Contact Service
§ 4.7.1. Nieuwbouw
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


§ 4.7.1. Nieuwbouw

Artikel 4.34.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor toiletruimten.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.35 bepaalt in welke situatie er één of meer toiletruimten aanwezig moeten zijn en bevat eisen omtrent het aantal daarvan (aanwezigheid);  
2.artikel 4.36 heeft dezelfde strekking als artikel 4.35, maar betreft toiletten die mede toegankelijk zijn voor mensen met een functiebeperking (rolstoelgebruikers) (integraal toegankelijk);  
3.artikel 4.37 bevat eisen aan de bereikbaarheid van toiletruimten (bereikbaarheid);  
4.artikel 4.38 bepaalt wat voor afmetingen en oppervlakte toiletruimten moeten hebben (afmetingen), en  
5.artikel 4.39 vereist dat toiletruimten afsluitbaar moeten zijn (afsluitbaarheid).

Voor de lichte industriefunctie, ‘andere celfunctie’, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Voor de situatie dat een gebouw twee of meer gebruiksfuncties bevat en de toiletruimten gemeenschappelijk worden gebruikt, bevat het Bouwbesluit 2003 geen voorschriften. Om toch het benodigde minimum aantal toiletruimten voor die veelvoorkomende situaties te bepalen zijn de achtergronden van de voorschriften van belang. Daarbij spelen de rekenwaarden van de klasse van de bezettingsgraad, zoals neergelegd in het algemeen deel van deze toelichting een rol. Op grond van de arbovoorschriften zoals deze tot 1997 hebben geluid, is uitgegaan van één toiletruimte per 20 werknemers, met een minimum van twee. Het vereiste van ten minste twee toiletruimten vloeit voort uit de uit het oogpunt van arbeidsomstandigheden en integratie van de vrouw in het arbeidsproces noodzakelijke scheiding van toiletten naar seksen. Wanneer echter niet meer dan 10 personen in een gebouw werkzaam zijn mag met 1 toiletruimte worden volstaan.

Met deze kennis gewapend kan het volgende worden afgeleid:

Het noodzakelijk aantal gemeenschappelijke toiletruimten voor niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties is:

Afbeelding

waarin:

GO Bn is de getalswaarde van de gebruiksoppervlakte in m² die op een toiletruimte is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.
60, 150, 360 en 900 zijn de getalswaarden, afhankelijk van de klasse van de bezettingsgraad, voor het bepalen van het aantal toiletruimten, gebaseerd op maximaal 20 personen aangewezen op één toiletruimte.

Bij een combinatiegebouw met een bijeenkomstfunctie, niet zijnde voor het aanschouwen van sport, blijft de gebruiksoppervlakte van die functie buiten beschouwing, maar wordt het aantal toiletruimten daarna met 2 verhoogd. Hierbij geldt dat het aantal gemeenschappelijke toiletruimten minimaal 2 moet zijn (ook bij B5), tenzij aan de volgende formule is voldaan (geldt niet voor bijeenkomstfunctie anders dan het aanschouwen van sport):

Afbeelding

waarin:

GO Bn is de getalswaarde van de gebruiksoppervlakte in m² die op een toiletruimte is aangewezen bij een bezettingsgraad B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5, m.u.v. een winkelfunctie, sportfunctie, celfunctie voor langdurig dag- en nachtverblijf, voor een gezondheidszorgfunctie en voor een logiesfunctie, gelegen in een logiesgebouw
GO winkel is de gebruiksoppervlakte van een winkelfunctie, onafhankelijke van een klasse van de bezettingsgraad
GO sport is de gebruiksoppervlakte van een sportfunctie, onafhankelijk van de klasse van de bezettingsgraad
GO cel;lang is de gebruiksoppervlakte van een celfunctie voor langdurig dag- en nachtverblijf, onafhankelijk van de klasse van de bezettingsgraad
GO gezondheidszorg is de gebruiksoppervlakte van een gezondheidszorggebouw, onafhankelijk van de klasse van de bezettingsgraad

Artikel 4.35.

Dit artikel regelt of een gebruiksfunctie een of meer toiletruimten moet omvatten.

