Contact Service
Afdeling 6.1 Verlichting, nieuwbouw en bestaan ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Afdeling 6.1 Verlichting, nieuwbouw en bestaande bouw

Artikel 6.1Aansturingsartikel

Het eerste lid van dit artikel geeft als functionele eis dat een bouwwerk een zodanige verlichtingsinstallatie moet hebben dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten. Deze functionele eis heeft geen betrekking op sociale veiligheid, arbeidsomstandigheden en bruikbaarheid. Dergelijk eisen aan de verlichtingsinstallatie volgen bijvoorbeeld uit specifieke programma’s van eisen of uit de krachtens de Arbeidsomstandighedenwet opgestelde zogenoemde arbocatalogie, die van geval tot geval kunnen variëren.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Het vierde en vijfde lid van artikel 6.3, waarin aanvullende eisen aan de noodverlichting van een liftkooi werden gesteld, zijn vervallen. Het is namelijk niet toegestaan dergelijke eisen in nationale regelgeving te stellen nu dit onderwerp is geregeld in richtlijn 1995/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende liften (PbEG 1995, L213). Tabel 6.1 is overeenkomstig gewijzigd .1

In artikel 6.6 (tijdelijke bouw) werd ten onrechte nog verwezen naar het vierde lid van artikel 6.3 dat per 1 april 2014 (Stb. 2014, 51) is vervallen. Dat lid had betrekking op de noodverlichting van een liftkooi. Nu deze eis niet meer geldt kan artikel 6.6 ook vervallen. Tabel 6.1 is in Stb. 2017, 268 overeenkomstig aangepast.

Opmerking BRIS

1 Deze wijziging berust op een misvatting van de wetgever want een Europese richtlijn heeft geen rechtstreeks werking, maar behoeft nationale implementatie (ERB).

Artikel 6.2Verlichting

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een verlichtingsinstallatie en de vereiste verlichtingssterkte. Vanuit een oogpunt van gebruiksveiligheid (veilig vluchten) is in het algemeen een op de vloer (voor personen bestemde vloer of hellingbaanvloer) of het tredevlak (bovenzijde van een traptrede) gemeten verlichtingssterkte van 1 lux voldoende.

Bovenstaande uitgangspunten leiden ertoe dat op grond van het eerste lid lid voor bijna alle gebruiksfuncties een verlichtingsinstallatie in verblijfsruimten is voorgeschreven. Een verlichtingsinstallatie is niet vereist voor bijvoorbeeld ruimten van een industriefunctie voor opslag, voor het houden van dieren of voor andere agrarische doeleinden.

Het tweede lid geeft voor ondergrondse stations en voor ondergrondse parkeergarages een soortgelijk voorschrift als het eerste lid. In een functieruimte van een dergelijke gebruiksfunctie moet een verlichtingsinstallatie aanwezig zijn die voorziet in een op de vloer gemeten verlichtingssterkte van 1 lux. Zie artikel 1.1, eerste lid, voor de definitie van en toelichting op het begrip «functieruimte».

Het derde lid regelt dat in een functieruimte van een bovengrondse gebruiksfunctie voor het personenvervoer (stationsgebouw) met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m² een verlichtingsinstallatie aanwezig moet zijn die voorziet in een op de vloer gemeten verlichtingssterkte van 1 lux.

Het vierde lid stelt de eis van 1 lux aan een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert. Een extra beschermde vluchtroute en een veiligheidsvluchtroute zijn een verbijzondering van een «beschermde vluchtroute», zodoende is deze eis ook op deze vluchtroutes van toepassing. Het vierde lid geldt voor alle gebruiksfuncties, behalve voor een lichte industriefunctie.In het vierde lid van artikel 6.2 is bij Stb. 2013, 75, het begrip "beschermde route" toegevoegd. Hiermee is ook voor beschermde routes in bestaande bouwwerken noodverlichting verplicht. Of een vluchtroute een beschermde vluchtroute of beschermde route is volgt uit afdeling 2.12. Indien een vluchtroute door een ruimte voert die breder is dan de voor het vluchten benodigde breedte behoeft alleen in het gedeelte dat daadwerkelijk voor het vluchten nodig is noodverlichting te worden toegepast. Zie voor een toelichting op het begrip beschermde route de toelichting op artikel 1.1 van dit besluit.

Elke vloer, trap en hellingbaan van een wegtunnelbuis van een tunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m moet volgens het vijfde lid met 1 lux verlicht kunnen worden.

Er wordt op gewezen dat voor op het moment van inwerkingtreding van dit besluit bestaande bouwwerken een overgangsbepaling is opgenomen. Zie artikel 9.2, eerste lid, onder c.

