Contact Service
Artikelsgewijze toelichting
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1.Algemene bepalingen

§ 1.1.Begripsbepalingen

Artikel 1.1.

Eerste lid

Belastingcombinatie

Verzameling van verschillende soorten belastingen, belastingsgevallen en/of belastingsconfiguraties die volgens NEN 6702 gelijktijdig kunnen optreden.

Bouwconstructie

Een 'bouwconstructie' is elk deel van een bouwwerk dat is bestemd om belasting te dragen. Het gaat dan wel om onderdelen waarvoor NEN 6702 een belasting specificeert. Dit kan bijvoorbeeld zijn een dragende wand, een vloer, een trap of hellingbaan, een ruit of de dakconstructie. Onder 'belasting' wordt in dit verband verstaan elke oorzaak van krachten op of vervormingen in de bouwconstructie. Een verlaagd plafond dat zijn eigen gewicht moet dragen, is echter geen bouwconstructie.

Brandcompartiment

Een brandcompartiment is bedoeld om gedurende een bepaalde tijd te voorkomen dat de brand zich verder kan uitbreiden dan de plek waarin de brand is ontstaan. Binnen deze tijd kan de brandweer handelend optreden en voorkomen dat de brand een grotere omvang aanneemt dan de omvang van het compartiment. Tevens kunnen gebruikers deze tijd ten dele benutten om zich, buiten het compartiment waarin de brand woedt, in veiligheid te stellen en in beginsel te vluchten naar het aansluitende terrein. Gedurende de resterende tijd moet de brandweer het gebouw kunnen doorzoeken en een eerste bestrijdingsinzet in het gebouw doen. Een brandcompartiment moet daarvoor aan diverse voorschriften voldoen. Onder meer zijn er voorschriften gesteld aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) van een scheidingsconstructie tussen het brandcompartiment en een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een veiligheidstrappenhuis. Wanneer een brandcompartiment bestaat uit twee of meer gebouwen of gedeelten van twee of meer gebouwen, hetgeen per 1 januari 2003 als nieuwe mogelijkheid is geïntroduceerd, kan de brand zich dus gelijktijdig in die twee of meer gebouwen bevinden. Hierbij kan worden gedacht aan een aantal kleine gebouwen die tezamen een eenheid vormen, maar ieder voor zich te klein zijn om als afzonderlijke brandcompartiment te beschouwen (bijvoorbeeld een noodlokaal bij een school).

Brand- en rookvrije vluchtroute

Een route die zich buiten een brandcompartiment bevindt waarover in beginsel gedurende een bepaalde tijd veilig naar het aansluitende terrein kan worden gevlucht. Op zo’n route zijn ook de voorschriften die gelden voor een rookvrije vluchtroute van toepassing.

Gebruiksfunctie

Een gebruiksfunctie is een gebruiksbestemming van een of meer bouwwerken of gedeelten van bouwwerken op hetzelfde perceel of standplaats. Het begrip 'gebruikseenheid' dat sinds jaar en dag wordt gebruikt in relatie tot de verhuurbare oppervlakte moet niet worden verward met het begrip 'gebruikseenheid' als onderdeel van het begrip 'gebruiksfunctie'. Binnen het Bouwbesluit 2003 wordt het begrip 'gebruikseenheid' in relatie tot wonen, logeren en het gedwongen nachtverblijven anders gebruikt dan bij andere gebruiksfuncties. Zo moeten zowel een winkelcentrum als een kantorencentrum worden gezien als één gebruikseenheid, terwijl een woongebouw, een logiesgebouw en een cellengebouw twee of meer gebruikseenheden bevatten, zijnde de afzonderlijke woonfuncties, logiesfuncties of celfuncties.

De eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan gebouwen en bouwwerken zijn afhankelijk van het gebruiksdoel van die gebouwen en bouwwerken. Aan een woongebouw worden bijvoorbeeld andere eisen gesteld dan aan een kantoorgebouw of een winkel. De voorschriften van het Bouwbesluit 2003 moeten in elke situatie duidelijk zijn. Dus ook voor een gebouw waarin verschillende functies zijn ondergebracht, bijvoorbeeld een gebouw met winkels, kantoren en woningen. De aanvrager van de bouwvergunning geeft voor alle gedeelten van het gebouw zelf aan bij welke functies deze delen horen.

De hiervoor bedoelde functies worden in het Bouwbesluit 2003 aangeduid als ‘gebruiksfuncties’. Om de verschillende gebruiksfuncties in een gebouw aan de eisen van het Bouwbesluit 2003 te kunnen toetsen, moet duidelijk zijn welke gedeelten van het gebouw door die gebruiksfuncties worden gebruikt. Sommige ruimten van een gebouw worden slechts door één gebruiksfunctie gebruikt, de zogeheten (groep van) niet-gemeenschappelijke ruimten; andere door twee of meer gebruiksfuncties. De laatste soort ruimten worden in het Bouwbesluit 2003 aangeduid als ‘gemeenschappelijke’ ruimten.

In een gebruiksfunctie liggen ook de ruimten met de route waarlangs vanaf het aansluitende terrein de niet-gemeenschappelijke ruimten worden ontsloten als ook de vluchtroutes vanaf de brandcompartimenten of subbrandcompartimenten waarbinnen (een deel van de) gebruiksfunctie is gelegen. Ook moet bijvoorbeeld voor iedere “woning” in een woongebouw duidelijk zijn van welke ruimten die “woning” gebruik maakt. Er worden namelijk zowel eisen gesteld aan het woongebouw als aan de afzonderlijke “woningen” in het woongebouw. De aanvrager van een bouwvergunning of de eigenaar van een gebouw geeft zelf aan op welke wijze hij zijn gebouw indeelt, waarbij hij slechts gebruik kan maken van de in het Bouwbesluit omschreven gebruiksfuncties en een aantal specifieke gebouwaanduidingen (zie artikel 1.1, derde tot en met vijfde lid).

Daarnaast kunnen van een gebouw gemeenschappelijke ruimten deel uitmaken. Een gemeenschappelijk ruimte is een deel van een gebruiksfunctie en ligt daarmee in twee of meer gebruiksfuncties. Voorbeelden daarvan kunnen zijn de centrale hal in een multifunctioneel gebouw of de toiletruimten in een gebouw met twee of meer gebruiksfuncties. Omtrent het gebruik van gebouwen en ruimten moeten op grond van artikel 8 van de Woningwet in de gemeentelijke bouwverordening voorschriften zijn gegeven. Die voorschriften zijn de titel op grond waarvan gemeenten in voorkomende gevallen bij een gebruik op een wijze waarvoor het gebouw of die ruimte niet geschikt is, op kunnen treden.

Omvang van een gebruiksfunctie

Een gebruiksfunctie kan bestaan uit een verzameling van niet-gemeenschappelijke ruimten en gemeenschappelijke ruimten. Per definitie deelt een gebruiksfunctie de gemeenschappelijke ruimten met andere al dan niet gelijksoortige gebruiksfuncties. Bij de bepaling van de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie wordt de gebruiksoppervlakte van een gemeenschappelijke ruimte daarom slechts voor een deel meegeteld. Tot een gebruiksfunctie worden niet gerekend de bijbehorende nevenfuncties, zoals een garage of buitenbergruimte bij een woonfunctie of een fietsenstalling bij een winkelfunctie.

Verkeers- en vluchtroutes

Een route waarlangs een gebruiksfunctie kan worden betreden, verlaten of ontvlucht, kan door ruimten van andere gebruiksfuncties lopen. Dat is gangbare praktijk. De route behoort wel tot die eerstbedoelde gebruiksfunctie en is dan ook als gemeenschappelijke route aan te duiden. De aanvrager van de bouwvergunning heeft echter de keuze deze route aan te duiden als “bijzonder gemeenschappelijk” of als “gemeenschappelijk”. In het eerste geval moet de route voor de bepaling van de gebruiksoppervlakte en bij het beschouwen van een aantal andere grootheden (sterkte van de bouwconstructie en epc) worden beschouwd als behorend uitsluitend tot de hoofdgebruiksfunctie waarin de route is gelegen. De aanvrager van de bouwvergunning is overigens vrij om de ruimten waardoor dergelijke routes lopen, aan te merken als gemeenschappelijke ruimten. In dat geval telt de gebruiksoppervlakte weer wel (gedeeltelijk) mee.

Verschijningsvormen van een gebruiksfunctie

Een gebruiksfunctie kan verschillende verschijningsvormen hebben. Er zijn vier basisvormen die in de figuren 3 t.m. 6 zijn weergegeven.

