Contact Service
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

§ 1.1.Begripsbepalingen

Artikel 1.1.

Eerste lid

Belastingcombinatie

Verzameling van verschillende soorten belastingen, belastingsgevallen en/of belastingsconfiguraties die volgens NEN 6702 gelijktijdig kunnen optreden.

Bouwconstructie

Een 'bouwconstructie' is elk deel van een bouwwerk dat is bestemd om belasting te dragen. Het gaat dan wel om onderdelen waarvoor NEN 6702 een belasting specificeert. Dit kan bijvoorbeeld zijn een dragende wand, een vloer, een trap of hellingbaan, een ruit of de dakconstructie. Onder 'belasting' wordt in dit verband verstaan elke oorzaak van krachten op of vervormingen in de bouwconstructie. Een verlaagd plafond dat zijn eigen gewicht moet dragen, is echter geen bouwconstructie.

Brandcompartiment

Een brandcompartiment is bedoeld om gedurende een bepaalde tijd te voorkomen dat de brand zich verder kan uitbreiden dan de plek waarin de brand is ontstaan. Binnen deze tijd kan de brandweer handelend optreden en voorkomen dat de brand een grotere omvang aanneemt dan de omvang van het compartiment. Tevens kunnen gebruikers deze tijd ten dele benutten om zich, buiten het compartiment waarin de brand woedt, in veiligheid te stellen en in beginsel te vluchten naar het aansluitende terrein. Gedurende de resterende tijd moet de brandweer het gebouw kunnen doorzoeken en een eerste bestrijdingsinzet in het gebouw doen. Een brandcompartiment moet daarvoor aan diverse voorschriften voldoen. Onder meer zijn er voorschriften gesteld aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) van een scheidingsconstructie tussen het brandcompartiment en een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een veiligheidstrappenhuis. Wanneer een brandcompartiment bestaat uit twee of meer gebouwen of gedeelten van twee of meer gebouwen, hetgeen per 1 januari 2003 als nieuwe mogelijkheid is geïntroduceerd, kan de brand zich dus gelijktijdig in die twee of meer gebouwen bevinden. Hierbij kan worden gedacht aan een aantal kleine gebouwen die tezamen een eenheid vormen, maar ieder voor zich te klein zijn om als afzonderlijke brandcompartiment te beschouwen (bijvoorbeeld een noodlokaal bij een school).

Brand- en rookvrije vluchtroute

Een route die zich buiten een brandcompartiment bevindt waarover in beginsel gedurende een bepaalde tijd veilig naar het aansluitende terrein kan worden gevlucht. Op zo’n route zijn ook de voorschriften die gelden voor een rookvrije vluchtroute van toepassing.

Gebruiksfunctie

Een gebruiksfunctie is een gebruiksbestemming van een of meer bouwwerken of gedeelten van bouwwerken op hetzelfde perceel of standplaats. Het begrip 'gebruikseenheid' dat sinds jaar en dag wordt gebruikt in relatie tot de verhuurbare oppervlakte moet niet worden verward met het begrip 'gebruikseenheid' als onderdeel van het begrip 'gebruiksfunctie'. Binnen het Bouwbesluit 2003 wordt het begrip 'gebruikseenheid' in relatie tot wonen, logeren en het gedwongen nachtverblijven anders gebruikt dan bij andere gebruiksfuncties. Zo moeten zowel een winkelcentrum als een kantorencentrum worden gezien als één gebruikseenheid, terwijl een woongebouw, een logiesgebouw en een cellengebouw twee of meer gebruikseenheden bevatten, zijnde de afzonderlijke woonfuncties, logiesfuncties of celfuncties.

De eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan gebouwen en bouwwerken zijn afhankelijk van het gebruiksdoel van die gebouwen en bouwwerken. Aan een woongebouw worden bijvoorbeeld andere eisen gesteld dan aan een kantoorgebouw of een winkel. De voorschriften van het Bouwbesluit 2003 moeten in elke situatie duidelijk zijn. Dus ook voor een gebouw waarin verschillende functies zijn ondergebracht, bijvoorbeeld een gebouw met winkels, kantoren en woningen. De aanvrager van de bouwvergunning geeft voor alle gedeelten van het gebouw zelf aan bij welke functies deze delen horen.

De hiervoor bedoelde functies worden in het Bouwbesluit 2003 aangeduid als ‘gebruiksfuncties’. Om de verschillende gebruiksfuncties in een gebouw aan de eisen van het Bouwbesluit 2003 te kunnen toetsen, moet duidelijk zijn welke gedeelten van het gebouw door die gebruiksfuncties worden gebruikt. Sommige ruimten van een gebouw worden slechts door één gebruiksfunctie gebruikt, de zogeheten (groep van) niet-gemeenschappelijke ruimten; andere door twee of meer gebruiksfuncties. De laatste soort ruimten worden in het Bouwbesluit 2003 aangeduid als ‘gemeenschappelijke’ ruimten.

In een gebruiksfunctie liggen ook de ruimten met de route waarlangs vanaf het aansluitende terrein de niet-gemeenschappelijke ruimten worden ontsloten als ook de vluchtroutes vanaf de brandcompartimenten of subbrandcompartimenten waarbinnen (een deel van de) gebruiksfunctie is gelegen. Ook moet bijvoorbeeld voor iedere “woning” in een woongebouw duidelijk zijn van welke ruimten die “woning” gebruik maakt. Er worden namelijk zowel eisen gesteld aan het woongebouw als aan de afzonderlijke “woningen” in het woongebouw. De aanvrager van een bouwvergunning of de eigenaar van een gebouw geeft zelf aan op welke wijze hij zijn gebouw indeelt, waarbij hij slechts gebruik kan maken van de in het Bouwbesluit omschreven gebruiksfuncties en een aantal specifieke gebouwaanduidingen (zie artikel 1.1, derde tot en met vijfde lid).

Daarnaast kunnen van een gebouw gemeenschappelijke ruimten deel uitmaken. Een gemeenschappelijk ruimte is een deel van een gebruiksfunctie en ligt daarmee in twee of meer gebruiksfuncties. Voorbeelden daarvan kunnen zijn de centrale hal in een multifunctioneel gebouw of de toiletruimten in een gebouw met twee of meer gebruiksfuncties. Omtrent het gebruik van gebouwen en ruimten moeten op grond van artikel 8 van de Woningwet in de gemeentelijke bouwverordening voorschriften zijn gegeven. Die voorschriften zijn de titel op grond waarvan gemeenten in voorkomende gevallen bij een gebruik op een wijze waarvoor het gebouw of die ruimte niet geschikt is, op kunnen treden.

Omvang van een gebruiksfunctie

Een gebruiksfunctie kan bestaan uit een verzameling van niet-gemeenschappelijke ruimten en gemeenschappelijke ruimten. Per definitie deelt een gebruiksfunctie de gemeenschappelijke ruimten met andere al dan niet gelijksoortige gebruiksfuncties. Bij de bepaling van de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie wordt de gebruiksoppervlakte van een gemeenschappelijke ruimte daarom slechts voor een deel meegeteld. Tot een gebruiksfunctie worden niet gerekend de bijbehorende nevenfuncties, zoals een garage of buitenbergruimte bij een woonfunctie of een fietsenstalling bij een winkelfunctie.

Verkeers- en vluchtroutes

Een route waarlangs een gebruiksfunctie kan worden betreden, verlaten of ontvlucht, kan door ruimten van andere gebruiksfuncties lopen. Dat is gangbare praktijk. De route behoort wel tot die eerstbedoelde gebruiksfunctie en is dan ook als gemeenschappelijke route aan te duiden. De aanvrager van de bouwvergunning heeft echter de keuze deze route aan te duiden als “bijzonder gemeenschappelijk” of als “gemeenschappelijk”. In het eerste geval moet de route voor de bepaling van de gebruiksoppervlakte en bij het beschouwen van een aantal andere grootheden (sterkte van de bouwconstructie en epc) worden beschouwd als behorend uitsluitend tot de hoofdgebruiksfunctie waarin de route is gelegen. De aanvrager van de bouwvergunning is overigens vrij om de ruimten waardoor dergelijke routes lopen, aan te merken als gemeenschappelijke ruimten. In dat geval telt de gebruiksoppervlakte weer wel (gedeeltelijk) mee.

Verschijningsvormen van een gebruiksfunctie

Een gebruiksfunctie kan verschillende verschijningsvormen hebben. Er zijn vier basisvormen die in de figuren 3 t.m. 6 zijn weergegeven.

Afbeelding

Figuur 3 — Gebruiksfunctie (al dan niet met nevenfunctie) waarbij alle ruimten en voorziening binnen de (hoofd)gebruiksfunctie zijn gelegen (woning met garage annex bergruimte)

Afbeelding

Figuur 4 — Gebruiksfunctie (al dan niet met nevenfunctie) waarbij een deel van de ruimten en voorzieningen buiten de (hoofd)gebruiksfunctie zijn gelegen als niet-gemeenschappelijke ruimten en voorzieningen (woning met verwarmingsketel in de garage)

Afbeelding

Figuur 5 — Gebruiksfunctie (al dan niet met nevenfunctie) waarbij een gedeelte van de ruimten en voorziening als gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen zijn uitgevoerd (woongebouw met woningen met gemeenschappelijke voorzieningen)

Afbeelding

Figuur 6 — Gebruiksfunctie gelegen in twee of meer gebouwen (twee of meer industriegebouwen op een zelfde complex)

Gebruiksfunctie die bijzonder gevoelig is voor luchtvaartlawaai

De slaapkamers van reeds binnen de L Aeq–geluidszone op het moment van vaststellen daarvan gelegen woningen en gezondheidszorggebouwen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (Stcrt. 1997, 47, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2001, 44).

