Contact Service
Artikel 4.58.
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Artikel 4.58.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor gemeenschappelijke opslagruimten voor huishoudelijk afval.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.59 bepaalt in welke situatie een gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval aanwezig moet zijn en welke afmetingen deze moet hebben (aanwezigheid en afmetingen);  
2.artikel 4.60 bevat eisen omtrent de wijze waarop men een gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval en, van daaraf, het aansluitende terrein kan bereiken (bereikbaarheid); 
3.artikel 4.61 houdt in dat een gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval voorzien moet zijn van een deur met een slot (afsluitbaarheid).

Voor andere gebruiksfuncties dan de ‘woonfunctie gelegen in een woongebouw’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op die andere gebruiksfuncties niet van toepassing is.

De in deze paragraaf neergelegde voorschriften voorzien er in dat in een woongebouw met woningen waarvan de bergruimten op een te grote afstand zijn gesitueerd van een toegang van de woning of waarin een te groot hoogteverschil moet worden overbrugd om de tot de woning behorende bergruimte te kunnen bereiken danwel waarin bedoelde bergruimte ontbreekt, een afzonderlijke ruimte voor het gescheiden kunnen opslaan van huishoudelijk afval aanwezig moet zijn. Een te grote afstand of een te groot hoogteverschil vormt, zo blijkt uit het TNO Bouw rapport 94 BKR R1022, en met name bijlage 4 van dat rapport, een belemmering om daadwerkelijk invulling te geven aan de op grond van de Wet milieubeheer geldende wettelijke verplichting tot het gescheiden inzamelen van huishoudelijk afval. De voorschriften zijn op uitdrukkelijk verzoek van het Overlegplatform bouwregelgeving ten dele functioneel geredigeerd. Burgemeester en wethouders hebben bij de handhaving van deze voorschriften enige beleidsruimte om tot een oordeel te komen. Daarbij kan rekening worden gehouden met het feitelijk gebruik van het woongebouw. Differentiatie is bijvoorbeeld mogelijk tussen een woongebouw bestemd voor bijzondere huisvesting, zoals voor ouderen of niet goed ter been zijnde personen, en andersoortige woongebouwen.

Bij de toepassing van deze paragraaf in een concrete situatie kan, afgaande op het TNO-rapport aan een volgende materialisering worden gedacht:

Gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval

Artikel xxxx

1. Indien de afstand, gemeten langs de kortste route, tussen een toegang van een woning, gelegen in een woongebouw, en de toegang tot de bergruimte, behorende tot die woning, groter is dan 50 m of het hoogteverschil tussen de toegang van een woning en de toegang van de bergruimte, behorende tot die woning, groter is dan 3 m, heeft het woongebouw, opdat huishoudelijk afval doeltreffend kan worden opgeslagen, ten minste één opslagruimte voor huishoudelijk afval, gelegen buiten de woning.
2. De opslagruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,0075 m² per m² gebruiksoppervlakte van de in het woongebouw gelegen, op die opslagruimte aangewezen woningen, met een minimum van 1,6 m²; de breedte van die vloeroppervlakte is ten minste 0,8 m; de hoogte boven die vloeroppervlakte is ten minste 2,1 m.
3. De afstand, gemeten langs de kortste route, tussen de toegang van de opslagruimte en de toegang van een woning, aangewezen op die opslagruimte, is ten hoogste 50 m; het hoogteverschil tussen de vloer van de opslagruimte en de vloer waarop zich de toegang van de woning, aangewezen op die opslagruimte, zich bevindt, is ten hoogste 3 m.
4. Een hoogteverschil van meer dan 0,02 m tussen:
a. de vloer van de opslagruimte en de vloer waarop de toegang van de woning, aangewezen op die opslagruimte, zich bevindt, en
b. de vloer van de opslagruimte en de vloer ter plaatse van een toegang van het woongebouw, langs welke toegang vanuit de opslagruimte het aansluitende terrein wordt bereikt,
is overbrugd door een hellingbaan of een lift; de lift heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1 m²; de breedte van de lift is ten minste 0,85 m; het hoogteverschil tussen de toegang van het woongebouw en het aansluitende terrein is ten hoogste 1 m; dat hoogteverschil is overbrugd door een hellingbaan; het vereiste van een hellingbaan geldt niet indien het hoogteverschil ten hoogste 0,02 m is.
5. De afstand, gemeten lang de kortste route, tussen de toegang van de opslagruimte en de toegang van een lift is ten hoogste 50 m.