Contact Service
§ 2.11.1 Nieuwbouw
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


§ 2.11.1 Nieuwbouw

Artikel 2.91Aansturingsartikel

Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand in verdergaande mate wordt beperkt dan wordt beoogd met paragraaf 2.10.1. en dat veilig kan worden gevlucht. Deze functionele eis ( eerste lid ) benadrukt dat de voorschriften van afdeling 2.10 een stap zijn in het brandveilig bouwen, met afdeling 2.11 wordt een volgende stap gezet. De naam van dit hoofdstuk is dan ook «verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook».

De tabel van het tweede lid [Stb. 2011, 676].wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

In tabel 2.91 zijn het derde en vierde lid van artikel 2.92, het eerste lid van artikel 2.93 en het tweede en derde lid van artikel 2.94 op grond van Stb. 2014, 51, niet meer aangestuurd voor de woonwagen. Dit betekent dat bij een woonwagen geen voorschriften meer gelden voor beschermde subbrandcompartimenten. Bij woonwagens kan voortaan worden volstaan met de eisen voor brandcompartimentering zoals opgenomen in de artikelen 2.82, 2.83 en 2.84. Ook is in deze tabel de grenswaarde voor de omvang van een beschermd subbrandcompartiment voor woonwagens gewijzigd van 500 m2 naar 1.000 m2. Hiermee is de tabel in overeenstemming gebracht met artikel 2.83, tweede lid. Hiermee zijn de voorschriften van hoofdstuk 2.11 in overeenstemming met de Handreiking brandveiligheid van woonwagens en woonwagenlocaties.

Artikel 2.92Ligging

Dit artikel bevat de basiseisen. Het eerste lid bepaalt dat een brandcompartiment moet worden ingedeeld in subbrandcompartimenten of in verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute loopt. Dit betekent dat alle in een brandcompartiment gelegen ruimten, dus ieder functiegebied, verblijfsgebied met de daarin gelegen ruimten, ook in een subbrandcompartiment moeten liggen. Een buiten een brandcompartiment gelegen ruimte als bedoeld in artikel 2.82, derde lid, behoeft ook niet in een subbrandcompartiment te liggen. Een brandcompartiment kan zowel volledig bestaan uit subbrandcompartimenten of uit een of meer subbrandcompartimenten en een of meer verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute voert. Of daadwerkelijk beschermde vluchtroutes aanwezig moeten zijn volgt uit afdeling 2.12.

Het tweede lid benadrukt dat een beschermde vluchtroute niet direct in een subbrandcompartiment mag liggen, maar in een verkeersruimte. Daarom zal tussen een subbrandcompartiment (waarin brand kan ontstaan) en een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert altijd een brand- en rookwerende scheiding (dit is een eis aan de verkeersruimte )aanwezig moeten zijn. Op die manier is een beschermde vluchtroute beschermd bij brand in een van de aanliggende functie- of verblijfsgebieden (subbrandcompartimenten).

Het derde lid biedt de mogelijkheid om een verblijfsgebied voor bewakingsdoeleinden, zoals een zusterpost in een ziekenhuis of een receptie in een kantoorgebouw, in een gang of hal waardoor een beschermde vluchtroute voert te plaatsen. Zou een dergelijk voor bewakingsdoeleinden bestemd verblijfsgebied wel in een subbrandcompartiment moeten liggen, dan zou op grond van artikel 2.94 tussen dat verblijfsgebied en de beschermde vluchtroute altijd een brandwerende scheiding moeten worden aangebracht. Een dergelijke fysieke scheiding zou het noodzakelijke contact met de op de zusterpost of receptie aangewezen ruimten bemoeilijken. Een oplossing daarvoor zou kunnen zijn de ruimte niet aan te merken als verblijfsgebied. Omdat dat zou betekenen dat de veiligheid en gezondheid voor de bewakers onvoldoende zijn gewaarborgd (bijvoorbeeld geen eisen aan de ventilatie) biedt dit de derde lid een alternatief. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een wachtgelegenheid in datzelfde ziekenhuis of kantoorgebouw niet in een verblijfsruimte behoeft te liggen. In een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert kan dus een wachtruimte worden ingericht, op voorwaarde dat de inrichting van deze wachtruimte het vluchten niet hindert en de brandveiligheid niet in gevaar brengt (zie ook hoofdstuk 7).