Met de wijziging die is gepubliceerd in Stb. 2006, 257 is de begripsomschrijving aangepast aan de wijziging van de Wet luchtvaart (Stb. 2002, 374). Kern van die wijziging is dat de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol onder de Wet luchtvaart valt. Voor de omgeving van Schiphol zijn kaarten ontwikkeld met een zonering door middel van geluidscontouren. Deze moeten in acht worden genomen bij de bepaling van de karakteristieke geluidwering van nieuw te bouwen bijzonder geluidsgevoelige gebouwen. Alhoewel de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (RGV ’97) is ontwikkeld voor de na-isolatie van bestaande bijzonder geluidsgevoelige gebouwen, biedt de Wet luchtvaart de mogelijkheid om deze regeling ook voor nieuw te bouwen bijzonder geluidsgevoelige gebouwen toe te passen. Daartoe bevat de RGV ’97 de betreffende geluidskaarten rondom de luchthaven Schiphol. Voor alle andere luchthavens blijft de Luchtvaartwet van kracht.

Gebruiksfunctie die gevoelig is voor industrie-, weg- of railverkeerslawaai

Het opnemen van deze begripsbepaling is noodzakelijk om aan te geven dat de eisen voor de geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie alleen gelden voor bepaalde gebouwen of gedeelte van gebouwen, gebruiksfuncties genoemd, die worden gebouwd in een geluidszone als bedoeld in de Wet geluidhinder. Het gaat daarbij om woningen en geluidsgevoelige gebouwen. Tot geluidsgevoelige gebouwen worden gerekend:

a.scholen voor het basisonderwijs;
b.scholen voor het voortgezet onderwijs;
c.scholen voor het hoger beroepsonderwijs;
d.algemene, categorale en academische ziekenhuizen;
e.regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg bijzondere ziektekostenverzekering;
f.verpleegtehuizen;
g.zwakzinnigeninrichtingen;
h.inrichtingen voor zintuiglijk gehandicapten;
i.medische kindertehuizen;
j.medische kleuterdagverblijven, en
k.sanatoria.

Gebruiksfunctie die gevoelig is voor luchtvaartlawaai

Het opnemen van deze begripsbepaling is noodzakelijk om aan te geven dat de eisen voor de geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie alleen gelden voor bepaalde gebouwen of gedeelte van gebouwen, gebruiksfuncties genoemd, die worden gebouwd in een geluidszone als bedoeld in de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. Het gaat daarbij om woningen en geluidsgevoelige gebouwen. Tot geluidsgevoelige gebouwen worden gerekend:

a.scholen voor het basisonderwijs;
b.scholen voor het voortgezet onderwijs;
c.scholen voor het hoger beroepsonderwijs;
d.algemene, categoriale en academische ziekenhuizen;
e.regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg bijzondere ziektekostenverzekering;
f.verpleegtehuizen;
g.zwakzinnigeninrichtingen;
h.inrichtingen voor zintuiglijk gehandicapten;
i.medische kindertehuizen;
j.medische kleuterdagverblijven, en
k.sanatoria.

Uit het feit dat ook de Wet geluidhinder een rol speelt moet worden begrepen dat de buitenlandse luchtvaartterreinen die in die wet regeling hebben gekregen, via de aan dit begrip gekoppelde voorschriften regeling hebben gekregen.

Integraal toegankelijke toiletruimte

Een mede voor mensen met een functiebeperking, waaronder een rolstoelgebruiker, geschikte toiletruimte. Een integraal toegankelijke toiletruimte ligt in een toegankelijkheidssector.

Integraal toegankelijke badruimte

Een mede voor mensen met een functiebeperking, waaronder een rolstoelgebruiker, geschikte badruimte.

Inwendige scheidingsconstructie

Een inwendige scheidingsconstructie is bijvoorbeeld een woningscheidende wand, een binnenwand of een verdiepingscheidende vloer. Deuren, ramen, schachten, kanalen en kolommen, die in een inwendige scheidingsconstructie voorkomen, maken deel uit van die scheidingsconstructie. Het gaat om het geheel van de constructie die de scheiding vormt tussen twee voor mensen toegankelijke ruimten. Het feit dat ook aansluitende delen van andere constructies onder het onderhavige begrip vallen, houdt verband met de omstandigheid dat die andere constructiedelen de door de desbetreffende inwendige scheidingsconstructie te leveren prestaties met betrekking tot bijvoorbeeld de geluidsisolatie of brandwering niet nadelig mogen beïnvloeden. De begripsomschrijving sluit niet uit dat met positieve invloeden van die andere constructiedelen op de door de inwendige scheidingsconstructie te leveren prestaties rekening mag worden gehouden. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt een kruipruimte niet als een voor mensen toegankelijke ruimte beschouwd. Dit betekent onder meer dat de boven een kruipruimte gelegen beganegrondvloer van een woning of ander gebouw niet kan worden aangemerkt als een inwendige scheidingsconstructie in de zin van dit besluit.

Klimlijn

De klimlijn geeft een denkbeeldige route weer waarvan wordt aangenomen dat deze het trjaect weergeeft die mensen over de trap volgen.

Loopafstand

Het geïntroduceerde begrip "loopafstand" is ontleend aan het begrip "kortste route" genoemd in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid. Het geeft de kortste route weer, waarlangs lopend een bepaald traject kan worden afgelegd.

Meetniveau

Het nieuwe begrip "meetniveau" is de bovenkant van het terrein ter plaatse van de toegang van een gebouw. Indien een gebouw slechts kan worden betreden via een trap of een hellingbaan, is het meetniveau de hoogte van het terrein aan de voet van de trap of hellingbaan.

NEN

Het begrip 'NEN' dient ter aanduiding van een door de Stichting Nederlands Normalisatie instituut als Nederlands normblad aanvaard en gepubliceerd document. Alle normbladen zijn verkrijgbaar bij genoemde stichting die is gevestigd aan de Vlinderweg 6 te Delft, Postbus 5059, 2600 GB Delft, telefoon 015-690390. Het normenbestand kan worden geraadpleegd bij de bibliotheek van het NEN, die is ondergebracht bij de bibliotheek van de Technische Universiteit Delft, Schuttersveld 2 te Delft.

Nevenfunctie

Een ruimte die weliswaar ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie, maar die toch als zelfstandige gebruiksfunctie wordt aangemerkt. Bij een nevenfunctie kan gedacht worden aan een garage bij een woning, een fietsenstalling bij een kantoor, een werkplaats in een gevangeniscomplex, of een liftschacht bij een tunnel.

Nominale belasting

Een begrip dat is ontleend aan de gaswereld (NEN 1078, NEN 2757 en NEN 2778). Bedacht moet worden dat in het Besluit redementseisen cv-ketels echter wordt uitgegaan van de calorische onderwaarde.

Nooddeur

Een nooddeur is uitsluitend bestemd voor ontvluchten in geval van calamiteiten en zal niet voor regulier gebruik worden benut. Op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit moet een nooddeur met de vluchtrichting meedraaien en is toepassing van een schuifdeur1 als nooddeur niet toegestaan voor een ruimte waarin wordt gewerkt met brandgevaarlijke of voor de gezondheid gevaarlijke stoffen2. Daarom is in de artikelen 2.146, 2.148, 2.151, 2.152, 2.171 en 2.180 van dit besluit, die alle op het ontvluchten betrekking hebben, een verbod opgenomen voor de toepassing van een schuifdeur als nooddeur. Een nooddeur zal onder alle omstandigheden van binnenuit zonder sleutel moeten kunnen worden geopend, bijvoorbeeld door middel van een zogenoemde ‘panieksluiting’, terwijl deze deur normaliter niet van buitenaf te openen is. Wanneer een in een vluchtroute3 gelegen deur onder normale omstandigheden ook wordt benut voor het bereiken van ruimten in een gebouw, dan is er geen sprake van een nooddeur, maar van een deur van een toegang die ook als vluchtdeur kan dienen. Het is daarom niet uitgesloten dat in bijvoorbeeld de hoofdtoegang of een andere toegang van een gebouw een schuifdeur wordt toegepast. Het Bouwbesluit 2003 schrijft overigens geen nooddeuren voor, maar stelt slechts de eis dat een nooddeur die in een rookvrije of brand- en rookvrije vluchtroute ligt, geen schuifdeur mag zijn. Opgemerkt moet worden dat ook een nooduitgang uitsluitend bedoeld voor het ontvluchten van een gebouw volgens de systematiek van dit besluit wordt benoemd als een toegang.

Opmerking Nico Scholten

1 En ook een hefdeur.

2 Volgens artikel 3.7 van het Arbobesluit geldt dit voor alle vluchtdeuren, ongeacht situering.

3 Rookvrije.

Noodtrap

Een trap die niet bedoeld is om een ruimte in een bouwwerk te bereiken of te ontsluiten, maar uitsluitend om bij calamiteiten het bouwwerk te ontvluchten, behoeft niet aan alle eisen te voldoen van een reguliere trap. Om een dergelijke trap te kunnen onderscheiden van een reguliere trap, is het noodzakelijk deze als noodtrap te definiëren.

Rookcompartiment

Een rookcompartiment is een gedeelte van een gebouw dat dienst doet als beperkt verspreidingsgebied van rook bij een brand. Alleen mensen in dit compartiment zijn in het stadium van vluchten direct bedreigd. Zij zullen door de beperkingen die aan het rookcompartiment zijn gesteld, snel een plaats buiten dit compartiment kunnen bereiken. Van buiten dit rookcompartiment kunnen mensen via rookvrije vluchtroutes een veilige plaats, veelal het aansluitende terrein, bereiken.

Rookvrije vluchtroute

Onder een rookvrije vluchtroute wordt een route verstaan waarlangs de in een gebouw aanwezige personen zich bij brand zelfstandig, al lopend, in veiligheid kunnen stellen. Deze route mag uitsluitend over vloeren, hellingbanen of trappen voeren, omdat het gebruik van bepaalde mechanische voorzieningen zoals liften en roltrappen bij brand risico's met zich meebrengt. Het gaat daarbij om trappen en hellingbanen die voldoen aan de voorschriften die het Bouwbesluit 2003 daaraan stelt.

