Contact Service
Algemeen deel bij de nota van toelichting Stb ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Algemeen deel bij de nota van toelichting Stb 2019, 155

1.Algemeen

Dit wijzigingsbesluit heeft allereerst tot doel om het landelijk asbestvolgsysteem (LAVS)1 te operationaliseren, zoals aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer en van de Woningwet, waarin is voorzien in de instelling van het LAVS (hierna: de wijzigingswet).Het LAVS is bedoeld om inzicht te krijgen in de asbestsaneringsketen en om een bijdrage te leveren aan de verbetering van de naleving van de asbestregelgeving. Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat in de keten van werkzaamheden die in het kader van asbestsaneringen worden verricht, nadelige gevolgen optreden voor de gezondheid van de mens, in het bijzonder werknemers, en het milieu.De instelling van het LAVS is geregeld in artikel 9.5.7, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna ook afgekort als: Wm). De redenen voor de invoering van het LAVS zijn toegelicht in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel van de wijzigingswet.Voor het operationaliseren van het LAVS voorziet dit besluit in het opnemen van een nieuwe paragraaf 4 in het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (hierna ook afgekort als: Avb 2005). In samenhang hiermee bevat het besluit ook enkele bepalingen die nodig zijn voor de uitvoering van de algemene verordening gegevensbescherming van de EU (hierna ook afgekort als: AVG), die op 25 mei 2018 van kracht is geworden.Tevens is in dit besluit bepaald dat aan enkele informatieverplichtingen op grond van het Bouwbesluit 2012 (hierna ook afgekort als: Bb 2012) en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 alleen nog langs elektronische weg kan worden voldaan. De wijzigingswet voorziet in de grondslagen om dit te regelen. Deze zijn opgenomen in artikel 2, vijfde lid, van de Woningwet en artikel 9.2.2.1b Wm. De verplichting om een eindbeoordeling in het LAVS in te voeren wordt van het Bouwbesluit 2012 verplaatst naar het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Hiervoor wordt het bedrijf dat de eindbeoordeling heeft verricht, verantwoordelijk. Eerder was dit het asbestverwijderingsbedrijf.

1 Zie: www.asbestvolgsysteem.nl

2.Gevolgen voor bedrijven en burgers

Voor de meeste informatieverplichtingen over asbestsaneringswerkzaamheden geldt op grond van het certificatieschema al vanaf 1 maart 2017 dat de informatie langs elektronische weg met gebruikmaking van het LAVS moet worden verstrekt.Aan de al bestaande informatieverplichtingen op grond van het Bouwbesluit 2012 (sloopmelding, begin- en eindtijd van een asbestsaneringsproject, resultaten van de eindbeoordeling en gegevens over de hoeveelheden en afvoerbestemming van het asbestafval) kon eerder zowel op elektronische wijze worden voldaan als anderszins schriftelijk. Op grond van dit wijzigingsbesluit geldt dat voortaan alleen nog langs elektronische weg aan die informatieverplichtingen kan worden voldaan. Dit besluit verandert alleen de wijze waarop aan de bestaande informatieverplichtingen moet worden voldaan, maar voegt geen nieuwe informatieverplichtingen toe, behoudens de verplichting voor bedrijven die een eindbeoordeling van de asbestverwijdering verrichten, om het resultaat van de eindbeoordeling in het LAVS in te voeren.

In beginsel maakt het voor de lastendruk geen verschil of informatie langs elektronische weg moet worden verstrekt of ook op andere wijze schriftelijk mag worden verstrekt. In de praktijk worden de meeste documenten nu al digitaal opgemaakt en aan het bevoegd gezag verstrekt (de begin- en eindmelding van een asbestsaneringsproject per email en de sloopmelding via het OLO) dan wel andere toezichthoudende instanties (startmelding aan de Inspectie SZW via het LAVS/webportaal).

De verplichting voor bedrijven die een eindbeoordeling van de asbestverwijdering verrichten, om het resultaat van de eindbeoordeling in het LAVS in te voeren is niet een geheel nieuwe informatieverplichting, omdat de resultaten van de eindbeoordeling eerder al op grond van artikel 1.33, derde lid, Bb 2012 aan het bevoegd gezag moesten worden verstrekt. Deze verplichting was echter tot de asbestverwijderingsbedrijven gericht. Om de redenen die in paragraaf 4 zijn toegelicht, gaat deze verplichting voortaan gelden voor de bedrijven die de eindbeoordeling verrichten.

Met het oog op mogelijke lastenvermindering is onderzocht of met het digitaal beschikbaar hebben van de wettelijk verplichte documenten in het LAVS de verplichting tot de aanwezigheid van fysieke documenten op de projectlocatie kan komen te vervallen. Conclusie is dat het vaak wenselijk is om documenten ook fysiek beschikbaar te hebben, omdat niet iedereen die behoefte aan en recht heeft op inzage van deze documenten toegang tot het LAVS heeft, bijvoorbeeld werknemers. Bij controle door toezichthouders ter plekke is de fysieke beschikbaarheid van documenten ook handiger, omdat niet alle toezichthouders over digitale hulpmiddelen beschikken die tijd en locatieonafhankelijk werken. Tevens hebben niet alle toezichthouders die ter plekke controles kunnen uitvoeren, toegang tot het LAVS, doordat het aantal personen van een organisatie of organisatieonderdeel vaak beperkt wordt gehouden teneinde een veilig en efficiënt gebruik van het LAVS te kunnen garanderen. Het digitaal locatie- en tijdsonafhankelijk beschikbaar hebben van documenten via het LAVS is een onderwerp dat in de komende jaren verder verkend kan worden.

