Contact Service
Hoofdstuk 3. Voorschriften uit het oogpunt van ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Hoofdstuk 3. Voorschriften uit het oogpunt van gezondheid

Afdeling 3.1.Bescherming tegen geluid van buiten, nieuwbouw

Artikel 3.1.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de bescherming tegen geluid van buiten.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. De opsplitsing van de gezondheidszorgfunctie en de onderwijsfunctie is afgestemd op de bij of krachtens de Wet geluidhinder en Luchtvaartwet gegeven voorschriften. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De voorschriften zijn beperkt tot de gebruiksfuncties wonen, kantoor, onderwijs en gezondheidszorg.

De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.2 bevat eisen betreffende de geluidwering van uit- en inwendige scheidingsconstructies van verblijfsgebieden en verblijfsruimten in bouwwerken die zijn gelegen in geluidszones, vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder rond onder meer wegen;
2.artikel 3.3 bevat eisen betreffende de geluidwering van uit- en inwendige scheidingsconstructies van verblijfsgebieden en verblijfsruimten in bouwwerken die zijn gelegen in geluidszones, vastgesteld op grond van de Luchtvaartwet rond binnenlandse luchtvaartterreinen;
3.artikel 3.4 geeft aan tot welk niveau burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen (verbouw) en
4.artikel 3.5 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften daarvoor gelden (tijdelijke bouw).

Voor de bijeenkomstfunctie, celfunctie, industriefunctie, logiesfunctie, sportfunctie, winkelfunctie, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Deze paragraaf bevat in aangepaste vorm de voorschriften van artikel 8 van het bij het Bouwbesluit, Stb. 1991, 680, ingetrokken Besluit geluidwering gebouwen en artikel 3 van het toentertijd ingetrokken Besluit geluidwering kantoorgebouwen (Stb. 1989, 158). Dit voorschrift geeft voorts uitvoering aan artikel 25 van de Luchtvaartwet in verbinding met artikel 5 van de Woningwet. Uit het TNO Bouw rapport 96 CBO R0320 blijkt dat, mits NEN 5077 op de RGV'97 wordt afgestemd, met het stellen van de eis aan de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied recht wordt gedaan aan hetgeen met de Luchtvaartwet is beoogd. Zie ook het algemeen deel van deze toelichting.

Bij Stb. 2006, 586 zijn de grenswaarden (weergegeven in tabel 3.1) behorende bij artikel 3.2, eerste lid, aangepast en is een nieuw zevende lid aan dit artikel toegevoegd. Deze aanpassing is een gevolg van een wijziging van de dosismaat op grond van de richtlijn omgevingslawaai (Pb EG L 189).

De wijziging en het onderscheid in dB(A) en dB in de tabel 3.1. bij industrielawaai resp. weg- of spoorweglawaai vindt zijn oorsprong in de wijziging van de Wet geluidhinder, in het bijzonder de invoering van de nieuwe dosismaat L den voor geluid van wegen en spoorwegen. Dit heeft enerzijds tot gevolg dat bij een zelfde hoeveelheid weg- of spoorlawaai de geluidbelasting uitgedrukt in L den [dB] 2 decibel lager is dan als deze is uitgedrukt in L Aeq [dB(A)] . Anderzijds heeft het tot gevolg een notatie van de geluidbelasting weg- of spoorweglawaai in dB en van industrielawaai in dB(A). Hoewel de eenheid van L den wordt uitgedrukt in dB, is deze zeker wel A-gewogen, maar Europese afspraken hebben geleid tot het weglaten van de ‘A’.

De Europese tendens is de toevoeging van de ‘A’ in dB(A) te laten vervallen en in de bepalingsmethode nadrukkelijk de soort weging tot uitdrukking te brengen. Dat dit nog een doorwerking moet krijgen naar product- en gebouwspecificaties is een gegeven, waarvan de (geluid)deskundigen evenwel geen punt maken; dB en dB(A) worden door elkaar gebruikt. Zo is de figuur in art. 3.2 dat de belasting van weg- of spoorweglawaai is gegeven in dB, de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie in dB(A) en het binnenniveau in dB.

In het derde lid van art. 3.2 is dit onderscheid in extremis aangegeven; in lid 1 nog niet volledig. In het derde lid van art. 3.2 heeft de doorwerking naar L den onvolledig plaatsgevonden. In het geval van weg- of spoorweglawaai zal er 38 moeten staan i.p.v. 40. Mogelijk heeft dit zijn oorzaak erin dat kantoorfuncties geen geluidgevoelige gebouwen zijn in de zin van de Wet geluidhinder en dit aspect in onderhavige wijziging van de Wet geluidhinder onvoldoende aandacht heeft gekregen. Herstel is gewenst.

Voor een uitgebreide toelichting op de nieuwe dosismaat en de verschillen met de oude dosismaat wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot implementatie van de richtlijn omgevingslawaai (Kamerstukken II 2002/03, 29 021, nr. 3, paragraaf 2.9).

CITAAT

2.9 Geluidsbelasting; de dosismaat

Inleiding De richtlijn omgevingslawaai introduceert een Europees geharmoniseerde definitie van «geluidsbelasting». De richtlijn stelt het gebruik van deze nieuwe dosismaat verplicht voor de geluidsbelastingkaarten en de actieplannen. Voor andere onderwerpen is het gebruik ervan ter keuze van de lidstaten. Dienovereenkomstig wordt de nieuwe dosismaat in dit wetsvoorstel alleen van toepassing verklaard voor het nieuwe hoofdstuk IX van de Wet geluidhinder. De nieuwe dosismaat is omschreven in het voorgestelde artikel 115.

De Europees geharmoniseerde definitie van de richtlijn omgevingslawaai wijkt op onderdelen af van de huidige definitie uit de Wet geluidhinder. Hierna worden deze verandering en de implicaties ervan beschreven. Eerst wordt op een aantal algemene aspecten ingegaan. Voor de goede orde wordt hier reeds opgemerkt dat de introductie van een nieuwe dosismaat als zodanig geen gevolgen heeft voor het geldende normenstelsel. Daarop wordt in deze paragraaf nog teruggekomen.

De Europees geharmoniseerde definitie van de richtlijn omgevingslawaai wijkt ook af van specifieke definities zoals die voor luchtvaartgeluid. Die specifieke definities blijven in deze paragraaf grotendeels buiten beschouwing. Alleen in het kader van de passages over het berekenen en meten van de geluidsbelasting wordt er in deze paragraaf aandacht aan besteed.

Begrippen Het begrip «geluidsbelasting» staat voor de hoeveelheid geluid die op een bepaalde plaats heerst, bepaald over een aangegeven periode (bijvoorbeeld alle dagperioden van een jaar). De geluidsbelasting wordt bepaald met behulp van een «recept», dat veelal de wiskundige vorm van een formule heeft. Dat recept c.q. die formule wordt doorgaans aangeduid als de «definitie» van geluidsbelasting. Met behulp van de gekozen definitie kan de geluidssituatie zoals die op een bepaalde plaats in een bepaalde periode optreedt, in één getal worden samengevat. In het verlengde daarvan heeft het begrip «geluidsbelasting», afhankelijk van de context, hetzij betrekking op de definitie, hetzij op de uitkomst van de toepassing van die definitie.

De richtlijn omgevingslawaai gebruikt het begrip «geluidsbelastingindicator ». In essentie wordt daarmee hetzelfde bedoeld als met de «definitie » van geluidsbelasting. Ook het in de praktijk gebruikte begrip «dosismaat » heeft dezelfde betekenis. In deze memorie van toelichting wordt in principe de term «dosismaat» gebruikt, maar in deze paragraaf komen ook de andere termen voor.

De dosismaat kan verschillend worden gekozen. Zo is er verschil tussen de dosismaat uit de richtlijn omgevingslawaai en die uit de huidige Wet geluidhinder (zie hierna). Ter onderscheiding wordt de dosismaat uit de richtlijn omgevingslawaai in deze memorie van toelichting aangeduid als de nieuwe dosismaat en de huidige definitie uit de Wet geluidhinder als de oude dosismaat. De nieuwe dosismaat wordt weergegeven met de symbolen L den en L night en de oude dosismaat met het symbool L wgh, waarbij «Wgh» staat voor Wet geluidhinder. In het wetsvoorstel worden de term «geluidsbelasting L den» en «geluidsbelasting L night» gebruikt. Dat is dus de geluidsbelasting bepaald volgens de nieuwe dosismaat.

Naast de geluidsbelasting L den, die is opgebouwd uit een dag-, avond- en nachtwaarde, heeft de nachtwaarde in de richtlijn omgevingslawaai ook een zelfstandige functie. Daarom wordt in de richtlijn omgevingslawaai en in dit wetsvoorstel naast elkaar gesproken over «geluidsbelasting L den» en «geluidsbelasting L night». De dagwaarde en de avondwaarde worden in de richtlijn omgevingslawaai aangeduid met de symbolen L day en L evening.

In de memorie van toelichting worden ook de termen «geluidsniveau» en «geluidssituatie» gebruikt. «Geluidsniveau» is geen synoniem voor «geluidsbelasting». Het geluidsniveau is de hoeveelheid geluid die op een bepaald moment ergens heerst. De geluidsbelasting is het gemiddelde geluidsniveau over een bepaald tijdsinterval. De term «geluidssituatie» is een algemene aanduiding die niet meer inhoudt dan zij taalkundig wil zeggen. Het is dus niet een in de wet of de akoestiek gespecificeerd begrip.

De toepasselijke eenheid In de natuurwetenschappen wordt gesproken van grootheid, getalswaarde en eenheid. Bijvoorbeeld: de lengte (grootheid) van deze weg is 3 (getalswaarde) kilometer (eenheid). In de akoestiek is dat evenzo. Als eenheid wordt de decibel gebruikt. De geluidsbelasting (grootheid) is bijvoorbeeld op een bepaalde plaats 65 (getalswaarde) decibel (eenheid). Overigens is de decibel geen natuurkundige eenheid zoals de meter of de seconde. De aanduiding «decibel» geeft aan dat het getal ervoor de met 10 vermenigvuldigde logaritme van een verhoudingsgetal is.

Zowel in de oude als in de nieuwe dosismaat wordt een weging toegepast van de frequentie van het geluid die overeenkomt met het menselijk gehoor, de zogenaamde A-weging. Een gebruikelijke afkorting van de eenheid decibel is dB(A), waarbij de A verwijst naar de toegepaste A-weging. De richtlijn omgevingslawaai gebruikt daarentegen de afkorting dB. Het weglaten van de verwijzing naar de A-weging wil echter niet zeggen dat deze niet wordt toegepast. Het betreft slechts een verschil in schrijfwijze. Nederland zal voor de toepassing van de nieuwe dosismaat de Europese schrijfwijze (dB) volgen. Voor de oude dosismaat blijft de schrijfwijze dB(A) gehandhaafd.

De mogelijkheid van verschillende dosismaten Er zijn verschillende dosismaten mogelijk. Een dosismaat wordt namelijk opgebouwd uit elementen die verschillend kunnen worden gekozen. Het betreft bijvoorbeeld de keuze van de dag-, avond- en nachtperiode, van de procedure om dag-, avond- en nachtwaarden te middelen en van factoren om de frequentie (de toonhoogte) van het geluid te wegen. Afhankelijk van de definitie zal de gevonden waarde van de geluidsbelasting (de uitkomst) – bij overigens dezelfde geluidssituatie – verschillen. Met andere woorden: de definitie en de uitkomst zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: bij een bepaalde definitie heeft de geluidsbelasting een bepaalde waarde. Welke dosismaat wordt gekozen, hangt mede af van de functie die de dosismaat dient te vervullen. Over die functie kan het volgende worden opgemerkt.

«Geluidsbelasting» is een neutrale term in die zin dat de geluidsbelasting onafhankelijk van de menselijke beleving op een exacte natuurkundige manier kan worden bepaald. In het geluidbeleid en in de geluidregelgeving is de definitie van geluidsbelasting echter op de menselijke maat gesneden, omdat het beleid en de regelgeving zijn gericht op het bestrijden van hinder en andere (gezondheids)effecten bij de mens.

De te hanteren dosismaat moet daarom een goede «voorspeller» zijn van de bij die situatie optredende negatieve effecten. Dat wil zeggen dat de getalswaarde van de geluidsbelasting een goede indicator moet zijn voor de bijbehorende hinder (en andere effecten zoals slaapverstoring, toename van de kans op hart- en vaatziekten, en concentratieproblemen).

Zowel de oude als de nieuwe dosismaat zijn een goede indicator voor genoemde effecten. Als een andere definitie van de geluidsbelasting was gekozen, bijvoorbeeld zonder A-weging, dan zou een veel minder goede relatie zijn gevonden.

De relatie tussen de geluidsbelasting en de gezondheidseffecten is zichtbaar in de zogenaamde dosis-effectrelaties die door middel van veldonderzoek worden bepaald. Er blijkt een min of meer eenduidige relatie te zijn tussen de waarde van de geluidsbelasting en de daarbij optredende (gezondheids)effecten. Daarbij treden overigens wel verschillen per bronsoort op. De dosis-effectrelatie is een grafiek waarin kan worden afgelezen hoeveel gezondheidsschade bij een gegeven waarde van de geluidsbelasting optreedt.

De dosismaat van de richtlijn omgevingslawaai L den De richtlijn omgevingslawaai schrijft het opstellen van geluidsbelastingkaarten en actieplannen voor. Een belangrijk element in die kaarten en plannen is de wijze waarop de geluidsbelasting wordt bepaald, dus de geluidsbelastingsindicator. Deze indicator is nu in alle lidstaten verschillend gedefinieerd, hetgeen de onderlinge vergelijking praktisch onmogelijk maakt. Om die onderlinge vergelijkbaarheid mogelijk te maken, is de geluidsbelastingsindicator in de richtlijn omgevingslawaai geharmoniseerd door de invoering van een uniforme indicator, de «nieuwe dosismaat ». De desbetreffende definitie is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn. Zij luidt als volgt:

Afbeelding

waarin:

  • L day het A-gewogen gemiddelde geluidsniveau over lange termijn is, als gedefinieerd in ISO 1996–2:1987, vastgesteld over alle dagperioden van een jaar;
  • L evening het A-gewogen gemiddelde geluidsniveau over lange termijn is, als gedefinieerd in ISO 1996–2:1987, vastgesteld over alle avondperioden van een jaar;
  • L night het A-gewogen gemiddelde geluidsniveau over lange termijn is, als gedefinieerd in ISO 1996–2:1987, vastgesteld over alle nachtperioden van een jaar,

en waarbij de dag 12 uren telt, de avond 4 uren en de nacht 8 uren. Als standaardwaarden daarvoor geeft de richtlijn 07:00 – 19:00 uur (dag), 19:00 – 23: 00 uur (avond) en 23:00 – 07:00 uur (nacht). (Deze standaardwaarden worden door Nederland gevolgd).

L night Voor de meeste negatieve gezondheidseffecten die door langdurige blootstelling aan lawaai worden veroorzaakt, is L den een goede indicator. L night is daar een van de «bouwblokjes» van.

L den is echter niet voor alle effecten een goede indicator. Ontwaakreacties en andere slaapverstoringen zijn uiteraard gekoppeld aan de nachtelijke geluidssituatie. Hiervoor is L den niet, maar L night wel een goede geluidsbelastingindicator. Daarom kent de richtlijn omgevingslawaai L night ook als zelfstandige dosismaat voor slaapverstoringen. Zo schrijft de richtlijn naast de L den ook kartering in L night voor. De kaarten moeten niet alleen alle woningen bevatten die een geluidsbelasting L den ondervinden van 55 dB of meer, maar ook aangeven welke woningen een geluidsbelasting L night van 50 dB of meer ondervinden.

Hierbij moet worden bedacht dat L night steeds ten minste 5 dB lager ligt dan L den. De groep woningen met een geluidsbelasting L night van 50 dB of meer maakt dus altijd deel uit van de groep woningen met een geluidsbelasting L den van 55 dB of meer. Door het L night-criterium komen er dus geen extra woningen op de kaart; er moet voor de betreffende woningen wel een extra rekenslag worden uitgevoerd.

Overeenkomsten en verschillen tussen de oude en de nieuwe dosismaat Omdat geluid veroorzaakt door bronnen als wegverkeer, industrie, spoorwegverkeer en luchtvaart voortdurend fluctueert qua geluidsterkte, is het samenvatten ervan in één getal niet eenvoudig. In de wetenschap bestaat al enkele decennia consensus over de volgende elementen daarbij:

  • Voor wat betreft de frequentie (de toonhoogte) van het geluid wordt een weging toegepast die overeenkomt met het menselijk gehoor (de zogenaamde A-weging).
  • Er wordt uitgegaan van de periode van één jaar als meest geschikte middelingsduur.
  • Er wordt niet lineair gemiddeld, maar gebruik gemaakt van een tijdsduurgewogen of «equivalente» middeling per dag-, avond- of nachtperiode, die rekening houdt met het verschil in tijdsduur van deze perioden.

De meeste landen die geluidbeleid hebben geformuleerd gaan in hun beleid uit van definities waarin deze elementen zijn verwerkt. Dit geldt ook voor zowel de oude dosismaat als de nieuwe dosismaat.

In veel opzichten zijn de oude en de nieuwe dosismaat daardoor gelijk. Zo bevatten beide definities als basis dezelfde internationaal gestandaardiseerde methode om een tijdsgemiddelde te bepalen over een aan te geven periode. Deze methode bevat zowel de A-weging als de equivalente middeling. De uitkomst van deze middeling wordt genoemd het A-gewogen equivalente geluidsniveau (gestandaardiseerd symbool: L Aeq).

Voorts wordt in de beide definities hetzelfde onderscheid gemaakt in dagdelen. In de eerste plaats hanteren zij dezelfde drie etmaalperiodes: de dag-, de avond- en de nachtperiode. In de tweede plaats is de duur van die etmaalperiodes identiek, te weten: dag 07:00–19:00 uur, avond 19:00–23:00 uur en nacht 23:00–07:00 uur. De dagwaarde (L day in de richtlijn) is het A-gewogen equivalente geluidsniveau in decibels vastgesteld over alle dagperioden van een jaar. De avond- en nachtwaarde (L evening en L night in de richtlijn) komen – mutatis mutandis – op dezelfde wijze tot stand. Omdat vaststaat dat de mens ’s avonds en ’s nachts gevoeliger is voor geluid dan overdag, geldt voor deze perioden een straftoeslag. Ook deze straftoeslagen zijn in de oude en de nieuwe dosismaat gelijk: +5 decibel voor de avondperiode en +10 decibel voor de nachtperiode.

Er is evenwel ook verschil tussen de oude en de nieuwe dosismaat. In hoofdlijnen geformuleerd is het verschil gelegen in de wijze waarop de dag-, avond- en nachtwaarden worden samengevoegd tot één getal, de (etmaalwaarde van de) geluidsbelasting. De (etmaalwaarde van de) geluidsbelasting volgens de Wet geluidhinder is de maximalewaarde van de drie etmaalperioden (Zie de definitie van «etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau in dB(A) met betrekking tot een industrieterrein» in artikel 1 van de Wet geluidhinder: «de hoogste van de volgende drie waarden»). De geluidsbelasting volgens de Europese richtlijn volgt uit een middeling van de drie etmaalperioden (het voor de duur van de etmaalperiode gewogen energetisch gemiddelde).

Op een bepaalde plaats ten opzichte van een geluidsbron kan men de geluidsbelasting volgens beide dosismaten vaststellen. Omdat de L den-waarde een middeling is en de L wgh-waarde een maximale waarde, is de L den-waarde altijd kleiner dan (of hooguit gelijk aan) de L wgh-waarde. Alleen als de dag-, avond- en nachtwaarden exact gelijk zijn, zijn de L den-waarde en de L wgh-waarde gelijk. Een voorbeeld van een verschil tussen beide waarden: op een afstand van 100 meter van een autosnelweg is de geluidsbelasting volgens de Wet geluidhinder 70 dB(A) L wgh, opgebouwd uit een dagwaarde van 67 dB(A), een avondwaarde van 64 dB(A) en een nachtwaarde van 60 dB(A). In de nieuwe dosismaat uitgedrukt heerst op die plaats een geluidsbelasting van 69 dB L den. In dit voorbeeld leidt de nieuwe dosismaat dus tot een 1 dB lagere getalswaarde voor overigens dezelfde geluidssituatie. In bijzondere gevallen kan dit verschil bij autosnelwegen oplopen tot 3 dB. Voor spoorweglawaai geeft de nieuwe dosismaat getalswaarden die in de meeste gevallen 1 à 3 dB lager liggen dan de getalswaarden die voor dezelfde situatie in de oude dosismaat gelden.