Technische ruimte

De gewijzigde begripsomschrijving van "technische ruimte" beoogt meer duidelijkheid te verschaffen omtrent het begrip technische ruimte in relatie tot andere in het Bouwbesluit gebezigde termen voor bepaalde technische ruimten. Het handelt om een ruimte voor het plaatsen van installaties die noodzakelijk zijn voor het functioneren van een gebouw. Bedoelde installaties voldoen aan de volgende criteria:

  • de installatie is vast verbonden met het gebouw;
  • het tot stand brengen van de installatie is nauw verweven met de bouwkundige werkzaamheden;
  • de installatie is overwegend gericht op het scheppen van de juiste omstandigheden voor het verblijven of werken in het gebouw;
  • de installatie is niet gericht op de productie van het bedrijf.

Voorbeelden zijn een meterruimte, een stookruimte, een ruimte waarin de airconditioning is geplaatst of een liftmachineruimte. Een ruimte behoeft niet besloten te zijn om als technische ruimte te kunnen functioneren.

Toegang van een gebruiksfunctie

De begripsbepaling "toegang van een gebruiksfunctie" is afwijkend van het begrip “gebruiksfunctie” gedefinieerd. Het begrip is nodig om te kunnen bepalen waar de toegang van de groep van met elkaar in verbinding staande, niet-gemeenschappelijke ruimten zich bevindt, bijvoorbeeld de voordeur van een flatwoning. Dit is bijvoorbeeld nodig om de ligging van gemeenschappelijke voorzieningen zoals een lift, een toiletruimte of een badruimte ten opzichte van de zelfstandige ruimten van een woning te kunnen bepalen. Eigenlijk zou, om in systeem te blijven, moeten worden gesproken van “toegang tot de groep van met elkaar in verbinding staande, niet gemeenschappelijke ruimten van een gebruiksfunctie. Dit zou de leesbaarheid van het Bouwbesluit niet ten goede komen, zodat is gekozen van een doorbreking van de logica achter de voorschriften. Het kan dus in de praktijk zo zijn dat de toegang van een gebruiksfunctie zich bevindt in de gebruiksfunctie, op de scheidslijn tussen een gemeenschappelijke ruimte en een niet-gemeenschappelijke ruimte. In de praktijk bevindt de toegang zich op de dik aangegeven lijn van figuur 7.

Afbeelding

Figuur 7 Toegang van een gebruiksfunctie

Toegankelijkheidssector

De gewijzigde begripsomschrijving voor de toegankelijkheidssector houdt verband met de in het algemeen deel van deze toelichting beschreven, andere uitwerking van de toegankelijkheid van gebouwen. Een toegankelijkheidssector is een zone (dus niet beperkt tot één bouwlaag wat wel het geval is bij een ruimte of gebied) van een bouwwerk waarin een gebruiker met een functiebeperking, zoals een rolstoelgebruiker, zich zelfstandig kan verplaatsen. Dit betekent dat er voldoende bouwkundige manoeuvreerruimte is en dat er geen voor een rolstoel onoverbrugbare hoogteverschillen zijn.

Trappenhuis

Door de aanpassing van de begripsomschrijving voor een verblijfsgebied heeft de term “verkeersruimte” een andere betekenis gekregen. Het is niet de bedoeling dat het begrip verblijfsgebied een andere betekenis heeft dan vóór het Bouwbesluit 2003. Een trap binnen een woning die in een van andere ruimten afgesloten ruimte is gelegen hoeft daarom ook niet te worden geduid als trappenhuis. Het gaat dan om een ruimte waardoor een verkeersroute voert over een trap.

Tunnellengte

De begripsbepaling tunnellengte is noodzakelijk om eenduidig vast te kunnen stellen of een wegtunnel wel of niet onder de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 valt. Het komt er op neer dat de lengte van het omsloten gedeelte van de langste tunnelbuis waarin een rijbaan is gelegen bepalend is. Bij het bepalen van de tunnellengte wordt uitgegaan van het «omsloten» gedeelte van de tunnel. Het Bouwbesluit 2003 geeft geen definitie van «omsloten». In beginsel zal het omsloten gedeelte van de tunnel zich uitstrekken van tunnelmond tot tunnelmond. Het omsloten gedeelte kan echter achter de tunnelmond beginnen, bijvoorbeeld indien er zich in het tunneldak of de tunnelwand voldoende grote openingen bevinden om de bij een brand ontstane rook en hitte in voldoende mate af te voeren. Wanneer sprake is van een «omsloten gedeelte» is in het kader van de aanvraag om bouwvergunning uiteindelijk ter beoordeling van de gemeente. Opgemerkt wordt dat de in dit besluit opgenomen definitie van tunnellengte niet letterlijk is overgenomen uit de richtlijn tunnels (richtlijn 2004/54/EG). Zoals hierboven is toegelicht gaat het hier om het volledig omsloten gedeelte en niet om het zoals in de Nederlandse versie van de richtlijn opgenomen «volledig gesloten» gedeelte. Kenmerkend voor een wegtunnel is ten slotte dat deze aan de tunnelmonden open is. Een tweede punt is, dat in dit besluit wordt uitgegaan van rijbaan in plaats van rijstrook omdat de indeling in rijstroken een niet bouwkundige voorziening is en een rijbaan wel. Met de in dit besluit opgenomen definitie van tunnellengte wordt geen inhoudelijke wijziging aangebracht in de reikwijdte van de oor-spronkelijke definitie, er wordt derhalve volledig recht gedaan aan de doelstellingen van de richtlijn.

Uitwendige scheidingsconstructie

Als uitwendige scheidingsconstructie kunnen onder meer worden aangemerkt de gevel en het dak. Voorts is als uitwendige scheidingsconstructie bijvoorbeeld aan te merken de scheidingsconstructie tussen een woning en een niet besloten verkeersruimte, zoals een galerij. De beganegrondvloer van een woning of ander gebouw die boven een kruipruimte is gelegen, is niet als uitwendige scheidingsconstructie aan te merken, aangezien de vloer niet de scheiding vormt met de grond, de buitenlucht of het water. Bovendien is het bij de begripsomschrijving “inwendige scheidingsconstructie” gestelde met betrekking tot aansluitende constructiedelen en met betrekking tot het geheel van de scheidingsconstructie eveneens van toepassing op een uitwendige scheidingsconstructie.

Veiligheidstrappenhuis

Een veiligheidstrappenhuis is een vluchttrappenhuis waarin gedurende bepaalde tijd geen brand en rook kan doordringen. De bepaling dat een veiligheidstrappenhuis in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet besloten ruimte, is bedoeld om de door dat trappenhuis voerende vluchtroute te beschermen tegen het binnendringen van rook. De begripsomschrijving sluit niet uit dat in de vluchtrichting wordt aangesloten op een besluiten ruimte waardoor een vluchtweg voert, zoals een portaal.

Verblijfsgebied

Het begrip "verblijfsgebied" hangt, zoals reeds in het algemeen deel van deze toelichting is gesteld, samen met de aan het onderhavige besluit ten grondslag liggende doelstelling dat een gebouw zoveel mogelijk vrij indeelbaar moet zijn. Blijkens dit begrip moet, voor zover het gaat om het bouwen van gebouwen, een verblijfsruimte te allen tijde in een verblijfsgebied zijn gelegen. Het laten vervallen van het woord "besloten" uit de begripsomschrijving van "verblijfsgebied" houdt verband met het feit dat een verblijfsgebied niet alleen een voor het verblijven van mensen bestemde ruimte is, hetwelk in de regel in een besloten ruimte plaatsvindt. Een verblijfsgebied kan ook bestemd zijn voor het verrichten van voor het gebouw kenmerkende activiteiten, die niet altijd specifiek verband houden met het verblijven van mensen in die ruimte. In niet tot bewoning bestemde gebouwen spelen kenmerkende activiteiten zich soms af in niet-besloten ruimten, zoals bijvoorbeeld in gedeelten van een gebouw ten dienste van het vervoer van personen of van bepaalde industriegebouwen. In de nieuwe begripsomschrijving van "verblijfsruimte", is dit tot uitdrukking gebracht. Door het geven van voorschriften voor een verblijfsgebied, wordt tevens indirect een minimumniveau voor een verblijfsruimte gewaarborgd. De aanvrager van de bouwvergunning kan zelf aangeven welk deel van de gebruiksfunctie wordt benoemd als verblijfsgebied.

Een verblijfsgebied kan worden opgedeeld in twee of meer verblijfsruimten en andere ruimten, niet zijnde een toilet-, badruimte, technische ruimte of een verkeersruimte. Daarbij kunnen ook gedeelten van een verblijfsgebied worden aangeduid als “onbenoemde ruimten”. Onbenoemde ruimten hoeven niet door een fysieke scheidingsconstructie van een verblijfsruimte te zijn afgescheiden. Dat geldt ook voor de indeling van een gebouw in verblijfsgebieden en andere ruimten. Tussen een verblijfsgebied en een andere ruimte, zoals een onbenoemde ruimte hoeft niet een fysieke scheidingsconstructie te zijn gelegen. Dit wordt in de wandelgangen ook wel aangeduid als het “krijtstrepen-principe”. Zolang aan de voorschriften van het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening is voldaan, is een dergelijke oplossing toegestaan. Bij het gebruik van een op die wijze ingedeeld gebouw is pas sprake van een onbedoelde situatie, als ruimten die daarvoor volgens de voorschriften van het Bouwbesluit voor de bestaande bouw niet geschikt zijn toch als zodanig worden gebruikt.

Verblijfsruimte

In artikel 1.1, derde lid, is per gebruiksfunctie aangegeven welke activiteiten daarvoor kenmerkend zijn. Op die activiteiten zijn de voorschriften voor een verblijfsruimte van die gebruiksfunctie afgestemd. Van bijvoorbeeld een kantoorfunctie moeten de werkvertrekken voor administratieve werkzaamheden en voor een school de klaslokalen als verblijfsruimten worden aangemerkt. Behalve voor het verblijven van mensen kan een verblijfsruimte in bepaalde gevallen zijn bedoeld voor activiteiten waarbij het verblijven van mensen geen rol van betekenis speelt. Dit is bijvoorbeeld het geval indien het opslaan van goederen de kenmerkende activiteit is (een pakhuis). Een dergelijke verblijfsruimte wordt in dit besluit aangegeven als een verblijfsruimte niet bestemd voor het verblijven van mensen. Voor deze ruimten gelden op de desbetreffende situatie afgestemde (lichtere) voorschriften. Wanneer met gebruikmaking van vergunningsvrije bouwwerken voor een verblijfsgebied geen nadere indeling op een bouwaanvraag is aangegeven, is een verblijfsgebied tevens aan te merken als verblijfsruimte. Omdat de voorschriften voor een verblijfsgebied in de regels zwaarder zijn dan de overeenkomstige voorschriften voor een verblijfsruimte kan toetsing aan die laatste voorschriften achterwege blijven.

