Contact Service
Hoofdstuk 4 Technische bouwvoorschriften uit h ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Hoofdstuk 4 Technische bouwvoorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid

Algemeen

De eisen in dit hoofdstuk hebben betrekking op de bruikbaarheid van bouwwerken. De opzet van dit hoofdstuk is vergeleken met hoofdstuk 4 van Bouwbesluit 2003 aanzienlijk gewijzigd. Een aantal afdelingen is samengevoegd, enkele afdelingen zijn vervallen en de volgorde is gewijzigd. Verder zijn de voorschriften sterk vereenvoudigd. Waar mogelijk zijn de prestatievoorschriften minder gedetailleerd. Dit heeft een positief effect op de vrije indeelbaarheid. De indiener van een bouwplan heeft voortaan meer mogelijkheden om eigen keuzes te maken bij de indeling van een gebouw in afzonderlijke ruimten. De eerste afdeling in dit hoofdstuk heeft betrekking op bruikbaarheid van verblijfsgebied en verblijfsruimte. In hoofdstuk 4 (bruikbaarheid) ligt de nadruk op de eisen aan het verblijfsgebied en de noodzaak van enkele basisvoorzieningen zoals de aanwezigheid van een toiletruimte en de toegankelijkheid en bereikbaarheid. Eisen aan verblijfsruimten zijn in dit hoofdstuk beperkt tot de eis dat een verblijfsruimte in een verblijfsgebied moet liggen en een eis aan de minimale afmetingen van de grootste verblijfsruimte in een woning. In de hoofdstukken 2 (veiligheid) en 3 (gezondheid), worden wel inhoudelijke eisen aan verblijfsruimten gesteld om te kunnen optreden tegen onveilige of ongezonde situaties door een ongelukkige indeling van verblijfsgebieden. De afdelingen in hoofdstuk 4 hebben, op volgorde, verder betrekking op toiletruimte, badruimte, bereikbaarheid en toegankelijkheid, de buitenberging, de buitenruimte en opstelplaatsen. Een belangrijke wijziging daarbij is dat de oude afdeling 4.2 Toegankelijkheidssector in een nieuwe afdeling 4.4 Bereikbaarheid en toegankelijkheid is samengevoegd met de voorschriften van de oude afdelingen 4.3 Vrije doorgang, 4.4 Bereikbaarheiden de relevante aanwezigheidsvoorschriften uit de andere afdelingen van het oude hoofdstuk 4. Hoewel in dit hoofdstuk op hoofdlijnen de zelfde onderwerpen zijn geregeld als voorheen zijn met name de aanwezigheidseisen voor een liftschacht en een liftmachineruimte en voor opstelplaatsen voor een stooktoestel en een warmwatertoestel vervallen. De aan dergelijke opstelplaatsen gestelde bouwkundige eisen uit oogpunt van veiligheid en gezondheid zijn evenals voorheen in de hoofdstukken 2 en 3 te vinden. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de veiligheid van de liftinstallatie geregeld is in het Warenwetbesluit liften. De voorschriften voor de stallingsruimte voor fietsen bij niet tot bewoning bestemde gebouwen (utiliteitsfuncties) zijn in dit hoofdstuk vervallen. Zie echter het overgangsrecht met betrekking tot de stallingsruimte voor fietsen (artikel 9.2, derde lid). Voor zover in het bestemmingsplan geen voorschriften over stallingsruimte voor fietsen bij een nieuw te bouwen bouwwerk zijn opgenomen, blijven tot 1 januari 2017 de voorschriften van afdeling 4.11 van het Bouwbesluit 2003 van toepassing. Deze stallingruimte voor fietsen moet overigens niet verward worden met de opnieuw voorgeschreven buitenberging voor woningen. Overigens wordt opgemerkt dat de voorschriften van dit hoofdstuk behalve voor bruikbaarheid ook van belang zijn om de reikwijdte van de voorschriften uit de andere hoofdstukken (eisen uit oogpunt van veiligheid, gezondheid en energiezuinigheid) te bepalen.

Afdeling 4.1 Verblijfsgebied en verblijfsruimte

Algemeen

De inhoud van afdeling 4.1 is afkomstig uit de oude afdelingen 4.5 Verblijfsgebied en 4.6 Verblijfsruimte. In de nieuwe opzet ligt wat betreft bruikbaarheid de nadruk op de eisen aan het verblijfsgebied. Voortaan zijn ook voor bestaande bouw de eisen waar mogelijk op verblijfsgebiedniveau gesteld. Het is in bijna alle gevallen de beslissing van de aanvrager van een omgevingsvergunning, eigenaar van het gebouw of gebruiker om een verblijfsgebied nader in te delen in verblijfsruimten (of andere ruimten). In het incidentele geval dat er nog eisen aan een verblijfsruimte worden gesteld, is dit bij wijze van vangnet, om zo nodig te kunnen optreden tegen een indeling die afbreuk doet aan de met dit besluit beoogde veiligheid, gezondheid en «energiezuinigheid en milieu». Uit de definitie van verblijfsruimte volgt dat een verblijfsruimte niet geheel of gedeeltelijk buiten een verblijfsgebied kan liggen. Het is dus niet toegestaan een ruimte als verblijfsruimte te benoemen in een gedeelte van de gebruiksfunctie dat niet is aangemerkt als verblijfsgebied. Opgemerkt wordt dat in sommige gevallen naast de afmetingseisen van deze afdeling rekening moet worden gehouden met de afmetingseisen die uit de arbovoorschriften voortvloeien.

§ 4.1.1 Nieuwbouw

Artikel 4.1Aansturingsartikel

In de functionele eis van artikel 4.1, eerste lid , is aangegeven dat een te bouwen bouwwerk een verblijfsgebied moet hebben waarin de kenmerkende activiteiten in verblijfsruimten kunnen plaatsvinden. Dit betekent dat een voor het verblijven van personen bestemd gebouw ten minste één verblijfsgebied moet hebben dat daarvoor geschikt is. Dat verblijfsgebied kan door de indiener van de bouwaanvraag worden ingedeeld in verblijfsruimten en andere ruimten. Als er geen indeling in afzonderlijke ruimten is gemaakt dan geldt het verblijfsgebied in zijn geheel als verblijfsruimte. Een verschil met de oude functionele eisen van de artikelen 4.20 (Verblijfsgebied) en 4.25 (Verblijfsruimte) is dat het voortaan niet meer nodig is dat bij een aanvraag om omgevingsvergunning de «uiteindelijke» indeling in verblijfsruimten al bekend is. Uiteraard moet de uiteindelijke indeling ook aan dit besluit voldoen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de industriefunctie, de «overige gebruiksfunctie» en het «bouwwerk geen gebouw zijnde» wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan.

Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Bij Stb. 2015, 249, is tabel 4.1 aangepast om het onderscheid in artikel 4.1, eerste lid, tussen studentenhuisvesting en andere woonvormen te kunnen duiden.

Artikel 4.2Aanwezigheid

Het eerste lid stelt voor de woonfunctie de eis dat er een minimum vloeroppervlakte van 18 m² aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied moet zijn. Naast deze 18 m² mag er ook gemeenschappelijk verblijfsgebied zijn. Daarvoor gelden echter geen specifieke voorschriften meer. De eis uit het Bouwbesluit 2003 dat er in totaal 24 m² aan verblijfsgebied moet zijn (gemeenchappelijk en niet-gemeenschappelijk tesamen) is vervallen.

Om de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten te kunnen verrichten, is het noodzakelijk dat er in een gebruiksfunctie voldoende gebruiksoppervlakte aanwezig is.

Met het nieuwe eerste lid van artikel 4.2, ingevoerd bij Stb. 2015, 249, is de minimale vloeroppervlakte per soort woonfunctie uit de gewijzigde tabel 4.1 afleesbaar. Uit de tabel volgt dat voor de woonfunctie voor studenten voortaan met 15 m² aan niet gemeenschappelijk verblijfsgebied in plaats van 18 m² kan worden volstaan. Voor de woonwagen en de andere woonfunctie blijft de minimale oppervlakte 18 m². Met deze uitzondering voor studenten is het eenvoudiger geworden om studentenhuisvesting te realiseren.

Voor het kunnen verrichten van de kenmerkende activiteiten is in het tweede lid voorgeschreven dat ten minste 55% van de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie verblijfsgebied is. Met dit percentage dat ook voorheen gold wordt zowel de onwerpvrijheid als de mogelijkheid om op de gebruiksfunctie gerichte bouwtechnische eisen te stellen gewaarborgd. Uit de tabel blijkt dat dit voorschrift niet geldt voor de industriefunctie, de overige gebruiksfunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde. In deze gebruiksfuncties is het verblijven van personen van ondergeschikt belang, ofwel de kenmerkende activiteiten bij deze functies vinden niet in een verblijfsgebied plaats maar in een zogenoemd functiegebied. Zie ook het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 4.3Afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte

In dit artikel worden eisen gesteld aan de afmetingen van verblijfsgebieden en verblijfsruimten.

Uit het eerste lid (oppervlakte), het tweede lid (breedte) en het zesde lid (hoogte) blijkt dat een verblijfsgebied moet voldoen aan het in tabel 4.1 bij grenswaarden aangegeven niveau van eisen. Alleen dan kan de vloeroppervlakte worden meegeteld ten behoeve van het in artikel 4.2, tweede lid, voorgeschreven percentage verblijfsgebied van een gebruiksfunctie. Voor zover een verblijfsgebied slechts voor een deel voldoet aan de in het tweede en derde lid genoemde eisen, kan alleen dat gedeelte worden meegeteld als verblijfsgebied. Verder is men binnen de randvoorwaarden van het derde lid vrij om de verblijfsgebieden van de woonfunctie al dan niet nader in te delen.

