Contact Service
§ 3.6.1 Nieuwbouw
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


§ 3.6.1 Nieuwbouw

Artikel 3.28Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor luchtverversing dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht voldoende worden beperkt, is gebaseerd op de functionele eisen van de oude afdelingen 3.10 en 3.12. Deze nieuwe functionele eis heeft vergeleken met het Bouwbesluit 2003 een meer algemene strekking gekregen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

In tabel 3.28 is bij Stb. 2014, 51 de aansturing van artikel 3.31 voor de overige gebruiksfunctie vervallen. Een parkeergarage of een andere overige gebruiksfunctie heeft namelijk geen verblijfsgebieden of verblijfsruimten, maar alleen functiegebieden en functieruimten. De voorschriften van artikel 3.31 die alleen betrekking hebben op verblijfsgebieden en verblijfsruimten kunnen derhalve niet van toepassing zijn.

Artikel 3.29Luchtverversing verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte

Artikel 3.29 schrijft de aanwezigheid voor van een voorziening voor luchtverversing (ventilatiemogelijkheid) waarmee een verblijfsgebied, een verblijfsruimte, een toiletruimte en een badruimte langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd. Op deze wijze wordt zeker gesteld dat de noodzakelijke zuurstof kan worden aangevoerd en kooldioxide, waterdamp, onaangename geurstoffen en stofdeeltjes kunnen worden afgevoerd. Ook speelt luchtverversing een rol bij het afvoeren van eventuele in de binnenlucht aanwezige schadelijke stoffen als gevolg van bijvoorbeeld formaldehyde-emissie en radonstraling. De voorschriften zijn afgestemd op het advies van de Gezondheidsraad inzake ventilatie (Het binnenhuisklimaat, in het bijzonder een ventilatieminimum, in Nederlandse woningen, Gezondheidsraad, 1984), waarin per persoon een minimum luchtverversing wordt aanbevolen van 25 m³/h (=7•10–3 m³/s). De benodigde hoeveelheid luchtverversing van een verblijfsgebied of verblijfsruimte wordt bij de woonfunctie bepaald aan de hand van de vloeroppervlakte, bij de utiliteitsfuncties wordt de benodigde hoeveelheid luchtverversing bepaald aan de hand van het aantal personen waarvoor de ruimte is bestemd (personenbenadering).

Het eerste lid gaat voor een verblijfsgebied van een woonfunctie uit van een voorgeschreven capaciteit van 0,9 dm³/s per m² vloeroppervlakte.

Het tweede lid bevat een soortgelijk voorschrift als het eerste lid maar dan voor een verblijfsruimte van een woonfunctie. De capaciteit moet dan 0,7 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte zijn. Om te waarborgen dat in het kleinst denkbare verblijfsgebied of de kleinst denkbare verblijfsruimte van 5 m² toch voldoende ventilatie aanwezig is voor ten minste één persoon, zoals bedoeld in het bovengenoemde advies van de Gezondheidsraad, geldt bij het eerste en tweede lid een minimale ventilatiecapaciteit van 7•10–3 m³/s. Opgemerkt wordt dat bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen zowel moet worden voldaan aan de eisen voor een verblijfsgebied als aan de eisen voor een verblijfsruimte, dus bij een ingedeeld verblijfsgebied kan niet worden volstaan met het alleen voldoen aan de ventilatieeisen voor de in dat gebied gelegen verblijfsruimten.

Het derde lid heeft uitsluitend betrekking op utiliteitsfuncties. Dit lid geeft, gebaseerd op de personenbenadering, een minimumvoorschrift voor de luchtverversing in een verblijfsgebied en een verblijfsruimte. Bij de omzetting naar de personenbenadering is voor de eis van de ventilatiecapaciteit uitgegaan van de middenwaarde van de bezettingsgraadklasse uit het Bouwbesluit 2003. Het is de bedoeling dat de aanvrager van een vergunning het aantal personen per gebouw, gebruiksfunctie, -gebied en -ruimte opgeeft, daarbij moet worden uitgegaan van het aantal personen waarvoor het verblijfsgebied of de verblijfsruimte bestemd is.

Het voorschrift van het vierde lid voor een verblijfsgebied of verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel is erop gericht dat geurstoffen, bij normale verbranding vrijkomende dampen en overmatige waterdampproductie die daar kunnen ontstaan in korte tijd kunnen worden afgevoerd en verbrandingslucht kan worden toegevoerd. Opgemerkt wordt dat het soortgelijke voorschrift voor een verblijfsgebied of verblijfsruimte met uitsluitend een opstelplaats voor een warmwatertoestel uit het Bouwbesluit 2003 is vervallen.

