Contact Service
Hoofdstuk 3 Technische bouwvoorschriften uit h ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Hoofdstuk 3 Technische bouwvoorschriften uit het oogpunt van gezondheid

Algemeen

De wijzigingen ten opzichte van het oude hoofdstuk 3 zijn grotendeels het gevolg van afstemming met de Wet geluidhinder en de Wet luchtvaart en van wijziging van NEN 5077. Het gaat hier om de voorschriften met betrekking tot het geluid van buiten, luchtvaartlawaai, contactgeluid en luchtgeluid binnen een bouwwerk. De oude waarde dB(A) is waar mogelijk vervangen door de waarde dB, bij burgerluchthavens heeft de oude Laeq-waarde plaats gemaakt voor een Lden-waarde (uitgedrukt in dB) terwijl bij militaire luchthavens de oude waarde nog van toepassing blijft. Voor de berekening van geluidsoverdracht door luchtgeluid wordt voortaan uitgegaan van de nieuwe term «karakteristieke lucht-geluidniveauverschil» en voor de geluidsoverdracht van contactgeluid van «contact-geluidniveau». Belangrijk is dat er voortaan eisen gelden ter voorkoming van geluidsoverlast door lawaai van eigen installaties van woningen, kinderopvang en onderwijsgebouwen. Aan de geluidwering in verblijfsruimten binnen dezelfde gebruiksfunctie (de oude afdeling 3.3) worden daarentegen geen eisen meer gesteld. Er wordt op gewezen dat met een aantal voorschriften van afdeling 3.4 [Stb. 2011, 676] invulling is gegeven aan de motie (Kamerstukken II 2011/2012, 23 757, nr. 23) tot het opnieuw opnemen van eisen aan geluidsisolatie binnen woningen. Hiermee wordt een niveau van eisen gerealiseerd dat vergelijkbaar is met afdeling 3.3 van het Bouwbesluit 2003 (Geluidwering tussen verblijfsruimten van dezelfde gebruiksfunctie, nieuwbouw).

Ook zijn vereenvoudigingen aangebracht zoals het samenvoegen van de voorschriften van enkele afdelingen. Dit resulteert in de nieuwe afdelingen Wering van vocht (afdeling 3.5), Luchtverversing (afdeling 3.6) en Toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas (afdeling 3.8). Een belangrijke inhoudelijke wijziging is dat er voortaan alleen nog eisen worden gesteld aan het verblijfsgebied (en aan het nieuwe bedgebied) en niet meer op het niveau van verblijfsruimte. Deze wijziging heeft een voordeel bij het kunnen indelen van een bouwwerk in verblijfsruimten (vrije indeelbaarheid). Verder worden er in deze afdeling geen eisen meer gesteld aan kantoorfuncties. De gebruikers van een kantoorfunctie worden in tegenstelling tot gebruikers van ziekenhuizen en scholen niet als «kwetsbaar» beschouwd. Kantoren vallen ook niet onder de categorie «geluidgevoelige bouwwerken» van de Wet geluidhinder. Wat betreft de eventuele invloed van geluid van buiten op de arbeidsomstandigheden wordt verwezen naar de zogenoemde arbocatalogie op basis van de Arbeidsomstandighedenwet. In de afdeling voor bescherming tegen ratten en muizen (afdeling 3.10) is een voorschrift ingevoegd dat het mogelijk maakt een nest of een vaste rust- of verblijfplaats ten behoeve van de bij of krachtens de Flora- en faunawet beschermde diersoorten te realiseren. Bij Stb. 2016, 383 is deze verwijzing gewijzigd in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. De oude afdelingen met de voorschriften voor drinkwatervoorziening en warmwatervoorziening zijn samengevoegd en verplaatst naar hoofdstuk 6. Ook de afdelingen voor de afvoer van afvalwater en fecaliën en de afvoer van hemelwater zijn samengevoegd in hoofdstuk 6.

Afdeling 3.1Bescherming tegen geluid van buiten, nieuwbouw

Algemeen

Bij de voorschriften in deze afdeling wordt gebruik gemaakt van het begrip «uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied». In veel gevallen zal dit de buitengevel of het dak zijn. Dit hoeft echter niet. Onder verwijzing naar de definitie van uitwendige scheidingsconstructie in artikel 1.1, eerste lid, wordt er op gewezen dat wanneer het verblijfsgebied niet aan de gevel grenst bij de toepassing van het voorschrift rekening gehouden mag worden met het geluidwerende effect van tussenliggende ruimten en constructieonderdelen. Het gaat tenslotte om de geluidreductie die in het verblijfsgebied of de verblijfsruimte wordt gerealiseerd. Opgemerkt wordt dat de artikelen 3.2, 3.3 en 3.4 tegelijk van toepassing kunnen zijn. In een dergelijk geval geldt het zwaarste voorschrift. Ook is het mogelijk dat de verschillende leden van een artikel tegelijk van toepassing zijn. Ook in dat geval geldt het zwaarste voorschrift.

Artikel 3.1Aansturingsartikel

Het eerste lid geeft de functionele eis, een te bouwen bouwwerk biedt in een verblijfsgebied bescherming tegen geluid van buiten.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de andere bijeenkomstfunctie, de celfunctie, de industriefunctie, de kantoorfunctie, de logiesfunctie, de sportfunctie, de winkelfunctie, de «overige gebruiksfunctie» en het «bouwwerk geen gebouw zijnde» wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan.

In artikel 3.3 is bij Stb. 2014, 51 na het tweede lid een nieuw derde lid tussengevoegd. Op grond van dit voorschrift mag als dit gunstiger uitkomt voor de karakteristieke geluidwering op de gevel de geluidsbelasting ook worden bepaald volgens het reken- en meetvoorschrift bedoeld in artikel 110d van de Wet geluidhinder. In een dergelijk geval moet bij de aanvraag om vergunning een berekening van de individuele geluidbelasting op de gevel worden gevoegd. Tabel 3.1 is overeenkomstig aangepast.

Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 3.2Geluid van buiten

Artikel 3.2 bevat het basisvoorschrift dat een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied een karakteristieke geluidwering van ten minste 20 dB heeft. Dit basisvoorschrift geldt altijd voor de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, de gezondheidszorgfunctie en de onderwijsfunctie. Op grond van dit basisvoorschrift wordt in het verblijfsgebied bescherming geboden tegen normaal omgevingsgeluid. Uit de andere artikelen van deze afdeling kan vervolgens blijken dat vanwege specifieke omstandigheden een hogere karakteristieke geluidwering noodzakelijk is.

Artikel 3.3 Industrie-, weg- of spoorweglawaai

Bij industrie-, weg- en spoorweglawaai is een karakteristieke geluidwering van 20 dB niet voldoende. Gemeenten stellen op basis van de Wet geluidhinder een zogenoemd hogere-waardenbesluit vast waarin de zones zijn opgenomen waarin een hogere geluidsbelasting is toegestaan («hoogst toelaatbare geluidbelasting») en nemen deze op in het bestemmingsplan. In dergelijke zones mag alleen gebouwd worden wanneer de door de aanvrager van een omgevingvergunning te realiseren karakteristieke geluidwering hoger is dan de in artikel 3.2 gegeven waarde. Wanneer dergelijke zones niet zijn vastgesteld dan geldt alleen artikel 3.2. Is in een dergelijk geval de feitelijke geluidbelasting op de gevel toch groter dan 20 dB +35 dB (A) respectievelijk 20 dB +33 dB dan ligt de oplossing van het probleem niet bij de aanvrager om omgevingsvergunning maar bij de veroorzaker van het geluid.

Het eerste lid geeft voor verblijfsgebieden in het algemeen (met uitzondering van bedgebied) aan hoe gehandeld moet worden in die gevallen dat in het bestemmingsplan een hoogst toelaatbare geluidsbelasting voor industrie-, weg- of spoorweglawaai is aangegeven. Bij de berekening van de karakteristieke geluidwering moet afhankelijk van het soort lawaai worden uitgegaan van dB(A) of dB. Dit verschil komt doordat in de Wet geluidhinder bij industrielawaai nog wordt uitgegaan van de oude op dB(A) gericht bepalingsmethode, terwijl bij weg- of sporweglawaai al wordt gerekend met een Europees geharmoniseerde bepalingsmethode die uitgaat van dB. In de praktijk gaat het om een verschil van ongeveer 2 dB.

Het tweede lid geeft een nadere eis voor een gebied waarin wordt geslapen. Voor dergelijke ruimten moet de karakteristieke geluidwering 5 dB zwaarder zijn dan op grond van het eerste lid. Deze uitzondering vloeit voort uit de Wet geluidhinder.

In artikel 3.3 is bij Stb. 2014, 51 na het tweede lid een nieuw derde lid tussengevoegd. Op grond van dit voorschrift mag als dit gunstiger uitkomt voor de karakteristieke geluidwering op de gevel de geluidsbelasting ook worden bepaald volgens het reken- en meetvoorschrift bedoeld in artikel 110d van de Wet geluidhinder. In een dergelijk geval moet bij de aanvraag om vergunning een berekening van de individuele geluidbelasting op de gevel worden gevoegd. Tabel 3.1 is overeenkomstig aangepast.

Het vierde> lid verklaart de eerste twee leden van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop deze twee leden van toepassing zijn. Dit betekent dat wanneer een verblijfsgebied aan een zijde grenst aan aan een ruimte waarvoor geen eisen aan de geluidwering gelden, die scheidingswand inclusief het geluidwerende effect van tussenliggende ruimten en constructieonderdelen, zodanig geluidwerend moet zijn dat in het verblijfsgebied zelf geen geluidoverlast van buiten ontstaat.

Het vijfde lid waarborgt dat er in elke afzonderlijke verblijfsruimte een aanvaardbaar geluidsniveau optreedt.

Artikel 3.4Luchtvaartlawaai

In artikel 3.4 is aangegeven hoe moet worden omgegaan met een gebruiksfunctie die in een beperkingengebied als bedoeld in de Wet luchtvaart ligt. In een beperkingengebied gelden in verband met de nabijheid van een luchthaven ruimtelijke beperkingen met het oog op veiligheid en het voorkomen van geluidoverlast. Of er sprake is van een zogenoemd beperkingengebied volgt uit in het bestemmingsplan. Een gemeente nabij een luchthaven is verplicht om de voor het beperkingengebied vastgestelde contouren in het bestemmingsplan te verwerken. De regelgeving omtrent militaire luchthavens en burgerluchthavens (anders dan Schiphol) in de Wet luchtvaart is gewijzigd met de Wet regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens. Voor militaire luchthavens wordt nog steeds een Ke-geluidscontour bepaald waarbinnen op grond van de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (RGV 1997) een isolatieverplichting bestaat. Voor de burgerluchthavens wordt de Ke-zone rechtstreeks in de RGV 1997 opgenomen. Voor Schiphol zijn deze contouren al opgenomen in de RGV 1997. Voor de overige burgerluchthavens (Rotterdam Airport, Groningen Airport Eelde, Maastricht Aachen Airport en Lelystad Airport), waarvoor in het verleden op grond van de Luchtvaartwet de Ke-geluidscontouren zijn vastgesteld, gaat dat nog gebeuren.

Het eerste lid richt zich op militaire luchthavens. De in de zonering opgenomen geluidbelasting op de uitwendige scheidingsconstructie (buitengevel) is bij militaire luchthavens uitgedrukt in Ke. Deze Ke-waarden worden niet meer gehanteerd bij de burgerluchtvaart.

In een beperkingengebied moet de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied een karakteristieke geluidwering hebben van ten minste de in tabel 3.4 aangegeven karakteristieke geluidwering. De voorgeschreven karakteristieke geluidwering in dB kan in de tabel worden afgelezen aan de hand van de in het bestemmingsplan aangegeven Ke-waarde. In het Bouwbesluit 2012 werd tot 01.03.2013 alleen verwezen naar de Wet luchtvaart. Omdat nog niet alle aanwijzingsbesluiten op basis van de Luchtvaartwet zijn vervangen door een luchthavenbesluit op basis van de Wet luchtvaart is bij wijziging, vastgelegd in Stb. 2013, 75, in het eerste en tweede lid van artikel 3.4 een verwijzing naar de Luchtvaartwet toegevoegd.

Het tweede lid heeft uitsluitend betrekking op de burgerluchtvaart. Bij een burgerluchthaven moet de uitwendige scheidingsconstructie zodanig zijn dat de geluidsbelasting in een verblijfsgebied ten hoogste 33 dB is. Opgemerkt wordt dat daarbij voor de burgerluchtvaart wordt uitgaan van Lden of de 35 Ke-geluidcontour. Het gebruik van Lden vloeit voort uit de Europese richtlijn inzake de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai d.d. 25 juni 2002 (richtlijn 2002/49/EG). Ook is in het tweede lid van artikel 3.4 van het Bouwbesluit 2012 na wijziging bij Stb. 2013, 75, een specifieke verwijzing naar het beperkingengebied bij de luchthaven Schiphol opgenomen. een dergelijk voorschrift was eerder niet opgenomen, omdat, zoals ook in de toelichting op het Bouwbesluit 2012 (Stb 2011,416 ) was opgenomen, was aangenomen dat de contouren voor Schiphol waren opgenomen in de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (RGV 1997). De RGV 1997 geldt echter alleen voor subsidie voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan de bestaande bouw. Met de wijziging van het tweede lid wordt dit nu gecorrigeerd.De in het derde lid tot 01.03.2013 genoemde 26 LAeq-geluidzone is sedert sinds 2003 alleen van belang voor subsidieaanvragen voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen. Er is geen noodzaak om het in dat lid genoemde geluidsniveau voor te schrijven. Het derde lid (oud) is daarom bij wijziging, vastgelegd in Stb. 2013, 75, vervallen onder vernummering van het vierde en vijfde lid. Tabel 3.1 is overeenkomstig aangepast.