Gevolgen van de nieuwe dosismaat voor de normering Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de introductie van de nieuwe dosismaat als zodanig geen gevolgen heeft voor het geldende normenstelsel. De dosismaat bepaalt welke geluidsbelasting op een bepaalde plaats en bepaald over een aangegeven periode heerst. De normen geven aan welke geluidsbelasting ter plaatse wordt nagestreefd of (maximaal) is toegelaten.

Als ook de normen in die nieuwe dosismaat worden uitgedrukt, kan de omzetting van de normen in de nieuwe dosismaat in principe normneutraal geschieden. Daarbij kan het wel noodzakelijk zijn om de getalswaarde van de normen aan te passen. Zoals aangegeven, kan de getalswaarde van de geluidsbelasting immers bij een overigens gelijke geluidssituatie verschillen, afhankelijk van de gekozen dosismaat. In dit wetsvoorstel wordt de nieuwe dosismaat echter niet ingevoerd voor de normering (zie hierna).

Opgemerkt wordt dat de lidstaten de Europese Commissie in de nieuwe dosismaat moeten inlichten over hun nationale normen. Voor dat doel zullen de normen uit de overige hoofdstukken van de Wet geluidhinder dus wel moeten worden omgezet in de nieuwe dosismaat. Omdat de gegevensverstrekking aan de Europese Commissie geschiedt uit hoofde van de richtlijn omgevingslawaai zelf (dus zonder daartoe strekkende verplichting in de Nederlandse regelgeving) behoeft deze omzetting geen regeling bij de wet.

Het bepalen van de geluidsbelasting overeenkomstig de nieuwe dosismaat Voor wegverkeer is een belangrijk gevolg van de nieuwe dosismaat dat de avondperiode nu expliciet moet worden meegenomen. In de Wet geluidhinder wordt er van uitgegaan dat de verkeersintensiteiten in de avonduren midden tussen de dag- en de nachtwaarden in liggen. Zij zijn daarom praktisch nooit maatgevend in de definitie die de Wet geluidhinder geeft van de geluidsbelasting. Pragmatisch is de avondperiode daarom weggelaten in de definitie van de geluidsbelasting vanwege wegverkeer. In de Europese definitie kan dat niet langer het geval zijn. De richtlijn omgevingslawaai geeft een uniforme definitie voor alle geluidssoorten, hetgeen impliciet leidt tot de introductie van een avondwaarde voor wegverkeerslawaai. De praktische betekenis daarvan is dat ten behoeve van de opstelling van de geluidsbelastingkaarten naast de verkeersintensiteiten per gemiddeld dag- en nachtuur ook het avonduurgemiddelde moet worden aangeleverd.

Voor lawaai van spoorwegen en inrichtingen speelt de avondwaarde ook in de huidige Wet geluidhinder al een rol, omdat voor die bronnen de avondwaarde beïnvloedbaar is en bepalend kan zijn voor de etmaalwaarde. Voor deze bronnen brengt de richtlijn omgevingslawaai op dit punt dus geen verandering mee.

Reken- en meetmethoden De waarde van de «bouwblokjes» van de dosismaat (de dag-, avond- en nachtwaarde) wordt bepaald door middel van een reken- of meetmethode, in de richtlijn omgevingslawaai tezamen ook aangeduid als «bepalingsmethoden».

Het gebruik van gemeenschappelijke reken- en meetmethoden is in de richtlijn omgevingslawaai vooralsnog niet verplicht gesteld. De lidstaten mogen hun eigen methoden blijven toepassen, mits zij worden aangepast aan de nieuwe dosismaat. Nederland zal van deze mogelijkheid gebruik maken.

Wat de Wet geluidhinder betreft, zijn de Nederlandse reken- en meetmethoden vastgesteld bij ministeriële regelingen op grond van de artikelen 73, 102 en 105 van de Wet geluidhinder. De betrokken regelingen bestaan uit een aantal bepalingen in de regeling zelf alsmede uit technische bijlagen. De bepalingen in de regelingen zelf zullen in geringe mate worden aangepast. Aanpassing van de inhoud van de technische bijlagen ligt niet in het voornemen. Wel zullen mogelijk aanvullingen hierop plaatsvinden in verband met standaard karteringsmethoden (SKM I en SKM II ), zijnde voorgeschreven manieren om de geluidsberekeningen met het oog op kartering uit te voeren. Voor zover de genoemde artikelen van de Wet geluidhinder geen basis bieden voor de desbetreffende aanpassingen, kan gebruik worden gemaakt van het voorgestelde artikel 119 van de Wet geluidhinder.

Een vergaande aanpassing van de reken- en meetvoorschriften is niet nodig omdat deze voorschriften zijn gericht op het bepalen van dag-, avond- en nachtwaarden in L Aeq, iets waar zowel de oude als de nieuwe dosismaat vanuit gaat. Aan het meten of berekenen van de dag-, avond- of nachtwaarde op zich verandert dus niets. Wel verandert de manier waarop de meet- en/of berekeningsresultaten van de verschillende perioden bij elkaar worden gevoegd, maar daarop hebben de reken- en meetvoorschriften geen betrekking. Deze samenvoeging ligt namelijk vast in de definitie van «geluidsbelasting» zelf.

Naar verwachting kan daarom vrijwel worden volstaan met het opnemen van een bepaling in de betrokken regelingen dat de huidige rekenen meetvoorschriften mede van toepassing zijn op het bepalen van de geluidsbelasting L den. Daarnaast zijn enkele andere bepalingen nodig.

Op een enkel onderdeel geeft de richtlijn omgevingslawaai namelijk bindende voorschriften inzake het meten of berekenen. Met name betreft het de waarneemhoogte van de geluidsbelastingkaarten. Deze is in de richtlijn gesteld op 4 meter. Dit voorschrift zal in de betrokken regelingen worden vastgelegd. Afgezien van dit andere invoergegeven blijft de computermatige berekening overigens gelijk.

Daarnaast zijn voorschriften nodig voor het omrekenen van de oude dosismaat in de nieuwe dosismaat. De richtlijn verlangt dat de geluidsbelasting op de geluidsbelas-tingkaarten wordt uitgedrukt in de geharmoniseerde Europese dosismaat Lden (of Lnight).

Het «zuiver» omrekenen van de huidige specifieke dosismaat voor industrielawaai (en luchtvaartlawaai; zie hierna) naar L den is om uiteenlopende redenen onevenredig bewerkelijk. Daarom zal ten behoeve van de kartering van deze geluidssoort een vereenvoudigde conversiemethode worden uitgewerkt, welke eveneens in de reken- en meetvoorschriften zal worden vastgelegd. Daarbij kan worden gedacht aan een vaste aftrek van bijvoorbeeld 3 dB ten opzichte van de waarde van de geluidsbelasting vanwege industrielawaai, zoals die is berekend in de huidige dosismaat. Voor de gemeenten betekent deze vereenvoudigde conversie dat zij voor het opstellen van de geluidsbelastingkaart niet zelf behoeven over te gaan tot een «zuivere omrekening» van de waarden die thans worden gebruikt voor industrielawaai. Zij kunnen volstaan met het toepassen van een eenvoudige formule.

De uitkomsten van de vereenvoudigde conversie (die bijvoorbeeld zichtbaar kunnen worden in de vorm van contouren op de kaart) hebben alleen maar betekenis als onderdeel van het kaartbeeld. Met andere woorden: de geluidsbelasting in L den bepaald met de vereenvoudigde conversiemethode is slechts relevant voor de bepalingen in hoofdstuk IX van de Wet geluidhinder. Voor de andere bepalingen van de Wet geluidhinder en andere toepasselijke regelgeving blijven de huidige dosismaten uit hoofde van dit wetsvoorstel maatgevend. Zo blijven de normen en de vergunningvoorschriften uitgedrukt in de huidige dosismaten. Ook voor de handhaving blijft dat het geval.

De reken- en meetvoorschriften voor luchtvaartlawaai zijn gebaseerd op de luchtvaartwetgeving. Ook hierin zijn geringe aanpassingen nodig, onder meer inzake het omrekenen van de huidige dosismaat voor luchtvaartlawaai (de Kosteneenheid) in L den. Ook voor luchtvaartlawaai zal een vereenvoudigde conversiemethode worden ontwikkeld. Voor rekenen meetvoorschriften inzake luchtvaartlawaai kan zo nodig gebruik worden gemaakt van het tweede lid van voorgestelde artikel 119 van de Wet geluidhinder.

Opgemerkt wordt nog dat op termijn mogelijk uniforme reken- en meetvoorschriften op Europees niveau zullen worden vastgesteld. In dat geval zullen die door Nederland moeten worden overgenomen.

Verdergaande invoering van de nieuwe dosismaat Als gezegd, wordt de nieuwe dosismaat nu alleen ingevoerd voor de geluidsbelastingkaarten en de actieplannen. Voor de bestaande hoofdstukken van de Wet geluidhinder blijft de oude dosismaat van toepassing. Dit is echter niet bedoeld als permanente situatie. De bedoeling is namelijk dat de nieuwe dosismaat bij een afzonderlijk wetsvoorstel ook wordt ingevoerd voor normstelling en andere niet door Europa voorgeschreven bepalingen. Daarmee wordt voorkomen dat de uitvoerenden van het geluidbeleid blijvend moeten werken met twee maten naast elkaar. Overigens blijft het gebruik van andere dosismaten voor specifieke gevallen mogelijk.

De nieuwe dosismaat wordt niet nu over de gehele linie ingevoerd, omdat dit wetsvoorstel zich tot de implementatie van de richtlijn dient te beperken. Bovendien wordt verwacht dat de omzetting van het huidige normstelsel in de nieuwe dosismaat de nodige discussie zal opleveren, welke discussie niet kan worden ingepast binnen de implementatietermijn van 24 maanden. Omdat er nog enige tijd ligt tussen het totstandkomen van de onderhavige wet en de feitelijke werkzaamheden met de nieuwe dosismaat (de eerste geluidsbelastingkaarten moeten uiterlijk 2007 gereed zijn), is een ontkoppeling van beide wetstrajecten praktisch niet bezwaarlijk. De verwachting is dat de volledige invoering van de nieuwe dosismaat een feit kan zijn voordat de feitelijke toepassing van deze dosismaat een aanvang neemt. Er wordt naar gestreefd de volledige invoering van de nieuwe dosismaat binnen vier jaar af te ronden.

De invoering van de nieuwe dosismaat voor weg- en spoorwegverkeerslawaai heeft geen inhoudelijke gevolgen voor de toepassing van NEN 5077. De in die norm vastgelegde definities en bepalingsmethode blijven ongewijzigd van toepassing, terwijl de waarde van de geluidwering aangeduid blijft in dB(A). In tabel 3.1 is bij de grenswaarden een extra kolom toegevoegd om onderscheid te kunnen maken tussen de grenswaarden die behoren bij industrielawaai respectievelijk weg- of spoorwegverkeerslawaai. De betreffende grenswaarden worden gerelateerd aan het hogere waardenbesluit. In deze tabel is het onderlinge verschil van 2 decibel tussen dB(A) en dB tot uitdrukking gebracht. Ook is in deze tabel de aansturing van de eis in het nieuwe zevende lid geregeld.

Artikel 3.2.

Het doel van dit artikel is de geluidhinder te beperken in verblijfsgebieden en verblijfsruimten van bouwwerken. Het gaat om in de Wet geluidhinder als geluidsgevoelig aangemerkte bouwwerken (bijvoorbeeld voor wonen, gezondheidszorg en onderwijs) alsmede kantoren.

De eisen betreffen de ‘karakteristieke’ geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie. Dit met het oog op de vrije indeelbaarheid van bouwwerken. Onder karakteristieke geluidwering wordt verstaan de grootheid die het verschil weergeeft tussen geluidsniveaus aan weerszijden van die gevel waarbij de geluidwering is teruggerekend naar een standaard diepte achter de scheidingsconstructie. Enerzijds is dit het niveau van het invallende geluid aan de buitenzijde van de scheidingsconstructie en anderzijds het geluidsniveau in het verblijfsgebied erachter.

Voor het laatstgenoemde geluidsniveau geeft het eerste lid via de tabel grenswaarden. Bij het bepalen daarvan is uitgegaan van de hoogste geluidsniveaus die de Wet geluidhinder toestaat in geluidsgevoelige ruimten. Dit is mogelijk, omdat verblijfsgebieden en verblijfsruimten, waarop de onderhavige eisen betrekking hebben, kunnen worden aangemerkt als geluidsgevoelige ruimten.

Een theorielokaal van een onderwijsgebouw is ingevolge de Wet geluidhinder aangemerkt als een ruimte waarin geluidsgevoelige activiteiten plaatsvinden. Daarom geldt er voor een uitwendige scheidingsconstructie van een geluidsgevoelig verblijfsgebied, waarin een of meer theorielokalen liggen, een hogere geluidsisolatie-eis dan voor bijvoorbeeld een verblijfsgebied dat uitsluitend is bestemd voor een of meer vaklokalen.

De grenswaarde van 30 dB(A) geldt bij een gezondheidszorgfunctie voor:

  • onderzoeks- en behandelingsruimten van ziekenhuizen en verpleeghuizen in algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen;
  • onderzoeks-, behandelings-, recreatie- en conversatieruimten, alsmede woon- en slaapruimten van gebouwen in andere gezondheidszorggebouwen;

De grenswaarde van 35 dB(A) geldt bij een gezondheidszorgfunctie voor ruimten voor patiëntenhuisvesting, alsmede recreatie- en conversatieruimten van ziekenhuizen en verpleeghuizen in algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen. De grenswaarde van 30 dB(A) geldt bij een onderwijsfunctie voor:

  • leslokalen van basisscholen;
  • theorielokalen van scholen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs, en
  • theorielokalen van instellingen voor hoger beroepsonderwijs.

De grenswaarde van 35 dB(A) bij een onderwijsfunctie geldt voor:

  • theorievaklokalen van scholen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs, en
  • theorievaklokalen van instellingen voor hoger beroepsonderwijs.

Aangezien de uitwendige scheidingsconstructie van een gebouw in de regel al een geluidwering van 20 dB(A) heeft, zonder dat extra maatregelen behoeven te worden genomen, is de in dit lid vervatte eis vooral van belang bij het bouwen van geluidsgevoelige gebouwen waarvan de geluidsbelasting meer is dan 50-55 dB(A). Dit doet zich voor in krachtens de Wet geluidhinder vastgestelde zones rond onder meer wegen, spoorwegen, industrieterreinen en buitenlandse luchtvaartterreinen. Deze laatste zijn geen onderwerp van regeling van artikel 3.2.

De geluidwering die het tweede lid vereist voor de buitenwanden van een woonwagen - ten minste 20 dB(A) is de maximaal haalbare. Dit betekent dat in zwaarder met geluid belaste gebieden de binnenwaarde in een woonwagen hoger kan zijn dan 35 dB(A), de waarde die in beginsel voor woonfuncties geldt. Voor een woonwagen moet de bescherming tegen geluidhinder daarom primair worden gezocht in de locatiekeuze van de standplaats. De normstelling voor deze locatiekeuze is geregeld in besluiten die berusten op de Wet geluidhinder, namelijk het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zone langs wegen, het Besluit geluidhinder spoorwegen en het Saneringsbesluit geluidhinder wegverkeer.

Het derde lid geeft een grenswaarde voor het geluidsniveau in de kantoorruimte die achter de uitwendige scheidingsconstructie ligt. Scheidingsconstructies van bouwwerken hebben in de regel al een geluidwering van 20 dB(A), zonder dat er extra maatregelen hoeven te worden genomen. Wanneer men deze waarde optelt bij toegelaten geluidsniveau van 40 dB(A) voor kantoorruimten, komt men op een grenswaarde van 60 dB(A)voor de geluidsbelasting van de gevel. De eisen van dit lid zijn dan ook van belang voor het bouwen van kantoren waarvan de geluidsbelasting meer is dan 60 dB(A)

Het vierde lid geeft aan dat, indien krachtens de Wet geluidhinder in het verblijfsgebied van een bouwwerk een hoger geluidsniveau is toegestaan, de karakteristieke geluidwering van de buitengevel niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de geluidbelasting van die gevel en het krachtens de Wet geluidhinder toegestane hogere geluidsniveau. Voor een kantoorfunctie zal daarbij de bepalingsmethode van het derde lid moeten worden toegepast.

Het vijfde lid heeft betrekking op de inwendige scheidingsconstructie tussen een verblijfsgebied en een besloten ruimte die aan de buitenlucht grenst, zoals bijvoorbeeld een serre of besloten galerij. Zo’n binnenwand moet dezelfde mate van geluidwering hebben als de gevel van een vergelijkbaar verblijfsgebied dat direct grenst aan de buitenlucht. Hierbij mag het positieve effect van die serre of besloten galerij worden meegerekend. Een en ander vloeit voort uit de omschrijving in het eerste hoofdstuk van het begrip ‘inwendige scheidingsconstructie’.

Het komt vaak voor dat een bouwaanvraag een niet-ingedeeld verblijfsgebied omvat. Na de voltooiing van het gebouw wordt dit gewoonlijk pas ingedeeld in onder meer afzonderlijke verblijfsruimten. Voor deze situatie waarborgt het zesde lid dat er in elke afzonderlijke verblijfsruimte een aanvaardbaar geluidsniveau optreedt.

Bij Stb. 2006, 586 is dit artikel aangepast. Met deze wijzigingen zijn enkele begrippen die in de uitvoeringspraktijk aanleiding geven tot misverstanden verduidelijkt. Het betreft met name de zinsnede “de volgens de Wet geluidhinder bepaalde geluidsbelasting”. In aansluiting met de systematiek van de Wet geluidhinder is hier bedoeld de volgens de Wet geluidhinder geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, een waarde die bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is afgesproken. Deze geluidsbelastingwaarde is vastgelegd in het hogere waardenbesluit dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan. Het gaat dan om de maximaal toelaatbare geluidsbelasting op de gevel van het bouwwerk waarin de betreffende gebruiksfunctie ligt. Tevens is de term “geluidniveau” vervangen door “geluidsbelasting”. Daarmee sluiten deze voorschriften van het Bouwbesluit 2003 beter aan bij de begripsbepalingen van de Wet geluidhinder.

Niet alleen situaties waarvoor de Wet geluidhinder grenswaarden stelt dienen te voldoen aan de eisen die dit besluit aan de geluidwering van de gevel stelt. Zo valt de beoordeling van woningbouw langs 30 km per uur wegen niet onder de Wet geluidhinder. Woningen die langs die wegen gebouwd worden dienen echter wel aan de in dit besluit opgenomen eisen voor woningen te voldoen.

Een andere situatie doet zich voor bij kantoorgebouwen. Bij kantoorgebouwen gaat het uitsluitend om de “geluidsbelasting bepaald volgens de Wet geluidhinder”. Alhoewel kantoorgebouwen niet zijn aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in de Wet geluidhinder, moet voor dit soort gebouwen wel van de in die wet opgenomen bepalingsmethode gebruik worden gemaakt. In het nieuwe zevende lid zijn deze situaties geregeld. In geval geluidsgevoelige gebruiksfuncties nabij industrieterreinen of (spoor)wegen gebouwd gaan worden en er geen hogere waardenbesluit is, omdat het bestemmingsplan ontbreekt of nog niet is geactualiseerd, of daar wettelijk geen verplichting toe bestond, dan moeten die bouwwerken toch afdoende geluidisolatie hebben. In die situaties is voor de bepaling van de karakteristieke geluidwering de “geluidbelasting zoals bepaald volgens de Wet geluidhinder” van toepassing. Dat wil zeggen dat de geluidsbelasting overeenkomstig de begripsbepaling en het reken- en meetvoorschrift van de Wet geluidhinder moet worden bepaald. Er is geen sprake van een inhoudelijke wijziging van de eisen.

Artikel 3.3.

Het doel van dit artikel is de geluidhinder te beperken in verblijfsgebieden en verblijfsruimten van geluidsgevoelige gebruiksfuncties die liggen in zones rond binnenlandse luchtvaartterreinen welke op grond van de Luchtvaartwet zijn vastgesteld.

Met de wijziging die is gepubliceerd in Stb. 2006, 257 is de tekst aangepast aan de wijziging van de Wet luchtvaart (Stb. 2002, 374). Kern van die wijziging is dat de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol onder de Wet luchtvaart valt en niet onder de Luchtvaartwet. Voor de omgeving van Schiphol zijn kaarten ontwikkeld met een zonering door middel van geluidscontouren.