Afbeelding

Figuur 3 — Gebruiksfunctie (al dan niet met nevenfunctie) waarbij alle ruimten en voorziening binnen de (hoofd)gebruiksfunctie zijn gelegen (woning met garage annex bergruimte)

Afbeelding

Figuur 4 — Gebruiksfunctie (al dan niet met nevenfunctie) waarbij een deel van de ruimten en voorzieningen buiten de (hoofd)gebruiksfunctie zijn gelegen als niet-gemeenschappelijke ruimten en voorzieningen (woning met verwarmingsketel in de garage)

Afbeelding

Figuur 5 — Gebruiksfunctie (al dan niet met nevenfunctie) waarbij een gedeelte van de ruimten en voorziening als gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen zijn uitgevoerd (woongebouw met woningen met gemeenschappelijke voorzieningen)

Afbeelding

Figuur 6 — Gebruiksfunctie gelegen in twee of meer gebouwen (twee of meer industriegebouwen op een zelfde complex)

Gebruiksfunctie die bijzonder gevoelig is voor luchtvaartlawaai

De slaapkamers van reeds binnen de L Aeq–geluidszone op het moment van vaststellen daarvan gelegen woningen en gezondheidszorggebouwen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (Stcrt. 1997, 47, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2001, 44).

Met de wijziging die is gepubliceerd in Stb. 2006, 257 is de begripsomschrijving aangepast aan de wijziging van de Wet luchtvaart (Stb. 2002, 374). Kern van die wijziging is dat de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol onder de Wet luchtvaart valt. Voor de omgeving van Schiphol zijn kaarten ontwikkeld met een zonering door middel van geluidscontouren. Deze moeten in acht worden genomen bij de bepaling van de karakteristieke geluidwering van nieuw te bouwen bijzonder geluidsgevoelige gebouwen. Alhoewel de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (RGV ’97) is ontwikkeld voor de na-isolatie van bestaande bijzonder geluidsgevoelige gebouwen, biedt de Wet luchtvaart de mogelijkheid om deze regeling ook voor nieuw te bouwen bijzonder geluidsgevoelige gebouwen toe te passen. Daartoe bevat de RGV ’97 de betreffende geluidskaarten rondom de luchthaven Schiphol. Voor alle andere luchthavens blijft de Luchtvaartwet van kracht.

Gebruiksfunctie die gevoelig is voor industrie-, weg- of railverkeerslawaai

Het opnemen van deze begripsbepaling is noodzakelijk om aan te geven dat de eisen voor de geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie alleen gelden voor bepaalde gebouwen of gedeelte van gebouwen, gebruiksfuncties genoemd, die worden gebouwd in een geluidszone als bedoeld in de Wet geluidhinder. Het gaat daarbij om woningen en geluidsgevoelige gebouwen. Tot geluidsgevoelige gebouwen worden gerekend:

a.scholen voor het basisonderwijs;
b.scholen voor het voortgezet onderwijs;
c.scholen voor het hoger beroepsonderwijs;
d.algemene, categorale en academische ziekenhuizen;
e.regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg bijzondere ziektekostenverzekering;
f.verpleegtehuizen;
g.zwakzinnigeninrichtingen;
h.inrichtingen voor zintuiglijk gehandicapten;
i.medische kindertehuizen;
j.medische kleuterdagverblijven, en
k.sanatoria.

Gebruiksfunctie die gevoelig is voor luchtvaartlawaai

Het opnemen van deze begripsbepaling is noodzakelijk om aan te geven dat de eisen voor de geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie alleen gelden voor bepaalde gebouwen of gedeelte van gebouwen, gebruiksfuncties genoemd, die worden gebouwd in een geluidszone als bedoeld in de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. Het gaat daarbij om woningen en geluidsgevoelige gebouwen. Tot geluidsgevoelige gebouwen worden gerekend:

a.scholen voor het basisonderwijs;
b.scholen voor het voortgezet onderwijs;
c.scholen voor het hoger beroepsonderwijs;
d.algemene, categoriale en academische ziekenhuizen;
e.regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg bijzondere ziektekostenverzekering;
f.verpleegtehuizen;
g.zwakzinnigeninrichtingen;
h.inrichtingen voor zintuiglijk gehandicapten;
i.medische kindertehuizen;
j.medische kleuterdagverblijven, en
k.sanatoria.

Uit het feit dat ook de Wet geluidhinder een rol speelt moet worden begrepen dat de buitenlandse luchtvaartterreinen die in die wet regeling hebben gekregen, via de aan dit begrip gekoppelde voorschriften regeling hebben gekregen.

Integraal toegankelijke toiletruimte

Een mede voor mensen met een functiebeperking, waaronder een rolstoelgebruiker, geschikte toiletruimte. Een integraal toegankelijke toiletruimte ligt in een toegankelijkheidssector.

Integraal toegankelijke badruimte

Een mede voor mensen met een functiebeperking, waaronder een rolstoelgebruiker, geschikte badruimte.

Inwendige scheidingsconstructie

Een inwendige scheidingsconstructie is bijvoorbeeld een woningscheidende wand, een binnenwand of een verdiepingscheidende vloer. Deuren, ramen, schachten, kanalen en kolommen, die in een inwendige scheidingsconstructie voorkomen, maken deel uit van die scheidingsconstructie. Het gaat om het geheel van de constructie die de scheiding vormt tussen twee voor mensen toegankelijke ruimten. Het feit dat ook aansluitende delen van andere constructies onder het onderhavige begrip vallen, houdt verband met de omstandigheid dat die andere constructiedelen de door de desbetreffende inwendige scheidingsconstructie te leveren prestaties met betrekking tot bijvoorbeeld de geluidsisolatie of brandwering niet nadelig mogen beïnvloeden. De begripsomschrijving sluit niet uit dat met positieve invloeden van die andere constructiedelen op de door de inwendige scheidingsconstructie te leveren prestaties rekening mag worden gehouden. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt een kruipruimte niet als een voor mensen toegankelijke ruimte beschouwd. Dit betekent onder meer dat de boven een kruipruimte gelegen beganegrondvloer van een woning of ander gebouw niet kan worden aangemerkt als een inwendige scheidingsconstructie in de zin van dit besluit.

Klimlijn

De klimlijn geeft een denkbeeldige route weer waarvan wordt aangenomen dat deze het trjaect weergeeft die mensen over de trap volgen.

Loopafstand

Het geïntroduceerde begrip "loopafstand" is ontleend aan het begrip "kortste route" genoemd in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid. Het geeft de kortste route weer, waarlangs lopend een bepaald traject kan worden afgelegd.

Meetniveau

Het nieuwe begrip "meetniveau" is de bovenkant van het terrein ter plaatse van de toegang van een gebouw. Indien een gebouw slechts kan worden betreden via een trap of een hellingbaan, is het meetniveau de hoogte van het terrein aan de voet van de trap of hellingbaan.

NEN

Het begrip 'NEN' dient ter aanduiding van een door de Stichting Nederlands Normalisatie instituut als Nederlands normblad aanvaard en gepubliceerd document. Alle normbladen zijn verkrijgbaar bij genoemde stichting die is gevestigd aan de Vlinderweg 6 te Delft, Postbus 5059, 2600 GB Delft, telefoon 015-690390. Het normenbestand kan worden geraadpleegd bij de bibliotheek van het NEN, die is ondergebracht bij de bibliotheek van de Technische Universiteit Delft, Schuttersveld 2 te Delft.

Nevenfunctie

Een ruimte die weliswaar ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie, maar die toch als zelfstandige gebruiksfunctie wordt aangemerkt. Bij een nevenfunctie kan gedacht worden aan een garage bij een woning, een fietsenstalling bij een kantoor, een werkplaats in een gevangeniscomplex, of een liftschacht bij een tunnel.

Nominale belasting

Een begrip dat is ontleend aan de gaswereld (NEN 1078, NEN 2757 en NEN 2778). Bedacht moet worden dat in het Besluit redementseisen cv-ketels echter wordt uitgegaan van de calorische onderwaarde.

