Contact Service
Afdeling 6.4 Afvoer van huishoudelijk afvalwat ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Afdeling 6.4 Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater, nieuwbouw en bestaande bouw

Algemeen

De voorschriften van deze afdeling hebben betrekking op voorzieningen voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater, de gebouw- en buitenriolering, die aangesloten worden op de perceelaansluiting en in het verlengde daarvan op de openbare voorzieningen voor het beheer van afvalwater (veelal het openbaar vuilwaterriool, openbaar hemelwaterstelsel of openbaar ontwateringsstelsel). Doel van deze voorschriften is een voor de gezondheid nadelige situatie te voorkomen. Deze voorschriften zijn afgestemd met de milieu- en waterregelgeving. In die regelgeving zijn de overheidszorgplichten met betrekking tot afvalwater beschreven en is bepaald wat geloosd mag worden. Zie wat betreft de zorgplicht de Wet milieubeheer (zorgplicht voor stedelijk afvalwater, artikel 10.33) en de Waterwet (zorgplicht voor afvloeiend hemelwater, artikel 3.5). De regels voor het lozen zijn opgenomen in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, het Besluit lozen buiten inrichtingen en het Besluit lozing afvalwater huishoudens. Daarnaast kunnen ook de omgevingsvergunning en een gemeentelijke verordening voor het lozen van hemelwater en grondwater regels voor het lozen bevatten. In de bouwregelgeving zijn vervolgens de bouw- en installatietechnische eisen opgenomen die gelden voor de afvoer vanuit of vanaf bouwwerken die aangesloten worden op de perceelaansluiting en in het verlengde daarvan op de openbare voorzieningen voor het beheer van afvalwater.

Artikel 6.15Aansturingsartikel

Het eerste lid van dit artikel geeft als functionele eis dat de voorziening voor huishoudelijk afvalwater of hemelwater zodanig moet zijn dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Tabel 6.15 is bij Stb 2015, 249, aangepast omdat artikel 6.18, vierde lid, is vervallen.

Artikel 6.16Afvoer van huishoudelijk afvalwater

Het eerste lid bevat de eis dat een bouwwerk met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel, voor iedere opstelplaats een voorziening heeft voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater.

In het tweede lid worden eisen gesteld aan de capaciteit en de kwaliteit (lucht- en waterdichtheid) van die afvoervoorziening. Voor nieuwbouw (onderdeel a) en bestaande bouw (onderdeel b) gelden verschillende eisen. Bij bestaande bouw gelden lagere eisen dan bij nieuwbouw. Er worden bij bestaande bouw geen eisen gesteld aan de aanwezigheid en de plaats van de uitmonding van de ontspanningleiding gesteld en er kan volstaan worden met een lagere capaciteit. Een bestaande afvoervoorziening moet zodanig zijn dat daarop aangesloten lozingstoestellen binnen 5 minuten kunnen worden geleegd.

De in dit artikel opgenomen regels gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor de inzameling, het transport of de zuivering van huishoudelijk afvalwater.

Artikel 6.17Afvoer van hemelwater

Het eerste lid stelt eisen aan de opvang en afvoer van hemelwater van een dak van een te bouwen gebouw. De afvoervoorziening moet afhankelijk van de afmetingen van het op de afvoervoorziening aangesloten dak of gedeelte daarvan voldoende afvoercapaciteit hebben. Deze capaciteit wordt bepaald met behulp van NEN 3215.

In het tweede lid is bepaald dat een hemelwatervoorziening die door het gebouw zelf heen loopt lucht- en waterdicht moet zijn. Dit geldt zowel voor nieuwbouw als voor bestaande bouw.

Artikel 6.18Gebouwaansluiting

In het eerste en tweede lid zijn technische eisen ten aanzien van ligging van de gebouwaansluiting van een afvoervoorziening opgenomen.

Het derde lid bevatten technische eisen aan de gebouwaansluiting. Op verzoek van de praktijk wordt het begrip 'gebouwaansluiting' gebruikt in plaats van 'buitenriolering' omdat dat beter aansluit op de bedoeling van het voorschrift [Stb. 2011, 676].

De eerste drie leden gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor het beheer van afvalwater.

Het vierde lid van artikel 6.18 is bij Stb. 2015, 249, vervallen. Dit is gedaan omdat de eisen waaraan een terreinleiding moet voldoen al staan in het derde lid. Het stellen van specifieke producteisen is in principe niet nodig. Hierbij komt dat veel van de bedoelde producten vallen onder geharmoniseerde Europese productnorm zodat leveranciers van dergelijke producten sowieso verplicht zijn om deze met CE-markering te leveren.

Het vijfde lid (vierde lid na Stb. 2015, 249), is alleen van toepassing indien er een openbare voorziening voor de afvoer van afvalwater (huishoudelijk afvalwater of hemelwater) aanwezig is waarop kan worden aangesloten. Onderdeel a heeft betrekking op het geval dat er voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of systeem als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de Wet milieubeheer aanwezig is. Onderdeel b heeft betrekking op het geval dat er een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is. In die gevallen bepaalt het bevoegd gezag op welke plaats, op welke hoogte en met welke middellijn de voor de aansluiting van de afvoervoorziening noodzakelijke huisaansluiting bij de gevel van het bouwwerk dan wel de grens van het erf of terrein wordt aangelegd. Op grond van onderdeel c kan het bevoegd gezag voorzieningen eisen om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Of er openbare voorzieningen voor de afvoer van afvalwater aanwezig zijn volgt uit de hierboven bij het onderdeel Algemeen genoemde zorgplicht. Die overheidszorgplicht is zowel bij huishoudelijk afvalwater als bij hemelwater niet absoluut. Wanneer de aanleg van voorzieningen voor huishoudelijk afvalwater in het buitengebied niet doelmatig is, moeten burgers en bedrijven zelf in de afvoer of zuivering van huishoudelijk afvalwater voorzien. De zorgplicht voor hemelwater gaat er van uit dat gemeenten ook in stedelijk gebied niet hoeven in te zamelen indien burgers en bedrijven zelf in afvoer van hemelwater kunnen voorzien. Waar wel wordt ingezameld kan de gemeente bij de invulling van haar zorgplicht kiezen tussen de gemengde of afzonderlijke inzameling.

In artikel 6.18 is bij Stb. 2013, 75, een aantal wijzigingen in de gebruikte terminologie aangebracht. Het kopje "gebouwaansluiting" is bijvoorbeeld vervangen door terreinleiding. Met deze wijzigingen zijn de in artikel 6.18 gebruikte begrippen hetzelfde als die in NEN 3215. Deze wijzigingen, die verder geen inhoudelijke betekenis hebben, zijn op expliciet verzoek van de bouwpraktijk aangebracht, om de toegankelijkheid van het voorschrift verder te vergroten en de aansluiting aan NEN 3215 zuiver te houden.