Het derdelid bepaalt dat alle verblijfsruimten van een woonfunctie een breedte van 1,8 moeten hebben, zodat er naast een eenpersoonsbed nog voldoende ruimte voor een deur resteert. Voor zover een ruimte smaller is dan 1,8 m mag deze ruimte niet worden meegeteld als verblijfsruimte.

In het vierde lid wordt voor de woonfunctie een nadere eis gegeven. Iedere woonfunctie moet ten minste één verblijfsgebied hebben met een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 11 m² en een breedte van ten minste 3 m. In een dergelijke ruimte kunnen een eettafel en vier stoelen worden geplaatst. Het daarbij geldende hoogtevoorschrift volgt uit het zesde lid.

In het vijfde lid wordt een afwijkende eis gesteld aan een verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector van een logiesfunctie. Dit voorschrift zal daarom vooral een rol spelen bij een hotel of een grote logiesaccommodatie zoals een kampeerboerderij (zie ook afdeling 4.4). In ieder in een toegankelijkheidssector gelegen verblijfsgebied moet ten minste één verblijfsruimte liggen met zodanige afmetingen dat deze voldoende bruikbaar is als slaapkamer voor een rolstoelgebruiker. Extra verblijfsruimten in een dergelijk verblijfsgebied behoeven niet aan deze bijzondere afmetingseisen te voldoen.

Het hoogtevoorschrift van het zesde lid geldt zowel voor een verblijfsgebied als voor een voor een verblijfsruimte.

Artikel 4.4Verbouw

Artikel 4.4 geeft een voorschrift voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. De artikelen 4.2 en 4.3 zijn daarop van overeenkomstige toepassing waarbij voor de breedte en de vloeroppervlakte mag worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Het rechtens verkregen niveau geldt bij deze afdeling dus ook voor het geheel vernieuwen van een bouwwerk. Hiermee is het mogelijk om binnen een bestaand bestemmingsplan en aansluitend op de aangrenzende bebouwing, herbouw met de oorspronkelijke afmetingen mogelijk te maken. Ongeacht het rechtens verkregen niveau mag daarbij worden uitgegaan van een hoogte boven de vloer van ten minste 2,1 m. Met deze relatief beperkte hoogte zijn er bijvoorbeeld geen beperkingen aan het maken van tussenvloeren in hoge ruimten. Met dit hoogtevoorschrift is het eenvoudiger om bestaande gebouwen een nieuwe bestemming te geven of bij een bestaande woning, ondanks een beperkte hoogte van de zolderverdieping, een dakkapel voor een extra slaapkamer te plaatsen.

§ 4.1.2.Bestaande bouw

Artikel 4.5

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 4.1.1. Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat ook voor bestaande bouw de eisen voortaan zoveel mogelijk op niveau van verblijfsgebied zijn gesteld. Hiermee is, evenals bij nieuwbouw, de vrijheid om een bestaand gebouw naar eigen voorkeur in te delen verruimd.

Artikel 4.6

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 4.1.1. Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat ook voor bestaande bouw de eisen voortaan zoveel mogelijk op niveau van verblijfsgebied zijn gesteld. Hiermee is, evenals bij nieuwbouw, de vrijheid om een bestaand gebouw naar eigen voorkeur in te delen verruimd.

Artikel 4.7

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 4.1.1. Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat ook voor bestaande bouw de eisen voortaan zoveel mogelijk op niveau van verblijfsgebied zijn gesteld. Hiermee is, evenals bij nieuwbouw, de vrijheid om een bestaand gebouw naar eigen voorkeur in te delen verruimd.

Afdeling 4.2Toiletruimte

§ 4.2.1.Nieuwbouw

Algemeen

In de nieuwe sterk vereenvoudigde opzet van de afdeling Toiletruimte is het systeem van bezettingsgraadklassen vervangen door een personenbenadering. Voor een toelichting op de personenbenadering wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting. De voorschriften van het oude artikel 4.36 (integrale toegankelijkheid van een toiletruimte) zijn voortaan onderdeel van afdeling 4.4 Bereikbaarheid en toegankelijkheid. Er worden geen eisen meer gesteld aan de afsluitbaarheid (deur) van een toiletruimte. Het spreekt voor zich dat een toiletruimte van een deur moet zijn voorzien. Deze deur is onder meer noodzakelijk om de wel in dit besluit voorgeschreven ventilatievoorziening van de toiletruimte goed te laten functioneren.

Artikel 4.8Aansturingsartikel

De functionele eis van artikel 4.8, eerste lid lid, een te bouwen bouwwerk heeft voldoende toiletruimten, is vergeleken met de oude tekst ongewijzigd.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de lichte industriefunctie, de «overige gebruiksfunctie» en het «bouwwerk geen gebouw zijnde» wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan.

Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is. In tabel 4.8 is de bijeenkomstfunctie bij Stb. 2013, 75, onderscheiden in een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, voor alcoholgebruik en andere bijeenkomstfunctie. Met het opnemen van de nieuwe bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik is de opzet en indeling van de tabel op dat onderdeel in overeenstemming gebracht met de tabel voor bestaande bouw (tabel 4.13). Met deze niet inhoudelijke wijziging is de aansturing van artikel 4.10 bovendien beter leesbaar.Tabel 4.8 is bij Stb. 2017, 268 aangepast vanwege het vervallen van artikel 4.10.

Artikel 4.9Aanwezigheid

Vergeleken met het Bouwbesluit 2003 leidt artikel 4.9 tot een verlichting van de eis aan het aantal toiletruimten. Zo is het niet meer voorgeschreven dat een woning met een gebruiksoppervlakte van meer dan 125 m² een tweede toiletruimte heeft. Opgemerkt wordt dat in sommige gevallen op grond van de arbovoorschriften meer toiletten noodzakelijk kunnen zijn dan uit dit artikel voortvloeit.

Het eerste lid geeft een basisvoorschrift omtrent het aantal toiletten dat per gebruiksfunctie is vereist. In dit besluit is geen voorschrift meer is opgenomen dat een toiletruimte gemeenschappelijk kan zijn. Het uitgangspunt is dat elke ruimte en voorziening, dus ook een toiletruimte, gemeenschappelijk mag zijn, tenzij het desbetreffende voorschrift dit verbiedt. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 1.4.

Het tweede lid geeft aan hoeveel woningen op een toiletruimte mogen zijn aangewezen. Hoewel het in de praktijk steeds minder voor komt biedt dit voorschrift de mogelijkheid om een toiletruimte te delen met een aantal andere woningen. Dit tweede lid is ook van toepassing bij een toiletruimte waarop naast de woonfunctie ook een andere gebruiksfunctie is aangewezen, zoals een kantoorfunctie. Die andere gebruiksfunctie moet dan wel een nevenfunctie van de woonfunctie zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een kantoortje voor iemand die thuis werkt. De gebruiker van de nevenfunctie moet dan tevens gebruiker (bewoner) van de hoofdfunctie zijn.

Het derde lid bepaalt dat er nooit meer dan dertig personen op een enkel toilet mogen zijn aangewezen. In een enkel geval zal deze personenbenadering vergeleken met de oude bezettingsgraadklasse leiden tot een verlichting van de eis. Het aantal personen waarmee gerekend moet worden is het bij de bouwaanvraag aangegeven aantal personen (zie ook artikel 1.2).

Indien op een toiletruimte niet meer dan 15 personen zijn aangewezen, bepaalt het vierde lid dat in afwijking van het eerste lid kan worden volstaan met slechts een toiletruimte. Ook hier geldt dat in sommige gevallen op grond van de arbovoorschriften meer toiletten nodig kunnen zijn.

Het vijfde lid geeft een voorschrift voor het aantal logiesverblijven dat op één gezamenlijke of gemeenschappelijke toiletruimte mag zijn aangewezen.

Artikel 4.10Bereikbaarheid

Artikel 4.10 bepaalt dat een toiletruimte van een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik niet rechtstreeks toegankelijk mag zijn vanuit een verblijfsruimte. Dit geldt voor elke, dus ook voor een niet voorgeschreven, toiletruimte. Met andere woorden, in een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik is het niet toegestaan om rechtstreeks vanuit de zaal, restaurant- of caferuimte in de toiletruimte te kunnen kijken. Er moet tussen een dergelijke verblijfsruimte en de toiletruimte altijd een andere ruimte (voorportaal of een gang) zijn. Is het verblijfsgebied niet ingedeeld in afzonderlijke ruimten, dan wordt bij een beoordeling van een bouwplan aangenomen dat het gehele gebied is aangemerkt als verblijfsruimte. Met uitzondering van de eisen aan de integraal toegankelijke toiletruimte (zie afdeling 4.4 Bereikbaarheid en toegankelijkheid) zijn de overige eisen die in het Bouwbesluit 2003 aan de bereikbaarheid van toiletruimten werden gesteld vervallen.

Bij Stb. 2017, 268 is dit artikel vervallen.

Artikel 4.11Afmetingen

Dit artikel heeft alleen betrekking op voorgeschreven toiletruimten. Een extra toiletruimte, bijvoorbeeld een tweede toiletruimte in een woning onder een trap of schuin dak, behoeft niet aan deze afmetingseisen te voldoen.

