Contact Service
7 Inhoud van het besluit, installaties
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


7 Inhoud van het besluit, installaties

7.1Algemeen

In hoofdstuk 6 zijn de voorschriften inzake installaties opgenomen. Deze voorschriften waren tot nu toe verspreid over het Bouwbesluit 2003, de Regeling Bouwbesluit 2003, het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken en de gemeentelijke bouwverordeningen. Voor zover zij in het Bouwbesluit 2003 of Regeling Bouwbesluit 2003 waren opgenomen, was er al sprake van een functionele eis met een uitwerking in prestatievoorschriften. In het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken en de gemeentelijke bouwverordeningen was overwegend sprake van prestatie-eisen of van functionele eisen zonder een uitwerking in prestatievoorschriften. Nu deze voorschriften zijn samengevoegd, is bij alle onderwerpen van hoofdstuk 6 een functionele eis met een uitwerking in prestatievoorschriften opgenomen. Dit is ook van belang voor het beoordelen van een beroep op gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 1.3.

Hieronder zijn de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de regelgeving die van toepassing was voor de invoering van dit besluit opgenomen.

7.2Elektriciteits-, gas- en drinkwatervoorziening

Tot nu toe bevatten de voorschriften bij een aantal gebruiksfuncties de verplichting om een elektriciteits-, gas- en/of watervoorziening aan te leggen. Die verplichtingen zijn in dit besluit vervallen. Voortaan is alleen bepaald dat indien een bouwwerk een dergelijke voorziening heeft, die voorziening veilig of gezond moet zijn.

7.3Verlichting

Voorheen moest de verlichtingssterkte van een verlichtingsinstallatie in bepaalde ruimten ten minste 10 lux (nieuwbouw) respectievelijk 1 lux (bestaande bouw) te zijn. In dit besluit zijn zowel voor nieuwbouw als bestaande bouw grenswaarden voor een verlichtingssterkte opgenomen van ten minste 1 lux. Daarbij is ervan uitgegaan dat een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux in alle gevallen voldoende is om een bouwwerk veilig te kunnen verlaten.

7.4Noodstroomvoorziening

Voorheen bestond ten aanzien van verblijfsruimten voor meer dan 115 personen (nieuwbouw) respectievelijk 120 personen (bestaande bouw) de verplichting tot aansluiting van de in die ruimte aanwezige verlichtingsinstallatie op een voorziening voor noodstroom. In overleg met de brandweer is in dit besluit een algemene ondergrens van 75 personen voor opgenomen. In hoofdstuk 9 van dit besluit is een overgangsregeling opgenomen voor al bestaande verblijfsruimten voor meer dan 75 personen. Op grond daarvan blijft op dergelijke ruimten de voorheen voor die ruimte geldende grenswaarde van toepassing.

7.5Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater

De voorschriften over afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater zijn afgestemd met de voorschriften over lozingen van huishoudelijk afvalwater en afvloeiend hemelwater die in het verlengde van de EU-richtlijn Stedelijk afvalwater in de milieuregelgeving zijn opgenomen. Die afstemming betekent onder meer dat de milieuregelgeving voorschrijft wat hoe geloosd mag of moet worden en dat dit besluit de fysiek-technische consequenties regelt van de aansluiting op het openbaar vuilwaterriool respectievelijk het openbaar hemelwaterstelsel.

7.6Brandmeldinstallatie

De voorschriften over de brandmeldinstallatie zijn aangepast naar aanleiding van het rapport van een werkgroep «brandmeldinstallatie» Naast enkele andere wijzigingen in grenswaarden in de bij die voorschriften behorende tabel is de belangrijkste wijziging dat het aantal gevallen waarin een brandmeldinstallatie rechtstreeks moet doormelden naar de regionale alarmcentrale van de brandweer (RAC) fors is teruggebracht. Ook zijn de voorschriften ten aanzien van zogenoemde «doodlopende einden» in verkeersruimten met slechts één vluchtroute verduidelijkt.

7.7Ontruimingsalarminstallatie

Aan de voorschriften over de ontruimingsalarminstallatie kan in de bij dit besluit behorende ministeriële regeling ter verduidelijking een voorschrift over het vereiste type installatie worden toegevoegd.

7.8Droge blusleidingen

Tot nu toe waren droge blusleidingen alleen voorgeschreven bij gebouwen met een vloer hoger dan 20 m (verticale blusleidingen). In de ministeriële regeling bij dit besluit kunnen voortaan voorschriften worden gegeven voor zulke leidingen in diepe gebouwen (horizontale blusleidingen). Ook in dergelijke gebouwen kan zo’n blusleiding namelijk nodig zijn om een brand te kunnen bestrijden.

7.9Bluswatervoorziening

Naar aanleiding van onderzoek over de vraag welke elementen van de zogenoemde brandbeveiligingsconcepten van het ministerie van BZK zich lenen voor opname in de regelgeving is aan de bestaande voorschriften over de bluswatervoorziening een voorschrift toegevoegd over de ten hoogst toegestane afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang.

7.10Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

Aan de voor de invoering van dit besluit bestaande voorschriften over opstelplaatsen voor brandweervoertuigen is een voorschrift toegevoegd over de ten hoogst toegestane afstand tussen die opstelplaats en een brandweeringang.

7.11Brandweeringang

Tot de invoering van dit besluit was de verplichting om een brandweeringang te hebben gekoppeld aan de verplichting om een brandmeldinstallatie met rechtstreekse doormelding naar de RAC te hebben. Met het oog op het terugbrengen van het aantal gevallen waarin een brandmeldinstallatie naar de RAC moet doormelden, is die koppeling in dit besluit niet voortgezet. In verband daarmee is in dit besluit de verplichting om een brandweeringang te hebben gekoppeld aan de aard, de ligging respectievelijk het gebruik van het bouwwerk.

7.12Veilig onderhoud gebouwen

Conform toezegging aan de Tweede Kamer zijn in dit besluit voorschriften opgenomen over het veilig onderhoud van nieuw te bouwen gebouwen. Op grond daarvan moet de aanvrager van een vergunning voor het bouwen voldoende aannemelijk moeten maken dat regulier gebouwonderhoud veilig kan worden uitgevoerd. Zo nodig kunnen daarvoor in het bouwplan gebouwgebonden oplossingen worden opgenomen, zoals een glazenwasinstallatie.

7.13Kamergewijze verhuur

Uitgangspunt bij de nieuwe voorschriften voor kamergewijze verhuur is dat bij brand sprake moet zijn van tijdige alarmering van de bewoners. Tot de invoering van dit besluit was het in bepaalde gevallen verplicht een brandmeldinstallatie te hebben, soms aangevuld met doorgekoppelde rookmelders. In de voorschriften van dit besluit is voor kamergewijze verhuur de algemene verplichting opgenomen tot het hebben van rookmelders (zoals die verplichting ook geldt voor een te bouwen woonfunctie), aangevuld met rookmelders in iedere verblijfsruimte. Hierbij is de koppeling van een brandmeldinstallatie aan brandcompartimentering, een tweede vluchtweg en de hoogteligging komen te vervallen. In combinatie met de aanpassing van de definitie van kamergewijze verhuur leidt deze aanpassing tot een aanzienlijke vereenvoudiging van de voorschriften bij een gelijkblijvend veiligheidsniveau.

Zie voor de overige wijzigingen de artikelsgewijze toelichting op hoofdstuk 6.