Contact Service
Artikel 5.2 Energieprestatiecoëfficiënt
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Artikel 5.2 Energieprestatiecoëfficiënt

De epc-eis is uitgedrukt in een grenswaarde voor de energieprestatiecoëfficiënt en geeft de mate van energiezuinigheid van een gebouw aan. De bij een bepaalde gebruiksfunctie gerealiseerde epc is de uitkomst van een berekening, waarin voor de specifieke gebruiksfunctie verschillende kengetallen en een speciaal voor die gebruiksfunctie vastgesteld toelaatbaar energiegebruik een rol spelen. De uitkomst waardeert de belangrijkste energetische eigenschappen van een gebruiksfunctie, met inbegrip van de daarin aanwezige gebouwinstallaties. Deze bepalingsmethode geeft veel ontwerpvrijheid en een prikkel tot het geïntegreerd ontwerpen van casco en installaties en het bedenken van energiezuinige gebouwconcepten. Uit artikel 5.5 volgt dat dit artikel niet van toepassing is op gebruiksfuncties die niet zijn bestemd op te worden verwarmd ten behoeve van het gebruik door mensen.

De grenswaarden voor de epc’s verschillen per gebruiksfunctie. Het eerste lid verwijst hiervoor naar tabel 5.1. De berekende epc moet lager zijn dan de in de tabel opgenomen grenswaarde. Opgemerkt wordt dat sedert 1 januari 2011 ook een energieprestatiecoëfficiënt voor de woonwagen geldt (1,3). Op dat moment is tevens de epc voor de «andere woonfunctie» naar 0,6 aangescherpt.

Aan het eerste lid van artikel 5.2 is bij Stb. 2015, 425 een volzin toegevoegd waarmee artikel 4.1, laatste alinea, van de richtlijn is omgezet. In deze volzin is bepaald dat de EPC ten minste eenmaal per vijf jaar wordt getoetst en zo mogelijk aangepast aan de laatste technische ontwikkelingen. Deze verplichting van de overheid om regelmatig te toetsen en aan te scherpen is met name ook van belang om tot bijna energieneutrale gebouwen te komen (artikel 9 van de richtlijn).

Het tweede lid geeft aan hoe de energieprestatiecoëfficiënt moet worden berekend bij een gebouw met meerdere gebruiksfuncties. Veel gebouwen bevatten namelijk een combinatie van gebruiksfuncties, zoals bijvoorbeeld een kantoor met een kantine (bijeenkomstfunctie) en bedrijfskeuken (industriefunctie). Op grond van dit tweede lid geldt voor zover deze gebruiksfuncties op het zelfde perceel liggen, geen eis aan de afzonderlijke gebruiksfuncties, maar een epc die is gebaseerd op de epc’s van alle gebruiksfuncties die onderdeel van dat gebouw uitmaken. Er geldt een eis voor het totale toelaatbare jaarlijkse energiegebruik van het gebouw. Dit wordt dan afgezet tegen het karakteristieke energiegebruik. Het karakteristieke energiegebruik en het toelaatbare energiegebruik moeten ook voor een woonfunctie in een gebouw met gebruiksfuncties van een andere soort (dit is dus niet een zuiver woongebouw) worden berekend volgens NEN 7120. Gebruiksfuncties waarvoor geen epc-eis geldt, zoals de industriefunctie, blijven bij de berekening buiten beschouwing.

Het derde lid biedt de mogelijkheid om bij zogenoemde gebiedsgebonden maatregelen voor de rendementen bij verwarming, warm tapwater en koeling naar keuze gebruik te maken van een in NEN 7120 aangegeven vaste waarde (referentierendement) of gebruik te maken van een volgens NVN 7125 te berekenen waarde. Wanneer in het kader van gebiedsgebonden maatregelen wordt besloten gebruik te maken van NVN 7125, mag de waarde van de energieprestatiecoëfficiënt zonder dat gebruik gemaakt is van deze voornorm ten hoogste 1,33 maal de in tabel 5.1 aangegeven waarde zijn. Dit betekent dat bij het gebruik maken van NVN 7125 de berekening altijd tweemaal moet worden uitgevoerd, eenmaal zonder en eenmaal met toepassing van NVN 7125. Alleen op grond van de berekening zonder NVN 7125 wordt bepaald of de gebouwgebonden maatregelen zodanig zijn dat de NVN kan worden toegepast. Is de uitkomst van deze berekening ten hoogste 1,33 maal de in tabel 5.1 aangegeven waarde, dan kan vervolgens de energieprestatiecoëfficiënt worden bepaald aan de hand van de feitelijke, met behulp van de voornorm, te berekenen waarde. Toepassing van NVN 7125 biedt dus de mogelijkheid om uit te gaan van een gunstiger rendement van gebiedsgebonden maatregelen dan het in NEN 7120 opgenomen referentierendement. Opgemerkt wordt dat gebiedsgebonden maatregelen die nog niet in NVN 7125 zijn opgenomen op basis van gelijkwaardigheid (zie artikel 1.3) kunnen worden toegepast.

