Contact Service
Afdeling 4.4. Bereikbaarheid, nieuwbouw
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Afdeling 4.4. Bereikbaarheid, nieuwbouw

Artikel 4.16.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de bereikbaarheid van gebruiksfuncties in te bouwen bouwwerken.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.17 geeft het maximale hoogteverschil aan tussen de vloer ter plaatse van een toegang van een woonfunctie of van een woongebouw en een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein (hoogteverschil), en  
2.artikel 4.18 bepaalt of een woongebouw een opstelplaats voor een lift moet hebben en zo ja, met wat voor oppervlakte, en of een gebouw een hellingbaan moet hebben (voorziening), en  
3.artikel 4.19 geeft aan dat bij het ontwerpen van een woongebouw rekening moet worden gehouden met een ruime opstelplaats voor een lift (voorziening opstelplaats).  

Voor de 'woonfunctie van een woonwagen', 'celfunctie niet bestemd voor dag- en nachtverblijf', lichte industriefunctie, 'overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 4.17.

Dit artikel 42 maakt het mogelijk dat een persoon met een functiebeperking, zoals een rolstoelgebruiker, zonder hulp vanaf het aansluitende terrein een woning of een woongebouw kan binnengaan. Daartoe mag het hoogteverschil tussen het aansluitende terrein en een toegang van de woning of het woongebouw niet groter zijn dan 2 centimeter. In een woongebouw moet vanuit een gemeenschappelijke gang zonder hulpmiddelen door een persoon met een functiebeperking een woning kunnen worden betreden. Dat geldt ook in het geval die gang niet door een persoon met een functiebeperking zelfstandig kan worden bereikt. Dit is gedaan om in de toekomst met een minimum aan aanpassingen een woongebouw alsnog optimaal toegankelijk te maken.

Uiteraard mogen drempels de doelstelling van het voorschrift niet teniet doen.

Omdat niet langer een buitenruimte is voorgeschreven is het voorschrift dat regelde dat het niveauverschil tussen een vloer van een woning en de buitenruimte niet groter mocht zijn dan 2 cm evenzo vervallen. Dit laat onverlet dat het aanbeveling verdient bij het niveau verschil bij een buitenruimte rekening te houden met personen met een functiebeperking.

Artikel 4.18.

Met dit artikel is beoogd dat een rolstoelgebruiker zonder hulp een toegankelijkheidssector kan betreden.

In de woningbouw mag het hoogteverschil met het aansluitende terrein ter plaatse van een toegang van een toegankelijkheidssector ten hoogtste 2 cm zijn.

In de utiliteitsbouw mag dit hoogteverschil ten hoogste 1 m zijn. Consequentie is dan wel ingevolge artikel 4.6, derde lid, dat een hellingbaan aanwezig moet zijn die aan de bovenzijde een plateau heeft met afmetingen van ten minste 1,4 m x 1,4 m.

Artikel 4.19.

Dit artikel regelt dat in situaties waar voor een woongebouw geen lift is vereist, achteraf op eenvoudige wijze een lift kan worden geplaatst. Er dient namelijk ruimte, al dan niet binnen het gebouw, te zijn gereserveerd, die op elke bouwlaag kan worden benut voor het achteraf kunnen installeren van een lift, opdat het woongebouw, zo nodig, op een later tijdstip geschikt gemaakt kan worden voor personen die minder goed ter been zijn.