Nooddeur

Een nooddeur is uitsluitend bestemd voor ontvluchten in geval van calamiteiten en zal niet voor regulier gebruik worden benut. Op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit moet een nooddeur met de vluchtrichting meedraaien en is toepassing van een schuifdeur1 als nooddeur niet toegestaan voor een ruimte waarin wordt gewerkt met brandgevaarlijke of voor de gezondheid gevaarlijke stoffen2. Daarom is in de artikelen 2.146, 2.148, 2.151, 2.152, 2.171 en 2.180 van dit besluit, die alle op het ontvluchten betrekking hebben, een verbod opgenomen voor de toepassing van een schuifdeur als nooddeur. Een nooddeur zal onder alle omstandigheden van binnenuit zonder sleutel moeten kunnen worden geopend, bijvoorbeeld door middel van een zogenoemde ‘panieksluiting’, terwijl deze deur normaliter niet van buitenaf te openen is. Wanneer een in een vluchtroute3 gelegen deur onder normale omstandigheden ook wordt benut voor het bereiken van ruimten in een gebouw, dan is er geen sprake van een nooddeur, maar van een deur van een toegang die ook als vluchtdeur kan dienen. Het is daarom niet uitgesloten dat in bijvoorbeeld de hoofdtoegang of een andere toegang van een gebouw een schuifdeur wordt toegepast. Het Bouwbesluit 2003 schrijft overigens geen nooddeuren voor, maar stelt slechts de eis dat een nooddeur die in een rookvrije of brand- en rookvrije vluchtroute ligt, geen schuifdeur mag zijn. Opgemerkt moet worden dat ook een nooduitgang uitsluitend bedoeld voor het ontvluchten van een gebouw volgens de systematiek van dit besluit wordt benoemd als een toegang.

Opmerking Nico Scholten

1 En ook een hefdeur.

2 Volgens artikel 3.7 van het Arbobesluit geldt dit voor alle vluchtdeuren, ongeacht situering.

3 Rookvrije.

Noodtrap

Een trap die niet bedoeld is om een ruimte in een bouwwerk te bereiken of te ontsluiten, maar uitsluitend om bij calamiteiten het bouwwerk te ontvluchten, behoeft niet aan alle eisen te voldoen van een reguliere trap. Om een dergelijke trap te kunnen onderscheiden van een reguliere trap, is het noodzakelijk deze als noodtrap te definiëren.

Rookcompartiment

Een rookcompartiment is een gedeelte van een gebouw dat dienst doet als beperkt verspreidingsgebied van rook bij een brand. Alleen mensen in dit compartiment zijn in het stadium van vluchten direct bedreigd. Zij zullen door de beperkingen die aan het rookcompartiment zijn gesteld, snel een plaats buiten dit compartiment kunnen bereiken. Van buiten dit rookcompartiment kunnen mensen via rookvrije vluchtroutes een veilige plaats, veelal het aansluitende terrein, bereiken.

Rookvrije vluchtroute

Onder een rookvrije vluchtroute wordt een route verstaan waarlangs de in een gebouw aanwezige personen zich bij brand zelfstandig, al lopend, in veiligheid kunnen stellen. Deze route mag uitsluitend over vloeren, hellingbanen of trappen voeren, omdat het gebruik van bepaalde mechanische voorzieningen zoals liften en roltrappen bij brand risico's met zich meebrengt. Het gaat daarbij om trappen en hellingbanen die voldoen aan de voorschriften die het Bouwbesluit 2003 daaraan stelt.

Technische ruimte

De gewijzigde begripsomschrijving van "technische ruimte" beoogt meer duidelijkheid te verschaffen omtrent het begrip technische ruimte in relatie tot andere in het Bouwbesluit gebezigde termen voor bepaalde technische ruimten. Het handelt om een ruimte voor het plaatsen van installaties die noodzakelijk zijn voor het functioneren van een gebouw. Bedoelde installaties voldoen aan de volgende criteria:

  • de installatie is vast verbonden met het gebouw;
  • het tot stand brengen van de installatie is nauw verweven met de bouwkundige werkzaamheden;
  • de installatie is overwegend gericht op het scheppen van de juiste omstandigheden voor het verblijven of werken in het gebouw;
  • de installatie is niet gericht op de productie van het bedrijf.

Voorbeelden zijn een meterruimte, een stookruimte, een ruimte waarin de airconditioning is geplaatst of een liftmachineruimte. Een ruimte behoeft niet besloten te zijn om als technische ruimte te kunnen functioneren.

Toegang van een gebruiksfunctie

De begripsbepaling "toegang van een gebruiksfunctie" is afwijkend van het begrip “gebruiksfunctie” gedefinieerd. Het begrip is nodig om te kunnen bepalen waar de toegang van de groep van met elkaar in verbinding staande, niet-gemeenschappelijke ruimten zich bevindt, bijvoorbeeld de voordeur van een flatwoning. Dit is bijvoorbeeld nodig om de ligging van gemeenschappelijke voorzieningen zoals een lift, een toiletruimte of een badruimte ten opzichte van de zelfstandige ruimten van een woning te kunnen bepalen. Eigenlijk zou, om in systeem te blijven, moeten worden gesproken van “toegang tot de groep van met elkaar in verbinding staande, niet gemeenschappelijke ruimten van een gebruiksfunctie. Dit zou de leesbaarheid van het Bouwbesluit niet ten goede komen, zodat is gekozen van een doorbreking van de logica achter de voorschriften. Het kan dus in de praktijk zo zijn dat de toegang van een gebruiksfunctie zich bevindt in de gebruiksfunctie, op de scheidslijn tussen een gemeenschappelijke ruimte en een niet-gemeenschappelijke ruimte. In de praktijk bevindt de toegang zich op de dik aangegeven lijn van figuur 7.

Afbeelding

Figuur 7 Toegang van een gebruiksfunctie

Toegankelijkheidssector

De gewijzigde begripsomschrijving voor de toegankelijkheidssector houdt verband met de in het algemeen deel van deze toelichting beschreven, andere uitwerking van de toegankelijkheid van gebouwen. Een toegankelijkheidssector is een zone (dus niet beperkt tot één bouwlaag wat wel het geval is bij een ruimte of gebied) van een bouwwerk waarin een gebruiker met een functiebeperking, zoals een rolstoelgebruiker, zich zelfstandig kan verplaatsen. Dit betekent dat er voldoende bouwkundige manoeuvreerruimte is en dat er geen voor een rolstoel onoverbrugbare hoogteverschillen zijn.

Trappenhuis

Door de aanpassing van de begripsomschrijving voor een verblijfsgebied heeft de term “verkeersruimte” een andere betekenis gekregen. Het is niet de bedoeling dat het begrip verblijfsgebied een andere betekenis heeft dan vóór het Bouwbesluit 2003. Een trap binnen een woning die in een van andere ruimten afgesloten ruimte is gelegen hoeft daarom ook niet te worden geduid als trappenhuis. Het gaat dan om een ruimte waardoor een verkeersroute voert over een trap.

Tunnellengte

De begripsbepaling tunnellengte is noodzakelijk om eenduidig vast te kunnen stellen of een wegtunnel wel of niet onder de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 valt. Het komt er op neer dat de lengte van het omsloten gedeelte van de langste tunnelbuis waarin een rijbaan is gelegen bepalend is. Bij het bepalen van de tunnellengte wordt uitgegaan van het «omsloten» gedeelte van de tunnel. Het Bouwbesluit 2003 geeft geen definitie van «omsloten». In beginsel zal het omsloten gedeelte van de tunnel zich uitstrekken van tunnelmond tot tunnelmond. Het omsloten gedeelte kan echter achter de tunnelmond beginnen, bijvoorbeeld indien er zich in het tunneldak of de tunnelwand voldoende grote openingen bevinden om de bij een brand ontstane rook en hitte in voldoende mate af te voeren. Wanneer sprake is van een «omsloten gedeelte» is in het kader van de aanvraag om bouwvergunning uiteindelijk ter beoordeling van de gemeente. Opgemerkt wordt dat de in dit besluit opgenomen definitie van tunnellengte niet letterlijk is overgenomen uit de richtlijn tunnels (richtlijn 2004/54/EG). Zoals hierboven is toegelicht gaat het hier om het volledig omsloten gedeelte en niet om het zoals in de Nederlandse versie van de richtlijn opgenomen «volledig gesloten» gedeelte. Kenmerkend voor een wegtunnel is ten slotte dat deze aan de tunnelmonden open is. Een tweede punt is, dat in dit besluit wordt uitgegaan van rijbaan in plaats van rijstrook omdat de indeling in rijstroken een niet bouwkundige voorziening is en een rijbaan wel. Met de in dit besluit opgenomen definitie van tunnellengte wordt geen inhoudelijke wijziging aangebracht in de reikwijdte van de oor-spronkelijke definitie, er wordt derhalve volledig recht gedaan aan de doelstellingen van de richtlijn.

