Contact Service
Artikel 4.24 Aanwezigheid toegankelijkheidssec ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Artikel 4.24 Aanwezigheid toegankelijkheidssector

In dit artikel is aangegeven wanneer in een gebouw een toegankelijkheidssector moet zijn. Een toegankelijkheidssector is een voor personen met een functiebeperking zelfstandig bruikbaar en toegankelijk gedeelte van een gebouw. Zie voor het begrip «toegankelijkheidssector» de toelichting op artikel 1.1, eerste lid. Artikel 4.24 moet worden gelezen in samenhang met artikel 4.25, dat in gaat op de aanwezigheid van integraal toegankelijke sanitaire ruimten.

Het eerste lid vereist de aanwezigheid van een toegankelijkheidssector in hoge of grote woongebouwen. Het gaat om woongebouwen met een vloer van een verblijfsgebied op een hoogte van meer dan 12,5 m en om woongeboouwen met een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 3.500 m² die hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau. Op grond van dit eerste lid moet een woongebouw met 4 of meer verdiepingen altijd een personenlift (als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid) hebben. Bij iedere toegankelijkheidssector is het nodig dat hoogteverschillen groter dan 2 cm door een personenlift of hellingbaan worden overbrugd (zie ook artikel 4.27).

Het tweede lid geeft aan dat een woonfunctie voor zorg die groter is dan 500 m² (gebruiksoppervlakte) ten minste één verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector moet hebben. Hieruit volgt dat er altijd een ruimte moet zijn die toegankelijk is voor personen met een functiebeperking (toegankelijkheidssector). Een verschil is dat er voorheen van werd uitgegaan dat een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m² altijd bestemd zou zijn voor minder zelfredzame personen, hetgeen niet zo hoeft te zijn. Voortaan wordt expliciet gesproken van een woonfunctie voor zorg. Op deze manier zijn de voorschriften specifiek gericht op de te bereiken doelgroep en worden onbedoelde neveneffecten weggenomen.

Het derde lid geeft aan wanneer een utiliteitsgebouw een toegankelijkheidssector moet hebben en hoe groot deze moet zijn. Wanneer de totale gebruiksoppervlakte van alle in een gebouw gelegen gebruiksfuncties waarvoor dit derde lid geldt meer dan 400 m² bedraagt dan moet er een toegankelijkheidssector zijn. Vervolgens wordt met behulp van het in tabel 4.21 aangegeven percentage berekend welk deel van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in de toegankelijkheidssector moet liggen. Dus als in een winkelcentrum meer dan 400 m² aan winkelfuncties ligt dan moet elke afzonderlijke winkelfunctie een toegankelijkheidssector hebben. Ofwel iedere winkel moet voor 40% rolstoeltoegankelijk zijn. Bij de onderwijsfunctie moet 100% van de totale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector liggen. Door een onderwijsfunctie volledig als toegankelijkheidssector te moeten aanwijzen, wordt voorkomen dat een gedeelte van de school niet voor rolstoelgebruikers toegankelijk zouden zijn. Voortaan wordt bij het bepalen of de 400 m² grens is overschreden niet alleen naar gebruiksfuncties van dezelfde soort gekeken maar naar alle gebruiksfuncties waarvoor het voorschrift geldt. Zo moet bijvoorbeeld ook een in een kantoorgebouw gelegen bedrijfsrestaurant (bijeenkomstfunctie) worden meegeteld om te beoordelen of er een toegankelijkheidssector moet zijn. Er zal dus eerder sprake zijn van een verplichting tot het realiseren van een dergelijke sector.

In artikel 4.24 zijn bij Stb. 2015, 249 onder vernummering van het oorspronkelijke vierde lid tot zesde lid twee leden tussengevoegd. Met deze twee nieuwe leden zijn de toegankelijkheidsvoorschriften voor een bijeenkomstfunctie, gezondheidszorgfunctie en winkelfunctie aangescherpt. Dit zijn gebruiksfuncties waarbij veelal sprake is van publiektoegankelijkheid. Het nieuwe vierde lid bepaalt dat al bij 250 m2 er sprake is van een toegankelijkheidssector in plaats van 400 m2. Op grond van de gewijzigde tabel 4.21 moet bij deze functies dan 80% (of 60% voor winkels) van het vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector liggen in plaats van de eerdere 40%. Omdat bij een bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport, film, muziek of theater sprake kan zijn van een schuine oplopende of trapvormige vloer, waardoor die 80% niet haalbaar is, geeft het nieuwe vijfde lid voor de genoemde specifieke bijeenkomstfuncties een uitzondering op de 80% en mag worden volstaan met 40%. Ook geldt de aanscherping tot 80% niet voor een nevenfunctie van een kantoor- of industriefunctie (zoals bijvoorbeeld vergaderzalen en bedrijfsrestaurants. De aanscherping van 80% is namelijk bedoeld voor de publiektoegankelijke gebouwen. Kantoren en industriegebouwen hebben in principe geen publieke functie. In het vierde lid is verder geregeld dat 5% (1 op de 20) van de logiesverblijven toegankelijk moet zijn. Dit is een verlichting van de eerdere voorschriften op basis waarvan 40% van een logiesfunctie in een toegankelijkheidssector moest liggen.

Het zesde lid geeft een specifiek voorschrift voor de bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik (bijvoorbeeld een café). Een café met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m² moet altijd een toegankelijkheidssector hebben. Voor een kleiner café moet naar het derde lid worden gekeken om te bepalen of, in samenhang met andere functies in het gebouw, een toegankelijkheidssector nodig is. Bij een toegankelijkheidssector zal het café op grond van artikel 4.25, tweede lid, een integraal toegankelijke toiletruimte moeten hebben.