Deze moeten in acht worden genomen bij de bepaling van de karakteristieke geluidwering van nieuw te bouwen bijzonder geluidsgevoelige gebouwen. Alhoewel de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (RGV ’97) is ontwikkeld voor de na-isolatie van bestaande bijzonder geluidsgevoelige gebouwen, biedt de Wet luchtvaart de mogelijkheid om deze regeling ook voor nieuw te bouwen bijzonder geluidsgevoelige gebouwen toe te passen. Daartoe bevat de RGV ’97 de betreffende geluidskaarten rondom de luchthaven Schiphol. Voor alle andere luchthavens blijft de Luchtvaartwet van kracht.

De maximaal toelaatbare geluidsbelasting van de gevels van bedoelde gebruiksfuncties is uitgedrukt in zogenaamde Kosteneenheden (Ke). In het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaartterreinen is onder meer bepaald dat er maatregelen moeten worden getroffen aan geluidsgevoelige gebruiksfuncties die worden gebouwd op plaatsen waar de geluidsbelasting hoger is dan 35 Ke. Het doel van deze maatregelen is een aanvaardbaar geluidsniveau te verzekeren binnen verblijfsgebieden en verblijfsruimten (geluidsgevoelige ruimten).

Het eerste lid eist voor een woonfunctie, gezondheidszorgfunctie en een onderwijsfunctie een zekere karakteristieke geluidwering voor de uitwendige scheidingsconstructie van verblijfsgebieden, indien deze gebruiksfuncties in een gebied liggen waar sprake is van ernstige hinder door luchtvaartlawaai. Bij de interpolatie van de grenswaarde mag de uitkomst van de interpolatie niet worden afgerond.

Het tweede lid regelt degeluidwering van vliegtuiglawaai voor kantoren.

Het derde lid is erop gericht de geluidhinder te beperken die slaapkamers van woonfuncties en ziekenkamers in de gezondheidszorgfunctie ondervinden van structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer. Dit zijn voorschrften die ook op basis van artikel 25 van de luchtvaartwet zijn gegeven in de RGV'97. Wat de L Aeq-geluidwering betreft, is aangesloten op de systematiek die het Bouwbesluit voor de wering van geluid van buiten kent. De RGV'97 kent echter geen L Aeq-geluidsbelasting op een uitwendige scheidingsconstructie. Die geluidsbelasting kan echter gelijk worden gesteld aan het gemeten binnenniveau, uitgedrukt in dB(A), bij een geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie die op 0 dB(A) is gesteld. Voor de bepaling van de geluidsbelasting is verwezen naar de NEN 5077, omdat deze de methode bevat waarmee het binnenniveau word vastgesteld als een energetisch gewogen uitkomst voor opstijgend en landend vliegverkeer.

Het vierde lid heeft betrekking op de inwendige scheidingsconstructie (binnenwand) tussen een verblijfsgebied en een besloten ruimte van bijvoorbeeld een aan een woning grenzende serre, besloten galerij, garage of buitenberging. Zo’n binnenwand moet dezelfde mate van geluidwering hebben als de gevel van een vergelijkbaar verblijfsgebied dat direct grenst aan de buitenlucht. Hierbij mag het positieve effect van die serre of besloten galerij worden meegerekend. Een en ander vloeit voort uit de omschrijving in het eerste hoofdstuk van het begrip ‘inwendige scheidingsconstructie’.

Artikel 3.5.

De ontheffingsvoorschriften zijn als het gaat om verbouwingen rond de vliegvelden Schiphol en Beek afgestemd op de inhoud van de RGV’97. Daarmee wordt voorkomen dat wat met ’s-rijks middelen wordt gesaneerd niet kan worden gerealiseerd omdat b&w van oordeel zijn dat ten onrechte is gebruik gemaakt van de ontheffingsmogelijkheid.

Het vijfde lid waarborgt dat er in elke afzonderlijke verblijfsruimte een aanvaardbaar geluidsniveau optreedt.

Afdeling 3.2.Bescherming tegen geluid van installaties, nieuwbouw

Artikel 3.6.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de bescherming tegen geluid van installaties.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.7 bevat eisen betreffende het geluidsniveau in een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie dat wordt veroorzaakt door een installatie die zich bevindt in een aangrenzende gebruiksfunctie op een aangrenzend perceel (aangrenzend perceel);
2.artikel 3.8 bevat eisen betreffende het geluidsniveau in een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie dat wordt veroorzaakt door een installatie die zich bevindt in een op hetzelfde perceel gelegen woonfunctie, logiesfunctie, of gemeenschappelijk verblijfsgebied (zelfde perceel);
3.artikelen 3.9 geeft aan tot welk niveau burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
4.artikel 3.10 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften daarvoor gelden (tijdelijke bouw).

Voor de ‘woonfunctie van een woonwagen’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis van het eerste lid op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Deze paragraaf bevat in aangepaste vorm de inhoud van artikel 5 van het voormalige Besluit geluidwering gebouwen.

In tegenstelling tot de in paragraaf 3.1 vervatte aspecten met betrekking tot de beperking van geluidhinder, zijn in deze paragraaf geen afzonderlijke voorschriften gegeven voor verblijfsruimten. De reden hiervoor is, dat de aard van een scheidingsconstructie tussen beschouwde gebruiksfuncties in de regel zodanig is dat het feitelijk gezien geen verschil maakt of sprake is van een verblijfsgebied of van een afzonderlijke verblijfsruimte.

Artikel 3.7.

Dit artikel heeft als doel geluidhinder veroorzaakt door met name genoemde installaties te beperken voor de belendingen. Enkele voorbeelden van zulke situaties zijn geluidhinder in een woonkamer als gevolg van een toilet in een aangrenzende woonfunctie of als gevolg van een liftinstallatie in een aangrenzend kantoor. Dit zowel voor niet-gemeenschappelijke (individuele) als gemeenschappelijke installaties.

De wenselijkheid van deze voorschriften vloeit voort uit de omstandigheid dat mensen geluiden van buiten de eigen woning, hotelkamer, kantoor etc. als hinderlijker ondervinden dan geluiden van binnen de eigen woning, etc. Dit komt mede doordat men in de regel geen of nauwelijks invloed kan uitoefenen op geluid dat van buiten de niet-gemeenschappelijke ruimten van de eigen gebruiksfunctie komt.

Onder het begrip ‘karakteristiek geluidsniveau’ wordt overeenkomstig NEN 5077 verstaan de grootheid die het geluidsniveau in de ontvangruimte weergeeft dat wordt veroorzaakt door een installatie die in werking is, herleid naar gestandaardiseerde afmetingen van de ontvangruimte. De hantering van dit begrip hangt samen met het beginsel van de vrije indeelbaarheid van een woonfunctie.

Artikel 3.8.

Dit artikel regelt de beperking van overlast van installaties voor op het zelfde perceel gelegen gebruiksfuncties.

Het eerste lid regelt dat een al dan niet gemeenschappelijke installatie van een woonfunctie geen geluidsoverlast zal geven in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een andere woonfunctie (bijvoorbeeld van een andere woning in het woongebouw. Een gemeenschappelijke installatie zal in geen enkele woning geluidsoverlast mogen geven.

Een soortgelijke bepaling is voor logiesfuncties (bijvoorbeeld hotelkamers) opgenomen in het tweede lid. Dit lid geldt echter ook ter bescherming van een gemeenschappelijk verblijfsgebied van een logiesfunctie. Het toelaatbaar geluidsniveau verschilt 5 dB(A) met die van een woonfunctie.

Het derde lid geeft aan dat er in een al dan niet gemeenschappelijk verblijfsgebied van een woonfunctie geen geluidsoverlast mag zijn, afkomstig van een installatie van een gebruiksfunctie anders dan een woonfunctie.

Afdeling 3.3.Geluidwering tussen verblijfsruimten van dezelfde gebruiksfuctie, nieuwbouw

Artikel 3.11.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de geluidwering tussen verblijfsruimten van één gebruiksfunctie.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De voorschriften beperken zich tot woonfuncties. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.12 bevat eisen betreffende de geluidwering tussen verblijfsruimten van een woning en tussen bepaalde verblijfsruimten van een onderwijsfunctie (isolatie-index), en
2.artikel 3.13 geeft aan tot welk niveau burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen (verbouw).
3.artikel 3.14 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften daarvoor gelden (tijdelijke bouw).

Voor andere gebruiksfuncties dan de woonfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op die andere gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 3.12.

Met dit artikel wordt beoogd mogelijke hinder in verblijfsruimten van een woonfunctie die wordt veroorzaakt door lawaai vanuit andere verblijfsruimten in die woonfunctie, te beperken. Het gaat hier uitsluitend om geluidwering tussen ruimten van eenzelfde gebruiksfunctie die zijn bestemd voor gebruik door één gebruikseenheid. De geluidwering tussen ruimten van een gebruiksfunctie en gemeenschappelijke ruimten waarop die gebruiksfunctie is aangewezen, zoals bijvoorbeeld een gemeenschappelijke keuken of badruimte, valt onder paragraaf 3.5, Geluidwering tussen ruimten van aangrenzende gebruiksfuncties.

De eisen zijn uitgedrukt in een karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en een isolatie-index voor contactgeluid. Onder de ‘karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid’ wordt verstaan de grootheid die de geluidsisolatie voor luchtgeluid tussen twee ruimten weergeeft, herleid naar gestandaardiseerde afmetingen van de ontvangstruimte. Luchtgeluid is een trilling van de lucht die wordt voortgebracht door een geluidsbron in een ruimte (zendruimte). Deze luchttrilling brengt via een constructie-onderdeel, zoals een wand, de lucht in een andere ruimte (ontvangstruimte) eveneens in trilling.

Met het begrip ‘isolatie-index voor contactgeluid’ wordt aangeduid de grootheid die de geluidsisolatie voor contactgeluid tussen twee ruimten weergeeft. De waarde van deze laatste grootheid is onafhankelijk van de afmetingen van de ontvangstruimte, zodat herleiding naar gestandaardiseerde afmetingen hierbij niet noodzakelijk is. Daarom is het ook niet nodig te spreken van een karakteristieke wering van contactgeluid. Contactgeluid is een door een geluidsbron direct, dus zonder tussenkomst van lucht, veroorzaakte trilling van een constructie-onderdeel in een ruimte (zendruimte). Deze luchttrilling brengt, eventueel via een ander constructie-onderdeel, de lucht in een andere ruimte (ontvangstruimte) eveneens in trilling.

Het voorschrift bevat de geluidsisolatie-eisen tussen niet-gemeenschappelijke verblijfsruimten in een woonfunctie, ontleend aan artikel 4 van het voormalige Besluit geluidwering gebouwen. Dit voorschrift geldt niet voor verblijfsruimten op dezelfde bouwlaag die met elkaar in open verbinding staan of worden gescheiden door een wand met daarin een deur. Zo’n eis zou niet zinvol zijn en is, met het oog op de kosten, ook niet doelmatig. Het voorschrift is wel van toepassing indien er zich in een verblijfsruimte bijvoorbeeld een open trap bevindt die naar een verblijfsruimte leidt op een andere bouwlaag. Uiteraard geldt het voorschrift ook in geval van een verbinding met een andere bouwlaag via een trappenhuis met deuren. Van ‘rechtstreeks bereikbaar zijn door een deuropening’ is geen sprake ingeval van twee aangrenzende vertrekken die met elkaar in verbinding staan via deuren die op een overloop uitkomen. Bij dit voorschrift is echter, anders dan bij artikel 4 van het voormalige Besluit geluidwering gebouwen, gelet op de vrije indeelbaarheid van de woning, geen onderscheid meer gemaakt tussen verschillende soorten verblijfsruimten, zoals bijvoorbeeld de hoofdwoonkamer en andere kamers.

Afdeling 3.4.Beperking van galm, nieuwbouw

Artikel 3.15.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van galm voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, stellen in artikel 3.16 een eis aan het geluidsabsorberend vermogen van gangen en trappenhuizen in woongebouwen (getalwaarde).

Voor andere gebruiksfuncties dan de ‘woonfunctie gelegen in een woongebouw’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op die andere gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 3.16.

Het doel van het eerste lid is de geluidhinder in appartementen als gevolg van galm in aangrenzende gangen trappenhuizen of besloten galerijen te beperken. In verband met het feit dat een gemeenschappelijke verkeersruimte, zoals een trappenhuis of besloten galerij, vanwege het galmeffect uitnodigt tot het maken van lawaai - schreeuwen, klappen of stampen - in die ruimte, voorziet het eerste lid, dat materieel overeenkomt met artikel 6 van het voormalige Besluit geluidwering gebouwen, in het terugdringen van dat galmeffect tot een aanvaardbaar niveau. Immers, door het aanbrengen van een voldoende hoeveelheid geluidsabsorberend materiaal kan de nagalmtijd worden gereduceerd tot omstreeks 1,3 seconde, waardoor de geluidsoverlast in aan die ruimten grenzende woningen wordt beperkt. In de praktijkrichtlijn NPR 5071, uitgave 1981 zoals aangevuld in 1990, zijn voorbeelden van maatregelen tegen galm gegeven.

Onder de geluidsabsorptie van een gemeenschappelijke verkeersruimte wordt verstaan de som van de geluidsabsorptie van de onderscheiden omhullingsdelen van die ruimte en van de in die ruimte aanwezige constructie-onderdelen, waarbij onder de geluidsabsorptie van een omhullingsdeel of constructie-onderdeel wordt verstaan de verhouding tussen het door dat (onder)deel geabsorbeerde, dat wil zeggen niet gereflecteerde, geluidvermogen en het op dat (onder)deel invallende geluidvermogen.

Tot 1 september 2005 hebben er ook eisen gegolden binnen een onderwijsfunctie. Het laten vervallen van deze voorschriften aan de beperking van galm in leslokalen betekent niet dat het beperken van galm niet van belang is. Het is echter aan de opdrachtgever om een programma van eisen op te stellen dat recht doet aan de onderwijskundige eisen die aan een gebouw worden gesteld.

Afdeling 3.5.Geluidwering tussen ruimten van verschillende gebruiksfuncties, nieuwbouw

Artikel 3.17.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de geluidwering tussen ruimten van andere gebruiksfuncties.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.18 bevat eisen betreffende de geluidwering tussen besloten ruimten van aangrenzende gebruiksfuncties die liggen op verschillende percelen (ander perceel);
2.artikel 3.19 bevat soortgelijke eisen, maar dan voor aangrenzende gebruiksfuncties die liggen op hetzelfde perceel (hetzelfde perceel), en
3.artikel 3.20 geeft aan tot welk niveau burgemeester en wethouders maximaal ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
4.artikel 3.21 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften daarvoor gelden (tijdelijke bouw).

Voor de woonfunctie van een woonwagen en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Deze paragraaf bevat in aangepaste vorm de voorschriften van de artikelen 3 van het voormalige Besluit geluidwering gebouwen.

Artikel 3.18.

De eisen in deze paragraaf zijn uitgedrukt in een karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid (eerste lid) en een isolatie-index voor contactgeluid (tweede lid). Een verklaring van deze termen is gegeven in de toelichting op artikel 3.12. Voor de geluidwering tussen woonfuncties is de geluidsisolatie-index voor contactgeluid overeenkomstig de Nota Mensen, Wensen,Wonen (TK, vergaderjaar 2000-2001, 27 559, nr 2) met 5 dB aangescherpt. Deze lijn is niet doorgetrokken voor de geluidwering tussen een gebruiksfunctie, niet zijnde een woonfunctie, en een woonfunctie.

Met het voorschrift van het eerste en tweede lid wordt beoogd de mogelijke hinder in een al dan niet gemeenschappelijk verblijfsgebied voor het verblijven van mensen te beperken die wordt veroorzaakt door lawaai vanuit een besloten ruimte van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander perceel. Hierbij kan worden gedacht aan een woonkamer, een zolderruimte die een slaapkamer bevatof bijvoorbeeld een leslokaal of kantoorruimte, die beschermd moeten worden tegen lawaai uit een trappenhuis, een verkoopruimte of een productiewerkplaats in een belendend bouwwerk. In de meeste gebruiksfuncties heeft een verblijfsgebied een geluidsgevoelig karakter, daarom wordt voor de geluidsisolatie-indexen in de regel een waarde verlangd van ten minste 0 dB. Uitgaande van een normale geluidsproductie, zal bij die waarde de hinder in het verblijfsgebied beperkt blijven. De eis geldt niet voor situaties waarin de ontvangruimte van het geluid ligt in een lichte industriefunctie of in een overige gebruiksfunctie. Gezien de aard van dit soort gebruiksfuncties, zoals bijvoorbeeld een bergruimte bij een woning, een magazijn in een winkel of een stal in een boerderij, wordt een geluidsisolatie-eis niet nodig geacht.

Er zijn twee gebruiksfuncties te onderscheiden met een extreme bronbelasting qua geluidsproductie. Het gaat met name om:

a.bijeenkomstfuncties, waarin geluidbelastende activiteiten kunnen plaatsvinden, die geen geluidhinder mogen veroorzaken in besloten ruimten van andere gebouwen die naast zo'n bijeenkomstgebouw staan. Bij deze geluidbelastende activiteiten kan bijvoorbeeld worden gedacht aan muziek(uitvoeringen), en
b.industriegebouwen, waarin geluidbelastende activiteiten plaatsvinden, die geen geluidhinder mogen veroorzaken in besloten ruimten van andere gebouwen die aan zo'n industriegebouw grenzen.

Voor die situaties is een strengere eis gesteld.

Er is van afgezien om naast het voorschrift voor verblijfsgebieden nog een afzonderlijk voorschrift te geven voor verblijfsruimten. De reden hiervan ligt in de aard van de scheidingsconstructies tussen de in dit lid bedoelde ruimten. Deze zijn doorgaans gelijkmatig van structuur zodat er geen verschillen zullen worden gemeten afhankelijk van het deel van de scheidingsconstructie dat tussen de beschouwde ruimten wordt beoordeeld.

Het derde en het vierde lid hebben betrekking op mogelijke hinder in besloten, al dan niet gemeenschappelijke ruimten van een woonfunctie die niet tot een verblijfsgebied behoren, welke hinder -net als in het eerste lid- wordt veroorzaakt door lawaai vanuit een besloten ruimte van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander perceel. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een toiletruimte, een vliering zolang deze binnen de woonfunctie ligt, een trappenhuis en een gemeenschappelijke ruimte voor afvalcontainers.

De voorschriften van het eerste en het vijfde lid over geluidwering van een ruimte van sportfunctie naar een onderwijsfunctie zijn ontleend aan de artikelen 16, tweede lid en 17, vierde lid, van het voormalige Bouwbesluit WBO en aan de artikelen 16, tweede lid, 17, vierde lid, en 21, derde lid, van het voormalige Bouwbesluit ISOVSO.

Artikel 3.19.

Dit artikel is vergelijkbaar met het voorgaande, maar richt zich op situaties waarin zend- en ontvangruimte van het geluid op hetzelfde perceel liggen.

Het vijfde lid heeft betrekking op de relatie tussen een woonfunctie en bijvoorbeeld een schuur of een garage die bij die woonfunctie behoort. Zo’n bergruimte wordt beschouwd als een ‘overige gebruiksfunctie’ tevens nevenfunctie zijnde. Omdat er in dit geval van mag worden uitgegaan dat lawaai in de bergruimte wordt veroorzaakt door de gebruikers van de woning zelf, is een eis aan de geluidwering niet nodig. Een eis aan de geluidwering wordt wel gesteld indien de bergruimte door twee of meer woonfuncties wordt gebruikt.

Het eerste tot en met het vierde lid geven specifieke voorschriften voor de karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de isolatie-index voor contactgeluid voorzover de al dan niet gemeenschappelijke ontvangruimte is gelegen in een woonfunctie.

Het zesde lid bepaalt dat de voorschriften van het derde en het vierde lid niet van toepassing zijn op situaties waarin een gemeenschappelijke gang of trappenhuis de ontvangruimte is als de bron van het geluid zich in een andere ruimte van die of een andere woonfunctie bevindt. Op de situatie waarin de gemeenschappelijke verkeersruimte de zendruimte van het geluid is en een verblijfsgebied in een woning de ontvangruimte, is het eerste lid onverkort van toepassing.

In het zevende lid is bepaald dat de voorschriften van het eerste tot en met vierde lid niet gelden voor gemeenschappelijke ruimten van een woongebouw, zoals gemeenschappelijke gangen, zitgelegenheden en badruimten, onderling. De reden is dat men door de aard van het gebruik daarvan niet snel hinder zal ondervinden van de andere gemeenschappelijke ruimte.