Het uitgangspunt van het vijfde lid is dat bij een woning niet elke ruimte gelijktijdig wordt gebruikt. De totale capaciteit van een centrale ventilatievoorziening mag echter niet kleiner zijn dan 70% van de optelsom van de voorgeschreven ventilatiecapaciteiten van alle de op de centrale ventilatievoorziening aangesloten verblijfsgebieden. De totaal benodigde ventilatiecapaciteit behoeft dus niet een optelsom te zijn van de in de verschillende verblijfsgebieden benodigde capaciteit te zijn. Natuurlijk moet elk verblijfsgebied op enig moment kunnen beschikken over de in het eerste, derde en vierde lid bedoelde benodigde capaciteit. Daarbij kan het nodig zijn een regelsysteem voor de verdeling van de ventilatiecapaciteit over verschillende verblijfsgebieden te installeren.

De in het zesde lid voorgeschreven capaciteit voor een toiletruimte is zodanig dat verontreinigde lucht in korte tijd kan worden afgevoerd.

De voor een badruimte in het zevende lid voorgeschreven capaciteit is afgestemd op het afvoeren van een overmaat aan waterdamp binnen zodanige tijd dat schimmelvorming wordt voorkomen.

Artikel 3.29 was zo geformuleerd dat er in het zesde lid ten onrechte geen sprake was van een verplichting om een voorziening voor luchtverversing voor een toiletruimte en voor een badruimte te hebben. Met de wijziging in Stb. 2013, 75, is duidelijk gemaakt dat zowel een toiletruimte als een badruimte een dergelijke voorziening moeten hebben. Het gewijzigde voorschrift is daarbij in een zesde lid (voor toiletruimten) en een zevende lid (voor badruimten) gesplitst. Het voorschrift is hiermee weer in overeenstemming met het niveau van eisen dat in het Bouwbesluit 2003 was voorgeschreven. Tabel 3.28 is overeenkomstig aangepast bij dat Staatsblad.

Artikel 3.30Thermisch comfort

De praktijk wijst uit dat veel mensen bij tocht (te veel circulatie van koude lucht) de neiging hebben om ventilatieopeningen af te sluiten, waardoor een voor de gezondheid nadelige situatie kan ontstaan. Om dergelijk handelen te voorkomen stelt dit artikel een maximum aan de luchtsnelheid van verse (koude) ventilatielucht in de «leefzone», zodat er bij het gebruik van de ventilatievoorziening geen tochtoverlast wordt ervaren. Het begrip «leefzone» is gedefinieerd in artikel 1.1, eerste lid.

Artikel 3.31Regelbaarheid

Artikel 3.31, regelbaarheid, ziet toe op de regelbaarheid van de voorziening van toevoer van verse lucht. Met de wijziging van dit artikel bij Stb. 2013, 75, is een onderscheid aangebracht tussen natuurlijke toevoer (eerste lid) en mechanische toevoer (tweede lid). In het derde lid is aangegeven dat – ongeacht of het natuurlijke of mechanische toevoer betreft – de voorziening zelfregelend mag zijn.

Het eerste lid betreft de regelbaarheid van de natuurlijke toevoer van ventilatielucht direct van buiten, bijvoorbeeld door een kiepraampje, ongeacht de vraag of de afvoer natuurlijk of mechanisch is. Het gaat er in dit lid om dat de beweegbare componenten bestemd voor het regelen van de capaciteit van de toevoer van verse lucht in verschillende (instel)standen kunnen worden gefixeerd.

Het tweede lid stelt eisen aan de regelbaarheid van de mechanische toevoer van ventilatielucht zoals bijvoorbeeld bij een balansventilatiesysteem. Het gaat om een mechanische toevoer (door de ventilator) van verse ventilatielucht ongeacht de vraag of de afvoer natuurlijk of mechanisch is. Op een systeem waarbij de lucht natuurlijk wordt toegevoerd en mechanisch afgevoerd is dus uitsluitend het eerste lid van toepassing. In de meeste gevallen zal de regelbaarheid voor de toevoer op basis van een ventilatiebalans gelijk zijn aan regelbaarheid voor de afvoer. Uit het tweede lid volgt dat de mechanische toevoer een dichtstand heeft (die kan worden bereikt door de stroomtoevoer of de ventilatiemotor uit te schakelen) en ten minste de hierna genoemde drie ventilatiestanden moet hebben: de minimumstand een tussenliggende instelstand en een stand die de in artikel 3.29 bedoelde ventilatiecapaciteit waarborgt. Eventueel tussenliggende standen zijn niet verder voorgeschreven en zijn afhankelijk van het gekozen systeem. Een voorziening voor de toevoer van ventilatielucht hoeft niet altijd regelbaar te zijn door middel van door mensen in te stellen regelstanden als aangegeven in het eerste en tweede lid.