Uitwendige scheidingsconstructie

Als uitwendige scheidingsconstructie kunnen onder meer worden aangemerkt de gevel en het dak. Voorts is als uitwendige scheidingsconstructie bijvoorbeeld aan te merken de scheidingsconstructie tussen een woning en een niet besloten verkeersruimte, zoals een galerij. De beganegrondvloer van een woning of ander gebouw die boven een kruipruimte is gelegen, is niet als uitwendige scheidingsconstructie aan te merken, aangezien de vloer niet de scheiding vormt met de grond, de buitenlucht of het water. Bovendien is het bij de begripsomschrijving “inwendige scheidingsconstructie” gestelde met betrekking tot aansluitende constructiedelen en met betrekking tot het geheel van de scheidingsconstructie eveneens van toepassing op een uitwendige scheidingsconstructie.

Veiligheidstrappenhuis

Een veiligheidstrappenhuis is een vluchttrappenhuis waarin gedurende bepaalde tijd geen brand en rook kan doordringen. De bepaling dat een veiligheidstrappenhuis in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet besloten ruimte, is bedoeld om de door dat trappenhuis voerende vluchtroute te beschermen tegen het binnendringen van rook. De begripsomschrijving sluit niet uit dat in de vluchtrichting wordt aangesloten op een besluiten ruimte waardoor een vluchtweg voert, zoals een portaal.

Verblijfsgebied

Het begrip "verblijfsgebied" hangt, zoals reeds in het algemeen deel van deze toelichting is gesteld, samen met de aan het onderhavige besluit ten grondslag liggende doelstelling dat een gebouw zoveel mogelijk vrij indeelbaar moet zijn. Blijkens dit begrip moet, voor zover het gaat om het bouwen van gebouwen, een verblijfsruimte te allen tijde in een verblijfsgebied zijn gelegen. Het laten vervallen van het woord "besloten" uit de begripsomschrijving van "verblijfsgebied" houdt verband met het feit dat een verblijfsgebied niet alleen een voor het verblijven van mensen bestemde ruimte is, hetwelk in de regel in een besloten ruimte plaatsvindt. Een verblijfsgebied kan ook bestemd zijn voor het verrichten van voor het gebouw kenmerkende activiteiten, die niet altijd specifiek verband houden met het verblijven van mensen in die ruimte. In niet tot bewoning bestemde gebouwen spelen kenmerkende activiteiten zich soms af in niet-besloten ruimten, zoals bijvoorbeeld in gedeelten van een gebouw ten dienste van het vervoer van personen of van bepaalde industriegebouwen. In de nieuwe begripsomschrijving van "verblijfsruimte", is dit tot uitdrukking gebracht. Door het geven van voorschriften voor een verblijfsgebied, wordt tevens indirect een minimumniveau voor een verblijfsruimte gewaarborgd. De aanvrager van de bouwvergunning kan zelf aangeven welk deel van de gebruiksfunctie wordt benoemd als verblijfsgebied.

Een verblijfsgebied kan worden opgedeeld in twee of meer verblijfsruimten en andere ruimten, niet zijnde een toilet-, badruimte, technische ruimte of een verkeersruimte. Daarbij kunnen ook gedeelten van een verblijfsgebied worden aangeduid als “onbenoemde ruimten”. Onbenoemde ruimten hoeven niet door een fysieke scheidingsconstructie van een verblijfsruimte te zijn afgescheiden. Dat geldt ook voor de indeling van een gebouw in verblijfsgebieden en andere ruimten. Tussen een verblijfsgebied en een andere ruimte, zoals een onbenoemde ruimte hoeft niet een fysieke scheidingsconstructie te zijn gelegen. Dit wordt in de wandelgangen ook wel aangeduid als het “krijtstrepen-principe”. Zolang aan de voorschriften van het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening is voldaan, is een dergelijke oplossing toegestaan. Bij het gebruik van een op die wijze ingedeeld gebouw is pas sprake van een onbedoelde situatie, als ruimten die daarvoor volgens de voorschriften van het Bouwbesluit voor de bestaande bouw niet geschikt zijn toch als zodanig worden gebruikt.

Verblijfsruimte

In artikel 1.1, derde lid, is per gebruiksfunctie aangegeven welke activiteiten daarvoor kenmerkend zijn. Op die activiteiten zijn de voorschriften voor een verblijfsruimte van die gebruiksfunctie afgestemd. Van bijvoorbeeld een kantoorfunctie moeten de werkvertrekken voor administratieve werkzaamheden en voor een school de klaslokalen als verblijfsruimten worden aangemerkt. Behalve voor het verblijven van mensen kan een verblijfsruimte in bepaalde gevallen zijn bedoeld voor activiteiten waarbij het verblijven van mensen geen rol van betekenis speelt. Dit is bijvoorbeeld het geval indien het opslaan van goederen de kenmerkende activiteit is (een pakhuis). Een dergelijke verblijfsruimte wordt in dit besluit aangegeven als een verblijfsruimte niet bestemd voor het verblijven van mensen. Voor deze ruimten gelden op de desbetreffende situatie afgestemde (lichtere) voorschriften. Wanneer met gebruikmaking van vergunningsvrije bouwwerken voor een verblijfsgebied geen nadere indeling op een bouwaanvraag is aangegeven, is een verblijfsgebied tevens aan te merken als verblijfsruimte. Omdat de voorschriften voor een verblijfsgebied in de regels zwaarder zijn dan de overeenkomstige voorschriften voor een verblijfsruimte kan toetsing aan die laatste voorschriften achterwege blijven.

Verkeersruimte

Als een verkeersruimte kan bijvoorbeeld worden aangemerkt een gang, hal of portaal in een woning of een galerij, corridor of trappenhuis in een al of niet tot bewoning bestemde gebruiksfunctie. Als de ruimte waardoor een andere ruimte bereikt kan worden een onderdeel van een verblijfsgebied is, is deze ruimte niet een verkeersruimte doch een ruimte waardoor een verkeersroute voert. Niet elke ruimte waardoor een verkeersroute voert die niet in een verblijfsgebied is gelegen, is een verkeersruimte. De aanvrager van een bouwvergunning bepaalt de benaming. Hij kan die ruimte ook aanduiden als een “onbenoemde ruimte, waardoor een verkeersroute voert.

Verkeersroute

Een verkeersroute is bijvoorbeeld de route die vanaf een slaapkamer via een gang, een trap, de woonkamer en de hal naar de toegang van de woning voert.

Een verkeersroute kan door een niet-gemeenschappelijke ruimte voeren, maar ook door een gemeenschappelijke ruimte. In dat geval gelden voor dat gedeelte van de route dubbele voorschriften waarbij aan de zwaarste zal moeten worden voldaan dan wel waarbij de voorschriften op een bepaalde wijze bij elkaar moeten worden opgeteld.

Wegtunnel

Een wegtunnel is een tunnel of tunnelvormig bouwwerk uitsluitend dan wel mede bestemd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994. Hiermee is zekergesteld dat de voorschriften voor wegtunnels in het Bouwbesluit 2003 uitsluitend betrekking hebben op tunnels voor auto- en vrachtverkeer over de weg.

Tweede lid

In het tweede lid zijn begrippen opgenomen, die het Bouwbesluit 2003 hanteert, maar niet zelf definieert. In de desbetreffende normbladen zijn die begrippen omschreven.

Brandweerlift

Een brandweerlift (als bedoeld in richtlijn nr. 95/16/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1995, inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende liften (pbEG L 213)1) is noodzakelijk om de brandweer in de gelegenheid te stellen met geëigend materieel de hoger gelegen verdiepingen te bereiken en te doorzoeken naar achtergebleven personen. Een brandweerlift is voorgeschreven wanneer een gebouw hoger is dan 20 meter en boven die hoogte voor het verblijf van mensen bestemde ruimten zijn gelegen. Aan de inrichting van een brandweerlift worden bepaalde eisen gesteld ten einde die lift ook als zodanig te kunnen laten functioneren. Aan de inrichting van een schacht voor brandweerlift worden bepaalde eisen gesteld ten einde die lift ook als zodanig te kunnen laten functioneren. Deze zijn opgenomen in NEN EN 81-72. In de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn in de artikelen 4.1 en 4.17 nadere eisen opgenomen die in samenhang met deze begripsomschrijving moeten worden gelezen.

OPMERKING Nico Scholten

1 De brandweerlift wordt in deze richtlijn niet specifiek onderscheiden. Het handelt om een generieke richtlijn voor liften.