Verkeersruimte

Als een verkeersruimte kan bijvoorbeeld worden aangemerkt een gang, hal of portaal in een woning of een galerij, corridor of trappenhuis in een al of niet tot bewoning bestemde gebruiksfunctie. Als de ruimte waardoor een andere ruimte bereikt kan worden een onderdeel van een verblijfsgebied is, is deze ruimte niet een verkeersruimte doch een ruimte waardoor een verkeersroute voert. Niet elke ruimte waardoor een verkeersroute voert die niet in een verblijfsgebied is gelegen, is een verkeersruimte. De aanvrager van een bouwvergunning bepaalt de benaming. Hij kan die ruimte ook aanduiden als een “onbenoemde ruimte, waardoor een verkeersroute voert.

Verkeersroute

Een verkeersroute is bijvoorbeeld de route die vanaf een slaapkamer via een gang, een trap, de woonkamer en de hal naar de toegang van de woning voert.

Een verkeersroute kan door een niet-gemeenschappelijke ruimte voeren, maar ook door een gemeenschappelijke ruimte. In dat geval gelden voor dat gedeelte van de route dubbele voorschriften waarbij aan de zwaarste zal moeten worden voldaan dan wel waarbij de voorschriften op een bepaalde wijze bij elkaar moeten worden opgeteld.

Wegtunnel

Een wegtunnel is een tunnel of tunnelvormig bouwwerk uitsluitend dan wel mede bestemd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994. Hiermee is zekergesteld dat de voorschriften voor wegtunnels in het Bouwbesluit 2003 uitsluitend betrekking hebben op tunnels voor auto- en vrachtverkeer over de weg.

Tweede lid

In het tweede lid zijn begrippen opgenomen, die het Bouwbesluit 2003 hanteert, maar niet zelf definieert. In de desbetreffende normbladen zijn die begrippen omschreven.

Brandweerlift

Een brandweerlift (als bedoeld in richtlijn nr. 95/16/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1995, inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende liften (pbEG L 213)1) is noodzakelijk om de brandweer in de gelegenheid te stellen met geëigend materieel de hoger gelegen verdiepingen te bereiken en te doorzoeken naar achtergebleven personen. Een brandweerlift is voorgeschreven wanneer een gebouw hoger is dan 20 meter en boven die hoogte voor het verblijf van mensen bestemde ruimten zijn gelegen. Aan de inrichting van een brandweerlift worden bepaalde eisen gesteld ten einde die lift ook als zodanig te kunnen laten functioneren. Aan de inrichting van een schacht voor brandweerlift worden bepaalde eisen gesteld ten einde die lift ook als zodanig te kunnen laten functioneren. Deze zijn opgenomen in NEN EN 81-72. In de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn in de artikelen 4.1 en 4.17 nadere eisen opgenomen die in samenhang met deze begripsomschrijving moeten worden gelezen.

OPMERKING Nico Scholten

1 De brandweerlift wordt in deze richtlijn niet specifiek onderscheiden. Het handelt om een generieke richtlijn voor liften.

Bijdrage tot brandvoortplanting

Om te voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van constructie-onderdelen, moet de bijdrage tot brandvoortplanting van een constructie-onderdeel beperkt worden. De bijdrage tot brandvoortplanting moet worden bepaald volgens NEN 6065. Dit normblad voorziet erin dat de combinatie van bouwmaterialen die over een diepte van 0,15 m in een constructie-onderdeel is toegepast, aan een beproeving moet zijn onderworpen om de bijdrage tot brandvoortplanting van een constructie-onderdeel te kunnen vaststellen. Omdat de brandvoortplanting van de bovenzijde van horizontale vlakken, vloeren en tredenvlakken, sterk afwijkt van die van niet-horizontale vlakken, moet de bijdrage tot brandvoortplanting aan deze zijde zijn bepaald volgens NEN 1775. Ingevolge dit normblad moet de combinatie van bouwmaterialen die over een diepte van 0,03 m, grenzend aan het oppervlak van de vloer of tredenvlak, is toegepast, aan de beproeving zijn onderworpen.

CLV-systeem

Onder een CLV-systeem wordt verstaan het Combinatie-Luchttoevoer-Verbrandingsgas-afvoersysteem als bedoeld in NEN 2757. Dit systeem werkt op natuurlijke trek en bestaat uit een combinatie van een leiding voor de gemeenschappelijke toevoer van verbrandingslucht en een leiding of kanaal voor de gemeenschappelijke afvoer van rook. Het CLV-systeem is uitsluitend bestemd voor met gas gestookte toestellen die voorzien zijn van een ventilator.

Energieprestatiecoëfficiënt

Maat voor de energetische eigenschappen van een gebruiksfunctie of een gedeelte van een gebouw, inclusief gebouwinstallaties, bij een bepaald gebruikersgedrag. De wijze van berekening is voor woonfuncties vastgelegd in NEN 5128 en voor andere gebruiksfuncties in NEN 2916. Voor een gebouw met twee of meer gebruiksfuncties, niet zijnde beide woonfuncties, bevat NEN 2916 een bepalingsmethode om de mate van energiezuinigheid te berekenen.

Gebruiksoppervlakte

Onder de gebruiksoppervlakte van een gebouw wordt grosso modo verstaan het totaal van de tussen omsluitende wanden gelegen vloeroppervlakten van in dat gebouw gelegen ruimten. Tot die gebruiksoppervlakte worden echter bijvoorbeeld niet gerekend de oppervlakten die worden ingenomen door dragende constructie-onderdelen, de oppervlakten van vloeren waarboven een netto-hoogte aanwezig is van minder dan 1,5 m en de vloeroppervlakten van bijvoorbeeld een buiten een woning in het woongebouw gelegen bergruimte, stookruimte of trappenhuis. De gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie bestaat uit de “initiële gebruiksoppervlakte” van de groep van niet-gemeenschappelijke ruimten, vermeerderd met een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten van de gebruiksfunctie. Voor een woonfunctie en een logiesfunctie, gelegen in een woongebouw onderscheidenlijk een logiesgebouw, geldt een afwijkende regeling ten einde te voorkomen dat een woning in een woongebouw of een hotelkamer anders zou worden beoordeeld dan een eengezinswoning of bijvoorbeeld een vakantiewoning.

Hoofddraagconstructie

Een deel van de bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het bezwijken van bouwconstructies die niet in de directe nabijheid van het bezweken onderdeel zijn gelegen. Een bouwconstructie moet hierbij in het geval van een vloer die bijvoorbeeld is opgebouwd uit balken en houten vloerdelen als één bouwconstructie te worden opgevat en niet elke vloerbalk en de beplanking afzonderlijk. E.e.a. moet worden gezien in relatie tot voortschrijdende instorting. Bij een éénlaagse bungalow ontbreekt dus een hoofddraagconstructie.

Netto-inhoud

Onder de netto-inhoud van een ruimte wordt verstaan het product van de netto-vloeroppervlakte, vermeerderd met de oppervlakten van vides en schalmgaten voor zover die groter zijn dan 4 m², en de netto-hoogte. De netto-vloeroppervlakte is de op vloerniveau gemeten oppervlakte tussen de begrenzende opgaande scheidingsconstructies van die ruimte. De netto-hoogte is de loodrechte afstand tussen de bovenkant van een vloer en de onderkant van een daarboven gelegen plafond, vloer of dak, waarbij incidentele constructie-onderdelen buiten beschouwing blijven.

Rookproductie

Om te voorkomen dat een beginnende brand leidt tot een te sterke mate van rookontwikkeling, veroorzaakt door het oppervlak van constructie-onderdelen, moet de bijdrage aan de rookproductie beperkt worden. Deze rookproductie, uitgedrukt in termen van rookdichtheid, moet zijn bepaald volgens NEN 6066. Dit normblad voorziet er in dat de combinatie van bouwmaterialen die in een constructie-onderdeel over een diepte van 0,065 m is toegepast, aan een beproeving moet zijn onderworpen om de rookproductie van dat constructie-onderdeel te bepalen.

Vrije hoogte

De vrije hoogte is de verticale afstand tussen de bovenkant van een vloer of traptrede en de onderkant van het laagste daarboven gelegen constructiedeel. Daarbij blijft een leuning buiten beschouwing.

Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo)

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag staat voor de tijd die het duurt dat een brand in een (sub)brandcompartiment zich uitbreidt naar een ander (sub)brandcompartiment, een ruimte met brand- en rookvrije vluchtroute of een veiligheidstrappenhuis. Een brand kan zich op twee manieren uitbreiden: Via brandoverslag: de uitbreiding van brand van een ruimte naar een andere ruimte uitsluitend via de buitenlucht. Via branddoorslag: de uitbreiding van brand van een ruimte naar een andere ruimte anders dan via de buitenlucht. In NEN 6068 is aangegeven hoe de wbdbo kan worden bepaald. Het toepassingsgebied van dat normblad is beperkt, zodat veelvuldig een beroep zal moeten worden gedaan op het gelijkwaardigheidsbeginsel.

Weerstand tegen rookdoorgang

De weerstand tegen rookdoorgang is neergelegd in NEN 7075 en komt nagenoeg overeen met de “oude” bepalingsmethode uit NEN 3895. De weerstand tegen rookdoorgang is gelijk aan de brandwerendheid, bepaald volgens hoofdstuk 3 van NEN 6069, slechts uitgaande van het criterium van vlamdichtheid betrokken op de afdichting, van alle scheidingsconstructies - inclusief deuren, openingen, doorvoeringen en aansluitingen - die zich in elk van de rookverspreidingstrajecten tussen de beschouwde ruimten bevinden, vermenigvuldigd met 3/2.

