Contact Service
Afdeling 3.11 Daglicht
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Afdeling 3.11 Daglicht

Algemeen

Opgemerkt wordt dat voor de gebruiksfuncties waarvoor geen eisen in deze afdeling worden gesteld mogelijkerwijs eisen gelden op grond van de arbeidsomstandighedenregelgeving.

§ 3.11.1Nieuwbouw

Artikel 3.74Aansturingsartikel

De functionele eis, een te bouwen bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden, is vergeleken met de voorschriften van het oude artikel 3.114 ongewijzigd.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de «andere bijeenkomstfunctie», de sportfunctie, de winkelfunctie, de «overige gebruiksfunctie» en het «bouwwerk geen gebouw zijnde» wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan.

Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 3.75 Daglichtoppervlakte

De bedoeling van dit artikel is te bereiken dat er uit een oogpunt van gezondheid voldoende daglicht kan toetreden tot een verblijfsgebied of verblijfsruimte. Dit artikel heeft dus niet het waarborgen van uitzicht vanuit de genoemde ruimten tot doel. Dat aspect wordt aan de markt overgelaten. In NEN 2057 is aangegeven op welke wijze de vereiste daglichtoppervlakte moet zijn bepaald. Daarbij wordt onder equivalente daglichtoppervlakte verstaan de daglichtopening, voorzover hoger gelegen dan 60 cm boven de vloer, die met de in die norm aangegeven reductiefactoren wordt vermenigvuldigd. Daarbij wordt rekening gehouden met bepaalde belemmeringen zoals dakoverstekken en uitkragende balkons, die de toetreding van daglicht kunnen beperken.

De eis van het eerste lid heeft betrekking op verblijfsgebieden.

Om te waarborgen dat in elke afzonderlijke verblijfsruimte ook voldoende daglicht kan toetreden, bevat het tweede lid een minimum eis voor de daglichtopening van een verblijfsruimte. De vereiste daglichtoppervlakte kan worden gerealiseerd door openingen in zowel uitwendige als inwendige scheidingsconstructies. Zo mag bijvoorbeeld wanneer er een serre aan de buitenkant van de gebruiksfunctie is, de daglichttoetreding via die serre zijn meegerekend voor een aangrenzend verblijfsgebied of aangrenzende verblijfsruimte.

Volgens het derde lid behoeft bij het bepalen van de daglichttoetreding slechts rekening gehouden met bouwwerken die op hetzelfde perceel liggen (onderdeel a). Op die manier kan voor een gebruiksfunctie onafhankelijk van de omgeving worden nagegaan of de gebruiksfunctie aan de daglichteisen voldoet. Daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie die loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten op minder dan 2 m afstand van de perceelsgrens liggen blijven buiten beschouwing (onderdeel b). De afstand van 2 m is ontleend het Burgerlijk Wetboek.Wel moet men onafhankelijk van de omgeving (buiten het perceel gelegen objecten) rekening houden met een genormeerde belemmeringvan ten minste dan 25° (onderdeel c). De wijziging van het derde lid van artikel 3.75 heeft betrekking op de aan te houden belemmeringshoek bij het bepalen van de equivalente oppervlakte. Niet kleiner dan 25° wordt vervangen door niet kleiner dan 20° [Stb. 2011, 676]. Deze wijziging is een gevolg van het beschikbaar komen van een nieuwe versie van NEN 2057 (2011). Bij berekening met de nieuwe NEN 2057 komt een hellingshoek van 20 ° vrijwel overeen met een volgens de oude NEN 2057 (2001) uitgevoerde berekening bij een hellingshoek van 25°. Een nadere toelichting hierop is te vinden in bijlage C van het nieuwe normblad (zie ook figuur C.1 in genoemde bijlage). In de nieuwe bepalingsmethode wordt uitgegaan van een ander ‘projectievlak’ en een nauwkeuriger berekeningsmethodiek. Met de nieuwe berekeningsmethodiek en de kleinere hellingshoek wordt beter aangesloten op de daglichtervaring van de gebruikers van ruimten die indirect daglicht ontvangen. Daardoor is het met name bij grote utiliteitsgebouwen eenvoudiger om aan de daglichteis te voldoen.

Het vierde lid bepaalt dat de daglichteisen niet van toepassing zijn voor gebouwen die een rol spelen in de landsverdediging of de bescherming van de bevolking zoals als schuilkelders.

Het vijfde lid geeft aan dat een afzonderlijke slaapruimte in een kinderdagverblijf geen daglichttoetreding behoeft te hebben. In een ruimte die naast voor slapen ook bedoeld is voor spelactiviteiten is daglichttoetreding wel voorgeschreven.

Met zesde lid zijn de daglichteisen afgestemd op de daglichteisen als bedoeld in de Regeling politiecellencomplex.

Omdat daglichttoetreding in bijvoorbeeld onderzoeks- en operatieruimten in een gezondheidszorgfunctie vaak onnodig of zelfs onwenselijk is, bepaalt het zevende lid , dat daglichttoetreding uitsluitend nodig is in een bedgebied in een gezondheidszorgfunctie.

Het achtste lid voorziet in de mogelijkheid om bijvoorbeeld een aula, of grote onderwijsruimte in het universitair onderwijs zonder daglichtopeningen te maken.

Artikel 3.76Verbouw

Artikel 3.76 geeft een voorschrift voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen is artikel 3.75 van overeenkomstige toepassing waarbij moet worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1.

§ 3.11.2 Bestaande bouw

Artikel 3.77

Zie de toelichting op paragraaf 3.11.1, Nieuwbouw. Bij bestaande bouwwerken blijft de hellingshoek van 25° ongewijzigd en bepaald volgens de oude NEN 2057 (artikel 3.78). In een incidenteel geval kan het voorkomen dat deze berekening een minder gunstig resultaat geeft dan een berekening op basis van het nieuwe nieuwbouwvoorschrift. In een dergelijk geval mag op grond van het nieuwe achtste lid van artikel 3.78 het nieuwbouwvoorschrift worden toegepast [Stb. 2011, 676]. Het bevoegd gezag moet in een dergelijk geval instemmen met het bij bestaande bouw toepassen van het nieuwbouwvoorschrift indien de vergunningsaanvrager [gebouweigenaar] daarvoor heeft gekozen. Tabel 3.77 is aangepast op dit nieuwe achtste lid [Stb. 2011, 676].

Artikel 3.78

Zie de toelichting op paragraaf 3.11.1, Nieuwbouw. Bij bestaande bouwwerken blijft de hellingshoek van 25° ongewijzigd en bepaald volgens de oude NEN 2057 (artikel 3.78). In een incidenteel geval kan het voorkomen dat deze berekening een minder gunstig resultaat geeft dan een berekening op basis van het nieuwe nieuwbouwvoorschrift. In een dergelijk geval mag op grond van het nieuwe achtste lid van artikel 3.78 het nieuwbouwvoorschrift worden toegepast [Stb. 2011, 676]. Het bevoegd gezag moet in een dergelijk geval instemmen met het bij bestaande bouw toepassen van het nieuwbouwvoorschrift indien de vergunningsaanvrager [gebouweigenaar] daarvoor heeft gekozen. Tabel 3.77 is aangepast op dit nieuwe achtste lid [Stb. 2011, 676].