De verplichting leidt voor de laboratoria (in totaal 22, stand begin 2018) tot een gezamenlijke toename van de kosten met circa 214.000,– euro structureel per jaar (95.000 eindbeoordelingen x 3 minuten x 45.– euro/uur). Hierbij wordt aangenomen dat er 95.000 asbestsaneringen in risicoklasse 2 en 2A per jaar plaatsvinden, waarbij een eindbeoordeling moet worden uitgevoerd. De tijdsduur van 3 minuten voor het inloggen in het LAVS en de gegevensinvoer is in overleg met brancheorganisatie Fenelab en de LAVS-beheerder bepaald. Bij de berekening is uitgegaan van regulier gebruik en van beschikbaarheid en goed functioneren van het LAVS. Deze lichte toename van administratieve lasten is nauwelijks merkbaar, omdat nagenoeg alle laboratoria sinds de verplichtstelling van het LAVS met ingang van 1 maart 2017 al vrijwillig het resultaat van de eindbeoordeling in het LAVS invoeren. Bovendien vormen deze administratieve lasten, die 2,25 euro per eindbeoordeling bedragen (214.000/95.000=2,25 euro), een fractie van de totale kosten van een eindbeoordeling (400 tot 1.000 euro). Dergelijke kosten zijn niet te hoog in verhouding tot het doel van het LAVS om de naleving van de asbestregelgeving op een hoger peil te brengen. De administratieve lasten voor asbestverwijderingsbedrijven nemen met eenzelfde bedrag af. Hierbij wordt nog opgemerkt dat laboratoria ook wegwijs moeten geraken in het gebruik van het LAVS. Hiervoor zijn gebruikershandleidingen beschikbaar, die gratis kunnen worden gedownload van de website www.lavsinfo.nl. Desgewenst kunnen zij deelnemen aan trainingen die door Rijkswaterstaat (de LAVS-beheerder) op aanvraag kunnen worden gegeven. Zo nodig kunnen ook FAQ’s (antwoorden op veel gestelde vragen) op de website worden geraadpleegd of de hulp van de helpdesk LAVS worden ingeroepen. Hiermee is naar schatting eenmalig één dagdeel (4 uur) per bedrijf gemoeid en 1 uur ondersteuning door de helpdesk. Daarmee bedragen de eenmalige lasten 4.950,– euro (5 uur x 45,– euro x 22). Alle laboratoria zijn al sinds de verplichtstelling van het gebruik van het LAVS per 1 maart 2017 aangesloten op het LAVS en werken er al vrijwillig mee. Daarmee wordt ervan uitgegaan dat de eenmalige lasten grotendeels al zijn gemaakt.

Dit besluit heeft geen gevolgen voor de inhoudelijke nalevingskosten, omdat het geen materiële verplichtingen voor bedrijven meebrengt.

Voor burgers vloeien uit dit besluit geen verplichtingen, administratieve lasten of inhoudelijke nalevingskosten voort. Wel wordt de rol van de opdrachtgever verduidelijkt door aanpassing van artikel 3 Avb 2005 (zie artikelsgewijze toelichting op artikel I, onder B van het wijzigingsbesluit). Hij draagt de verantwoordelijkheid voor de asbestsanering als geheel. Deze verantwoordelijkheid houdt met name in dat hij werkzaamheden laat verrichten door gecertificeerde asbestinventarisatiebedrijven, asbestverwijderingsbedrijven en geaccrediteerde bedrijven die eindbeoordelingen verrichten. Dit besluit brengt op dit punt geen wijziging in de bestaande situatie, maar brengt alleen verduidelijking.

3.Gevolgen voor bestuursorganen en toezichthouders

Dit besluit heeft geen gevolgen voor bestuursorganen en toezichthoudende instanties zoals burgemeester en wethouders (omgevingsdiensten), de Inspectie SZW en certificerende instellingen, en brengt geen verandering in rechten en verplichtingen, bestuurlijke lasten of uitvoeringslasten teweeg.

Op grond van artikel 9, tweede lid, Avb 2005 krijgen bedrijven die een eindbeoordeling verrichten, op grond van artikel 11a.2 Wm een nieuwe verplichting opgelegd om het eindresultaat van de eindbeoordeling in het LAVS in te voeren. De verplichting van asbestverwijderingsbedrijven op grond van het eerdere artikel 1.33, derde lid, Bb 2012 om de resultaten van de eindbeoordeling aan het bevoegd gezag (burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten, voor zover zij het bevoegd gezag zijn in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) te verstrekken is komen te vervallen. Het LAVS stuurt de resultaten van de eindbeoordeling automatisch door naar het bevoegd gezag in het kader van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor zover het asbestsaneringen van bouwwerken betreft zijn dit ook weer burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten. Omdat alleen de informatieplichtige verandert, zullen de lasten die met de bestuursrechtelijke handhaving van de informatieverplichting als zodanig zijn gemoeid, niet veranderen. Voor asbestsaneringen van objecten is de Minister van I en W bevoegd gezag.

Het is de bedoeling dat de bestuursrechtelijke handhaving op de gebruikelijke wijze risicogestuurd wordt ingevuld. Bij de LAVS-beheerder kunnen in het kader van de LAVS-gebruikersondersteuning signalen binnenkomen van bedrijven die de informatieplicht niet naleven. Als een bedrijf dat de eindbeoordeling heeft verricht, daarover geen informatie in het LAVS invoert, kan de volgende stap, het afronden van het asbest- project door het asbestverwijderingsbedrijf, niet plaatsvinden. Er zullen dan klachten bij de LAVS-beheerder worden ingediend. Op basis van deze signalen zal de LAVS-beheerder het bevoegd gezag informeren, dat zo nodig kan ingrijpen. De verwachting is dat de bestuurlijke lasten die met de bestuursrechtelijke handhaving van de nieuwe informatieverplichting zijn gemoeid, tot een minimum beperkt blijven, omdat bedrijven die eindbeoordelingen verrichten al vrijwillig gebruik maakten van het LAVS en ook door opdrachtgevers of asbestverwijderingsbedrijven worden aangesproken als de resultaten van de eindbeoordeling niet of niet op tijd in het LAVS zijn ingevoerd. Het asbestverwijderingsbedrijf kan dan namelijk het project niet afronden.

Het besluit leidt niet tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door provincies of gemeenten (artikel 2 van de Financiële Verhoudingswet). Het nieuwe artikel 16 Avb 2005 moet in dit verband niet als bron van nieuwe taken of activiteiten worden gezien omdat hiermee alleen een omissie wordt hersteld. De omissie houdt verband met een inconsistentie tussen de tekst van en de nota van toelichting bij het Asbestverwijderingsbesluit 2005, waardoor wordt aangesloten op de al bestaande praktijk. Hierop wordt uitgebreider ingegaan in de toelichting op artikel 16 van het Avb 2005 (nieuw).

Zoals in de memorie van toelichting bij de we is aangegeven, beoogt het besluit met betrekking tot asbestsaneringswerkzaamheden een bijdrage te leveren aan de verbetering van het toezicht en de handhaving door betere samenwerking en gegevensuitwisseling tussen de betrokken instanties.Informatie uit het LAVS wordt automatisch verstuurd naar het bevoegd gezag en de toezichthoudende instanties (per e-mail of geautomatiseerd via koppelvlak). Het is de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag dan wel de toezichthoudende instantie om te regelen dat de informatie ter beschikking wordt gesteld van de behandelende dienst. Dat is niet anders dan eerder ook al het geval was. Alle informatie kan door een backofficesysteem worden verwerkt, omdat ze is opgemaakt volgens een vast format. Verder wordt informatie uit het LAVS ook automatisch doorgestuurd naar de certificerende instellingen en de Inspectie SZW.Een en ander heeft geen gevolgen voor de lastendruk omdat het alleen gaat om de wijze van informatieverstrekking, die voortaan alleen nog langs elektronische weg plaatsvindt. Er is geen sprake van een verandering in de taakuitoefening van de betrokken instanties.