Het eerste lid stelt een basiseis van ten minste 0,9 m bij 1,2 m aan de vloeroppervlakte. Deze eis geldt voortaan ook voor woonwagen. In artikel 4.11, eerste lid, werd ten onrechte verwezen naar artikel 4.8 in plaats van artikel 4.9. Dit is gecorrigeerd bij Stb. 2013, 75.

Het tweede lid geeft de maatvoering van de vloer van een integraal toegankelijke toiletruimte aan (ten minste 1,65 m bij 2,2 m). Er wordt in dit lid gesproken van «in afwijking van het eerste lid» omdat in situaties dat er slechts één toiletruimte behoeft te zijn, kan worden volstaan met alleen een integraal toegankelijke toiletruimte. Of een integraal toegankelijke toiletruimte nodig is volgt uit artikel 4.25.

Het hoogtevoorschrift van het derde lid geldt boven de gehele vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste en het tweede lid. Opgemerkt wordt dat deze in de tabel aangegeven hoogte boven de vloer overal 2,3 m is, behalve voor een woonwagen en een niet in een logiesgebouw gelegen logiesfunctie (bijvoorbeeld een vakantiehuisje), waarbij met 2,1 m kan worden volstaan. De eventuele extra vloeroppervlakte behoeft niet aan deze hoogte-eisen te voldoen.

Het vierde lid maakt voor een toiletruimte in een cel een uitzondering op het eerste lid. Een toiletruimte in een cel is dus vrijgesteld van de afmetingseisen van het eerste lid. De toiletruimte moet echter wel functioneel zijn.

Artikel 4.12Verbouw

Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten zijn de artikelen 4.9 tot en met 4.11 van overeenkomstige toepassing, waarbij voor de breedte en de vloeroppervlakte mag worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau en bij de hoogte van 2 m. Het rechtens verkregen niveau en de hoogte van 2 m geldt bij deze afdeling dus ook voor het geheel vernieuwen van een bouwwerk. Hiermee is het mogelijk om binnen een bestaand bestemmingsplan en aansluitend op de aangrenzende bebouwing, herbouw met de oorspronkelijke afmetingen mogelijk te maken. Dit betekent dat de nieuwbouwvoorschriften van deze afdeling niet van toepassing zijn bij verbouw. Wel moet op grond van de Woningwet bij de verbouw ten minste worden voldaan aan de eisen voor bestaande bouw van deze afdeling.

§ 4.2.2.Bestaande bouw

Artikel 4.13

In tabel 4.13 was het derde lid van artikel 4.14 ten onrechte aangestuurd voor de "andere industriefunctie" en de sportfunctie. Dit is gecorrigeerd bij Stb. 2013, 75.Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 4.2.1. Nieuwbouw

Bij Stb. 2017, 268 is de tabel aangepast wegens het vervallen van artikel 4.15.

Artikel 4.14

In tabel 4.13 was het derde lid van artikel 4.14 ten onrechte aangestuurd voor de "andere industriefunctie" en de sportfunctie. Dit is gecorrigeerd bij Stb. 2013, 75.Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 4.2.1. Nieuwbouw

Artikel 4.15

In tabel 4.13 was het derde lid van artikel 4.14 ten onrechte aangestuurd voor de "andere industriefunctie" en de sportfunctie. Dit is gecorrigeerd bij Stb. 2013, 75.Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 4.2.1. Nieuwbouw

Bij Stb. 2017, 268 is dit artikel vervallen.

Artikel 4.16

Artikelen 4.13 tot en met 4.16 In tabel 4.13 was het derde lid van artikel 4.14 ten onrechte aangestuurd voor de "andere industriefunctie" en de sportfunctie. Dit is gecorrigeerd bij Stb. 2013, 75.Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 4.2.1. Nieuwbouw

Afdeling 4.3Badruimte, nieuwbouw

Algemeen

De afdeling Badruimte is sterk vereenvoudigd. Dit is voornamelijk het gevolg van de vermindering van het aantal varianten in aanwezigheideisen en afmetingseisen aan badruimten. Ook de eisen aan bereikbaarheid zijn grotendeels vervallen. De voorschriften met betrekking tot de aanwezigheid en plaats van een integraal toegankelijke badruimte zijn voortaan in afdeling 4.4 Bereikbaarheid en toegankelijkheid opgenomen. Er is geen eis aan de afsluitbaarheid (deur) van een badruimte meer opgenomen. Het spreekt voor zich dat een badruimte van een deur moet zijn voorzien. Dit is onder meer noodzakelijk voor de vochthuishouding en om de ventilatievoorziening van de badruimte goed te laten functioneren. Voortaan worden er in deze afdeling geen eisen meer gesteld aan bestaande badruimten. Er wordt op gewezen dat op bestaande badruimten wel voorschriften uit andere afdelingen van toepassing zijn. Voorbeelden hiervan zijn eisen aan de ventilatievoorziening en aan de «wering van vocht van binnen».

Artikel 4.17Aansturingsartikel

De functionele eis van artikel 4.17, eerste lid , een te bouwen bouwwerk heeft voldoende badruimten, is vergeleken met het oude voorschrift ongewijzigd.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Het aantal in de tabel aangestuurde gebruiksfuncties is echter beperkt.

Voor de bijeenkomstfunctie, de industriefunctie, de kantoorfunctie, de onderwijsfunctie, de sportfunctie, de winkelfunctie, de «overige gebruiksfunctie» en het «bouwwerk geen gebouw zijnde» wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 4.18Aanwezigheid

Voortaan is alleen ten minste één badruimte voorgeschreven voor de woonfunctie, de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie met bedgebied en de logiesfunctie. Afhankelijk van de specifieke gebruiksfunctie zal de indiener zelf moeten bepalen hoeveel badruimten noodzakelijk zijn.

Artikel 4.19Afmetingen

Dit artikel heeft alleen betrekking op voorgeschreven badruimten. Extra badruimten of badruimten in gebruiksfuncties waarvoor geen badruimte is voorgeschreven behoeven niet aan deze afmetingseisen te voldoen. Opgemerkt wordt dat bij bepaalde gebruiksfuncties op basis van de ene verplichte badruimte vermeerderd met het aantal vrijwillig te realiseren badkamers wordt afgeleid hoeveel integraal toegankelijke badruimtes verplicht zijn (zie hiervoor afdeling 4.4 Bereikbaarheid en toegankelijkheid).

Het eerste lid stelt een basiseis van ten minste 1,6 m² vloeroppervlakte bij een breedte van ten minste 0,8 m. Deze eis geldt voor een badruimte van een woonfunctie en van een celfunctie. Zie voor een uitzondering voor de celfunctie ook het zesde lid.

Het tweede lid geeft een minimumeis voor een met een toiletruimte samengevoegde badruimte. Deze eis is ten minste 2,2 m² vloeroppervlakte bij een breedte van ten minste 0,9 m. Dit voorschrift geldt eveneens alleen voor de woonfunctie en de celfunctie. Zie ook het zesde lid.

Het derde lid stelt een basiseis aan de vloeroppervlakte van een integraal toegankelijke badruimte met een breedte van ten minste 1,6 m en een lengte van ten minste 1,8 m. Het verschil met de eis in het eerste lid is dat de vloeroppervlakte veel groter is en dat er zowel een minimiumeis aan de breedte als aan de lengte van de badruimte is gesteld.

Het vierde lid is qua opzet vergelijkbaar met derde lid en geeft een minimum-eis voor een badruimte die is samengevoegd met een toiletruimte.

Het hoogtevoorschrift van het vijfde lid geldt boven de gehele vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. Opgemerkt wordt dat deze hoogte overal 2,3 m moet zijn, behalve voor een woonwagen en een niet in een logiesgebouw gelegen logiesfunctie (bijvoorbeeld een vakantiehuisje) waarbij met 2,1 m kan worden volstaan. De eventuele extra vloeroppervlakte behoeft niet aan deze in de tabel opgenomen hoogte-eisen te voldoen.

Het zesde lid geeft bij de celfunctie een uitzondering voor een badruimte (of sanitaire unit) die in de cel ligt. Een badruimte in een cel is dus vrijgesteld van de afmetingseisen van het eerste en tweede lid. De badruimte moet wel functioneel zijn.

Artikel 4.20Verbouw

Artikel 4.20 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Artikel 4.18 en 4.19 zijn daarop van overeenkomstige toepassing waarbij voor de breedte en de vloeroppervlakte mag worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau en bij de hoogte van 2 m. Zie voor een toelichting op het begrip «rechtens verkregen niveau» de toelichting op artikel 1.1. Bij het geheel vernieuwen is de volledige nieuwbouwparagraaf van toepassing. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat, tenzij anders is bepaald, de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn.

Afdeling 4.4Bereikbaarheid en toegankelijkheid, nieuwbouw

Algemeen

In deze afdeling zijn de relevante voorschriften van de oude afdelingen 4.2 Toegankelijkheidssector, 4.3 Vrije doorgang en 4.4 Bereikbaarheid opgenomen. Tevens zijn de relevante aanwezigheidsvoorschriften uit de de oude afdelingen 4.5 (Verblijfsgebied), 4.7 (toiletruimte) en 4.8 (Badruimte) opgenomen. De inhoudelijke wijzigingen in afdeling 4.4 zijn beperkt. De belangrijkste wijziging is dat er geen eisen meer aan de opstelplaats voor een lift worden gesteld. In de praktijk bleek dit voorschrift, dat bedoeld was om in het kader van aanpasbaar bouwen ruimte voor het later bijplaatsen van een lift te reserveren, niet goed te werken. Het later bijplaatsen van een lift buiten een woongebouw is in het algemeen veel efficiënter. Met de nieuwe opzet van afdeling 4.4 is beter inzichtelijk welke eisen qua bereikbaarheid en toegankelijkheid voor een specifieke gebruiksfunctie of situatie gelden. Deze afdeling bevat behalve de voorschriften voor de toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers en lange mensen, de eisen uit oogpunt van «aanpasbaar bouwen» de voorschriften voor de bereikbaarheid en toegankelijkheid in het algemeen. Meer informatie over maatregelen ten behoeve van de toegankelijkheid voor gehandicapten is opgenomen in het «Handboek toegankelijkheid» van de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland ofwel CG-Raad (6e druk 2008).