Voor de bepaling van het aantal vereiste toiletruimten bevat dit artikel drie methoden, die elk van toepassing zijn op een aantal gebruiksfuncties.

De methode in het eerste lid verwijst naar het minimum aantal toiletruimten, dat de tabel per gebruiksfunctie aangeeft. Een voorbeeld zijn de ten minste twee toiletruimten die cafés en winkels moeten hebben. Dit vereiste, dat ook voor een aantal andere gebruiksfuncties geldt, is gesteld met het oog op gescheiden gebruik door beide seksen. Uit dit voorschrift vloeit voort dat het tot de verantwoordelijkheid van de markt behoort om op de juiste plaatsen in voldoende mate in een bijvoorbeeld een bijeenkomstfunctie voor toiletruimten zorg te dragen. Voor winkelfuncties speelt daarbij mee dat het aantal toiletruimten alleen is bedoeld voor het winkelpersoneel. Dit sluit aan bij de dereguleringsgedachte van meer markt en minder overheid. Daarbij zal men rekening houden met het gebruikscomfort dat men aan het aantal te verwachten gasten wil bieden. Het minimum voorgeschreven aantal toiletruimten is in elk geval voldoende voor het personeel dat in de bijeenkomstfunctie werkzaam is.

In het tweede lid, is een maximum gesteld aan de hoeveelheid gebruiksoppervlakte die op een toiletruimte mag zijn aangewezen, met een minimum van één toiletruimte voor de desbetreffende gebruiksfunctie. Het gaat hierbij om grotere woonfuncties, zoals tehuizen en grotere logiesfuncties als bijvoorbeeld kampeerboerderijen. Door het aantal toiletten te bepalen aan de hand van de gebruiksoppervlakte wordt een zekere mate van evenredigheid bereikt tussen het te verwachten aantal bewoners en het aantal toiletruimten. Het resultaat van de berekening moet naar boven worden afgerond tot een geheel getal.

De derde methode staat in het vierde lid en houdt eveneens een maximum in voor de hoeveelheid gebruiksoppervlakte die op een toiletruimte mag zijn aangewezen. Het verschil met de tweede methode is dat de hoeveelheid gebruiksoppervlakte voor elke betrokken soort gebruiksfunctie in de tabel is aangegeven in relatie met bezettingsgraadklassen. Voor de betrokken gebruiksfuncties is het minimum aantal toiletruimten twee. Een voorbeeld van zo’n gebruiksfunctie is een kantoor, dat bij bezettingsgraadklasse B4 op elke 360 m² gebruiksoppervlakte een toiletruimte moeten hebben, maar waarvoor ook bij een gebruiksoppervlakte van bijvoorbeeld slechts 100 m² het minimum van twee toiletruimten geldt. Het resultaat van de berekening moet naar boven worden afgerond tot een geheel getal.

Voor een celfunctie voor langdurig dag- en nachtverblijf en een gezondheidszorgfunctie is feitelijk geen sprake van een relatie met het aantal gebruikers van die functie, omdat ongeacht de klasse van de bezettingsgraad de toelaatbare gebruiksoppervlakte per toiletruimte gelijk is. Voor een winkelfunctie moet niet gebruik worden gemaakt van de klasse van de bezettingsgraad zoals in de rest van het besluit is gebruikt, maar van de klasse die uitsluitend rekening houdt met het aantal werkzame personen. Het wordt tot de verantwoordelijkheid van de markt gerekend om op de juiste plaatsen in voldoende mate voor toiletruimten voor het winkelend publiek zorg te dragen. Dit sluit aan bij de dereguleringsgedachte van meer markt en minder overheid. Daarbij zal men rekening houden met het gebruikscomfort dat men aan het aantal te verwachten bezoekers wil bieden.

Voor een industriefunctie kan de gekozen benadering tot een relatief groot aantal toiletruimten leiden vergeleken met de tot dusverre bestaande praktijk. Met toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel (paragraaf 1.3) kan worden bereikt dat weer het normale aantal toiletruimten behoeft te worden gerealiseerd.