Om toegang te krijgen tot het LAVS (raadpleegfunctie) geldt een beperkt aantal laagdrempelige technische en organisatorische aansluitvoorwaarden. Net als bij het OLO zijn een normale internetverbinding en eHerkenning voldoende. De betrokken bestuursorganen en toezichthoudende instanties beschikken hier al over.

Toezichthouders kunnen door raadpleging van het LAVS toezichtsacties voorbereiden en bepaalde analyses uitvoeren. In de doorontwikkeling van het LAVS zal ten behoeve van het informatie- en risicogestuurd toezicht rekening worden gehouden met de behoefte van toezichthouders om in het LAVS rapportage- en/of monitoringsfuncties op te nemen. Op dit moment is het LAVS hierop nog niet ingericht. Dit heeft te maken met de stapsgewijze ontwikkeling van het LAVS en het gegeven dat in eerste instantie de aandacht vooral uitging naar de bedrijven die verplicht van het LAVS gebruik moeten maken.In dit verband bestaat het voornemen om na verloop van tijd, naast de doorlopende aandacht die aan verdere verbetering van het LAVS wordt besteed, een structureler onderzoek te doen op welke wijze het LAVS in de praktijk functioneert en welk gebruik daarvan wordt gemaakt en welke verbeteringen mogelijk zijn zodat het ontwikkelingspotentieel dat het LAVS in de nu voorgestane opzet biedt, ten volle kan worden benut.

4.Gevolgen voor de Rijksbegroting

De instelling van het LAVS is in de wijzigingswet voorzien en ook is daarin de Minister van I en W als formeel beheerder van het LAVS aangewezen. Tevens is de minister aangewezen als «verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens» in de zin van artikel 4 AVG. Namens de minister is Rijkswaterstaat aangewezen als feitelijke beheerder van het LAVS (LAVS-beheerder).

Op de gevolgen voor de Rijksbegroting is al ingegaan in de memorie van toelichting bij de wet. Hierin is opgemerkt dat de voor de instandhouding van het LAVS en het goede functioneren daarvan jaarlijks een bedrag van circa 800.000 euro nodig is, waarvoor financiële dekking binnen de begroting van het Ministerie van I en W is geregeld. Dit zijn geen nieuwe kosten omdat de Minister van I en W (Rijkswaterstaat) feitelijk al met het beheer van het LAVS is belast.

Dit besluit brengt geen wijziging in de bestaande verplichtingen van het Rijk en heeft daarom geen gevolgen voor de Rijksbegroting.

5.Totstandkoming van het besluit

In deze paragraaf komen achtereenvolgens aan de orde:– de consultatie van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UvW) overeenkomstig de Code Interbestuurlijke Verhoudingen;– de uitvoerbaarheidstoets van Rijkswaterstaat;– het advies van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR);– de handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheids- toets (Huf) door de Inspectie Leefmilieu en Transport (ILT);– het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens;– de inspraakreacties naar aanleiding van de voorpublicatie van het ontwerpbesluit in de Staatscourant;– de voorhang van het ontwerpbesluit bij de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UvW) zijn over het voorstel geconsulteerd overeenkomstig de afspraken die zijn gemaakt in de Code Interbestuurlijke verhoudingen. De VNG en het IPO hebben in hun reactie aangegeven het ontwerpbesluit te steunen en zijn positief over het voornemen om het LAVS een wettelijke status te geven en te operationaliseren. Deze organisaties hebben geen inhoudelijke bezwaren tegen het ontwerpbesluit. De UvW heeft in haar reactie aangegeven dat het voorstel geen redenen geeft voor het maken van op- en/of aanmerkingen vanuit het belang van de uitvoeringspraktijk van waterschappen.De VNG vraagt in haar reactie onder meer om ruimere beschikbaarheidstijden dan 8–18 uur op werkdagen. Hieraan is tegemoet gekomen (zie artikel 12, eerste lid). De verduidelijkende redactionele suggesties zijn overgenomen.Het IPO vraagt aandacht voor enkele praktijkproblemen bij het toezicht en de handhaving van asbestsaneringen. Hier wordt alleen ingegaan op de opmerkingen die betrekking hebben op de onderwerpen die in het ontwerpbesluit aan de orde zijn. Een punt van aandacht voor provincies is het feit dat meldingen uit het LAVS niet direct naar provincies worden gestuurd, voor het geval de provincie het bevoegd gezag is. Hiervoor vraagt het IPO aandacht. Verder maakt het IPO van de gelegenheid gebruik om een aantal praktische wensen ten aanzien van de inrichting van het LAVS onder de aandacht te brengen. Gewenste aanpassingen van het LAVS hoeven niet te worden geregeld in het besluit, maar kunnen worden besproken in de gebruikersoverleggen met Rijkswaterstaat als LAVS-beheerder. Daarin kunnen gebruikers en toezichthouders ervaren knelpunten en wensen tot aanpassingen naar voren brengen. Rijkswaterstaat zal in overleg met de gebruikers beslissen welke wensen op welk moment kunnen worden meegenomen bij de doorontwikkeling van het LAVS, voor zover de daarvoor beschikbaar gestelde financiële middelen dat toelaten.Het IPO verzoekt ook om reparatie van een omissie in het Asbestverwijderingsbesluit 2005, die ziet op de correcte toedeling van bevoegdheden, die in de praktijk veel onduidelijkheid kan wegnemen. Zoals destijds in de nota van toelichting bij het Asbestverwijderingsbesluit 200535 al was aangegeven, is het de bedoeling dat gemeenten en provincies als bevoegd gezag in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevings- recht zijn belast met toezicht en handhaving, voor zover het asbestsaneringen van bouwwerken betreft. Anders dan in de nota van toelichting was aangegeven kan deze bevoegdheid wat betreft het Asbestverwijderingsbesluit 2005 niet worden ontleend aan de Woningwet. Dit had blijkens artikel 18.2b, derde lid, Wm uitdrukkelijk in het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zelf moeten worden bepaald. Bij gebreke aan een dergelijke bepaling is op grond van artikel 18.2b, eerste lid, onder a, Wm onbedoeld de ILT voor het hele besluit namens de Minister van I en W met toezicht en handhaving belast, behalve voor zover het een inrichting betreft of een project in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Hoewel dit verzoek van het IPO geen betrekking heeft op het LAVS, is het van belang dat de tekst en de nota van toelichting van Asbestverwijderingsbesluit 2005 met elkaar in overeenstemming worden gebracht, omdat anders, zoals het IPO terecht constateert, in de praktijk onduidelijkheid ontstaat. Het ontwerpbesluit is daarom aangevuld met een bepaling waarin het Asbestverwijderingsbesluit 2005 overeenkomstig het voorstel van IPO wordt gewijzigd. Verwezen wordt naar de toelichting op het nieuwe artikel 16 Avb 2005.

