Contact Service
Afdeling 2.8 Beperking van het ontstaan van ee ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Afdeling 2.8 Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie

Algemeen

In deze afdeling is wat betreft de nieuwbouwvoorschriften uitgegaan van de Europese bepalingsmethoden voor het aspect «materiaalgedrag bij brand» (reaction to fire). Deze zijn geharmoniseerd in NEN-EN 13501-1. De voorheen bij nieuwbouw geboden keuzemogelijkheid tussen de Europese en de Nederlandse normen is met de invoering van dit besluit l vervallen. Bij bestaande bouw kan wel gekozen worden tussen de oude en de nieuwe systematiek (zie bijvoorbeeld artikel 2.63, tweede lid). Omdat de voorschriften van deze afdeling voor alle gebruiksfuncties gelden is geen tabel opgenomen. Dit doet recht aan het feit dat aan het gebruik van een stookplaats, schacht koker of kanaal risico’s zijn verbonden ongeacht het soort gebruiksfunctie of bouwwerk.

§ 2.8.1Nieuwbouw

Artikel 2.56Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt, is vergeleken met de oude tekst ongewijzigd. Met het vervallen van de aansturingstabel zijn de voorschriften van deze afdeling voortaan op alle bouwwerken van toepassing, dus ook op een woonwagen en een bouwwerk geen gebouw zijnde (bijvoorbeeld een gemetselde buitenhaard).

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften van deze afdeling. Deze voorschriften gelden voor alle gebruiksfuncties.

Artikel 2.57Stookplaats

In dit artikel worden eisen gesteld aan het brandgedrag van materiaal ter plaatse van en nabij een stookplaats. Hiermee wordt voorkomen dat er bij een stookplaats brand ontstaat. Hoewel het artikel betrekking heeft op elke stookplaats zal de in het artikel genoemde intensiteit van de warmtestraling en hoge temperatuur in de praktijk alleen voorkomen bij een open haard. Buiten de vuurhaard (stookplaats) zelf mogen materialen niet spontaan tot ontbranding komen als gevolg van warmtestraling of hoge temperatuur. Om een dergelijke zelfontbranding te voorkomen moeten de in de nabijheid van een onbeschermde verbrandingsbron toegepaste materialen voldoen aan brandklasse A1, met andere woorden onbrandbaar zijn. De onbrandbaarheid van een onder of nabij de vuurhaard gelegen bovenzijde van een constructieonderdeel zoals een vloer moet worden getoetst aan brandklasse A1fl.

Artikel 2.58Schacht, koker of kanaal

Een brand die ontstaat in een schacht, koker of kanaal kan gemakkelijk ontsnappen aan de aandacht van de brandweer. Indien zo’n schacht, koker of kanaal langs een ander brandcompartiment voert, zou na enige tijd ook in dat andere brandcompartiment brand kunnen ontstaan. Om dit te voorkomen schrijft het eerste lid voor dat de combinatie van materialen die is toegepast aan de binnenzijde van die schacht of koker of dat kanaal over een diepte van 0,01 m moet voldoen aan brandklasse A2. Schachten, kokers en kanalen met een geringere diameter dan 15 mm behoeven niet onbrandbaar te zijn. Brandklasse A2 staat toe dat de binnenzijde van een schacht, koker of kanaal kan worden afgewerkt met bijvoorbeeld gipsplaten of een kunststof lining zoals bij renovatie van een gemetselde schoorsteen. De eis is gericht op de omhullende schacht, koker of kanaal en niet op eventueel daarin aangebrachte bekabeling of leidingen van bijvoorbeeld pvc. Uit afdeling 2.11 volgt dat brand niet via een schacht van het ene brandcompartiment naar het andere mag kunnen door- of overslaan. Uit artikel 2. 83 volgt dat een grote, voor personen betreedbare schacht in de regel in een brandcompartiment moet liggen. Daarbij geldt de in artikel 2.84 bedoelde wbdbo tussen het brandcompartiment waarin de schacht ligt en een ander brandcompartiment. In het eerste lid van artikel 2.58 vervalt op grond van Stb. 2014, 51 over «een dikte van ten minste 0,01 m, gemeten loodrecht op de binnenzijde». Deze dikte is namelijk niet relevant voor de bepaling van de brandklasse A2 volgens NEN-EN 13501-1. Daarmee ontstaan bij verbouw wel problemen, want volgens NEN 6064 is het noodzakelijk aan te geven tot welke diepte, gemeten vanaf het oppervlak, materialen onbrandbaar moeten zijn.

