Contact Service
Afdeling 6.14 Elektronische communicatie, nieu ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Afdeling 6.14 Elektronische communicatie, nieuwbouw

Na afdeling 6.13 is bij Stb. 2017, 268 een afdeling 6.14 ingevoegd. Met deze afdeling zijn de artikelen 2, negende lid en 8, eerste en tweede lid, van de richtlijn breedband omgezet. Volgens deze richtlijn moeten nieuwe gebouwen en woningen voorzien zijn van een ‘toegangspunt’ voor elektronische communicatie met hoge snelheid. Verder moeten nieuwe gebouwen een ‘fysieke binnenhuisinfrastructuur voor hoge snelheid’ hebben, die door een netwerkaanbieder kan worden gebruikt om zijn aansluitleiding door te voeren naar het ‘toegangspunt’ van het gebouw. De richtlijn vraagt niet om de daadwerkelijke aansluiting zelf. Het gaat alleen om het creëren van de mogelijkheid om deze aansluiting eenvoudig te realiseren.

In opdracht van de Minister van Economische Zaken heeft adviesbureau EGC Advies geadviseerd over de vraag welke nieuwe voorschriften nodig zijn ter implementatie van de richtlijn kostenreductie breedband. De voorliggende wijzigingen zijn gebaseerd op dit advies “technische en financiële onderbouwing artikelen 8 en 9 van richtlijn 2014/61/EU (kostenreductie breedband)” van 30 juni 2015. Zoals in genoemd onderzoek is aangegeven zijn deze wijzigingen een neerslag van hetgeen al geruime tijd in de praktijk wordt toegepast.

Artikel 6.56 Aansturingsartikel

Het aansturingsartikel bepaalt dat een te bouwen gebouw met een aansluiting op het distributienet voor elektriciteit als bedoeld in artikel 6.10, eerste lid, voorzieningen heeft voor de aansluiting op een openbaar elektronisch communicatienetwerk met hoge snelheid. Het voorschrift is alleen van toepassing op nieuwe gebouwen en dus niet op een bouwwerk geen gebouw zijnde (zoals bijvoorbeeld een tunnel of een brug). Het voorschrift is evenmin van toepassing als een bouwwerk overeenkomstig artikel 6.10, derde lid, geen aansluiting op het distributienet voor elektriciteit behoeft te hebben omdat de afstand tot het aansluitpunt te groot is.

Artikel 6.57 Toegangspunt

Een gebruiksfunctie moet een niet gemeenschappelijke plaats hebben die bestemd is voor een aansluitpunt voor aansluiting op een openbaar telecommunicatienetwerk met hoge snelheid. Deze plaats wordt het toegangspunt genoemd. Deze plaats mag overal in de gebruiksfunctie zijn gelegen, zolang deze maar toegankelijk is voor een monteur om de aansluiting tot stand te brengen en een vloeroppervlakte van ten minste 0,75 x 0,31 m2 en een hoogte van ten minste 2,1 m heeft. De definitie van artikel 2, 11e lid, van de richtlijn breedband gaat er overigens van uit dat het aansluitpunt eventueel ook buiten het gebouw kan liggen. In dit artikel is er van uit gegaan dat het toegangpunt in het gebouw ligt, dit is overeenkomstig de in Nederland gangbare praktijk. Deze afmetingen zijn gelijk aan de minimum afmetingen voor een meterruimte volgens NEN 2768. Hoewel een dergelijke meterruimte niet is voorgeschreven in het Bouwbesluit 2012, wordt deze in het algemeen bij nieuwbouw wel gerealiseerd. In zo’n meterruimte is standaard plaats voor twee aansluitpunten voor aansluiting op een telecommunicatienetwerk. Dit betekent dat er plaats is voor twee aansluitapparaten zoals bijvoorbeeld een modem of router. Hiermee is het zelfs mogelijk dat eventueel twee verschillende netwerkaanbieders beiden een aansluiting realiseren. Door te eisen dat het toegangspunt in een toegankelijke ruimte ligt die ten minste even groot is als een standaard meterruimte, blijft het mogelijk om het toegangspunt in de meterruimte te situeren. Het toegangspunt kan echter in alle ruimten van een gebruiksfunctie worden gerealiseerd, zolang deze maar toegankelijk en de minimum afmetingen hebben. Het eerste lid geldt voor iedere nieuwe gebruiksfunctie met uitzondering van het bouwwerk geen gebouw zijnde. In het geval van een woongebouw betekent dit dat iedere woning een toegangspunt moet hebben. Bij andere gebouwen met meerdere zelfstandige gebruiksfuncties, moet iedere gebruiksfunctie een eigen toegangspunt hebben. Als bijvoorbeeld sprake is van een winkelfunctie met daarboven een kantoorfunctie die niet bij de winkel hoort, moet ieder een eigen toegangspunt hebben. Alleen een zogenoemde nevenfunctie behoeft op grond van het derde lid geen eigen toegangspunt te hebben. Zo bestaat een winkel veelal ook uit een aantal nevenfuncties van de winkelfunctie. De kantine van de winkel is een bijeenkomstfunctie, het kantoor een kantoorfunctie en de opslag een industriefunctie. Alleen de winkelfunctie zelf behoeft een toegangspunt te hebben. Dit toegangspunt mag overigens wel gelegen zijn in een van die nevenfuncties. Zie voor een toelichting op het begrip nevenfunctie de artikelsgewijze toelichting op artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 (stb. 2011,416).