Artikel 4.21Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk heeft voldoende voldoende bereikbare en toegankelijke ruimten, geeft aan dat de nadruk niet meer ligt op de rolstoelgebruiker. Een bouwwerk moet voor alle soorten gebruikers, dus inclusief de rolstoelgebruikers voldoende bereikbare en toegankelijke ruimten hebben. Voor de volledigheid wordt daarbij opgemerkt dat in het kader van de vluchtcapaciteit (zie afdeling 2.12) in sommige gevallen hogere eisen kunnen gelden dan op grond van deze afdeling.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Voor de lichte industriefunctie, de «overige gebruiksfunctie» en het «bouwwerk geen gebouw zijnde» wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan.

In tabel 4.21 is op grond van stb. 2014, 51 in het kader van verdere deregulering het tweede lid van artikel 4.23 niet meer aangestuurd voor een celfunctie. Hiermee geldt het voorschrift dat een gemeenschappelijke verkeersruimte een vrije breedte van 1,2 m moet hebben niet meer voor een celfunctie. Er kan voortaan overeenkomstig het eerste lid volstaan worden met een breedte 0,85 m. 1

Bij Stb. 2015, 249 is tabel 4.21 aangepast omdat de artikelen 4.24 en 4.26 zijn uitgebreid met nieuwe leden.

In tabel 4.21 is bij de wijziging in Stb. 2017, 268 bij de onderwijsfunctie de aansturing van het derde lid van artikel 4.24 gecorrigeerd. De in het derde lid bedoelde grenswaarde van 100% was in de tabel ten onrechte eerder bij het vierde lid van artikel 4.24 geplaatst.

Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Opmerking BRIS

1 Daarmee is niet langer voldaan aan het minimale niveau van veiligheid en moet vergunning verleend worden voor een apert onveilige situatie omdat de minimale afmeting ligt bij de breedte van drie personen (ERB).

Artikel 4.22Vrije doorgang

Het eerste lid stelt eisen aan de vrije breedte (ten minste 0,85 m) en aan de vrije hoogte (2,3 m of 2,1 m, zie tabel 4.21) van een aantal met name genoemde doorgangen. Voorheen werd gesproken van een toegang van een ruimte met een vrije doorgang met een breedte en een hoogte. Voortaan wordt gesproken van een doorgang met een vrije breedte en een vrije hoogte. De betekenis is echter ongewijzigd. Een verschil is echter wel dat de eisen voortaan alleen gelden voor de voorgeschreven toiletruimte, badruimten, bergruimte en buitenruimte. Wanneer dergelijke ruimtes vrijwillig worden aangebracht dan gelden deze dus eisen niet. Er worden geen eisen meer gesteld aan de deuropening van een opslagruimte voor huishoudelijk afval. Het eerste lid heeft alleen betrekking op doorgangen naar de genoemde ruimten. Een doorgang op een route die alleen bedoeld is om de ruimte te verlaten behoeft daarom niet aan dit eerste lid te voldoen. Voor een dergelijke doorgang zijn voorschriften opgenomen in afdeling 2.12. De vrije hoogte is de vrije hoogte volgens NEN 2580 (zie artikel 1.1). De vrije breedte moet op een vergelijkbare manier worden vastgesteld. Eenvoudig gezegd gaat het om de horizontaal (vrije breedte) en vertikaal (vrije hoogte) gemeten opening indien de deur open staat. Het bovenstaande geldt niet alleen voor de in het lid genoemde ruimten maar ook voor een doorgang op een verkeersroute vanaf het aansluitende terrein naar een van die ruimten. De tweede volzin is nodig om te waarborgen dat de betreffende ruimte via een voldoende ruime route kan worden bereikt maar ook te voorkomen dat onbedoeld eisen worden gesteld aan een deur die voor de bereikbaarheid van de ruimte geen rol speelt zoals bijvoorbeeld de deur van een meterkast. Het eerste lid, onder e, ziet toe op een doorgang tussen een gebruiksfunctie en een buitenberging als bedoeld in artikel 4.31 (een doorgang tussen bijvoorbeeld een inpandige buitenberging en een woning of een woongebouw). Uit het feit dat dit voorschrift niet is aangestuurd voor een «overige gebruiksfunctie» (zie tabel 4.21) volgt dat dit voorschrift niet van toepassing is op een vrijstaande buitenberging.

Het tweede lid geeft evenals voorheen een afwijkende bepalingsmethode voor de hoogte van een doorgang van een liftschacht. Het gaat niet om de vrije hoogte bepaald volgens NEN 2580 maar om een hoogte gemeten tussen de onderdelen van de bouwconstructie. Zie voor een toelichting op het begrip «bouwconstructie» de toelichting op artikel 1.1, eerste lid. Bij de in het eerste lid genoemde ruimten moet daadwerkelijk een vrije doorgang worden gerealiseerd met de in de tabel aangegeven hoogte. Bij de in het tweede lid genoemde doorgang van de liftschacht voor het bereiken van een liftkooi kan echter worden volstaan met het scheppen van de bouwkundige voorwaarden. Dit betekent dat het toegestaan is een lift met een lagere toegangshoogte dan 2,3 m te plaatsen. De lift moet uiteraard aan de richtlijn liften nr. 95/16/EG van 29 juni 1995 (PbEG L 213) en het daarop gebaseerde Warenwetbesluit liften voldoen. Het moet altijd mogelijk blijven om, zonder wijzigingen in de bouwkundige draagconstructie aan te brengen, op enig moment een lift met een toegangshoogte van 2,3 m te plaatsen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het voorschrift voor de vrije breedte onverkort op de toegang van een lift van toepassing is. Een lift in dit artikel is een personenlift (zie hiervoor de begripsbepaling lift in artikel 1.1, eerste lid.

Artikel 4.23Vrije doorgang verkeersroute

Het doel van artikel 4.23 is te waarborgen dat ruimten waardoor verkeersroutes lopen zodanige afmetingen hebben dat deze in principe door iedereen, dus ook door rolstoelgebruikers, kunnen worden gepasseerd. Het voor rolstoelgebruikers ook belangrijke aspect van de overbrugging van hoogteverschillen is geregeld in de artikelen 4.26 en 4.27.

Het eerste lid stelt een eis aan de vrije breedte en de vrije hoogte van een ruimte waardoor een verkeersroute loopt.

Het tweede lid is een verbijzondering van het eerste lid voor een gemeenschappelijke verkeersruimte, zoals bijvoorbeeld een galerij in een woongebouw en een gang in een cellencomplex. De vrije breedte is dan niet ten minste 0,85 m maar 1,2 m. De in het eerste lid genoemde breedte van 0,85 m, die ook voor een doorgang geldt (zie artikel 4.22), is in principe voldoende voor een rolstoelgebruiker om zich zelfstandig (op handkracht) te kunnen voortbewegen. De extra 0,35 m biedt een rolstoelgebruiker de mogelijkheid andere personen te passeren. Zowel bij het eerste als bij het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voorzover de verkeersroute over een trap voert. Op een dergelijk gedeelte zijn alleen de breedtevoorschriften van de trap (0,8 m) van toepassing. Uit dit voorschrift vloeit voort dat bij iedere doorgang met een breedte van 0,85 m kan worden volstaan. Een doorgang is namelijk geen onderdeel van de ruimte zelf.

De eisen van het derde en vierde lid zijn er op gericht dat een rolstoel 360° kan draaien achter de toegangsdeur van een woongebouw of voor een personenlift in dat gebouw. De voorgeschreven ruimte is bedoeld om de rolstoelgebruiker de gelegenheid te geven zelfstandig de deur te openen of de lift te bedienen, te betreden en te verlaten. Omdat een rolstoelgebruiker niet langdurig achteruit kan rijden, moet het mogelijk zijn te kunnen draaien of om via een omweg op de uitgangssituatie terug te kunnen keren.

Het vijfde lid schept daarvoor randvoorwaarden. Het voorschrift is met name van belang voor die gevallen dat de rolstoel geen toegang tot de binnen het woongebouw gelegen woning krijgt en onverrichter zake moet terugkeren.

Voor zover de in het eerste lid bedoelde route door een toegankelijkheidssector voert is moet de ruimte op grond van het zesde lid een breedte van ten minste 1,2 m hebben. Deze extra breedte is bedoeld om het passeren eenvoudiger te maken. Zoals ook bij het tweede lid is aangegeven kan bij iedere doorgang met een breedte van 0,85 m kan worden volstaan. Het zesde lid maakt geen uitzondering voor een trap, omdat in een toegankelijkheidssector geen trappen kunnen liggen.

