkheid op een schoorsteen, op een correcte wijze op het schoorsteenkanaal moet zijn aangesloten. Een ondeugdelijke aansluiting zou onder meer kunnen leiden tot lekkage van rookgas of brandgevaar. Uit artikel 2.64 volgt dat een rookgasafvoer brandveilig moet zijn. Een bestaande rookgasafvoer die niet aan deze criteria voldoet moet direct worden hersteld en mag voorafgaande aan het herstel niet worden gebruikt.

Naast de specifieke in dit artikel opgenomen voorschriften geldt uiteraard artikel 1.16 (Zorgplicht) waar in het eerste lid, onder c, is bepaald dat gebruik zodanig moet zijn dat er geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

In het tweede lid is bepaald dat er in ieder geval sprake is van een brandveilige opstelling wanneer voldaan is aan NEN 3028.

Artikel 7.10Restrisico brandgevaar en ontwikkeling van brand

Deze algemene verbodsbepaling («kapstokartikel») heeft betrekking op brandveilig gebruik waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit besluit. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer het brandveilig gebruik onvoldoende gewaarborgd is (ook indien het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften van dit besluit). Het gaat hier om een geclausuleerde bevoegdheid die uitsluitend kan worden toegepast in de in dit artikel genoemde omstandigheden. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat de gemeente algemene aanvullende of nadere eisen stelt. Voorts moeten de geëiste maatregelen altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen. Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit kapstokartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • indien brandgevaar wordt veroorzaakt door bijvoorbeeld het opslaan van brandbaar materiaal of het verzamelen van afval in een onveilig opgestelde container (onderdeel a);
  • indien op een beschermde of extra beschermde vluchtroute objecten staan die brandgevaar opleveren (onderdeel a);
  • indien de terugloopruimte van een roltrap niet goed wordt schoongehouden. In een dergelijke ruimte opgehoopt stof, vet en vuil kan leiden tot brandgevaar (onderdeel a);
  • indien in een ruimte bijvoorbeeld een zodanig grote vuurbelasting aanwezig is en/of een zodanig snel brandverloop kan optreden, dat de beheersbaarheid van brand zoals beoogd met de brand- of subbrandcompartimentering, niet is gewaarborgd en als gevolg daarvan de brand zou kunnen overslaan naar bijvoorbeeld een aangrenzende of nabij gelegen woning, ziekenhuis of andere kwetsbare gebruiksfunctie (onderdeel b).
Zie ook de toelichting op artikel 7.16 (Restrisico veilig vluchten bij brand).