Het derde lid heeft betrekking op de inwendige scheidingsconstructie (binnenwand) tussen een verblijfsgebied en een besloten ruimte van bijvoorbeeld een aan een woning grenzende garage of buitenberging. Zo’n binnenwand moet een zelfde mate van geluidwering hebben alsof het een gevel van dat verblijfsgebied betreft. Hierbij mag het positieve effect op de geluidwering door de aanwezigheid van de garage of buitenberging worden meegerekend.

Het vierde lid waarborgt dat er in elke afzonderlijke verblijfsruimte een aanvaardbaar geluidsniveau optreedt.

Artikel 3.5Verbouw

Artikel 3.5 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Daarbij behoeft de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie niet beter te zijn dan het rechtens verkregen niveau. Op het geheel vernieuwen zijn de nieuwbouwvoorschriften onverkort van toepassing. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat tenzij anders is bepaald de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn. Zie hiervoor de toelichting op artikel 1.12.

Artikel 3.6Tijdelijke bouw

Artikel 3.6 bepaalt in het eerste lid dat op tijdelijke bouwwerken de artikelen 3.2 tot en met 3.4 van overeenkomstige toepassing zijn. Daarbij kan worden uitgegaan van een karakteristieke geluidwering die 10 dB of dB(A) lager is. Het eisenniveau is dus 10 dB of dB(A) lager dan bij reguliere nieuwbouw.

Het tweede lid bepaald dat bij toepassing van artikel 3.4, derde lid, moet worden uitgegaan van een karakteristiek geluidniveau van ten hoogste 30 dB in plaats van 28 dB. Het eisenniveau in een bedgebied is dus bij tijdelijke bouw 2 dB lager dan bij reguliere nieuwbouw.

Afdeling 3.2Bescherming tegen geluid van installaties

Algemeen

In het Bouwbesluit 2003 waren in deze afdeling alleen voorschriften opgenomen om te voorkomen dat gebouwinstallaties geluidhinder veroorzaken in belendende gebouwen. Voor de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang en de onderwijsfunctie zijn voortaan ook voorschriften opgenomen ter voorkoming van geluidoverlast van de eigen gebouwinstallaties. Dit is vooral van belang omdat er met het oog op energiezuinigheid en de kwaliteit van het binnenmilieu men steeds meer afhankelijk wordt van installaties. Geluidoverlast van dergelijke installaties kan de gezondheid schaden, hetzij door het geluid zelf, hetzij doordat men de installatie uitschakelt om de geluidhinder te beperken.

Artikel 3.7Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk biedt bescherming tegen geluid van installaties, is vergeleken met het Bouwbesluit 2003 ongewijzigd.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.8Aangrenzend perceel

Dit artikel heeft als doel geluidhinder voor de buren te beperken. Hierbij kan gedacht worden aan overlast bij het doortrekken van het toilet of door het gebruik van de lift. Dit voorschrift is zowel van toepassing op niet-gemeenschappelijke (individuele) als op gemeenschappelijke installaties. Deze voorschriften zijn nodig omdat mensen eerder last hebben van geluiden van buiten de eigen woning, hotelkamer, kantoor en dergelijke dan van geluiden van binnen de eigen woning en dergelijke. Bovendien kan men niet of nauwelijks invloed kan uitoefenen op geluid dat van derden komt. Het karakteristieke installatie-geluidsniveau wordt bepaald volgens NEN 5077 en mag niet meer zijn dan 30 dB. Onder het Bouwbesluit 2003 werd deze waarde uitgedrukt in dB(A).

Artikel 3.9Zelfde perceel

Dit artikel regelt de beperking van overlast van installaties voor op het zelfde perceel gelegen gebruiksfuncties.

Het eerste lid is gericht op het voorkomen van geluidoverlast binnen een woning (niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte van een woonfunctie). Het gaat dan om geluidoverlast veroorzaakt door een installatie van een aangrenzende woning of een andere op hetzelfde perceel gelegen gebruiksfunctie. Het zelfde geldt ook voor een gemeenschappelijke installatie (bijvoorbeeld een liftinstallatie). Een gemeenschappelijke installatie zal in geen enkele woning geluidoverlast mogen geven.

Het tweede lid heeft betrekking op het voorkomen van geluidoverlast door de eigen gebouwinstallaties. Dit voorschrift geldt alleen voor de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang en de onderwijsfunctie. Het toegestane karakteristieke installatie-geluidsniveau is af te lezen in tabel 3.7. Aanleiding voor het opnemen van dit voorschrift zijn de regelmatige klachten over de geluidoverlast door mechanische ventilatiesystemen in met name woningen, scholen en kinderdagverblijven. Dergelijke systemen (al dan niet met warmterugwinning) worden steeds meer gebruikt om aan de energieprestatie-eis (zie afdeling 5.1) te kunnen voldoen. Om te voorkomen dat men een voor een gezond binnenmilieu noodzakelijke installatie wegens geluidoverlast uitschakelt is een maximum gesteld aan de geluidsproductie van installaties voor warmteopwekking, warmteterugwinning en luchtverversing. Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke installatiegeluidsniveau in een verblijfsruimte is voor de hiervoor genoemde installaties tezamen ten hoogste 30 of 35 dB (zie tabel). Dit geldt zowel wanneer er sprake is van een gecombineerd systeem als voor afzonderlijke apparaten. Opgemerkt wordt dat bij de berekening van het karakteristieke installatiegeluidsniveau wordt uitgegaan van het niveau dat optreedt in de hoogste stand van het voorgeschreven regelbereik van die installatie (dit is de voorgeschreven ventilatiecapaciteit als bedoeld in artikel 3.38) voor normale langdurige aanwezige ventilatiestromen.

In het tweede lid van artikel 3.9 is per 01.03.2013 "verblijfsgebied" vervangen door niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte [Stb. 2013, 75]. Hiermee is het tweede lid in overeenstemming gebracht met het eerste lid. De geluidseisen zijn nu in beide leden gekoppeld aan verblijfsruimten. Hiermee is het maximum installatiegeluidsniveau van een mechanische voorziening voor luchtverversing, warmteopwekking of warmteterugwinning in alle gevallen voldoende gewaarborgd voor verblijfsruimten.

Artikel 3.10Verbouw

Bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, veranderen en vergroten zijn de artikelen 3.8 en 3.9 van overeenkomstige toepassing. Het niveau van eisen is daarbij 10 dB lager, dit betekent dat maximaal toegestane installatiegeluidsniveauin een verblijfsgebied 10 dB hoger is, ofwel de installatie mag meer geluid produceren. Dit betekent dat bij het vervangen van een installatie de nieuwe installatie ook aan de voorschriften van deze afdeling moet voldoen, maar dat de geluidsproductie 10 dB hoger mag zijn. Meer concreet: het installatie-geluidsniveau als bedoeld in de artikel 3.8 en 3.9, eerste lid, mag ten hoogste (30 dB + 10 dB =) 40 dB zijn. Bij toepassing van artikel 3.9, tweede lid, moet bij de in de tabel opgenomen waarde ook telkens 10 worden opgeteld. Afhankelijk van de gebruiksfunctie komt dit neer op een waarde van ten hoogste 40 dB of ten hoogste 45 dB.

Artikel 3.11 Tijdelijke bouw

Bij een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 3.8 en 3.9 van overeenkomstige toepassing, waarbij het niveau van eisen 10 dB lager is. Dit betekent dat het installatie-geluidsniveau 10 dB hoger mag zijn dan in die artikelen als hoogste waarde is aangegeven, ofwel de installatie nog meer geluid produceren. Dit betekent dat bij het bouwen van een tijdelijk bouwwerk de installatie aan de voorschriften van deze afdeling moet voldoen, maar dat de geluidsbelasting 10 dB hoger mag zijn.

Afdeling 3.3Beperking van galm

Algemeen

Het doel van deze afdeling is de geluidhinder in appartementen als gevolg van galm in aangrenzende gangen, trappenhuizen, of besloten galerijen (corridors) te beperken. De praktijk wijst uit dat indien er geen geluidsabsorberende maatregelen worden getroffen het galmeffect uitnodigt tot het maken van extra lawaai.

Artikel 3.12Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen woongebouw heeft in een gemeenschappelijke verkeersruimte een zodanige geluidsabsorptie, dat geluidhinder door galm wordt beperkt, is vergeleken met het Bouwbesluit 2003 tekstueel gewijzigd. De reikwijdte is in de functionele eis beperkt tot de gemeenschappelijke verkeersruimte. Inhoudelijk gezien betekent dit geen wijziging omdat de beperking tot gemeenschappelijke verkeersruimten van een woongebouw voorheen in de prestatie-eis was opgenomen.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften van deze afdeling.

Artikel 3.13Geluidsabsorptie

Artikel 3.13 bepaalt dat de geluidsabsorptie van een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte moet worden berekend met NEN-EN 12354-6. Deze norm is in de plaats gekomen van NEN 5078. De praktijkrichtlijn NPR 5071, uitgave 1981, zoals aangevuld in 1991 blijft ook na invoering van dit besluit bruikbaar. Onder «geluidsabsorptie» van een ruimte wordt verstaan de som van de geluidsabsorptie van de diverse constructieonderdelen van die ruimte. Onder de geluidsabsorptie van zo’n constructieonderdeel wordt verstaan de verhouding tussen het geluidsvermogen dat door dat onderdeel wordt geabsorbeerd, dat wil zeggen niet gereflecteerd, en het geluidsvermogen dat op dat onderdeel invalt. In artikel 3.13 wordt vanaf 01.01.2013 gesproken van een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte voor het ontsluiten van een woonfunctie [Stb. 2013, 75]. Met deze toevoeging van "voor het ontsluiten van een woonfunctie" wordt verduidelijkt dat het voorschrift niet van toepassing is op een vluchtroute of brandtrap. Dit is in overeenstemming met het vergelijkbare voorschrift in het Bouwbesluit 2003.

Artikel 3.14Verbouw

Artikel 3.14 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen moet de totale geluidsabsorbtie van de besloten gemeenschappelijke verkeersruimte die aan een woonfunctie grenst voldoen aan het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen zijn de nieuwbouwvoorschriften onverkort van toepassing. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat tenzij anders is bepaald de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn.

Afdeling 3.4Geluidwering tussen ruimten, nieuwbouw

Algemeen

Deze afdeling heeft betrekking op het voorkomen van geluidoverlast tussen afzonderlijke gebruikseenheden. Uit de naam blijkt dat de afdeling zowel betrekking heeft op geluidwering tussen verschillende gebruiksfuncties als binnen de woonfunctie[Stb. 2011, 676].

De wijzigingen van artikel 3.16 (ander perceel) en artikel 3.17 (zelfde perceel) ten opzichte van het Bouwbesluit 2003 (artikel 3.18 respectievelijk 3.19) vloeien voort uit de afstemming van NEN 5077 op Europese normen. In de gewijzigde NEN 5077 zijn de begrippen «isolatieindex voor luchtgeluid» en «isolatieindex voor contactgeluid» vervangen door: luchtgeluidsniveauverschil respectievelijk contactgeluidniveauverschil. Met de invoering van deze nieuwe begrippen zijn ook de berekeningsmethodiek en de grenswaarden aangepast. Deze nieuwe voorschriften leiden echter niet tot een ander niveau van eisen. De eisen zijn voortaan uitgedrukt in karakteristiek luchtgeluidniveauverschil en gewogen contactgeluidniveau terwijl deze voorheen werden uitgedrukt in karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid respectievelijk isolatie-index voor contactgeluid.

Artikel 3.15Aansturingsartikel

De functionele eis van artikel 3.15, eerste lid , is zo aangepast [Stb. 2011, 676] dat deze betrekking heeft op zowel op de bescherming tegen geluidsoverlast tussen verschillende gebruiksfuncties als op de bescherming tegen geluidsoverlast tussen de verblijfsruimten in een woning.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie[Stb. 2011, 676]. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de woonwagen, de lichte industriefunctie en het «bouwwerk geen gebouw zijnde» wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan.

Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Bij Stb. 2015, 249 is tabel 3.15 aangepast omdat in artikel 3.17, achtste lid een uitzondering is opgenomen voor studentenhuisvesting.

Artikel 3.16Ander perceel

In artikel 3.16 zijn de voorschriften opgenomen voor de geluidwering tussen gebruiksfuncties op verschillende percelen. Met de voorschriften van dit artikel wordt beoogd de mogelijke hinder door de veroorzaker van het geluid (de zender) in een op een aangrenzend perceel gelegen gebruiksfunctie (de ontvanger) te beperken. Er wordt in dit artikel onderscheid gemaakt tussen luchtgeluid en contactgeluid.

Het eerste en tweede lid zijn gericht op luchtgeluid. De eisen zijn uitgedrukt in een karakteristiek lucht-geluidniveauverschil. Bij het eerste lid is de ontvangstruimte een op een ander perceel gelegen verblijfsgebied ongeacht de gebruiksfunctie. Dit voorschrift geldt dus niet bij een gebruiksfunctie zonder verblijfsgebied (lichte industriefunctie of overige gebruiksfunctie). Bij het tweede lid is de ontvangsruimte een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een woonfunctie, zoals een douche, een toilet of een verkeersruimte. Bij andere gebruiksfuncties (niet-woonfuncties) behoeven de niet-verblijfsgebieden dus niet beschermd te worden.

Het derde en vierde lid zijn gericht op contactgeluid. Evenals bij het luchtgeluid gelden de eisen voor contactgeluid in verblijfsgebieden voor iedere aangrenzende gebruiksfunctie, terwijl de eisen contactgeluid voor een niet in verblijfsgebied gelegen ruimte alleen bij een aangrenzende woonfunctie gelden.

Uit de tabel volgt dat artikel 3.16 niet geldt voor het veroorzaken van geluid in de woonwagen, de lichte industriefunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde.