Het tweede lid maakt onder a een uitzondering op het eerste lid voor een schacht, koker of kanaal die uitsluitend is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badkamers. In die situatie behoeft een schacht, koker of kanaal niet onbrandbaar te zijn. Voor deze uitzondering is gekozen omdat het brandrisico in badkamers en toiletten in het algemeen verwaarloosbaar is. Het tweede lid onder b maakt een uitzondering op het eerste lid voor ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de binnenzijde van de schacht, de koker of het kanaal. Een dergelijk kleine hoeveelheid materiaal levert een onbeduidende bijdrage aan het risico op de ontwikkeling van brand in de schacht, de koker of het kanaal. Op grond van onderdeel c van het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing op in een schacht, koker of kanaal aangebrachte buizen, kanalen of leidingen. Zodoende kunnen kunststof rioolbuizen, leidingen voor elektriciteit en kanalen voor rookgasafvoer- en verbrandingslucht worden aangebracht. Bij toepassing van brandbare materialen in schachten, kokers of kanalen tussen twee brandcompartimenten zal overigens altijd rekening moeten worden gehouden met de eisen aan de weerstand tegen branddoorslag van de afdelingen 2.10 en 2.11. Bij een in een schacht, koker of kanaal aangebrachte afvoervoorziening voor rookgas zal altijd rekening moeten worden gehouden met de voorschriften die aan een rookgasafvoerkanaal worden gesteld (zie onder meer artikel 2.59).

Artikel 2.59Rookgasafvoer

Een afvoervoorziening voor rookgas, zoals een schoorsteen, mag niet de oorzaak zijn van het ontstaan van brand. Daarom schrijft het eerste lid voor, dat een dergelijke voorziening brandveilig moet zijn bepaald volgens NEN 6062. In deze beproevingsmethode wordt onderscheid gemaakt naar gelang het gaat om kanalen voor vaste dan wel voor andere (niet-vaste) brandstoffen. Bij die beproeving moet de voorziening zijn blootgesteld aan 1) trillingsbelastingen, 2) een luchtdichtheidsbeproeving, 3) een thermische beproeving en 4) een veegproef. Verder speelt daarbij ook de nabijheid van brandbare materialen een rol.Uiteraard kan met een beroep op gelijkwaardigheid ook op andere wijze worden aangetoond dat de brandveiligheid is gewaarborgd.

Artikel 2.60Opstelplaats open verbrandingstoestel

Het is niet toegestaan een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel in een toilet- of een badruimte of in een stallingruimte voor motorvoertuigen te hebben. In kleine ruimtes met een open verbrandingstoestel kan namelijk snel een gevaarlijke concentratie van schadelijke verbrandingsgassen ontstaan en in een stallingsruimte voor motorvoertuigen kan een open verbrandingstoestel leiden tot brand- of ontploffingsgevaar vanwege de aanwezigheid van licht-ontvlambare (brand) stoffen.

Artikel 2.61Tijdelijke bouw

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 2.57 tot en met 2.59 onverkort van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 1.14 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

§ 2.8.2Bestaande bouw

Artikel 2.62

Zie de toelichting op paragraaf 2.8.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat voor de bestaande bouw (de artikelen 2.63 en 2.64) voor het materiaalgedrag bij brand niet wordt uitgegaan van brandklassen als bedoeld in NEN-EN 13501-1 maar van de oude (Nederlandse) bepalingsmethoden. Deze artikelen bieden daarnaast de keuze om ook bij bestaande bouw gebruik te maken van de nieuwe systematiek. Deze keuzemogelijkheid is vooral van belang voor relatief nieuwe gebouwen.

Artikel 2.63

Zie de toelichting op paragraaf 2.8.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat voor de bestaande bouw (de artikelen 2.63 en 2.64) voor het materiaalgedrag bij brand niet wordt uitgegaan van brandklassen als bedoeld in NEN-EN 13501-1 maar van de oude (Nederlandse) bepalingsmethoden. Deze artikelen bieden daarnaast de keuze om ook bij bestaande bouw gebruik te maken van de nieuwe systematiek. Deze keuzemogelijkheid is vooral van belang voor relatief nieuwe gebouwen.

Artikel 2.64

Zie de toelichting op paragraaf 2.8.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat voor de bestaande bouw (de artikelen 2.63 en 2.64) voor het materiaalgedrag bij brand niet wordt uitgegaan van brandklassen als bedoeld in NEN-EN 13501-1 maar van de oude (Nederlandse) bepalingsmethoden. Deze artikelen bieden daarnaast de keuze om ook bij bestaande bouw gebruik te maken van de nieuwe systematiek. Deze keuzemogelijkheid is vooral van belang voor relatief nieuwe gebouwen.

Artikel 2.65

Zie de toelichting op paragraaf 2.8.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat voor de bestaande bouw (de artikelen 2.63 en 2.64) voor het materiaalgedrag bij brand niet wordt uitgegaan van brandklassen als bedoeld in NEN-EN 13501-1 maar van de oude (Nederlandse) bepalingsmethoden. Deze artikelen bieden daarnaast de keuze om ook bij bestaande bouw gebruik te maken van de nieuwe systematiek. Deze keuzemogelijkheid is vooral van belang voor relatief nieuwe gebouwen.