Het achtste lid regelt de geluidsisolatie tussen cellen en tussen een cel een gemeenschappelijk verblijfsgebied in een gevangenis, politiebureau of een gerechtsgebouw.

Gelet op het geluidsgevoelige karakter van een verblijfsgebied van een logiesfunctie bepaalt het negende lid dat de geluidsisolatie indices tussen bijvoorbeeld twee in een logiesgebouw gelegen logiesfuncties een waarde dienen te hebben van ten minste -5 dB. Uitgaande van een normale geluidsproductie, zal bij die waarde de hinder in de andere logiesfunctie beperkt zijn.

Tot 1 september 2005 hebben er ook eisen gegolden binnen een onderwijsfunctie. Het laten vervallen van deze voorschriften aan de geluidsisolatie tussen op een zelfde perceel gelegen ruimten betekent niet dat geluidsisolatie niet van belang is. Het is echter aan de opdrachtgever om een programma van eisen op te stellen dat recht doet aan de onderwijskundige eisen die aan een gebouw worden gesteld.

Afdeling 3.6.Wering van vocht van buiten

§ 3.6.1.Nieuwbouw

Artikel 3.22.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor wering van vocht van buiten voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het onderhavige onderwerp is er slechts één artikel. Dit is artikel 3.23, dat eisen bevat betreffende de waterdichtheid en specifieke luchtvolumestroom van scheidingsconstructies van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toilet- en badruimten.

Voor de ‘lichte industriefunctie’, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 3.23.

Het doel van dit artikel is te voorkomen dat er in gebouwen vochtoverlast optreedt en daarmee de kwaliteit van het binnenmilieu wordt aangetast. Feitelijk gezien komt dit erop neer, dat het dak en de gevels regen, sneeuw en hagel moeten kunnen weren. Bovendien moet de laagst gelegen vloer het doordringen van vocht, bijvoorbeeld vanuit de kruipruimte en optrekkend vocht, kunnen voorkomen.

Het eerste en het tweede lid komen er meestal op neer dat het dak, de gevel en de laagst gelegen vloer van een gebouw, behoudens ten behoeve van een industriefunctie, waterdicht moeten zijn. Een constructie-onderdeel is blijkens NEN 2778 waterdicht, indien dat onderdeel niet zichtbaar water doorlaat en het binnenoppervlak van de constructie over een dikte van 0,01 mm niet vochtig wordt. Deze waterdichtheid wordt vastgesteld aan de hand van a) een gestandaardiseerde beregeningsproef en b) een ter plaatse voorkomende hoogste grondwaterstand die gedurende een gestandaardiseerde tijdsduur in stand moet worden gehouden.

Niet alle uitwendige scheidingsconstructies behoeven volgens het eerste lid waterdicht te zijn. Voorbeelden hiervan zijn het dak en de gevels van een industriefunctie of een serre, schuur of garage. Indien zo’n bouwsel grenst aan een gebouw waarop het eerste lid van toepassing is, moet de wand tussen beide volgens het derde lid waterdicht zijn. Bij de bepaling van de waterdichtheid van de scheidingswand mag men rekening houden met de positieve effecten van het dak en de gevels van de serre, schuur of garage. Dit vloeit voort uit de definitie van het begrip ‘inwendige scheidingsconstructie’.

Het vierde lid bevat een eis aan de vochtwering van de begane grondvloer ter plaatse van een verblijfsgebied, toilet- of badruimte waaronder een kruipruimte ligt. Het doel hiervan is te voorkomen dat door het doordringen van lucht vanuit de kruipruimte de relatieve luchtvochtigheid in de genoemde ruimten op een te hoog niveau komt te liggen. Hierdoor zou al snel oppervlaktecondensatie op constructie-onderdelen ontstaan en schimmelgroei worden bevorderd, wat uit gezondheidsoogpunt ongewenst is.

In een gebouw ten behoeve van een industriefunctie kan een niet-besloten verblijfsgebied aanwezig zijn. Bij zo’n verblijfsgebied worden geen eisen aan de waterdichtheid gesteld. Dit is omdat in de praktijk blijkt dat voor veel industriegebouwen waterdichtheid niet relevant is en ook niet altijd kan worden gerealiseerd. Bovendien is het toegestaan in een industriegebouw een niet-besloten ruimte als verblijfsgebied aan te merken. Een dergelijke ruimte behoeft uit de aard der zaak niet waterdicht te zijn. De markt kan zelf beslissen of en in hoeverre een industriegebouw1 moet zijn. De gezondheid van in het gebouw werkzame personen kan ook worden gewaarborgd met persoonlijke beschermingsmiddelen.

Opmerking Nico Scholten

1 Bedoeld is gebouw ten behoeve van een industriefunctie.

§ 3.6.2.Bestaande bouw

Artikel 3.24.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.6.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.25.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.6.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Dit artikel vereist voor bestaande gebouwen praktisch dezelfde mate van vochtwerendheid als voor nieuwbouw. Anders dan voor nieuwbouw is er echter geen eis gesteld aan het doordringen van lucht vanuit de kruipruimte. Het stellen van zo’n eis zou namelijk hebben betekend dat houten vloeren in de bestaande voorraad niet langer zijn toegestaan.

Afdeling 3.7.Wering van vocht van binnen

§ 3.7.1.Nieuwbouw

Artikel 3.26.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor wering van vocht van binnen voor voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.27 bevat eisen aan de factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte van wanden van verblijfsgebieden (factor van de temperatuur), en
2.artikel 3.28 bevat eisen aan het vermogen tot wateropname van de wanden van een toilet- of badruimte (wateropname).

Voor de ‘lichte industriefunctie’, ‘niet-verwarmde logiesfunctie’, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid voor dit onderdeel geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

De eis voor de temperatuur van de binnenoppervlakte van een scheidingsconstructie is niet langer van toepassing op een toilet- en een badruimte. Hieraan ligt de motivering ten grondslag dat hoge vochtproducties in dergelijke ruimten mogelijk zijn als gevolg van het normale gebruik van deze ruimten. Niet zo zeer oppervlaktecondensatie is de oorzaak van de vorming van allergenen in bijvoorbeeld de badruimte, maar veeleer vocht als gevolg van het douchen. Het voorschrift met betrekking tot de wateropname van deze scheidingsconstructies voorziet in afdoende mate in het voorkomen van een ongezond binnenklimaat in bedoelde ruimten.

Artikel 3.27.

Het doel van dit artikel is te voorkomen dat er in gebouwen vochtophoping als gevolg van condensatie optreedt. Dit gebeurt met het oogmerk zoveel mogelijk te voorkomen dat er een gunstig milieu ontstaat voor schimmels en huisstofmijt.

Condensatie wordt voorkomen door het vermijden van relatief koude binnenoppervlakken, de zogenoemde koudebruggen. Het gaat daarbij om constructie-onderdelen die een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen begrenzen. Het begrip ‘factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte’ (f-factor) geeft een verhouding weer tussen twee grootheden. Enerzijds is dit het verschil tussen de temperatuur op het binnenoppervlak van een constructie-onderdeel en de buitentemperatuur, en anderzijds het verschil tussen de binnentemperatuur en de buitentemperatuur.

Het eerste en tweede lid gelden slechts voor de uitwendige scheidingsconstructie en de begane-grondvloer voorzover deze een verblijfsgebied begrenzen. Gevels ter plaatse van bijvoorbeeld een toilet- of badruimte, een serre of aangebouwde garage vallen er niet onder, evenmin als het dak boven een zolder die niet als verblijfsgebied voor het verblijven van mensen is ingericht.

Ter voorkoming van condensvorming op binnenwanden tussen dergelijke ruimten en het verblijfsgebied bevat het derde lid een eis aan deze inwendige scheidingsconstructies.

In het vierde lid is bepaald dat voor bepaalde onderdelen van, of voorzieningen samenhangend met wanden, de eisen betreffende condensvorming niet gelden. Het gaat hierbij om ramen, deuren, kozijnen, voorzieningen voor ventilatie, voor toevoer van verbrandingslucht, voor afvoer van rook en dergelijke constructie-onderdelen. Zou die eis wel zijn gesteld, dan zouden de kosten daarvan niet in redelijke verhouding staan tot het daarvan te verwachten positieve effect.

Het vijfde lid bevat een uitzondering op de eisen inzake condensvorming op wanden van verblijfsgebieden. Deze uitzondering is gemaakt voor gebouwen die niet worden verwarmd met het oog op het verblijven van mensen. De uitgezonderde gebouwen kunnen dus wel zijn verwarmd met het oog op bijvoorbeeld het vorstvrij houden. Feitelijk gaat het hier om gebouwen waarin slechts af en toe mensen aanwezig zullen zijn, bijvoorbeeld in verband met het verrichten van arbeid. Deze gebouwen moeten behoren tot de ‘andere industriefunctie’, zoals bijvoorbeeld bepaalde productiehallen en opslag- en bewaarfuncties.

Artikel 3.28.

Wanneer er als gevolg van het gebruik van water teveel vocht doordringt in de wanden of de vloer van een bad- of toiletruimte kan er schimmelvorming, rotting of lekkage ontstaan. Hierdoor kan op den duur de gezondheid van de gebruikers van het gebouw nadelig worden beïnvloed. Krachtens dit artikel mogen daarom het oppervlak van het onderste deel van die wanden en het oppervlak van de vloer slechts beperkt waterdoorlatend zijn. Dit kan worden bereikt door bijvoorbeeld het aanbrengen van tegels. De eisen leiden er tevens toe dat de wanden en de vloer op effectieve wijze kunnen worden gereinigd. Aangezien op de plaats waar wordt gedoucht, de wanden op een grotere hoogte met water in aanraking kunnen komen, dienen de wanden van de badruimte ter plaatse van het bad of de douche tot een grotere hoogte beperkt waterdoorlatend te zijn.

§ 3.7.2.Bestaande bouw

Artikel 3.29.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.7.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.30.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.7.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Dit artikel bevat voorschriften omtrent de mate van vochtdoorlatendheid van wanden en vloeren van badruimten in de bestaande bouw. De toegestane mate van vochtdoorlatendheid is dezelfde als die welke voor de nieuwbouw geldt. Aan dit voorschrift wordt bijvoorbeeld voldaan als in een bestaande badruimte op de vloer en op de wanden tot 1 m hoogte tegels zijn aangebracht.

Voor wanden en vloeren van een toiletruimte gelden, in tegenstelling tot bij de nieuwbouw, geen eisen met betrekking tot de waterdoorlatendheid. De reden hiervoor is dat veel toiletruimten in de bestaande voorraad niet aan die eisen voldoen en, gelet op het feit dat het gebruik van water in die ruimten aanzienlijk minder is dan in een badruimte, de kans op lekkage en rotting bij toiletruimten veel geringer is.

Evenmin zijn voorschriften gegeven ter vermijding van zogenoemde koudebruggen in de gevel. Dit houdt verband met het feit dat een dergelijke eis in het verleden niet heeft gegolden, hetgeen kan worden verklaard uit het feit dat dit soort eisen in de loop der tijd noodzakelijk is geworden als gevolg van het thermisch isoleren en luchtdicht maken van woningen en woongebouwen.

Afdeling 3.8.Afvoer van afvalwater en fecaliën

§ 3.8.1.Nieuwbouw

Artikel 3.31.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor afvoer van afvalwater en fecaliën voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.32 regelt in welke situatie er een afvoervoorziening aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.33 bepaalt dat een voorgeschreven afvoervoorziening moet kunnen worden aangesloten op het riool en op welke plaatsen de voorziening aansluitpunten moet hebben (aansluitingen);
3.artikel 3.34 bepaalt wat voor capaciteit de voorziening ten minste dient te hebben (capaciteit), en
4.artikel 3.35 bepaalt dat de voorziening lucht- en waterdicht moet zijn (lucht/waterdicht).

Artikel 3.32.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën.

Het gaat hierbij om een stelsel van afvoerleidingen binnen het gebouw tot het punt waar de voorziening het perceel verlaat. De verplichting tot aanwezigheid van de afvoervoorziening is voor de woonfunctie verplicht. Voor alle andere bouwwerken is dit afhankelijk van de aanwezigheid van een lozingstoestel. Dat wil zeggen dat indien zo’n gebruiksfunctie of ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ een toiletpot met waterspoeling, een spoelbak, een wastafel of een ander lozingstoestel bevat, het een binnenriolering moet hebben. Dit moet wat creatief worden toegepast omdat sanitairtoestellen niet langer op grond van het Bouwbesluit 2003 zijn voorgeschreven. Zodra er dus een aansluitpunt van een voorziening voor drinkwater ten behoeve van een later te plaatsen sanitairtoestel aanwezig is, zal ook in de binnenriolering moeten worden voorzien.

Het afvalwater dat mag worden afgevoerd is hetzij huishoudelijk afvalwater, hetzij bedrijfsafvalwater dat naar zijn aard overeenkomt met huishoudelijk afvalwater. Voor lozingen van andere aard gelden standaardvoorschriften krachtens de Wet milieubeheer of is een vergunning op grond van die wet nodig.

Artikel 3.33.

De binnenriolering moet zodanig zijn ingericht dat deze kan worden aangesloten op het openbaar riool. Plaats en hoogte van het aansluitpunt waar dit stelsel op het openbaar riool kan worden aangesloten, zijn afhankelijk van de ligging van het openbaar riool. Indien niet op het openbaar riool kan worden aangesloten, bijvoorbeeld bij het ontbreken van een dergelijk riool of in geval van het overbruggen van een met het oog op het noodzakelijke verhang te grote afstand tot dat riool, zal op grond van paragraaf 1.3 een gelijkwaardige voorziening moeten zijn getroffen, waarmee wordt voorkomen dat bodemverontreiniging of verontreiniging van oppervlaktewater plaatsvindt. Een gelijkwaardige voorziening zou bijvoorbeeld kunnen zijn het lozen van het afvalwater en de faecaliën op oppervlaktewater indien dit aanwezig is en de desbetreffende waterkwaliteitsbeheerder op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 1981, 573) de lozing toestaat, dan wel het lozen in de bodem, mits dit technisch uitvoerbaar is. In dit laatste geval zal moeten worden voldaan aan de desbetreffende krachtens de Wet bodembescherming (Stb. 1986, 374) gegeven voorschriften, waaronder in elk geval het Lozingenbesluit bodembescherming (Stb. 1990, 217).

Het eerste lid schrijft niet voor dat het stelsel van afvoerleidingen moet worden aangesloten op het openbaar riool, aangezien dit geen technisch voorschrift is in de zin van artikel 2 van de Woningwet, doch een voorschrift omtrent het gebruik van een woning of woongebouw, welk voorschrift op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van die wet in de gemeentelijke bouwverordening moet worden gegeven.Voor alle gebruiksfuncties geldt op grond van het tweede lid dat bij elk lozingstoestel, van welke soort dan ook, dus ook voor een in een verblijfsruimte geplaatste wasbak, spoelbak e.d., er een aansluitpunt op de binnenriolering moet zijn.

Artikel 3.34.

Voor het doeltreffend verlopen van de afvoer van afvalwater en fecaliën is een zekere doorstroomsnelheid nodig. Voor het in Nederland gebruikelijke rioleringssysteem is in NEN 3215, waarnaar is verwezen, een bepalingsmethode gegeven, waarmee kan worden bepaald welke hoeveelheid afvalwater en faecaliën op enig moment moet kunnen worden afgevoerd en waarmee kan worden geverifieerd of het rioleringsstelsel deze hoeveelheid ook ordentelijk kan afvoeren. Daarbij spelen onder meer de leidingmiddellijn, het vloeiend verloop van de leiding, het verhang en de beluchting een rol. Voor minder gangbare rioleringssystemen zal op grond van artikel 40 moeten worden aangetoond dat door middel van dat systeem een gelijkwaardige prestatie wordt geleverd.

Artikel 3.35.

Om lekkage en stank tegen te gaan moet de inrichting van de afvoervoorziening aan de NEN 3215 voldoen. Op grond van dit normblad kan door middel van het op overdruk brengen van het rioleringsstelsel worden nagegaan of de afvoervoorziening voldoende dicht is. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij het aansluiten van een lozingstoestel op dat stelsel een waterslot moet zijn toegepast.

§ 3.8.2.Bestaande bouw

Artikel 3.36.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.37.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.38.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Het tweede lid bevat voor de minimumomvang van de voorziening in bouwwerken,geen gebouw zijnde de eis dat er bij aanwezigheid van een lozingstoestel een aansluitpunt moet zijn ter plaatse van dat lozingstoestel. Deze eis is eender aan de desbetreffende nieuwbouweis voor alle utiliteitsgebouwen.

Artikel 3.39.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De in artikel 3.39 gestelde eisen met betrekking tot de capaciteit van de binnenriolering van een bestaande gebouw zijn lager dan die welke voor de nieuwbouw gelden. Het alsnog aanpassen van bestaande rioleringssystemen aan de nieuwste inzichten, zou leiden tot een financiële inspanning waarvan de kosten niet opwegen tegen de alsdan verkregen meer gezonde situatie.

Artikel 3.40.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3.9.Afvoer van hemelwater, nieuwbouw

Artikel 3.41.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de afvoer van hemelwater voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.42 regelt in welke situatie er een afvoervoorziening aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.43 bepaalt dat een voorgeschreven afvoervoorziening moet kunnen worden aangesloten op het riool (aansluitingen);
3.artikel 3.44 bepaalt wat voor capaciteit de voorziening ten minste dient te hebben (capaciteit), en
4.artikel 3.45 bepaalt dat de voorziening lucht- en waterdicht moet zijn (lucht/waterdicht).

Voor industriefunctie, ‘logiesverblijf niet gelegen in een logiesgebouw’, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 3.42.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater. Wat betreft de opvang kan hierbij worden gedacht aan dakgoten of, bij een plat dak, aan het dak zelf, en, wat betreft de afvoer, aan regenpijpen. Het doel van dit voorschrift is te voorkomen dat er een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie in en bij het gebouw ontstaat.

Artikel 3.43.

Artikel 3.42 eist niet dat de voorziening voor de afvoer van hemelwater daadwerkelijk moet zijn aangesloten op het openbaar riool, aangezien dit geen technisch voorschrift is in de zin van artikel 2 van de Woningwet, doch een voorschrift omtrent het gebruik van een gebouw, welk voorschrift op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van die wet in de gemeentelijke bouwverordening moet worden gegeven.

Wel moet de afvoervoorziening van het gebouw zodanig zijn dat deze op het riool kan worden aangesloten. Het aanwezige openbaar rioolstelstel kan gecombineerd zijn, dat wil zeggen bestemd voor de afvoer van zowel afvalwater en fecaliën als hemelwater. Het alternatief vormen twee gescheiden stelsels, namelijk voor ieder van de genoemde lozingssoorten een. In het laatste geval dient de hemelwaterafvoer krachtens het tweede lid een aansluitmogelijkheid te hebben voor het hemelwaterriool. In geval van een gecombineerd rioolstelsel mag de aanvrager van de bouwvergunning volgens het tweede lid zelf bepalen of hij met twee afzonderlijke voorzieningen aansluit op het hoofdriool of dat hij al op het eigen perceel de voorziening voor de afvoer van hemelwater en de voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën samenvoegt.

Artikel 3.44.

Dit artikel heeft als motief een doeltreffende werking te waarborgen van de vereiste afvoervoorzieningen. Hiertoe verwijst het naar de NEN 3215, waarvan toepassing leidt tot een goede afstemming tussen aanvoer- en afvoercapaciteit. Met dit normblad wordt bepaald met welke hoeveelheid regenwater er rekening moet zijn gehouden en op welke wijze er kan zijn vastgesteld of de voorziening die hoeveelheid ook werkelijk kan afvoeren.

Artikel 3.45.

Indien een hemelwaterafvoer voor een deel door gebouw voert, moet worden voorkomen dat als gevolg daarvan lekkage of stank in het gebouw optreedt. Om die reden is bepaald dat de afvoervoorziening, bepaald overeenkomstig NEN 3215, luchtdicht moet zijn, hetgeen onder andere betekent dat verbindingen tussen onderdelen van de afvoervoorziening lucht- en waterdicht moeten zijn uitgevoerd.

Afdeling 3.10.Luchtverversing van een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte

§ 3.10.1.Nieuwbouw

Artikel 3.46.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor luchtverversing van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voor te bouwen bouwwerken.