Artikel 3.17Verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde perceel

Met het opschrift van artikel 3.17 t wordt duidelijk gemaakt dat artikel 3.17 betrekking heeft op de geluidwering tussen verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde perceel en artikel 3.17a op de geluidwering binnen dezelfde woonfunctie (woning) [Stb. 2011, 676]. Artikel 3.17 is qua opzet vergelijkbaar met artikel 3.16, maar heeft betrekking op de situatie dat de zend- en ontvangsruimte op hetzelfde perceel liggen. Het verschil is verder dat alle voorschriften uitsluitend betrekking hebben op de situatie dat de ontvangstruimte een woonfunctie is. Dus er gelden geen eisen tussen bijvoorbeeld twee winkels in een winkelcentrum maar wel tussen een winkel en een boven dat winkelcentrum gelegen woning.

Het vijfde lid bepaalt dat het eerste tot en met vierde lid niet van toepassing zijn op de geluidsoverdracht van een nevenfunctie. Dit wil zeggen dat een nevenfunctie zoals een bergruimte, een schuur, een kantoor aan huis of een garage niet geluidwerend behoeft te worden afgescheiden van de bijbehorende woning. In een dergelijk geval mag er van worden uitgegaan dat eventueel lawaai in die nevenfunctie door de bewoners zelf wordt gemaakt of beïnvloed kan worden.

Het zesde lid bepaalt dat het eerste tot en met vierde lid niet van toepassing zijn op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke ruimte naar een aangrenzende gemeenschappelijke ruimte. Dit betekent dat de voorschriften niet gelden voor bijvoorbeeld op hetzelfde perceel gelegen gemeenschappelijke gangen (zoals corridors en galerijen), zitruimten en badruimten.

Het zevende lid geeft een uitzondering voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een gemeenschappelijk verkeersruimte, en voor de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke verkeersruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte. Het tweede en vierde lid zijn daar niet op van toepassing. Dit betekent dat een voordeur van een in een woongebouw gelegen woning niet aan de geluidseisen zoals deze uit het tweede en vierde lid volgen behoeft te voldoen. Ook met een goede voordeur blijkt het namelijk niet mogelijk gelijktijdig aan die beide leden te voldoen. Dit nieuwe voorschrift is dus een neerslag van de gangbare praktijk bij in een woongebouw gelegen woningen. De geluidwering naar een achterliggend verblijfsgebied moet uiteraard wel aan de geluidseisen voldoen.

Aan artikel 3.17 is bij Stb. 2015, 249 een achtste lid toegevoegd. Met dit nieuwe lid is bepaald dat het eerste tot en met vierde lid niet van toepassing zijn op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke verkeersruimte naar een aangrenzende woonfunctie. Uit de aangepaste tabel 3.15 volgt dat deze uitzondering alleen geldt voor de woonfunctie voor studenten. Bij nieuw te bouwen studentenhuisvesting hoeft voortaan niet te worden voldaan aan de eisen met betrekking tot het karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht (eerste en tweede lid) en het gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht (derde en vierde lid). Met deze uitzondering is het eenvoudiger geworden om studentenhuisvesting te realiseren.

Artikel 3.17aVerblijfsruimten van dezelfde woonfunctie

Artikel 3.17a heeft betrekking op de geluidwering tussen verblijfsruimten van dezelfde woning[Stb. 2011, 676]. Het gaat hierbij zowel om de luchtgeluidsisolatie (eerste lid) als om de contactgeluidsisolatie (tweede lid). Het derde lid bepaalt dat de voorschriften van het eerste en het tweede lid niet gelden indien de ruimten met elkaar in open verbinding staan, of indien de ene ruimte vanuit de andere ruimte rechtstreeks bereikbaar is. Dit betekent dat het eerste en tweede lid met name van toepassing zijn wanneer de aangrenzende verblijfsruimten slechts via een gang of een andere ruimte met elkaar verbonden zijn.

In het eerste en tweede lid van artikel 3.17a wordt gesproken van respectievelijk karakteristieke luchtgeluidniveau verschil en het gewogen contactgeluidniveau. Deze begrippen zijn in de plaats gekomen van de in het Bouwbesluit 2003 opgenomen isolatieindex voor luchtgeluid en isolatieindex voor contactgeluid. Zie ook de toelichting op afdeling 3.4 van het Bouwbesluit 2012. De in artikel 3.17a gekozen waarden zijn zodanig dat het niveau van eisen vergelijkbaar is met het niveau van eisen van artikel 3.12 van het Bouwbesluit 2003.

Een inhoudelijk verschil tussen artikel 3.12 van het Bouwbesluit 2003 en het derde lid van artikel 3.17a is dat ruimten op verschillende bouwlagen voortaan hetzelfde worden behandeld als ruimten die op dezelfde bouwlaag liggen.

Artikel 317a is bij verbouw en tijdelijke bouw van overeenkomstige toepassing [Stb. 2011, 676]. Zie ook de toelichting op de artikelen 3.18 en 3.19 van het Bouwbesluit 2012.

Artikel 3.18Verbouw

Artikel 3.18 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen geldt het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen zijn de nieuwbouwvoorschriften onverkort van toepassing. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat tenzij anders is bepaald de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn. Zie hiervoor de toelichting op artikel 1.12.

Artikel 3.19Tijdelijke bouw

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 3.16 en 3.17 van overeenkomstige toepassing. Het karakteristieke lucht-geluidniveauverschil mag echter 10 dB lager zijn en het ten hoogste toegelaten contactgeluidniveau mag 10 dB hoger zijn. Dit betekent in beide gevallen dat het niveau van eisen bij tijdelijke bouw 10 dB lager is dan bij reguliere nieuwbouw.

Afdeling 3.5Wering van vocht

Algemeen

Deze afdeling heeft betrekking op het voorkomen van vochtoverlast in verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten, ten gevolge van vocht van buiten en vocht van binnen. Met vocht van buiten wordt neerslag en grondwater bedoeld. Vocht van binnen is het vocht dat vrijkomt bij het gebruik van het gebouw. In een vochtige omgeving kunnen zich stoffen en organismen ontwikkelen met een voor de gezondheid schadelijke werking, de zogenoemde allergenen. In deze afdeling zijn de oude afdelingen 3.6 (wering van vocht van buiten) en 3.7 (wering van vocht van binnen) samengevoegd. Dit heeft niet geleid tot inhoudelijke wijzigingen. Opgemerkt wordt dat waar voorheen onderscheid werd gemaakt tussen verblijfsgebied voor het verblijven van mensen en een ander verblijfsgebied, dit onderscheid niet meer wordt gemaakt. Zie hiervoor ook de toelichting op het begrip «verblijfsgebied» (artikel 1.1, eerste lid).

§ 3.5.1Nieuwbouw

Artikel 3.20Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk heeft zodanige scheidingsconstructies dat de vorming van allergenen door vocht in verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt, is samengesteld uit de functionele eisen van de oude afdelingen 3.6 en 3.7.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Voor de «overige gebruiksfunctie» en het «bouwwerk geen gebouw zijnde» wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 3.21Wering van vocht van buiten

Het doel van artikel 3.21 is te voorkomen dat er in gebouwen vochtoverlast optreedt door regen, sneeuw of hagel. Dit artikel stelt daarom eisen aan de waterdichtheid van uitwendige en soms ook van inwendige scheidingsconstructies van verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten.

Het eerste lid bepaalt dat de uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsgebied, een toiletruimte en een badruimte waterdicht moeten zijn. Dit betekent dat het dak en de gevels regen, sneeuw en hagel moeten kunnen weren en dat een «op staal gefundeerde» vloer grondwater moet kunnen keren. Bovendien moet volgens het tweede lid de vloer die aan een kruipruimte grenst het doordringen van vocht vanuit die kruipruimte kunnen voorkomen. Uit de tabel volgt dat niet alle gebruiksfuncties waterdicht behoeven te zijn. Het eerste en tweede lid gelden niet voor een industriefunctie, een overige gebruiksfunctie of een bouwwerk geen gebouw zijnde (bijvoorbeeld een fabriekshal, een schuurtje of een carport). Er zou bij een dergelijke gebruiksfunctie dus vochtoverlast kunnen ontstaan in een aangrenzend bouwwerk.

Uit het derde lid volgt daarom dat bijvoorbeeld de scheidingswand tussen een schuurtje en een aangrenzend bouwwerk waarvoor het eerste en tweede lid wel geldt, waterdicht moet zijn. Bij de bepaling van de waterdichtheid van de scheidingswand mag men rekening houden met de positieve effecten van het dak en de gevels van dat schuurtje. Dit vloeit voort uit de definitie van het begrip «inwendige scheidingsconstructie».

Het vierde lid stelt een beperking aan de luchtvolumestroom (luchtdoorlatendheid) vanuit een kruipruimte naar een bovengelegen verblijfsgebied, toilet- of badruimte. Het doel van dit voorschrift is te voorkomen dat door het doordringen van vochtige lucht vanuit de kruipruimte de relatieve luchtvochtigheid in de genoemde ruimten op een te hoog niveau komt te liggen.

Artikel 3.22Factor van de temperatuur

Het doel van dit artikel is te voorkomen dat er in gebouwen vochtophoping als gevolg van condensatie optreedt ten gevolge van koude oppervlakken ofwel koudebruggen. Zo wordt een gunstig milieu voor schimmels en huisstofmijt voorkomen. Om dit te bereiken stelt het eerste lid een eis aan de «factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte» (f-factor) van scheidingsconstructies waarvoor een warmteweerstand als bedoeld in artikel 5.3 geldt. De f-factor geeft een verhouding weer tussen twee grootheden. Enerzijds is dit het verschil tussen de temperatuur op het binnenoppervlak van een constructieonderdeel en de buitentemperatuur, en anderzijds het verschil tussen de binnentemperatuur en de buitentemperatuur. Om de vereiste f-factor te realiseren, en daarmee een koudebrug te voorkomen, kan het nodig zijn om constructieonderdelen of delen daarvan (extra) te isoleren.

Het tweede lid geeft een uitzondering op het eerste lid voor ramen, deuren en kozijnen, en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen zoals bijvoorbeeld ventilatieroosters.

Artikel 3.23Wateropname

Wanneer er als gevolg van het gebruik van water teveel vocht doordringt in de wanden of de vloer van een bad- of toiletruimte kan er schimmelvorming, rotting of lekkage ontstaan. Dit geldt zowel in de ruimte zelf als in een aangrenzende ruimte. Hierdoor kan op den duur de gezondheid van de gebruikers van het gebouw nadelig worden beïnvloed.

Volgens het eerste lid moeten de wanden tot een hoogte van 1,2 m en de volledige vloer in een bad- en een toiletruimte waterafstotend zijn. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door het aanbrengen van tegels. Deze eisen leiden er tevens toe dat de wanden en de vloer op effectieve wijze kunnen worden gereinigd.

Het tweede lid bepaalt dat de wand ter plaatse van het bad of de douche over een lengte van ten minste 3 m tot een hoogte van 2,1 m waterwerend moet zijn. Opgemerkt wordt dat dit artikel ook geldt voor niet voorgeschreven toilet- en badruimten.

Artikel 3.24 Verbouw

Artikel 3.24 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen zijn de artikelen 3.21 en 3.22 van overeenkomstige toepassing. Het minimum niveau dat moet worden aangehouden is echter het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau artikel 1.1. Uit artikel 1.12 volgt dat op het geheel vernieuwen de volledige nieuwbouwparagraaf van toepassing is. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat, tenzij anders is bepaald, de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn. In dit artikel is "de artikelen 3.21 en 3.23" gewijzigd in de artikelen 3.21 tot en met 3.23 [Stb. 2013, 75]. Hiermee is artikel 3.22, factor van de temperatuur, voortaan bij verbouw ook van overeenkomstige toepassing. Waarbij ook voor dit artikel het rechtens verkregen niveau als ondergrens geldt.

§ 3.5.2Bestaande bouw

Artikel 3.25

Zie de toelichting op paragraaf 3.5.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat artikel 3.26 voor bestaande gebouwen praktisch dezelfde mate van vochtwerendheid eist als voor nieuwbouw. Verschil is dat er bij bestaande bouw geen eis is gesteld aan het doordringen van lucht (zoals voor nieuwbouw in artikel 3.21, vierde lid) vanuit de kruipruimte. Het stellen van zo’n eis zou namelijk hebben betekend dat houten vloeren in de bestaande voorraad niet langer zijn toegestaan.

Artikel 3.26

Zie de toelichting op paragraaf 3.5.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat artikel 3.26 voor bestaande gebouwen praktisch dezelfde mate van vochtwerendheid eist als voor nieuwbouw. Verschil is dat er bij bestaande bouw geen eis is gesteld aan het doordringen van lucht (zoals voor nieuwbouw in artikel 3.21, vierde lid) vanuit de kruipruimte. Het stellen van zo’n eis zou namelijk hebben betekend dat houten vloeren in de bestaande voorraad niet langer zijn toegestaan.

Artikel 3.27

Zie de toelichting op paragraaf 3.5.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat artikel 3.26 voor bestaande gebouwen praktisch dezelfde mate van vochtwerendheid eist als voor nieuwbouw. Verschil is dat er bij bestaande bouw geen eis is gesteld aan het doordringen van lucht (zoals voor nieuwbouw in artikel 3.21, vierde lid) vanuit de kruipruimte. Het stellen van zo’n eis zou namelijk hebben betekend dat houten vloeren in de bestaande voorraad niet langer zijn toegestaan.