Rijkswaterstaat heeft geen uitvoerbaarheidstoets uitgevoerd, omdat het ontwerpbesluit geen impact heeft op risico’s of kansen op de netwerken die Rijkswaterstaat beheert, met name het hoofdwegennet, het hoofdvaar- wegennet en het hoofdwatersysteem. Rijkswaterstaat is in haar rol als LAVS-beheerder nauw betrokken geweest bij het opstellen van het ontwerpbesluit.Het ontwerpbesluit is voor toetsing op regeldrukaspecten voorgelegd aan ATR. ATR adviseert het voorstel in te dienen, nadat met zijn advies rekening is gehouden. ATR constateert dat het nut en de noodzaak van het voorstel voldoende zijn onderbouwd en de gevolgen voor de regeldruk door het ministerie in beeld zijn gebracht conform de landelijke methodiek voor de analyse van regeldrukeffecten. ATR geeft vervolgens vier adviezen. Het eerste advies is om in de nota van toelichting te vermelden in hoeverre is nagegaan of verplichtingen tot de aanwezigheid van fysieke documenten kunnen komen te vervallen als gevolg van het LAVS. Het tweede advies is om in de nota van toelichting in te gaan op de mogelijk- heden om de voordelen van het LAVS ook voor burgers te ontsluiten. Daarnaast adviseert ATR nader toe te lichten hoe de toegankelijkheid en de beschikbaarheid van het LAVS in de toekomst zullen worden geborgd en daarbij aandacht te besteden aan de informatievoorziening richting partijen die afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van het LAVS. Tot slot adviseert ATR periodiek met (eind)gebruikers van het LAVS te overleggen over de werking en de doorontwikkeling van het systeem en eventuele knelpunten daarbij en de uitkomsten van overleggen die leiden tot aanpassingen in het LAVS, gericht te communiceren aan alle betrokken partijen.

De eerste twee adviezen van ATR zijn verwerkt in de paragrafen 4 en 7 van de nota van toelichting van dit wijzigingsbesluit. Over de andere twee adviezen kan het volgende worden opgemerkt.Het beheer en daarmee de toegankelijkheid en beschikbaarheid van het LAVS zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en opgedragen aan de Minister van I en W. Dit besluit draagt deze taken op aan de LAVS-beheerder, Rijkswaterstaat. Namens de minister is met de LAVS-beheerder een afsprakenkader opgesteld. De afspraken die hierin zijn vastgelegd, zijn onderdeel van terugkerend overleg tussen de vertegenwoordiger van de minister en Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat heeft delen van de taken uitbesteed aan externe leveranciers. Het benodigde niveau van de dienstverlening en de daaraan gestelde kwaliteitseisen zijn gedetailleerd gespecifieerd en vastgelegd in Service Level Agreements. Deze afspraken worden continu bewaakt, periodiek gerapporteerd en zo nodig bijgesteld. Daarmee is de beschikbaarheid en toegankelijkheid van het LAVS voldoende gewaarborgd. Communicatie en gerichte informatieverstrekking over de werking van het LAVS en nieuwe ontwikkelingen behoren tot de taken van de LAVS-beheerder. Dit gebeurt via de website www.lavsinfo.nl, nieuwsbrieven, reguliere gebruikersoverleggen, gerichte trainingen en een helpdesk.

Het ontwerpbesluit is voor een HUF-toets (handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid) aan de ILT voorgelegd. De ILT heeft inhoudelijke opmerkingen gemaakt over het niet kunnen handhaven van verplichtingen die zijn opgelegd aan bedrijven die de eindbeoordeling verrichten en de LAVS-beheerder. Naar aanleiding van deze opmerkingen is het ontwerpbesluit aangepast en verduidelijkt. In de getoetste versie van het ontwerpbesluit is de toezichttaak op de bedrijven die de eindbeoordeling verrichten, belegd bij de ILT, terwijl de praktijk is dat het bevoegd gezag (gemeenten/omgevingsdiensten) asbestverwijderingsbedrijven aanspreekt wanneer geen goedkeurende eindbeoordeling kan worden overgelegd. Het herstel van de in het voorgaande besproken omissie in het Asbestverwijderingsbesluit 2005 wat betreft de aanwijzing van het Wabo-bevoegd gezag voor toezicht en handhaving met betrekking tot asbestsaneringen van bouwwerken, komt aan de opmerking van de ILT tegemoet. Hierdoor is het de taak van het Wabo-bevoegd gezag om bestuursrechtelijk handhavend op te treden als een bedrijf geen eindbeoordeling in het LAVS heeft ingevoerd. Deze taak berust dus niet bij de ILT, maar bij het bevoegd gezag. Wat betreft de taak van de ILT ten aanzien van verplichtingen van de LAVS-beheerder kan worden opgemerkt dat de ILT formeel inderdaad met deze taak is belast. Er is echter vertrouwen dat Rijkswaterstaat als LAVS-beheerder naar behoren zal functioneren. Mocht dat onverhoopt niet het geval zijn, dan ligt het meer voor de hand dat de minister de nodige maatregelen neemt om dit te verhelpen dan om bestuursrechtelijk handhavend op te treden. Omdat in het LAVS persoonsgegevens worden verwerkt, is op 19 april 2018 overeenkomstig artikel 51, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens36 aan de Autoriteit persoonsgegevens gevraagd om over het ontwerpbesluit advies uit te brengen. De autoriteit heeft op 26 juni 2016 advies uitgebracht. De autoriteit had een beperkt aantal opmerkingen. Het advies van de Autoriteit heeft betrekking op de volgende punten: 1) het begrip verwerker; 2) de juistheid van de informatie; 3) de beveiliging en 4) de bewaartermijn. Op deze punten zal achtereenvolgens worden ingegaan.