De in het tweede lid bedoelde tabellen wijzen per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Bij het samenstellen van de tabel is niet een neutrale 1 op 1 vertaling ten opzichte van het Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618, uitgevoerd. De correcte capaciteitseisen zouden de volgende zijn, te herkennen aan gele achtergrond:

Tabel 3.46a Capaciteitseisen voor een verblijfsgebied

gebruiksfunctie bezettingsgraad B1 B2 B3 B4 B5 min. cap. in m3/s
BIJEENKOMSTFUNCTIE
1. verblijfsgebied van een bijeenkomstfunctie met alcoholgebruik 4,8∙10-3 4,8∙10-3 4,8∙10-3 nt nt 7∙10-3
2. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 nt nt 7∙10-3
3. verblijfsgebied van een bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport 4,8∙10-3 1,9∙10-3 nt nt nt 7∙10-3
4. verblijfsgebied niet 1 t.m. 3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 nt nt 7∙10-3
CELFUNCTIE
1. verblijfsgebied van celfunctie niet voor dag- en nachtverblijf met toiletpot in verblijfsgebied 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 0,5∙10-3 nt 11∙10-3
2. verblijfsgebied van celfunctie niet voor dag- en nachtverblijf zonder toiletpot in verblijfsgebied 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 0,5∙10-3 nt 7∙10-3
3. verblijfsgebied van celfunctie voor dag- en nachtverblijf met toiletpot in verblijfsgebied 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 nt 11∙10-3
4. verblijfsgebied van celfunctie voor dag- en nachtverblijf zonder toiletpot in verblijfsgebied 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 nt 7∙10-3
5. verblijfsgebied uitsluitend bestemd voor bezoekers 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 nt nt 7∙10-3
6. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 nt 7∙10-3
7. verblijfsgebied anders dan 1 t.m. 6 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 0,5∙10-3 nt 7∙10-3
GEZONDHEIDSZORGFUNCTIE
1. verblijfsgebied voor bezoekers 4,8∙10-3 1,9∙10-3 1,3∙10-3 nt nt 13∙10-3
2. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 nt 13∙10-3
3. verblijfsgebied bestemd voor het verblijf van patiënten die door hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid permanent of tijdelijk aan bed zijn gebonden 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 nt 13∙10-3
4. verblijfsgebied anders dan 1 t.m. 3 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 0,5∙10-3 nt 13∙10-3
LICHTE INDUSTRIEFUNCTIE
Verblijfsgebied - - - - - -
INDUSTRIEFUNCTIE NIET ZIJNDE LICHTE INDUSTRIE
1. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 1∙10-3 7∙10-3
2. verblijfsgebied anders dan 1 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 0,5∙10-3 0,5∙10-3 7∙10-3
KANTOORFUNCTIE
Verblijfsgebied 1,3∙10-3 1,3∙10-3 1,3∙10-3 1,3∙10-3 nt 13∙10-3
LOGIESFUNCTIE
Verblijfsgebied 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 nt 7∙10-3
ONDERWIJSFUNCTIE
1. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 nt nt 7∙10-3
2. verblijfsgebied anders dan 1 8,8∙10-3 3,5∙10-3 1,4∙10-3 nt nt 7∙10-3
SPORTFUNCTIE
1. verblijfsgebied met sportgebruik 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 0,5∙10-3 0,5∙10-3 7∙10-3
2. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 1∙10-3 7∙10-3
3. verblijfsgebied anders dan 1 of 2 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 0,5∙10-3 0,5∙10-3 7∙10-3
WINKELFUNCTIE
1. verblijfsgebied (mede?) voor het winkelend publiek 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 0,5∙10-3 0,5∙10-3 7∙10-3
2. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 1∙10-3 7∙10-3
3. verblijfsgebied anders dan 1 of 2 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 0,5∙10-3 0,5∙10-3 7∙10-3
OVERIGE GEBRUIKSFUNCTIE
1. verblijfsgebied voor het stallen van motorvoertuigen 3∙10-3 3∙10-3 3∙10-3 3∙10-3 3∙10-3 -
2. verblijfsgebied voor het opslaan van afval - - - - - 100∙10-3
3. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen ? ? ? ? ? ?
4. verblijfsgebied anders dan 1 t.m. 3 - - - - - -
nt: niet toelaatbaar;- : geen eis

Tabel 3.46b Capaciteitseisen voor een verblijfsruimte

gebruiksfunctie bezettingsgraad B1 B2 B3 B4 B5 min. cap. in m3/s
BIJEENKOMSTFUNCTIE
1. verblijfsruimte van een bijeenkomstfunctie met alcoholgebruik 3,8∙10-3 3,8∙10-3 3,8∙10-3 nt nt 7∙10-3
2. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 nt nt 7∙10-3
3. verblijfsruimte van een bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport 3,8∙10-3 1,5∙10-3 nt nt nt 7∙10-3
4. verblijfsruimte niet 1 t.m. 3 3,8∙10-3 1,5∙10-3 0,6∙10-3 nt nt 7∙10-3
CELFUNCTIE
1. verblijfsruimte van celfunctie niet voor dag- en nachtverblijf met toiletpot in verblijfsgebied 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 0,4∙10-3 nt 11∙10-3
2. verblijfsruimte van celfunctie niet voor dag- en nachtverblijf zonder toiletpot in verblijfsgebied 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 0,4∙10-3 nt 7∙10-3
3. verblijfsruimte van celfunctie voor dag- en nachtverblijf met toiletpot in verblijfsgebied 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 nt 11∙10-3
4. verblijfsruimte van celfunctie voor dag- en nachtverblijf zonder toiletpot in verblijfsgebied 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 nt 7∙10-3
5. verblijfsruimte uitsluitend bestemd voor bezoekers 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 nt nt 7∙10-3
6. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 nt 7∙10-3
7. verblijfsruimte anders dan 1 t.m. 6 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 0,4∙10-3 nt 7∙10-3
GEZONDHEIDSZORGFUNCTIE
1. verblijfsruimte voor bezoekers 3,8∙10-3 1,5∙10-3 1∙10-3 nt nt 10∙10-3
2. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 1∙10-3 (had 0,8∙10-3 moeten zijn) nt 10∙10-3
3. verblijfsruimte bestemd voor het verblijf van patiënten die door hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid permanent of tijdelijk aan bed zijn gebonden 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 nt 10∙10-3
4. verblijfsruimte anders dan 1 t.m. 3 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 0,8∙10-3 nt 10∙10-3
LICHTE INDUSTRIEFUNCTIE
verblijfsruimte - - - - - -
INDUSTRIEFUNCTIE NIET ZIJNDE LICHTE INDUSTRIE
1. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 1∙10-3 (had 0,8∙10-3 moeten zijn) 1∙10-3 (had 0,8∙10-3 moeten zijn) 7∙10-3
2. verblijfsruimte anders dan 1 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 0,4∙10-3 0,4∙10-3 7∙10-3
KANTOORFUNCTIE
verblijfsruimte 1∙10-3 1∙10-3 1∙10-3 1∙10-3 nt 10∙10-3
LOGIESFUNCTIE
verblijfsruimte 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 nt 7∙10-3
ONDERWIJSFUNCTIE
1. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 nt nt 7∙10-3
2. verblijfsruimte anders dan 1 7∙10-3 2,8∙10-3 1,1∙10-3 nt nt 7∙10-3
SPORTFUNCTIE
1. verblijfsruimte met sportgebruik 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 0,4∙10-3 0,4∙10-3 7∙10-3
2. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 1∙10-3 (had 0,8∙10-3 moeten zijn) 1∙10-3 (had 0,8∙10-3 moeten zijn) 7∙10-3
3. verblijfsruimte anders dan 1 of 2 3,8∙10-3 1,5∙10-3 0,6∙10-3 0,4∙10-3 0,4∙10-3 7∙10-3
WINKELFUNCTIE
1. verblijfsruimte (mede?) voor het winkelend publiek 3,8∙10-3 1,5∙10-3 0,6∙10-3 0,4∙10-3 0,4∙10-3 7∙10-3
2. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 1∙10-3 (had 0,8∙10-3 moeten zijn) 1∙10-3 (had 0,8∙10-3 moeten zijn) 7∙10-3
3. verblijfsruimte anders dan 1 of 2 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 0,4∙10-3 0,4∙10-3 7∙10-3
OVERIGE GEBRUIKSFUNCTIE
1. verblijfsruimte voor het stallen van motorvoertuigen 3∙10-3 3∙10-3 3∙10-3 3∙10-3 3∙10-3 -
2. verblijfsruimte voor het opslaan van afval - - - - - 100∙10-3
3. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen ? ? ? ? ? ?
4. verblijfsruimte anders dan 1 t.m. 3 - - - - - -
nt: niet toelaatbaar;- : geen eis

De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.47 bepaalt in welke situatie er een voorziening voor luchtverversing aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.48 bepaalt wat voor capaciteit de voorziening ten minste moet hebben (capaciteit);
3.artikel 3.49 bepaalt voor de leefzone van een verblijfsgebied de maximale luchtsnelheid van de toegevoerde lucht (thermisch comfort);
4.artikel 3.50 bevat voorschriften omtrent het kunnen regelen van de voorziening door de gebruiker (regelbaarheid);
5.artikel 3.51 bepaalt de richting van de luchtstroming van en naar de voorziening (stromingsrichting);
6.artikel 3.52 stelt eisen betreffende de plaats van de instroomopening van de toevoervoorziening (plaats van de opening), en
7.artikel 3.53 bepaalt vanwaar de verse lucht naar een verblijfsgebied of verblijfsruimte moet worden toegevoerd en waarheen deze moet worden afgevoerd (luchtkwaliteit).

Voor de gebruiksfunctie ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfunctie niet van toepassing is.

Deze voorschriften zijn voor ruimten met alcoholgebruik van een bijeenkomstfunctie mede ontleend aan het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Wel moet bedacht worden dat dat besluit mechanische ventilatie voorschrijft, terwijl het Bouwbesluit dat niet doet. Daarmee is niet geheel recht gedaan aan de bedoeling van artikel 5 van de Woningwet. Degene die een bouwplan wil realiseren doet er verstandig de strengere eis van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet aan te houden.

De voorschriften zijn voor een gezondheidszorgfunctie ontleend aan het Besluit bouwmaatstaven Wet ziekenhuisvoorzieningen.

De voorschriften voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte van een onderfunctie zijn ontleend aan de artikelen 5, negende lid, en 6, vijfde lid, van zowel het voormalige Bouwbesluit WBO als het voormalige Bouwbesluit ISOVSO.

De voorschriften voor een verblijfsgebied en verblijfsruimte van een sportfunctie behorende bij een onderwijsfunctie zijn ontleend aan artikel 14, derde lid, van het voormalige Bouwbesluit WBO en aan de artikelen 14, derde lid, en 19, derde lid, van het voormalige Bouwbesluit ISOVSO.

Het voorgeschreven ventilatievoud voor een winkelfunctie is mede ontleend aan de Arbeidsomstandighedenwetgeving en heeft betrekking op het in de winkel aanwezige personeel en niet op de winkelbezoekers. In het deel van de winkelfunctie dat niet is bestemd voor bezoekers, is dan ook een hoger ventilatievoud voorgeschreven dan in het deel dat mede bestemd is voor bezoekers.

Artikel 3.47.

Dit artikel schrijft de aanwezigheid voor van een voorziening waarmee een verblijfsgebied, een verblijfsruimte, een toiletruimte en een badruimte langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd. Op deze wijze wordt zeker gesteld dat de noodzakelijke zuurstof kan worden aangevoerd en kooldioxide, waterdamp, onaangename geurstoffen en stofdeeltjes kunnen worden afgevoerd. Verder is luchtverversing nodig om de in de lucht aanwezige schadelijke stoffen als gevolg van bijvoorbeeld formaldehyde-emissie en radonstraling te kunnen afvoeren.

Artikel 3.48.

Dit artikel heeft als doel te waarborgen dat de door de mens veroorzaakte concentratie van kooldioxyde in een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte of badruimte op een aanvaardbaar peil kan worden gehouden en geurstoffen in voldoende mate kunnen worden afgevoerd.

De hoeveelheid luchtverversing van een verblijfsgebied of verblijfsruimte wordt bepaald aan de hand van zogenoemde bezettingsgraadklassen. Het is de bedoeling dat de aanvrager van een bouwvergunning voor een utiliteitsgebouw de klasse aangeeft die naar zijn oordeel van toepassing is. Daarbij zal de aanvrager moeten uitgaan van de hoogste bezetting waarop hij voor de betrokken bestemming rekent. Het uitgaan van een bezettingsgraadklasse voor de bepaling van de capaciteit van de ventilatievoorziening betekent in de praktijk dat het verblijfsgebied of de verblijfsruimte door niet méér personen mag worden gebruikt dan het aantal dat bij de opgegeven klasse behoort. Dit vloeit voort uit de gebruiksvoorschriften van de gemeentelijke bouwverordening. Wordt een deel van een gebouw op twee verschillende manieren gebruikt, dan moet het ook als twee gebruiksfuncties worden aangevraagd. In dat geval geldt de bezettingsgraadklasse waarvoor de zwaarste eis geldt.

Wat betreft de hoogte van de eisen gaan de voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte van een woonfunctie voorgeschreven capaciteit van 0,9 dm3/s respectievelijk 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte uit van gemiddeld één persoon per 7 m2 verblijfsruimte. Voor de oppervlakte van een verblijfsgebied is voorts aangenomen dat deze gemiddeld ten minste 10% groter is dan de som van de daarbinnen gelegen verblijfsruimten. Hiermee stemmen de eisen overeen met het advies van de Gezondheidsraad inzake ventilatie van 19841, waarin een minimum luchtverversing wordt aanbevolen van 25 m3/h (=7∙10-3 m3/s) per persoon. Om te waarborgen dat in het kleinst denkbare verblijfsgebied of de kleinst denkbare verblijfsruimte van 4 m2 in een woonwagen en van 5 m² in een woning toch voldoende ventilatie aanwezig is, zoals bedoeld in het advies van de Gezondheidsraad, is als ondergrens een capaciteit van 7∙10-3 m3/s voorgeschreven. Voor een verblijfsruimte is een zwaardere eis gesteld dan tot 31 december 2002 op grond van het Bouwbesluit heeft gegolden. De gegeven vangneteis kon tot te ongezonde situatie leiden, afgezet tegen het advies van de Gezondheidsraad.

De noodzakelijke ventilatiecapaciteit voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte van een niet tot bewoning bestemde gebruiksfunctie is feitelijke afhankelijk van:

a.het aantal personen per vierkante meter vloeroppervlakte van dat gebied of die ruimte, uitgedrukt in klassen van de bezettingsgraad, en
b.de klasse van de ventilatie,

zoals uitgelegd in het algemeen deel van deze toelichting. De achtergronden voor de ventilatieklassen zijn beschreven in het TNO Bouw rapport 94 BBI 1537. In dat rapport is ook de vertaling naar ventilatie-capaciteiten aangegeven per klasse.

De grenswaarden voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang gelden voor de gehele functie voor kinderopvang en niet alleen voor de ruimten waarin geslapen wordt. De vereiste waarden zijn ontleend aan de rapportage ‘Bouwbesluit 2003 toegespitst op kinderopvang’ (Van Overveld Bouwbesluit Advies bv, oktober 2002).

Voor een kantoorfunctie en een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen wordt uitgegaan van een vaste minimum capaciteit, ongeacht de klasse van de bezettingsgraad. Gemakshalve is daar ook tabel 3.16.1 voor gebruikt, zodat het lijkt alsof er een relatie bestaat tussen de klasse van de bezettingsgraad en de noodzakelijke ventilatie.

Bij het stellen van de eisen ten aanzien van verblijfsruimten is er van uitgegaan dat de eisen betreffende de ventilatie van een verblijfsgebied voldoende ventilatie binnen dat gehele gebied waarborgen. De eisen gesteld aan verblijfsruimten gelden uitsluitend als vangnet.

Het voorschrift van het derde lid voor een verblijfsgebied of verblijfsruimte met een kook- of warmwatertoestel is erop gericht dat geurstoffen, bij normale verbranding vrijkomende dampen en overmatige waterdampproductie die daar kunnen ontstaan in korte tijd kunnen worden afgevoerd en verbrandingslucht kan worden toegevoerd. Door de beperking van dit voorschrift tot toestellen met een nominale belasting van 15 kW is het niet toereikend voor ruimten waarin een of meer toestellen zijn geplaatst met een grotere nominale belasting. Voor zulke gevallen is of sprake van een meldingplichtige inrichting in de zin van de Wet milieubeheer waarvoor afzonderlijke technische voorschriften zijn gegeven of er is een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer vereist. In die vergunning kunnen op de specifieke situatie toegesneden eisen worden gesteld aan de luchtverversing.

De in het vierde lid voorgeschreven capaciteit voor een toiletruimte is zodanig dat verontreinigde lucht in korte tijd kan worden afgevoerd. De voor een badruimte voorgeschreven capaciteit is afgestemd op het afvoeren van een overmaat aan waterdamp binnen zodanige tijd dat schimmelvorming wordt voorkomen.

Het vijfde lid regelt dat in een woning of vakantiewoning de verblijfsgebieden één voor één moeten worden beoordeeld en de ventilatie niet gelijktijdig in alle verblijfsgebieden tegelijk aanwezig moet zijn. De gedachte hierachter is dat niet alle verblijfsgebieden gelijktijdig door alle gebruikers worden gebruikt die in dit verblijfsgebied kunnen vertoeven. Anders gezegd, personen kunnen allemaal slapen of allemaal in de woonkamer/keuken aanwezig zijn. De regulering leidt er verder toe dat de afvoercapaciteit van de ventilatievoorzieningen van een woning niet groter hoeft te zijn dan de noodzakelijke ventilatiecapaciteit van het grootste verblijfsgebied van de woning.

Het zesde lid ziet er op toe dat in de utiliteitsbouw in alle verblijfsgebieden gelijktijdig de volle ventilatiecapaciteit aanwezig kan zijn. Immers, alle verblijfsgebieden kunnen gelijktijdig door het maximale aantal mensen waarvoor dat gebied is ontworpen, worden gebruikt.

Omdat gemeenschappelijke verblijfsgebieden door gebruikers van verschillende woningen kunnen worden gebruikt en daarbij niet de situatie aanwezig hoeft te zijn dat slechts personen in een deel van het verblijfsgebied aanwezig zullen zijn, zullen op grond van het zevende lid alle gemeenschappelijke verblijfsgebieden gelijktijdig met de volle capaciteit moeten kunnen worden geventileerd.

OPMERKING Nico Scholten

1 “Het binnenhuisklimaat, in het bijzonder een ventilatieminimum, in Nederlandse woningen”, Gezondheidsraad, 1984.

Artikel 3.49.

In dit artikel zijn voorschriften gesteld betreffende de luchtsnelheid van de ventilatielucht, met het doel tochtverschijnselen tot een minimum te beperken. Dit voorschrift is niet voor een verblijfsruimte gegeven. Dat bij een verblijfsruimte geen hinderlijke tochtverschijnselen zich zullen voordoen is overgelaten aan de marktpartijen. Daarmee is invulling gegeven aan de gedachte van meer markt en minder overheid.

Het feit dat dit voorschrift over de luchtverversing voor een industriefunctie niet geldt, maakt het mogelijk dat de ventilatie van een industriegebouw uitsluitend tot stand komt via deuren. Dat geldt ook voor een overige gebruiksfunctie. Voor deze laatste functie kan de ventilatie ook totstandkomen via gaten in de gevel.

Artikel 3.50.

Met de eisen betreffende de regelbaarheid van de ventilatievoorziening is beoogd de gebruikers van de gebruiksfunctie de mogelijkheid te geven zelf de voorziening op de gewenste stand in te stellen. Er dient een nulstand te zijn. Die hoeft echter niet te leiden tot een absoluut luchtdicht rooster of klepraam. Daarnaast zijn er nog ten minste twee fijnregelstanden nodig. Daarmee is geregeld dat bij een grote windsterkte de ventilatietoevoer toch zo kan worden geregeld dat geen tochtverschijnselen optreden en niet onnodig veel ventilatielucht naar binnen komt. Een zelfregulerend rooster mag er voorts niet toe leiden dat er substantieel te weinig of te veel wordt geventileerd.

Het is niet de bedoeling dat de ventilatietoevoer naar een toilet- en badruimte een fijnregeling kent.

Een parkeergarage en een ruimte voor de opslag van afvalstoffen moet permanent worden geventileerd. Dit is de reden waarom volgens het derde lid een inlaatopening niet afsluitbaar mag zijn.

Artikel 3.51.

Het voorschrift inzake de richting van de luchtstroming is gesteld om te voorkomen dat bijvoorbeeld een afvoervoorziening als toevoer gaat werken. Tevens dient het er voor om te verifiëren dat de ventilatie ook daadwerkelijk tot stand kan komen. Vanwege het principe van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag ligt (zie algemeen deel van de toelichting), is bepaald dat bij het bepalen van de stromingsrichting geen rekening wordt gehouden met bouwwerken, die op een aangrenzend perceel zijn gelegen.

