Contact Service
§ 1.7 Procedure sloopwerkzaamheden
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


§ 1.7 Procedure sloopwerkzaamheden

Algemeen

Artikel 1, eerste lid, van de Woningwet verstaat onder slopen: het afbreken van een bouwwerk of een gedeelte daarvan.

In deze paragraaf zijn procedurele (administratieve) voorschriften voor het slopen opgenomen. Soortgelijke voorschriften waren tot de inwerkingtreding van dit besluit opgenomen in de gemeentelijke bouwverordeningen, die in het algemeen waren gebaseerd op hoofdstuk 8 van de model-Bouwverordening. De voorschriften van deze paragraaf zijn van toepassing naast de voorschriften die op grond van de Wabo sedert 1 oktober 2010 van toepassing zijn. De technische voorschriften voor het uitvoeren van sloopwerkzaamheden zijn in hoofdstuk 8 van dit besluit opgenomen. In afdeling 8.1 worden voorschriften gegeven om onveilige situaties en hinder tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden te voorkomen. Op het scheiden van vrijkomend sloopafval is afdeling 8.2 van toepassing.

Tot de inwerkingtreding van dit besluit was slopen of sloopvergunningplichtig of sloopmeldingplichtig of helemaal vrij. Voortaan is slopen op grond van de Woningwet of sloopmeldingplichtig of sloopmeldingvrij. De categorie sloopvergunningplichtig is daarbij opgegaan in de categorie melding. Dat laat overigens onverlet dat voor het slopen behalve een melding nog steeds een sloopvergunning op grond van andere wet- en regelgeving nodig kan zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij sloopwerkzaamheden die plaatsvinden aan een monument of in een beschermd stads- of dorpsgezicht; zie hiervoor de artikelen 2.1, eerste lid, onder f tot en met h, en 2.2, eerste lid, onder b en c, van de Wabo. Met het oog op dergelijke gevallen is in deze paragraaf een samenloopregeling opgenomen (zie artikel 1.31).

De voorschriften van deze paragraaf en van hoofdstuk 8 richten zich tot de sloper. Dat is in principe ook de persoon die een sloopmelding als bedoeld in artikel 1.26 dient te doen. De voorschriften verzetten zich er echter niet tegen dat een ander die melding doet. Als een sloopmelding is voorgeschreven en er is niet gemeld dan is degene die sloopt overtreder van het in artikel 1b, vijfde lid, van de Woningwet opgenomen verbod om zonder melding te slopen.

De voorschriften van deze paragraaf zijn voor zover nodig afgestemd met de voorschriften van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de verandering van het stelsel van vergunningverlening bij sloop naar een meldingsplicht bij sloop geen enkele verlaging van de prioriteiten ten aanzien van asbestverwijdering betekent. Integendeel, met de nieuwe meldingsplicht en de voorgenomen inpassing van dit systeem in het digitale omgevingsloket zal de effectiviteit naar verwachting wat betreft dit onderdeel zelfs verbeteren. Daarnaastzal de gemeente ook in de vervolgfase haar handhavingstaak actief uit oefenen in het kader van een goede asbestverwijdering. Het zogenoemde asbestvolgsysteem zal daarbij een belangrijke rol spelen.

Artikel 1.26Sloopmelding

Naar aanleiding van overleg met de Vereniging van Aannemers in de Sloop (VERAS), de Branchevereniging Breken en Sorteren (BRBS Recycling) en VNO-NCW en reacties van onder meer de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland (vBWTN) en het Regionaal Overleg Asbest Utrecht (ROA Utrecht) zijn ) enkele wijzigingen van de artikelen 1.26 en 1.33 opgenomen teneinde de aansluiting van de sloopvoorschriften op de bestaande praktijk te verbeteren[Stb. 2011, 676].

Een sloopactiviteit waarbij naar redelijke inschatting de hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m³ zal bedragen of waarbij asbest wordt verwijderd moet gemeld worden. Hiermee wordt voorkomen dat elke sloopactiviteit onder de meldingplicht van het eerste lid valt. Bij de kleinere sloopactiviteiten, zoals een interne verbouwing waarbij minder dan 10 m³ sloopafval vrijkomt en geen asbest in het geding is, is geen sloopmelding vereist. In dat geval is de veiligheid en gezondheid van de omgeving gewaarborgd met hoofdstuk 8 van dit besluit in samenhang met de zorgbepaling van artikel 1a van de Woningwet.

