Contact Service
Artikel 1.26 Sloopmelding
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Artikel 1.26 Sloopmelding

Naar aanleiding van overleg met de Vereniging van Aannemers in de Sloop (VERAS), de Branchevereniging Breken en Sorteren (BRBS Recycling) en VNO-NCW en reacties van onder meer de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland (vBWTN) en het Regionaal Overleg Asbest Utrecht (ROA Utrecht) zijn ) enkele wijzigingen van de artikelen 1.26 en 1.33 opgenomen teneinde de aansluiting van de sloopvoorschriften op de bestaande praktijk te verbeteren[Stb. 2011, 676].

Een sloopactiviteit waarbij naar redelijke inschatting de hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m³ zal bedragen of waarbij asbest wordt verwijderd moet gemeld worden. Hiermee wordt voorkomen dat elke sloopactiviteit onder de meldingplicht van het eerste lid valt. Bij de kleinere sloopactiviteiten, zoals een interne verbouwing waarbij minder dan 10 m³ sloopafval vrijkomt en geen asbest in het geding is, is geen sloopmelding vereist. In dat geval is de veiligheid en gezondheid van de omgeving gewaarborgd met hoofdstuk 8 van dit besluit in samenhang met de zorgbepaling van artikel 1a van de Woningwet.

Het slopen moet ten minste vier weken voor aanvang van de sloopwerkzaamheden schriftelijk bij het bevoegd gezag worden gemeld.

Het eerste lid van artikel 1.26 is bij Stb. 2013, 75, gewijzigd en bevat nu een duidelijke verbodsbepaling. Het is verboden om zonder of in afwijking van de sloopmelding te slopen indien daarbij asbest wordt verwijderd of indien de hoeveelheid afval naar redelijke inschatting meer dan 10 m³ zal bedragen. Het oorspronkelijke eerste lid, dat alleen aangaf hoe de melding van een voornemen tot slopen waarbij asbest wordt verwijderd of waarbij de hoeveelheid afval naar redelijke inschatting meer dan 10 m³ zal bedragen, moet plaatsvinden is nu verwerkt in het nieuwe vierde lid (was vijfde lid), zoals dat na die wijziging luidt.

Het tweede en derde lid bevatten uitzonderingen op het bepaalde in het eerste lid. Het tweede lid geeft aan in welke gevallen bij asbestverwijdering geen sloopmelding is vereist. Deze uitzondering geldt uitsluitend indien de asbesthoudende producten verwijderd worden in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf. Het uitoefenen van een dergelijk beroep of bedrijf valt onder het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Overeenkomstig hetgeen daarover eerder in de model-bouwverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) was opgenomen, zijn in het (nieuwe) derde lid van artikel 1.26 enkele soorten sloopwerkzaamheden van de sloopmeldingplicht uitgezonderd [Stb. 2011, 676]. Dat betreft het slopen van seizoensgebonden bouwwerken en het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.

Het vierde lid (was vijfde lid) bevat een uitzondering op de meldingstermijn. In plaats van ten minste vier weken mag de sloopmelding tot vijf werkdagen voor aanvang van het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden worden gedaan. Dit maakt het mogelijk om op korte termijn asbest te verwijderen uit in gebruik zijnde woningen of andere gebouwen, zodat het gebruiksgenot daarvan zo min mogelijk wordt beperkt. Ook wordt onnodig lang durende leegstand in verband met de asbestverwijdering voorkomen. Die uitzonderingsmogelijkheid is derhalve beperkt tot gevallen waarin hetzij reparatieonderhoud moet worden uitgevoerd aan een asbesthoudende toepassing in woningen of andere gebouwen die in gebruik zijn dan wel met het verwijderen van het asbest is gewacht tot het uitvoeren van zogenoemd mutatieonderhoud op het moment dat de gebouwen leeg zijn gekomen. Onderdeel a geeft aan dat melding tot vijf werkdagen van te voren mogelijk is indien de sloopwerkzaamheden in het kader van reparatie- of mutatieonderhoud plaatsvinden en anders onnodige leegstand zou ontstaan. Onderdeel b [Stb. 2011, 676] geeft dezelfde uitzondering als onderdeel a voor het geval waarin beperkte hoeveelheden (maximaal 35 m2) asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking uit een woning of een daarbij behorend bijgebouw gaan worden verwijderd. Het gaat hier om veel voorkomende werkzaamheden met een verwaarloosbaar risico voor mens en milieu, waarvoor op grond van artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geen asbestinventarisatierapport hoeft te worden opgesteld. Ook in dergelijke gevallen moet de sloopmelding ten minste vijf werkdagen voor aanvang van die werkzaamheden worden gedaan in plaats van ten minste vier weken. De uitzondering van onderdeel b is met name bedoeld voor particulieren, zie de zinsnede ‘anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf’. Hiermee is de uitzondering voor particulieren die eerder in de model-bouwverordening was opgenomen ook onderdeel van het Bouwbesluit 2012.