Het vierde lid [Stb. 2011, 676] benadrukt dat een verblijfsgebied in een woonfunctie altijd in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen. In een reguliere woning zal de begrenzing van het beschermd subbrandcompartiment overeenkomen met de begrenzing van het brandcompartiment als bedoeld in artikel 2.83 van het Bouwbesluit 2012.

Het vijfde lid [Stb. 2011, 676] stelt dat een bedgebied, dat wil zeggen een gebied waar personen kunnen slapen of aan bed gebonden zijn, altijd in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen. Dit betekent dat voor een ruimte waar bedden worden gereinigd of opgeslagen, zoals bijvoorbeeld in zieken- of verpleeghuizen, of een operatieruimte, of een ruimte waar kan worden gerust, de eis voor een beschermd subbrandcompartiment niet geldt.

Het zesde lid lid[Stb. 2011, 676] stelt dat een cel in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen. Een cel kan uit meerdere ruimten bestaan.

Het zevende lid [Stb. 2011, 676] schrijft voor dat elk logiesverblijf, zoals een hotelkamer, in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat artikel 2.92 de basiseisen bevat omtrent de ligging van subbrandcompartimenten en beschermde subbrandcompartimenten. Dit is iets anders dan de omvang van het compartiment. De eisen aan de maximale omvang zijn opgenomen in artikel 2.93. Het is daarom altijd nodig om beide artikelen gelijktijdig te raadplegen.

Artikel 2.93Omvang

In artikel 2.93 van het Bouwbesluit 2012 wordt het begrip subbrandcompartiment telkens vervangen door beschermd subbrandcompartiment [Stb. 2011, 676]. Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat het vereiste beschermingsniveau van vluchtroutes, en het antwoord op de vraag of er een tweede vluchtroute nodig in grote lijnen het zelfde is als voor de invoering van het Bouwbesluit 2012. Hiermee is een onbedoelde verzwaring van het niveau van eisen weggenomen. Dit artikel stelt eisen aan de maximale omvang van beschermde [Stb. 2011, 676] subbrandcompartimenten bij de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie, de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie en de logiesfunctie. Aan andere gebruiksfuncties stelt dit artikel geen specifieke eisen omdat daar hooguit incidenteel sprake is van het bieden van slaapgelegenheid. Bij een incidenteel nachtgebruik (bijvoorbeeld het overnachten van padvinders in een scoutinggebouw) kan volstaan worden met een niet bouwkundige oplossing. Zie ook het algemeen deel van de toelichting. Aan de omvang van andere subbrandcompartimenten dan in dit artikel aangewezen worden alleen de eisen uit artikel 2.92 gesteld. Het is zinvol ruimten waar gebruikers een extra bescherming tegen brand nodig hebben in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment van beperkte omvang te plaatsen. Men is in ieder beschermd subbrandcompartiment namelijk enige tijd beschermd tegen brand in andere gedeelten [andere beschermde subbrandcompartimenten] van het brandcompartiment. Wanneer de brand ontstaat in het beschermde subbrandcompartiment zelf, dan kan de ontruiming zich in eerste instantie richten op de evacuatie van het relatief beperkte aantal personen in dat beschermde subbrandcompartiment, en daarna pas op alle andere beschermde subbrandcompartimenten in het brandcompartiment. Een beschermd subbrandcompartiment mag om zijn functie van brand- en rookbegrenzer goed te kunnen vervullen dus niet te groot zijn. Met een beroep op de gelijkwaardigheidsbepaling van artikel 1.3 is het mogelijk een groter beschermd subbrandcompartiment te realiseren dan volgens deze afdeling mogelijk zou zijn. Met het begrip is beschermd subbrandcompartiment is gewaarborgd dat het vereiste beschermingsniveau van vluchtroutes, en het antwoord op de vraag of er een tweede vluchtroute nodig is in grote lijnen het zelfde is als voor de invoering van het Bouwbesluit 2012. Hiermee is geen sprake van onbedoelde verzwaring van het niveau van eisen ten opzichte van het Bouwbesluit 2003 [Stb. 2011, 676].