Het slopen moet ten minste vier weken voor aanvang van de sloopwerkzaamheden schriftelijk bij het bevoegd gezag worden gemeld.

Het eerste lid van artikel 1.26 is bij Stb. 2013, 75, gewijzigd en bevat nu een duidelijke verbodsbepaling. Het is verboden om zonder of in afwijking van de sloopmelding te slopen indien daarbij asbest wordt verwijderd of indien de hoeveelheid afval naar redelijke inschatting meer dan 10 m³ zal bedragen. Het oorspronkelijke eerste lid, dat alleen aangaf hoe de melding van een voornemen tot slopen waarbij asbest wordt verwijderd of waarbij de hoeveelheid afval naar redelijke inschatting meer dan 10 m³ zal bedragen, moet plaatsvinden is nu verwerkt in het nieuwe vierde lid (was vijfde lid), zoals dat na die wijziging luidt.

Het tweede en derde lid bevatten uitzonderingen op het bepaalde in het eerste lid. Het tweede lid geeft aan in welke gevallen bij asbestverwijdering geen sloopmelding is vereist. Deze uitzondering geldt uitsluitend indien de asbesthoudende producten verwijderd worden in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf. Het uitoefenen van een dergelijk beroep of bedrijf valt onder het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Overeenkomstig hetgeen daarover eerder in de model-bouwverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) was opgenomen, zijn in het (nieuwe) derde lid van artikel 1.26 enkele soorten sloopwerkzaamheden van de sloopmeldingplicht uitgezonderd [Stb. 2011, 676]. Dat betreft het slopen van seizoensgebonden bouwwerken en het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.

Het vierde lid (was vijfde lid) bevat een uitzondering op de meldingstermijn. In plaats van ten minste vier weken mag de sloopmelding tot vijf werkdagen voor aanvang van het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden worden gedaan. Dit maakt het mogelijk om op korte termijn asbest te verwijderen uit in gebruik zijnde woningen of andere gebouwen, zodat het gebruiksgenot daarvan zo min mogelijk wordt beperkt. Ook wordt onnodig lang durende leegstand in verband met de asbestverwijdering voorkomen. Die uitzonderingsmogelijkheid is derhalve beperkt tot gevallen waarin hetzij reparatieonderhoud moet worden uitgevoerd aan een asbesthoudende toepassing in woningen of andere gebouwen die in gebruik zijn dan wel met het verwijderen van het asbest is gewacht tot het uitvoeren van zogenoemd mutatieonderhoud op het moment dat de gebouwen leeg zijn gekomen. Onderdeel a geeft aan dat melding tot vijf werkdagen van te voren mogelijk is indien de sloopwerkzaamheden in het kader van reparatie- of mutatieonderhoud plaatsvinden en anders onnodige leegstand zou ontstaan. Onderdeel b [Stb. 2011, 676] geeft dezelfde uitzondering als onderdeel a voor het geval waarin beperkte hoeveelheden (maximaal 35 m2) asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking uit een woning of een daarbij behorend bijgebouw gaan worden verwijderd. Het gaat hier om veel voorkomende werkzaamheden met een verwaarloosbaar risico voor mens en milieu, waarvoor op grond van artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geen asbestinventarisatierapport hoeft te worden opgesteld. Ook in dergelijke gevallen moet de sloopmelding ten minste vijf werkdagen voor aanvang van die werkzaamheden worden gedaan in plaats van ten minste vier weken. De uitzondering van onderdeel b is met name bedoeld voor particulieren, zie de zinsnede ‘anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf’. Hiermee is de uitzondering voor particulieren die eerder in de model-bouwverordening was opgenomen ook onderdeel van het Bouwbesluit 2012.

In het vijfde lid is de mogelijkheid van afwijking van de sloopmeldingtermijn opgenomen voor die gevallen waarin het slopen naar het oordeel van het bevoegd gezag onmiddellijk en in ieder geval binnen vier weken moet plaatsvinden. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval dat een bouwwerk na een calamiteit direct moet worden gesloopt.