Het minimum aantal van twee toiletruimten behoeft op grond van het vijfde lid niet altijd te worden gemaakt. Gebouwen, waarin in de regel slechts een beperkt aantal personen aanwezig zullen zijn, behoeven slechts één toiletruimte te hebben. Dit beperkte aantal personen is tot uitdrukking gebracht in de maximum gebruiksoppervlakte van het gebouw. Deze oppervlakte is zo gekozen dat in de regel niet meer dan tien personen van zo'n gebouw gebruik zullen maken.

Een toiletruimte kan binnen het niet-gemeenschappelijke gedeelte van de gebruiksfunctie liggen, maar ook in het gemeenschappelijke gedeelte. De toiletruimte wordt dan gebruikt door een individuele gebruiksfunctie, zoals een woning, of door twee of meer gebruiksfuncties. Zo kunnen op grond van het derde lid kleine woningen in een woongebouw een gemeenschappelijke toiletruimte hebben. Hierbij is een maximum gesteld aan de daarop aangewezen gebruiksoppervlakte om te voorkomen dat te veel mensen die toiletruimte moeten delen. Het derde lid regelt verder dat bij woonfuncties van een gemeenschappelijke toiletruimte geen andere gebruiksfuncties gebruik mogen maken dan uitsluitend woonfuncties. Voor een logiesfunctie geldt een vergelijkbare regeling. Met de introductie van het Bouwbesluit 2003 is het begrip “complex” vervallen. Echter het derde lid staat toe dat op een vakantiepark toiletruimten voor gemeenschappelijk gebruik in een zogeheten sanitaire unit worden gesitueerd tezamen met de wasgelegenheid en douches.

Krachtens het zesde lid kunnen toiletruimten van de meeste gebruiksfuncties die niet tot bewoning zijn bestemd, gemeenschappelijk zijn. Dit wil zeggen, dat op zo’n toiletruimte twee of meer gebruiksfuncties in hetzelfde gebouw kunnen zijn aangewezen.

In afdeling 4.8 (badruimten) is geregeld, dat het combineren van een toiletruimte met een badruimte is toegestaan.

Bedacht moet worden dat, hoewel het Bouwbesluit 2003 dit niet regelt, in een cel waarin kortdurend verblijf plaatsvindt, zoals in een politiecellencomplex, op grond van de Regeling politiecellencomplex een toiletpot aanwezig moet zijn. Dit voorschrift zal naast het Bouwbesluit 2003 in acht moeten worden genomen.

Artikel 4.36.

Met dit artikel wordt beoogd te waarborgen dat een of meer van de in een gebruiksfunctie aanwezige toiletruimten zo zijn ingericht dat een persoon met een functiebeperking daarvan gebruik kan maken. Dit voorschrift is een nadere uitwerking van het beleid inzake duurzaam bouwen en het verder integreren van mensen met een functiebeperking in de samenleving ((Brief Tommel aan de TK, vergaderjaar 1997-1998, 24280, nr. 16). Deze zogenoemde integraal toegankelijke toiletruimten mogen worden meegerekend bij het bepalen van het op grond van het voorgaande artikel vereiste aantal toiletruimten.

Het eerste en het tweede lid bevatten een regeling voor een aantal specifieke woonfuncties. Het gaat hierbij met name om zogeheten megawoningen (tehuizen) en woongebouwen waarbij binnen de woning niet een eigen toiletruimte aanwezig is. Deze laatste situatie ziet er met name op toe dat bezoekers met een functiebeperking binnen het woongebouw van een toiletruimte gebruik kunnen maken.

Voortvloeiende uit hun bijzonder maatschappelijke functie bepaalt het derde lid dat een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik (horecagelegenheid) met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m² ten minste een integraal toegankelijk toilet moet hebben.

Het vierde en het vijfde lid bevatten een eis aan het aantal integraal toegankelijke toiletruimten die is gebaseerd op de uitkomst van de berekening van het aantal toiletten volgens het vierde lid van artikel 4.35. Die uitkomst dient voor de onderwijsfunctie gedeeld te worden door 35 en voor de overige betrokken gebruiksfuncties door tien. Het resultaat moet naar boven worden afgerond tot een geheel getal, dat dan de ondergrens vormt voor het aantal te realiseren integraal toegankelijke toiletruimten. De onderstaande tabel bevat enkele voorbeelden van deze berekeningswijze.

