Contact Service
Artikel 4.11.
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Artikel 4.11.

Een goede toegang van de primaire ruimten van een gebruiksfunctie is een noodzakelijk onderdeel van het beleid ter bevordering van integrale toegankelijkheid van gebouwen. Daarbij gaat het erom dat de toegangen die door gewone mensen voor het gebruik van het gebouw worden gebruikt, ook door mensen met een functiebeperking kunnen worden gebruikt. Het gaat daarbij om alle toegangen van de in dit artikel genoemde ruimten. Kan bijvoorbeeld vanuit de woonkamer de tuin worden betreden dan zal dat moeten kunnen via een toegang bedoeld in dit artikel. Kan een toiletruimte zowel rechtstreeks vanuit een slaapkamer worden betreden als vanuit een ruimte waardoor een verkeersroute voert (bijvoorbeel overloop), dan zullen beide toegang de eisen van dit artikel moeten voldoen. De minimum breedte van 0,85 m komt overeen met de uitgangspunten van het ‘Handboek voor Toegankelijkheid’ van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad (thans Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland), 5e druk 2003 uitgegeven door Reed Business Information. Dit biedt de mogelijkheid dat ook rolstoelgebruikers op normale wijze gebruik kunnen maken van de primaire ruimten van een gebruiksfunctie.

Wegens de toenemende gemiddelde lengte van de bevolking is de hoogte van vrije doorgangen van gebruiksfuncties aangescherpt van 2,1 m naar 2,3 m. Daarmee wordt de gebruikswaarde van gebruiskfuncties voor de langere tijd zeker gesteld. Daarmee is gevolg gegeven aan de aanbevelingen uit de rapportage ‘Aanbevelingen voor verbetering bestaande dan wel opname van nieuwe toegankelijkheidseisen in het Bouwbesluit n.a.v. onderzoek Minimumkwaliteit- Integratie Toegankelijkheidseisen’ (99cb-948/mvd/jvf, 18 oktober 1999) onder auspiciën van de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad en in samenwerking met (woon)consumentenorganisaties en het Overleg Platform Bouwregelgeving. De hoogte van de de toegang van een liftschacht is eveneens aangescherpt tot een hoogte van 2,3 m. Het tweede lid verduidelijkt dat er geen eisen worden gesteld aan de toegang van de liftkooi, maar wel aan de opening in de constructie van de liftschacht. In het eerste lid van artikel 4.11 worden eisen gesteld aan de hoogte van de vrije doorgang. In het tweede lid wordt hierop voor een toegang van de liftschacht naar een liftkooi een uitzondering gemaakt. Dit lid stelt geen eisen aan de vrije doorgang, maar aan de hoogte van de opening in de bouwconstructie. Onder ‘bouwconstructie’ wordt verstaan: onderdeel van een bouwwerk dat bestemd is om belasting te dragen (artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003). Bij de in het eerste lid genoemde ruimten moet daadwerkelijk een vrije doorgang worden gerealiseerd met de in de tabel aangegeven hoogte (meestal 2,3 m). Bij de in het tweede lid genoemde toegang van de liftschacht voor het bereiken van een liftkooi kan dus worden volstaan met het scheppen van de bouwkundige voorwaarden. Dit betekent dat men vrij is een lift met een lagere toegangshoogte dan 2,3 m te plaatsen. De lift moet uiteraard aan de richtlijn liften nr. 95/16/EG van 29 juni 1995 (PbEG L 213) en het daarop gebaseerde Besluit liften voldoen.

Het moet altijd mogelijk blijven om, zonder wijzigingen in de draagconstructie aan te brengen, op enig moment een lift met een toegangshoogte van 2,3 m te plaatsen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het voorschrift voor de vrije breedte onverkort op de toegang van een lift van toepassing is.