Contact Service
Afdeling 4.5 Buitenberging, nieuwbouw
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Afdeling 4.5 Buitenberging, nieuwbouw

Algemeen

Een buitenberging bij een woning is vooral van belang om eenvoudig en veilig de fiets op te bergen en daarmee uiteindelijk het fietsgebruik te stimuleren. Bovendien is in veel gevallen een buitenberging achteraf moeilijk in te passen. Daarom is besloten om de bergruimte bij nieuwbouw met de invoering van dit besluit opnieuw voor te schrijven.

Artikel 4.30Aansturingsartikel

Artikel 4.30 bevat in het eerste lid de functionele eis dat een bergruimte van een te bouwen woonfunctie geschikt moet zijn om fietsen tegen weer en wind beschermd te kunnen opbergen

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften van deze afdeling. Deze voorschriften gelden voor alle nieuw te bouwen woonfuncties.

Met de wijziging van de artikelen 4.30 en 4.31 zijn bij Stb. 2015, 249, de voorschriften voor nieuw te bouwen buitenbergingen zo aangepast dat bij studentenhuisvesting en zorghuisvesting wel een buitenberging is voorgeschreven, maar dat daaraan in artikel 4.31 geen specifieke eisen worden gesteld omdat tabel 4.30 de prestatie-eisen voor die gebruiksfuncties niet aanstuurt. In de functionele eis wordt voortaan niet alleen naar fietsen maar ook naar scootmobielen verwezen en is bepaald dat het om een afsluitbare bergruimte gaat. Dat in de functionele eis nu direct een uitzondering is gemaakt voor nieuwe asielzoekerscentra is geen inhoudelijke wijziging, maar een redactionele verduidelijking. Al bij de eerdere wijziging van het Bouwbesluit 2012 (Stb.2014, 51) die op 1 april 2014 in werking is getreden, is de verplichte buitenberging bij asielzoekerscentra vervallen. De uitzondering voor asielzoekerscentra is voortaan niet meer in artikel 4.31, vierde lid, opgenomen, maar direct in de functionele eis van artikel 4.30 Voor woonfuncties voor zorg en studenten is alleen het functionele voorschrift (eerste lid van artikel 4.30) van toepassing. Aanvragers van een omgevingsvergunning voor het bouwen van dergelijke woonfunctie zullen ter beoordeling van bevoegd gezag, een buitenberging moeten realiseren die voldoet aan dit functionele voorschriften. Hierbij gelden vanuit het Bouwbesluit 2012 dan geen afmetingsvoorschriften. Ten overvloede wordt erop gewezen dat het schrappen van de prestatievoorschriften voor studentenhuisvesting niet betekent dat de fietsen nu in de gang moeten worden geplaatst. Dat is geen juiste invulling van de functionele eis. Bovendien is dit uit oogpunt van brandveiligheid buitengewoon onwenselijk.

Artikel 4.31Aanwezigheid, bereikbaarheid en afmetingen

Artikel 4.31 stelt eisen aan de maatvoering van de buitenberging. In het verleden toen de buitenberging ook verplicht was, was de oppervlaktemaat gerelateerd aan de gebruiksoppervlakte van de woning, waardoor bij grote woningen een onnodig grote bergruimte werd vereist. Nu is gekozen voor een minimale oppervlaktemaat per woning, voldoende voor het ten minste kunnen bergen van enkele fietsen en wat andere objecten.

Het eerste lid geeft aan dat een woonfunctie als nevenfunctie een niet-gemeenschappelijke afsluitbare bergruimte moet hebben met een vloeroppervlakte van ten minste 5 m² bij een breedte van ten minste 1,8 m en een hoogte boven de vloer van ten minste 2,3 m. Met nevenfunctie is bedoeld dat de bergruimte geen onderdeel is van de woonfunctie, maar een ten dienste van de woning staande «overige gebruiksfunctie». Dit is van belang omdat aan de bergruimte als overige gebruiksfunctie, minder strenge eisen worden gesteld dan aan een als woonfunctie aangemerkte bergruimte. De bergruimte mag inpandig zijn, maar dat hoeft niet. Niet-gemeenschappelijk en afsluitbaar geeft aan dat iedere woning een eigen afzonderlijke bergruimte moet hebben die met een deur afsluitbaar is. Met de in dit lid opgenomen afmetingen wordt een effectieve ruimte voor een of meer fietsen gegarandeerd, ondanks het feit dat de deur naar binnen open mag gaan. Het is mogelijk te kiezen tussen een lange smalle(meer spullen) of een compacte brede (meer fietsen) bergruimte. Opgemerkt wordt dat de hoogte-eis alleen geldt voor het de voorgeschreven minimummaat. Met andere woorden, bij een grotere bergruimte of schuur behoeft voor de extra oppervlakte niet aan de hoogte-eis te worden voldaan.