Op grond van het zesde lid moet bij nieuw te bouwen tunnels de overgang tussen de verlichting buiten, en de verlichting in de wegtunnelbuis zodanig zijn dat de weggebruikers niet kunnen worden verblind door een plotselinge overgang van daglicht naar tunnellicht of van tunnellicht naar daglicht. De aard van de voorziening is afhankelijk van een aantal factoren zoals omgevingsfactoren, oriëntatie en verlichting in de wegtunnelbuis.

In artikel 6.2 zijn bij Stb. 2014, 51 een aantal redactionele wijzigingen doorgevoerd, waarmee dit artikel in overeenstemming is gebracht met de artikelen 2.19 en 2.25.

Artikel 6.3Noodverlichting

Om ook veilig te kunnen vluchten wanneer de elektriciteit uitvalt moet bij risicovolle situaties de verlichtingsinstallatie op een voorziening voor noodstroom zijn aangesloten (noodverlichting).

Op grond van het eerste lid is noodverlichting voorgeschreven voor verblijfsruimten met meer dan 75 personen en elke vluchtroute waarop de personen uit deze ruimte bij het vluchten zijn aangewezen, voor zover die routes door een besloten ruimte voeren.

Het tweede lid richt zich op noodverlichting in een onder het meetniveau gelegen functieruimte.

Het derde lid schrijft noodverlichting voor in een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert.

Het vierde en vijfde lid hebben betrekking op de noodverlichting van een liftkooi. Het vierde lid dat voor alle gebruiksfuncties, behalve voor de celfunctie, geldt is alleen van toepassing op nieuw te bouwen bouwwerken.

Uit het vijfde lid volgt voor de celfunctie dat de noodverlichting in een liftkooi zowel bij nieuwbouw als bestaande bouw is voorgeschreven.

Het vierde en vijfde lid van artikel 6.3, waarin aanvullende eisen aan de noodverlichting van een liftkooi werden gesteld, zijn vervallen. Het is namelijk niet toegestaan dergelijke eisen in nationale regelgeving te stellen nu dit onderwerp is geregeld in richtlijn 1995/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende liften (PbEG 1995, L213). 1

Het vierde lid regelt de noodverlichting in een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m.

Uit het vijfde lid volgt dat alle noodverlichting binnen 15 seconden na het uitvallen van de hoofdvoorziening voor elektriciteit moet zijn geactiveerd en vervolgens gedurende ten minste 60 minuten aaneengesloten een verlichtingssterkte moet geven van ten minste 1 lux, gemeten op de vloer en het tredevlak.

In het vijfde lid (was zevende lid) van artikel 6.3 zijn bij Stb. 2014, 51 redactionele wijzigingen doorgevoerd waarmee dit voorschrift in overeenstemming is gebracht met de artikelen 2.19 en 2.25.

Opmerking BRIS

1 Deze wijziging berust op een misvatting van de wetgever want een Europese richtlijn heeft geen rechtstreeks werking, maar behoeft nationale implementatie (ERB).

Artikel 6.4Aansluiting op voorziening voor elektriciteit

Uit dit artikel blijkt dat zowel een voorgeschreven gewone verlichtingsinstallatie als voorgeschreven noodverlichting moeten zijn aangesloten op een voorziening voor elektriciteit als bedoeld in artikel 6.8.

Artikel 6.5Verduisterde ruimten

Dit artikel stelt een eis aan ruimten voor meer dan 50 personen waarin het gebruikelijk is om de normale verlichting te reduceren of uit te schakelen (bijvoorbeeld theaters en bioscopen). In een dergelijke ruimte is oriëntatieverlichting noodzakelijk zodat zo nodig in het donker kan worden gevlucht. Het gaat dan bijvoorbeeld om het aanlichten van het gangpad of de traptreden naar een uitgang.

Artikel 6.6Tijdelijke bouw

Op een tijdelijk bouwwerk is het vierde lid van artikel 6.3 onverkort van toepassing. Zodoende moet ook een liftkooi van een te bouwen tijdelijk bouwwerk noodverlichting hebben. Dit voorschrift is een afwijking van de in artikel 1.14 gegeven hoofdregel dat op een tijdelijk bouwwerk de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

In artikel 6.6 (tijdelijke bouw) werd ten onrechte nog verwezen naar het vierde lid van artikel 6.3 dat per 1 april 2014 (Stb. 2014, 51) is vervallen. Dat lid had betrekking op de noodverlichting van een liftkooi. Nu deze eis niet meer geldt is artikel 6.6 bij Stb. 2017, 268 ook vervallen.