Bijdrage tot brandvoortplanting

Om te voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van constructie-onderdelen, moet de bijdrage tot brandvoortplanting van een constructie-onderdeel beperkt worden. De bijdrage tot brandvoortplanting moet worden bepaald volgens NEN 6065. Dit normblad voorziet erin dat de combinatie van bouwmaterialen die over een diepte van 0,15 m in een constructie-onderdeel is toegepast, aan een beproeving moet zijn onderworpen om de bijdrage tot brandvoortplanting van een constructie-onderdeel te kunnen vaststellen. Omdat de brandvoortplanting van de bovenzijde van horizontale vlakken, vloeren en tredenvlakken, sterk afwijkt van die van niet-horizontale vlakken, moet de bijdrage tot brandvoortplanting aan deze zijde zijn bepaald volgens NEN 1775. Ingevolge dit normblad moet de combinatie van bouwmaterialen die over een diepte van 0,03 m, grenzend aan het oppervlak van de vloer of tredenvlak, is toegepast, aan de beproeving zijn onderworpen.

CLV-systeem

Onder een CLV-systeem wordt verstaan het Combinatie-Luchttoevoer-Verbrandingsgas-afvoersysteem als bedoeld in NEN 2757. Dit systeem werkt op natuurlijke trek en bestaat uit een combinatie van een leiding voor de gemeenschappelijke toevoer van verbrandingslucht en een leiding of kanaal voor de gemeenschappelijke afvoer van rook. Het CLV-systeem is uitsluitend bestemd voor met gas gestookte toestellen die voorzien zijn van een ventilator.

Energieprestatiecoëfficiënt

Maat voor de energetische eigenschappen van een gebruiksfunctie of een gedeelte van een gebouw, inclusief gebouwinstallaties, bij een bepaald gebruikersgedrag. De wijze van berekening is voor woonfuncties vastgelegd in NEN 5128 en voor andere gebruiksfuncties in NEN 2916. Voor een gebouw met twee of meer gebruiksfuncties, niet zijnde beide woonfuncties, bevat NEN 2916 een bepalingsmethode om de mate van energiezuinigheid te berekenen.

Gebruiksoppervlakte

Onder de gebruiksoppervlakte van een gebouw wordt grosso modo verstaan het totaal van de tussen omsluitende wanden gelegen vloeroppervlakten van in dat gebouw gelegen ruimten. Tot die gebruiksoppervlakte worden echter bijvoorbeeld niet gerekend de oppervlakten die worden ingenomen door dragende constructie-onderdelen, de oppervlakten van vloeren waarboven een netto-hoogte aanwezig is van minder dan 1,5 m en de vloeroppervlakten van bijvoorbeeld een buiten een woning in het woongebouw gelegen bergruimte, stookruimte of trappenhuis. De gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie bestaat uit de “initiële gebruiksoppervlakte” van de groep van niet-gemeenschappelijke ruimten, vermeerderd met een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten van de gebruiksfunctie. Voor een woonfunctie en een logiesfunctie, gelegen in een woongebouw onderscheidenlijk een logiesgebouw, geldt een afwijkende regeling ten einde te voorkomen dat een woning in een woongebouw of een hotelkamer anders zou worden beoordeeld dan een eengezinswoning of bijvoorbeeld een vakantiewoning.

Hoofddraagconstructie

Een deel van de bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het bezwijken van bouwconstructies die niet in de directe nabijheid van het bezweken onderdeel zijn gelegen. Een bouwconstructie moet hierbij in het geval van een vloer die bijvoorbeeld is opgebouwd uit balken en houten vloerdelen als één bouwconstructie te worden opgevat en niet elke vloerbalk en de beplanking afzonderlijk. E.e.a. moet worden gezien in relatie tot voortschrijdende instorting. Bij een éénlaagse bungalow ontbreekt dus een hoofddraagconstructie.

Netto-inhoud

Onder de netto-inhoud van een ruimte wordt verstaan het product van de netto-vloeroppervlakte, vermeerderd met de oppervlakten van vides en schalmgaten voor zover die groter zijn dan 4 m², en de netto-hoogte. De netto-vloeroppervlakte is de op vloerniveau gemeten oppervlakte tussen de begrenzende opgaande scheidingsconstructies van die ruimte. De netto-hoogte is de loodrechte afstand tussen de bovenkant van een vloer en de onderkant van een daarboven gelegen plafond, vloer of dak, waarbij incidentele constructie-onderdelen buiten beschouwing blijven.

Rookproductie

Om te voorkomen dat een beginnende brand leidt tot een te sterke mate van rookontwikkeling, veroorzaakt door het oppervlak van constructie-onderdelen, moet de bijdrage aan de rookproductie beperkt worden. Deze rookproductie, uitgedrukt in termen van rookdichtheid, moet zijn bepaald volgens NEN 6066. Dit normblad voorziet er in dat de combinatie van bouwmaterialen die in een constructie-onderdeel over een diepte van 0,065 m is toegepast, aan een beproeving moet zijn onderworpen om de rookproductie van dat constructie-onderdeel te bepalen.

Vrije hoogte

De vrije hoogte is de verticale afstand tussen de bovenkant van een vloer of traptrede en de onderkant van het laagste daarboven gelegen constructiedeel. Daarbij blijft een leuning buiten beschouwing.

Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo)

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag staat voor de tijd die het duurt dat een brand in een (sub)brandcompartiment zich uitbreidt naar een ander (sub)brandcompartiment, een ruimte met brand- en rookvrije vluchtroute of een veiligheidstrappenhuis. Een brand kan zich op twee manieren uitbreiden: Via brandoverslag: de uitbreiding van brand van een ruimte naar een andere ruimte uitsluitend via de buitenlucht. Via branddoorslag: de uitbreiding van brand van een ruimte naar een andere ruimte anders dan via de buitenlucht. In NEN 6068 is aangegeven hoe de wbdbo kan worden bepaald. Het toepassingsgebied van dat normblad is beperkt, zodat veelvuldig een beroep zal moeten worden gedaan op het gelijkwaardigheidsbeginsel.

Weerstand tegen rookdoorgang

De weerstand tegen rookdoorgang is neergelegd in NEN 7075 en komt nagenoeg overeen met de “oude” bepalingsmethode uit NEN 3895. De weerstand tegen rookdoorgang is gelijk aan de brandwerendheid, bepaald volgens hoofdstuk 3 van NEN 6069, slechts uitgaande van het criterium van vlamdichtheid betrokken op de afdichting, van alle scheidingsconstructies - inclusief deuren, openingen, doorvoeringen en aansluitingen - die zich in elk van de rookverspreidingstrajecten tussen de beschouwde ruimten bevinden, vermenigvuldigd met 3/2.

Derde lid

In het Bouwbesluit 2003 zijn twaalf (hoofd-)gebruiksfuncties onderscheiden, te weten elf functies die een gebouw of een gedeelte van één of meer gebouwen zijn en één functie voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Een bouwwerk is in de Woningwet en het Bouwbesluit niet gedefinieerd. In artikel 1 van de Woningwet is gebouw gedefinieerd. Een definitie van bouwwerk is opgenomen in de Model-bouwverordening 1992 van de Vereniging van Nederlandse gemeenten. Over dit laatste begrip is, mede aan de hand van de in de bouwverordening daarvoor gegeven definitie, de nodige jurisprudentie ontstaan. Daaruit valt een drietal elementen te ontlenen dat een werk maakt tot een bouwwerk, te weten: de omvang, de constructie en het plaatsgebonden karakter. Deze elementen zijn in de definitie van "bouwwerk", zoals opgenomen in art. 1 MBV 1992 tot uitdrukking gebracht. Uit een en ander volgt voldoende duidelijk wat een bouwwerk, geen gebouw zijnde is. Een voorbeeld van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is een brug en lantaarnpaal, hoogspanningsmast, een niet betreedbaar trafohuis, maar ook een lage groentekas.

Woonfunctie

Onder woonfunctie vallen ruimten die een woonbestemming hebben zoals vrijstaande woningen, eengezinswoningen, flat- of portiekwoningen, kamers in een studentenhuis en woonwagens met de daarbij behorende gebouwgebonden ontsluitingswegen en vluchtroutes. Een ruimte van een woonboot valt daar niet onder. Een woonschip is namelijk geen bouwwerk in de zin van de Woningwet.