Artikel 3.52.

Dit voorschrift voorziet er in dat de kwaliteit van de ventilatielucht ter plaatse van de inlaat van een voldoende kwaliteit is om als ventilatielucht te kunnen worden gebruikt.

Het eerste lid leidt er toe dat tussen een toevoeropening van een ventilatievoorziening en een afvoeropening van een ventilatieopening en van een rookafvoer een zodanig afstand aanwezig is, dat door de wind de vervuilde lucht voldoende is gemengd met zuivere lucht opdat die lucht weer geschikt is als ventilatielucht.

Het tweede lid leidt er toe dat tussen een afvoeropening van een ventilatievoorziening en een toevoeropening van een ventilatieopening en van een verbrandingsluchttoevoer een zodanig afstand aanwezig is, dat door de wind de vervuilde lucht voldoende is gemengd met zuivere lucht opdat die lucht weer geschikt is ventilatielucht of verbrandingslucht die stroom via een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen.

Het derde en het vierde lid zijn de weerslag van het principe van gelijke monniken en gelijke kappen dat aan dit besluit ten grondslag ligt en dat in het algemeen deel van deze toelichting nader is beschreven.

Artikel 3.53.

In het eerste lid is praktisch gezien geregeld dat van de totale capaciteit aan ventilatielucht ten behoeve van alle verblijfsgebieden van de woning ten minste de helft van buiten moet worden aangezogen; het restant mag worden betrokken uit een ander tot de woning behorend verblijfsgebied of uit een tot de woning behorende ruimte waardoor een verkeersroute voert. Aan deze regulering ligt de gedachte ten grondslag dat in een gangbare gezinssituatie de gebruikers van de woning zich grotendeels ophouden in de woonkamer en keuken of in de slaapkamers, althans dat de verblijfsgebieden niet alle gelijktijdig volledig worden gebruikt. Met dit voorschrift is interne recirculatie van lucht toegestaan, hetgeen leidt tot energiebesparing, aangezien recirculatielucht niet meer behoeft te worden opgewarmd.

Het tweede lid regelt dat bij een gemeenschappelijk verblijfsgebied alle toevoerlucht rechtstreeks van buiten moet komen. Een gemeenschappelijk verblijfsgebied mag zijn ventilatielucht niet uit een gemeenschappelijk verblijfsgebied betrekken.

Voor de overige gebruiksfuncties bepaalt het derde lid dat alle verse lucht voor een al dan niet gemeenschappelijk verblijfsgebied rechtstreeks van buiten moet worden toegevoerd.

Op grond van het vierde lid, behoeft niet de gehele ventilatiecapaciteit van een verblijfsruimte met kooktoestel rechtstreeks naar buiten te worden afgevoerd. De afvoercapaciteit die uitgaat boven de 21 dm3/s die voor het koken nodig is, mag via een andere ruimte worden afgevoerd.

Het vijfde en het zesde lid bevatten eisen die strekken tot het rechtstreeks naar buiten afvoeren van sterk vervuilde binnenlucht. De bedoeling hiervan is te voorkomen dat onaangename geuren of grote hoeveelheden waterdamp zich verspreiden naar andere ruimten van de gebruiksfunctie.

§ 3.10.2.Bestaande bouw

Artikel 3.54.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking hebben op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de ventilatievoorziening, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort, de fijnregeling en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Artikel 3.55.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking hebben op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de ventilatievoorziening, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort, de fijnregeling en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Artikel 3.56.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking hebben op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de ventilatievoorziening, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort, de fijnregeling en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwartikelen wordt nog het volgende opgemerkt.

Het niveau van de geëiste ventilatiecapaciteit is het laagste dat in verblijfsruimten nog aanvaardbaar is uit het oogpunt van gezondheid en komt overeen met het minimum dat in de nieuwbouwvoorschriften voor verblijfsruimten, gerelateerd aan de laagste klasse van de bezettingsgraad die voor nieuwbouw is toegestaan, is geëist. Is sprake van een grotere bezetting, dan zullen b&w, zoals aangegeven in het algemeen gedeelte van de toelichting de grenswaarde dienovereenkomstig kunnen aanpassen om te beoordelen of er nog van een voldoende gezonde situatie sprake is.

De bepalingsmethode, vastgelegd in NEN 8087, laat het verder toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt.

Artikel 3.57.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking hebben op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de ventilatievoorziening, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort, de fijnregeling en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Artikel 3.58.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking hebben op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de ventilatievoorziening, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort, de fijnregeling en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Artikel 3.59.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking hebben op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de ventilatievoorziening, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort, de fijnregeling en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Afdeling 3.11.Spuivoorziening

§ 3.11.1.Nieuwbouw

Artikel 3.60.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor spuivoorzieningen voor te bouwen bouwwerken.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.61 bepaalt in welke situatie er ten behoeve van het snel kunnen afvoeren van verontreinigde binnenlucht beweegbare constructie-onderdelen (de spuivoorziening) in de gevel aanwezig moeten zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.62 bepaalt welke luchtverversingscapaciteit een spuivoorziening ten minste moet hebben (capaciteit), en
3.artikel 3.63 schrijft voor hoe groot de afstand tussen een spuivoorziening en de perceelsgrens ten minste moet zijn en hoe die afstand moet worden gemeten (plaatsbepaling).

Alleen voor de woonfunctie en de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang wijst de tabel van het tweede lid voorschriften aan. Voor de overige gebruiksfuncties worden geen enkel voorschrift aangewezen. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 3.61.

In het niet gemeenschappelijk gedeelte van een woonfunctie of een woonwagen en in een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang kunnen zich soms situaties voordoen dat snel een zeer grote mate van luchtverversing (doorspuiing) moet kunnen plaatsvinden. Hieraan ontstaat vooral behoefte wanneer een hoge concentratie van schadelijke of hinderlijke gassen optreedt, zoals bij schilderwerkzaamheden of luierlucht. De normale ventilatie is niet afgestemd op deze tijdelijke verhoogde ventilatiebehoefte. Met het oog op zulke situaties is voorgeschreven dat er in de gevel van een woning of de buitenwand van een woonwagen respectievelijk van een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang beweegbare ramen, luiken of deuren aanwezig zijn.

Het tweede lid houdt rekening met het feit dat in een kinderopvang (bezettingsgraadklasse B1) reeds zodanig veel reguliere ventilatiecapaciteit aanwezig is, dat een specifieke spuiventilatie geen toegevoegde waarde heeft.

Artikel 3.62.

Dit artikel regelt welke minimum capaciteit de doorspuivoorzieningen moeten hebben. Het uitgangspunt vormen eisen aan de totale capaciteit voor de luchtverversing van een verblijfsgebied van een woonfunctie of een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. Daarnaast is een eis gesteld aan de capaciteit voor de doorspuiïng van een verblijfsruimte. Laatstgenoemde eis dient om te verzekeren dat wanneer het verblijfsgebied na realisatie wordt ingedeeld in afzonderlijke verblijfsruimten, die afzonderlijke ruimten ook aan die eisen voldoen. De eis aan de verblijfsruimte betekent feitelijk dat indien men gebruik wil maken van de bepalingsmethoden met een toe- en afvoer in twee verschillende gevels of in een gevel en het dak er in de uitwendige scheidingsconstructie daarvan ten minste een luik, raam of deur aanwezig moet zijn waarmee die ruimte kan worden doorgespuid. Bij de bepaling van de doorspuicapaciteit mag worden uitgegaan van openstaande beweegbare constructie-onderdelen in de in- en uitwendige scheidingsconstructies van de woning of het gebouw met de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang.

Als gevolg van het feit dat ook voor een woonwagen nu de voorschriften zijn gerelateerd aan een verblijfsgebied en niet langer aan die van de woonwagen, geldt niet langer een voorschrift voor het doorspuien van de gehele woonwagen, maar is dit slechts beperkt tot het verblijfsgebied van die wagen.

De grootte van dergelijke beweegbare constructie-onderdelen is afhankelijk van de situering van die onderdelen. De in dit lid genoemde NEN 1087, die de bepalingsmethode voor de spuicapaciteit bevat, maakt onderscheid tussen een situatie waarbij die constructie-onderdelen zich slechts in één gevel bevinden, zoals bij rug-aan-rug-woningen, en een situatie waarbij die onderdelen zich in twee of meer gevels bevinden.

Artikel 3.63.

In dit artikel is aangegeven hoe groot de afstand tussen de deur, het raam of het luik dat als spuivoorziening dienst doet, en de perceelsgrens ten minste moet zijn. Beweegbare constructie-onderdelen die niet aan deze eis voldoen, mogen niet worden meegerekend bij de bepaling van de doorspuicapaciteit.

De reden achter dit voorschrift is het beginsel van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag ligt. Er wordt bij de bepaling van de spuicapaciteit geen rekening gehouden met bouwwerken, gelegen op een aangrenzend perceel. Er zal een zekere afstand aanwezig moeten zijn om te zorgen dat de spuiventilatie tot stand komt.

Voor een woonwagen moet als perceelsgrens de grens van de standplaats worden aangehouden.

§ 3.11.2.Bestaande bouw

Artikel 3.64.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.11.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.65.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.11.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.66.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.11.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3.12.Luchtverversing van overige ruimten

§ 3.12.1.Nieuwbouw

Artikel 3.67.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor luchtverversing van overige ruimten voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.68 bepaalt in welke situatie er een voorziening voor luchtverversing aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.69 bepaalt wat voor capaciteit de voorziening ten minste moet hebben (capaciteit);
3.artikel 3.70 bevat voorschriften omtrent het kunnen regelen van de voorziening door de gebruiker (regelbaarheid);
4.artikel 3.71 bepaalt de richting van de luchtstroming van en naar de voorziening (stromingsrichting);
5.artikel 3.72 stelt eisen betreffende de plaats van de instroomopening van de toevoervoorziening (plaats van de opening), en
6.artikel 3.73 bepaalt vanwaar de verse lucht naar een verblijfsgebied of verblijfsruimte moet worden toegevoerd en waarheen deze moet worden afgevoerd (luchtkwaliteit).

Voor de gebruiksfunctie ‘ander bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfunctie niet van toepassing is.

In deze paragraaf zijn geen voorschiften opgenomen voor een ruimte ten behoeve van het stallen van een motorvoertuig. Dat wil niet zeggen dat indien een auto wordt gestald in een ruimte die daar niet primair voor is bedoeld en dus niet is aan te merken als een verblijfsgebied/verblijfsruimte voor het stallen van een motorvoertuig, er geen eisen zouden moeten gelden. Dan zal toepassing moeten worden gegeven aan de dienovereenkomstig gegeven voorschriften in afdeling 3.10.

Artikel 3.68.

Ventilatie is niet alleen voor een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte noodzakelijk, maar ook voor een aantal andere ruimten in een gebruiksfunctie. Deze ruimten zijn weliswaar niet bestemd voor langdurig verblijf van mensen, maar kunnen door de aard van hun gebruik een verhoogde kans op verontreiniging of andersoortig gevaar voor de gezondheid van de gebruikers opleveren.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening waarmee die andere ruimten in een gebruiksfunctie langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd. Zo’n ventilatievoorziening moet er om te beginnen zijn voor gemeenschappelijke gangen, trappenhuizen en dergelijke in woon- en logiesgebouwen. De gestelde eisen ten aanzien van een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte strekken ertoe de kwaliteit van de binnenlucht in die ruimte op peil te houden.

Voor een liftkooi geldt dat er op een kleine oppervlakte veel mensen kunnen samenzijn. Bij langdurig gebruik van de liftkooi, bijvoorbeeld in geval van een storing, is bij gebrek aan ventilatie de kans groot op sterke verontreiniging van de lucht in de liftkooi en kan er een hoge temperatuur ontstaan. Om die reden moet de liftschacht voldoende worden geventileerd. De voorschriften voor de ventilatie van de liftkooi zijn onderwerp van regeling van het Warenwetbesluit liften.

De aan de ventilatie van een meterruimte gestelde eis strekt ertoe dat, indien nabij een aansluiting van een gasmeter onverhoopt enige gaslekkage optreedt, dit gas in voldoende mate wordt verdund, zodat de kans op explosie beperkt is.

Tenslotte is ventilatie voorgeschreven voor grote opslagruimten voor afval, teneinde de kans te beperken dat er door de opslag van grote hoeveelheden afval stankhinder in de rest van het gebouw ontstaat.

Voor “tunnel of daarmee vergelijkbaar bouwwerk” bevat het zesde lid een functionele eis. Op grond hiervan kunnen burgemeester en wethouders bij de toetsing van een bouwaanvraag beoordelen of in voldoende mate in ventilatie is voorzien, afhankelijk van de bestemming en de grootte van dat bouwwerk. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een langgerekte autotunnel, die ventilatie behoeft om te voorkomen dat zich daarin schadelijke gassen ophopen.

Artikel 3.69.

Met dit artikel wordt beoogd dat de door de mens en door afval veroorzaakte verontreiniging en verhitting van de lucht in een gebouw op een voldoelde laag peil worden gehouden, concentratie van ontplofbare gassen wordt voorkomen en geurstoffen in voldoende mate worden afgevoerd. De voor de onderscheiden ruimten vereiste capaciteit van de luchtverversing is gerelateerd aan de aard van het gebruik van die ruimten. Evenals in paragraaf 3.10.1 is voor de bepaling van de capaciteit verwezen naar NEN 1087.

Voor de liftschacht is een gekwantificeerde eis gegeven, maar daarnaast moet de liftschacht zoveel worden geventileerd dat er voor wat betreft de liftkooi voldaan kan worden aan de op grond van het Warenwetbesluit liften, in welk besluit de liftenrichtlijn (95/EG/16) is geïmplementeeerd, gestelde eis. Zie daartoe ook NEN EN 81-1 en NEN EN 81-2, telkens onderdeel 5.2.3. De gangbare ventilatie-eis voor de liftkooi is 6 dm³/s per m² vloeroppervlakte van de liftkooi, bepaald volgens NEN 1087.

Aan de hand van ISO 4190-1:1999 (International Standard, Lift-installation Standard) is bepaald wat de relatie is tussen de vloeroppervlakte van de liftkooi en van de liftschacht en vervolgens bij welke ventilatiecapaciteit van de liftschacht de ventilatiecapaciteit voor de liftkooi is gewaarborgd.

Artikel 3.70.

Het is niet de bedoeling dat door ingrijpen van de mens de ventilatie, zoals in deze paragraaf is bedoeld, met de hand kan worden teruggeregeld tot nul. Dat kan tot overmatige stankverspreiding of tot een te grote mate van onveiligheid leiden.

Artikel 3.71.

Het voorschrift inzake de richting van de luchtstroming is gesteld om te voorkomen dat bijvoorbeeld een afvoervoorziening als toevoer gaat werken. Tevens dient het er voor om te verifiëren dat de ventilatie ook daadwerkelijk tot stand kan komen.

Vanwege het principe van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag ligt (zie algemeen deel van de toelichting), is bepaald dat bij het bepalen van de stromingsrichting geen rekening wordt gehouden met bouwwerken, die op een aangrenzend perceel zijn gelegen.

Artikel 3.72.

Het eerste lid leidt er toe dat tussen een afvoeropening van een ventilatievoorziening en een toevoeropening van een ventilatieopening en van een verbrandingsluchttoevoer een zodanig afstand aanwezig is, dat door de wind de vervuilde lucht voldoende is gemengd met zuivere lucht opdat die lucht weer geschikt is ventilatielucht of verbrandingslucht die stroom via een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen.

Vanwege het principe van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag ligt (zie algemeen deel van de toelichting), is bepaald dat bij het bepalen van de luchtkwaliteit geen rekening wordt gehouden met bouwwerken, die op een aangrenzend perceel zijn gelegen.

Aan het tweede lid ligt eveneens het principe van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag (zie algemeen deel van de toelichting). Dit voorschrift heeft voorts tot doel dat ten minste een zekere mate van ventilatie tot stand komt indien op korte afstand op een aangrenzend perceel wel een bouwwerk aanwezig is.

Artikel 3.73.

Dit artikel regelt allereerst voor opslagruimten voor afval en voor gemeenschappelijke verkeersruimten, dat de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht rechtstreeks van en naar buiten plaatsvinden. In opslagruimten voor afval vloeit uit de aard van het gebruik voort dat de binnenlucht wordt verontreinigd. Een open verbinding met andere ruimten zou verspreiding van deze verontreiniging door de rest van het gebouw tot gevolg hebben.

Indien bijvoorbeeld een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte in een woongebouw zijn lucht zou aanzuigen uit daaraan grenzende woningen, dan zouden geurstoffen zich door het gehele gebouw kunnen verspreiden, dus ook van de ene woning naar de andere woning. Dat nu is niet de bedoeling. Dat is ook mede de reden waarom in afdeling 5.2 luchtdoorlatendheidseisen zijn gesteld aan een groep van niet-gemeenschappelijke ruimten van een woonfunctie (woning).

Ten aanzien van liftschachten (voor brandweerliften) is het oogmerk van het voorschrift dat deze liften in geval van brand niet onbruikbaar worden doordat er rook kan binnendringen vanuit andere ruimten. Voorkomen moet worden dat als een lift in geval van brand komt vast te zitten, mensen in de liftkooi door verstikking met rook om het leven komen.

§ 3.12.2.Bestaande bouw

Artikel 3.74.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.75.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwvoorschriften valt het volgende op te merken.

Anders dan in de nieuwbouwvoorschriften is aan de luchtverversing van een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte geen eis gesteld. De reden hiervan is dat hiervoor tot dusver geen eis heeft gegolden en een verplichting om alsnog te voldoen aan zodanige eis te ver zou voeren.

Artikel 3.76.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwvoorschriften valt het volgende op te merken.

De capaciteit wordt bepaald volgens NEN 8087. Dit normblad staat toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt.

Voor een liftschacht is aangesloten bij de in het kader van de liftenrichtlijn (95/16/EG) geharmoniseerde normbladen.

Artikel 3.77.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.78.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwvoorschriften valt het volgende op te merken.

Het gestelde in het eerste lid is nieuw ingevoerd ten opzichte van de voorschriften die tot 31 december hebben gegolden. Dit voorschrift is een gevolg van de implementatie van de liftenrichtlijn (95/16/EG) en noopt er in voorkomende gevallen toe dat de ventilatie van een liftschacht ingrijpend wordt aangepast.

Afdeling 3.13.Toevoer van verbrandingslucht

§ 3.13.1.Nieuwbouw

Artikel 3.79.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de toevoer van verbrandingslucht voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.80 bepaalt dat er in een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel een voorziening moet zijn voor de toevoer van verbrandingslucht voor dat toestel (aanwezigheid);
2.artikel 3.81 bepaalt wat voor capaciteit de toevoervoorziening ten minste moet hebben (capaciteit);
3.artikel 3.82 stelt eisen omtrent de richting van de luchtstroming in de toevoervoorziening (stromingsrichting);
4.artikel 3.83 stelt eisen omtrent de plaats van de instroomopening van de toevoervoorziening (plaats van de opening);
5.artikel 3.84 bepaalt voor de leefzone van verblijfsruimten de maximale luchtsnelheid van de toegevoerde lucht (comfort);
6.artikel 3.85 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
7.artikel 3.86 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor de gebruiksfunctie ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfunctie niet van toepassing is.

Artikel 3.80.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht bij opstelplaatsen voor verbrandingstoestellen die op gas, olie of vaste brandstof worden gestookt. Het gaat hierbij om componenten zoals luchtroosters, luchtkanalen en eventueel overstroomcomponenten. De toevoercomponent hoeft niet te zijn gelegen in ruimte waarin de opstelplaats van het verbrandingskanaal zich bevindt. Via de gebruiksvoorschriften van de gemeentelijke bouwverordening moet zijn geregeld dat bij een in gebruik zijnd verbrandingstoestel de toevoer van verbrandingslucht ook daadwerkelijk functioneert.

Hiermee wordt bewerkstelligd dat de verbranding zodanig geschiedt dat er niet onnodig schadelijke stoffen, zoals koolmonoxyde, ontstaan die zich binnen de het gebouw verspreiden.