Het tweede lid geeft een uitzondering op de regel dat elke woning een eigen bergruimte moet hebben. Een bergruimte mag gemeenschappelijk zijn als de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van de woonfunctie niet meer dan 40 m² bedraagt en er een gemeenschappelijke bergruimte is met een vloeroppervlakte van 1,5 m² per op die bergruimte aangewezen woning. Hiermee kan bij bijvoorbeeld studentenflats worden volstaan met een gemeenschappelijke fietsenberging. Opgemerkt wordt dat dit besluit geen eisen stelt aan de inventaris van de ruimte. Dus er mogen ook meerlaagse fietsenrekken worden gebruikt, waarmee de 1,5 m² zelfs ruim voldoende moet zijn. Of een gemeenschappelijke bergruimte (artikel 4.31, tweede lid) mogelijk is wordt bepaald aan de hand van de gebruiksoppervlakte in plaats van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied [Stb. 2011, 676]. Voordeel van het hanteren van de gebruiksoppervlakte is dat die eenduidig te bepalen is (NEN 2580). Een gebruiksoppervlakte van 50 m2 komt in de praktijk overeen met een vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van 40 m2

Het derde lid eist dat een bergruimte vanaf de openbare weg al dan niet via de eigen tuin of via een bergingsgang of via een gemeenschappelijke verkeersruimte kan worden bereikt, zonder door een woning te moeten. Een bergruimte op zolder of bijvoorbeeld op de tweede verdieping van een portiekflat zonder lift zal niet aan deze eis kunnen voldoen. Wel zal aan de eis zijn voldaan wanneer de bergruimte bijvoorbeeld bereikbaar is via een niet te lange trap die is voorzien van een fietsgootje.

Op grond van het nieuwe vierde lid van artikel 4.31 en het nieuwe derde lid van artikel 4.35, ingevoegd bij Stb. 2014, 51, is het niet meer nodig een buitenberging respectievelijk een buitenruimte te realiseren bij een nieuw te bouwen woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Dergelijke opvang moet alleen voldoen aan de normen zoals bedoeld in richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asiel-zoekers in de lidstaten (PbEG 2003, L31). Een buitenberging en een buitenruimte zijn in deze richtlijn niet voorgeschreven.

Bij Stb. 2015,… is dit voorschrift geschrapt en opgelost in de functionele eis van artikel 4.30. . In het nieuwe vierde lid dat daarvoor in de plaats is gekomen is nu bepaald dat de eerste drie leden van 4.31 niet gelden voor een woonfunctie voor studenten en een woonfunctie voor zorg.

Artikel 4.32Regenwerend

Dit artikel stelt een eis aan de regenwerendheid van een voorgeschreven bergruimte. De uitwendige scheidingsconstructie moet zodanig regenwerend zijn dat de daarin opgeborgen voorwerpen tegen weer en wind beschermd zijn. Met andere woorden dak wanden en deur moeten deugdelijk zijn. Dit wordt getoetst aan NEN 2778. Een uitvloeisel van deze eis is dat de bergruimte met relatief eenvoudige maatregelen inbraakwerend kan worden gemaakt. Dit is echter geen verplichting.

Artikel 4.32 heeft alleen betrekking op de regenwerendheid van buitenbergingen als bedoeld in artikel 4.31. Dit betekent dat op buitenbergingen voor de woonfunctie voor studenten en de woonfunctie voor zorg geen eisen meer worden gesteld aan de regenwerendheid om bij Stb. 2015, 249, is bepaald dat voor bergruimten bij die gebruiksfuncties niet langer artikel 4.31 van toepassing is.

Artikel 4.33Verbouw

Artikel 4.33 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. De artikelen 4.31 en 4.32 zijn daarop van overeenkomstige toepassing waarbij mag worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het begrip «rechtens verkregen niveau» de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen zijn de artikelen 4.31 en 4.32 onverkort van toepassing. Dit volgt uit artikel 1.12. Dit betekent dat wanneer een woning wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw deze woning in ieder geval een bergruimte moet hebben.