In het zesde lid (was vierde lid) worden de gegevens en bescheiden genoemd die samen de sloopmelding vormen. Die gegevens en bescheiden moeten in beginsel tegelijk met de melding worden ingediend. Het zesde lid is bij Stb. 2013, 75, zo gewijzigd dat de verplichting een rapport van een akoestisch onderzoek te verstrekken niet alleen afhankelijk is van de vraag of de waarden bedoeld in artikel 8.4, eerste en tweede lid, worden overschreden, maar ook van de vraag of aannemelijk is dat niet aan de beleidsregels als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, wordt voldaan. Bij Stb. 2014, 51 is de verwijzing naar het bouw- respectievelijk sloopveiligheidsplan vervangen door een verwijzing naar het veiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.7. Bij Stb. 2014, 51 zijn voorts de voorschriften met betrekking tot het moeten overleggen van een akoestisch rapport en een rapport over trillingsonderzoek geschrapt.

Het zevende lid (was vijfde lid) maakt het echter mogelijk om de gegevens, bedoeld in onderdeel b van het zesde lid later aan te leveren. Die gegevens dienen in dat geval alsnog ten minste twee werkdagen voor aanvang van het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden te worden verstrekt. Met de wijzigingen in het zesde lid van artikel 1.26 worden de gegevens en bescheiden die bij een sloopmelding moeten worden aangeleverd verder uitgewerkt [Stb. 2011, 676].

Ten overvloede wordt daarbij opgemerkt dat van een sloopmelding als bedoeld in het Bouwbesluit 2012 alleen sprake is wanneer alle gevraagde informatie binnen de in artikel 1.26 aangegeven termijn is verstrekt. Wanneer daar niet aan is voldaan en toch voorbereidingen voor het slopen worden getroffen kan het bevoegd gezag onder omstandigheden handhavend optreden middels een zogenoemde (preventieve) herstelsanctie (artikel 5:7 Algemene wet bestuursrecht). Verder wordt ten overvloede opgemerkt dat de melder voor het doen van een melding geen leges verschuldigd is, aangezien de gemeente bij het afhandelen van een melding geen dienst jegens de melder verricht.

In onderdeel g van het nieuwe zesde lid is verduidelijkt in welke gevallen bij de uitvoering van de sloopwerkzaamheden sprake is van zodanige trillinghinder dat een rapport van trillingonderzoek dient te worden aangeleverd. De daarbij gekozen grenswaarde is dezelfde als in artikel 8.5 van het Bouwbesluit 2012.

Op grond van onderdeel h van dat artikellid [Stb. 2011, 676] moet bij de sloopmelding ook de afvoerbestemming van de bij de sloopwerkzaamheden vrijkomende afvalstoffen worden aangegeven. In combinatie met het vierde lid van artikel 1.33 levert dit het bevoegd gezag voldoende informatie op voor het toezicht op de afvoer van afvalstoffen (en een ketenbenadering op dat punt).

Op grond van onderdeel j moeten bij de sloopmelding enkele specifieke gegevens worden aangeleverd indien bij het slopen steenachtig afval zal vrijkomen dat ter plaatse wordt gebroken (recyclinggranulaat). Naast deze specifieke gegevens moeten, op grond van artikel 1.26, zesde lid , onderdelen d en h tevens de data en tijdstippen van het slopen, waarbij steenachtig materiaal vrijkomt dat ter plaatse wordt gebroken, worden aangegeven en moet de afvoerbestemming van het recyclinggranulaat worden aangegeven. Recyclinggranulaat dat niet ter plaatse wordt toegepast moet overigens op basis van het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval binnen 5 dagen na mobiel breken zijn afgevoerd.

Het achtste lid (was zesde lid) stelt dat indien tijdens het slopen alsnog op asbest wordt gestuit dat niet in het asbestinventarisatierapport is opgenomen, dit alsnog onmiddellijk ter kennis van het bevoegd gezag moet worden gebracht.

In Stb. 2015, 249 is in dit lid een administratieve verwijsfout hersteld.

Aan artikel 1.26 is bij Stb. 2013. 75, een negende lid toegevoegd waarmee duidelijk wordt gemaakt dat met één sloopmelding kan worden volstaan als er meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen moeten worden gesloopt. Dit kan bijvoorbeeld van belang zijn voor het slopen van een winkelcentrum.