Tabel rekenvoorbeelden aantal integraal toegankelijke toiletten

gebruiksfunctie gebruiksoppervlakte in m² opgegeven bezettingsgraadklasse aantal toiletten volgens art. 4.35 lid 4 en lid 5 uitkomst volgens art. 4.36 delen door: uitkomst na afronding aantal integraal toeg. toiletten volgens art. 4.36
10 (lid 4) 35 (lid 5)
Andere industriefunctie 5800 B3 38,6 = 391 3,86 4 4
Kantoorfunctie 5300 B4 14,72 = 15 1,472 2 2
Onderwijsfunctie 500 B2 8,33 = 9 0,238 1 1
Winkelfunctie 380 B52 1 n.v.t. 0

1 Dit aantal is met toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel en de uitgangspunten per 20 werknemers 1 toiletruimte met een minimum van 2 en tot 10 werknemers slechts 1 toiletruimte terug te brengen tot gangbare proporties.

2 Uitsluitend afgestemd op het personeel.

In het voorbeeld van de winkelfunctie is er geen integraal toegankelijke toiletruimte vereist, omdat de totale gebruiksoppervlakte van de betrokken gebruiksfunctie kleiner is dan 400 m².

Met het zesde lid, in samenhang met artikel 4.38, derde lid (afmetingen), is geregeld dat een ‘andere bijeenkomstfunctie’ van bepaalde omvang een integraal toegankelijke toiletruimte moet hebben. Daarmee is voor deze gebruiksfunctie invulling gegeven aan het besluit van de ministerraad van 17 april 1998 omtrent de wenselijkheid van integrale toegankelijkheid van utiliteitsgebouwen.

Artikel 4.37.

De strekking van dit artikel is tweeledig. Allereerst waarborgt het dat de toiletruimte binnen de woning of het woongebouw bereikbaar is zonder dat bewoners op weg naar het toilet worden blootgesteld aan weer en wind. Dit betekent voor een woonfunctie dat de toiletruimte binnen de woning ligt. Indien “de woning” de toiletruimte elders in het woongebouw heeft, dan mag de toiletruimte uitsluitend bereikbaar zijn via een besloten gemeenschappelijke verkeersroute.

In de tweede plaats is dit artikel erop gericht dat gemeenschappelijke toiletruimten binnen redelijke tijd vanuit “de woning” te bereiken zijn. Hiertoe zijn er eisen gesteld aan verschillen in hoogteligging en afstand tussen deze toiletruimten en de erop aangewezen woningen. Het voorschrift van het vierde lid betekent feitelijk dat een gemeenschappelijke toiletruimte op dezelfde verdieping moet liggen als de daarop aangewezen woningen, dan wel één verdieping hoger of lager.

Op grond van het derde lid mag de toiletruimte van een woonwagen ook buiten de wagen op de standplaats liggen, bijvoorbeeld in een voorzieningengebouw.

Voor utiliteitsgebouwen is er in dit opzicht geen eis gesteld, zodat de toiletruimte van bijvoorbeeld een fabriek in een bijgebouw mag liggen. Het artikel is evenmin van toepassing op de logiesfunctie gelegen op een zogenaamd complex; een toiletruimte voor een zomerhuisje op een complex mag daarom ook buiten dat huisje liggen, bijvoorbeeld in een toiletgebouw.

Het zevende lid, inhoudende dat de toiletruimte niet rechtstreeks vanuit een verblijfsruimte toegankelijk mag zijn, is van toepassing op alle bijeenkomstfuncties voorzover niet bedoeld voor het aanschouwen van sport. Deze eis vindt zijn oorsprong in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Het is echter niet een geheel correcte vertaling van dat voorschrift. Het is niet de bedoeling dat via eenzelfde voorruimte de naar sekse gescheiden toiletruimten worden bereikt. Het besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet spreekt van toiletgelegenheden waarbinnen toiletruimten zijn gesitueerd. Er moeten twee volledig naar sekse gescheiden toiletgelegenheden zijn.

Artikel 4.38.