Afdeling 3.6Luchtverversing

Algemeen

Afdeling 3.6 Luchtverversing bevat de voorschriften van de oude afdelingen 3.10 Luchtverversing van een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte en 3.12 Luchtverversing van overige ruimten. De belangrijkste wijziging is dat ventilatiecapaciteit voortaan wordt berekend aan de hand van het aantal personen dat in een ruimte of een gebied aanwezig is. Zie voor een toelichting op deze personenbenadering het algemeen deel van de toelichting en de toelichting op artikel 1.2. Voorts is het niveau van de voorschriften voor bestaande bouw aangescherpt. In sommige gevallen is dat zelfs bijna gelijk aan het nieuwbouwniveau. Verder ging de oude benadering bij bestaande bouw uitsluitend uit van de vloeroppervlakte. De bezettingsgraadklasse speelde daar geen rol. Nu de personenbenadering ook voor bestaande bouw wordt ingevoerd, is wordt het mogelijk op basis van dit besluit in te grijpen indien een ruimte bedoeld is voor of daadwerkelijk gebruikt wordt door meer mensen dan op grond van de ventilatiecapaciteit verantwoord is. Hiermee wordt ook voor bestaande bouw beter rekening gehouden met het daadwerkelijke gebruik.

§ 3.6.1Nieuwbouw

Artikel 3.28Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor luchtverversing dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht voldoende worden beperkt, is gebaseerd op de functionele eisen van de oude afdelingen 3.10 en 3.12. Deze nieuwe functionele eis heeft vergeleken met het Bouwbesluit 2003 een meer algemene strekking gekregen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

In tabel 3.28 is bij Stb. 2014, 51 de aansturing van artikel 3.31 voor de overige gebruiksfunctie vervallen. Een parkeergarage of een andere overige gebruiksfunctie heeft namelijk geen verblijfsgebieden of verblijfsruimten, maar alleen functiegebieden en functieruimten. De voorschriften van artikel 3.31 die alleen betrekking hebben op verblijfsgebieden en verblijfsruimten kunnen derhalve niet van toepassing zijn.

Artikel 3.29Luchtverversing verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte

Artikel 3.29 schrijft de aanwezigheid voor van een voorziening voor luchtverversing (ventilatiemogelijkheid) waarmee een verblijfsgebied, een verblijfsruimte, een toiletruimte en een badruimte langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd. Op deze wijze wordt zeker gesteld dat de noodzakelijke zuurstof kan worden aangevoerd en kooldioxide, waterdamp, onaangename geurstoffen en stofdeeltjes kunnen worden afgevoerd. Ook speelt luchtverversing een rol bij het afvoeren van eventuele in de binnenlucht aanwezige schadelijke stoffen als gevolg van bijvoorbeeld formaldehyde-emissie en radonstraling. De voorschriften zijn afgestemd op het advies van de Gezondheidsraad inzake ventilatie (Het binnenhuisklimaat, in het bijzonder een ventilatieminimum, in Nederlandse woningen, Gezondheidsraad, 1984), waarin per persoon een minimum luchtverversing wordt aanbevolen van 25 m³/h (=7•10–3 m³/s). De benodigde hoeveelheid luchtverversing van een verblijfsgebied of verblijfsruimte wordt bij de woonfunctie bepaald aan de hand van de vloeroppervlakte, bij de utiliteitsfuncties wordt de benodigde hoeveelheid luchtverversing bepaald aan de hand van het aantal personen waarvoor de ruimte is bestemd (personenbenadering).

Het eerste lid gaat voor een verblijfsgebied van een woonfunctie uit van een voorgeschreven capaciteit van 0,9 dm³/s per m² vloeroppervlakte.

Het tweede lid bevat een soortgelijk voorschrift als het eerste lid maar dan voor een verblijfsruimte van een woonfunctie. De capaciteit moet dan 0,7 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte zijn. Om te waarborgen dat in het kleinst denkbare verblijfsgebied of de kleinst denkbare verblijfsruimte van 5 m² toch voldoende ventilatie aanwezig is voor ten minste één persoon, zoals bedoeld in het bovengenoemde advies van de Gezondheidsraad, geldt bij het eerste en tweede lid een minimale ventilatiecapaciteit van 7•10–3 m³/s. Opgemerkt wordt dat bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen zowel moet worden voldaan aan de eisen voor een verblijfsgebied als aan de eisen voor een verblijfsruimte, dus bij een ingedeeld verblijfsgebied kan niet worden volstaan met het alleen voldoen aan de ventilatieeisen voor de in dat gebied gelegen verblijfsruimten.

Het derde lid heeft uitsluitend betrekking op utiliteitsfuncties. Dit lid geeft, gebaseerd op de personenbenadering, een minimumvoorschrift voor de luchtverversing in een verblijfsgebied en een verblijfsruimte. Bij de omzetting naar de personenbenadering is voor de eis van de ventilatiecapaciteit uitgegaan van de middenwaarde van de bezettingsgraadklasse uit het Bouwbesluit 2003. Het is de bedoeling dat de aanvrager van een vergunning het aantal personen per gebouw, gebruiksfunctie, -gebied en -ruimte opgeeft, daarbij moet worden uitgegaan van het aantal personen waarvoor het verblijfsgebied of de verblijfsruimte bestemd is.

Het voorschrift van het vierde lid voor een verblijfsgebied of verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel is erop gericht dat geurstoffen, bij normale verbranding vrijkomende dampen en overmatige waterdampproductie die daar kunnen ontstaan in korte tijd kunnen worden afgevoerd en verbrandingslucht kan worden toegevoerd. Opgemerkt wordt dat het soortgelijke voorschrift voor een verblijfsgebied of verblijfsruimte met uitsluitend een opstelplaats voor een warmwatertoestel uit het Bouwbesluit 2003 is vervallen.

Het uitgangspunt van het vijfde lid is dat bij een woning niet elke ruimte gelijktijdig wordt gebruikt. De totale capaciteit van een centrale ventilatievoorziening mag echter niet kleiner zijn dan 70% van de optelsom van de voorgeschreven ventilatiecapaciteiten van alle de op de centrale ventilatievoorziening aangesloten verblijfsgebieden. De totaal benodigde ventilatiecapaciteit behoeft dus niet een optelsom te zijn van de in de verschillende verblijfsgebieden benodigde capaciteit te zijn. Natuurlijk moet elk verblijfsgebied op enig moment kunnen beschikken over de in het eerste, derde en vierde lid bedoelde benodigde capaciteit. Daarbij kan het nodig zijn een regelsysteem voor de verdeling van de ventilatiecapaciteit over verschillende verblijfsgebieden te installeren.

De in het zesde lid voorgeschreven capaciteit voor een toiletruimte is zodanig dat verontreinigde lucht in korte tijd kan worden afgevoerd.

De voor een badruimte in het zevende lid voorgeschreven capaciteit is afgestemd op het afvoeren van een overmaat aan waterdamp binnen zodanige tijd dat schimmelvorming wordt voorkomen.

Artikel 3.29 was zo geformuleerd dat er in het zesde lid ten onrechte geen sprake was van een verplichting om een voorziening voor luchtverversing voor een toiletruimte en voor een badruimte te hebben. Met de wijziging in Stb. 2013, 75, is duidelijk gemaakt dat zowel een toiletruimte als een badruimte een dergelijke voorziening moeten hebben. Het gewijzigde voorschrift is daarbij in een zesde lid (voor toiletruimten) en een zevende lid (voor badruimten) gesplitst. Het voorschrift is hiermee weer in overeenstemming met het niveau van eisen dat in het Bouwbesluit 2003 was voorgeschreven. Tabel 3.28 is overeenkomstig aangepast bij dat Staatsblad.

Artikel 3.30Thermisch comfort

De praktijk wijst uit dat veel mensen bij tocht (te veel circulatie van koude lucht) de neiging hebben om ventilatieopeningen af te sluiten, waardoor een voor de gezondheid nadelige situatie kan ontstaan. Om dergelijk handelen te voorkomen stelt dit artikel een maximum aan de luchtsnelheid van verse (koude) ventilatielucht in de «leefzone», zodat er bij het gebruik van de ventilatievoorziening geen tochtoverlast wordt ervaren. Het begrip «leefzone» is gedefinieerd in artikel 1.1, eerste lid.

Artikel 3.31Regelbaarheid

Artikel 3.31, regelbaarheid, ziet toe op de regelbaarheid van de voorziening van toevoer van verse lucht. Met de wijziging van dit artikel bij Stb. 2013, 75, is een onderscheid aangebracht tussen natuurlijke toevoer (eerste lid) en mechanische toevoer (tweede lid). In het derde lid is aangegeven dat – ongeacht of het natuurlijke of mechanische toevoer betreft – de voorziening zelfregelend mag zijn.

Het eerste lid betreft de regelbaarheid van de natuurlijke toevoer van ventilatielucht direct van buiten, bijvoorbeeld door een kiepraampje, ongeacht de vraag of de afvoer natuurlijk of mechanisch is. Het gaat er in dit lid om dat de beweegbare componenten bestemd voor het regelen van de capaciteit van de toevoer van verse lucht in verschillende (instel)standen kunnen worden gefixeerd.

Het tweede lid stelt eisen aan de regelbaarheid van de mechanische toevoer van ventilatielucht zoals bijvoorbeeld bij een balansventilatiesysteem. Het gaat om een mechanische toevoer (door de ventilator) van verse ventilatielucht ongeacht de vraag of de afvoer natuurlijk of mechanisch is. Op een systeem waarbij de lucht natuurlijk wordt toegevoerd en mechanisch afgevoerd is dus uitsluitend het eerste lid van toepassing. In de meeste gevallen zal de regelbaarheid voor de toevoer op basis van een ventilatiebalans gelijk zijn aan regelbaarheid voor de afvoer. Uit het tweede lid volgt dat de mechanische toevoer een dichtstand heeft (die kan worden bereikt door de stroomtoevoer of de ventilatiemotor uit te schakelen) en ten minste de hierna genoemde drie ventilatiestanden moet hebben: de minimumstand een tussenliggende instelstand en een stand die de in artikel 3.29 bedoelde ventilatiecapaciteit waarborgt. Eventueel tussenliggende standen zijn niet verder voorgeschreven en zijn afhankelijk van het gekozen systeem. Een voorziening voor de toevoer van ventilatielucht hoeft niet altijd regelbaar te zijn door middel van door mensen in te stellen regelstanden als aangegeven in het eerste en tweede lid.

Het derde lid staat namelijk binnen de randvoorwaarden van het eerste en tweede lid een zelfregelende toevoervoorziening toe. Tabel 3.28 is overeenkomstig gewijzigd bij dat Staatsblad.

Artikel 3.32Luchtverversing overige ruimten

Ventilatie is niet alleen voor verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toilet- en badruimten noodzakelijk maar ook voor een sommige andere ruimten in een gebruiksfunctie. Deze overige ruimten zijn weliswaar niet bestemd voor langdurig verblijf van mensen maar kunnen door de aard van hun gebruik zonder voldoende luchtverversing een verhoogde kans op gevaar voor de gezondheid van de gebruikers opleveren. Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening waarmee die andere ruimten in een gebruiksfunctie langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd.

Het eerste lid regelt dat in gemeenschappelijke verkeersruimten (galerijen, corridors, trappenhuizen en portieken) een ventilatievoorziening moet zijn. In deze ruimten kan zich verontreinigde lucht ophopen en kunnen onaangename geuren afkomstig uit de aangrenzende woningen blijven hangen.

Het tweede lid bepaalt dat een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter moeten worden geventileerd om te voorkomen dat in die ruimte door een eventueel gaslek een ontplofbaar gasmengsel kan ontstaan. Ook kan de ventilatie zorgen dat de aan de gaslucht verbonden geurstoffen zich snel door het gebouw verspreiden en een lekkage zodoende spoedig ergens in het gebouw wordt opgemerkt. Voor een liftschacht van een personenlift geldt dat de ventilatievoorziening gewaarborgd moet zijn. Personen in een vastzittende lift zijn dikwijls afhankelijk van via de liftschacht aangevoerde verse lucht.

Het derde lid stelt daarom een minimum ventilatie-eis aan de liftschacht. Voor de eisen aan de liftkooi zelf, dus ook aan de ventilatie in de liftkooi wordt naar het Besluit liften verwezen.

Het vierde lid geeft een ventilatie-eis voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval, indien die ruimte een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m² heeft. Ventilatie is hier nodig om de kans te beperken dat er door de opslag van grote hoeveelheden afval stankhinder ontstaat. Opgemerkt wordt dat de opslagruimte voor huishoudelijk afval niet meer is voorgeschreven, maar dat het voorschrift geldt voor iedere vrijwillig aangebrachte opslagruimte. De opslagruimte in dit lid moet niet verward worden met de verzamel-, opslag- of verwerkingsruimte voor (voormalig huishoudelijk) afval in een afvalverwerkingsbedrijf.

Het vijfde lid heeft betrekking op een stallingsruimte voor motorvoertuigen met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m². In artikel 3.32, vijfde lid, is op grond van Stb. 2013, 75, "met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m²" vervallen. Hiermee is duidelijk dat de eisen aan de luchtverversing voor parkeergarages ongeacht de omvang gelden. Met deze wijziging is het voorschrift in overeenstemming met de regels voor het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage krachtens het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit).Grotere stallingsruimten vallen onder de Wet milieubeheer.

