Contact Service
Artikel 3.34 Luchtkwaliteit
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Artikel 3.34 Luchtkwaliteit

De hoofdregel, vastgelegd in het eerste lid , is dat alle verse lucht voor een verblijfsgebied rechtstreeks van buiten moet worden toegevoerd. De bedoeling is dat de lucht niet eerst in een andere ruimte verbruikt kan zijn. Rechtstreekse toevoer kan ook via een kanalensysteem plaatsvinden.

In het tweede lid is voor de woonfunctie en voor de logiesfunctie een uitzondering gegeven. Daar mag ten hoogste 50% van de in artikel 3.29 bedoelde capaciteit via een andere ruimte worden aangevoerd. Deze ruimte moet wel tot dezelfde gebruiksfunctie behoren en mag geen gemeenschappelijke ruimte zijn.

Het derde lid geeft aan dat bij een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woonfunctie de toevoer en afvoer van ventilatielucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte altijd rechtstreeks van en naar buiten moet plaats vinden. De ventilatielucht mag dus niet via een andere ruimte worden gevoerd.

Het vierde lid regelt voor alle gebruiksfuncties dat bij een liftschacht van een (personen) lift de toe- en afvoer van ventilatielucht rechtstreeks van en naar buiten of via de liftmachineruimte plaatsvindt. De liftmachineruimte moet dan in directe verbinding met de buitenlucht staan (al dan niet via een kanalensysteem). Als de personenlift een brandweerlift is (zie voor een toelichting op de begrippen «lift» en «brandweerlift» artikel 1.1), dan beperkt dit voorschrift de kans dat de brandweerlift in geval van brand onbruikbaar wordt als gevolg van het binnendringen van rook uit een andere ruimte.

Het vijfde lid biedt voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval een soortgelijk voorschrift als het derde en vierde lid. De toe- en afvoer van ventilatielucht mag niet via een andere ruimte in het gebouw plaatsvinden. In opslagruimten voor afval vloeit uit de aard van het gebruik voort dat de binnenlucht wordt verontreinigd. Een open verbinding met andere ruimten zou verspreiding van deze verontreiniging door het gehele gebouw tot gevolg kunnen hebben.

In het zesde lid is geregeld dat de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten en de afvoer van binnenlucht uit de wegtunnelbuis rechtstreeks naar buiten plaats moet vinden. Rechtstreeks van respectievelijk naar buiten wil zeggen dat de ventilatielucht niet via een andere ruimte dan de wegtunnelbuis zelf mag worden aan- en afgevoerd. Dit betekent dat er wel gebruik mag worden gemaakt van rechtstreekse aan- en afvoer via de tunnelbuismond of van een kanalensysteem dat door andere ruimten loopt.

Het zevende lid tot en met negende lid hebben betrekking op situaties waarin alleen eisen aan de afvoer van ventilatielucht worden gesteld. De afvoer moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden, aan de toevoer worden geen speciale eisen gesteld. De eis van het zevende lid heeft echter niet betrekking op alle afgevoerde binnenlucht uit de ruimte, maar op ten minste 21 dm³/s. Dit is in het algemeen de hoeveelheid lucht die door een afzuigkap wordt afgevoerd. De capaciteit die hierboven uit gaat mag via een andere ruimte worden afgevoerd. Opgemerkt wordt dat dat dan geen ruimte mag zijn waar alle ventilatielucht direct van buiten moet worden aangevoerd. Zie ook de toelichting op het tweede lid.