Derde lid

In het Bouwbesluit 2003 zijn twaalf (hoofd-)gebruiksfuncties onderscheiden, te weten elf functies die een gebouw of een gedeelte van één of meer gebouwen zijn en één functie voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Een bouwwerk is in de Woningwet en het Bouwbesluit niet gedefinieerd. In artikel 1 van de Woningwet is gebouw gedefinieerd. Een definitie van bouwwerk is opgenomen in de Model-bouwverordening 1992 van de Vereniging van Nederlandse gemeenten. Over dit laatste begrip is, mede aan de hand van de in de bouwverordening daarvoor gegeven definitie, de nodige jurisprudentie ontstaan. Daaruit valt een drietal elementen te ontlenen dat een werk maakt tot een bouwwerk, te weten: de omvang, de constructie en het plaatsgebonden karakter. Deze elementen zijn in de definitie van "bouwwerk", zoals opgenomen in art. 1 MBV 1992 tot uitdrukking gebracht. Uit een en ander volgt voldoende duidelijk wat een bouwwerk, geen gebouw zijnde is. Een voorbeeld van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is een brug en lantaarnpaal, hoogspanningsmast, een niet betreedbaar trafohuis, maar ook een lage groentekas.

Woonfunctie

Onder woonfunctie vallen ruimten die een woonbestemming hebben zoals vrijstaande woningen, eengezinswoningen, flat- of portiekwoningen, kamers in een studentenhuis en woonwagens met de daarbij behorende gebouwgebonden ontsluitingswegen en vluchtroutes. Een ruimte van een woonboot valt daar niet onder. Een woonschip is namelijk geen bouwwerk in de zin van de Woningwet.

Onder de woonfunctie van een woonwagen vallen ook de voorschriften voor een standplaats. Echter, een standplaats op zich is een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Wordt dus een standplaats ingericht zonder woonwagens, dan zijn strikt genomen de voorschriften voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, van toepassing. Dat is echter niet de bedoeling. Bij het aanschrijven ontstaat een soortgelijk probleem. Artikel 18 van de Woningwet is de basis voor het aanschrijven van een standplaats. De voorschriften daartoe zijn echter niet te vinden onder de gebruiksfunctie “bouwwerk, geen gebouw zijnde”, maar onder woonfunctie van een woonwagen.

Bijeenkomstfunctie

Onder deze gebruiksfunctie kan bijvoorbeeld worden verstaan de kenmerkende ruimten van een congrescentrum, een kerk, een wijkgebouw, een bioscoop, een theater, een casino, een café, een restaurant, een kantine, een discotheek, een tentoonstellingsgebouw, een museum, een kinderdagverblijf en een tribune in een sportgebouw.

Celfunctie

Een celfunctie kan bijvoorbeeld een gevangenis- of een politiecel zijn maar ook een kamer in een tehuis voor dwangmatige verpleging.

Onder een celfunctie, bestemd voor dag- en nachtverblijf, genoemd in dit besluit, moeten niet de cellen worden verstaan waarin personen slechts gedurende korte tijd in verzekerde bewaring worden gesteld, zoals in een gerechtsgebouw of in bepaalde politiecellen. Verder is nog onderscheid te maken tussen celfuncties voor kortstondig dag en nachtverblijf en langdurig dag- en nachtverblijf. Onder de laatste categorie moeten onder andere de cellen van een politiecellencomplex worden verstaan.

Gezondheidszorgfunctie

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om ruimten voor de behandeling of verpleging van patiënten in een ziekenhuis, een verzorgingstehuis, een psychiatrische inrichting, een medisch centrum, een polikliniek en een praktijkruimte voor een huisarts, fysiotherapeut of tandarts. Verder dient te worden opgemerkt dat een verpleeghuis, vanwege het feit dat de bewoners er over het algemeen permanent verblijven, naast de gezondheidszorgfunctie, tevens de woonfunctie omvat, hetgeen betekent dat op zo’n verpleeghuis of delen daarvan gelijktijdig twee sets voorschriften van toepassing zijn.

Industriefunctie

Een industriefunctie omvat bijvoorbeeld een werkplaats of een magazijn van een fabriek, een opslagruimte in een pakhuis, of een stal van een boerderij. Afhankelijk van het feitelijk gebruik kan er echter bij dit gebruik sprake zijn van een “lichte industriefunctie”. De aanvrager van de bouwvergunning geeft de keuze op zijn aanvraag aan. Een gedeeltelijk open loods is ook een industriefunctie, terwijl dit bouwwerk een bouwwerk, geen gebouw zijnde is. De bedoeling is dit bouwwerk toch als industriefunctie te beoordelen.

Kantoorfunctie

Een kantoorfunctie is bijvoorbeeld onderdeel van een accountantsbureau, een administratiekantoor, een advocatenkantoor, een bankgebouw, of een gemeentehuis.

Logiesfunctie

Een logiesfunctie is onder meer een zomerhuisje. Een hotel, een motel of een pension zijn voorbeelden van een samenstel van logiesfuncties.

Onderwijsfunctie

Een onderwijsfunctie omvat bijvoorbeeld alle klaslokalen in een schoolgebouw of een collegezaal van een universiteit. Een tot een school behorend gymnastieklokaal is echter een sportfunctie. Voor een basisschool horen ook de lerarenkamer en de kamer van de directeur tot een onderwijsfunctie. Dat geldt ook voor een speellokaal voor de groepen 1 en 2 van zo’n school. Voor andere scholen moeten deze ruimten zijn aangeduid als kantoorfuncties. Een bijzondere soort onderwijsfunctie is onderwijsfunctie voor het speciaal onderwijs. Wat onder speciaal onderwijs moet worden verstaan staat in de Wet op het primair onderwijs, waarbij wordt verwezen naar de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs.

Wet op het primair onderwijs Artikel 1 (voor zover van belang) In deze wet wordt verstaan onder:

  • school voor speciaal onderwijs: een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;
  • school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;
  • school voor voortgezet speciaal onderwijs: een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Wet op de expertisecentra Artikel 2. Doelgroep; indeling (v.)s.o.

1.Het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs is bestemd voor kinderen voor wie vaststaat dat overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is.
2.Het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs wordt verdeeld in onderwijs aan:
a.dove kinderen;
b.slechthorende kinderen;
c.kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b bedoelde kinderen;
d.visueel gehandicapte kinderen;
e.(vervallen)
f.lichamelijk gehandicapte kinderen;
g.kinderen die zijn opgenomen in ziekenhuizen;
h.langdurig zieke kinderen;
i.(vervallen)
j.zeer moeilijk lerende kinderen;
k.zeer moeilijk opvoedbare kinderen;
l.(vervallen)
m.kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten;
n.meervoudig gehandicapte kinderen;
o.(vervallen).
3.Onder pedologische instituten worden verstaan instituten die een binding bezitten met een Nederlandse universiteit of de wetenschappelijke begeleiding van het onderwijs verzorgen aan scholen voor speciaal onderwijs.

Wet op het voortgezetonderwijs Artikel 125 Doelgroep; indeling v.s.o.

1.Het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in dit deel, is voortgezet onderwijs, bestemd voor kinderen voor wie vaststaat dat overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is. Het omvat niet het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.
2.Het voortgezet speciaal onderwijs wordt verdeeld in onderwijs aan:
a.moeilijk lerende kinderen;
b.zeer moeilijk opvoedbare kinderen;
c.kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden.

Sportfunctie

Als een sportfunctie kan bijvoorbeeld worden aangemerkt een (deel van een) zwembad, een gymnastieklokaal, een sporthal of een fitnesscentrum. Een ruimte uitsluitend voor toeschouwers valt onder de bijeenkomstfunctie. De voorschriften voor verblijfsgebieden van die bijeenkomstfunctie gaan uit van een groter aantal mensen dan die van een sportfunctie.

Winkelfunctie

Als een winkelfunctie is bijvoorbeeld te beschouwen een (deel van een) winkelcentrum, warenhuis, supermarkt of reisbureau. Het stationsloket en de verkoop bij een tankstation vallen hier eveneens onder.

Overige gebruiksfunctie

Hieronder worden verstaan alle gebruiksfuncties die niet onder hierboven genoemde gebruiksfuncties vallen. Een overige gebruiksfunctie is bijvoorbeeld een abri, een buitenberging en een parkeergarage. Ook bij deze gebruiksfunctie komen bouwwerken voor die feitelijk een bouwwerk, geen bouw zijnde, zoals de normale abri’s en bepaalde parkeergarages.

Vierde lid

Naast de twaalf (hoofd)gebruiksfuncties zijn er nog (sub)gebruiksfuncties gedefinieerd in het Bouwbesluit 2003. Dit zijn een aantal veelvoorkomende ondersoorten van de in het derde lid genoemde gebruiksfuncties.

Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang

Onder de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang vallen dagopvang met slaapgelegenheid voor kinderen tot 4 jaar, de buitenschoolse opvang en de 24-uurs opvang. Het gaat om bedrijfsmatige opvang. De oppas aan huis of de gastouder die één of meer kinderen in de eigen woning opvangt of verzorgt, vallen buiten de reikwijdte van de begripsbepaling.

Voorzieningen waar kinderen wonen, zoals bijvoorbeeld een ‘weeshuis’, worden niet gerekend tot de bijeenkomstfunctie. Deze vallen onder de woonfunctie. Medische voorzieningen zoals een medisch kinderdagverblijf of een kinderziekenhuis, vallen onder de gezondheidszorgfunctie.

Lichte industriefunctie

Een lichte industriefunctie is bijvoorbeeld een opslagloods, een kas of een stal. Onder een lichte industriefunctie wordt niet een hondenhok of een daarmee vergelijkbaar bouwwerk verstaan. Als die niet voor mensen toegankelijk is, is dat een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Anders een “overige gebruiksfunctie”. Op een fabrieksterrein kunnen de industriefunctie en de lichte industriefunctie gelijktijdig aanwezig zijn.