Het zesde lid heeft betrekking op de veiligheid van tunnels of tunnelvormige bouwwerken. Het zesde lid is een functionele eis die op iedere tunnel en ieder tunnelvormig bouwwerk van toepassing is. Er moet afhankelijk van het soort tunnel en de tunnellengte altijd voldoende luchtverversing zijn om de gezondheid van de gebruikers te kunnen waarborgen. Er moet rekening worden gehouden met de emissie van verontreinigende stoffen bij normaal verkeer, tijdens verkeerspieken en bij stilstand wegens een ongeval. Ook moet rekening worden gehouden met de beheersing van hitte en rook bij brand. Bij kortere tunnels kan de natuurlijke ventilatie via de tunnelopeningen soms voldoende zijn. In dergelijke gevallen wordt door het rijdend verkeer een langsstroming in de tunnelbuis opgewekt die in de meeste gevallen voldoende is voor verversing van de lucht. De schone lucht wordt dan aangevoerd via de ingang van de wegtunnelbuis en de vervuilde lucht verdwijnt via de uitgang. In sommige gevallen kan zelfs worden volstaan met de luchtbeweging door wind of tocht. In andere gevallen zijn aanvullende ventilatievoorzieningen nodig om voldoende ventilatiecapaciteit te waarborgen. Deze voorzieningen kunnen mechanisch zijn, maar dat hoeft niet. Welke ventilatiecapaciteit in een specifiek geval voldoende zal zijn, is voor wegtunnels af te lezen uit hoofdstuk 12 van de Veiligheids Richtlijn deel C (VRC), uitgave van Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Steunpunt Tunnelveiligheid, januari 2004.

Bij een lange wegtunnelbuis kan niet worden vertrouwd op natuurlijke ventilatie. Het zevende lid bepaalt daarom dat de in het zesde lid bedoelde ventilatievoorziening bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m altijd mechanisch moet zijn.

Artikel 3.33Plaats van de opening

Er moet worden voorkomen dat door het gebouw zelf afgevoerde rookgas onverdund weer het gebouw wordt ingezogen. Om die reden stelt artikel 3.33 in het eerste lid eisen ter beperking van de concentraties verontreinigde lucht en verbrandingsgassen bij een instroomopening voor verse lucht. Dit betekent dat eventuele rookgassen en verontreinigde lucht zo verdund moeten zijn dat mochten zij weer naar binnen worden gezogen, er geen schadelijke effecten op de gezondheid kunnen ontstaan. Uit NEN 1087 volgt wat in een specifiek geval de minimale afstand tussen een uit- en een instroomopening moet zijn om aan de in tabel 3.33 opgenomen verdunningsfactoren te voldoen.

In het eerste lid van artikel 3.33 op grond van Stb. 2013, 75, "en van een afvoervoorziening voor rook" vervallen. Na het eerste lid is een nieuw tweede lid tussengevoegd, met daarin een voorschrift voor de afvoervoorziening van rookgas. In dit nieuwe tweede lid is het bepalen van de verdunningsfactor van de uitstoot van rookgasafvoer niet meer gekoppeld aan NEN 1087 maar aan NEN 2757. Hiervoor is gekozen omdat NEN1087 niet van toepassing is op de rookgasafvoer van een opstelplaats van een verbrandingstoestel. NEN 2757 heeft wel voorschriften voor dergelijke verbrandingstoestellen. Opgemerkt wordt dat in het Bouwbesluit 2003 de verdunningsfactor bij de rookgasafvoer op twee plaatsen was geregeld, in artikel 3.52 met toepassing van NEN 1087 en in artikel 3.94 met toepassing van NEN 2757. Voortaan zijn de voorschriften met betrekking tot de verdunningsfactor voor rookgasafvoer alleen in artikel 3.33 opgenomen en niet meer in afdeling 3.8 toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas. Overigens wordt opgemerkt dat met het vervangen van het begrip "rook" door rookgas in dit artikel recht wordt gedaan aan het onderscheid tussen rookgassen als gevolg van bedoelde verbranding in toestellen en rook bij onbedoelde brand.

In het tweedederde lid is bepaald dat zowel de instroom- als de uitstroomopening ten minste 2 m van de perceelsgrens moeten liggen, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie. Bij een bijvoorbeeld in de achtergevel gelegen uitstroomopening gaat het om de haaks op die achtergevel gelegen afstand, de afstand van die in de achtergevel gelegen uitstroomopening ten opzichte van de zijgevel is niet relevant. Oogmerk van deze bepaling is het waarborgen dat belendingen het functioneren van de voorziening niet belemmeren. Of een belending last heeft van de uitstoot uit een in dit artikel bedoelde uitstroomopening is een andere zaak. In sommige gevallen zal het burenrecht er toe leiden dat er toch beperkingen kunnen worden gesteld aan het daadwerkelijk gebruik van een afvoer die wel aan dit artikel voldoet. Het tweedederde lid geldt niet voor een in een dak gelegen instroomopening of uitmonding.

Artikel 3.34Luchtkwaliteit

De hoofdregel, vastgelegd in het eerste lid , is dat alle verse lucht voor een verblijfsgebied rechtstreeks van buiten moet worden toegevoerd. De bedoeling is dat de lucht niet eerst in een andere ruimte verbruikt kan zijn. Rechtstreekse toevoer kan ook via een kanalensysteem plaatsvinden.

In het tweede lid is voor de woonfunctie en voor de logiesfunctie een uitzondering gegeven. Daar mag ten hoogste 50% van de in artikel 3.29 bedoelde capaciteit via een andere ruimte worden aangevoerd. Deze ruimte moet wel tot dezelfde gebruiksfunctie behoren en mag geen gemeenschappelijke ruimte zijn.

Het derde lid geeft aan dat bij een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woonfunctie de toevoer en afvoer van ventilatielucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte altijd rechtstreeks van en naar buiten moet plaats vinden. De ventilatielucht mag dus niet via een andere ruimte worden gevoerd.

Het vierde lid regelt voor alle gebruiksfuncties dat bij een liftschacht van een (personen) lift de toe- en afvoer van ventilatielucht rechtstreeks van en naar buiten of via de liftmachineruimte plaatsvindt. De liftmachineruimte moet dan in directe verbinding met de buitenlucht staan (al dan niet via een kanalensysteem). Als de personenlift een brandweerlift is (zie voor een toelichting op de begrippen «lift» en «brandweerlift» artikel 1.1), dan beperkt dit voorschrift de kans dat de brandweerlift in geval van brand onbruikbaar wordt als gevolg van het binnendringen van rook uit een andere ruimte.

Het vijfde lid biedt voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval een soortgelijk voorschrift als het derde en vierde lid. De toe- en afvoer van ventilatielucht mag niet via een andere ruimte in het gebouw plaatsvinden. In opslagruimten voor afval vloeit uit de aard van het gebruik voort dat de binnenlucht wordt verontreinigd. Een open verbinding met andere ruimten zou verspreiding van deze verontreiniging door het gehele gebouw tot gevolg kunnen hebben.

In het zesde lid is geregeld dat de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten en de afvoer van binnenlucht uit de wegtunnelbuis rechtstreeks naar buiten plaats moet vinden. Rechtstreeks van respectievelijk naar buiten wil zeggen dat de ventilatielucht niet via een andere ruimte dan de wegtunnelbuis zelf mag worden aan- en afgevoerd. Dit betekent dat er wel gebruik mag worden gemaakt van rechtstreekse aan- en afvoer via de tunnelbuismond of van een kanalensysteem dat door andere ruimten loopt.

Het zevende lid tot en met negende lid hebben betrekking op situaties waarin alleen eisen aan de afvoer van ventilatielucht worden gesteld. De afvoer moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden, aan de toevoer worden geen speciale eisen gesteld. De eis van het zevende lid heeft echter niet betrekking op alle afgevoerde binnenlucht uit de ruimte, maar op ten minste 21 dm³/s. Dit is in het algemeen de hoeveelheid lucht die door een afzuigkap wordt afgevoerd. De capaciteit die hierboven uit gaat mag via een andere ruimte worden afgevoerd. Opgemerkt wordt dat dat dan geen ruimte mag zijn waar alle ventilatielucht direct van buiten moet worden aangevoerd. Zie ook de toelichting op het tweede lid.

Artikel 3.35Verbouw

Artikel 3.35 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen zijn de artikelen 3.29 tot en met 3.34 van overeenkomstige toepassing. Het minimum niveau dat moet worden aangehouden is echter het rechtens verkregen niveau. Zie voor het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen zijn de nieuwbouwvoorschriften van toepassing. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat, tenzij anders is bepaald, de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn. Aan artikel 3.35 (verbouw) is bij Stb. 2013, 75, een tweede lid toegevoegd. Dit nieuwe tweede lid bepaalt dat bij het installeren van een geheel nieuwe afvoervoorziening de nieuwbouweis van artikel 3.33 onverkort geldt. In een dergelijk geval is het bij de toepassing van artikel 3.33 niet toegestaan uit te gaan van het rechtens verkregen niveau. Hiermee wordt bovendien voorkomen dat bij het ontbreken van een rechtens verkregen niveau er geen eisen gelden voor de verdunningsfactor, wat zou kunnen leiden tot gevaarlijke gezondheidssituaties.

Artikel 3.36Tijdelijke bouw

Artikel 3.36 bepaalt dat op de in de tabel genoemde gebruiksfuncties wat betreft de ventilatievoorziening de nieuwbouwvoorschriften onverkort van toepassing zijn op tijdelijke bouwwerken. Hiermee wordt ook bij tijdelijke woningen, kinderopvang en schoolgebouwen een gezond binnenmilieu gewaarborgd. Hiermee is invulling gegeven aan artikel 1.14 dat bepaalt dat tenzij anders is aangegeven op een tijdelijk bouwwerk de voorschriften voor bestaande bouw van toepassing zijn.

§ 3.6.2Bestaande bouw

Artikel 3.37

Zie de toelichting op paragraaf 3.5.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat de in het Bouwbesluit 2003 opgenomen verschillen in benaderingswijze tussen nieuwbouw en bestaande bouw grotendeels zijn vervallen. Overigens is het bij bestaande bouw nog steeds toegestaan een klassieke afvoerloze keukengeiser te hebben als aan de ventilatievoorschriften is voldaan (artikel 3.38, derde lid). Er wordt op gewezen dat in tabel 3.37 artikel 3.39, vijfde lid, is aangestuurd voor wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m. [Stb. 2011, 676]. Wat betreft het tweede lid van artikel 3.38 wordt opgemerkt dat op grond van het eerste lid van artikel 1.2 een algemene regel geldt op grond waarvan bij de bepaling van de minimaal vereiste ventilatiecapaciteit moet worden uitgegaan van het aantal personen waarvoor een bepaalde ruimte is bestemd. In dat verband wordt opgemerkt dat in artikel 9.2, achtste lid, een overgangsregeling is opgenomen [Stb. 2011, 676,] voor de vereiste ventilatiecapaciteit van een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. Artikel 3.38 was zo geformuleerd dat er in het zesde lid ten onrechte geen sprake was van een verplichting om een voorziening voor luchtverversing voor een toiletruimte en voor een badruimte te hebben. Met de wijziging in Stb. 2013, 75, is duidelijk gemaakt dat zowel een toiletruimte als een badruimte een dergelijke voorziening moeten hebben. Het gewijzigde voorschrift is daarbij in een zesde lid (voor toiletruimten) en een zevende lid (voor badruimten) gesplitst. Het voorschrift is hiermee weer in overeenstemming met het niveau van eisen dat in het Bouwbesluit 2003 was voorgeschreven. Tabellen 3.37 is overeenkomstig aangepast bij dat Staatsblad.

Met de redactionele wijziging bij stb. 2014, 51 van het derde lid van artikel 3.39 is verduidelijkt dat de capaciteit van de luchtverversing voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval moet worden berekend op basis van de vloeroppervlakte, maar dat een capaciteit van 100 dm3/s altijd voldoende is, ongeacht de vloeroppervlakte.

Artikel 3.38

Zie de toelichting op paragraaf 3.5.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat de in het Bouwbesluit 2003 opgenomen verschillen in benaderingswijze tussen nieuwbouw en bestaande bouw grotendeels zijn vervallen. Overigens is het bij bestaande bouw nog steeds toegestaan een klassieke afvoerloze keukengeiser te hebben als aan de ventilatievoorschriften is voldaan (artikel 3.38, derde lid). Er wordt op gewezen dat in tabel 3.37 artikel 3.39, vijfde lid, is aangestuurd voor wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m. [Stb. 2011, 676]. Wat betreft het tweede lid van artikel 3.38 wordt opgemerkt dat op grond van het eerste lid van artikel 1.2 een algemene regel geldt op grond waarvan bij de bepaling van de minimaal vereiste ventilatiecapaciteit moet worden uitgegaan van het aantal personen waarvoor een bepaalde ruimte is bestemd. In dat verband wordt opgemerkt dat in artikel 9.2, achtste lid, een overgangsregeling is opgenomen [Stb. 2011, 676,] voor de vereiste ventilatiecapaciteit van een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. Artikel 3.38 was zo geformuleerd dat er in het zesde lid ten onrechte geen sprake was van een verplichting om een voorziening voor luchtverversing voor een toiletruimte en voor een badruimte te hebben. Met de wijziging in Stb. 2013, 75, is duidelijk gemaakt dat zowel een toiletruimte als een badruimte een dergelijke voorziening moeten hebben. Het gewijzigde voorschrift is daarbij in een zesde lid (voor toiletruimten) en een zevende lid (voor badruimten) gesplitst. Het voorschrift is hiermee weer in overeenstemming met het niveau van eisen dat in het Bouwbesluit 2003 was voorgeschreven. Tabellen 3.37 is overeenkomstig aangepast bij dat Staatsblad.

Met de redactionele wijziging bij stb. 2014, 51 van het derde lid van artikel 3.39 is verduidelijkt dat de capaciteit van de luchtverversing voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval moet worden berekend op basis van de vloeroppervlakte, maar dat een capaciteit van 100 dm3/s altijd voldoende is, ongeacht de vloeroppervlakte.