Artikel 4.24Aanwezigheid toegankelijkheidssector

In dit artikel is aangegeven wanneer in een gebouw een toegankelijkheidssector moet zijn. Een toegankelijkheidssector is een voor personen met een functiebeperking zelfstandig bruikbaar en toegankelijk gedeelte van een gebouw. Zie voor het begrip «toegankelijkheidssector» de toelichting op artikel 1.1, eerste lid. Artikel 4.24 moet worden gelezen in samenhang met artikel 4.25, dat in gaat op de aanwezigheid van integraal toegankelijke sanitaire ruimten.

Het eerste lid vereist de aanwezigheid van een toegankelijkheidssector in hoge of grote woongebouwen. Het gaat om woongebouwen met een vloer van een verblijfsgebied op een hoogte van meer dan 12,5 m en om woongeboouwen met een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 3.500 m² die hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau. Op grond van dit eerste lid moet een woongebouw met 4 of meer verdiepingen altijd een personenlift (als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid) hebben. Bij iedere toegankelijkheidssector is het nodig dat hoogteverschillen groter dan 2 cm door een personenlift of hellingbaan worden overbrugd (zie ook artikel 4.27).

Het tweede lid geeft aan dat een woonfunctie voor zorg die groter is dan 500 m² (gebruiksoppervlakte) ten minste één verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector moet hebben. Hieruit volgt dat er altijd een ruimte moet zijn die toegankelijk is voor personen met een functiebeperking (toegankelijkheidssector). Een verschil is dat er voorheen van werd uitgegaan dat een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m² altijd bestemd zou zijn voor minder zelfredzame personen, hetgeen niet zo hoeft te zijn. Voortaan wordt expliciet gesproken van een woonfunctie voor zorg. Op deze manier zijn de voorschriften specifiek gericht op de te bereiken doelgroep en worden onbedoelde neveneffecten weggenomen.

Het derde lid geeft aan wanneer een utiliteitsgebouw een toegankelijkheidssector moet hebben en hoe groot deze moet zijn. Wanneer de totale gebruiksoppervlakte van alle in een gebouw gelegen gebruiksfuncties waarvoor dit derde lid geldt meer dan 400 m² bedraagt dan moet er een toegankelijkheidssector zijn. Vervolgens wordt met behulp van het in tabel 4.21 aangegeven percentage berekend welk deel van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in de toegankelijkheidssector moet liggen. Dus als in een winkelcentrum meer dan 400 m² aan winkelfuncties ligt dan moet elke afzonderlijke winkelfunctie een toegankelijkheidssector hebben. Ofwel iedere winkel moet voor 40% rolstoeltoegankelijk zijn. Bij de onderwijsfunctie moet 100% van de totale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector liggen. Door een onderwijsfunctie volledig als toegankelijkheidssector te moeten aanwijzen, wordt voorkomen dat een gedeelte van de school niet voor rolstoelgebruikers toegankelijk zouden zijn. Voortaan wordt bij het bepalen of de 400 m² grens is overschreden niet alleen naar gebruiksfuncties van dezelfde soort gekeken maar naar alle gebruiksfuncties waarvoor het voorschrift geldt. Zo moet bijvoorbeeld ook een in een kantoorgebouw gelegen bedrijfsrestaurant (bijeenkomstfunctie) worden meegeteld om te beoordelen of er een toegankelijkheidssector moet zijn. Er zal dus eerder sprake zijn van een verplichting tot het realiseren van een dergelijke sector.

In artikel 4.24 zijn bij Stb. 2015, 249 onder vernummering van het oorspronkelijke vierde lid tot zesde lid twee leden tussengevoegd. Met deze twee nieuwe leden zijn de toegankelijkheidsvoorschriften voor een bijeenkomstfunctie, gezondheidszorgfunctie en winkelfunctie aangescherpt. Dit zijn gebruiksfuncties waarbij veelal sprake is van publiektoegankelijkheid. Het nieuwe vierde lid bepaalt dat al bij 250 m2 er sprake is van een toegankelijkheidssector in plaats van 400 m2. Op grond van de gewijzigde tabel 4.21 moet bij deze functies dan 80% (of 60% voor winkels) van het vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector liggen in plaats van de eerdere 40%. Omdat bij een bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport, film, muziek of theater sprake kan zijn van een schuine oplopende of trapvormige vloer, waardoor die 80% niet haalbaar is, geeft het nieuwe vijfde lid voor de genoemde specifieke bijeenkomstfuncties een uitzondering op de 80% en mag worden volstaan met 40%. Ook geldt de aanscherping tot 80% niet voor een nevenfunctie van een kantoor- of industriefunctie (zoals bijvoorbeeld vergaderzalen en bedrijfsrestaurants. De aanscherping van 80% is namelijk bedoeld voor de publiektoegankelijke gebouwen. Kantoren en industriegebouwen hebben in principe geen publieke functie. In het vierde lid is verder geregeld dat 5% (1 op de 20) van de logiesverblijven toegankelijk moet zijn. Dit is een verlichting van de eerdere voorschriften op basis waarvan 40% van een logiesfunctie in een toegankelijkheidssector moest liggen.

Het zesde lid geeft een specifiek voorschrift voor de bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik (bijvoorbeeld een café). Een café met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m² moet altijd een toegankelijkheidssector hebben. Voor een kleiner café moet naar het derde lid worden gekeken om te bepalen of, in samenhang met andere functies in het gebouw, een toegankelijkheidssector nodig is. Bij een toegankelijkheidssector zal het café op grond van artikel 4.25, tweede lid, een integraal toegankelijke toiletruimte moeten hebben.

Artikel 4.25Integraal toegankelijke toilet- en badruimte

In dit artikel is aangegeven wanneer een gebruiksfunctie een integraal toegankelijke toilet- of badruimte moet hebben. Iedere integraal toegankelijke toilet- en/of badruimte moet in een toegankelijkheidssector liggen. Dit volgt uit de begripsbepalingen in artikel 1.1, een integraal toegankelijke toiletruimte is een toiletruimte in een toegankelijkheidssector. Voor de integraal toegankelijke badruimte geldt een soortgelijke definitie.

Het eerste lid geeft aan dat een gebruiksfunctie met een voorgeschreven toegankelijkheidssector ten minste één integraal toegankelijke toiletruimte (invalidentoilet) moet hebben. Een invalidentoilet mag bij de berekening van het aantal toiletruimten als bedoeld in artikel 4.9 worden meegeteld.

In het tweede lid is voor de woonfunctie voor zorg, de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie, de kantoorfunctie en de onderwijsfunctie aangegeven, dat bij een voorgeschreven toegankelijkheidssector ten minste één op de tien (zie de tabel) voorgeschreven toiletruimten (toiletruimten als bedoeld in artikel 4.9) een invalidentoilet moet zijn en dus in de toegankelijkheidssector moet liggen. Een uitzondering hierop is de onderwijsfunctie waarbij ten minste één op de 35 (zie de tabel) voorgeschreven toiletruimten een invalidentoilet moet zijn. De uitkomst van deze berekening wordt naar boven afgerond. Dit betekent dat er altijd ten minste één invalidentoiletruimte moet zijn en bijvoorbeeld bij een kantoor met 12 voorgeschreven reguliere toiletten twee van die toiletten invalidentoiletten moeten zijn.

Op grond van het derde lid moet een gezondheidszorgfunctie met bedgebied voldoende rolstoeltoegankelijke badruimten hebben. Voor iedere 500 m² vloeroppervlakte aan bedgebied is ten minste één integraal toegankelijke badruimte nodig. De uitkomst van deze berekening wordt naar boven afgerond. Dit betekent dat bij een bedgebied van 800 m² ten minste twee integraal toegankelijke badruimten nodig zijn.

Het vierde lid bepaalt dat in elk gebouw met een voorgeschreven toegankelijkheidssector, waar een badruimte wordt gerealiseerd, ten minste één van de badruimten een integraal toegankelijke badruimte moet zijn. Die badruimte moet in de toegankelijkheidssector liggen. Wordt er meer dan een badruimte gerealiseerd dan moet ten minste één op de twintig badruimten een integraal toegankelijke badruimte zijn.

Het combineren van een integraal toegankelijke badruimte met een integraal toegankelijke toiletruimte is op grond van het vijfde lid toegestaan. Voor de afmetingseisen daarvan wordt verwezen naar artikel 4.19, vierde lid.

Artikel 4.26Bereikbaarheid toegankelijkheidssector

Het eerste lid bepaalt dat een ruimte, zoals bijvoorbeeld een integraal toegankelijke toiletruimte, in een toegankelijkheidssector rechtstreeks bereikbaar moet zijn vanaf het aansluitende terrein of langs een verkeersroute die alleen door een toegankelijkheidssector voert. Op deze manier is een dergelijke ruimte vanaf het aansluitende terrein of vanuit de toegankelijkheidssector zelfstandig toegankelijk voor rolstoelgebruikers.

In artikel 4.26 is onder vernummering van het tweede en derde lid bij Stb. 2015, 249 een nieuw tweede lid tussengevoegd. Op grond van dit tweede lid moet ten minste één van toegangen van een toegankelijkheidssector de hoofdingang zijn. Op grond van de gewijzigde tabel 4.21 (onderdeel N) geldt dit voor een bijeenkomstfunctie, gezondheidzorgfunctie en een winkelfunctie. Het nieuwe voorschrift voorkomt dat volstaan wordt met een toegang achteraf bijvoorbeeld in combinatie met de magazijntoegang.

Het derde lid regelt voor de woonfunctie dat een verkeersroute als bedoeld in het eerste lid niet door niet-gemeenschappelijke ruimten van een andere gebruiksfunctie mag voeren. Ruimten van een andere woning zijn namelijk in principe niet vrij toegankelijk voor bewoners van andere woningen.