Ad 1) De Autoriteit merkt op dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in artikel 9.5.7, tweede lid, Wm is aangewezen als verwerkings- verantwoordelijke in de zin van artikel 4, onder 7, AVG. In het ontwerpbesluit is Rijkswaterstaat aangewezen als de beheerder van het LAVS en als zodanig als verwerker in de zin van de AVG aangemerkt. De Autoriteit wijst erop dat van een verwerker in de AVG sprake is als de feitelijke gegevensverwerking wordt uitgevoerd door een andere partij dan de verwerkingsverantwoordelijke, die daarbij als opdrachtgever optreedt. Rijkswaterstaat valt als organisatieonderdeel van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat onder volledige verantwoordelijkheid van de minister als verwerkingsverantwoordelijke. Daarom is Rijkswaterstaat ten onrechte als verwerker aangemerkt. Naar aanleiding hiervan is het ontwerpbesluit aangepast en is Rijkswaterstaat niet langer als verwerker aangemerkt en is een aangepaste omschrijving van het begrip LAVS-beheerder opgenomen. Als LAVS-beheerder is Rijkswaterstaat aangewezen. Rijkswaterstaat treedt namens de minister op ter uitvoering van diens taak op grond van artikel 9.5.7, tweede lid, Wm.

Ad 2) De Autoriteit signaleert dat de informatie die in het LAVS over asbestsaneringsprojecten is opgenomen, blijkens de nota van toelichting niet noodzakelijkerwijs juist, volledig en waarheidsgetrouw hoeft te zijn. Dit hangt af van de informatieplichtige die de informatie in het LAVS heeft ingevoerd. De LAVS-beheerder controleert dit niet (het nieuwe artikel 11, derde lid, van het ontwerpbesluit). De Autoriteit adviseert in de nota van toelichting in te gaan op de verhouding tussen de verplichting van de verwerkingsverantwoordelijke om onjuiste persoonsgegevens te wissen of rectificeren, zoals opgenomen in artikel 5, tweede lid, AVG, enerzijds en het nieuwe artikel 11, derde lid, van het ontwerpbesluit anderzijds. Dit advies is opgevolgd. Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 4.2 (Kwaliteit van de informatie in het LAVS).

Ad 3) Wat betreft de beveiliging van de informatie die in het LAVS is opgenomen, merkt de Autoriteit op dat hieromtrent geen regels in het ontwerpbesluit zijn opgenomen. Artikel 32 AVG schrijft voor dat de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen moet nemen om een op het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen. De Autoriteit adviseert om deze beveiligingsmaatregelen in het ontwerpbesluit uit te werken. Naar aanleiding van dit advies is een bepaling opgenomen dat de LAVS-beheerder er zorg voor draagt ter uitvoering van artikel 32 AVG de nodige technische en organisatorische voorzieningen te treffen ter beveiliging van het LAVS tegen verlies of aantasting van gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of verstrekking daarvan. Tevens is een mogelijkheid opgenomen om dit zo nodig bij ministeriële regeling uit te werken (artikel 15). De «passende maatregelen» waarvan in artikel 32 AVG sprake is, hoeven niet per se wettelijke bepalingen te omvatten. Artikel 32 AVG werkt rechtstreeks door in de nationale rechtsorde van de lidstaten. Deze bepaling richt zich tot de verwerkingsverantwoordelijke. Deze moet «technische en organisatorische maatregelen» nemen. Anders dan in geval van richtlijnen is omzetting van artikel 32 AVG in nationale regelgeving niet nodig. Een bepaling die herhaalt wat er al in artikel 32 AVG staat is volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU niet toegestaan. Regelgeving die ten opzichte van artikel 32 AVG toegevoegde waarde zou hebben, zou met name een verwijzing kunnen omvatten naar een concreet systeem van beveiliging dat door de LAVS-beheerder wordt toegepast. Dit is echter niet wenselijk om op amvb-niveau te regelen, omdat de nodige flexibiliteit moet worden betracht om mee te gaan met ontwikkelingen die tot verbetering van de beveiliging kunnen leiden. Het beveiligingsbeleid van de LAVS-beheerder moet voldoen aan het Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst 2007 (VIR). De LAVS-beheerder moet verder de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst 2017 (BIR:2017)37 toepassen. De BIR 2017 biedt één normenkader voor de beveiliging van de informatiehuishouding van de Rijksoverheid. Op grond van de BIR quick scan is geconcludeerd dat de BIR 2017 voor het LAVS een toereikend niveau van beveiliging biedt.

Ad 4) De Autoriteit constateert dat de redenen voor het lange bewaren van informatie in het LAVS te maken hebben met het bouwwerk of object waarop de informatie betrekking heeft, en niet met de bij een asbestsaneringsproject betrokken personen. De lange bewaartermijn die wordt gehanteerd, kan ook betrekking hebben op adressen van de asbestsaneringen, die als persoonsgegevens moeten worden aangemerkt als zij kunnen worden gekoppeld aan natuurlijke personen. Dit is volgens de Autoriteit te rechtvaardigen. Dat is echter niet het geval als er andere persoonsgegevens in het LAVS voorkomen, bijvoorbeeld namen van eerdere eigenaren of van personen die bij het saneringsproject betrokken zijn geweest. In reactie hierop kan worden opgemerkt dat persoonsgegevens volgens artikel 5, eerste lid, onder e, AVG moeten worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt, noodzakelijk is. Omdat de opdrachtgever de «rode draad» is in een asbestsaneringsproject, is het van belang dat ook de namen van eerdere opdrachtgevers te achterhalen zijn, zodat een project zo nodig kan worden «gereconstrueerd», bijvoorbeeld in het geval dat ooit een asbestinventarisatie heeft plaatsgevonden en asbest blijkt te zijn verwijderd zonder dat het LAVS daarover informatie bevat. Dit is een aanwijzing dat de asbestregelgeving niet is nageleefd en dat asbest mogelijk in het milieu is terechtgekomen, met alle risico’s van dien. Daarbij wordt overwogen dat de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen, gelet op de aard van de gegevens, niet in het geding is, omdat deze gegevens betrekking hebben op het asbestsaneringsproject waarvoor de betrokken persoon opdrachtgever is geweest.

6.Voorhang en voorpublicatie

Het ontwerpbesluit is voorgehangen bij de Eerste Kamer en Tweede Kamer van de Staten-Generaal. In het schriftelijk overleg over het ontwerpbesluit heeft de Tweede Kamer vragen gesteld, die door de regering zijn beantwoord.

