Contact Service
Afdeling 4.5. Verblijfsgebied, nieuwbouw
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Afdeling 4.5. Verblijfsgebied, nieuwbouw

Artikel 4.20.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor verblijfsgebieden.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.21 bepaalt in welke situatie er een of meer verblijfsgebieden aanwezig moeten zijn en bevat eisen omtrent de oppervlakte daarvan (aanwezigheid);  
2.artikel 4.22 stelt eisen aan de ligging en bereikbaarheid van verblijfsgebieden (plaatsbepaling);  
3.artikel 4.23 stelt eisen aan de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector (toegankelijkheid), en  
4.artikel 4.24 stelt eisen aan de afmetingen van het verblijfsgebied en aan de hoogte daarboven (afmetingen).  

Voor de ‘andere overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

De voorschriften over een verblijfsgebied voor een winkelfunctie voor het slijtersbedrijf zijn mede ontleend aan het Besluit inrichtingseisen Drank en Horecawet.

Artikel 4.21.

Om de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten te kunnen verrichten, is het noodzakelijk dat er in een gebruiksfunctie voldoende aantal vierkante meters gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied aanwezig is. Het eerste lid bevat een eis terzake die ook van toepassing is op een overige gebruiksfunctie. Elk van de gebruiksfuncties dient over het vereiste percentage aan verblijfsgebied te beschikken. In beginsel ligt dit verblijfsgebied binnen het niet gemeenschappelijk gedeelte van de gebruiksfunctie. Slechts bij een woonfunctie is het toegestaan een gedeelte van het verblijfsgebied als gemeenschappelijk verblijfsgebied te realiseren, doch op dat gemeenschappelijk verblijfsgebied mogen alleen groepen van niet-gemeenschappelijke ruimten van woonfuncties (oud woningen) zijn aangewezen. Een gebouw, anders dan een woongebouw, kan dus niet over gemeenschappelijk verblijfsgebied beschikken. Dit wijkt (onbedoeld) af van het Bouwbesluit zoals dat voor het Bouwbesluit 2003 heeft gegolden. Destijds was het percentage aan verblijfsgebied gesteld voor het gehele gebouw, zodat bijvoorbeeld in een logiesgebouw een gedeelte van het logiesgebouw ook verblijfsgebied kon bevatten dat ten dienste stond aan de verschillende logiesverblijven die in dat gebouw waren gesitueerd.

In de woonfunctie mag een verblijfsgebied niet zijn uitgeplaatst, anders dan het gemeenschappelijke verblijfsgebied. In theorie kan bij andere gebruiksfuncties een gedeelte van het verblijfsgebied zijn uitgeplaatst, doch dit uitgeplaatste gedeelte blijft niet – gemeenschappelijk.

Het vereiste percentage van 55% sluit aan op de gangbare wijze van bouwen en biedt een redelijke ontwerp-marge tussen een optimaal en een, al dan niet bewust, minder doelmatig ingedeelde gebruiksfunctie. Door dit voor alle gebruiksfuncties, met uitzondering van het bouwwerk, geen gebouw zijnde, zo te regelen hebben ook de andere aan een verblijfsgebied gerelateerde voorschriften, zoals de ventilatievoorschriften, reële betekenis.

Activiteiten die kenmerkend zijn voor het wonen zijn zitten, koken, eten en slapen. Behalve dat hiervoor 55 % van de gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied aanwezig moet zijn, stelt het tweede lid nog een minimum oppervlakte van 24 m² aan het verblijfsgebied van de woning. Uit door de Studiecommissie woontechnische bepalingen Bouwbesluit uitgevoerde onderzoeken ("Voorstellen met betrekking tot de aanpassing van de woontechnische bepalingen in het Bouwbesluit", oktober 1987, en "Praktijktoetsing van de voorstellen voor woontechnische bepalingen in het Bouwbesluit", maart 1989) is gebleken dat het kleinst mogelijke ruimtebeslag voor het door één persoon verrichten van voor het wonen kenmerkende activiteiten, zonder dat sprake is van het verrichten van die activiteiten in gemeenschappelijke ruimten, 24 m² is.

