Contact Service
Artikel 3.33 Plaats van de opening
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Artikel 3.33 Plaats van de opening

Er moet worden voorkomen dat door het gebouw zelf afgevoerde rookgas onverdund weer het gebouw wordt ingezogen. Om die reden stelt artikel 3.33 in het eerste lid eisen ter beperking van de concentraties verontreinigde lucht en verbrandingsgassen bij een instroomopening voor verse lucht. Dit betekent dat eventuele rookgassen en verontreinigde lucht zo verdund moeten zijn dat mochten zij weer naar binnen worden gezogen, er geen schadelijke effecten op de gezondheid kunnen ontstaan. Uit NEN 1087 volgt wat in een specifiek geval de minimale afstand tussen een uit- en een instroomopening moet zijn om aan de in tabel 3.33 opgenomen verdunningsfactoren te voldoen.

In het eerste lid van artikel 3.33 op grond van Stb. 2013, 75, "en van een afvoervoorziening voor rook" vervallen. Na het eerste lid is een nieuw tweede lid tussengevoegd, met daarin een voorschrift voor de afvoervoorziening van rookgas. In dit nieuwe tweede lid is het bepalen van de verdunningsfactor van de uitstoot van rookgasafvoer niet meer gekoppeld aan NEN 1087 maar aan NEN 2757. Hiervoor is gekozen omdat NEN1087 niet van toepassing is op de rookgasafvoer van een opstelplaats van een verbrandingstoestel. NEN 2757 heeft wel voorschriften voor dergelijke verbrandingstoestellen. Opgemerkt wordt dat in het Bouwbesluit 2003 de verdunningsfactor bij de rookgasafvoer op twee plaatsen was geregeld, in artikel 3.52 met toepassing van NEN 1087 en in artikel 3.94 met toepassing van NEN 2757. Voortaan zijn de voorschriften met betrekking tot de verdunningsfactor voor rookgasafvoer alleen in artikel 3.33 opgenomen en niet meer in afdeling 3.8 toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas. Overigens wordt opgemerkt dat met het vervangen van het begrip "rook" door rookgas in dit artikel recht wordt gedaan aan het onderscheid tussen rookgassen als gevolg van bedoelde verbranding in toestellen en rook bij onbedoelde brand1.

In het derde lid is bepaald dat zowel de instroom- als de uitstroomopening ten minste 2 m van de perceelsgrens moeten liggen, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie. Bij een bijvoorbeeld in de achtergevel gelegen uitstroomopening gaat het om de haaks op die achtergevel gelegen afstand, de afstand van die in de achtergevel gelegen uitstroomopening ten opzichte van de zijgevel is niet relevant. Oogmerk van deze bepaling is het waarborgen dat belendingen het functioneren van de voorziening niet belemmeren. Of een belending last heeft van de uitstoot uit een in dit artikel bedoelde uitstroomopening is een andere zaak. In sommige gevallen zal het burenrecht er toe leiden dat er toch beperkingen kunnen worden gesteld aan het daadwerkelijk gebruik van een afvoer die wel aan dit artikel voldoet. Het tweedederde lid geldt niet voor een in een dak gelegen instroomopening of uitmonding.

Opmerking BRIS

1 Met deze wijziging is een omissie ontstaan. Niet langer hoeft bij een ventilatietoevoeropening te worden gekeken naar de plaats van de uitmonding van de RGA. Dat zou betekenen dat bij een verbouwing aan de voorziening voor ventilatie en een ongewijzigde RGA, rookgassen vrijelijk naar binnen mogen stromen. Dat kan de bedoeling van de wetgeving niet zijn.