Onder de woonfunctie van een woonwagen vallen ook de voorschriften voor een standplaats. Echter, een standplaats op zich is een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Wordt dus een standplaats ingericht zonder woonwagens, dan zijn strikt genomen de voorschriften voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, van toepassing. Dat is echter niet de bedoeling. Bij het aanschrijven ontstaat een soortgelijk probleem. Artikel 18 van de Woningwet is de basis voor het aanschrijven van een standplaats. De voorschriften daartoe zijn echter niet te vinden onder de gebruiksfunctie “bouwwerk, geen gebouw zijnde”, maar onder woonfunctie van een woonwagen.

Bijeenkomstfunctie

Onder deze gebruiksfunctie kan bijvoorbeeld worden verstaan de kenmerkende ruimten van een congrescentrum, een kerk, een wijkgebouw, een bioscoop, een theater, een casino, een café, een restaurant, een kantine, een discotheek, een tentoonstellingsgebouw, een museum, een kinderdagverblijf en een tribune in een sportgebouw.

Celfunctie

Een celfunctie kan bijvoorbeeld een gevangenis- of een politiecel zijn maar ook een kamer in een tehuis voor dwangmatige verpleging.

Onder een celfunctie, bestemd voor dag- en nachtverblijf, genoemd in dit besluit, moeten niet de cellen worden verstaan waarin personen slechts gedurende korte tijd in verzekerde bewaring worden gesteld, zoals in een gerechtsgebouw of in bepaalde politiecellen. Verder is nog onderscheid te maken tussen celfuncties voor kortstondig dag en nachtverblijf en langdurig dag- en nachtverblijf. Onder de laatste categorie moeten onder andere de cellen van een politiecellencomplex worden verstaan.

Gezondheidszorgfunctie

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om ruimten voor de behandeling of verpleging van patiënten in een ziekenhuis, een verzorgingstehuis, een psychiatrische inrichting, een medisch centrum, een polikliniek en een praktijkruimte voor een huisarts, fysiotherapeut of tandarts. Verder dient te worden opgemerkt dat een verpleeghuis, vanwege het feit dat de bewoners er over het algemeen permanent verblijven, naast de gezondheidszorgfunctie, tevens de woonfunctie omvat, hetgeen betekent dat op zo’n verpleeghuis of delen daarvan gelijktijdig twee sets voorschriften van toepassing zijn.

Industriefunctie

Een industriefunctie omvat bijvoorbeeld een werkplaats of een magazijn van een fabriek, een opslagruimte in een pakhuis, of een stal van een boerderij. Afhankelijk van het feitelijk gebruik kan er echter bij dit gebruik sprake zijn van een “lichte industriefunctie”. De aanvrager van de bouwvergunning geeft de keuze op zijn aanvraag aan. Een gedeeltelijk open loods is ook een industriefunctie, terwijl dit bouwwerk een bouwwerk, geen gebouw zijnde is. De bedoeling is dit bouwwerk toch als industriefunctie te beoordelen.

Kantoorfunctie

Een kantoorfunctie is bijvoorbeeld onderdeel van een accountantsbureau, een administratiekantoor, een advocatenkantoor, een bankgebouw, of een gemeentehuis.

Logiesfunctie

Een logiesfunctie is onder meer een zomerhuisje. Een hotel, een motel of een pension zijn voorbeelden van een samenstel van logiesfuncties.

Onderwijsfunctie

Een onderwijsfunctie omvat bijvoorbeeld alle klaslokalen in een schoolgebouw of een collegezaal van een universiteit. Een tot een school behorend gymnastieklokaal is echter een sportfunctie. Voor een basisschool horen ook de lerarenkamer en de kamer van de directeur tot een onderwijsfunctie. Dat geldt ook voor een speellokaal voor de groepen 1 en 2 van zo’n school. Voor andere scholen moeten deze ruimten zijn aangeduid als kantoorfuncties. Een bijzondere soort onderwijsfunctie is onderwijsfunctie voor het speciaal onderwijs. Wat onder speciaal onderwijs moet worden verstaan staat in de Wet op het primair onderwijs, waarbij wordt verwezen naar de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs.

Wet op het primair onderwijs Artikel 1 (voor zover van belang) In deze wet wordt verstaan onder:

  • school voor speciaal onderwijs: een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;
  • school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;
  • school voor voortgezet speciaal onderwijs: een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Wet op de expertisecentra Artikel 2. Doelgroep; indeling (v.)s.o.

1.Het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs is bestemd voor kinderen voor wie vaststaat dat overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is.
2.Het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs wordt verdeeld in onderwijs aan:
a.dove kinderen;
b.slechthorende kinderen;
c.kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b bedoelde kinderen;
d.visueel gehandicapte kinderen;
e.(vervallen)
f.lichamelijk gehandicapte kinderen;
g.kinderen die zijn opgenomen in ziekenhuizen;
h.langdurig zieke kinderen;
i.(vervallen)
j.zeer moeilijk lerende kinderen;
k.zeer moeilijk opvoedbare kinderen;
l.(vervallen)
m.kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten;
n.meervoudig gehandicapte kinderen;
o.(vervallen).
3.Onder pedologische instituten worden verstaan instituten die een binding bezitten met een Nederlandse universiteit of de wetenschappelijke begeleiding van het onderwijs verzorgen aan scholen voor speciaal onderwijs.

Wet op het voortgezetonderwijs Artikel 125 Doelgroep; indeling v.s.o.

1.Het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in dit deel, is voortgezet onderwijs, bestemd voor kinderen voor wie vaststaat dat overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is. Het omvat niet het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.
2.Het voortgezet speciaal onderwijs wordt verdeeld in onderwijs aan:
a.moeilijk lerende kinderen;
b.zeer moeilijk opvoedbare kinderen;
c.kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden.

Sportfunctie

Als een sportfunctie kan bijvoorbeeld worden aangemerkt een (deel van een) zwembad, een gymnastieklokaal, een sporthal of een fitnesscentrum. Een ruimte uitsluitend voor toeschouwers valt onder de bijeenkomstfunctie. De voorschriften voor verblijfsgebieden van die bijeenkomstfunctie gaan uit van een groter aantal mensen dan die van een sportfunctie.

Winkelfunctie

Als een winkelfunctie is bijvoorbeeld te beschouwen een (deel van een) winkelcentrum, warenhuis, supermarkt of reisbureau. Het stationsloket en de verkoop bij een tankstation vallen hier eveneens onder.

Overige gebruiksfunctie

Hieronder worden verstaan alle gebruiksfuncties die niet onder hierboven genoemde gebruiksfuncties vallen. Een overige gebruiksfunctie is bijvoorbeeld een abri, een buitenberging en een parkeergarage. Ook bij deze gebruiksfunctie komen bouwwerken voor die feitelijk een bouwwerk, geen bouw zijnde, zoals de normale abri’s en bepaalde parkeergarages.

Vierde lid

Naast de twaalf (hoofd)gebruiksfuncties zijn er nog (sub)gebruiksfuncties gedefinieerd in het Bouwbesluit 2003. Dit zijn een aantal veelvoorkomende ondersoorten van de in het derde lid genoemde gebruiksfuncties.

Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang

Onder de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang vallen dagopvang met slaapgelegenheid voor kinderen tot 4 jaar, de buitenschoolse opvang en de 24-uurs opvang. Het gaat om bedrijfsmatige opvang. De oppas aan huis of de gastouder die één of meer kinderen in de eigen woning opvangt of verzorgt, vallen buiten de reikwijdte van de begripsbepaling.

Voorzieningen waar kinderen wonen, zoals bijvoorbeeld een ‘weeshuis’, worden niet gerekend tot de bijeenkomstfunctie. Deze vallen onder de woonfunctie. Medische voorzieningen zoals een medisch kinderdagverblijf of een kinderziekenhuis, vallen onder de gezondheidszorgfunctie.

Lichte industriefunctie

Een lichte industriefunctie is bijvoorbeeld een opslagloods, een kas of een stal. Onder een lichte industriefunctie wordt niet een hondenhok of een daarmee vergelijkbaar bouwwerk verstaan. Als die niet voor mensen toegankelijk is, is dat een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Anders een “overige gebruiksfunctie”. Op een fabrieksterrein kunnen de industriefunctie en de lichte industriefunctie gelijktijdig aanwezig zijn.