Het eerste lid stelt een grens aan de omvang van een beschermd subbrandcompartiment van een woonfunctie, een celfunctie, logiesfunctie en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Het voorschrift beperkt bij een bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen tot 4 jaar en 24-uurs opvang (kinderopvang met bedgebied) de omvang van een beschermd subbrandcompartiment omdat de hier aanwezige kinderen in het algemeen niet zelfstandig kunnen vluchten. In sommige gevallen zijn zij zelfs volledig aangewezen op hulp van het personeel. Bij andere kinderopvang (zonder bedgebied), zoals een dagverblijf voor kinderen ouder dan 4 jaar of buitenschoolse opvang, gelden dus geen specifieke eisen voor de omvang van het beschermde subbrandcompartiment en mag dat even groot zijn als het brandcompartiment zelf. De eisen hiervoor zijn gelijk aan die voor een onderwijsfunctie, omdat dit type opvang dikwijls in schoolgebouwen wordt gerealiseerd.

Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid om in een woonfunctie voor zorg met een gebruikoppervlakte van meer dan 500 m² een gezamenlijke verblijfsruimte (woonkamer) te creëren, met een grotere omvang dan voor de individuele wooneenheden is toegestaan. Bij een woonfunctie voor de zorg van niet meer dan 500 m² geldt het voorschrift voor de andere woonfunctie van het eerste lid.

Het derde lid regelt voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied dat een beschermd subbrandcompartiment in geen ruimten van een andere gebruiksfunctie mogen bevatten. Ruimten van ondergeschikt belang (nevenfuncties) mogen wel deel uitmaken van dit beschermde subbrandcompartiment.

Lid vier geeft expliciet aan dat elke cel een apart beschermd subbrandcompartiment moet zijn. Dit biedt de hoogst mogelijke bescherming als er brand uitbreekt in een ander beschermd subbrandcompartiment nabij die cel.

Het vijfde lid beperkt de omvang van een beschermd subbrandcompartiment in een gezondheidszorgfunctie met bedgebied tot ten hoogste 500 m². Een opslagruimte voor bedden is geen bedgebied. Binnen het beschermd subbrandcompartiment met bedgebied mogen ook ruimten liggen die ten dienste staan van die patiëntenkamers, zoals een ruimte voor toezicht door verplegend personeel. Een dergelijke ruimte mag echter ook buiten een beschermd subbrandcompartiment liggen (zie artikel 2.92, derde lid). Het vijfde lid geeft een algemeen voorschrift voor hen bedgebied.

Wanneer het gaat om bedgebonden patiënten dan is het nadere voorschrift van het zesde lid van toepassing Een bedgebonden patiënt is een patiënt die aan het bed is gekluisterd en daarom bij brand hulp nodig heeft om voldoende snel te kunnen vluchten. Wanneer het beschermde subbrandcompartiment bestemd is voor bedgebonden patiënten dan is de maximale omvang van het beschermde subbrandcompartiment in het vijfde lid afhankelijk van het bewakingsniveau. Bij een permanente bewaking, waarbij 24 uur per etmaal voldoende goed getraind personeel aanwezig is om de bedgebonden patiënten bij brand tijdig in veiligheid te kunnen brengen is een beschermd subbrandcompartiment van 500 m² toegestaan. Ontbreekt bewaking, dan mag het beschermde subbrandcompartiment niet groter zijn dan 50 m². Is het niveau van de bewaking afgestemd op het bij brand tijdig in veiligheid kunnen brengen van een bepaald aantal bedgebonden patiënten, dan mag de omvang van het beschermd subbrandcompartiment zodanig zijn, dat dat aantal bedgebonden patiënten daarin kan worden ondergebracht. Dit betekent dat in voorkomende gevallen een beschermd subbrandcompartiment kan worden toegestaan met een omvang die ligt tussen de 50 m² en 500 m². Het beschermd subbrandcompartiment mag echter, ongeacht het niveau van de bewaking, niet groter zijn dan 500 m².