Het vierde lid regelt dat in een flatgebouw met een toegankelijkheidssector elke woning zelfstandig moet kunnen worden bereikt door rolstoelgebruikers. Dit betekent dat de voor de woning liggende gemeenschappelijke verkeersruimte moet zijn aangemerkt als toegankelijkheidssector.

Artikel 4.27Hoogteverschillen

Voortaan mogen ook woningen via een hellingbaan worden ontsloten. Eerder gold deze mogelijkheid alleen voor utiliteitsgebouwen. Voordeel van deze uitbreiding is dat de woning iets hoger kan liggen dan het aansluitende terrein, waardoor wateroverlast in de woning kan worden voorkomen. Bovendien neemt de ontwerpvrijheid daardoor toe. Het in dit artikel genoemde hoogteverschil van 2 cm moet worden gemeten vanaf de afgewerkte vloer. Dit betekent dat wanneer in de aanvraag om vergunning voor het bouwen een (eventueel later door gebruiker aan te brengen) vloerbedekking, parket of andere vloerafwerking is aangegeven, de dikte van deze vloerafwerking mag worden meegerekend. Het hoogteverschil vanaf de bouwkundige vloer kan in dergelijke gevallen dus iets groter zijn dan 2 cm.

Het eerste lid waarborgt dat een rolstoelgebruiker vanuit ieder punt in een toegankelijkheidssector zelfstandig het aansluitende terrein kan bereiken. Dit geldt voor alle gebruiksfuncties met een toegankelijkheidssector. Om aan het eerste lid te voldoen is het nodig dat er ten minste één route is die geen hoogteverschillen (drempels) heeft van meer dan 2 cm. Hoogteverschillen die groter zijn, moeten worden overbrugd door een lift of een hellingbaan. Daarbij mag het totale hoogteverschil op die ene route tussen het aansluitende terrein en de toegang van de toegankelijkheidssector (de toegang van het gebouw) niet groter zijn dan 1 m, ongeacht of er een lift wordt gebruikt of een hellingbaan. Extra routes vanuit de toegankelijkheidssector behoeven niet aan deze voorschriften te voldoen. Dit betekent dat er wel alternatieve route mag zijn die over een trap voert.

Het tweede lid geeft een soortgelijk voorschrift als het eerste lid, maar dan voor woongebouwen zonder een toegankelijkheidssector. Ook voor dergelijke woongebouwen geldt dat iedereen in principe zonder hulp van anderen naar binnen moet kunnen. Ook hier is een hoogteverschil van meer dan 2 cm tussen de achter de voordeur van een woongebouw gelegen vloer van de gemeenschappelijke verkeersruimte en het aansluitende terrein niet toegestaan, tenzij dit hoogteverschil is overbrugd door een hellingbaan. Het totale hoogteverschil mag niet groter zijn dan 1 m. Een verschil tussen het eerste en het tweede lid is, dat bij het eerste lid de volledige route naar de woning geregeld is, en bij het tweede lid alleen de toegang tot de eerste gemeenschappelijke verkeersruimte. In het laatste geval kan het gebouw worden binnengetreden, en kan men zo nodig in het gebouw op hulp wachten om bij de woning te kunnen komen.

Het derde lid heeft betrekking op alle woonfuncties en betekent dat er bij ten minste één toegang van de woning (meestal de voordeur) in de overgang van binnen de woning naar buiten de woning geen hoogteverschil van meer dan 2 cm is toegestaan. Een groter hoogteverschil moet worden overbrugd door een hellingbaan. Het totale hoogteverschil bij deze toegang mag ook niet groter zijn dan 1 m. Bij een eengezinswoning is alleen het derde lid van toepassing.

Het vierde lid regelt dat er tussen een gemeenschappelijke buitenruimte als bedoeld in artikel 4.35, tweede lid, en een daarop aangewezen woning geen hoogteverschil mag zijn van meer dan 2 cm zonder dat het hoogteverschil met een lift of hellingbaan kan worden overbrugd. Dit voorschrift is gericht op een gemeenschappelijke buitenruimte omdat een individuele bewoner van een woongebouw geen of slechts beperkte mogelijkheden heeft om achteraf voorzieningen te treffen om grotere hoogteverschillen te overbruggen.

Het doel van het vijfde lid is om in woongebouwen ruimte te reserveren voor het achteraf kunnen plaatsen van een rolstoeltoegankelijke lift. Deze ruimte kan binnen de gebruiksfunctie liggen of daarbuiten. De opstelplaats moet zodanig zijn, dat de lift kan worden aangebracht zonder dat er daardoor strijd ontstaat met de nieuwbouwvoorschriften. De opstelplaats mag bijvoorbeeld niet zo zijn gesitueerd, dat door het aanbrengen van de lift er geen of te weinig daglicht in een verblijfsruimte kan binnenvallen. Het daadwerkelijk aanbrengen van een lift is uitsluitend vereist in de situaties genoemd in artikel 4.24. De in artikel 4.27, vijfde lid, opgenomen maatvoering van een opstelplaats voor een lift in een woongebouw is in overeenstemming gebracht met de in artikel 4.28, tweede lid, bedoelde afmetingen van de liftkooi [Stb. 2011, 676].

Artikel 4.28Afmetingen liftkooi

Dit artikel is uitsluitend gericht op personenliften (zie het begrip «lift» in artikel 1.1) in gebouwen met een toegankelijkheidssector. Liften in gebouwen zonder toegankelijkheidssector behoeven derhalve niet aan deze eisen te voldoen.

Het eerste lid geeft een algemeen voorschrift voor de oppervlakte van iedere liftkooi in een toegankelijkheidssector. De afmetingen van ten minste 1,05 m bij 1,35 m waarborgen de rolstoeltoegankelijkheid van de personenlift.

Het tweede lid geeft een aanvullende eis voor woongebouwen met een toegankelijkheidssector én meer dan zes woningen. Een dergelijk woongebouw heeft ten minste één lift met een vloeroppervlakte van 1,05 bij 2,05 m (brancardlift) of groter. Eventuele extra liften behoeven alleen aan de oppervlakte-eis van het eerste lid te voldoen.

Voortaan is het mogelijk om bij een lift voor maximaal zes woningen te volstaan met de kleinere lift. Bij meerdere liften kan met één brancardlift worden volstaan.

Het derde lid stelt eisen aan de loopafstand naar de lift. Deze mag nooit langer zijn dan 90 m. Als er meer dan een lift is, dan moet gezien vanuit elke woning ten minste één personenlift binnen deze afstand liggen. Als er ook een brancardlift moet zijn dan moet vanuit elke woning ten minste een brancardlift binnen 90 m liggen. De route waarover de loopafstand wordt gemeten ligt uitsluitend in een toegankelijkheidssector.

Artikel 4.29Verbouw

Artikel 4.29 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen zijn de artikelen 4.22 tot en met 4.28 van overeenkomstige toepassing waarbij moet worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het begrip «rechtens verkregen niveau» de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen zijn de nieuwbouwvoorschriften onverkort van toepassing. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat tenzij anders is bepaald de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn. Zie hiervoor ook het algemeen deel van toelichting en de toelichting op artikel 1.12.

Afdeling 4.5Buitenberging, nieuwbouw

Algemeen

Een buitenberging bij een woning is vooral van belang om eenvoudig en veilig de fiets op te bergen en daarmee uiteindelijk het fietsgebruik te stimuleren. Bovendien is in veel gevallen een buitenberging achteraf moeilijk in te passen. Daarom is besloten om de bergruimte bij nieuwbouw met de invoering van dit besluit opnieuw voor te schrijven.

Artikel 4.30Aansturingsartikel

Artikel 4.30 bevat in het eerste lid de functionele eis dat een bergruimte van een te bouwen woonfunctie geschikt moet zijn om fietsen tegen weer en wind beschermd te kunnen opbergen

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften van deze afdeling. Deze voorschriften gelden voor alle nieuw te bouwen woonfuncties.

Met de wijziging van de artikelen 4.30 en 4.31 zijn bij Stb. 2015, 249, de voorschriften voor nieuw te bouwen buitenbergingen zo aangepast dat bij studentenhuisvesting en zorghuisvesting wel een buitenberging is voorgeschreven, maar dat daaraan in artikel 4.31 geen specifieke eisen worden gesteld omdat tabel 4.30 de prestatie-eisen voor die gebruiksfuncties niet aanstuurt. In de functionele eis wordt voortaan niet alleen naar fietsen maar ook naar scootmobielen verwezen en is bepaald dat het om een afsluitbare bergruimte gaat. Dat in de functionele eis nu direct een uitzondering is gemaakt voor nieuwe asielzoekerscentra is geen inhoudelijke wijziging, maar een redactionele verduidelijking. Al bij de eerdere wijziging van het Bouwbesluit 2012 (Stb.2014, 51) die op 1 april 2014 in werking is getreden, is de verplichte buitenberging bij asielzoekerscentra vervallen. De uitzondering voor asielzoekerscentra is voortaan niet meer in artikel 4.31, vierde lid, opgenomen, maar direct in de functionele eis van artikel 4.30 Voor woonfuncties voor zorg en studenten is alleen het functionele voorschrift (eerste lid van artikel 4.30) van toepassing. Aanvragers van een omgevingsvergunning voor het bouwen van dergelijke woonfunctie zullen ter beoordeling van bevoegd gezag, een buitenberging moeten realiseren die voldoet aan dit functionele voorschriften. Hierbij gelden vanuit het Bouwbesluit 2012 dan geen afmetingsvoorschriften. Ten overvloede wordt erop gewezen dat het schrappen van de prestatievoorschriften voor studentenhuisvesting niet betekent dat de fietsen nu in de gang moeten worden geplaatst. Dat is geen juiste invulling van de functionele eis. Bovendien is dit uit oogpunt van brandveiligheid buitengewoon onwenselijk.