Vijfde lid

Het Bouwbesluit verbindt bepaalde eisen aan een aantal specifieke verzamelingen van gebruiksfuncties, te weten het woongebouw met woonfuncties, het cellengebouw met celfuncties en het logiesgebouw met logiesfuncties. De gegeven begripsomschrijvingen geven de intentie weer, maar vormen feitelijk een doorbreking van de systematiek van een gebruiksfunctie die bestaat uit een verzameling van niet-gemeenschappelijke en gemeenschappelijke ruimten. Een gebruiksfunctie kan niet zijn aangewezen op zijn eigen gemeenschappelijke ruimte, omdat deze gemeenschappelijke ruimte onderdeel is van die gebruiksfunctie. De groep van niet-gemeenschappelijke ruimte van een gebruiksfunctie is aangewezen op de gemeenschappelijke ruimten. Dat in begripsomschrijvingen neerleggen, zal het begrip niet vergroten, reden waarom voor de wat kromme formuleringen is gekozen. Met de formulering wordt recht gedaan aan de praktijk om andere gebruiksfuncties, waaronder ook nevenfuncties, gebruik te laten maken van de gemeenschappelijke verkeersroutes in dergelijke gebouwen. Die andere gebruiksfuncties zijn veelal op een of andere wijze verbonden met deze gebouwtypen, zoals in een woongebouw de bergingen (overige gebruiksfunctie) met de woningen, in een penitentiaire inrichting bijvoorbeeld de ziekenboeg (gezondheidszorgfunctie), werkplaats (industriefunctie) of eetzaal (bijeenkomstfunctie) met het cellengebouw en in een hotel/restaurant de receptie (kantoorfunctie), fitnesscentrum (sportfunctie) of restaurant/bar (bijeenkomstfunctie) met de hotelkamers in het logiesgebouw.

Woongebouw

Een woongebouw is bijvoorbeeld een bouwwerk, zijnde een portiek- of een galerijflat. Ruimten met een andere gebruiksfunctie dan een woonfunctie, bijvoorbeeld de kelder- of garageboxen onder een flatgebouw, zijn geen onderdeel van een woongebouw als bedoeld in het Bouwbesluit. Andere gebruiksfuncties, waaronder bijvoorbeeld nevenfuncties, mogen wel gebruik maken van de gemeenschappelijke verkeersroutes gelegen in een woongebouw.

Cellengebouw

Een cellengebouw is bijvoorbeeld een cellenblok in een gevangenis, een huis van bewaring of een politiebureau. Ruimten met een andere gebruiksfunctie dan een celfunctie, bijvoorbeeld de kantoorruimten, sportzalen en werkplaatsen van de gevangenis, zijn geen onderdeel van een cellengebouw als bedoeld in het Bouwbesluit. Ruimten met een andere gebruiksfunctie dan een celfunctie, waaronder bijvoorbeeld nevenfuncties, mogen wel gebruik maken van de gemeenschappelijke verkeersroutes gelegen in een cellengebouw.

Logiesgebouw

Een logiesgebouw is bijvoorbeeld een hotel of een pension. Ruimten met een andere gebruiksfunctie dan een logiesfunctie, bijvoorbeeld de kantoorruimten, vergaderruimten, eetzaal en keuken zijn geen onderdeel van een logiesgebouw als bedoeld in het Bouwbesluit. Ruimten met een andere gebruiksfunctie dan een logiesfunctie, waaronder bijvoorbeeld nevenfuncties, mogen wel gebruik maken van de gemeenschappelijke verkeersroutes in een logiesgebouw.

Zesde lid

Bezettingsgraadklasse

De indeling in bezettingsgraadklassen is nodig om nuances aan te brengen in zwaarte van de voorschriften. Voor zover gebouwen in de praktijk op verschillende manieren kunnen worden gebruikt, zijn klassen te onderscheiden naar het gemiddeld aanwezige aantal personen per m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied. Het Bouwbesluit onderscheidt twee soorten bezettingsgraadklassen, te weten m2 gebruiksoppervlakte per persoon en m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied per persoon. De klassen lopen van klasse B1 tot klasse B5 waarbij B1 het kleinste aantal meters per persoon, ofwel , het grootste aantal personen per m2 weergeeft en B5 de lichtste bezettingsgraad is met het grootste aantal m2 per persoon. Het is de bedoeling dat een aanvrager om bouwvergunning bij zijn aanvraag kenbaar maakt voor welke klasse hij een gebruiksfunctie geschikt wil doen zijn. Dit bepaalt vervolgens het niveau van eisen dat aan de desbetreffende gebruiksfunctie wordt gesteld. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat de bezettingsgraad niet uitsluitend per gebruiksfunctie wordt bepaald, maar ook, afhankelijk van het voorschrift, bijvoorbeeld per gebouw, rookcompartiment of verblijfsgebied. Is er sprake van een hogere bezetting dan aangegeven in tabel 1, dan is er sprake van een situatie waarop de voorschriften van het Bouwbesluit onvoldoende zijn toegesneden. Dit betekent niet dat dit is verboden, maar dan zal toepassing moeten worden gegeven aan het gelijkwaardigheidsbeginsel (paragraaf 1.3). Zie voor de klasse van de bezettingsgraad verder het ter zake gestelde in het algemeen gedeelte van deze toelichting.

Artikel 1.2.

De aanduiding gemeenschappelijk wordt gebruikt bij gedeelten van een bouwwerk, ruimte of voorzieningen die ten dienste staan van twee of meer gebruiksfuncties. Dit kunnen zowel verschillende soorten gebruiksfuncties zijn als twee of meer gebruiksfuncties van dezelfde soort. Als gemeenschappelijke ruimte voor twee of meer gebruiksfuncties van de zelfde soort is bijvoorbeeld aan te merken een gezamenlijke badruimte van een aantal studentenwoningen in een studentenflat als deze is aangevraagd als woongebouw. Alleen indien dat bij het desbetreffende voorschrift uitdrukkelijk is aangegeven, mag een ruimte of voorziening gemeenschappelijk zijn. De gewijzigde begripsomschrijving van een gemeenschappelijke ruimte leidt er toe dat niet langer in de bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschriften behoeft te worden gesproken van een algemene ruimte in het geval twee of meer gebruiksfuncties, niet zijnde een woonfunctie of logiesfunctie, op die ruimte zijn aangewezen. Ook in het geval een woning of een logiesverblijf tezamen met een andere gebruiksfunctie zijn aangewezen op een zelfde ruimte, is sprake van een gemeenschappelijke ruimte. Van een ruimte of onderdeel van een gebouw moet worden aangegeven van welke gebruiksfunctie deze deel uitmaakt. Daarbij worden, zoals aangegeven bij de uitleg van het begrip “gebruiksfunctie” in aritkel 1.1, eerste lid, een woonfunctie, een celfunctie en een logiesfunctie anders benaderd dan de andere gebruiksfuncties. Pas nadat duidelijk van welke gebruiksfuncties een ruimte of onderdeel deel uitmaakt is bekend welke voorschriften op die ruimte of dat onderdeel van toepassing zijn. Wanneer dat twee of meer voorschriften zijn, kan het zijn dat de zwaarste eis geldt of dat de voorschriften moeten worden gecombineerd tot een nieuw voorschrift. Uit de artikeltekst van het Bouwbesluit 2003 is dat niet altijd duidelijk.

§ 1.2.Toepassing NEN en NEN-EN

Artikel 1.4.

Ingevolge de EG-Richtlijn inzake voor de bouw bestemde producten kunnen door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) zogenoemde geharmoniseerde normbladen worden opgesteld die voor de lidstaten verbindend zijn. Die geharmoniseerde normbladen treden dan binnen een in de normbladen gestelde termijn in de plaats van het voor het desbetreffende onderwerp geldende Nederlandse normblad. Ten einde te voorkomen dat in zo'n geval het onderhavige besluit moet worden gewijzigd, is in het eerste lid bepaald dat een dergelijk Europese normblad in de plaats treedt van een NEN-normblad. Op die manier kan snel en doeltreffend worden ingespeeld op ontwikkelingen die ter zake voortvloeien uit de richtlijn. Niet uitgesloten is dat met het oog op een geharmoniseerd Europees normblad moet kunnen worden afgeweken van een in het onderhavige besluit gegeven voorschrift. Te denken valt bijvoorbeeld aan een situatie waarin de klasse-indeling in een geharmoniseerd normblad niet overeenkomt met een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift. Derhalve is in het tweede lid voorzien in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling ter zake voorschriften te geven. Daarmee blijft een snelle implementatie van Europese geharmoniseerde normbladen gewaarborgd.