Het ontwerpbesluit is overeenkomstig artikel 21.6, vierde lid, Wm in de Staatscourant gepubliceerd om een ieder de gelegenheid te bieden opmerkingen over het ontwerp te maken (voorpublicatie). Zes organisaties hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt om hun zienswijzen naar voren te brengen, namelijk een aantal brancheorganisaties, te weten VOAM-VKBA, Veras, Stichting Via en Fenelab, en twee toezichthouders, namelijk de omgevingsdiensten44 en de Raad voor Accreditatie (RvA).

De brancheorganisaties VOAM-VKBA, Veras en Fenelab steunen de verankering van het LAVS in de asbestregelgeving. Samen met de Stichting VIA maken zij zich ernstige zorgen over de werking van het systeem, sinds op 1 maart 2017 het gebruik daarvan in het certificatie- schema voor gecertificeerde asbestinventarisatie- en asbestverwijderings- bedrijven verplicht is gesteld.De eerste prioriteit is dat het LAVS goed functioneert. Dit is een voorwaarde voor de verplichtstelling van het gebruik van het LAVS om informatie te verstrekken. Daarom moet het systeem bij de invoering niet worden belast met extra wensen die niet al waren meegenomen in het ontwerp van het LAVS dat samen met de asbestsector is ontwikkeld. Onmiddellijk na de verplichtstelling met ingang van 1 maart 2017 kende het LAVS een aantal aanloopproblemen, als gevolg van de zeer sterke stijging van het gebruik van het LAVS die daardoor plaatsvond. Inmiddels voldoet het LAVS aan de prestatieafspraken die met de LAVS-beheerder zijn gemaakt. De LAVS-beheerder voert geregeld overleg met partijen over de werking van het systeem, waarin ervaren knelpunten en nieuwe ontwikkelingen worden besproken.

Veras vraagt naar de sanctiemogelijkheden als de LAVS-beheerder zijn verplichtingen niet nakomt. Deze zijn er niet. Het is de verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat dat het LAVS goed functioneert. Deze verantwoordelijkheid is vastgelegd in de Wet milieubeheer.46

Een aantal brancheorganisaties geeft aan dat het LAVS tot een aanzienlijke lastenverzwaring leidt. Dit beeld komt ook naar voren in gesprekken met de gebruikers. De invoering van het LAVS gaat niet gepaard met nieuwe wettelijke informatieverplichtingen. Het systeem is juist samen met de asbestsector ontwikkeld om lasten te verlichten. Het gaat daarbij uit van de bestaande wettelijke informatieverplichtingen. Het LAVS maakt het mogelijk dat informatie die bedrijven aan het bevoegd gezag en de toezichthouders moeten verstrekken, slechts eenmaal in het LAVS moet worden ingevoerd en daarna centraal beschikbaar is en blijft voor andere partijen in de asbestsaneringsketen. De eenmaal ingevoerde informatie kan worden hergebruikt om aan daarop volgende wettelijke informatieverplichtingen te voldoen. Het LAVS beoogt verbetering te brengen in de kwaliteit en volledigheid van de informatie die over werkzaamheden in het kader van asbestsaneringen aan de overheid moet worden verstrekt. Om deze informatie goed te kunnen hergebruiken en raadplegen is het van belang dat zij op uniforme wijze wordt ingevoerd en beschikbaar is. Het LAVS helpt de informatieplichtige om aan zijn wettelijke verplichting te voldoen doordat het niet meewerkt als de informatie niet op de juiste wijze wordt ingevoerd.Het LAVS zorgt er automatisch voor dat de verplichte informatie bij de juiste instanties terecht komt. Zorgvuldigheid bij het verstrekken van informatie over werkzaamheden in het kader van asbestsaneringen was en is voor de naleving van de asbestregelgeving van groot belang. Dit kan als lastenverzwaring worden ervaren als voorheen op minder zorgvuldige wijze informatie werd verstrekt. De extra inspanning die hierdoor mogelijk moet worden verricht, zal naar verwachting door gewenning afnemen. Daarom is het gebruik van het LAVS alleen verplicht gesteld voor professionele partijen, die herhaaldelijk informatie over hun projecten moeten invoeren en zo de aanloopinspanning van de gewenning kunnen «terugverdienen». Na verloop van tijd zullen de praktische voordelen van het LAVS meer op de voorgrond treden.

Voor zover de Stichting VIA aangeeft dat industriële bedrijven mede vanuit de eigen verantwoordelijkheid naar personeel en omgeving zelf registratiesystemen hebben opgezet en dat het LAVS daarom geen toegevoegde waarde heeft, is dit niet relevant voor het onderhavige besluit, omdat het doel van de verplichtstelling van het gebruik van het LAVS het faciliteren van toezicht en handhaving is en daarbij van belang is dat geen asbesttoepassingen, bijvoorbeeld in industriële installaties, worden uitgezonderd. Daarnaast hebben toezichthouders alleen toegang tot LAVS en niet tot bedrijfseigen systemen.

Veras merkt op dat asbestverwijderingsbedrijven met extra administratieve verplichtingen te maken krijgen, omdat zij afvalafgiftebewijzen in het LAVS moeten invoeren. Deze informatie moet echter op grond van artikel 1.33, vierde lid, Bb 2012 nu ook al worden verstrekt, zij het alleen op verzoek van het bevoegd gezag. In de praktijk verbindt het bevoegd gezag de verstrekking van een afvalafgiftebewijs echter vaak als voorwaarde aan de sloopmelding die op grond van artikel 1.26 Bb 2012 moet worden gedaan. Feitelijk is er dus geen sprake van een nieuwe informatiever- plichting. Daarom verandert met het onderhavige besluit alleen de wijze van indiening. Veras vraagt ook om de tussenopslag van asbestafval vrij te stellen van de verplichting op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen om de ontvangst van het afval te melden. Hier is sprake van twee informatieverplichtingen met een verschillend doel. In het kader van het onderhavige besluit is het van belang dat informatie over de afvoer van het asbestafval wordt verstrekt omdat anders een hiaat ontstaat in de informatie over de achtereenvolgende werkzaamheden die in het kader van asbestsaneringen beschikbaar is. Het LAVS beoogt de hele asbestsaneringsketen in beeld te brengen. Het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen beoogt inzicht te krijgen in de afvalstoffenketen. Daarom verplicht de Wet milieubeheer ontdoeners, inzamelaars, vervoerders, ontvangers, handelaren en bemiddelaars van afvalstoffen om informatie over hun werkzaamheden te verstrekken en daarvan een afvalstoffenregistratie bij te houden.