Een woonfunctie moet volgens het derde lid een verblijfsgebied bevatten met een bepaalde minimum breedte en minimum lengte. De bedoeling hiervan is dat er voldoende ruimte is voor een minimale zitgelegenheid. Hierbij is uitgegaan van een potentiële bezettingsgraad van ten hoogste twee personen, zulks op grond van onderzoek (“Woontechnische bepalingen in het Bouwbesluit”, 1988). Het besluit van 28 oktober 1998, houdende wijziging van het Bouwbesluit (afstemming fase 1 op fase 2) (Stb. 1998, 619), bevatte voor woningen groter dan 50 m² een zwaardere eis ten aanzien van deze oppervlakte voor zitgelegenheid, namelijk ten minste 3,6 m x 3,6 m. Uit een oogpunt van deregulering is die eis hier niet overgenomen, zodat nu voor alle woningen de eis van ten minste 3,3 m x 3,3 m geldt. Een naar aard gelijke eis van 35 m² geldt voor ten minste een verblijfsgebied in cafés en soortelijke horecagelegenheden. Dit laatste op grond van de afstemming van dit besluit met het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet.

Een beperkt gedeelte van het vereiste verblijfsgebied van een woonfunctie in een woongebouw mag buiten het niet-gemeenschappelijke gedeelte van de woonfunctie (woning) zijn gelegen, maar dan wel in het woongebouw. Het vierde lid maakt dit mogelijk, op voorwaarde dat het betrokken verblijfsgebied deel uitmaakt van een gemeenschappelijk verblijfsgebied dat aan meer van de woningen toebehoort, bijvoorbeeld een gezamenlijk dagverblijf. Het is zaak dat ook in zo’n situatie de meest essentiële voor het wonen kenmerkende activiteiten - zitten en slapen - binnen het hoofdgedeelte van de woning kunnen worden verricht. Daarom zijn er minimum eisen gesteld aan het in het hoofdgedeelte van de woning aanwezige verblijfsgebied. Is het verblijfsgebied van een in een woongebouw gelegen woning kleiner dan 24 m², dan moet het gemeenschappelijk verblijfsgebied waarop die woning is aangewezen ten minste 18 m² zijn. Een en ander komt overeen met de resultaten van meergenoemde onderzoeken van de Studiecommissie woontechnische bepalingen Bouwbesluit.

Het vijfde lid biedt de mogelijkheid een voorzieningengebouwtje op een standplaats, camping of sportterrein te plaatsen. Een dergelijk gebouwtje kan namelijk in de regel niet voldoen aan de eis dat ten minste 55 % van de gebruiksoppervlakte in het verblijfsgebied ligt. Per slot van rekening kan volgens artikel 1, eerste lid, een verblijfsgebied ook geen toilet-, bad- of technische ruimte bevatten. Dit zou ook moeten gelden voor een kleedgebouw. Weliswaar is kleedruimte niet genoemd in artikel 1.1, eerste lid, als zijnde niet gelegen in een verblijfsgebied, maar gelet op de geschiedenis van het Bouwbesluit (2003) ligt ook deze ruimte niet in een verblijfsgebied.

Artikel 4.22.

Dit artikel heeft in zijn geheel betrekking op woonfuncties. De verblijfsgebieden van een woonfunctie moeten in principe bereikbaar zijn zonder dat men door ruimten behoeft te gaan die ook worden gebruikt door derden. Dit is geregeld in het eerste lid. Dit betekent praktisch gezien dat een verblijfsgebied binnen de omhullende van de groep van gemeenschappelijke ruimten moet liggen.

Op grond van het derde lid kan hiervan afgeweken worden bij woningen met gemeenschappelijke voorzieningen (bijvoorbeeld studentenhuizen en verzorgingshuizen). Deze gemeenschappelijke verblijfsgebieden moeten vanuit het privé-gedeelte van zo’n woonfunctie beschut, dus via besloten verkeersroutes, bereikbaar zijn, dan wel rechtstreeks vanuit het privé-gedeelte van de woonfunctie.

Het tweede lid bepaalt dat de woning zo moet worden ingedeeld, dat men om vanaf de toegang van de woonfunctie bij het verblijfsgebied te komen niet door een toiletruimte, badruimte, of technische ruimte hoeft. Het zou immers, mede uit privacy-overwegingen, te ver gaan toe te staan dat een verblijfsgebied uitsluitend via een dergelijke ruimte bereikbaar is.