Het derde lid staat namelijk binnen de randvoorwaarden van het eerste en tweede lid een zelfregelende toevoervoorziening toe. Tabel 3.28 is overeenkomstig gewijzigd bij dat Staatsblad.

Artikel 3.32Luchtverversing overige ruimten

Ventilatie is niet alleen voor verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toilet- en badruimten noodzakelijk maar ook voor een sommige andere ruimten in een gebruiksfunctie. Deze overige ruimten zijn weliswaar niet bestemd voor langdurig verblijf van mensen maar kunnen door de aard van hun gebruik zonder voldoende luchtverversing een verhoogde kans op gevaar voor de gezondheid van de gebruikers opleveren. Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening waarmee die andere ruimten in een gebruiksfunctie langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd.

Het eerste lid regelt dat in gemeenschappelijke verkeersruimten (galerijen, corridors, trappenhuizen en portieken) een ventilatievoorziening moet zijn. In deze ruimten kan zich verontreinigde lucht ophopen en kunnen onaangename geuren afkomstig uit de aangrenzende woningen blijven hangen.

Het tweede lid bepaalt dat een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter moeten worden geventileerd om te voorkomen dat in die ruimte door een eventueel gaslek een ontplofbaar gasmengsel kan ontstaan. Ook kan de ventilatie zorgen dat de aan de gaslucht verbonden geurstoffen zich snel door het gebouw verspreiden en een lekkage zodoende spoedig ergens in het gebouw wordt opgemerkt. Voor een liftschacht van een personenlift geldt dat de ventilatievoorziening gewaarborgd moet zijn. Personen in een vastzittende lift zijn dikwijls afhankelijk van via de liftschacht aangevoerde verse lucht.

Het derde lid stelt daarom een minimum ventilatie-eis aan de liftschacht. Voor de eisen aan de liftkooi zelf, dus ook aan de ventilatie in de liftkooi wordt naar het Besluit liften verwezen.

Het vierde lid geeft een ventilatie-eis voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval, indien die ruimte een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m² heeft. Ventilatie is hier nodig om de kans te beperken dat er door de opslag van grote hoeveelheden afval stankhinder ontstaat. Opgemerkt wordt dat de opslagruimte voor huishoudelijk afval niet meer is voorgeschreven, maar dat het voorschrift geldt voor iedere vrijwillig aangebrachte opslagruimte. De opslagruimte in dit lid moet niet verward worden met de verzamel-, opslag- of verwerkingsruimte voor (voormalig huishoudelijk) afval in een afvalverwerkingsbedrijf.

Het vijfde lid heeft betrekking op een stallingsruimte voor motorvoertuigen met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m². In artikel 3.32, vijfde lid, is op grond van Stb. 2013, 75, "met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m²" vervallen. Hiermee is duidelijk dat de eisen aan de luchtverversing voor parkeergarages ongeacht de omvang gelden. Met deze wijziging is het voorschrift in overeenstemming met de regels voor het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage krachtens het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit).Grotere stallingsruimten vallen onder de Wet milieubeheer.

Het zesde lid heeft betrekking op de veiligheid van tunnels of tunnelvormige bouwwerken. Het zesde lid is een functionele eis die op iedere tunnel en ieder tunnelvormig bouwwerk van toepassing is. Er moet afhankelijk van het soort tunnel en de tunnellengte altijd voldoende luchtverversing zijn om de gezondheid van de gebruikers te kunnen waarborgen. Er moet rekening worden gehouden met de emissie van verontreinigende stoffen bij normaal verkeer, tijdens verkeerspieken en bij stilstand wegens een ongeval. Ook moet rekening worden gehouden met de beheersing van hitte en rook bij brand. Bij kortere tunnels kan de natuurlijke ventilatie via de tunnelopeningen soms voldoende zijn. In dergelijke gevallen wordt door het rijdend verkeer een langsstroming in de tunnelbuis opgewekt die in de meeste gevallen voldoende is voor verversing van de lucht. De schone lucht wordt dan aangevoerd via de ingang van de wegtunnelbuis en de vervuilde lucht verdwijnt via de uitgang. In sommige gevallen kan zelfs worden volstaan met de luchtbeweging door wind of tocht. In andere gevallen zijn aanvullende ventilatievoorzieningen nodig om voldoende ventilatiecapaciteit te waarborgen. Deze voorzieningen kunnen mechanisch zijn, maar dat hoeft niet. Welke ventilatiecapaciteit in een specifiek geval voldoende zal zijn, is voor wegtunnels af te lezen uit hoofdstuk 12 van de Veiligheids Richtlijn deel C (VRC), uitgave van Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Steunpunt Tunnelveiligheid, januari 2004.