Daarnaast heeft Veras gevraagd om een inzamelaarsregeling voor asbestverwijdering door gecertificeerde bedrijven, zodat niet meer voor ieder project een uniek afvalstroomnummer hoeft te worden aangevraagd. Dit laatste wordt echter wenselijk geacht om de keten van werkzaamheden per individuele asbestsanering te kunnen volgen, zodat ook per project duidelijk is waar het asbestafval dat daarbij ontstaat, blijft.

Brancheorganisatie VOAM-VKBA heeft zorgen over het steeds meer vervuild raken van het LAVS met onjuiste en daardoor onbruikbare informatie. Hierop is al ingegaan in paragraaf 4.2 van deze toelichting. Het komt erop neer dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de informatie berust bij de bedrijven die verplicht zijn om de informatie te verstrekken. Het LAVS helpt mee om de informatie goed in te voeren, zoals de wettelijke informatieverplichtingen dat vereisen.

Een aantal organisaties brengt extra wensen naar voren voor verbetering en doorontwikkeling van het LAVS. Deze wensen zijn bekend bij de LAVS-beheerder, bijvoorbeeld de wens van de omgevingsdiensten dat zij automatisch informatie uit het LAVS ontvangen en dat de informatie niet via de gemeente bij hen terechtkomt. De LAVS-beheerder overlegt geregeld met de gebruikers van het LAVS om praktische verbeteringen in het systeem aan te brengen. Daarbij komen ook nieuwe wensen voor verdere doorontwikkeling aan de orde. Bij het doorvoeren van nieuw wensen worden prioriteiten gesteld. Alle wensen worden op nut en noodzaak bezien en worden afgewogen tegen andere relevant aspecten, zoals het beschikbare budget, de technische randvoorwaarden en de doelstellingen van het LAVS.

Er zijn ook suggesties gedaan, onder meer door de omgevingsdiensten, voor aanpassingen van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en het Bouwbesluit 2012 die geen verband houden met het onderwerp en het doel van dit besluit. In deze nota van toelichting wordt daarop niet verder ingegaan.

De Stichting Via geeft aan dat industriële bedrijven toegang tot het LAVS willen hebben om de status van hun asbestprojecten te kunnen volgen, maar niet verplicht willen worden om daarbij met behulp van het LAVS over hun asbestprojecten regie te voeren. Opdrachtgevers spelen in het kader van asbestsaneringen die in hun opdracht worden verricht, als constante in de keten waarin verschillende bedrijven werkzaamheden verrichten, een belangrijke rol en dragen de algehele verantwoordelijkheid dat hun asbestsaneringen volgens de regels verlopen. Zij moeten gecertificeerde inventarisatie- en verwijderingsbedrijven inschakelen en erop toezien dat het asbestafval wordt afgegeven aan daarvoor erkende inzamelaars. Professionele opdrachtgevers kunnen via het LAVS aan deze verantwoordelijkheid invulling geven, zoals omschreven in hoofdstuk 4.3. Professionele opdrachtgevers kunnen, gelet op artikel 13, tweede lid, onder b, Avb 2005 bij de LAVS-beheerder een aanvraag indienen om toegang tot het LAVS te krijgen. De opdrachtgever heeft automatisch de regie over de asbestsanering, omdat hij degene is die bedrijven inschakelt om de werkzaamheden te laten verrichten. Hij kan de regierol in het LAVS mandateren overeenkomstig de daartoe vastgestelde procedure van authenticatie en autorisatie.

Veras merkt op dat de omgevingsdiensten informatie over uit te voeren en uitgevoerde asbestverwijderingen opvragen bij asbestverwijderingsbedrijven en niet het LAVS (kunnen) raadplegen. Als dergelijke situaties zich voordoen en het informatie betreft die al via het LAVS beschikbaar is, zal dit naar verwachting tijdelijk zijn, omdat ook omgevingsdiensten toegang tot het LAVS kunnen krijgen (artikel 13, eerste lid, onder a, Avb 2005). De beheerder van het LAVS werkt actief samen met omgevingsdienst.nl om het gebruik van LAVS bij toezichthoudende activiteiten te bevorderen.

Voorts heeft Veras een vraag gesteld over de samenloop meldplichten in het kader van sloop en asbestverwijdering in relatie met de beginmelding en gereedmelding (artikelen 1.27 en 1.33 Bb 2012) om te voorkomen dat dubbele meldplichten ontstaan. Een sloopmelding die betrekking heeft op slopen waarbij asbest wordt verwijderd dat is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A, moet op grond van artikel 1.27 Bb 2012 op elektronische wijze via het OLO worden gedaanAls eerst het asbest wordt verwijderd voordat de overige sloopwerkzaamheden plaatsvinden, kan met één sloopmelding worden volstaan, maar zullen de in artikel 1.33 bedoelde mededelingen van het tijdstip van aanvang, onderscheidenlijk beëindiging, van de werkzaamheden voor de verschillende onderdelen van de activiteit andere informatie bevatten en op verschillende wijze moeten worden gedaan. In die gevallen zullen dus zowel voor het verwijderen als voor de andere sloopwerkzaamheden afzonderlijke mededelingen moeten worden gedaan op de daarvoor voorgeschreven wijze, namelijk schriftelijk op grond van artikel 1.33, eerste of derde lid, en via het LAVS op grond van artikel 1.33, tweede of vierde lid.

Tevens verzoekt Veras om aanpassing van artikel 1.29 Bb 2012, om uit te sluiten dat het bevoegd gezag nadere voorwaarden kan stellen over de wijze waarop de eindmelding op grond van artikel 1.33, tweede lid, moet worden gedaan. Dit is echter niet nodig, omdat artikel 1.29 verwijst naar artikel 1.33, derde lid, (nieuw) en die bepaling niet gaat over de situatie waarin asbest wordt verwijderd. Voor de verwijdering van asbest is een bepaling opgenomen in artikel 1.33, vierde lid (nieuw). Om de verhouding tussen het eerste en tweede lid, onderscheidenlijk derde en vierde lid, te verduidelijken is in het tweede lid, onderscheidenlijk vierde lid, aangegeven dat die leden gelden in afwijking van het eerste lid, onderscheidenlijk derde lid.

Fenelab steunt de verplichting die geaccrediteerde eindinspectie- instellingen krijgen om de resultaten van door die instellingen verrichte eindbeoordelingen zelf in het LAVS in te voeren in plaats van de asbest- verwijderingsbedrijven. Hiermee wordt bevorderd dat de eindbeoordeling onafhankelijk van de andere schakels in de asbestketen plaatsvindt.