Van deze eis zijn uitgezonderd opstelplaatsen voor kook- en warmwatertoestellen met een gering vermogen. Dit zijn in het algemeen toestellen voor huishoudelijk gebruik, zoals een kooktoestel of een geiser. Voor een dergelijke situatie is een voor normale verbranding noodzakelijke toevoer van verse lucht geregeld in artikel 3.48, derde lid, als het kook- of warmwatertoestel in een verblijfsgebied of verblijfsruimte ligt. Is daarentegen het verbrandingstoestel met gering vermogen in een andere ruimte gelegen, dan zal de gebruiker op voldoende ventilatie moeten toezien. Daartoe is in de gemeentelijke bouwverordening een gebruiksvoorschrift opgenomen. Ook bij ligging in een verblijfsgebied of verblijfsruimte moet de ventilatie natuurlijk wel in bedrijf zijn bij gebruik van het verbrandingstoestel, wil niet een voor de gezondheid gevaarlijke situatie kunnen ontstaan.

Artikel 3.81.

De vereiste toevoervoorziening moeten zorgen voor voldoende toevoer van voor verbranding geschikte lucht. Dat mag best lucht zijn die ook voor ventilatie van de ruimte bestemd is. Hoeveel lucht er nodig is, is afhankelijk van de belasting van de te plaatsen verbrandingstoestellen en de te gebruiken brandstof. Bij verbrandingstoestellen met een totale capaciteit van ten hoogste 130 kW wordt deze capaciteit aan de hand van de tabel berekend. Daarboven is veelal een milieuvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieuvergunning vereist, in welke vergunning nadere voorschriften omtrent de verbrandingsluchttoevoer kunnen worden opgenomen. De voorwaarden zullen dan bij de verlening van de bouwvergunning mede in beschouwing moeten worden genomen.

Voor de bepaling van de capaciteit is verwezen naar NEN 1087. Dit normblad kan niet in zijn volle omvang worden toegepast omdat namelijk de afvoer niet bekend is, zodat geen luchtstromingstrajecten kunnen worden bepaald. Bij de toepassing van het normblad moet van de fictie worden uitgegaan dat de afvoer van de lucht (in de vorm van rook) niet bepalend is voor het functioneren van de luchtstroming. Met andere woorden: de afvoer is altijd groot genoeg om de minimumcapaciteit van de toevoercomponent en de overstroomcomponent te laten functioneren.

Omdat in de praktijk ten tijde van de bouwaanvraag veelal het verbrandingstoestel nog niet bekend is, is in het tweede lid een voorschrift gegeven waarmee een voorziening voor verbrandingsluchttoevoer kan worden bepaald die toereikend is voor het bouwwerk in zijn gebruiksstadium. Uitgegaan moet worden van een zodanige belasting van het verbrandingstoestel dat met gangbare toestellen de installatie kan worden gemaakt, zonder dat er strijd met het Bouwbesluit 2003 optreedt.

Bij het berekenen van de benodigde capaciteit voor opstelplaatsen voor een kook-, stook- en warmwatertoestel moet worden uitgegaan van een op gas gestookt toestel. De in rekening te brengen belasting mag niet lager zijn dan aangegeven is.

Het derde lid bevat een bijzondere regeling voor CLV-systemen. Dat is een syteem dat werkt op natuurlijke trek en dat bestaat uit een combinatie van een leiding of kanaal voor de gemeenschappelijke toevoer van verbrandingslucht en een leiding of kanaal voor de gemeenschappelijke afvoer van rook, uitsluitend bestemd voor met gas gestookte gesloten toestellen voorzien van een ventilator.

Artikel 3.82.

Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de toevoervoorziening lucht afvoert in plaats van toevoert. Het voorschrift voorziet er tevens in dat de toevoer ook daadwerkelijk de benodigde capaciteit kan realiseren.

Vanwege het principe van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag ligt (zie algemeen deel van de toelichting), is bepaald dat bij het bepalen van de richting van de stroming geen rekening wordt gehouden met bouwwerken, die op een aangrenzend perceel zijn gelegen.

Artikel 3.83.

Deze artikelen geven voorschriften omtrent de inrichting van de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht en reguleren de kwaliteit van de toegevoerde lucht en het voorkomen dat het thermisch comfort door tocht te zeer achteruitgaat. De voorschriften komen voor een voorziening ten behoeve van een verbrandingstoestel dat is opgesteld in een verblijfsgebied of verblijfsruimte, overeen met de eisen die artikel 3.49 stelt aan een voorziening betreffende de toevoer van verse lucht. De eisen luiden gelijk.

Met het derde lid van artikel 3.83 is beoogd te voorkomen dat de toevoer van verbrandings-lucht wordt belemmerd als gevolg van ophoping van bijvoorbeeld bladeren of sneeuw.

Artikel 3.84.

Deze artikelen geven voorschriften omtrent de inrichting van de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht en reguleren de kwaliteit van de toegevoerde lucht en het voorkomen dat het thermisch comfort door tocht te zeer achteruitgaat. De voorschriften komen voor een voorziening ten behoeve van een verbrandingstoestel dat is opgesteld in een verblijfsgebied of verblijfsruimte, overeen met de eisen die artikel 3.49 stelt aan een voorziening betreffende de toevoer van verse lucht. De eisen luiden gelijk.

§ 3.13.2.Bestaande bouw

Artikel 3.87.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.13.1.Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De capaciteit wordt bepaald volgens NEN 8087. Dit normblad staat toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de toevoer plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Artikel 3.88.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.13.1.Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De capaciteit wordt bepaald volgens NEN 8087. Dit normblad staat toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de toevoer plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Artikel 3.89.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.13.1.Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De capaciteit wordt bepaald volgens NEN 8087. Dit normblad staat toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de toevoer plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Artikel 3.90.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.13.1.Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De capaciteit wordt bepaald volgens NEN 8087. Dit normblad staat toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de toevoer plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Afdeling 3.14.Afvoer van rook

§ 3.14.1.Nieuwbouw

Artikel 3.91.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor afvoer van rook voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.92 bepaalt dat er in een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel een voorziening moet zijn voor de afvoer van verbrandingslucht van dat toestel (aanwezigheid);
2.artikel 3.93 bepaalt wat voor capaciteit de afvoervoorziening ten minste moet hebben (capaciteit);
3.artikel 3.94 stelt eisen omtrent de plaats van de uitmonding van de afvoervoorziening (plaats van de uitmonding);
4.artikel 3.95 stelt eisen omtrent de richting van de stroming van de rook in de afvoervoorziening (stromingsrichting);
5.artikel 3.96 bepaalt de maximale rookdoorlatendheid van de afvoervoorziening (rookdoorlatendheid);
6.artikel 3.97 bepaalt dat de afvoervoorziening moet zijn uitgerust met een goed werkende kap (kap);
7.artikel 3.98 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
8.artikel 3.99 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor de gebruiksfunctie ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfunctie niet van toepassing is.

Artikel 3.92.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van voorzieningen voor de afvoer van rook bij opstelplaatsen voor verbrandingstoestellen die op gas, olie of vaste brandstof worden gestookt. Het gaat hierbij om voorzieningen zoals kanalen en uitmondingen. Van deze eis zijn uitgezonderd opstelplaatsen voor kook- en warmwatertoestellen met gering vermogen. Dit zijn in het algemeen toestellen voor huishoudelijk gebruik, zoals een kooktoestel of een geiser. Voor een dergelijke situatie is een bij normale verbranding noodzakelijke afvoer van met rookgas verontreinigde binnenlucht geregeld in artikel 3.48, derde lid, als het kook- of warmwatertoestel in een verblijfsgebied of verblijfsruimte ligt. Is daarentegen het verbrandingstoestel met gering vermogen in een andere ruimte gelegen, dan zal de gebruiker op voldoende ventilatie moeten toezien. Daartoe is in de gemeentelijke bouwverordening een gebruiksvoorschrift opgenomen.

Ook bij ligging in een verblijfsgebied of verblijfsruimte moet de afvoer natuurlijk wel in bedrijf zijn bij gebruik van het verbrandingstoestel, wil niet een voor de gezondheid ongewenste situatie kunnen ontstaan.

De bedoeling van de eis is te bereiken dat de bij normale verbranding vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes naar buiten worden afgevoerd. Hierbij kan worden gedacht aan waterdamp, onverbrand gas, zwaveldioxide en roet.

Artikel 3.93.

De vereiste afvoervoorziening moet voldoende capaciteit hebben om de bij de verbranding vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes te kunnen afvoeren. Hoeveel afvoercapaciteit er nodig is, is afhankelijk van de belasting van de te plaatsen verbrandingstoestellen en de te gebruiken brandstof weergegeven in formule 3.93. Bij verbrandingstoestellen met een totale capaciteit van ten hoogste 130 kW wordt deze capaciteit mede aan de hand van de in tabel 3.93 gegeven verdunningsfactor van de rook berekend. Daarboven is veelal een milieuvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieuvergunning vereist, in welke vergunning nadere voorschriften omtrent de verbrandingsluchttoevoer kunnen worden opgenomen. De voorwaarden zullen dan bij de verlening van de bouwvergunning mede in beschouwing moeten worden genomen.

Omdat in de praktijk ten tijde van de bouwaanvraag veelal het verbrandingstoestel nog niet bekend is, is in het tweede lid een voorschrift gegeven waarmee een voorziening voor afvoer van rook kan worden bepaald die toereikend is voor het bouwwerk in zijn gebruiksstadium. Uitgegaan moet worden van een zodanige belasting van het verbrandingstoestel dat met gangbare toestellen de installatie kan worden gemaakt, zonder dat er strijd met het Bouwbesluit 2003 optreedt.

Bij het berekenen van de benodigde capaciteit van opstelplaatsen voor een kook-, stook- en warmwatertoestel moet daarbij worden uitgegaan van een op gas gestookt toestel. De in rekening te brengen belasting van dit toestel mag niet lager zijn dan is aangegeven.

Het vijfde lid bevat een bijzondere regeling voor CLV-systemen. Dat is een syteem dat werkt op natuurlijke trek en dat bestaat uit een combinatie van een leiding of kanaal voor de gemeenschappelijke toevoer van verbrandingslucht en een leiding of kanaal voor de gemeenschappelijke afvoer van rook, uitsluitend bestemd voor met gas gestookte gesloten toestellen voorzien van een ventilator.

Artikel 3.94.

Met dit voorschrift wordt beoogd te voorkomen dat de concentratie van rook ter plaatse van instroomopeningen van een voorziening voor luchtverversing en een voorziening voor toevoer van verbrandingslucht te hoog wordt.

Vanwege het principe van gelijke monniken, gelijke kappen ten grondslag ligt (zie algemeen deel van de toelichting), is bepaald dat bij het bepalen van de kwaliteit van de toevoerlucht (positionering van de uitmonding) geen rekening wordt gehouden met bouwwerken, die op een aangrenzend perceel zijn gelegen.

Aan het tweede lid ligt eveneens het principe van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag (zie algemeen deel van de toelichting). Dit voorschrift heeft voorts tot doel dat ten minste een zekere mate van afvoer tot stand komt indien op korte afstand op een aangrenzend perceel wel een bouwwerk aanwezig is.

Met het derde lid van artikel 3.94 is beoogd te voorkomen dat de afvoer van rook wordt belemmerd als gevolg van ophoping van bijvoorbeeld bladeren of sneeuw.

Artikel 3.95.

Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de voorziening voor de afvoer van rook niet goed functioneert en de rook niet voldoende afvoert. Het voorschrift voorziet er tevens in dat de toevoer ook daadwerkelijk de benodigde capaciteit kan realiseren.

Vanwege het principe van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag ligt (zie algemeen deel van de toelichting), is bepaald dat bij het bepalen van de richting van de stroming geen rekening wordt gehouden met bouwwerken, die op een aangrenzend perceel zijn gelegen.

Artikel 3.96.

Dit voorschrift heeft als doel te voorkomen dat dampen, gassen of fijne vaste deeltjes zich tijdens de afvoer naar buiten alsnog binnen het gebouw verspreiden. De eisen aan een overdrukvoorziening zijn daarbij abusievelijk gelijk gesteld aan die welke gelden voor de dichtheid van een stuk buis. De eis leidt er toe dat alleen nog gelaste verbindingen mogen worden toegepast. Een voorziening voor de afvoer van rook zou minder rookdicht mogen zijn, zonder dat een voor de gezondheid schadelijke situatie ontstaat.

In het TNO Bouw memorandum 1997-BKR-M199/SNN/SSC van 23 mei 1995 is daar aandacht voor gevraagd. Impliciet is bij het gegeven voorschrift uitgegaan van een eis van 1.000 ppm aan maximale verbrandingscomponenten in de rook, terwijl naar het oordeel van de voormalige normsubcommissie 351 074 14 zou hebben kunnen worden volstaan met 300 ppm. Volstaan zou daarom kunnen worden met 0,05*10-3 m3/s per m2 inwendig oppervlak van de wand van de voorziening.

Bij een onderdrukvoorziening, zoals een schoorsteen die werkt op normale trek, leidt het ontbreken van een stootvoeg nog niet tot strijd met het voorschrift.

Artikel 3.97.

Bij het bepalen van de stromingsrichting volgens artikel 3.95 behoeft geen rekening te worden gehouden met omliggende bebouwing en andere obstakels buiten het perceel. Daardoor kan afgevoerde rook door valwinden eventueel toch terugstromen in het gebouw. Met een goed functionerende kap kan dit worden tegengegaan. GIVEG gekeurde kappen zijn echter niet verplicht gesteld. Ook andersoortige kappen kunnen aan het voorschrift voldoen.

§ 3.14.2.Bestaande bouw

Artikel 3.100.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de afvoer van rook. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften verwijzen voor de bepaling of aan de grenswaarden is voldaan naar NEN 2757. Echter in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn nadere voorschriften opgenomen in paragraaf 4.1 ten einde er voor te zorgen dat de voorschriften aansluiten bij het rechtens verkregen niveau van eertijds verleende bouwvergunningen. Tezamen met die nadere voorschriften wordt een situatie bereikt die overeenkomt met de voorschriften zoals die in de zestiger-zeventiger jaren hebben geluid. Het niveau wat destijds als gezond werd ervaren kan nog juist als ondergrens voor de bestaande bouw worden geaccepteerd. Dit niveau komt overeen met hetgeen daaromtrent is gesteld in de brochure Bodemniveau Gasinstallaties van 15 september 1992, die door EnergieNed wordt uitgegeven.

Het Nederlands Normalisatie-instituut heeft NEN 8757 in voorbereiding waarvan het de bedoeling is dat die in de plaats zal treden van NEN 2757 in samenhang met de nadere voorschriften uit de ministeriële regeling.

Artikel 3.101.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de afvoer van rook. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften verwijzen voor de bepaling of aan de grenswaarden is voldaan naar NEN 2757. Echter in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn nadere voorschriften opgenomen in paragraaf 4.1 ten einde er voor te zorgen dat de voorschriften aansluiten bij het rechtens verkregen niveau van eertijds verleende bouwvergunningen. Tezamen met die nadere voorschriften wordt een situatie bereikt die overeenkomt met de voorschriften zoals die in de zestiger-zeventiger jaren hebben geluid. Het niveau wat destijds als gezond werd ervaren kan nog juist als ondergrens voor de bestaande bouw worden geaccepteerd. Dit niveau komt overeen met hetgeen daaromtrent is gesteld in de brochure Bodemniveau Gasinstallaties van 15 september 1992, die door EnergieNed wordt uitgegeven.

Het Nederlands Normalisatie-instituut heeft NEN 8757 in voorbereiding waarvan het de bedoeling is dat die in de plaats zal treden van NEN 2757 in samenhang met de nadere voorschriften uit de ministeriële regeling.

Artikel 3.102.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de afvoer van rook. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften verwijzen voor de bepaling of aan de grenswaarden is voldaan naar NEN 2757. Echter in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn nadere voorschriften opgenomen in paragraaf 4.1 ten einde er voor te zorgen dat de voorschriften aansluiten bij het rechtens verkregen niveau van eertijds verleende bouwvergunningen. Tezamen met die nadere voorschriften wordt een situatie bereikt die overeenkomt met de voorschriften zoals die in de zestiger-zeventiger jaren hebben geluid. Het niveau wat destijds als gezond werd ervaren kan nog juist als ondergrens voor de bestaande bouw worden geaccepteerd. Dit niveau komt overeen met hetgeen daaromtrent is gesteld in de brochure Bodemniveau Gasinstallaties van 15 september 1992, die door EnergieNed wordt uitgegeven.

Het Nederlands Normalisatie-instituut heeft NEN 8757 in voorbereiding waarvan het de bedoeling is dat die in de plaats zal treden van NEN 2757 in samenhang met de nadere voorschriften uit de ministeriële regeling.

Artikel 3.103.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de afvoer van rook. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften verwijzen voor de bepaling of aan de grenswaarden is voldaan naar NEN 2757. Echter in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn nadere voorschriften opgenomen in paragraaf 4.1 ten einde er voor te zorgen dat de voorschriften aansluiten bij het rechtens verkregen niveau van eertijds verleende bouwvergunningen. Tezamen met die nadere voorschriften wordt een situatie bereikt die overeenkomt met de voorschriften zoals die in de zestiger-zeventiger jaren hebben geluid. Het niveau wat destijds als gezond werd ervaren kan nog juist als ondergrens voor de bestaande bouw worden geaccepteerd. Dit niveau komt overeen met hetgeen daaromtrent is gesteld in de brochure Bodemniveau Gasinstallaties van 15 september 1992, die door EnergieNed wordt uitgegeven.

Het Nederlands Normalisatie-instituut heeft NEN 8757 in voorbereiding waarvan het de bedoeling is dat die in de plaats zal treden van NEN 2757 in samenhang met de nadere voorschriften uit de ministeriële regeling.

Artikel 3.104.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de afvoer van rook. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften verwijzen voor de bepaling of aan de grenswaarden is voldaan naar NEN 2757. Echter in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn nadere voorschriften opgenomen in paragraaf 4.1 ten einde er voor te zorgen dat de voorschriften aansluiten bij het rechtens verkregen niveau van eertijds verleende bouwvergunningen. Tezamen met die nadere voorschriften wordt een situatie bereikt die overeenkomt met de voorschriften zoals die in de zestiger-zeventiger jaren hebben geluid. Het niveau wat destijds als gezond werd ervaren kan nog juist als ondergrens voor de bestaande bouw worden geaccepteerd. Dit niveau komt overeen met hetgeen daaromtrent is gesteld in de brochure Bodemniveau Gasinstallaties van 15 september 1992, die door EnergieNed wordt uitgegeven.

Het Nederlands Normalisatie-instituut heeft NEN 8757 in voorbereiding waarvan het de bedoeling is dat die in de plaats zal treden van NEN 2757 in samenhang met de nadere voorschriften uit de ministeriële regeling.

Artikel 3.105.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de afvoer van rook. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften verwijzen voor de bepaling of aan de grenswaarden is voldaan naar NEN 2757. Echter in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn nadere voorschriften opgenomen in paragraaf 4.1 ten einde er voor te zorgen dat de voorschriften aansluiten bij het rechtens verkregen niveau van eertijds verleende bouwvergunningen. Tezamen met die nadere voorschriften wordt een situatie bereikt die overeenkomt met de voorschriften zoals die in de zestiger-zeventiger jaren hebben geluid. Het niveau wat destijds als gezond werd ervaren kan nog juist als ondergrens voor de bestaande bouw worden geaccepteerd. Dit niveau komt overeen met hetgeen daaromtrent is gesteld in de brochure Bodemniveau Gasinstallaties van 15 september 1992, die door EnergieNed wordt uitgegeven.

Het Nederlands Normalisatie-instituut heeft NEN 8757 in voorbereiding waarvan het de bedoeling is dat die in de plaats zal treden van NEN 2757 in samenhang met de nadere voorschriften uit de ministeriële regeling.

Afdeling 3.15.Beperking van de toepassing van schadelijke materialen

§ 3.15.1.Nieuwbouw

Artikel 3.106.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van de toepassing van schadelijke materialen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.107.

Voorheen werd gesproken van het beperken van stoffen die uit het oogpunt van gezondheid onaanvaardbaar vergiftig of hinderlijk voor de gezondheid zijn. Hierbij kan, wat schadelijke stoffen betreft, worden gedacht aan formaldehyde, asbest, brandvertragende middelen en houtverduurzamingsmiddelen en, wat ioniserende stralen betreft, aan radionuclide (radon) uit fosforhoudend gips. Voor welke stoffen voorschriften waren gegeven was geregeld in de Regeling Bouwbesluit materialen 1998.

In de huidige tekst gaat het om het beperken van voor de gezondheid schadelijke stoffen. Dit artikel verleent de bevoegdheid om bij ministeriële regeling voorschriften te geven betreffende de te gebruiken materialen. Het kan hierbij zowel om het materiaal zelf als om de wijze van toepassing gaan. In de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn de voorschriften van de eerdere Regeling Bouwbesluit materialen 1998 nagenoeg integraal opgenomen. Hieruit blijkt dat de voorschriften ter beperking van schadelijke materialen niet zijn veranderd.