Na het derde lid zijn bij Stb. 2015, 425 vier leden toegevoegd. Met het nieuwe vierde lid is ter omzetting van artikel 6 van de richtlijn bepaald dat wanneer er gebruik kan worden gemaakt van een energie-infrastructuur op gebiedsniveau als bedoeld in NVN 7125 (ook wel een gebiedsmaatregel genoemd), bij de bepaling van de EPC de technische, functionele en economische haalbaarheid in overweging moeten worden genomen. De resultaten van deze overwegingen moeten worden gedocumenteerd en beschikbaar worden gehouden voor controle.

Met het nieuwe vijfde lid is ter omzetting van artikel 9.1 van de richtlijn bepaald dat nieuwe gebouwen die in eigendom zijn bij de overheid en waarin overheidsinstanties zijn gehuisvest bijna energieneutraal moeten zijn. Uit artikel II volgt dat dit voorschrift ingaat met ingang van 1 januari 2019. In het nieuwe zesde lid is bepaald dat alle overige gebouwen bijna energieneutraal moeten zijn. Uit artikel II volgt dat dit voorschrift ingaat met ingang van 31 december 2020. Voor een toelichting op het begrip bijna energieneutraal wordt verwezen naar de toelichting op onderdeel A.

Met het zevende lid is bepaald dat bij ministeriële regeling voorschriften kunnen worden gegeven over het in het vierde, vijfde en zesde lid bepaalde.

Wat betreft de nationale plannen om te zorgen voor een toename van het aantal bijna-energieneutrale gebouwen (artikel 9, eerste lid, laatste alinea, van de richtlijn) wordt opgemerkt dat in de brief van 18 december 2014 (Kamerstukken II 2014, 2015, 30 196, nr. 261) is ingegaan op de zogenoemde routekaart voor bijna-energieneutrale nieuwbouw. Deze brief bevat eveneens informatie over de nu reeds gezette stappen.

De inhoudelijke wijzigingen in artikel 5.2 (onderdeel F van Stb. 2017, 494) betreffen specifieke eisen voor de energieprestatiecoëfficiënt van drijvende bouwwerken en een verduidelijking van het lid dat betrekking heeft op bijna energieneutrale overheidsgebouwen. Verder zijn de interne verwijzingen in dit artikel overeenkomstig aangepast.

Drijvende bouwwerken

In artikel 5.2 is bij Stb. 2017, 494, een nieuw (tweede) lid tussengevoegd dat regelt dat een drijvend bouwwerk met een woonfunctie dat gebouwd wordt op een op 1 januari 2018 bestaande ligplaatslocatie een volgens NEN 7120 bepaalde energieprestatiecoëfficiënt (EPC) van ten hoogste 0,8 heeft. Dit is minder dan voor de «andere woonfuncties» waarvoor een energieprestatiecoëfficiënt geldt van ten hoogste 0,4. Deze lichtere eis is nodig omdat op dergelijke bestaande ligplaatslocaties (denk aan kades in binnensteden) maximum bouwhoogtes gelden ten behoeve van doorzicht naar het water vanuit gebouwen langs de kade. Voor het halen van een EPC van 0,4 is in het algemeen de toepassing van zonnepanelen op het dak nodig en dit kan mogelijk leiden tot conflict met de eisen aan de bouwhoogte. Daarom mag volstaan worden met een minder zware EPC van 0,8 die zonder het aanbrengen van zonnepanelen haalbaar is. Een ligplaatslocatie is een ligplaats of een aaneenschakeling van ligplaatsen. Binnen een ligplaatslocatie kan geschoven worden met de woonboten, zonder dat er sprake is van een nieuwe ligplaats.

Bijna energieneutraal

Het nieuwe zesde lid is qua inhoud grotendeels gelijk aan het oude vijfde lid, dat overigens nog niet in werking is getreden (Stb. 2015, 425). Een verschil is dat nu is aangegeven dat het om een afwijking van het eerste lid gaat. Een dergelijke wijziging is voor het moment van inwerkingtreding nodig omdat het in principe niet mogelijk is gelijktijdig aan het eerste en het zesde lid van artikel 5.2 te voldoen. Het tweede verschil is dat de datum van inwerkingtreding, 1 januari 2019, die eerder in artikel II van genoemd staatsblad was opgenomen, nu rechtstreeks in het artikel staat. Dit komt de kenbaarheid van het voorschrift ten goede. Op grond van het achtste lid (was zevende lid) wordt in de Regeling Bouwbesluit 2012 invulling gegeven aan het begrip bijna energieneutraal.