Artikel 4.31Aanwezigheid, bereikbaarheid en afmetingen

Artikel 4.31 stelt eisen aan de maatvoering van de buitenberging. In het verleden toen de buitenberging ook verplicht was, was de oppervlaktemaat gerelateerd aan de gebruiksoppervlakte van de woning, waardoor bij grote woningen een onnodig grote bergruimte werd vereist. Nu is gekozen voor een minimale oppervlaktemaat per woning, voldoende voor het ten minste kunnen bergen van enkele fietsen en wat andere objecten.

Het eerste lid geeft aan dat een woonfunctie als nevenfunctie een niet-gemeenschappelijke afsluitbare bergruimte moet hebben met een vloeroppervlakte van ten minste 5 m² bij een breedte van ten minste 1,8 m en een hoogte boven de vloer van ten minste 2,3 m. Met nevenfunctie is bedoeld dat de bergruimte geen onderdeel is van de woonfunctie, maar een ten dienste van de woning staande «overige gebruiksfunctie». Dit is van belang omdat aan de bergruimte als overige gebruiksfunctie, minder strenge eisen worden gesteld dan aan een als woonfunctie aangemerkte bergruimte. De bergruimte mag inpandig zijn, maar dat hoeft niet. Niet-gemeenschappelijk en afsluitbaar geeft aan dat iedere woning een eigen afzonderlijke bergruimte moet hebben die met een deur afsluitbaar is. Met de in dit lid opgenomen afmetingen wordt een effectieve ruimte voor een of meer fietsen gegarandeerd, ondanks het feit dat de deur naar binnen open mag gaan. Het is mogelijk te kiezen tussen een lange smalle(meer spullen) of een compacte brede (meer fietsen) bergruimte. Opgemerkt wordt dat de hoogte-eis alleen geldt voor het de voorgeschreven minimummaat. Met andere woorden, bij een grotere bergruimte of schuur behoeft voor de extra oppervlakte niet aan de hoogte-eis te worden voldaan.

Het tweede lid geeft een uitzondering op de regel dat elke woning een eigen bergruimte moet hebben. Een bergruimte mag gemeenschappelijk zijn als de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van de woonfunctie niet meer dan 40 m² bedraagt en er een gemeenschappelijke bergruimte is met een vloeroppervlakte van 1,5 m² per op die bergruimte aangewezen woning. Hiermee kan bij bijvoorbeeld studentenflats worden volstaan met een gemeenschappelijke fietsenberging. Opgemerkt wordt dat dit besluit geen eisen stelt aan de inventaris van de ruimte. Dus er mogen ook meerlaagse fietsenrekken worden gebruikt, waarmee de 1,5 m² zelfs ruim voldoende moet zijn. Of een gemeenschappelijke bergruimte (artikel 4.31, tweede lid) mogelijk is wordt bepaald aan de hand van de gebruiksoppervlakte in plaats van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied [Stb. 2011, 676]. Voordeel van het hanteren van de gebruiksoppervlakte is dat die eenduidig te bepalen is (NEN 2580). Een gebruiksoppervlakte van 50 m2 komt in de praktijk overeen met een vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van 40 m2

Het derde lid eist dat een bergruimte vanaf de openbare weg al dan niet via de eigen tuin of via een bergingsgang of via een gemeenschappelijke verkeersruimte kan worden bereikt, zonder door een woning te moeten. Een bergruimte op zolder of bijvoorbeeld op de tweede verdieping van een portiekflat zonder lift zal niet aan deze eis kunnen voldoen. Wel zal aan de eis zijn voldaan wanneer de bergruimte bijvoorbeeld bereikbaar is via een niet te lange trap die is voorzien van een fietsgootje.

Op grond van het nieuwe vierde lid van artikel 4.31 en het nieuwe derde lid van artikel 4.35, ingevoegd bij Stb. 2014, 51, is het niet meer nodig een buitenberging respectievelijk een buitenruimte te realiseren bij een nieuw te bouwen woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Dergelijke opvang moet alleen voldoen aan de normen zoals bedoeld in richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asiel-zoekers in de lidstaten (PbEG 2003, L31). Een buitenberging en een buitenruimte zijn in deze richtlijn niet voorgeschreven.

Bij Stb. 2015,… is dit voorschrift geschrapt en opgelost in de functionele eis van artikel 4.30. . In het nieuwe vierde lid dat daarvoor in de plaats is gekomen is nu bepaald dat de eerste drie leden van 4.31 niet gelden voor een woonfunctie voor studenten en een woonfunctie voor zorg.

Artikel 4.32Regenwerend

Dit artikel stelt een eis aan de regenwerendheid van een voorgeschreven bergruimte. De uitwendige scheidingsconstructie moet zodanig regenwerend zijn dat de daarin opgeborgen voorwerpen tegen weer en wind beschermd zijn. Met andere woorden dak wanden en deur moeten deugdelijk zijn. Dit wordt getoetst aan NEN 2778. Een uitvloeisel van deze eis is dat de bergruimte met relatief eenvoudige maatregelen inbraakwerend kan worden gemaakt. Dit is echter geen verplichting.

Artikel 4.32 heeft alleen betrekking op de regenwerendheid van buitenbergingen als bedoeld in artikel 4.31. Dit betekent dat op buitenbergingen voor de woonfunctie voor studenten en de woonfunctie voor zorg geen eisen meer worden gesteld aan de regenwerendheid om bij Stb. 2015, 249, is bepaald dat voor bergruimten bij die gebruiksfuncties niet langer artikel 4.31 van toepassing is.

Artikel 4.33Verbouw

Artikel 4.33 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. De artikelen 4.31 en 4.32 zijn daarop van overeenkomstige toepassing waarbij mag worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het begrip «rechtens verkregen niveau» de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen zijn de artikelen 4.31 en 4.32 onverkort van toepassing. Dit volgt uit artikel 1.12. Dit betekent dat wanneer een woning wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw deze woning in ieder geval een bergruimte moet hebben.

Afdeling 4.6Buitenruimte, nieuwbouw

Algemeen

Een buitenruimte bij een woning voorziet in de fundamentele menselijke behoefte om in contact te kunnen staan met de omgeving. Daarom is besloten om de buitenruimte, die in het Bouwbesluit 2003 niet meer was voorgeschreven, opnieuw verplicht te stellen. Een buitenruimte is zoals het spraakgebruik ook aangeeft een ruimte waar licht en verse lucht vrijelijk in en uit kunnen stromen. Een dergelijke ruimte ligt dus buiten de thermische schil. Voorbeelden van buitenruimten zijn een tuin, een balkon, een loggia of een dakterras.

Artikel 4.34Aansturingsartikel

Artikel 4.34, eerste lid , bevat de functionele eis dat een bouwwerk (woning of woongebouw) over een buitenruimte moet beschikken die rechtstreeks vanuit dat bouwwerk kan worden bereikt.

Met de wijziging van het eerste lid van artikel 4.34 bij Stb. 2015, 249, worden de woonfunctie voor zorg en de woonfunctie voor studenten uitgezonderd van het voorschrift om een buitenruimte te hebben. De bewoners van een woonfunctie voor zorg hebben namelijk niet altijd behoefte aan een buitenruimte. Het wordt aan de initiatiefnemers van bouwplannen overgelaten om te bepalen of een buitenruimte nodig is voor de beoogde bewoners met zorgvraag. Ook voor de woonfunctie voor studenten geldt dat de bewoners veelal ook geen behoefte hebben aan buitenruimten. Studenten zullen in het algemeen gebruik maken van de publieke buitenruimten in een stad. Bovendien is het zo dat studenten relatief kort wonen in een studentenwoning.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften van deze afdeling. Deze voorschriften gelden voor alle nieuw te bouwen woonfuncties.

Artikel 4.35Aanwezigheid, afmetingen en bereikbaarheid

Artikel 4.35 geeft in het eerste lid aan dat elke woning een rechtstreeks vanuit de woning bereikbare niet-gemeenschappelijke buitenruimte moet hebben met een vloeroppervlakte van ten minste 4 m² en een breedte van ten minste 1,5 m. Een surplus aan buitenruimte mag wel gemeenschappelijk zijn, maar ook dan moet voor iedere woning ten minste 4 m² niet-gemeenschappelijke buitenruimte met een breedte van ten minste 1,5 m beschikbaar zijn. Een niet-gemeenschappelijke buitenruimte kan niet gelijktijdig een gemeenschappelijke verkeersruimte zijn. Een galerij mag dus niet worden meegerekend bij de voorgeschreven oppervlakte van de buitenruimte. De buitenruimte mag wel aan de galerij grenzen. Het is niet noodzakelijk om de afzonderlijke buitenruimten fysiek (met schuttingen e.d.) van elkaar te scheiden.