Vijfde lid

Het Bouwbesluit verbindt bepaalde eisen aan een aantal specifieke verzamelingen van gebruiksfuncties, te weten het woongebouw met woonfuncties, het cellengebouw met celfuncties en het logiesgebouw met logiesfuncties. De gegeven begripsomschrijvingen geven de intentie weer, maar vormen feitelijk een doorbreking van de systematiek van een gebruiksfunctie die bestaat uit een verzameling van niet-gemeenschappelijke en gemeenschappelijke ruimten. Een gebruiksfunctie kan niet zijn aangewezen op zijn eigen gemeenschappelijke ruimte, omdat deze gemeenschappelijke ruimte onderdeel is van die gebruiksfunctie. De groep van niet-gemeenschappelijke ruimte van een gebruiksfunctie is aangewezen op de gemeenschappelijke ruimten. Dat in begripsomschrijvingen neerleggen, zal het begrip niet vergroten, reden waarom voor de wat kromme formuleringen is gekozen. Met de formulering wordt recht gedaan aan de praktijk om andere gebruiksfuncties, waaronder ook nevenfuncties, gebruik te laten maken van de gemeenschappelijke verkeersroutes in dergelijke gebouwen. Die andere gebruiksfuncties zijn veelal op een of andere wijze verbonden met deze gebouwtypen, zoals in een woongebouw de bergingen (overige gebruiksfunctie) met de woningen, in een penitentiaire inrichting bijvoorbeeld de ziekenboeg (gezondheidszorgfunctie), werkplaats (industriefunctie) of eetzaal (bijeenkomstfunctie) met het cellengebouw en in een hotel/restaurant de receptie (kantoorfunctie), fitnesscentrum (sportfunctie) of restaurant/bar (bijeenkomstfunctie) met de hotelkamers in het logiesgebouw.

Woongebouw

Een woongebouw is bijvoorbeeld een bouwwerk, zijnde een portiek- of een galerijflat. Ruimten met een andere gebruiksfunctie dan een woonfunctie, bijvoorbeeld de kelder- of garageboxen onder een flatgebouw, zijn geen onderdeel van een woongebouw als bedoeld in het Bouwbesluit. Andere gebruiksfuncties, waaronder bijvoorbeeld nevenfuncties, mogen wel gebruik maken van de gemeenschappelijke verkeersroutes gelegen in een woongebouw.

Cellengebouw

Een cellengebouw is bijvoorbeeld een cellenblok in een gevangenis, een huis van bewaring of een politiebureau. Ruimten met een andere gebruiksfunctie dan een celfunctie, bijvoorbeeld de kantoorruimten, sportzalen en werkplaatsen van de gevangenis, zijn geen onderdeel van een cellengebouw als bedoeld in het Bouwbesluit. Ruimten met een andere gebruiksfunctie dan een celfunctie, waaronder bijvoorbeeld nevenfuncties, mogen wel gebruik maken van de gemeenschappelijke verkeersroutes gelegen in een cellengebouw.

Logiesgebouw

Een logiesgebouw is bijvoorbeeld een hotel of een pension. Ruimten met een andere gebruiksfunctie dan een logiesfunctie, bijvoorbeeld de kantoorruimten, vergaderruimten, eetzaal en keuken zijn geen onderdeel van een logiesgebouw als bedoeld in het Bouwbesluit. Ruimten met een andere gebruiksfunctie dan een logiesfunctie, waaronder bijvoorbeeld nevenfuncties, mogen wel gebruik maken van de gemeenschappelijke verkeersroutes in een logiesgebouw.

Zesde lid

Bezettingsgraadklasse

De indeling in bezettingsgraadklassen is nodig om nuances aan te brengen in zwaarte van de voorschriften. Voor zover gebouwen in de praktijk op verschillende manieren kunnen worden gebruikt, zijn klassen te onderscheiden naar het gemiddeld aanwezige aantal personen per m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied. Het Bouwbesluit onderscheidt twee soorten bezettingsgraadklassen, te weten m2 gebruiksoppervlakte per persoon en m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied per persoon. De klassen lopen van klasse B1 tot klasse B5 waarbij B1 het kleinste aantal meters per persoon, ofwel , het grootste aantal personen per m2 weergeeft en B5 de lichtste bezettingsgraad is met het grootste aantal m2 per persoon. Het is de bedoeling dat een aanvrager om bouwvergunning bij zijn aanvraag kenbaar maakt voor welke klasse hij een gebruiksfunctie geschikt wil doen zijn. Dit bepaalt vervolgens het niveau van eisen dat aan de desbetreffende gebruiksfunctie wordt gesteld. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat de bezettingsgraad niet uitsluitend per gebruiksfunctie wordt bepaald, maar ook, afhankelijk van het voorschrift, bijvoorbeeld per gebouw, rookcompartiment of verblijfsgebied. Is er sprake van een hogere bezetting dan aangegeven in tabel 1, dan is er sprake van een situatie waarop de voorschriften van het Bouwbesluit onvoldoende zijn toegesneden. Dit betekent niet dat dit is verboden, maar dan zal toepassing moeten worden gegeven aan het gelijkwaardigheidsbeginsel (paragraaf 1.3). Zie voor de klasse van de bezettingsgraad verder het ter zake gestelde in het algemeen gedeelte van deze toelichting.

Artikel 1.2.

De aanduiding gemeenschappelijk wordt gebruikt bij gedeelten van een bouwwerk, ruimte of voorzieningen die ten dienste staan van twee of meer gebruiksfuncties. Dit kunnen zowel verschillende soorten gebruiksfuncties zijn als twee of meer gebruiksfuncties van dezelfde soort. Als gemeenschappelijke ruimte voor twee of meer gebruiksfuncties van de zelfde soort is bijvoorbeeld aan te merken een gezamenlijke badruimte van een aantal studentenwoningen in een studentenflat als deze is aangevraagd als woongebouw. Alleen indien dat bij het desbetreffende voorschrift uitdrukkelijk is aangegeven, mag een ruimte of voorziening gemeenschappelijk zijn. De gewijzigde begripsomschrijving van een gemeenschappelijke ruimte leidt er toe dat niet langer in de bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschriften behoeft te worden gesproken van een algemene ruimte in het geval twee of meer gebruiksfuncties, niet zijnde een woonfunctie of logiesfunctie, op die ruimte zijn aangewezen. Ook in het geval een woning of een logiesverblijf tezamen met een andere gebruiksfunctie zijn aangewezen op een zelfde ruimte, is sprake van een gemeenschappelijke ruimte. Van een ruimte of onderdeel van een gebouw moet worden aangegeven van welke gebruiksfunctie deze deel uitmaakt. Daarbij worden, zoals aangegeven bij de uitleg van het begrip “gebruiksfunctie” in aritkel 1.1, eerste lid, een woonfunctie, een celfunctie en een logiesfunctie anders benaderd dan de andere gebruiksfuncties. Pas nadat duidelijk van welke gebruiksfuncties een ruimte of onderdeel deel uitmaakt is bekend welke voorschriften op die ruimte of dat onderdeel van toepassing zijn. Wanneer dat twee of meer voorschriften zijn, kan het zijn dat de zwaarste eis geldt of dat de voorschriften moeten worden gecombineerd tot een nieuw voorschrift. Uit de artikeltekst van het Bouwbesluit 2003 is dat niet altijd duidelijk.

§ 1.2.Toepassing NEN en NEN-EN

Artikel 1.4.

Ingevolge de EG-Richtlijn inzake voor de bouw bestemde producten kunnen door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) zogenoemde geharmoniseerde normbladen worden opgesteld die voor de lidstaten verbindend zijn. Die geharmoniseerde normbladen treden dan binnen een in de normbladen gestelde termijn in de plaats van het voor het desbetreffende onderwerp geldende Nederlandse normblad. Ten einde te voorkomen dat in zo'n geval het onderhavige besluit moet worden gewijzigd, is in het eerste lid bepaald dat een dergelijk Europese normblad in de plaats treedt van een NEN-normblad. Op die manier kan snel en doeltreffend worden ingespeeld op ontwikkelingen die ter zake voortvloeien uit de richtlijn. Niet uitgesloten is dat met het oog op een geharmoniseerd Europees normblad moet kunnen worden afgeweken van een in het onderhavige besluit gegeven voorschrift. Te denken valt bijvoorbeeld aan een situatie waarin de klasse-indeling in een geharmoniseerd normblad niet overeenkomt met een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift. Derhalve is in het tweede lid voorzien in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling ter zake voorschriften te geven. Daarmee blijft een snelle implementatie van Europese geharmoniseerde normbladen gewaarborgd.

§ 1.3.Gelijkwaardigheidsbepaling

Artikel 1.5

In de praktijk kunnen zich situaties voordoen, waarop de prestatie-eisen van het Bouwbesluit niet zijn toegesneden. In die situaties gaat het veelal om bouwkundige oplossingen, die niet zonder meer kunnen worden getoetst aan de daarop betrekking hebbende prestatie-eisen. De besluitwetgever heeft die oplossingen niet op voorhand willen verbieden. Het Bouwbesluit mag immers geen belemmering vormen voor de toepassing van innovatieve of experimentele bouwwijzen of bouwproducten. Daartoe is dit voorschrift opgenomen. Van een bouwkundige oplossing is sprake als het om een bouwkundige voorziening gaat, d.w.z. om een voorziening die onlosmakelijk deel uitmaakt van een bouwwerk en niet eenvoudig kan worden veranderd. Bij het afwegen van de gelijkwaardigheid spelen alle uitgangspunten die aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag liggen een rol. Dat kunnen er meer zijn dan in dit artikel 1.5 zijn verwoord, omdat op grond van artikel 6 van de Woningwet de voorschriften ook kunnen zijn te herleiden tot uitgangspunten die hun grondslag vinden in andere wetten dan de Woningwet. Om duidelijk te maken welke uitgangspunten bij een gegeven voorschrift een rol spelen, kende het Bouwbesluit van december 1991 een bijlage waarin die relatie tot uitdrukking was gebracht. Het Bouwbesluit 2003 kent niet zo’n tabel. De gebruiker van het Bouwbesluit 2003 zal zelf moeten nagaan welke uitgangspunten aan een gegeven prestatie-eis ten grondslag liggen. In de bijbehorende functionele eis is dat maar beperkt weergegeven. Door reconstructie van de wordingsgeschiedenis van het Bouwbesluit 2003, het gebruik van de transponeringstabel zoals die door TNO Bouw in het rapport Kruistabellen Bouwbesluit 1992-2003 van 25 november 2002 is verwoord, en het Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618 en de transponeringstabel tussen dat besluit en het Bouwbesluit 2003, gepubliceerd door het ministerie van VROM op haar website, kan de gebruiker zich daarvan een beeld vormen. Een juiste toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel is niet eenvoudig.

