Contact Service
6.7 Cel en andere ruimte voor het insluiten va ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


6.7 Cel en andere ruimte voor het insluiten van personen

Het Bouwbesluit 2003 kende alleen de celfunctie en het cellengebouw. In dit besluit wordt behalve de celfunctie de cel gedefinieerd. Hiernaast is er bij sommige voorschriften sprake van (andere) ruimten voor het insluiten van personen. Deze laatste ruimten zijn ruimten die geen cel zijn en dus ook niet in de celfunctie liggen. Dergelijke ruimten behoeven ook niet aan de voorschriften voor de cel of de celfunctie te voldoen. Met het aanbrengen van dit onderscheid tussen de cel en andere ruimten voor het insluiten van personen wordt duidelijk aan welke eisen andere ruimten waarin personen tegen hun wil worden vasthouden, moeten voldoen. Zie voor een toelichting op de begrippen «cel» en «celfunctie» de toelichting op artikel 1.1.

Gelijkwaardige brandveiligheid bij andere (verblijfs)ruimten voor het insluiten van personen

Behalve de cel kent de praktijk dus ook andere (verblijfs)ruimten voor het insluiten van personen. Dergelijke ruimten komen voor in politiebureaus, gerechtsgebouwen, spoorwegstations, vliegvelden en gezondheidszorggebouwen en worden aangeduid als observatieruimte, passantenruimte, ophoudruimte, verhoorruimte, wachtruimte of isoleerruimte. Zo’n ruimte kan bijvoorbeeld ook een sportzaal, een onderwijsruimte of een winkelruimte in een gevangenis of een woning voor geestelijk gehandicapten of een extra beveiligde winkelruimte van een juwelier zijn.

Zo’n ruimte voor het insluiten van personen is geen cel als bedoeld in dit besluit maar een reguliere verblijfsruimte die veelal met een beperkt aantal andere verblijfsruimten in een subbrandcompartiment ligt, waarbij tussen de ruimten onderling geen brandwerende scheidingsconstructie op het niveau van een subbrandcompartiment aanwezig is. Zoals bij elke andere verblijfsruimte zou bij brand de deur door de aanwezige personen zelf onmiddellijk moeten kunnen worden geopend. Dit is niet het geval. Daarom moet de inrichting, het gebruik en de organisatie van de ruimte zodanig zijn dat het beoogde brandveiligheid niveau is gewaarborgd (zie artikel 7.12). Dit betekent onder andere dat de inrichting sober en nagenoeg onbrandbaar moet zijn en dat er niet mag worden gerookt.

Een ander voorbeeld van een voorschrift waar de ruimte voor het insluiten van personen een rol speelt is artikel 6.25, zesde lid, dat eisen stelt aan een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen. Voor zover in dit besluit geen specifieke eisen aan de ruimte voor het insluiten van personen worden gesteld, gelden voor een dergelijke ruimte de gewone voorschriften voor een verblijfsruimte van de desbetreffende gebruiksfunctie.

Wat betreft brandveiligheid mag het niet uitmaken waar iemand verblijft. Bij de bouwvoorschriften geldt het uitgangspunt dat men elke ruimte bij brand even veilig moet kunnen ontvluchten. Voor een cel gelden daarbij bijzondere bouwtechnische eisen. Deze zijn niet van toepassing op een gewone verblijfsruimte waarin personen worden ingesloten. Bij een verblijfruimte, niet zijnde een cel, waar personen ingesloten kunnen worden, moet daarom worden gekozen voor een oplossing die een gelijkwaardige veiligheid biedt bij brand.

Het bevoegd gezag beoordeelt de door de vergunningaanvrager, gebruiker of gebouweigenaar voorgenomen maatregel(en) voor die andere ruimte voor het insluiten van personen op gelijkwaardige brandveiligheid ten opzichte van elke andere reguliere verblijfsruimte. Advies hierover kan zo nodig worden ingewonnen bij de Adviescommissie Praktijktoepassing Brandveiligheidsvoorschriften (www.adviescommissiebrandveiligheid.nl) ). Ook biedt deze site nadere informatie over dit onderwerp.