Overigens sluit deze eis niet uit dat het verblijfsgebied ook rechtstreeks toegankelijk is vanuit de genoemde ruimten.

Artikel 4.23.

In navolging van de voorschriften voor integrale toegankelijkheid bij woningen is besloten (zie het schrijven van voormalig Staatssecretaris Tommel aan de voorzitter en leden van de ministerraad ( kenmerk BDB/98034326/Z2014093 van april 1998) ) om deze voorschriften ook voor de utiliteitsbouw aan te scherpen. Met uitzondering van de ‘celfunctie voor kortstondig verblijf’ (politiecel en cel in een gerechtsgebouw), de lichte industriefunctie en de ‘overige gebruiksfunctie’ geldt voor de utiliteitsbouw dat bij een gebruiksoppervlakte groter dan of gelijk aan 400 m², voortaan ten minste 40 % van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in de toegankelijkheidssector moet liggen en daarmee geschikt moet zijn voor gebruik door mensen met een functiebeperking, zoals een rolstoelgebruiker.

Voor de onderwijsfunctie geldt hierop de uitzondering dat in die situatie alle verblijfsgebieden in de toegankelijkheidssector moeten liggen. Hiermee wordt voorkomen dat de toegankelijkheidssector alleen op de begane grond van de school wordt gerealiseerd, waardoor de lokalen op de volgende verdieping niet voor mensen met een functiebeperking, zoals rolstoelgebruikers, toegankelijk zijn. Dit voorschrift over de toegankelijkheid van een onderwijsfunctie is ontleend aan artikel 5, achtste en elfde lid, van het voormalige Bouwbesluit WBO en aan artikel 5, zesde en negende lid, van het voormalige Bouwbesluit ISOVSO. De voorschriften met betrekking tot integrale toegankelijkheid van een verblijfsgebied van een sportfunctie behorende bij een onderwijsfunctie voor het basisonderwijs of voor het speciaal onderwijs hadden gelijkluidend moeten zijn aan die van een onderwijsfunctie en waren dan ontleend aan artikel 14, vijfde lid, van zowel het voormalige Bouwbesluit WBO als het voormalige Bouwbesluit ISOVSO. Daaraan is abusievelijk in tegenstelling tot Bouwbesluit fase 2, geen invulling gegeven.

Artikel 4.24.

Dit artikel geeft de afmetingen aan waaraan een verblijfsgebied ten minste moet voldoen om geschikt te zijn voor het verrichten van de voor de betrokken gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten.

Wegens de toenemende gemiddelde lengte van de bevolking is in het derde lid de minimale hoogte van plafonds in alle gebruiksfuncties met uitzondering van de celfunctie, aangescherpt van 2,4 m naar 2,6 m. Een soortgelijke aanscherping heeft in artikel 4.11 plaatsgevonden voor de hoogte van vrije doorgangen. Daarmee wordt de gebruikswaarde van de gebruiksfuncties voor de langere termijn zeker gesteld. Een uitzondering op deze regel geldt voor de celfunctie, waar een minimum-plafondhoogte van 2,5 m geldt.

Een verblijfsgebied in bepaalde, niet in een logiesgebouw gelegen, logiesfuncties, zoals bijvoorbeeld een vakantiehuis, blokhut of volkstuinhuisje, mag op grond van dit artikel voldoen aan lagere afmetingseisen dan voor een verblijfsgebied in het algemeen gelden. De reden hiervoor is dat het gebruik van dergelijke bouwwerken door dezelfde persoon van beperkte duur is.

Voor de ‘andere overige gebruiksfuncties’, zoals bijvoorbeeld voor het stallen van motorvoertuigen, zijn de afmetingsvoorschriften voor een verblijfsgebied niet van toepassing. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat in een parkeergarage een vrije hoogte van ten minste 2,4 m verplicht wordt gesteld.

Het vierde lid regelt dat, indien een gebruiksfunctie een nevenfunctie van een celfunctie is, ook daarvoor met een plafondhoogte van 2,5 m kan worden volstaan. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan een in een cellenblok opgenomen ruimte voor de bewaking. Hiermee is de flexibiliteit van een ontwerp voor een gebouw met celfuncties en nevenfuncties gewaarborgd.