Artikel 3.39

Zie de toelichting op paragraaf 3.5.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat de in het Bouwbesluit 2003 opgenomen verschillen in benaderingswijze tussen nieuwbouw en bestaande bouw grotendeels zijn vervallen. Overigens is het bij bestaande bouw nog steeds toegestaan een klassieke afvoerloze keukengeiser te hebben als aan de ventilatievoorschriften is voldaan (artikel 3.38, derde lid). Er wordt op gewezen dat in tabel 3.37 artikel 3.39, vijfde lid, is aangestuurd voor wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m. [Stb. 2011, 676]. Wat betreft het tweede lid van artikel 3.38 wordt opgemerkt dat op grond van het eerste lid van artikel 1.2 een algemene regel geldt op grond waarvan bij de bepaling van de minimaal vereiste ventilatiecapaciteit moet worden uitgegaan van het aantal personen waarvoor een bepaalde ruimte is bestemd. In dat verband wordt opgemerkt dat in artikel 9.2, achtste lid, een overgangsregeling is opgenomen [Stb. 2011, 676,] voor de vereiste ventilatiecapaciteit van een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. Artikel 3.38 was zo geformuleerd dat er in het zesde lid ten onrechte geen sprake was van een verplichting om een voorziening voor luchtverversing voor een toiletruimte en voor een badruimte te hebben. Met de wijziging in Stb. 2013, 75, is duidelijk gemaakt dat zowel een toiletruimte als een badruimte een dergelijke voorziening moeten hebben. Het gewijzigde voorschrift is daarbij in een zesde lid (voor toiletruimten) en een zevende lid (voor badruimten) gesplitst. Het voorschrift is hiermee weer in overeenstemming met het niveau van eisen dat in het Bouwbesluit 2003 was voorgeschreven. Tabellen 3.37 is overeenkomstig aangepast bij dat Staatsblad.

Met de redactionele wijziging bij stb. 2014, 51 van het derde lid van artikel 3.39 is verduidelijkt dat de capaciteit van de luchtverversing voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval moet worden berekend op basis van de vloeroppervlakte, maar dat een capaciteit van 100 dm3/s altijd voldoende is, ongeacht de vloeroppervlakte.

Artikel 3.40

Zie de toelichting op paragraaf 3.5.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat de in het Bouwbesluit 2003 opgenomen verschillen in benaderingswijze tussen nieuwbouw en bestaande bouw grotendeels zijn vervallen. Overigens is het bij bestaande bouw nog steeds toegestaan een klassieke afvoerloze keukengeiser te hebben als aan de ventilatievoorschriften is voldaan (artikel 3.38, derde lid). Er wordt op gewezen dat in tabel 3.37 artikel 3.39, vijfde lid, is aangestuurd voor wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m. [Stb. 2011, 676]. Wat betreft het tweede lid van artikel 3.38 wordt opgemerkt dat op grond van het eerste lid van artikel 1.2 een algemene regel geldt op grond waarvan bij de bepaling van de minimaal vereiste ventilatiecapaciteit moet worden uitgegaan van het aantal personen waarvoor een bepaalde ruimte is bestemd. In dat verband wordt opgemerkt dat in artikel 9.2, achtste lid, een overgangsregeling is opgenomen [Stb. 2011, 676,] voor de vereiste ventilatiecapaciteit van een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. Artikel 3.38 was zo geformuleerd dat er in het zesde lid ten onrechte geen sprake was van een verplichting om een voorziening voor luchtverversing voor een toiletruimte en voor een badruimte te hebben. Met de wijziging in Stb. 2013, 75, is duidelijk gemaakt dat zowel een toiletruimte als een badruimte een dergelijke voorziening moeten hebben. Het gewijzigde voorschrift is daarbij in een zesde lid (voor toiletruimten) en een zevende lid (voor badruimten) gesplitst. Het voorschrift is hiermee weer in overeenstemming met het niveau van eisen dat in het Bouwbesluit 2003 was voorgeschreven. Tabellen 3.37 is overeenkomstig aangepast bij dat Staatsblad.

Met de redactionele wijziging bij stb. 2014, 51 van het derde lid van artikel 3.39 is verduidelijkt dat de capaciteit van de luchtverversing voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval moet worden berekend op basis van de vloeroppervlakte, maar dat een capaciteit van 100 dm3/s altijd voldoende is, ongeacht de vloeroppervlakte.

Afdeling 3.7Spuivoorziening

Algemeen

Het principe van de spuivoorziening is dat in een gebouw ramen, luiken of deuren zo tegen elkaar open gezet kunnen worden dat er een flinke luchtstroming of -circulatie door de ruimte ontstaat. Soms kan het daarbij nodig zijn om naast de ramen, luiken of deuren in de gevel of het dak ook de binnendeuren tussen afzonderlijke ruimten open te zetten. Het voordeel van spuiventilatie (in aanvulling op de reguliere ventilatievoorziening als opgenomen in afdeling 3.6) is dat deze altijd werkt, dus ook bij stroomuitval, en een tastbaar contact met de buitenlucht geeft. De voorschriften van deze afdeling zijn alleen van toepassing op de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang en de onderwijsfunctie voor het basisonderwijs.

§ 3.7.1Nieuwbouw

Artikel 3.41Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk heeft een voorziening voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht is, vergeleken met de oude tekst, ongewijzigd.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de andere gebruiksfuncties dan de woonfunctie, de kinderopvang en het basisonderwijs wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan.

Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op die andere gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 3.42Capaciteit

In een gebouw kunnen zich soms situaties voordoen dat snel een zeer grote mate van luchtverversing (doorspuiing) moet kunnen plaatsvinden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het ’s ochtends luchten van een slaapkamer, het openzetten van het keukenraam na het koken van een maaltijd en het even openzetten van een raam in het klaslokaal. De normale ventilatie (zie afdeling 3.6) is niet afgestemd op deze tijdelijke verhoogde ventilatiebehoefte. Met het oog op zulke situaties is voorgeschreven dat er in de gevel of het dak van een woning, van een klaslokaal of van een woonwagen voldoende beweegbare ramen, luiken of deuren aanwezig moeten zijn. Met dien verstande dat iniedere verblijfsruimte ten minste één daadwerkelijk te openen raam aanwezig is.

In het eerste lid is een voorschrift opgenomen voor verblijfsgebieden. Ieder verblijfsgebied moet een totaal aan beweegbare ramen, deuren en luiken hebben dat groot genoeg is om de voorgeschreven spuicapaciteit van ten minste 6 dm³ per m² vloeroppervlakte van het desbetreffende verblijfsgebied te waarborgen.

Het tweede lid geeft een soortgelijk voorschrift voor verblijfsruimten, echter met een voorgeschreven spuicapaciteit van ten minste 3 dm³ per m² vloeroppervlakte van de desbetreffende verblijfsruimte. Om te voorkomen dat de spuiventilatie in een verblijfsruimte uitsluitend via een deur kan plaatsvinden, moet iedere verblijfsruimte ten minste één te openen raam hebben. Dit raam mag ook een schuifpui zijn. Een gedeelte van de spuiventilatiecapaciteit kan daarnaast via een luik of een deur plaatsvinden.

De samenhang tussen het eerste en het tweede lid maakt duidelijk dat bij de indeling van een verblijfsgebied in andere ruimten geen verblijfsruimte mag worden gerealiseerd zonder of met onvoldoende spuiventilatie. In een afzonderlijke verblijfsruimte kan met een kleinere spuicapaciteit worden volstaan dan in het verblijfsgebied. Dit moet dan wel in de rest van het verblijfsgebied (in dat verblijfsgebied gelegen andere verblijfsruimte of bijvoorbeeld een gang) worden gecompenseerd.

Het derde lid bepaalt dat bij een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang de spuicapaciteit ook mag worden gerealiseerd met de reguliere (dikwijls mechanische ventilatievoorziening) [Stb. 2011, 676].. Bij kinderopvang worden niet altijd te openen ramen toegepast van wege het risico dat de kleine kinderen uit het raam vallen.

Artikel 3.43Plaats van de opening

In artikel 3.43 is aangegeven hoe groot de afstand tussen de deur, het raam of het luik die of dat als spuivoorziening dient en de perceelsgrens ten minste moet zijn. De bedoeling is eventuele overlast voor aangrenzende percelen te voorkomen. Bovendien kan er van worden uitgegaan dat bij die afstand de op het aangrenzende perceel gelegen belemmeringen geen groot effect hebben op de luchtstroom door de spuivoorziening. Beweegbare constructieonderdelen die dichter bij de erfgrens of de hartlijn van een aangrenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen liggen mogen niet worden meegerekend bij de bepaling van de doorspuicapaciteit.

Artikel 3.44Verbouw

Artikel 3.44 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen zijn de artikelen 3.42 en 3.43 van overeenkomstige toepassing. Het minimum niveau dat moet worden aangehouden is echter het rechtens verkregen niveau. Zie voor het begrip «rechtens verkregen niveau» de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen zijn de nieuwbouwvoorschriften van toepassing. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat, tenzij anders is bepaald, de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn.

Artikel 3.45Tijdelijke bouw

Artikel 3.45 bepaalt dat wat betreft de spuivoorziening de nieuwbouwvoorschriften onverkort van toepassing zijn op tijdelijke bouwwerken. Met deze wijziging ten opzichte van het Bouwbesluit 2003 wordt tegemoet gekomen aan de noodzaak om ook bij tijdelijke woningen, kinderopvang en schoolgebouwen voor basisonderwijs meer aandacht aan een gezond binnenmilieu te besteden.

§ 3.7.2Bestaande bouw

Artikel 3.46

Zie de toelichting op paragraaf 3.7.1, Nieuwbouw.

Artikel 3.47

Zie de toelichting op paragraaf 3.7.1, Nieuwbouw.

Afdeling 3.8Toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas

Algemeen

Deze afdeling bevat voorschriften voor de toevoer van verbrandingslucht en voor de afvoer van rookgas bij een opstelplaats voor een verbrandingstoestel. In deze afdeling zijn de oude afdelingen 3.13 (Toevoer van verbrandingslucht) en 3.14 (Afvoer van rook) samengevoegd.

§ 3.8.1Nieuwbouw

Algemeen

De voorschriften in deze afdeling zijn van toepassing op een opstelplaats voor een verbrandingstoestel. Artikel 7.9 stelt eisen aan het gebruik van een verbrandingstoestel.

Artikel 3.48Aansturingsartikel

Het eerste lid geeft de functionele eis, een te bouwen bouwwerk met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft zodanige voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, dat een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen. Het gaat er om dat er geen onvolledige verbranding ten gevolge van onvoldoende toevoer van verbrandingslucht plaatsvindt en dat de bij het gebruik van een verbrandingstoestel vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes naar buiten kunnen worden afgevoerd.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het «bouwwerk geen gebouw zijnde» wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan.

In artikel 3.51 is bij Stb 2014, 51 een nieuw derde lid ingevoegd. Dit derde lid regelt in samenhang met het eerste lid van artikel 3.51 en het tweede lid van artikel 3.33, de positie van een uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas ten opzichte van de perceelgrens. Aan artikel 3.55 (verbouw) zijn twee leden toegevoegd. Tabel 3.48 is dienovereenkomstig aangepast.

Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op die gebruiksfunctie van toepassing is.

Artikel 3.49Aanwezigheid

Dit artikel regelt de aanwezigheid van voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en voor de afvoer van rookgas bij opstelplaatsen voor verbrandingstoestellen die op gas, olie of vaste brandstof worden gestookt. Het gaat hier om voorzieningen zoals luchtroosters, ventilatiekanalen en rookgasafvoerkanalen of schoorstenen. Van deze eis zijn opstelplaatsen voor kooktoestellen met gering vermogen (niet meer dan 15 kW) uitgezonderd. Voor een dergelijke kooktoestel voorziet de voorziening voor luchtverversing in een voldoende toevoer en afvoer. Zie ook artikel 3.29, vierde lid. Dit artikel heeft dus geen betrekking op een regulier kooktoestel in de keuken (verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel). Artikel 3.29, vierde lid, schrijft daarvoor reeds voldoende ventilatiecapaciteit voor om de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas via de ventilatievoorziening te kunnen waarborgen. Artikel 7.9 verbiedt overigens het gebruik van een verbrandingstoestel in een ruimte waarin de toevoer van verbrandingslucht of de afvoer van rook onvoldoende is gewaarborgd. Opgemerkt wordt dat dit besluit geen uitzondering meer biedt voor warmwatertoestellen, zoals een geiser. Er moet dus bij een geiser altijd een specifieke voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas zijn.

Artikel 3.50Capaciteit

Een toevoervoorziening voor verbrandingslucht moet zorgen voor voldoende toevoer van lucht. Hoeveel lucht er nodig is, is afhankelijk van de belasting van de te plaatsen verbrandingstoestellen en de te gebruiken brandstof.

Het eerste lid geeft een functionele eis voor de capaciteit van de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en voor een voorziening voor de afvoer van rookgas bij een opstelplaats voor een verbrandingstoestel met een totale capaciteit van meer dan 130 kW. De capaciteit moet in ieder geval zodanig zijn dat in het te plaatsen verbrandingstoestel een doeltreffende verbranding mogelijk is. Bij dergelijke grote verbrandistoestellen wordt de benodigde capaciteit in het algemeen in de toestelspecificaties vermeld. Deze capaciteiten moeten overigens ook zijn vermeld in de indieningsbescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen.

Het tweede lid bepaalt dat de vereiste capaciteit voor de toevoer van verbandingslucht bij opstelplaatsen voor verbrandingstoestellen met een totale capaciteit van ten hoogste 130 kW aan de hand van tabel 3.50.1 moet worden berekend. Daarbij moet worden uitgegaan van de nominale belasting van het verbrandingstoestel waarvoor die opstelplaatsen zijn bestemd. Deze nominale belasting moet ook zijn vermeld in de indieningsbescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Bij Stb. 2013, 75, is dit besluit zo aangepast dat het eerste lid lid voortaan alleen geldt voor de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht met een nominale belasting van meer dan 130 kW en niet langer ook voor de voorziening voor de afvoer van rookgas.