Bij een lange wegtunnelbuis kan niet worden vertrouwd op natuurlijke ventilatie. Het zevende lid bepaalt daarom dat de in het zesde lid bedoelde ventilatievoorziening bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m altijd mechanisch moet zijn.

Artikel 3.33Plaats van de opening

Er moet worden voorkomen dat door het gebouw zelf afgevoerde rookgas onverdund weer het gebouw wordt ingezogen. Om die reden stelt artikel 3.33 in het eerste lid eisen ter beperking van de concentraties verontreinigde lucht en verbrandingsgassen bij een instroomopening voor verse lucht. Dit betekent dat eventuele rookgassen en verontreinigde lucht zo verdund moeten zijn dat mochten zij weer naar binnen worden gezogen, er geen schadelijke effecten op de gezondheid kunnen ontstaan. Uit NEN 1087 volgt wat in een specifiek geval de minimale afstand tussen een uit- en een instroomopening moet zijn om aan de in tabel 3.33 opgenomen verdunningsfactoren te voldoen.

In het eerste lid van artikel 3.33 op grond van Stb. 2013, 75, "en van een afvoervoorziening voor rook" vervallen. Na het eerste lid is een nieuw tweede lid tussengevoegd, met daarin een voorschrift voor de afvoervoorziening van rookgas. In dit nieuwe tweede lid is het bepalen van de verdunningsfactor van de uitstoot van rookgasafvoer niet meer gekoppeld aan NEN 1087 maar aan NEN 2757. Hiervoor is gekozen omdat NEN1087 niet van toepassing is op de rookgasafvoer van een opstelplaats van een verbrandingstoestel. NEN 2757 heeft wel voorschriften voor dergelijke verbrandingstoestellen. Opgemerkt wordt dat in het Bouwbesluit 2003 de verdunningsfactor bij de rookgasafvoer op twee plaatsen was geregeld, in artikel 3.52 met toepassing van NEN 1087 en in artikel 3.94 met toepassing van NEN 2757. Voortaan zijn de voorschriften met betrekking tot de verdunningsfactor voor rookgasafvoer alleen in artikel 3.33 opgenomen en niet meer in afdeling 3.8 toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas. Overigens wordt opgemerkt dat met het vervangen van het begrip "rook" door rookgas in dit artikel recht wordt gedaan aan het onderscheid tussen rookgassen als gevolg van bedoelde verbranding in toestellen en rook bij onbedoelde brand1.

In het derde lid is bepaald dat zowel de instroom- als de uitstroomopening ten minste 2 m van de perceelsgrens moeten liggen, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie. Bij een bijvoorbeeld in de achtergevel gelegen uitstroomopening gaat het om de haaks op die achtergevel gelegen afstand, de afstand van die in de achtergevel gelegen uitstroomopening ten opzichte van de zijgevel is niet relevant. Oogmerk van deze bepaling is het waarborgen dat belendingen het functioneren van de voorziening niet belemmeren. Of een belending last heeft van de uitstoot uit een in dit artikel bedoelde uitstroomopening is een andere zaak. In sommige gevallen zal het burenrecht er toe leiden dat er toch beperkingen kunnen worden gesteld aan het daadwerkelijk gebruik van een afvoer die wel aan dit artikel voldoet. Het tweedederde lid geldt niet voor een in een dak gelegen instroomopening of uitmonding.

Opmerking BRIS

1 Met deze wijziging is een omissie ontstaan. Niet langer hoeft bij een ventilatietoevoeropening te worden gekeken naar de plaats van de uitmonding van de RGA. Dat zou betekenen dat bij een verbouwing aan de voorziening voor ventilatie en een ongewijzigde RGA, rookgassen vrijelijk naar binnen mogen stromen. Dat kan de bedoeling van de wetgeving niet zijn.

Artikel 3.34Luchtkwaliteit

De hoofdregel, vastgelegd in het eerste lid , is dat alle verse lucht voor een verblijfsgebied rechtstreeks van buiten moet worden toegevoerd. De bedoeling is dat de lucht niet eerst in een andere ruimte verbruikt kan zijn. Rechtstreekse toevoer kan ook via een kanalensysteem plaatsvinden.

