Contact Service
Artikel 4.23 Vrije doorgang verkeersroute
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Artikel 4.23 Vrije doorgang verkeersroute

Het doel van artikel 4.23 is te waarborgen dat ruimten waardoor verkeersroutes lopen zodanige afmetingen hebben dat deze in principe door iedereen, dus ook door rolstoelgebruikers, kunnen worden gepasseerd. Het voor rolstoelgebruikers ook belangrijke aspect van de overbrugging van hoogteverschillen is geregeld in de artikelen 4.26 en 4.27.

Het eerste lid stelt een eis aan de vrije breedte en de vrije hoogte van een ruimte waardoor een verkeersroute loopt.

Het tweede lid is een verbijzondering van het eerste lid voor een gemeenschappelijke verkeersruimte, zoals bijvoorbeeld een galerij in een woongebouw en een gang in een cellencomplex. De vrije breedte is dan niet ten minste 0,85 m maar 1,2 m. De in het eerste lid genoemde breedte van 0,85 m, die ook voor een doorgang geldt (zie artikel 4.22), is in principe voldoende voor een rolstoelgebruiker om zich zelfstandig (op handkracht) te kunnen voortbewegen. De extra 0,35 m biedt een rolstoelgebruiker de mogelijkheid andere personen te passeren. Zowel bij het eerste als bij het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voorzover de verkeersroute over een trap voert. Op een dergelijk gedeelte zijn alleen de breedtevoorschriften van de trap (0,8 m) van toepassing. Uit dit voorschrift vloeit voort dat bij iedere doorgang met een breedte van 0,85 m kan worden volstaan. Een doorgang is namelijk geen onderdeel van de ruimte zelf.

De eisen van het derde en vierde lid zijn er op gericht dat een rolstoel 360° kan draaien achter de toegangsdeur van een woongebouw of voor een personenlift in dat gebouw. De voorgeschreven ruimte is bedoeld om de rolstoelgebruiker de gelegenheid te geven zelfstandig de deur te openen of de lift te bedienen, te betreden en te verlaten. Omdat een rolstoelgebruiker niet langdurig achteruit kan rijden, moet het mogelijk zijn te kunnen draaien of om via een omweg op de uitgangssituatie terug te kunnen keren.

Het vijfde lid schept daarvoor randvoorwaarden. Het voorschrift is met name van belang voor die gevallen dat de rolstoel geen toegang tot de binnen het woongebouw gelegen woning krijgt en onverrichter zake moet terugkeren.

Voor zover de in het eerste lid bedoelde route door een toegankelijkheidssector voert is moet de ruimte op grond van het zesde lid een breedte van ten minste 1,2 m hebben. Deze extra breedte is bedoeld om het passeren eenvoudiger te maken. Zoals ook bij het tweede lid is aangegeven kan bij iedere doorgang met een breedte van 0,85 m kan worden volstaan. Het zesde lid maakt geen uitzondering voor een trap, omdat in een toegankelijkheidssector geen trappen kunnen liggen.