Het derde lid heeft betrekking op de afvoer van rookgas bij een opstelplaats voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van ten hoogste 130 kW. Deze een afvoervoorziening voor rookgas moet voldoende capaciteit hebben om de bij de verbranding vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes te kunnen afvoeren. Bij het berekenen van die capaciteit moet net als bij de toevoervoorziening voor verbrandingslucht worden uitgegaan van de nominale belasting van het verbrandingstoestel waarvoor de opstelplaatsis is bestemd. Op basis van formule 3.50 kan vervolgens de normaalvolumestroom van de rookgas worden vastgesteld, dit is een maat voor de minimaal noodzakelijke capaciteit van de afvoervoorziening voor rookgas. Daarbij moet gebruik worden gemaakt van de uit tabel 3.50.2 af te lezen «rekenwaarde verdunningsfactor van rookgas». De rekenwaarde is afhankelijk van het type verbrandingstoestel en brandstof. Bij de rekenwaarden is voorts onderscheid gemaakt tussen een rookgasafvoer met ventilator (mechanische afvoer) en zonder ventilator (natuurlijke afvoer). Het derde lid ziet uitsluitend toe op verbrandingstoestellen zonder (toestel)ventilator.

Het vierde lid geeft aan dat bij de bepaling van de capaciteit van een afvoervoorziening voor rookgas bij een open verbrandingstoestel met ventilator moet worden uitgegaan van de door de toestelventilator opgewekte volumestroom. In het derde en vierde lid is de beperking tot toestellen met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW vervallen [Stb. 2013, 75]. Nu het derde en vierde lid daarmee voortaan betrekking hebben op voorzieningen voor de afvoer van rookgas voor verbrandingstoestellen ongeacht de capaciteit, is het niet meer nodig om het in het eerste lid opgenomen voorschrift voor een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een opstelplaats van een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW te handhaven.

Het vijfde lid stelt eisen aan de capaciteit van een afvoervoorziening die zowel bestemd is voor de afvoer van binnenlucht als voor de afvoer van rookgas.

Artikel 3.51Plaats van de opening

Met artikel 3.51 moet worden bepaald waar waar de aan- en afvoervoorzieningen in de uitwendige scheidingsconstructie geplaatst mogen worden.

Voorkomen moet worden dat door het gebouw zelf afgevoerde rook onverdund weer het gebouw wordt ingezogen. Om die reden stelt artikel 3.51 in het eerste lid eisen ter beperking van de concentraties verontreinigde lucht en verbrandingsgassen bij een instroomopening voor verbrandingslucht. Dit betekent dat eventuele rookgassen en verontreinigde lucht zo verdund moeten zijn dat mochten zij weer naar binnen worden gezogen, zodanig zijn verdund dat geen schadelijke effecten op de gezondheid kunnen ontstaan. Uit NEN 1087 volgt voor een specifiek geval wat de minimale afstand tussen een uit- en een instroomopening moet zijn om aan de in tabel 3.33 opgenomen verdunningsfactoren te voldoen.

In het tweede lid is bepaald dat, behalve bij een dak, zowel de instroom- als de uitstroomopening ten minste 2 m van de perceelsgrens moeten liggen, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie. Bij een bijvoorbeeld in de achtergevel gelegen uitstroomopening gaat het om de haaks op die achtergevel gelegen afstand, de afstand ten opzichte van de zijgevel is niet relevant. Oogmerk van deze bepaling is, het waarborgen dat belendingen het functioneren van de voorziening niet belemmeren. Of die belending last heeft van de uitstoot uit een in dit artikel bedoelde uitstroomopening is een andere zaak. In sommige gevallen zal het burenrecht er toe leiden dat er toch beperkingen kunnen worden gesteld aan het daadwerkelijk gebruik van een afvoer die wel aan dit artikel voldoet.

Hoewel het eerste en het tweede lid van artikel 3.51 praktisch gelijk zijn aan het eerste en tweede lid van artikel 3.33, zijn beide artikelen naast elkaar nodig. Hiermee is zekergesteld dat zowel bij het aanbrengen van een voorziening voor luchtverversing als bij het aanbrengen van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en/of de afvoer van rookgas rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van de in het andere artikel bedoelde voorzieningen.

In artikel 3.51 is bij Stb. 2014, 51 een nieuw derde lid ingevoegd. Dit derde lid regelt in samenhang met het eerste lid van artikel 3.51 en het tweede lid van artikel 3.33, de positie van een uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas ten opzichte van de perceelgrens.

Met het vierde lid van artikel 3.51 is beoogd te voorkomen dat de toevoer van verbrandingslucht en/of de afvoer van rookgas wordt belemmerd als gevolg van ophoping van bijvoorbeeld bladeren of sneeuw. Een instroomopening en een uitmonding moeten daarom ten minste 0,3 m hoger liggen dan het onder die opening of uitmonding gelegen terrein, dak, vloer of vergelijkbaar oppervlak.

Artikel 3.52Thermisch comfort

De praktijk wijst uit dat veel mensen bij tocht (te veel circulatie van koude lucht) de neiging hebben om de opening voor de toevoer voor verbrandingslucht af te sluiten, waardoor een voor de gezondheid nadelige situatie kan ontstaan. Om dergelijk handelen te voorkomen stelt dit artikel een maximum aan de luchtsnelheid van verbrandingslucht in de «leefzone». Het begrip «leefzone» is gedefinieerd in artikel 1.1, eerste lid.

Artikel 3.53Rookdoorlatendheid

De in artikel 3.53 gestelde eis aan de rookdoorlatendheid van de afvoervoorziening voor rookgas heeft als doel te voorkomen dat het rookkanaal zo lek is dat dampen, gassen of fijne vaste deeltjes zich tijdens de afvoer naar buiten alsnog binnen het gebouw kunnen verspreiden. De volgens NEN 2757 bepaalde rookdoorlatendheid mag niet groter zijn dan in de tabel is aangegeven. In de tabel is een waarde opgenomen voor een overdrukvoorziening en een waarde voor een onderdrukvoorziening. Bij een overdrukvoorziening zijn de eisen strenger omdat daar, vanwege de overdruk, het risico dat rookgassen ontsnappen groter is.

Artikel 3.54Stromingsrichting

Het eerste lid van dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de toevoervoorziening lucht afvoert in plaats van toevoert.

Het tweede lid is bedoeld om zeker te stellen dat de rookgassen vanuit het verbrandingstoestel in de richting van de uitmonding van de rookgasafvoervoorziening (schoorsteen) stromen. Er moet worden voorkomen dat dampen, gassen of fijne vaste deeltjes terugstromen en dan via het verbrandingstoestel of de trekonderbreker alsnog het gebouw binnendringen.

Bij de bepaling van de stromingsrichting in het eerste en tweede lid hoeft geen rekening te worden gehouden met bouwwerken en soortgelijke belemmeringen op een ander perceel.

Artikel 3.55Verbouw

De artikelen 3.51 tot en met 3.53 zijn van toepassing op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk, met dien verstande dat daarbij wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het begrip «rechtens verkregen niveau» de toelichting op artikel 1.1 Op het geheel vernieuwen zijn de nieuwbouwvoorschriften onverkort van toepassing. Dit volgt uit artikel 1.12.

Aan artikel 3.55 (verbouw) zijn bij Stb. 2014, 51 twee leden toegevoegd. Het nieuwe tweede lid bepaalt dat bij het installeren van een geheel nieuwe afvoervoorziening de nieuwbouw eisen van de artikelen 3.51 en 3.53 onverkort gelden. In een dergelijk geval is het dus niet toegestaan uit te gaan van het rechtens verkregen niveau, maar moet worden uitgegaan van de nieuwbouweisen. Het nieuwe derde lid geeft een soortgelijk voorschrift voor het installeren van een toevoer voor verbrandingslucht. Dit nieuwe derde lid bepaalt dat bij het installeren van een geheel nieuwe toevoervoorziening bij toepassing van artikel 3.51 moet worden uitgegaan van het nieuwbouwniveau. Met deze wijzigingen is het Bouwbesluit 2012 in overeenstemming gebracht met het niveau van eisen van het Bouwbesluit 2003.

Artikel 3.56Tijdelijke bouw

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 3.49 tot en met 3.54 onverkort van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 1.14 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

§ 3.8.2Bestaande bouw

Artikel 3.57

Zie de toelichting op paragraaf 3.8.1, Nieuwbouw. Hierbij wordt opgemerkt dat tabel 3.57 slechts twee rijen kent. De voorschriften gelden namelijk voor alle gebruiksfuncties, behalve voor het «bouwwerk geen gebouw zijnde».

Opgemerkt wordt dat [Stb. 2011, 676] de uitzondering in in artikel 3.58 op het voorschrift om voorzieningen te hebben voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas ook geldt voor een in een verblijfsruimte gelegen warmwatertoestel met open verbranding. Er wordt op gewezen dat er dan wel voldoende ventilatie in die verblijfsruimte moet zijn (artikel 3.38, derde lid).

Hiermee is het niveau van eisen voor bestaande bouw niet verzwaard ten opzichte van het Bouwbesluit 2003.

Met de wijziging van het kopje van artikel 3.61 [Stb. 2013, 75], wordt recht gedaan aan de inhoud van het artikel dat zowel op de toevoer van verbrandingslucht als afvoer van rookgas betrekking heeft.

Artikel 3.58

Zie de toelichting op paragraaf 3.8.1, Nieuwbouw. Hierbij wordt opgemerkt dat tabel 3.57 slechts twee rijen kent. De voorschriften gelden namelijk voor alle gebruiksfuncties, behalve voor het «bouwwerk geen gebouw zijnde».

Opgemerkt wordt dat [Stb. 2011, 676] de uitzondering in in artikel 3.58 op het voorschrift om voorzieningen te hebben voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas ook geldt voor een in een verblijfsruimte gelegen warmwatertoestel met open verbranding. Er wordt op gewezen dat er dan wel voldoende ventilatie in die verblijfsruimte moet zijn (artikel 3.38, derde lid).

Hiermee is het niveau van eisen voor bestaande bouw niet verzwaard ten opzichte van het Bouwbesluit 2003.

Met de wijziging van het kopje van artikel 3.61 [Stb. 2013, 75], wordt recht gedaan aan de inhoud van het artikel dat zowel op de toevoer van verbrandingslucht als afvoer van rookgas betrekking heeft.

Artikel 3.59

Zie de toelichting op paragraaf 3.8.1, Nieuwbouw. Hierbij wordt opgemerkt dat tabel 3.57 slechts twee rijen kent. De voorschriften gelden namelijk voor alle gebruiksfuncties, behalve voor het «bouwwerk geen gebouw zijnde».

Opgemerkt wordt dat [Stb. 2011, 676] de uitzondering in in artikel 3.58 op het voorschrift om voorzieningen te hebben voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas ook geldt voor een in een verblijfsruimte gelegen warmwatertoestel met open verbranding. Er wordt op gewezen dat er dan wel voldoende ventilatie in die verblijfsruimte moet zijn (artikel 3.38, derde lid).

Hiermee is het niveau van eisen voor bestaande bouw niet verzwaard ten opzichte van het Bouwbesluit 2003.

Met de wijziging van het kopje van artikel 3.61 [Stb. 2013, 75], wordt recht gedaan aan de inhoud van het artikel dat zowel op de toevoer van verbrandingslucht als afvoer van rookgas betrekking heeft.

Artikel 3.60

Zie de toelichting op paragraaf 3.8.1, Nieuwbouw. Hierbij wordt opgemerkt dat tabel 3.57 slechts twee rijen kent. De voorschriften gelden namelijk voor alle gebruiksfuncties, behalve voor het «bouwwerk geen gebouw zijnde».

Opgemerkt wordt dat [Stb. 2011, 676] de uitzondering in in artikel 3.58 op het voorschrift om voorzieningen te hebben voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas ook geldt voor een in een verblijfsruimte gelegen warmwatertoestel met open verbranding. Er wordt op gewezen dat er dan wel voldoende ventilatie in die verblijfsruimte moet zijn (artikel 3.38, derde lid).

Hiermee is het niveau van eisen voor bestaande bouw niet verzwaard ten opzichte van het Bouwbesluit 2003.

Met de wijziging van het kopje van artikel 3.61 [Stb. 2013, 75], wordt recht gedaan aan de inhoud van het artikel dat zowel op de toevoer van verbrandingslucht als afvoer van rookgas betrekking heeft.

Artikel 3.61

Zie de toelichting op paragraaf 3.8.1, Nieuwbouw. Hierbij wordt opgemerkt dat tabel 3.57 slechts twee rijen kent. De voorschriften gelden namelijk voor alle gebruiksfuncties, behalve voor het «bouwwerk geen gebouw zijnde».

Opgemerkt wordt dat [Stb. 2011, 676] de uitzondering in in artikel 3.58 op het voorschrift om voorzieningen te hebben voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas ook geldt voor een in een verblijfsruimte gelegen warmwatertoestel met open verbranding. Er wordt op gewezen dat er dan wel voldoende ventilatie in die verblijfsruimte moet zijn (artikel 3.38, derde lid).

Hiermee is het niveau van eisen voor bestaande bouw niet verzwaard ten opzichte van het Bouwbesluit 2003.

Met de wijziging van het kopje van artikel 3.61 [Stb. 2013, 75], wordt recht gedaan aan de inhoud van het artikel dat zowel op de toevoer van verbrandingslucht als afvoer van rookgas betrekking heeft.

Afdeling 3.9Beperking van de aanwezigheid van schadelijke stoffen en ioniserende straling

Algemeen

Het oogmerk van deze afdeling is het voorkomen van een voor de gezondheid schadelijk binnenmilieu. In deze afdeling zijn de oude afdelingen 3.15 Beperking van de toepassing van schadelijke materialen en 3.16 Beperking van het kunnen binnendringen van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling samengevoegd.

