Contact Service
Artikel 4.21.
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Artikel 4.21.

Om de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten te kunnen verrichten, is het noodzakelijk dat er in een gebruiksfunctie voldoende aantal vierkante meters gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied aanwezig is. Het eerste lid bevat een eis terzake die ook van toepassing is op een overige gebruiksfunctie. Elk van de gebruiksfuncties dient over het vereiste percentage aan verblijfsgebied te beschikken. In beginsel ligt dit verblijfsgebied binnen het niet gemeenschappelijk gedeelte van de gebruiksfunctie. Slechts bij een woonfunctie is het toegestaan een gedeelte van het verblijfsgebied als gemeenschappelijk verblijfsgebied te realiseren, doch op dat gemeenschappelijk verblijfsgebied mogen alleen groepen van niet-gemeenschappelijke ruimten van woonfuncties (oud woningen) zijn aangewezen. Een gebouw, anders dan een woongebouw, kan dus niet over gemeenschappelijk verblijfsgebied beschikken. Dit wijkt (onbedoeld) af van het Bouwbesluit zoals dat voor het Bouwbesluit 2003 heeft gegolden. Destijds was het percentage aan verblijfsgebied gesteld voor het gehele gebouw, zodat bijvoorbeeld in een logiesgebouw een gedeelte van het logiesgebouw ook verblijfsgebied kon bevatten dat ten dienste stond aan de verschillende logiesverblijven die in dat gebouw waren gesitueerd.

In de woonfunctie mag een verblijfsgebied niet zijn uitgeplaatst, anders dan het gemeenschappelijke verblijfsgebied. In theorie kan bij andere gebruiksfuncties een gedeelte van het verblijfsgebied zijn uitgeplaatst, doch dit uitgeplaatste gedeelte blijft niet – gemeenschappelijk.

Het vereiste percentage van 55% sluit aan op de gangbare wijze van bouwen en biedt een redelijke ontwerp-marge tussen een optimaal en een, al dan niet bewust, minder doelmatig ingedeelde gebruiksfunctie. Door dit voor alle gebruiksfuncties, met uitzondering van het bouwwerk, geen gebouw zijnde, zo te regelen hebben ook de andere aan een verblijfsgebied gerelateerde voorschriften, zoals de ventilatievoorschriften, reële betekenis.

Activiteiten die kenmerkend zijn voor het wonen zijn zitten, koken, eten en slapen. Behalve dat hiervoor 55 % van de gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied aanwezig moet zijn, stelt het tweede lid nog een minimum oppervlakte van 24 m² aan het verblijfsgebied van de woning. Uit door de Studiecommissie woontechnische bepalingen Bouwbesluit uitgevoerde onderzoeken ("Voorstellen met betrekking tot de aanpassing van de woontechnische bepalingen in het Bouwbesluit", oktober 1987, en "Praktijktoetsing van de voorstellen voor woontechnische bepalingen in het Bouwbesluit", maart 1989) is gebleken dat het kleinst mogelijke ruimtebeslag voor het door één persoon verrichten van voor het wonen kenmerkende activiteiten, zonder dat sprake is van het verrichten van die activiteiten in gemeenschappelijke ruimten, 24 m² is.

Een woonfunctie moet volgens het derde lid een verblijfsgebied bevatten met een bepaalde minimum breedte en minimum lengte. De bedoeling hiervan is dat er voldoende ruimte is voor een minimale zitgelegenheid. Hierbij is uitgegaan van een potentiële bezettingsgraad van ten hoogste twee personen, zulks op grond van onderzoek (“Woontechnische bepalingen in het Bouwbesluit”, 1988). Het besluit van 28 oktober 1998, houdende wijziging van het Bouwbesluit (afstemming fase 1 op fase 2) (Stb. 1998, 619), bevatte voor woningen groter dan 50 m² een zwaardere eis ten aanzien van deze oppervlakte voor zitgelegenheid, namelijk ten minste 3,6 m x 3,6 m. Uit een oogpunt van deregulering is die eis hier niet overgenomen, zodat nu voor alle woningen de eis van ten minste 3,3 m x 3,3 m geldt. Een naar aard gelijke eis van 35 m² geldt voor ten minste een verblijfsgebied in cafés en soortelijke horecagelegenheden. Dit laatste op grond van de afstemming van dit besluit met het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet.

Een beperkt gedeelte van het vereiste verblijfsgebied van een woonfunctie in een woongebouw mag buiten het niet-gemeenschappelijke gedeelte van de woonfunctie (woning) zijn gelegen, maar dan wel in het woongebouw. Het vierde lid maakt dit mogelijk, op voorwaarde dat het betrokken verblijfsgebied deel uitmaakt van een gemeenschappelijk verblijfsgebied dat aan meer van de woningen toebehoort, bijvoorbeeld een gezamenlijk dagverblijf. Het is zaak dat ook in zo’n situatie de meest essentiële voor het wonen kenmerkende activiteiten - zitten en slapen - binnen het hoofdgedeelte van de woning kunnen worden verricht. Daarom zijn er minimum eisen gesteld aan het in het hoofdgedeelte van de woning aanwezige verblijfsgebied. Is het verblijfsgebied van een in een woongebouw gelegen woning kleiner dan 24 m², dan moet het gemeenschappelijk verblijfsgebied waarop die woning is aangewezen ten minste 18 m² zijn. Een en ander komt overeen met de resultaten van meergenoemde onderzoeken van de Studiecommissie woontechnische bepalingen Bouwbesluit.

Het vijfde lid biedt de mogelijkheid een voorzieningengebouwtje op een standplaats, camping of sportterrein te plaatsen. Een dergelijk gebouwtje kan namelijk in de regel niet voldoen aan de eis dat ten minste 55 % van de gebruiksoppervlakte in het verblijfsgebied ligt. Per slot van rekening kan volgens artikel 1, eerste lid, een verblijfsgebied ook geen toilet-, bad- of technische ruimte bevatten. Dit zou ook moeten gelden voor een kleedgebouw. Weliswaar is kleedruimte niet genoemd in artikel 1.1, eerste lid, als zijnde niet gelegen in een verblijfsgebied, maar gelet op de geschiedenis van het Bouwbesluit (2003) ligt ook deze ruimte niet in een verblijfsgebied.