Artikel 1.27Indieningswijze sloopmelding

De sloopmelding kan digitaal of met gebruikmaking van een formulier plaatsvinden. Het eerste lid van dit artikel regelt de wijze van elektronische indiening van een sloopmelding. Hierbij wordt aangesloten bij de landelijke voorziening als bedoeld in de Wabo. [Stb. 2011, 676].

Het tweede lid heeft betrekking op de niet elektronische sloopmelding, In dat geval moet gebruik worden gemaakt van het formulier, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Bor. Dit is het papieren aanvraagformulier voor de omgevingsvergunning, waarin, net zoals bij het elektronische formulier, het formulier voor de sloopmelding is geïntegreerd.

In de tweede volzin van dit lid is bepaald dat indien de gebruiksmelding tegelijk met de aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, het aantal exemplaren dat van de sloopmelding en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden wordt ingediend gelijk moet zijn aan het aantal exemplaren dat op grond van artikel 4.2, tweede en derde lid, van het Bor van de vergunningaanvraag en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden moet worden ingediend. In de laatste volzin is bepaald dat indien de sloopmelding afzonderlijk wordt gedaan, deze en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden in drievoud worden ingediend.

Artikel 1.28Afhandeling sloopmelding

Dit artikel schrijft voor dat door of vanwege het bevoegd gezag een ontvangstbevestiging van de ingediende sloopmelding aan de melder wordt verstuurd. Die ontvangstbevestiging is van belang omdat de termijn die op grond van artikel 1.26, eerste en tweede lid, gelegen moet zijn tussen het doen van een sloopmelding en de feitelijke aanvang van de gemelde sloopwerkzaamheden, begint op het moment van indiening van de melding.

Artikel 1.29Nadere voorwaarden na sloopmelding

Op grond van dit artikel kan het bevoegd gezag na ontvangst van een sloopmelding nadere voorwaarden opleggen. In principe zijn de procedurele voorschriften van deze paragraaf samen met de inhoudelijke voorschriften van hoofdstuk 8 toereikend om de uitvoering van sloopwerkzaamheden verantwoord te laten plaatsvinden. Hetzelfde geldt in samenhang met de voorschriften van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voor sloopwerkzaamheden waarbij asbest wordt verwijderd. In het algemeen zal het bevoegd gezag geen noodzaak zien om na een sloopmelding nadere voorwaarden te stellen. Voor het incidentele geval dat het stellen van dergelijke nadere voorwaarden toch nodig blijkt te zijn, biedt dit artikel de mogelijkheid daartoe.

Op grond van het eerste lid kan het bevoegd gezag nadere voorwaarden stellen die noodzakelijk zijn met het oog het voorkomen of beperken van hinder of van een onveilige situatie tijdens de sloopwerkzaamheden. Zie ook paragraaf 8.1 waarin de algemene regels over het veilig uitvoeren van sloopwerkzaamheden en het beperken van (geluid-, stof- en trilling)hinder zijn opgenomen.

Het tweede lid biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om ook nadere voorwaarden te stellen voor het scheiden en op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval (zie ook paragraaf 8.2) en voor de wijze waarop de gereedmelding als bedoeld in artikel 1.33, tweede lid, moet worden gedaan. Bij dat laatste kan worden gedacht aan de nadere voorwaarde dat de gereedmelding schriftelijk moet worden gedaan.

In het derde lid is bepaald dat het verboden is te handelen in strijd met de nadere voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 1.30Wijzigen nadere voorwaarden sloopmelding

In het eerste lid is de mogelijkheid opgenomen voor het bevoegd gezag om de nadere voorwaarden, bedoeld in artikel 1.29, te wijzigen wanneer er sprake is van een verandering van inzichten of van omstandigheden die deze wijziging noodzakelijk maken. Ook kunnen de voorwaarden worden gewijzigd op verzoek van de melder.

Het tweede lid bepaalt dat het bevoegd gezag geen gebruik van de in het eerste lid gegeven mogelijkheden mag maken zonder de melder eerst in de gelegenheid te stellen hierover zijn mening te geven.

