Contact Service
Artikel 4.35.
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Artikel 4.35.

Dit artikel regelt of een gebruiksfunctie een of meer toiletruimten moet omvatten.

Voor de bepaling van het aantal vereiste toiletruimten bevat dit artikel drie methoden, die elk van toepassing zijn op een aantal gebruiksfuncties.

De methode in het eerste lid verwijst naar het minimum aantal toiletruimten, dat de tabel per gebruiksfunctie aangeeft. Een voorbeeld zijn de ten minste twee toiletruimten die cafés en winkels moeten hebben. Dit vereiste, dat ook voor een aantal andere gebruiksfuncties geldt, is gesteld met het oog op gescheiden gebruik door beide seksen. Uit dit voorschrift vloeit voort dat het tot de verantwoordelijkheid van de markt behoort om op de juiste plaatsen in voldoende mate in een bijvoorbeeld een bijeenkomstfunctie voor toiletruimten zorg te dragen. Voor winkelfuncties speelt daarbij mee dat het aantal toiletruimten alleen is bedoeld voor het winkelpersoneel. Dit sluit aan bij de dereguleringsgedachte van meer markt en minder overheid. Daarbij zal men rekening houden met het gebruikscomfort dat men aan het aantal te verwachten gasten wil bieden. Het minimum voorgeschreven aantal toiletruimten is in elk geval voldoende voor het personeel dat in de bijeenkomstfunctie werkzaam is.

In het tweede lid, is een maximum gesteld aan de hoeveelheid gebruiksoppervlakte die op een toiletruimte mag zijn aangewezen, met een minimum van één toiletruimte voor de desbetreffende gebruiksfunctie. Het gaat hierbij om grotere woonfuncties, zoals tehuizen en grotere logiesfuncties als bijvoorbeeld kampeerboerderijen. Door het aantal toiletten te bepalen aan de hand van de gebruiksoppervlakte wordt een zekere mate van evenredigheid bereikt tussen het te verwachten aantal bewoners en het aantal toiletruimten. Het resultaat van de berekening moet naar boven worden afgerond tot een geheel getal.

De derde methode staat in het vierde lid en houdt eveneens een maximum in voor de hoeveelheid gebruiksoppervlakte die op een toiletruimte mag zijn aangewezen. Het verschil met de tweede methode is dat de hoeveelheid gebruiksoppervlakte voor elke betrokken soort gebruiksfunctie in de tabel is aangegeven in relatie met bezettingsgraadklassen. Voor de betrokken gebruiksfuncties is het minimum aantal toiletruimten twee. Een voorbeeld van zo’n gebruiksfunctie is een kantoor, dat bij bezettingsgraadklasse B4 op elke 360 m² gebruiksoppervlakte een toiletruimte moeten hebben, maar waarvoor ook bij een gebruiksoppervlakte van bijvoorbeeld slechts 100 m² het minimum van twee toiletruimten geldt. Het resultaat van de berekening moet naar boven worden afgerond tot een geheel getal.

Voor een celfunctie voor langdurig dag- en nachtverblijf en een gezondheidszorgfunctie is feitelijk geen sprake van een relatie met het aantal gebruikers van die functie, omdat ongeacht de klasse van de bezettingsgraad de toelaatbare gebruiksoppervlakte per toiletruimte gelijk is. Voor een winkelfunctie moet niet gebruik worden gemaakt van de klasse van de bezettingsgraad zoals in de rest van het besluit is gebruikt, maar van de klasse die uitsluitend rekening houdt met het aantal werkzame personen. Het wordt tot de verantwoordelijkheid van de markt gerekend om op de juiste plaatsen in voldoende mate voor toiletruimten voor het winkelend publiek zorg te dragen. Dit sluit aan bij de dereguleringsgedachte van meer markt en minder overheid. Daarbij zal men rekening houden met het gebruikscomfort dat men aan het aantal te verwachten bezoekers wil bieden.

Voor een industriefunctie kan de gekozen benadering tot een relatief groot aantal toiletruimten leiden vergeleken met de tot dusverre bestaande praktijk. Met toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel (paragraaf 1.3) kan worden bereikt dat weer het normale aantal toiletruimten behoeft te worden gerealiseerd.

Het minimum aantal van twee toiletruimten behoeft op grond van het vijfde lid niet altijd te worden gemaakt. Gebouwen, waarin in de regel slechts een beperkt aantal personen aanwezig zullen zijn, behoeven slechts één toiletruimte te hebben. Dit beperkte aantal personen is tot uitdrukking gebracht in de maximum gebruiksoppervlakte van het gebouw. Deze oppervlakte is zo gekozen dat in de regel niet meer dan tien personen van zo'n gebouw gebruik zullen maken.

Een toiletruimte kan binnen het niet-gemeenschappelijke gedeelte van de gebruiksfunctie liggen, maar ook in het gemeenschappelijke gedeelte. De toiletruimte wordt dan gebruikt door een individuele gebruiksfunctie, zoals een woning, of door twee of meer gebruiksfuncties. Zo kunnen op grond van het derde lid kleine woningen in een woongebouw een gemeenschappelijke toiletruimte hebben. Hierbij is een maximum gesteld aan de daarop aangewezen gebruiksoppervlakte om te voorkomen dat te veel mensen die toiletruimte moeten delen. Het derde lid regelt verder dat bij woonfuncties van een gemeenschappelijke toiletruimte geen andere gebruiksfuncties gebruik mogen maken dan uitsluitend woonfuncties. Voor een logiesfunctie geldt een vergelijkbare regeling. Met de introductie van het Bouwbesluit 2003 is het begrip “complex” vervallen. Echter het derde lid staat toe dat op een vakantiepark toiletruimten voor gemeenschappelijk gebruik in een zogeheten sanitaire unit worden gesitueerd tezamen met de wasgelegenheid en douches.

Krachtens het zesde lid kunnen toiletruimten van de meeste gebruiksfuncties die niet tot bewoning zijn bestemd, gemeenschappelijk zijn. Dit wil zeggen, dat op zo’n toiletruimte twee of meer gebruiksfuncties in hetzelfde gebouw kunnen zijn aangewezen.

In afdeling 4.8 (badruimten) is geregeld, dat het combineren van een toiletruimte met een badruimte is toegestaan.

Bedacht moet worden dat, hoewel het Bouwbesluit 2003 dit niet regelt, in een cel waarin kortdurend verblijf plaatsvindt, zoals in een politiecellencomplex, op grond van de Regeling politiecellencomplex een toiletpot aanwezig moet zijn. Dit voorschrift zal naast het Bouwbesluit 2003 in acht moeten worden genomen.