Een logiesfunctie kan een aantal logiesverblijven (zie artikel 1.1) bevatten. Het zevende lid [Stb. 2011, 676] maakt expliciet dat elk logiesverblijf, zoals een hotelkamer, behalve een afzonderlijk subbrandcompartiment ook een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is. Dit biedt de hoogst mogelijke bescherming als er brand uitbreekt in een ander beschermd subbrandcompartiment nabij dat logiesverblijf. In een groepsaccommodatie, zoals bij een kampeerboerderij, mogen de verschillende ruimten voor een enkele groep gasten samen in één beschermd subbrandcompartiment liggen. Deze verschillende ruimten zijn dan samen één logiesverblijf.

Het achtste lid [Stb. 2011, 676] is vergelijkbaar met artikel 2.136, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003. Deze toevoeging is nodig om het met het Bouwbesluit 2003 op dit onderdeel beoogde veiligheidsniveau te handhaven.

Artikel 2.94Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag

Dit artikel bevat de eisen aan de scheidingsconstructies die een subbrandcompartiment begrenzen. Deze scheidingsconstructies zijn dan de begrenzing van een uitbreidingsgebied van brand en rook. De scheidingsconstructies moeten daarom voldoende weerstand hebben tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) en rook in voldoende mate tegenhouden.

In het eerste lid is bepaald dat de weerstand tegen branddoorslag van een subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment tenminste 20 minuten is. Dit wordt berekend met behulp van het aspect vlamdichtheid Deze eis is in de plaats gekomen van de 30 minuten weerstand tegen rookdoorgang (wtrd) die in het Bouwbesluit 2003 aan rookcompartimenten werd gesteld. Volgens NEN 6075 verhoudt de wbdbo zich tot de weerstand tegen rookdoorgang als 2:3. De weerstand tegen rookdoorgang is nu omgezet in 20 minuten weerstand tegen branddoorslag waarbij alleen wordt uitgegaan van het aspect vlamdichtheid (E). Dit betekent dat bij de in dit lid bedoelde subbrandcompartimentende criteria straling (EW) en temperatuur (EI) buiten beschouwing blijven.

Het tweede lid stelt een zwaardere eis van 30 minuten aan de wbdbo van een beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in hetzelfde brandcompartiment. Hierop is de volledige in NEN 6068 bedoelde bepalingsmethode van toepassing. In het tweede lid van artikel 2.94 is sprake van een beschermd subbrandcompartiment [Stb. 2011, 676] (zie ook de toelichting op artikel 2.93). Bij het eerste lid is die aanvullende bescherming niet nodig, omdat het daarin bedoelde subbrandcompartiment vergelijkbaar is met het oude rookcompartiment. Zie ook de toelichting op het begrip ‘beschermd subbrandcompartiment’.

Het derde lid geeft de mogelijkheid om bij ministeriële regeling nadere voorschriften te geven omtrent de rookdoorgang van een subbrandcompartiment en van een beschermd subbrandcompartiment [Stb. 2011, 676] naar een andere ruimte

Artikel 2.95Verbouw

Artikel 2.95 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen zijn de artikelen 2.92 tot en met 2.94 van overeenkomstige toepassing. Het minimum niveau dat daarbij moet worden aangehouden is echter het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen is de volledige nieuwbouwparagraaf van toepassing. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat, tenzij anders is bepaald, de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn.

Artikel 2.96Tijdelijke bouw

Dit artikel stelt dat voor een nieuw te bouwen tijdelijk bouwwerk de artikelen in deze afdeling onverminderd van toepassing zijn. Dit is een afwijking van de in artikel 1.14 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.