Zo kunnen bij een voorschrift, dat uit het oogpunt van veiligheid is gesteld, ook overwegingen van gezondheid een rol spelen. Bij de toepassing van een gelijkwaardige oplossing zal dan ook moeten worden nagegaan of die andere overwegingen bij die gelijkwaardige oplossing in ten minste dezelfde mate worden gerealiseerd.

Daartoe is het nodig de opbouw van het Bouwbesluit 2003 goed te kennen:

….Hoofdstuktitel: is uitgangspunt (veiligheid, gezondheid, etc.);
…..Afdelingstitel: hoofdaspect van regulering binnen een uitgangpunt;
…..Eerste lid van eerste artikel van een paragraaf: beknopte functionele eis;
…..Artikeltitel, terug te vinden als kolomtitel in de tabel die hoort bij de functionele eis van een paragraaf;
…..eventuele functionele omschrijving in een artikellid.

Op deze manier kan men de primaire doelstelling van een gegeven prestatie-eis vaststellen.

Een gelijkwaardige oplossing moet ten minste voldoen aan de doelstelling en het niveau van de prestatie-eis waarvan wordt afgeweken. Daarbij gaat het er om dan de bouwtechnische oplossing eenzelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met het betrokken voorschrift. Van een voorschrift moet dus worden nagegaan in hoeverre dit is te herleiden tot één of meer van de voorbedoelde aan het Bouwbesluit 2003 ten gronslag liggende uitgangspunten (zie ook artikel 2 van de Woningwet). Men moet hierbij bedenken dat het goedkeuren van een gelijkwaardige oplossing niet hetzelfde is als het verlenen van vrijstelling van een prestatie-eis. Bij verlening van vrijstelling gaat het namelijk om het bewust mogen realiseren van een lager prestatieniveau dan de desbetreffende prestatie-eis(en).

Bij toepassing van een gelijkwaardigheidsbepaling is het raadzaam dat de aanvrager van de bouwvergunning, voordat hij zijn aanvraag indient, ter zake overleg voert met het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht. Dat toezicht adviseert burgemeester en wethouders in de regel over de door hen te nemen beslissing op de aanvraag om bouwvergunning. Hij kan zodoende vooraf te weten komen of zijn oplossing een gerede kans maakt te worden geaccepteerd en op welke wijze hij wordt geacht aan te tonen dat de voorgenomen oplossing voldoet aan doelstelling en niveau van de prestatie-eis(en), waar hij van afwijkt.

Ook bij bestaande bouw kan het, evenals bij nieuwbouw, voorkomen dat een oplossing strikt genomen niet voldoet aan de gegeven prestatie eisen. De aanwezig oplossing kan echter wel een met die prestatie eisen beoogde gelijkwaardige veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid bieden. Er kan dan niet worden aangeschreven. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat bij nieuwbouw een gelijkwaardige oplossing is goedgekeurd, terwijl de gekozen oplossing evenmin spoort met een prestatie eis voor de bestaande bouw. In dat geval is op grond van gelijkwaardigheid vanzelfsprekend ook voldaan aan de voorschriften voor de bestaande bouw.

§ 1.4.CE-markeringen en kwaliteitsverklaringen

Met de wijziging van de volgorde in het opschrift van paragraaf 1.4, kenbaar gemaakt in Stb. 2007, 349, wordt de CE-markering voortaan eerst genoemd en daarna de kwaliteitsverkla-ring. Hiermee wordt beter recht gedaan aan het belang van de CE-markering. Ook is bij die wijziging de volgorde van de artikelen 1.6 en 1.7 omgedraaid. In artikel 1.6 zijn voorschriften over de CE-markering opgenomen en in artikel 1.7 voorschriften over de (erkende) kwaliteitsverklaring.

Artikel 1.6.

In het eerste lid van artikel 1.6 is bepaald dat wanneer er een verklaring wordt gevraagd omtrent de kwaliteit van een bouwproduct dat voldoet aan de fundamentele voorschriften als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn bouwproducten dit alleen een CE-markering mag zijn. Dit betekent dat voor producten waarvoor een CE-markering is vastgesteld, geen kwaliteitsverklaring voor de eisen waarop die CE-markering betrekking heeft is toegestaan. Deze verbodsbepaling past echter niet in een private markt waarin partijen een vrijwillig stelsel van kwaliteitsverklaringen zijn overeengekomen die met betrekking tot aanvullende kwaliteitsaspecten, verdergaande kwaliteitscontrole en verwerking van het product tot onderdeel van een bouwwerk aanvullend zijn op de CE-markering. Deze verklaringen dus daarmee niet strijdig met de CE-markering, maar complementair en nodig vanuit een marktbehoefte. Om de kwaliteit van het gebouwde te bevorderen is dit private stelsel in het leven geroepen en wordt het in stand gehouden. In het private stelsel wordt gebruik gemaakt van de conformiteitsverklaring die onderdeel uitmaakt van de CE-markering, geheel in lijn met de bedoeling van de richtlijn bouwproducten.

In het tweede lid is bepaald dat een bouwproduct met CE-markering, dat is toegepast overeenkomstig de CE-markering voldoende bewijs oplevert dat aan de bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 gegeven voorschriften is voldaan. Deze bepaling staat echter op gespannen voet met de inhoud van de CE-markering. De CE-markering handelt over producteigenschappen van bouwproducten. De voorschriften van het Bouwbesluit handelen over eigenschappen van een bouwwerk. Enkele uitzonderingen daargelaten leveren eigenschappen van een bouwproduct op zich niet het bewijs dat daarmee zonder meer aan een of meer eigenschappen van het bouwwerk is voldaan. Een bouwwerk bestaat uit een samenstel van bouwproducten. De wetgever gaat het om de eigenschappen van dit samenstel, ingebouwd in een bouwwerk. Over die eigenschappen gaat de CE-markering niet.

In het derde lid is een bepaling opgenomen omtrent de betekenis van de verklaring van conformiteit als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn bouwproducten. Met het derde lid blijft de vrije verhandelbaarheid van producten die ingevolge de richtlijn bouwproducten geen CE-markering behoeven te dragen, omdat zij slechts van geringe betekenis zijn voor de volksgezondheid en veiligheid, gewaarborgd. Dergelijke producten zullen door de Europese Commissie op een lijst worden geplaatst, welke lijst eveneens in Nederland kenbaar zal worden gemaakt door of namens de minister van de Wonen, Werken en Inkomen.

Artikel 1.7.

In artikel 1.7 zijn de uitgangspunten die gelden bij de toepassing van een (erkende) kwaliteitsverklaring opgenomen. Onder een erekende kwaliteitsverklaring wordt verstaan een kwaliteitsverklaring die is afgegeven op basis van een door de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie erkend stelsel van kwaliteitsverklaringen voor de bouw. De uitgangspunten van dit stelsel op vrijwillige basis zijn opgenomen in de artikelen 1.17 tot en met 1.19 van de Regeling Bouwbesluit 2003. Wanneer een dergelijke kwaliteitsverklaring is afgegeven voor een bouwproduct, of bouw-proces en dat product, of dat proces is toegepast overeenkomstig de kwaliteitsverklaring dan levert dit voldoende bewijs op dat aan de bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 ter zake gegeven voorschriften is voldaan.

Artikel 1.8.

In dit artikel is bepaald dat bouwproducten die geen CE markering mogen dragen, omdat zij niet voldoen aan de Europese technische specificaties, terwijl ze daar blijkens publicatie in de Staatscourant wel aan moeten voldoen, of waarop na de wettelijke verplichting die wordt afgekondigd in de Staatscourant, de CE-markering niet dragen, niet in de handel mogen worden gebracht. Dit verbod vloeit voort uit artikel 2 van de richtlijn bouwproducten, waarin is voorgeschreven dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om er voor te zorgen dat de in die richtlijn bedoelde voor de bouw bestemde producten alleen dan in de handel kunnen worden gebracht, wanneer zij voor het beoogde doel geschikt zijn. Uitzondering op dit verbod vormen, zo is in het tweede lid bepaald, bouwproducten die vallen onder de artikelen 4, vijfde lid, en 6, tweede lid, van de richtlijn bouwproducten, de zogeheten “minor products”. Uit het derde lid volgt dat overtreding van het verbod een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten (Stb. 1950, K 258) is.  

Strafsanctie

Overtreding van een krachtens art. 120 van de Woningwet gegeven voorschrift is aangemerkt als een strafbaar feit. Afhankelijk van welk voorschrift wordt overtreden geldt de strafsanctie. Een hechtenis van zes maanden of geldboete van de derde categorie (maximaal € 4.500, ; art. 23, lid 4, Wetboek van strafrecht) geldt, voor zover het om bouwvergunningplichtige bouwwerken gaat (art. 108). Gaat het om vergunningsvrije bouwwerken dan bedraagt de strafmaat ten hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie (maximaal € 2.250, ; art. 107). Gemeenten zullen er op moeten toezien dat producten met CE-markering worden toegepast zodra de CE-markering wettelijk verplicht is. Gaat het om het overtreden van het verbod tot het in de handel brengen van bouwproducten die niet zijn voorzien van de CE markering of van de voorschriften met betrekking tot het gebruik van de CE markering, dan is dat een strafbaar feit in de zin van de Wet op de economische delicten, waarvoor de krachtens die wet geldende sanctie staat. Hierop ziet de Economische Controledienst toe in samenwerking met de VROM-inspectie.