Artikel 6.58 Fysieke binnenhuisinfrastructuur

De netwerkaanbieders moeten hun aansluitleiding in het gebouw kunnen invoeren en doortrekken tot aan het aansluitpunt van de gebruiksfunctie. Daarvoor is naast een invoerpunt ook een zogenoemde doorvoerleiding nodig. Deze doorvoerleiding kan bestaan uit (al dan niet gemeenschappelijke) bouwkundige schachten en kokers of ‘installatietechnische’ leidingen, maar ook uit (al dan niet gemeenschappelijke) ruimtelijke reserveringen. De doorvoerleiding is dus een aaneengesloten ruimte tussen het invoerpunt van het gebouw en het aansluitpunt van de gebruiksfunctie. Deze doorvoerleiding is de fysieke binnenhuisinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van de richtlijn. Een te bouwen gebouw moet ten minste één invoerpunt hebben (eerste lid). Ten behoeve van het onderbrengen van de aansluitleiding van een telecommunicatienetwerk naar een toegangspunt, is in het tweede lid bepaald dat het gebouw waarin de gebruiksfunctie ligt voorzien moet zijn van een (al dan niet gemeenschappelijke) aaneengesloten ruimte die direct aansluit aan het invoerpunt en aan het aansluitpunt, en waarvan de kleinste afmeting ten minste 40 mm bedraagt. De vereiste aaneengesloten ruimte vormt de ruimtelijke begrenzing van het leidingverloop van de aansluitleiding. Deze ruimte hoeft niet fysiek begrensd te zijn. In buisvorm volstaat een inwendige diameter van 40 mm. In kokervorm volstaat een inwendige doorsnede van 40 x 40 mm2. Op grond van het derde lid moet de doorvoer van een aansluitleiding van een telecommunicatienetwerk door een uitwendige scheidingsconstructie, een niet-toegankelijke ruimte en een kruipruimte worden uitgevoerd met een mantelbuis die voldoet aan NEN 2768. Het ligt voor de hand om de vereiste aaneengesloten ruimte onder te brengen in de schachten en kokers die er toch al zijn voor de aansluitleidingen van gas, elektriciteit, water, warmte en elektronische communicatie.

Artikel 6.59 Verbouw

Als een gebouw zo wordt verbouwd dat een omgevingsvergunning voor het bouwen nodig is, gelden1 de nieuwbouwvoorschriften. Uit het Besluit omgevingsrecht volgt in welke gevallen een vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig is. In het algemeen kan gesteld worden dat voor een grote renovatie of verbouwing een vergunning voor het bouwen nodig is. Indien het gebouw dat wordt verbouwd al voorzieningen heeft voor elektronische communicatie en als deze voorzieningen onderdeel zijn van verbouwing, dan moeten de nieuwe soortgelijke voorzieningen voldoen aan de nieuwbouwvoorschriften.

Opmerking BRIS

1 Voeg in: , als bij die verbouwing ook de voorziening voor communicatie worden veranderd of vernieuwd,