In het tweede lid is voor de woonfunctie en voor de logiesfunctie een uitzondering gegeven. Daar mag ten hoogste 50% van de in artikel 3.29 bedoelde capaciteit via een andere ruimte worden aangevoerd. Deze ruimte moet wel tot dezelfde gebruiksfunctie behoren en mag geen gemeenschappelijke ruimte zijn.

Het derde lid geeft aan dat bij een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woonfunctie de toevoer en afvoer van ventilatielucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte altijd rechtstreeks van en naar buiten moet plaats vinden. De ventilatielucht mag dus niet via een andere ruimte worden gevoerd.

Het vierde lid regelt voor alle gebruiksfuncties dat bij een liftschacht van een (personen) lift de toe- en afvoer van ventilatielucht rechtstreeks van en naar buiten of via de liftmachineruimte plaatsvindt. De liftmachineruimte moet dan in directe verbinding met de buitenlucht staan (al dan niet via een kanalensysteem). Als de personenlift een brandweerlift is (zie voor een toelichting op de begrippen «lift» en «brandweerlift» artikel 1.1), dan beperkt dit voorschrift de kans dat de brandweerlift in geval van brand onbruikbaar wordt als gevolg van het binnendringen van rook uit een andere ruimte.

Het vijfde lid biedt voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval een soortgelijk voorschrift als het derde en vierde lid. De toe- en afvoer van ventilatielucht mag niet via een andere ruimte in het gebouw plaatsvinden. In opslagruimten voor afval vloeit uit de aard van het gebruik voort dat de binnenlucht wordt verontreinigd. Een open verbinding met andere ruimten zou verspreiding van deze verontreiniging door het gehele gebouw tot gevolg kunnen hebben.

In het zesde lid is geregeld dat de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten en de afvoer van binnenlucht uit de wegtunnelbuis rechtstreeks naar buiten plaats moet vinden. Rechtstreeks van respectievelijk naar buiten wil zeggen dat de ventilatielucht niet via een andere ruimte dan de wegtunnelbuis zelf mag worden aan- en afgevoerd. Dit betekent dat er wel gebruik mag worden gemaakt van rechtstreekse aan- en afvoer via de tunnelbuismond of van een kanalensysteem dat door andere ruimten loopt.

Het zevende lid tot en met negende lid hebben betrekking op situaties waarin alleen eisen aan de afvoer van ventilatielucht worden gesteld. De afvoer moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden, aan de toevoer worden geen speciale eisen gesteld. De eis van het zevende lid heeft echter niet betrekking op alle afgevoerde binnenlucht uit de ruimte, maar op ten minste 21 dm³/s. Dit is in het algemeen de hoeveelheid lucht die door een afzuigkap wordt afgevoerd. De capaciteit die hierboven uit gaat mag via een andere ruimte worden afgevoerd. Opgemerkt wordt dat dat dan geen ruimte mag zijn waar alle ventilatielucht direct van buiten moet worden aangevoerd. Zie ook de toelichting op het tweede lid.

Artikel 3.35Verbouw

Artikel 3.35 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen zijn de artikelen 3.29 tot en met 3.34 van overeenkomstige toepassing. Het minimum niveau dat moet worden aangehouden is echter het rechtens verkregen niveau. Zie voor het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen zijn de nieuwbouwvoorschriften van toepassing. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat, tenzij anders is bepaald, de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn. Aan artikel 3.35 (verbouw) is bij Stb. 2013, 75, een tweede lid toegevoegd. Dit nieuwe tweede lid bepaalt dat bij het installeren van een geheel nieuwe afvoervoorziening de nieuwbouweis van artikel 3.33 onverkort geldt. In een dergelijk geval is het bij de toepassing van artikel 3.33 niet toegestaan uit te gaan van het rechtens verkregen niveau. Hiermee wordt bovendien voorkomen dat bij het ontbreken van een rechtens verkregen niveau er geen eisen gelden voor de verdunningsfactor, wat zou kunnen leiden tot gevaarlijke gezondheidssituaties.

Artikel 3.36Tijdelijke bouw

Artikel 3.36 bepaalt dat op de in de tabel genoemde gebruiksfuncties wat betreft de ventilatievoorziening de nieuwbouwvoorschriften onverkort van toepassing zijn op tijdelijke bouwwerken. Hiermee wordt ook bij tijdelijke woningen, kinderopvang en schoolgebouwen een gezond binnenmilieu gewaarborgd. Hiermee is invulling gegeven aan artikel 1.14 dat bepaalt dat tenzij anders is aangegeven op een tijdelijk bouwwerk de voorschriften voor bestaande bouw van toepassing zijn.