Artikel 1.31Samenloop sloopmelding en omgevingsvergunning

Dit artikel is bij Stb. 2013, 75, vervallen. Artikel 1.31 had betrekking op de samenloop van een sloopmelding met een aanvraag om een omgevingsvergunning.In het eerste lid werd bepaald dat wanneer de sloopmelding en de vergunningaanvraag gelijktijdig werden gedaan, dit op dezelfde wijze elektronisch danwel op papier moest plaatsvinden. Dit was in feite een overbodige bepaling omdat bij een melding en indiening deels elektronisch en deels op papier nooit sprake kan zijn van zuivere gelijktijdigheid. Om die reden vervalt het eerste lid. Tevens wordt opgemerkt dat het tweede en het derde lid waren gebaseerd op de achterhaalde veronderstelling dat het bevoegd gezag voor de melding een ander bevoegd gezag kon zijn dan het bevoegd gezag voor de vergunningaanvraag. Dit is niet het geval. Het tweede en derde lid vervallen ook.

Artikel 1.32Aanwezigheid bescheiden

Dit artikel schrijft de bescheiden voor die op het sloopterrein aanwezig moeten zijn. Onder de genoemde bescheiden vallen in ieder geval de sloopmelding en het sloopveiligheidsplan (zie ook artikel 8.3). Voor de toezichthoudende en handhavende diensten is het van belang dat deze documenten in origineel of in afschrift op het terrein aanwezig zijn en op verzoek kunnen worden overgelegd, zodat zij kunnen nagaan of de op de sloop van toepassing zijnde voorschriften bij of krachtens dit besluit zijn en worden nageleefd. Zie ook de toelichting op artikel 1.23. Bij Stb. 2014, 51 is de verwijzing naar het bouw- respectievelijk sloopveiligheidsplan vervangen door een verwijzing naar het veiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.7.

Artikel 1.33Mededeling aanvang en beëindiging sloopwerkzaamheden

Door het bevoegd gezag in kennis te stellen van het moment van aanvang en het moment van beëindiging van de sloopwerkzaamheden kan tijdig toezicht worden uitgeoefend op de uitvoering van de sloopwerkzaamheden.

Het eerste lid heeft betrekking op de mededeling van het moment van aanvang van de uitvoering van de werkzaamheden. Die mededeling moet schriftelijk worden gedaan en ten minste twee werkdagen voor aanvang. Indien het moment van feitelijke aanvang overeenstemt met de opgave daarvan in de sloopmelding (zie onderdeel d van artikel 1.26, vierde lid), kan een afzonderlijke schriftelijke mededeling achterwege blijven. Indien het moment van feitelijke aanvang afwijkt van de opgave in de sloopmelding dient de schriftelijke mededeling wel te worden gedaan.

Het tweede lid heeft betrekking op de mededeling van het moment van beëindiging van de sloopwerkzaamheden. Die mededeling (gereedmelding) moet uiterlijk op de eerste werkdag na de dag dat de werkzaamheden zijn beëindigd aan het bevoegd gezag worden gedaan [Stb. 2011, 676].

Indien het moment van beëindiging overeenstemt met de opgave daarvan in de sloopmelding, geldt die opgave als de mededeling als bedoeld in het tweede lid en kan een afzonderlijke mededeling achterwege blijven. De kennisgeving als bedoeld in het tweede lid behoeft in beginsel niet schriftelijk te worden gedaan tenzij het bevoegd gezag dat als een nadere voorwaarde heeft opgenomen (zie artikel 1.29, tweede lid, onder b).

Op grond van het derde lid moet binnen twee weken na beëindiging van sloopwerkzaamheden die (mede) betrekking hadden op asbestverwijdering een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling als bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 bij het bevoegd gezag worden ingediend.

Verder is een nieuw vierde lid toegevoegd [Stb. 2011, 676]waar uit volgt dat degene die sloopwerkzaamheden heeft uitgevoerd het bevoegd gezag moet informeren over de aard en hoeveelheid van de vrijgekomen afvalstoffen en de bestemming van die stoffen. De termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden wordt door het bevoegd gezag bepaald. Ten overvloede wordt opgemerkt dat deze termijn natuurlijk ook kan worden bepaald door een daartoe gemandateerde gemeenteambtenaar.