§ 3.15.2.Bestaande bouw

Artikel 3.109a

Zie de toelichtingen op de overeenkomstige artikelen van paragraaf 3.15.1 Nieuwbouw.

Met behulp van de in deze paragraaf opgenomen voorschriften is het mogelijk geworden aan te schrijven wegens de aanwezigheid van bijvoorbeeld asbestdeeltjes in een ruimte vanwege strijd met de voorschriften voor de bestaande bouw. Tot 1 september 2005 was het alleen mogelijk aan te schrijven wegens strijd met de voorschriften voor nieuwbouw en had de gemeente een specifieke motiveringsplicht, waarover nadere uitleg was gegeven in de Regeling Bouwbesluit materialen 1998 (Stcrt, 1998, 77).

Artikel 3.109b

Zie de toelichtingen op de overeenkomstige artikelen van paragraaf 3.15.1 Nieuwbouw.

Met behulp van de in deze paragraaf opgenomen voorschriften is het mogelijk geworden aan te schrijven wegens de aanwezigheid van bijvoorbeeld asbestdeeltjes in een ruimte vanwege strijd met de voorschriften voor de bestaande bouw. Tot 1 september 2005 was het alleen mogelijk aan te schrijven wegens strijd met de voorschriften voor nieuwbouw en had de gemeente een specifieke motiveringsplicht, waarover nadere uitleg was gegeven in de Regeling Bouwbesluit materialen 1998 (Stcrt, 1998, 77).

Afdeling 3.16.Beperking van het kunnen binnendringen van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling, nieuwbouw

Artikel 3.110.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van het kunnen binnendringen van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Voor de industriefunctie, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 3.111.

Dit artikel verleent de bevoegdheid om bij ministeriële regeling eisen te stellen aan scheidingsconstructies met de grond en met de kruipruimte. Tot dusverre is van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt. Bij het stellen van regels kan bijvoorbeeld worden gedacht aan uit de bodem afkomstig radon dat als carcinogeen is aangemerkt. Studies daaromtrent zijn nog gaande. Daarbij kan dan tevens rekening worden gehouden met een te verwachten EEG-richtlijn op dit punt. De problematiek met betrekking tot de blootstelling aan radon heeft de nadrukkelijke aandacht van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, hetgeen onder meer blijkt uit haar aanbeveling van 21 februari 1990 inzake de bescherming van de bevolking tegen blootstelling aan radon binnenshuis (90/143/Euratom, PbEG L 80).

Afdeling 3.17.Bescherming tegen ratten en muizen

§ 3.17.1.Nieuwbouw

Artikel 3.114.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor bescherming tegen ratten en muizen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.115 bepaalt dat een gebouw geen openingen mag hebben van meer dan 1 cm breed die niet kunnen worden afgesloten, op enkele uitzonderingen na (openingen), en
2.artikel 3.116 bepaalt dat bij de buitenwanden van een gebouw een scherm in de grond aanwezig is (scherm).

Voor de industriefunctie, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 3.115.

Met het eerste lid is beoogd zoveel mogelijk te voorkomen dat ratten en muizen in een gebouw of in de spouw van een gevel dan wel onder de dakpannen kunnen binnendringen en zich daar vervolgens kunnen nestelen. Dit, in verband met het feit dat dergelijk gedierte ziekten kan verspreiden. Dit voorschrift leidt er onder meer toe dat aan de voet van daken zogenoemde vogelschroten dienen te worden toegepast.

De uitzonderingen op de eis betekenen onder meer, dat een schoorsteen van een bouwwerk niet behoeft te worden voorzien van een rooster.

Het tweede lid voorziet in een regeling als een woning bijvoorbeeld grenst aan een garage of een buitenberging.

Artikel 3.116.

Het hier voorgeschreven scherm dat ten minste 60 cm de grond in gaat, dient ertoe om zoveel mogelijk te voorkomen dat ratten of muizen van onderen af toegang krijgen tot een bouwwerk of zich onder dat gebouw kunnen nestelen.

Het tweede lid ziet op de gevallen waarin het in het eerste lid bedoelde voorschrift niet van toepassing is. Grenst een gebruiksfunctie waarop dit wel het geval is bijvoorbeeld een aan de woning vastgebouwde garage dan geldt de eis van wand tussen de woning en de garage. Met dit voorschrift is geregeld dat het ongedierte niet via de garage onder de woning kan komen.

Het derde lid is gegeven vanwege de verschillende verschijningsvormen van een gebruiksfunctie. Is bijvoorbeeld een meterruimte of een genoemde opstelplaats opgenomen in de garage, dan zal bij toepassing van het eerste lid die garage een scherm moeten hebben. Op grond van het derde lid kan daarvan worden afgezien.

§ 3.17.2.Bestaande bouw

Artikel 3.117.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.17.1 Nieuwbouw zijn op de voorschriften van deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.118.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.17.1 Nieuwbouw zijn op de voorschriften van deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3.18.Drinkwatervoorziening

§ 3.18.1.Nieuwbouw

Artikel 3.119.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor drinkwatervoorzieningen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.120 bepaalt in welke situatie er een drinkwaterinstallatie aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.121 bepaalt de omvang van de drinkwaterinstallatie wat betreft aansluitpunten voor het gebruik (aansluitingen), en
3.artikel 3.122 geeft de eisen waaraan een drinkwaterinstallatie met het oog op menselijke consumptie en hygiëne moet voldoen (hygiëne).

Hoewel in februari 2001 een nieuwe Waterleidingwet en Waterleidingbesluit is ingevoerd, waarbij de term leidingwater is geïntroduceerd, wordt in het Bouwbesluit 2003 nog bewust gewerkt met de term drinkwater. Leidingwater omvat namelijk alle kwaliteiten water waarvan drinkwater er één is. In het geval het Bouwbesluit 2003 op termijn onderscheid gaat maken tussen drinkwater en huishoudwater zal de terminologie hierop worden aangepast.

Artikel 3.120.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een drinkwaterinstallatie. Een drinkwaterinstallatie is niet slechts noodzakelijk voor menselijke consumptie, maar ook voor de lichamelijke hygiëne. Zo is er in alle gebruiksfuncties waarvoor een toiletvoorziening nodig wordt geacht, ook een drinkwaterinstallatie nodig.

Artikel 3.121.

Dit artikel regelt de minimumomvang van een drinkwaterinstallatie.

Er moet in de meterruimte een aansluitpunt zijn waarmee de installatie kan worden aangesloten op het distributienet van drinkwater. Dit aansluitpunt wordt in de voorschriften ‘aansluitmogelijkheid‘ genoemd om het onderscheid tot uiting te laten komen met de aansluitpunten voor de gebruiker. Of de installatie daadwerkelijk moet zijn aangesloten op het distributienet of niet, is op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Woningwet geregeld in de gemeentelijke bouwverordening.

Een installatie dient op grond van het tweede lid aansluitpunten te hebben voor elk in het bouwwerk aanwezig waterverbruikend toestel, zoals een kraan boven het aanrecht, het bad of de douche, een wastafel, een warmwatertoestel en een waterspoelinrichting van een toiletpot. Ook moeten de in het bouwwerk aanwezige brandslanghaspels zijn aangesloten op de drinkwaterinstallatie. Met dit voorschrift moet creatief worden omgegaan nu het Bouwbesluit 2003 waterverbruikstoestellen niet langer voorschrijft.

Artikel 3.122.

Het doel van dit artikel is te bereiken dat drinkwaterinstallaties water leveren van een kwaliteit die ter plaatse van de tappunten geschikt is voor de menselijke consumptie en hygiëne. Een drinkwaterinstallatie moet voldoen aan de in de ministeriële regeling aangewezen NEN 1006. Niet langer is verwezen naar de Model-aansluitvoorwaarden van de VEWIN. Daarmee is een overbodige schakel uit de verwijsketen gehaald. Nutsbedrijven zijn op grond van artikel 123 van de Woningwet niet bevoegd naast het Bouwbesluit 2003 aanvullende of afwijkende eisen te stellen.

In dat normblad zijn met het oog op de gezondheid eisen gesteld, waaraan de inrichting van de installatie moet voldoen. Een en ander met het oog op het kunnen handhaven van de kwaliteit van het voor de menselijke consumptie en hygiëne bestemde water.

Het betreffende normblad sluit niet 1 op 1 aan bij het Bouwbesluit 2003. Het Nederlands Normalisatie-instituut bereidt thans een herziening voor teneinde daar alsnog in te voorzien.

§ 3.18.2.Bestaande bouw

Artikel 3.123.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.18.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Voor bestaande bouwwerken is niet de minimumomvang van de installatie (aansluitpunten) voorgeschreven. De reden hiervan is dat daarvoor in het verleden geen wettelijke verplichtingen hebben gegolden.

Artikel 3.124.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.18.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Voor bestaande bouwwerken is niet de minimumomvang van de installatie (aansluitpunten) voorgeschreven. De reden hiervan is dat daarvoor in het verleden geen wettelijke verplichtingen hebben gegolden.

Artikel 3.125.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.18.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Voor bestaande bouwwerken is niet de minimumomvang van de installatie (aansluitpunten) voorgeschreven. De reden hiervan is dat daarvoor in het verleden geen wettelijke verplichtingen hebben gegolden.

Artikel 3.126.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.18.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Voor bestaande bouwwerken is niet de minimumomvang van de installatie (aansluitpunten) voorgeschreven. De reden hiervan is dat daarvoor in het verleden geen wettelijke verplichtingen hebben gegolden.

Afdeling 3.19.Warmwatervoorziening

§ 3.19.1.Nieuwbouw

Artikel 3.127.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor warmwatervoorzieningen voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.128 bepaalt in welke situatie er een warmwaterinstallatie aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.129 bepaalt de omvang van de warmwaterinstallatie wat betreft aansluitpunten voor het gebruik (aansluitingen), en
3.artikel 3.130 geeft de eisen waaraan een warmwaterinstallatie met het oog op menselijke hygiëne moet voldoen (hygiëne).

Artikel 3.128.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een warmwaterinstallatie. Een warmwaterinstallatie is noodzakelijk voor alle gebruiksfuncties waarin een badruimte voorkomt die is voorgeschreven in afdeling 4.8.

Artikel 3.129.

Dit artikel regelt de minimumomvang van een warmwaterinstallatie. Deze moet uit een oogpunt van doelmatigheid ten minste aansluitpunten voor warmwatertoestellen hebben ter plaatse van de in hoofdstuk 4 van dit besluit voorgeschreven badruimte en de opstelplaats voor een warmwatertoestel.

Artikel 3.130.

Het doel van dit artikel is te bereiken dat warmwaterinstallaties water leveren van een kwaliteit die ter plaatse van de tappunten geschikt is voor de menselijke hygiëne. Een drinkwaterinstallatie moet voldoen aan de in de ministeriële regeling aangewezen NEN 1006. Niet langer is verwezen naar de Model-aansluitvoorwaarden van de VEWIN. Daarmee is een overbodige schakel uit de verwijsketen gehaald. Nutsbedrijven zijn op grond van artikel 123 van de Woningwet niet bevoegd naast het Bouwbesluit aanvullende of afwijkende eisen te stellen.

In dat normblad zijn met het oog op de gezondheid eisen gesteld, waaraan de inrichting van de installatie moet voldoen. Een en ander met het oog op het kunnen handhaven van de kwaliteit van het voor de menselijke consumptie en hygiëne bestemde water.

Het betreffende normblad sluit niet 1 op 1 aan bij het Bouwbesluit. Het Nederlands Normalisatie-instituut bereidt thans een herziening voor teneinde daar alsnog in te voorzien.

§ 3.19.2.Bestaande bouw

Artikel 3.131.

Dit besluit schrijft voor bestaande bouwwerken niet de aanwezigheid van een warmwaterinstallatie voor, noch de minimumomvang van zo’n voorziening.

Voor in bestaande bouw aanwezige toestellen bevat artikel 3.132 kwaliteitsvoorschriften voor het warm tapwater. Niet is verwezen naar hetzelfde normblad als die welke geldt voor nieuw aan te leggen installaties. De reden hiervoor is dat anders eisen zouden gelden die in het verleden niet hebben gegolden en daarmee het voorschrift op gespannen voet zou hebben gestaan met verworven rechten.

Artikel 3.132.

Dit besluit schrijft voor bestaande bouwwerken niet de aanwezigheid van een warmwaterinstallatie voor, noch de minimumomvang van zo’n voorziening.

Voor in bestaande bouw aanwezige toestellen bevat artikel 3.132 kwaliteitsvoorschriften voor het warm tapwater. Niet is verwezen naar hetzelfde normblad als die welke geldt voor nieuw aan te leggen installaties. De reden hiervoor is dat anders eisen zouden gelden die in het verleden niet hebben gegolden en daarmee het voorschrift op gespannen voet zou hebben gestaan met verworven rechten.

Afdeling 3.20.Daglicht

§ 3.20.1.Nieuwbouw

Artikel 3.133.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor daglichttoetreding.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Voor het onderhavige onderwerp is er slechts één artikel met prestatie-eisen. Dit is artikel 3.134, dat regelt in welke situaties en in welke mate er daglicht moet kunnen toetreden tot verblijfsgebieden en verblijfsruimten.

Voor de bijeenkomstfunctie anders dan de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, industriefunctie, sportfunctie, winkelfunctie, ‘andere ruimte in een celfunctie’, “andere ruimte in een gezondheidszorgfunctie’, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Het feit dat voor deze gebruiksfuncties geen voorschriften gelden, heeft tot gevolg dat het tot de verantwoordelijkheid van de markt behoort om op de juiste plaatsen in voldoende mate voor daglichttoetreding zorg te dragen. Dit sluit aan bij de dereguleringsgedachte van meer markt en minder overheid.

Het voorschrift voor een ruimte voor dag- en nachtverblijf van een celfunctie is ontleend aan het Besluit van 15 december 1967, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 539n, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De voorschriften voor een gezondheidszorgfunctie zijn ontleend aan het Besluit bouwmaatstaven Wet ziekenhuisvoorzieningen.

De voorschriften voor een onderwijsfunctie zijn ontleend aan artikel 7, derde lid, van zowel het voormalige Bouwbesluit WBO als het voormalige Bouwbesluit ISOVSO.

Artikel 3.134.

In tegenstelling tot het Bouwbesluit, zoals dat tot 31 december 2002 heeft gegolden, is "uitzicht" niet langer als criterium bij dit voorschrift opgenomen. Realisatie van daglicht leidt in de regel ook tot uitzicht. Bovendien was het criterium van "uitzicht" niet alleen gericht op het naar buiten kunnen kijken, maar ook op contact met personen die van buiten komen. Op die wijze kan men op de hoogte zijn van de weersomstandigheden en de dag- en nachtcyclus. Aspecten, die met name van psychologisch belang zijn gebleken. Wanneer de bestemming van een gebouw zodanig is dat er regelmatig contact zal zijn met mensen die van buiten komen, zoals in een winkelcentrum, is het realiseren van uitzicht door ramen niet noodzakelijk en ook niet altijd in alle omstandigheden te verwezenlijken. Verder kan, wanneer uitzicht naar buiten als hiervoor beschreven, niet mogelijk is, ook langs andere weg worden voorzien in die kennelijk psychologische behoefte aan uitzicht. Te denken valt daarbij aan regels voor het gebruik van ruimten, die geen ramen hebben, door werknemers.

Uit het oogpunt van marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit ligt het dan ook in de rede dat het bevredigen van die psychologische behoefte wordt overgelaten aan de markt.

In NEN 2057 is aangegeven op welke wijze de vereiste daglichtoppervlakte moet zijn bepaald. De equivalente daglichtoppervlakte die dit normblad bedoelt, is gedefinieerd als de daglichtopening, voorzover hoger gelegen dan 60 cm boven de vloer, die met reductiefactoren wordt vermenigvuldigd. Deze reductiefactoren worden in rekening gebracht met het oog op bepaalde belemmeringen. Dit zijn bijvoorbeeld dakoverstekken en uitkragende balkons, die de toetreding van daglicht door die openingen beperken.

De eis van het eerste lid heeft betrekking op verblijfsgebieden. Deze kunnen zijn ingedeeld in meer dan één verblijfsruimte. Om te waarborgen dat in elke afzonderlijke verblijfsruimte voldoende daglicht kan toetreden, bevat het tweede lid een minimum eis betreffende de daglichtopening van een verblijfsruimte.

De vereiste daglichtoppervlakte kan worden verwezenlijkt door openingen in zowel uitwendige als inwendige scheidingsconstructies. Zo mag bijvoorbeeld wanneer er een serre aan de buitenkant van de gebruiksfunctie is, de daglichttoetreding via die serre zijn meegerekend voor een aangrenzend verblijfsgebied of aangrenzende verblijfsruimte.

Het derde lid sluit echter deze indirecte daglichttoetreding uit, indien de tussenliggende ruimte een verblijfsgebied, toilet-, bad- of technische ruimte is.

Op grond van NEN 2057 moet bij het bepalen van de daglichttoetreding ook rekening worden gehouden met belemmeringen die worden veroorzaakt door bouwwerken en andere obstakels die zich op een naburig perceel bevinden. Dit is echter in strijd met het beginsel “gelijke monniken, gelijke kappen” dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag ligt. Daarom bevatten het vierde en het vijfde lid enkele voorschriften die bewerkstelligen dat men voor een gebruiksfunctie onafhankelijk van zijn omgeving kan nagaan of het aan de eisen inzake daglicht voldoet. Zo moet men krachtens onderdeel c. uitgaan van een genormeerde belemmering, die op grond van deskundig inzicht is vastgesteld. Dat is het gevolg van het vergunningsvrij kunnen bouwen en het op het voorhand daarmee reeds rekening houden. Bij de keuze van de afstand tot de perceelsgrens, die in onderdeel b is genoemd, is rekening gehouden met de in het Burgerlijk Wetboek genoemde maat vanwaar men op het perceel van buren mag uitkijken.

Het zesde lid geeft aan dat voor bijvoorbeeld een bunker daglichttoetreding niet is vereist. Dat zou voor meer gebruiksfuncties moeten gelden waarvoor uit de aard van de bestemming daglichttoetreding ongewenst is. Artikel 201, eerste lid, van Stb. 2001, 618 (Bouwbesluit fase 2) gaf dat nog helder aan.

Het zevende lid maakt bijvoorbeeld een aula en een collegezaal zonder daglicht mogelijk. Handhaving van dit voorschrift moet plaatsvinden via toepassing van artikel 56 van de Woningwet.

§ 3.20.2.Bestaande bouw

Artikel 3.135.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.20.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften voor een celfunctie zijn afgestemd op de Regeling politiecellencomplex. De daarin voor daglichttoetreding gehanteerde systematiek wijkt af van de systematiek van equivalente daglichtoppervlakte waarin voor daglichttoetreding de eisen van het Bouwbesluit zijn uitgedrukt. Cellen, gebouwd overeenkomstig de ten tijde van het bouwen geldende eisen, kunnen in strijd zijn met het onderhavige voorschrift van het Bouwbesluit, reden waarom artikel 9.2.10, tweede lid, van het Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618, was voorzien in het door de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie kunnen verlenen van ontheffing van dit voorschrift. Abusievelijk is dit dit van het voorschrift bij de conversie naar het Bouwbesluit 2003 achterwege gebleven.

De voorschriften voor een onderwijsfunctie zijn te herleiden tot artikel 7, derde lid, van zowel het voormalig Bouwbesluit WBO als het voormalig Bouwbesluit ISOVSO.

Artikel 3.136.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.20.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften voor een celfunctie zijn afgestemd op de Regeling politiecellencomplex. De daarin voor daglichttoetreding gehanteerde systematiek wijkt af van de systematiek van equivalente daglichtoppervlakte waarin voor daglichttoetreding de eisen van het Bouwbesluit zijn uitgedrukt. Cellen, gebouwd overeenkomstig de ten tijde van het bouwen geldende eisen, kunnen in strijd zijn met het onderhavige voorschrift van het Bouwbesluit, reden waarom artikel 9.2.10, tweede lid, van het Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618, was voorzien in het door de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie kunnen verlenen van ontheffing van dit voorschrift. Abusievelijk is dit dit van het voorschrift bij de conversie naar het Bouwbesluit 2003 achterwege gebleven.

De voorschriften voor een onderwijsfunctie zijn te herleiden tot artikel 7, derde lid, van zowel het voormalig Bouwbesluit WBO als het voormalig Bouwbesluit ISOVSO.