Artikel 1.9.

In het eerste lid is, om misleiding te voorkomen, overeenkomstig artikel 15 van de richtlijn bouwproducten, bepaald dat geen met de CE markering gelijkende markering mag worden gebezigd. Aan de hand van deze verbodsbepaling kan tegen onjuist gebruik worden opgetreden door bijvoorbeeld het verdere gebruik te verbieden en de reeds in de handel gebrachte bouwproducten uit de handel te (laten) nemen. Op grond van artikel 110, tweede lid, van de Woningwet moet de overtreding van een voorschrift, wil die overtreding strafbaar zijn, zijn aangemerkt als een strafbaar feit. In het tweede lid is bepaald dat overtreding van dit verbod een economisch delict is. Het gaat dan om een strafbaar feit in de zin van de Wet op de economische delicten (Stb. 1950, K 258), waarvoor de krachtens die wet geldende sanctie staat. Hierop ziet de Economische Controledienst toe in samenwerking met de VROM-inspectie.

Artikel 1.10.

Dit artikel biedt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de mogelijkheid om bij ministeriële regeling snel en doeltreffend in te spelen op bijvoorbeeld ontwikkelingen met betrekking tot de toepassing van de richtlijn bouwproducten; ontwikkelingen, die thans bijvoorbeeld nog niet zijn te voorzien of waarvan het resultaat nog niet is te overzien. Wat dit laatste betreft, valt te denken aan de discussie die nog in de Commissie gaande is over de positie van bouwproducten met een lokaal toepassingsgebied en over een mogelijke nadere regeling aangaande de CE-markering.

§ 1.5.Ontheffingen

Artikel 1.11.

In dit artikel zijn de ontheffingsmogelijkheden voor burgemeester en wethouders neergelegd, die zij kunnen toepassen bij het verbouwen of renoveren. Redenen voor het toekennen van deze bevoegdheid aan burgemeester en wethouders zijn in het algemeen deel van deze toelichting uiteengezet. Ingevolge artikel 6 van de Woningwet dient bij een ontheffingsbepaling het niveau te zijn aangegeven waartoe ontheffing kan worden verleend. Dit betekent dat, wanneer ten aanzien van een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift geen ontheffingsniveau is bepaald, geen ontheffing kan worden verleend. Bij het kunnen geven van ontheffing c.q het moeten geven van ontheffing is onderscheid gemaakt tussen een niveau waaraan de bestaande bouw moet voldoen en een niveau dat hoger is dan dat van de bestaande bouw. Er kan zowel sprake zijn van een voorschrift dat verplicht tot ontheffingverlening, een voorschrift dat het verlenen van een ontheffing verbiedt, of een voorschrift dat aan de ontheffingsmogelijkheid nadere grenzen stelt. Welk niveau er precies geldt is aangeven bij de nieuwbouwvoorschriften. Daartoe is in de aansturingstabel een kolom “verbouw” opgenomen.

Omdat voor de bestaande bouw geen voorschriften zijn gegeven voor thermische isolatie en de geluidsisolatie, waarvan de reden in het algemeen deel van deze toelichting is gegeven, en het eisen van het nieuwbouwniveau bij een verbouwing als te zwaar wordt gezien, is een specifiek ontheffingsniveau gegeven.

Bij het gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of het vergroten van bepaalde gebouwen zijn in verband met het aanbrengen van Ke-isolatie blijkens het eerste lid burgemeester en wethouders verplicht ontheffing te verlenen tot het aangegeven niveau. Dit is het niveau waartoe het Rijk krachtens de Luchtvaartwet geluidwerende voorzieningen treft aan een bestaande woonfunctie, een bestaand woongebouw en aan een bestaande gezondheidszorgfunctie of een gedeelte daarvan, mede bestemd voor nachtverblijf van patiënten die door hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid permanent of tijdelijk aan bed gebonden zijn, zoals is ontleend aan de RGV'97.

Bij het aanbrengen van L Aeq-isolatie aan bestaande woonfuncties en gezondheidszorgfuncties, gelegen in een L Aeq-geluidszone rondom een luchtvaartterrein, verlenen blijkens het eerste lid burgemeester en wethouders evenzo ontheffing van het nieuwbouwniveau. Dit vloeit voort uit het feit dat de Luchtvaartwet voor de nieuwbouw een karakteristieke geluidwering voorschrijft voor een verblijfsgebied, zodanig dat het binnenniveau niet hoger is dan L Aeq 26 dB(A). De RGV'97 geeft een voorschrift voor de geluidwering van een verblijfsruimte, opdat een binnenniveau van L Aeq 26 dB(A) niet wordt overschreden. Tussen de karakteristieke geluidwering en de geluidwering bestaat gemiddeld een verschil van 2 dB(A). Tussen de karakteristieke geluidwering van een verblijfsgebied en die van een verblijfsruimte bestaat evenzo gemiddeld een verschil van 2 dB(A). Reden waarom een ontheffingsniveau is aangehouden van ten hoogste L Aeq 30 dB(A). Immers, voor een verblijfsruimte geldt op grond van artikel 3.1 in verbinding met artikel 3.3, vijfde lid, een waarde voor de karakteristieke geluidwering van ten minste L Aeq 28 dB(A), welke waarde in termen van geluidwering gelijk is aan L Aeq 30 dB(A).

Voor bepaalde aspecten is het evenwel, gelet op het belang van veiligheid en gezondheid, niet gewenst dat bij het verbouwen of renoveren ontheffing kan worden verleend van de nieuwbouwvoorschriften. Dit betreft in het bijzonder de aspecten die betrekking hebben op:

  • de aanwezigheid van verlichting en noodverlichting;
  • beweegbare constructie-onderdelen boven niet voor motorvoertuigen openstaande wegen en boven gemeenschappelijke verkeersruimten;
  • boven een standplaats beweegbare constructie-onderdelen van woonwagens;
  • onbrandbaarheid van de binnenzijde van schachten, kokers en kanalen;
  • brandveiligheid van kanalen voor de afvoer van rook;
  • niet brandgevaarlijk zijn van daken;
  • beperking van de bijdrage tot brandvoortplanting van delen van gevels;
  • weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van de uitwendige scheidingsconstructies van woonwagens
  • zelfsluitende deuren ter beperking van de verspreiding van rook en uitbreiding van brand;
  • aanwezigheid van brandslanghaspels in bepaalde gebruiksfuncties;
  • voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook;
  • beperking van de toepassing van schadelijke materialen, en
  • beperking van het kunnen binnendringen van vanuit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling.

Voorts is bepaald dat de gemeente bij het geheel vernieuwen geen ontheffing kan verlenen van de voorschriften met betrekking tot de toegankelijkheid, vrije doorgang, warmteweerstand, luchtdoorlatendheid en energieprestatiecoëfficiënt, zoals die voor nieuwbouw gelden. Bij het geheel vernieuwen zou evenmin, gelet op de Luchtvaartwet, ontheffing kunnen worden verleend van de voorschriften met betrekking tot de wering van geluid van buiten, veroorzaakt door vliegverkeer op binnenlandse luchtvaartterreinen.

Artikel 1.12.

Met dit artikel wordt voorkomen dat bij bouwwerkzaamheden aan een monument, de voorschriften van het Bouwbesluit onwenselijke effecten op het karakter van het monument zouden kunnen hebben. Als de voorschriften in een monumentenvergunning afwijken van de voorschriften terzake in het Bouwbesluit 2003, dan zijn de voorschriften van de monumentenvergunning op dat onderdeel bij uitsluiting van toepassing. Anders gezegd, de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 wijken voor die van de monumentenvergunning. Dat kan er wel toe leiden dat op grond van de gebruiksvoorschriften die op grond van artikel, tweede lid, onderdeel a, van de Woningwet zijn neergelegd in de gemeentelijke bouwverordening, er voor zo’n bouwwerk gebruiksbeperkingen gelden.

§ 1.6.Niet-permanente bouwwerken

Artikel 1.13.

In het eerste lid is bepaald aan welke voorschriften moet zijn voldaan bij het bouwen van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45 van de Woningwet. Hierbij kan worden gedacht aan een woonkeet, een wisselwoning, een noodwinkel en een noodlokaal. De aanvrager mag in beginsel zelf het niveau bepalen, zij het dat:

  • het niveau dat in het Bouwbesluit 2003 is gegeven voor bestaande gebruiksfuncties niet mag worden onderschreden;
  • voor bepaalde in dit lid door verwijzing naar de nieuwbouwvoorschriften aangeduide voorschriften het nieuwbouwniveau dat voor gebruiksfuncties geldt, ten minste moet worden gerealiseerd, en
  • voor bepaalde in dit lid door verwijzing naar de nieuwbouwvoorschriften aangeduide voorschriften het specifieke vrijstellingsniveau dat voor gebruiksfuncties is neergelegd niet mag worden onderschreden.

Daarbij kan de aanvrager zelf rekening houden met de beoogde duur van instandhouding van het tijdelijke bouwwerk. Deze regeling geldt ook indien het gaat om een verbouwing van een tijdelijk bouwwerk. Immers, verbouwen valt onder het in artikel 1 van de Woningwet omschreven begrip "bouwen".

Het tweede lid geeft aan dat een bestaand tijdelijk bouwwerk in elk geval moet voldoen aan de voorschriften voor bestaande bouwwerken.

In het derde lid is bepaald aan welke voorschriften moet zijn voldaan bij het verplaatsen van een niet-permanent bouwwerk. Voor die situatie gelden de voorschriften voor bestaande bouwwerken.

In het vierde lid is bepaald dat voor het verplaatsen van een woonwagen ten minste de voorschriften voor bestaande woonwagens in acht moeten zijn genomen. Het moet gaan om de voorschriften voor een woonfunctie van een woonwagen.