§ 3.9.1Nieuwbouw

Artikel 3.62 Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht door de aanwezigheid van voor de gezondheid schadelijke stoffen en ioniserende straling beperkt is, is zo geformuleerd dat op grond daarvan zowel eisen kunnen worden gesteld aan de te gebruiken materialen als eisen aan de scheidingsconstructies met de grond en met de kruipruimte.

De tabel van het tweede lid> wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.63Ministeriële regeling

Op grond van het eerste lid van dit artikel kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden gegeven betreffende de toepassing van materialen. In de regeling kan dan bijvoorbeeld worden bepaald dat in het binnenmilieu een bepaalde concentratie van de gevaarlijke stof of straling niet mag worden overschreden. Het gaat daarbij niet zozeer om een verbod op de toepassing van bepaalde bouwmaterialen maar om de invloed van die materialen op het binnenmilieu. De in de regeling op te nemen voorschriften kunnen uiteindelijk wel beperkingen aan het gebruik van bepaalde materialen (zoals asbest en formaldehyde) stellen.

Het tweede lid van dit artikel geeft een soortgelijk voorschrift gericht op het beperken van het binnendringen van vanuit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het stellen van bouwkundige eisen aan de regeling eisen kunnen worden gesteld aan de scheidingsconstructie met de grond en met de kruipruimte.

Artikel 3.64Verbouw

Artikel 3.64 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Artikel 3.63 is van overeenkomstige toepassing op dergelijke verbouwactiviteiten, waarbij mag worden volstaan met het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het begrip «rechtens verkregen niveau» de toelichting op artikel 1.1

Op het geheel vernieuwen is artikel 3.63 onverkort van toepassing. Dit volgt uit artikel 1.12.

Artikel 3.65Tijdelijke bouw

Op een tijdelijk bouwwerk is artikel 3.63 onverkort van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 1.14 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

§ 3.9.2Bestaande bouw

Artikel 3.66

Zie de toelichting op paragraaf 3.9.1, Nieuwbouw.

Artikel 3.67

Zie de toelichting op paragraaf 3.9.1, Nieuwbouw.

Afdeling 3.10Bescherming tegen ratten en muizen

Algemeen

Het oogmerk van deze afdeling is het zoveel mogelijk voorkomen van overlast door ratten en muizen.

§ 3.10.1Nieuwbouw

Artikel 3.68Aansturingsartikel

De functionele eis, een te bouwen bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan, is vergeleken met het oude artikel 3.114 ongewijzigd.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de «overige gebruiksfunctie» en het «bouwwerk geen gebouw zijnde» wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan.

Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 3.69Opening

Het eerste lid van artikel 3.69 geeft aan dat er in de schil geen openingen mogen zitten die breder zijn dan 0,01 m. Uitzonderingen hierop zijn afsluitbare openingen (ramen, deuren en luiken) en de uitmonding van de afvoervoorziening voor luchtverversing, de uitmonding voor een afvoervoorziening voor rook en de uitmonding van een ont- en beluchting van het binnenriool. Dit betekent dat andere openingen, zoals een toevoervoorziening voor luchtverversing of afsluitbaar moet zijn of moeten zijn voorzien van een rooster met openingen die niet breder zijn dan 10 mm. In het eerste lid zijn een tweetal tekstuele verduidelijkingen aangebracht [Stb. 2013, 75]. Het begrip "rook" is vervangen door "rookgas" en "huishoudelijk afval" respectievelijk "afvalwater" zijn vervangen door "huishoudelijk afvalwater en hemelwater".

Het tweede lid geeft een specifieke bepaling voor openingen voor een nest of een rust of verblijfplaats voor een beschermde diersoort. De Flora- en faunawet geeft aan welke diersoorten beschermd zijn. Bij Stb. 2016, 383 is de Flora- en faunawet vervangen door hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Een eventuele opening voor bijvoorbeeld een vogelnest of nestkast die onderdeel uit maakt van het bouwwerk is op grond van dit tweede lid niet aan afmetingseisen gebonden. Uiteraard moet bij het realiseren van een nestgelegenheid worden opgelet dat er geen ongedierte via de nestgelegenheid de spouw of de rest van het bouwwerk kan binnendringen.

Het derde lid lid bepaalt dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op een inwendige scheidingsconstructie die een scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is. Hieruit volgt dat er in de wand tussen bijvoorbeeld een woning en een inpandige berging (overige gebruiksfunctie) geen openingen mogen zijn groter dan 10 mm.

Artikel 3.70Scherm

Het in het eerste lid voorgeschreven rattenscherm dat ten minste 60 cm de grond in gaat dient ertoe om zoveel mogelijk te voorkomen dat ratten of muizen van onderen af toegang krijgen tot een bouwwerk.

Het tweede lid heeft betrekking op een binnenmuur (inwendige scheidingsconstructie) die de scheiding vormt tussen een gebruiksfunctie waar het eerste lid niet op van toepassing is en een gebruiksfunctie waar dat wel het geval is. In dergelijke gevallen, bijvoorbeeld bij een aan de woning vast gebouwde garage, moet zich onder deze binnenmuur een rattenscherm bevinden. Met dit voorschrift is geregeld dat het ongedierte niet via de garage onder de woning kan komen.

In het derde lid wordt de gebruiker de mogelijkheid geboden om bij een technische ruimte, zoals een meterruimte of een opstelplaats voor een stooktoestel, het scherm weg te laten. Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk om een dergelijke ruimte of opstelplaats onder te brengen in een aangrenzende garage. het is dan wel nodig om een rattenscherm te hebben onder de binnenwand tussen die garage met meterruimte of opstelplaats voor een stooktoestel en de aangrenzende woning.

Artikel 3.71Verbouw

Artikel 3.71 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Artikel 3.70 is daarop van overeenkomstige toepassing waarbij mag worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1. Uit artikel 1.12 volgt dat artikel 3.69 bij verbouw onverkort van toepassing is én dat op het geheel vernieuwen de volledige nieuwbouwparagraaf van toepassing is. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat, tenzij anders is bepaald, de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn.

§ 3.10.2Bestaande bouw

Artikel 3.72

Zie de toelichting op paragraaf 3.10.1, Nieuwbouw.In artikel 3.73, eerste lid, zijn een tweetal tekstuele verduidelijkingen aangebracht [Stb. 2013, 75]. Het begrip "rook" is vervangen door "rookgas" en "huishoudelijk afval" respectievelijk "afvalwater" zijn vervangen door "huishoudelijk afvalwater en hemelwater".

Artikel 3.73

Zie de toelichting op paragraaf 3.10.1, Nieuwbouw.In artikel 3.73, eerste lid, zijn een tweetal tekstuele verduidelijkingen aangebracht [Stb. 2013, 75]. Het begrip "rook" is vervangen door "rookgas" en "huishoudelijk afval" respectievelijk "afvalwater" zijn vervangen door "huishoudelijk afvalwater en hemelwater".

Afdeling 3.11Daglicht

Algemeen

Opgemerkt wordt dat voor de gebruiksfuncties waarvoor geen eisen in deze afdeling worden gesteld mogelijkerwijs eisen gelden op grond van de arbeidsomstandighedenregelgeving.

§ 3.11.1Nieuwbouw

Artikel 3.74Aansturingsartikel

De functionele eis, een te bouwen bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden, is vergeleken met de voorschriften van het oude artikel 3.114 ongewijzigd.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de «andere bijeenkomstfunctie», de sportfunctie, de winkelfunctie, de «overige gebruiksfunctie» en het «bouwwerk geen gebouw zijnde» wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan.

Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 3.75 Daglichtoppervlakte

De bedoeling van dit artikel is te bereiken dat er uit een oogpunt van gezondheid voldoende daglicht kan toetreden tot een verblijfsgebied of verblijfsruimte. Dit artikel heeft dus niet het waarborgen van uitzicht vanuit de genoemde ruimten tot doel. Dat aspect wordt aan de markt overgelaten. In NEN 2057 is aangegeven op welke wijze de vereiste daglichtoppervlakte moet zijn bepaald. Daarbij wordt onder equivalente daglichtoppervlakte verstaan de daglichtopening, voorzover hoger gelegen dan 60 cm boven de vloer, die met de in die norm aangegeven reductiefactoren wordt vermenigvuldigd. Daarbij wordt rekening gehouden met bepaalde belemmeringen zoals dakoverstekken en uitkragende balkons, die de toetreding van daglicht kunnen beperken.

De eis van het eerste lid heeft betrekking op verblijfsgebieden.

Om te waarborgen dat in elke afzonderlijke verblijfsruimte ook voldoende daglicht kan toetreden, bevat het tweede lid een minimum eis voor de daglichtopening van een verblijfsruimte. De vereiste daglichtoppervlakte kan worden gerealiseerd door openingen in zowel uitwendige als inwendige scheidingsconstructies. Zo mag bijvoorbeeld wanneer er een serre aan de buitenkant van de gebruiksfunctie is, de daglichttoetreding via die serre zijn meegerekend voor een aangrenzend verblijfsgebied of aangrenzende verblijfsruimte.

Volgens het derde lid behoeft bij het bepalen van de daglichttoetreding slechts rekening gehouden met bouwwerken die op hetzelfde perceel liggen (onderdeel a). Op die manier kan voor een gebruiksfunctie onafhankelijk van de omgeving worden nagegaan of de gebruiksfunctie aan de daglichteisen voldoet. Daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie die loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten op minder dan 2 m afstand van de perceelsgrens liggen blijven buiten beschouwing (onderdeel b). De afstand van 2 m is ontleend het Burgerlijk Wetboek.Wel moet men onafhankelijk van de omgeving (buiten het perceel gelegen objecten) rekening houden met een genormeerde belemmeringvan ten minste dan 25° (onderdeel c). De wijziging van het derde lid van artikel 3.75 heeft betrekking op de aan te houden belemmeringshoek bij het bepalen van de equivalente oppervlakte. Niet kleiner dan 25° wordt vervangen door niet kleiner dan 20° [Stb. 2011, 676]. Deze wijziging is een gevolg van het beschikbaar komen van een nieuwe versie van NEN 2057 (2011). Bij berekening met de nieuwe NEN 2057 komt een hellingshoek van 20 ° vrijwel overeen met een volgens de oude NEN 2057 (2001) uitgevoerde berekening bij een hellingshoek van 25°. Een nadere toelichting hierop is te vinden in bijlage C van het nieuwe normblad (zie ook figuur C.1 in genoemde bijlage). In de nieuwe bepalingsmethode wordt uitgegaan van een ander ‘projectievlak’ en een nauwkeuriger berekeningsmethodiek. Met de nieuwe berekeningsmethodiek en de kleinere hellingshoek wordt beter aangesloten op de daglichtervaring van de gebruikers van ruimten die indirect daglicht ontvangen. Daardoor is het met name bij grote utiliteitsgebouwen eenvoudiger om aan de daglichteis te voldoen.

Het vierde lid bepaalt dat de daglichteisen niet van toepassing zijn voor gebouwen die een rol spelen in de landsverdediging of de bescherming van de bevolking zoals als schuilkelders.

Het vijfde lid geeft aan dat een afzonderlijke slaapruimte in een kinderdagverblijf geen daglichttoetreding behoeft te hebben. In een ruimte die naast voor slapen ook bedoeld is voor spelactiviteiten is daglichttoetreding wel voorgeschreven.

Met zesde lid zijn de daglichteisen afgestemd op de daglichteisen als bedoeld in de Regeling politiecellencomplex.

Omdat daglichttoetreding in bijvoorbeeld onderzoeks- en operatieruimten in een gezondheidszorgfunctie vaak onnodig of zelfs onwenselijk is, bepaalt het zevende lid , dat daglichttoetreding uitsluitend nodig is in een bedgebied in een gezondheidszorgfunctie.

Het achtste lid voorziet in de mogelijkheid om bijvoorbeeld een aula, of grote onderwijsruimte in het universitair onderwijs zonder daglichtopeningen te maken.

Artikel 3.76Verbouw

Artikel 3.76 geeft een voorschrift voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen is artikel 3.75 van overeenkomstige toepassing waarbij moet worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1.

§ 3.11.2 Bestaande bouw

Artikel 3.77

Zie de toelichting op paragraaf 3.11.1, Nieuwbouw. Bij bestaande bouwwerken blijft de hellingshoek van 25° ongewijzigd en bepaald volgens de oude NEN 2057 (artikel 3.78). In een incidenteel geval kan het voorkomen dat deze berekening een minder gunstig resultaat geeft dan een berekening op basis van het nieuwe nieuwbouwvoorschrift. In een dergelijk geval mag op grond van het nieuwe achtste lid van artikel 3.78 het nieuwbouwvoorschrift worden toegepast [Stb. 2011, 676]. Het bevoegd gezag moet in een dergelijk geval instemmen met het bij bestaande bouw toepassen van het nieuwbouwvoorschrift indien de vergunningsaanvrager [gebouweigenaar] daarvoor heeft gekozen. Tabel 3.77 is aangepast op dit nieuwe achtste lid [Stb. 2011, 676].

Artikel 3.78

Zie de toelichting op paragraaf 3.11.1, Nieuwbouw. Bij bestaande bouwwerken blijft de hellingshoek van 25° ongewijzigd en bepaald volgens de oude NEN 2057 (artikel 3.78). In een incidenteel geval kan het voorkomen dat deze berekening een minder gunstig resultaat geeft dan een berekening op basis van het nieuwe nieuwbouwvoorschrift. In een dergelijk geval mag op grond van het nieuwe achtste lid van artikel 3.78 het nieuwbouwvoorschrift worden toegepast [Stb. 2011, 676]. Het bevoegd gezag moet in een dergelijk geval instemmen met het bij bestaande bouw toepassen van het nieuwbouwvoorschrift indien de vergunningsaanvrager [gebouweigenaar] daarvoor heeft gekozen. Tabel 3.77 is aangepast op dit nieuwe achtste lid [Stb. 2011, 676].