Elke toiletruimte moet, blijkens het eerste lid, bepaalde minimum afmetingen hebben. Deze afmetingen zijn zodanig, dat na plaatsing van de toiletpot met waterspoelinrichting voldoende gebruiksruimte resteert. Het voorschrift voorziet in zodanige afmetingen van de toiletruimte dat een rolstoelgebruiker, al dan niet met hulp van een derde, gebruik kan maken van die toiletruimte. Wat de plaats van de deur van de toiletruimte betreft, ligt het in de rede dat deze uit het oogpunt van toegankelijkheid voor een rolstoelgebruiker wordt geplaatst in de lange zijde van de toiletruimte, zoals ook is aangegeven in het Handboek voor toegankelijkheid. Het Bouwbesluit 2003 dwingt daar echter niet toe.

De afmetingen van de toiletruimte zijn zodanig dat in de utiliteitsbouw tot dusverre gebruikelijke groepen met toiletcabines niet langer mogelijk zijn. Dat is een gevolg van bewust beleid om mensen met een functiebeperking meer te integreren in de normale samenleving. De afmetingen van de cabines zullen voortaan groter moeten zijn.

De afmetingen van een toiletruimte voor een woonwagen, zoals vereist in het tweede lid, zijn niet zonder meer geschikt om door mensen met een functiebeperking met hulp van derden te kunnen worden gebruikt. Bij het Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake toegankelijkheid van woningen en woongebouwen (Stb. 1997, 34, inclusief verbeterblad, is destijds voor een woonwagen het aanpassen van het voorschrift als te ingrijpend beoordeeld.

De afmetingen die het derde lid vereist, zijn afkomstig uit het ‘Handboek voor Toegankelijkheid’ van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad (thans Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland), 5e druk 2003 uitgegeven door Reed Business Information. Een integraal toegankelijke toiletruimte dient namelijk zodanige afmetingen te hebben, dat mensen met een functiebeperking daarvan zelfstandig of met beperkte hulp gebruik kunnen maken. De afmetingen van deze ruimte zijn ten opzichte van het oude Bouwbesluit verkleind. Er was oorspronkelijk uitgegaan van een tweezijdig benaderbare toiletpot. Achteraf gezien wordt als minimum voorschrift een eenzijdig benaderbare toiletpot toereikend gevonden.

De minimum plafondhoogte van toiletruimten in gebruiksfuncties is, zoals blijkt uit het vierde lid, gelijk aan de hoogte van vrije doorgangen in die functie (artikel 4.11) aangescherpt van 2,1 m tot 2,3 m.

Artikel 4.39.

Het afsluitbaar zijn van een toiletruimte in het eerste lid betekent dat de ruimte voorzien moet zijn van een deur die de toiletruimte volledig afscheidt van een aangrenzende ruimte. Het is niet vereist is dat de deur op slot kan worden gedaan. Het voorschrift geldt niet voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. Voor een onderwijsfunctie geldt deze uitzondering niet zodat er geen gelijkschakeling is tussen naschoolse opvang en de reguliere kinderopvang.

Met deze eis wordt tevens uitgesloten dat de toiletruimte wordt gecombineerd met een andere ruimte. Een combinatie met de badruimte is daarentegen wel toegestaan in artikel 4.35.

Het voorschrift impliceert dat behoudens de deur ook de wanden van een toiletruimte geheel van vloer tot plafond doorlopen. Voor groepen van toiletcabines waarbij de toiletruimten niet geheel afsluitbaar zijn (de wanden lopen niet door tot de vloer en het plafond) zal toepassing moeten worden gegeven aan het gelijkwaardigheidsbeginsel.

In tegenstelling tot hetgeen algemeen geldt, behoeft een deur van toiletruimte van een celfunctie niet tot op de grond door te lopen en aan de bovenzijde aan te sluiten op de bovendorpel van het kozijn. Hiermee is gewaarborgd dat een bewaarder ook in een toiletruimte voldoende toezicht kan uitoefenen op het doen en laten van een gedetineerde.

Omdat het in een kinderdagverblijf niet altijd wenselijk is alle toiletruimten van een deur te voorzien, is in het tweede lid geregeld dat ten behoeve van leiding, bezoekers en oudere kinderen een afsluitbare toiletruimte beschikbaar moet zijn. Dit voorschrift had beter achterwege kunnen blijven wegens het motief van de noodzaak van een deur. Er zijn sloten in de handel waarmee een toiletdeur gemakkelijk van de buitenkant kan worden geopend.