In het vijfde lid is de mogelijkheid van afwijking van de sloopmeldingtermijn opgenomen voor die gevallen waarin het slopen naar het oordeel van het bevoegd gezag onmiddellijk en in ieder geval binnen vier weken moet plaatsvinden. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval dat een bouwwerk na een calamiteit direct moet worden gesloopt.

In het zesde lid (was vierde lid) worden de gegevens en bescheiden genoemd die samen de sloopmelding vormen. Die gegevens en bescheiden moeten in beginsel tegelijk met de melding worden ingediend. Het zesde lid is bij Stb. 2013, 75, zo gewijzigd dat de verplichting een rapport van een akoestisch onderzoek te verstrekken niet alleen afhankelijk is van de vraag of de waarden bedoeld in artikel 8.4, eerste en tweede lid, worden overschreden, maar ook van de vraag of aannemelijk is dat niet aan de beleidsregels als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, wordt voldaan. Bij Stb. 2014, 51 is de verwijzing naar het bouw- respectievelijk sloopveiligheidsplan vervangen door een verwijzing naar het veiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.7. Bij Stb. 2014, 51 zijn voorts de voorschriften met betrekking tot het moeten overleggen van een akoestisch rapport en een rapport over trillingsonderzoek geschrapt.

Het zevende lid (was vijfde lid) maakt het echter mogelijk om de gegevens, bedoeld in onderdeel b van het zesde lid later aan te leveren. Die gegevens dienen in dat geval alsnog ten minste twee werkdagen voor aanvang van het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden te worden verstrekt. Met de wijzigingen in het zesde lid van artikel 1.26 worden de gegevens en bescheiden die bij een sloopmelding moeten worden aangeleverd verder uitgewerkt [Stb. 2011, 676].

Ten overvloede wordt daarbij opgemerkt dat van een sloopmelding als bedoeld in het Bouwbesluit 2012 alleen sprake is wanneer alle gevraagde informatie binnen de in artikel 1.26 aangegeven termijn is verstrekt. Wanneer daar niet aan is voldaan en toch voorbereidingen voor het slopen worden getroffen kan het bevoegd gezag onder omstandigheden handhavend optreden middels een zogenoemde (preventieve) herstelsanctie (artikel 5:7 Algemene wet bestuursrecht). Verder wordt ten overvloede opgemerkt dat de melder voor het doen van een melding geen leges verschuldigd is, aangezien de gemeente bij het afhandelen van een melding geen dienst jegens de melder verricht.

In onderdeel g van het nieuwe zesde lid is verduidelijkt in welke gevallen bij de uitvoering van de sloopwerkzaamheden sprake is van zodanige trillinghinder dat een rapport van trillingonderzoek dient te worden aangeleverd. De daarbij gekozen grenswaarde is dezelfde als in artikel 8.5 van het Bouwbesluit 2012.

Op grond van onderdeel h van dat artikellid [Stb. 2011, 676] moet bij de sloopmelding ook de afvoerbestemming van de bij de sloopwerkzaamheden vrijkomende afvalstoffen worden aangegeven. In combinatie met het vierde lid van artikel 1.33 levert dit het bevoegd gezag voldoende informatie op voor het toezicht op de afvoer van afvalstoffen (en een ketenbenadering op dat punt).

Op grond van onderdeel j moeten bij de sloopmelding enkele specifieke gegevens worden aangeleverd indien bij het slopen steenachtig afval zal vrijkomen dat ter plaatse wordt gebroken (recyclinggranulaat). Naast deze specifieke gegevens moeten, op grond van artikel 1.26, zesde lid , onderdelen d en h tevens de data en tijdstippen van het slopen, waarbij steenachtig materiaal vrijkomt dat ter plaatse wordt gebroken, worden aangegeven en moet de afvoerbestemming van het recyclinggranulaat worden aangegeven. Recyclinggranulaat dat niet ter plaatse wordt toegepast moet overigens op basis van het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval binnen 5 dagen na mobiel breken zijn afgevoerd.

Het achtste lid (was zesde lid) stelt dat indien tijdens het slopen alsnog op asbest wordt gestuit dat niet in het asbestinventarisatierapport is opgenomen, dit alsnog onmiddellijk ter kennis van het bevoegd gezag moet worden gebracht.

In Stb. 2015, 249 is in dit lid een administratieve verwijsfout hersteld.

Aan artikel 1.26 is bij Stb. 2013. 75, een negende lid toegevoegd waarmee duidelijk wordt gemaakt dat met één sloopmelding kan worden volstaan als er meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen moeten worden gesloopt. Dit kan bijvoorbeeld van belang zijn voor het slopen van een winkelcentrum.