Het tweede lid lid geeft een uitzondering voor woningen met een vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van minder dan 40 m². Bij dergelijke woningen mag de buitenruimte gemeenschappelijk zijn en behoeft de oppervlakte van een gemeenschappelijke buitenruimte slechts 1 m² per woning te bedragen. De gezamenlijke buitenruimte moet echter, ook als er minder dan vier woningen op de buitenruimte zijn aangewezen, ten minste 4 m² zijn bij een breedte van ten minste 1,3 m. Zijn er echter bijvoorbeeld 6 woningen op die ruimte aangewezen dan zal de totale vloeroppervlakte ten minste 6 m² moeten bedragen. Of een gemeenschappelijke buitenruimte (artikel 3.35 [4.35], tweede lid) mogelijk is wordt bepaald aan de hand van de gebruiksoppervlakte in plaats van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied. Voordeel van het hanteren van de gebruiksoppervlakte is dat die eenduidig te bepalen is (NEN 2580). Een gebruiksoppervlakte van 50 m2 komt in de praktijk overeen met een vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van 40 m2. De buitenruimte moet of rechtstreeks vanuit de woning bereikbaar zijn of via gemeenschappelijke ruimten. Dit mag dus zowel via een of meer gemeenschappelijke verkeersruimten als via gemeenschappelijke verblijfsruimten. Met dit tweede lid is het bijvoorbeeld mogelijk kleine woningen, zoals studentenflats, te realiseren met een aan de gemeenschappelijke keuken of woonkamer grenzend balkon. Opgemerkt wordt dat een balkon altijd bereikbaar moet zijn zonder hoogteverschillen groter dan 0,02 m (zie artikel 4.27) en dat de toegang naar het balkon voldoende vrije hoogte en breedte heeft (zie artikel 4.22), zodat de toegankelijkheid van de buitenruimte voor rolstoelgebruikers van en naar de woning is gewaarborgd. In afdeling 2.3 worden overigens eisen gesteld aan het balkonhek of andere afscheiding aan de rand van een vloer om bij hoogteverschillen te voorkomen dat men van het balkon of een andere bouwkundige vloer kan vallen.

Op grond van het nieuwe vierde lid van artikel 4.31 en het nieuwe derde lid van artikel 4.35, ingevoegd bij Stb. 2014, 51, is het niet meer nodig een buitenberging respectievelijk een buitenruimte te realiseren bij een nieuw te bouwen woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Dergelijke opvang moet alleen voldoen aan de normen zoals bedoeld in richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asiel-zoekers in de lidstaten (PbEG 2003, L31). Een buitenberging en een buitenruimte zijn in deze richtlijn niet voorgeschreven.

Artikel 4.36Verbouw

Artikel 4.36 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Artikel 4.35 is daarop van overeenkomstige toepassing waarbij mag worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het begrip «rechtens verkregen niveau» de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen is artikel 4.35 onverkort van toepassing. Dit volgt uit artikel 1.12. Dit betekent dat wanneer een woning wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw deze woning een buitenruimte moet hebben.

Afdeling 4.7Opstelplaatsen

Algemeen

Afdeling 4.7 Opstelplaatsen, is gebaseerd op de oude afdelingen 4.15 Opstelplaats voor een aanrecht en opstelplaats voor een kooktoestel en 4.16 Opstelplaats voor een stooktoestel en 4.17 Opstelplaats voor een warmwatertoestel. De voorschriften zijn echter sterk vereenvoudigd. Naast de eisen die deze afdeling aan de aanwezigheid van de opstelplaatsen stelt gelden voorschriften uit oogpunt van veiligheid en gezondheid (hoofdstukken 2 en 3).

§ 4.7.1.Nieuwbouw

Artikel 4.37Aansturingsartikel

De functionele eis geeft aan dat een te bouwen bouwwerk opstelplaatsen voor een aanrecht, een kooktoestel, een verwarmingstoestel en een warmwatertoestel moet hebben.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Voor de industriefunctie, de «andere logiesfunctie», de «overige gebruiksfunctie» en het «bouwwerk geen gebouw zijnde» wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan.

In tabel 4.37 zijn bij Stb. 2015, 249, de artikelen 4.38 (eerste lid), 4.39 en 4.40 niet meer aangestuurd voor een woonfunctie voor zorg. Dit betekent dat voor deze gebruiksfunctie er geen verplichting meer is om een opstelplaats voor een aanrecht/kooktoestel te realiseren. Deze wijziging is opgenomen omdat bij een woonfunctie voor zorg er in het algemeen geen behoefte is aan deze voorzieningen.

De opstelplaats voor het aanrecht bij de bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik is bij Stb. 2017, 268 bij nieuwbouw (artikel 4.38, vierde lid) vervallen. Tabel 4.37 is overeenkomstig aangepast.

Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 4.38Aanwezigheid

Het eerste lid bepaalt voor de woonfunctie dat in ten minste één verblijfsgebied zowel een opstelplaats voor een aanrecht als een opstelplaats voor een kooktoestel moet zijn. Omdat dit niet is uitgesloten, mogen deze opstelplaatsen ook in een gemeenschappelijke ruimte liggen (zie artikel 1.4). Aan de specifieke plaats van een opstelplaats voor een aanrecht en een kooktoestel binnen het verblijfsgebied (ten opzichte van het zogenoemde matje) worden voortaan geen eisen meer gesteld. Bovendien mogen beide opstelplaatsen zolang ze in hetzelfde verblijfsgebied liggen wel in verschillende ruimten (al dan niet verblijfsruimten) liggen. Dit benadrukt de vrije indeelbaarheid van het verblijfsgebied.

Het tweede lid bevat de aanwezigheidseis voor een opstelplaats voor een verwarmingstoestel, zoals bijvoorbeeld een haard, een cv-ketel of een ander stooktoestel. Het gaat dus om het toestel waarin de warmte wordt opgewekt of omgezet en dus niet om bijvoorbeeld de radiatoren van een cv-installatie. De afmetingen van de opstelplaats moeten zijn afgestemd op het te plaatsen verwarmingstoestel. Het spreekt voor zich dat bij die afmetingen rekening moet worden gehouden met de voor onderhoudsactiviteiten noodzakelijke ruimte. Het toestel mag gemeenschappelijk met andere gebruiksfuncties worden gebruikt. Ook mag het verwarmingstoestel worden gecombineerd met een warmwatertoestel (combiketel). De eisen van het tweede lid gelden niet wanneer de gebruiksfunctie is aangesloten op een publieke voorziening voor verwarming (bijvoorbeeld stadsverwarming).

Voor het derde lid dat betrekking heeft op een opstelplaats voor een warmwatertoestel gelden dezelfde overwegingen als voor een opstelplaats voor een verwarmingstoestel.

Het vierde lid bepaalt voor de bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik dat er in ten minste één verblijfsgebied een opstelplaats voor een aanrecht moet liggen. Hiermee is beoogd dat in horecagelegenheden op hygiënische wijze kan worden afgewassen.

De opstelplaats voor het aanrecht bij de bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik is bij Stb. 2017, 268 vervallen.

Artikel 4.39Afmetingen

Het eerste lid geeft als maat voor een (al dan niet gemeenschappelijke) opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 4.38, eerste lid, een vloeroppervlakte van ten minste 1,5 x 0,6 m. Voor een opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 4.38, vierde lid, gelden dus geen specifieke afmetingseisen. De opstelplaats moet natuurlijk wel zodanig zijn dat deze functioneel is.

Het tweede lid geeft als maat voor een (al dan niet gemeenschappelijke) opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.38, eerste lid, een vloeroppervlakte van ten minste 0,6 x 0,6 m.

Artikel 4.40Verbouw

Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten zijn de artikelen 4.38 en 4.39 van overeenkomstige toepassing waarbij moet worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het begrip «rechtens verkregen niveau» de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen zijn de nieuwbouwvoorschriften onverkort van toepassing. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat tenzij anders is bepaald de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn. Zie hiervoor ook het algemeen deel van toelichting en de toelichting op artikel 1.12.

§ 4.7.2.Bestaande bouw

Artikel 4.41

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 4.8.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt er op gewezen dat een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel bij bestaande bouw voortaan evenals bij nieuwbouw niet meer in dezelfde ruimte behoeven te liggen. Bij bestaande bouw is alleen voorgeschreven dat de opstelplaatsen in besloten ruimten moeten liggen, dit mogen dus verschillende ruimten zijn.

In tabel 4.41 zijn bij Stb. 2015, 249, de prestatie-eisen niet meer aangestuurd voor een woonfunctie voor zorg. Zie verder daarvoor de toelichting bij paragraaf 4.8.1.

De opstelplaats voor het aanrecht bij de bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik is bij Stb. 2017, 268 bij bestaande bouw (artikel 4.42, tweede lid) vervallen. Tabel 4.41 is overeenkomstig aangepast.

Artikel 4.42

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 4.8.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt er op gewezen dat een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel bij bestaande bouw voortaan evenals bij nieuwbouw niet meer in dezelfde ruimte behoeven te liggen. Bij bestaande bouw is alleen voorgeschreven dat de opstelplaatsen in besloten ruimten moeten liggen, dit mogen dus verschillende ruimten zijn.

De opstelplaats voor het aanrecht bij de bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik is bij Stb. 2017, 268 bij bestaande bouw (artikel 4.42, tweede lid) vervallen. Tabel 4.41 is overeenkomstig aangepast.

Artikel 4.43

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 4.8.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt er op gewezen dat een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel bij bestaande bouw voortaan evenals bij nieuwbouw niet meer in dezelfde ruimte behoeven te liggen. Bij bestaande bouw is alleen voorgeschreven dat de opstelplaatsen in besloten ruimten moeten liggen, dit mogen dus verschillende ruimten zijn.