Fenelab vindt dat ook professionele opdrachtgevers en exploitanten van stortplaatsen verplicht moeten worden om van het LAVS gebruik te maken, omdat hiermee ook het begin en eind van de asbestsanerings- keten in beeld worden gebracht. Uitgangspunt bij het opstellen van het ontwerpbesluit was echter dat geen nieuwe informatieverplichtingen zouden worden ingevoerd, met het oog op de beperking van de administratieve lasten. In het kader van een asbestverwijdering gelden voor professionele opdrachtgevers en exploitanten van stortplaatsen momenteel geen informatieverplichtingen en daarmee ook geen verplichtingen om met behulp van het LAVS informatie te verstrekken aan bevoegd gezag en betrokken toezichthouders. Het is niet de bedoeling om op dit moment dergelijke nieuwe verplichtingen te introduceren.

Fenelab vraagt verder in de wetteksten te benadrukken dat het melden van de eindbeoordeling in het LAVS uitsluitend mag geschieden door geaccrediteerde eindinspectie-instellingen (laboratoria) en vraagt om verduidelijking van een verwijzing naar de definitie van eindbeoordeling in het certificatieschema. Dit is echter niet nodig, omdat het volgens de Arbeidsomstandighedenregeling nu al zo is dat alleen geaccrediteerde inspectie-instellingen de eindbeoordeling mogen uitvoeren, althans voor saneringen van risicoklasse 2 of 2A (als bedoeld in artikel 4.51a, onderscheidenlijk 4.53a, Arbobesluit).

De omgevingsdiensten zijn verheugd over de wettelijke verankering van het LAVS. Tevens hebben zij een aantal nieuwe wensen met het doel de werking van het LAVS ten behoeve van toezicht te verbeteren, bijvoorbeeld dat zij ook automatisch informatie uit het LAVS ontvangen. Deze wensen zijn bekend bij de LAVS-beheerder en worden nader onderzocht en meegenomen in de doorontwikkeling van het LAVS.

Voorts hebben de omgevingsdiensten een aantal suggesties gedaan voor aanpassing van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en het Bouwbesluit 2012, die echter geen verband houden met het onderwerp en doel van dit besluit. In deze nota van toelichting wordt daarop dan ook niet verder ingegaan.

De omgevingsdiensten merken verder op dat het Asbestverwijderings- besluit 2005 een te gedetailleerde regeling bevat op welke wijze registratie moet plaatsvinden. Zij adviseren om de mogelijkheid op te nemen dat de2minister nadere regels stelt, zodat er meer flexibiliteit bestaat om op ontwikkelingen in te spelen. Dit is echter niet nodig, omdat artikel 9.5.7 Wm al een bepaling bevat dat bij ministeriële regeling met het oog op de goede uitvoering nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de toegankelijkheid, inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van het LAVS en het beheer van de informatie die in het systeem is opgenomen. De hoofdzaken moeten echter bij algemene maatregel van bestuur worden geregeld. Daarom bevat het besluit de nodige bepalingen hieromtrent, die als daar behoefte aan blijkt te bestaan, bij ministeriële regeling kunnen worden uitgewerkt.

De omgevingsdiensten wijzen er terecht op dat bij de herformulering van artikel 3 Avb 2005 is weggevallen dat degene die een asbestsanering van risicoklasse 1 uitvoert, en de opdrachtgever voor een asbestsanering zelf ook over een daarvoor opgesteld asbestinventarisatierapport moeten beschikken. Daarom is aan artikel 3 Avb 2005 een nieuw vierde lid toegevoegd, waarin dit is bepaald.

Verder stellen de omgevingsdiensten voor om ook de melding van werkzaamheden met asbest van risicoklasse 1 in het LAVS op te nemen, om te voorkomen dat naast het LAVS ook nog een ander informatie- systeem moet worden bijgehouden met informatie over asbestsaneringen van risicoklasse 1. Tot nu toe is er bewust voor gekozen alleen gecertificeerde asbestinventarisatiebedrijven en gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijven, die saneringen van risicoklasse 2 of 2A uitvoeren, verplicht in het LAVS te laten werken. Asbestsaneringen in risicoklasse 1 vallen onder een minder streng regime en hebben geen certificatieplicht en kennen daarmee ook geen verplichting om informatie over dergelijke asbestsaneringen in het LAVS in te voeren. Dergelijke asbestsaneringen moeten wel worden gemeld aan het bevoegd gezag en de Inspectie SZW en zijn daarmee in beeld bij betrokken toezichthouders.

De omgevingsdiensten hebben verzocht om de koppeling tussen het LAVS en het OLO te regelen en daar niet alleen in de nota van toelichting melding van te maken. Dit was echter al geregeld in artikel 9.5.7, tweede lid, Wm.

De RvA verzoekt om toegang te krijgen tot het LAVS. Dit draagt bij aan de doelstelling van het LAVS om het toezicht op de naleving van de regelgeving te verbeteren en de handhaving daarvan te faciliteren. Daarom is de RvA alsnog opgenomen in artikel 13, eerste lid, onder c.

Tot slot zijn er nog gedetailleerde opmerkingen gemaakt, waarvan er hier een wordt genoemd. Er was een verzoek van Veras om het begrip asbestsanering te vervangen door asbestverwijdering. Het begrip asbestsanering komt voor in artikel 9.5.7, eerste lid, Wm. Dit begrip omvat alle werkzaamheden die achtereenvolgens worden verricht om de aanwezigheid van asbest in een bouwwerk of object te beëindigen en om veilig van het asbestafval af te komen. De keten begint met de asbestinventarisatie en loopt tot en met de afvoer en verwerking (stort) van het asbestafval. De verwijdering van asbest is een van de werkzaamheden in het kader van een asbestsanering. Asbestverwijdering is dus niet het alomvattende begrip dat de hele keten dekt, zoals asbestsanering.

Naar aanleiding van de vrijstelling van de afvalstoffenbelasting, die na de voorpublicatie in artikel 29b, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag is opgenomen voor de afgifte met het oog op verwijdering van asbestafval dat is vrijgekomen bij de sanering van asbest- daken, heeft de Belastingdienst verzocht om toegang te krijgen tot het LAVS om te kunnen controleren of terecht een beroep op de vrijstelling wordt gedaan. Daarop is de Belastingdienst toegevoegd aan de in artikel 13, eerste lid, onder a, Avb 2005 opgenomen instanties, eveneens om de redenen die worden genoemd artikel 6, eerste lid, onder c en e, AVG (zie paragraaf 5 van het algemeen deel).