§ 1.3.Gelijkwaardigheidsbepaling

Artikel 1.5

In de praktijk kunnen zich situaties voordoen, waarop de prestatie-eisen van het Bouwbesluit niet zijn toegesneden. In die situaties gaat het veelal om bouwkundige oplossingen, die niet zonder meer kunnen worden getoetst aan de daarop betrekking hebbende prestatie-eisen. De besluitwetgever heeft die oplossingen niet op voorhand willen verbieden. Het Bouwbesluit mag immers geen belemmering vormen voor de toepassing van innovatieve of experimentele bouwwijzen of bouwproducten. Daartoe is dit voorschrift opgenomen. Van een bouwkundige oplossing is sprake als het om een bouwkundige voorziening gaat, d.w.z. om een voorziening die onlosmakelijk deel uitmaakt van een bouwwerk en niet eenvoudig kan worden veranderd. Bij het afwegen van de gelijkwaardigheid spelen alle uitgangspunten die aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag liggen een rol. Dat kunnen er meer zijn dan in dit artikel 1.5 zijn verwoord, omdat op grond van artikel 6 van de Woningwet de voorschriften ook kunnen zijn te herleiden tot uitgangspunten die hun grondslag vinden in andere wetten dan de Woningwet. Om duidelijk te maken welke uitgangspunten bij een gegeven voorschrift een rol spelen, kende het Bouwbesluit van december 1991 een bijlage waarin die relatie tot uitdrukking was gebracht. Het Bouwbesluit 2003 kent niet zo’n tabel. De gebruiker van het Bouwbesluit 2003 zal zelf moeten nagaan welke uitgangspunten aan een gegeven prestatie-eis ten grondslag liggen. In de bijbehorende functionele eis is dat maar beperkt weergegeven. Door reconstructie van de wordingsgeschiedenis van het Bouwbesluit 2003, het gebruik van de transponeringstabel zoals die door TNO Bouw in het rapport Kruistabellen Bouwbesluit 1992-2003 van 25 november 2002 is verwoord, en het Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618 en de transponeringstabel tussen dat besluit en het Bouwbesluit 2003, gepubliceerd door het ministerie van VROM op haar website, kan de gebruiker zich daarvan een beeld vormen. Een juiste toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel is niet eenvoudig.

Zo kunnen bij een voorschrift, dat uit het oogpunt van veiligheid is gesteld, ook overwegingen van gezondheid een rol spelen. Bij de toepassing van een gelijkwaardige oplossing zal dan ook moeten worden nagegaan of die andere overwegingen bij die gelijkwaardige oplossing in ten minste dezelfde mate worden gerealiseerd.

Daartoe is het nodig de opbouw van het Bouwbesluit 2003 goed te kennen:

….Hoofdstuktitel: is uitgangspunt (veiligheid, gezondheid, etc.);
…..Afdelingstitel: hoofdaspect van regulering binnen een uitgangpunt;
…..Eerste lid van eerste artikel van een paragraaf: beknopte functionele eis;
…..Artikeltitel, terug te vinden als kolomtitel in de tabel die hoort bij de functionele eis van een paragraaf;
…..eventuele functionele omschrijving in een artikellid.

Op deze manier kan men de primaire doelstelling van een gegeven prestatie-eis vaststellen.

Een gelijkwaardige oplossing moet ten minste voldoen aan de doelstelling en het niveau van de prestatie-eis waarvan wordt afgeweken. Daarbij gaat het er om dan de bouwtechnische oplossing eenzelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met het betrokken voorschrift. Van een voorschrift moet dus worden nagegaan in hoeverre dit is te herleiden tot één of meer van de voorbedoelde aan het Bouwbesluit 2003 ten gronslag liggende uitgangspunten (zie ook artikel 2 van de Woningwet). Men moet hierbij bedenken dat het goedkeuren van een gelijkwaardige oplossing niet hetzelfde is als het verlenen van vrijstelling van een prestatie-eis. Bij verlening van vrijstelling gaat het namelijk om het bewust mogen realiseren van een lager prestatieniveau dan de desbetreffende prestatie-eis(en).

Bij toepassing van een gelijkwaardigheidsbepaling is het raadzaam dat de aanvrager van de bouwvergunning, voordat hij zijn aanvraag indient, ter zake overleg voert met het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht. Dat toezicht adviseert burgemeester en wethouders in de regel over de door hen te nemen beslissing op de aanvraag om bouwvergunning. Hij kan zodoende vooraf te weten komen of zijn oplossing een gerede kans maakt te worden geaccepteerd en op welke wijze hij wordt geacht aan te tonen dat de voorgenomen oplossing voldoet aan doelstelling en niveau van de prestatie-eis(en), waar hij van afwijkt.

Ook bij bestaande bouw kan het, evenals bij nieuwbouw, voorkomen dat een oplossing strikt genomen niet voldoet aan de gegeven prestatie eisen. De aanwezig oplossing kan echter wel een met die prestatie eisen beoogde gelijkwaardige veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid bieden. Er kan dan niet worden aangeschreven. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat bij nieuwbouw een gelijkwaardige oplossing is goedgekeurd, terwijl de gekozen oplossing evenmin spoort met een prestatie eis voor de bestaande bouw. In dat geval is op grond van gelijkwaardigheid vanzelfsprekend ook voldaan aan de voorschriften voor de bestaande bouw.

§ 1.4.CE-markeringen en kwaliteitsverklaringen

Met de wijziging van de volgorde in het opschrift van paragraaf 1.4, kenbaar gemaakt in Stb. 2007, 349, wordt de CE-markering voortaan eerst genoemd en daarna de kwaliteitsverkla-ring. Hiermee wordt beter recht gedaan aan het belang van de CE-markering. Ook is bij die wijziging de volgorde van de artikelen 1.6 en 1.7 omgedraaid. In artikel 1.6 zijn voorschriften over de CE-markering opgenomen en in artikel 1.7 voorschriften over de (erkende) kwaliteitsverklaring.

Artikel 1.6.

In het eerste lid van artikel 1.6 is bepaald dat wanneer er een verklaring wordt gevraagd omtrent de kwaliteit van een bouwproduct dat voldoet aan de fundamentele voorschriften als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn bouwproducten dit alleen een CE-markering mag zijn. Dit betekent dat voor producten waarvoor een CE-markering is vastgesteld, geen kwaliteitsverklaring voor de eisen waarop die CE-markering betrekking heeft is toegestaan. Deze verbodsbepaling past echter niet in een private markt waarin partijen een vrijwillig stelsel van kwaliteitsverklaringen zijn overeengekomen die met betrekking tot aanvullende kwaliteitsaspecten, verdergaande kwaliteitscontrole en verwerking van het product tot onderdeel van een bouwwerk aanvullend zijn op de CE-markering. Deze verklaringen dus daarmee niet strijdig met de CE-markering, maar complementair en nodig vanuit een marktbehoefte. Om de kwaliteit van het gebouwde te bevorderen is dit private stelsel in het leven geroepen en wordt het in stand gehouden. In het private stelsel wordt gebruik gemaakt van de conformiteitsverklaring die onderdeel uitmaakt van de CE-markering, geheel in lijn met de bedoeling van de richtlijn bouwproducten.

In het tweede lid is bepaald dat een bouwproduct met CE-markering, dat is toegepast overeenkomstig de CE-markering voldoende bewijs oplevert dat aan de bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 gegeven voorschriften is voldaan. Deze bepaling staat echter op gespannen voet met de inhoud van de CE-markering. De CE-markering handelt over producteigenschappen van bouwproducten. De voorschriften van het Bouwbesluit handelen over eigenschappen van een bouwwerk. Enkele uitzonderingen daargelaten leveren eigenschappen van een bouwproduct op zich niet het bewijs dat daarmee zonder meer aan een of meer eigenschappen van het bouwwerk is voldaan. Een bouwwerk bestaat uit een samenstel van bouwproducten. De wetgever gaat het om de eigenschappen van dit samenstel, ingebouwd in een bouwwerk. Over die eigenschappen gaat de CE-markering niet.

In het derde lid is een bepaling opgenomen omtrent de betekenis van de verklaring van conformiteit als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn bouwproducten. Met het derde lid blijft de vrije verhandelbaarheid van producten die ingevolge de richtlijn bouwproducten geen CE-markering behoeven te dragen, omdat zij slechts van geringe betekenis zijn voor de volksgezondheid en veiligheid, gewaarborgd. Dergelijke producten zullen door de Europese Commissie op een lijst worden geplaatst, welke lijst eveneens in Nederland kenbaar zal worden gemaakt door of namens de minister van de Wonen, Werken en Inkomen.

Artikel 1.7.

In artikel 1.7 zijn de uitgangspunten die gelden bij de toepassing van een (erkende) kwaliteitsverklaring opgenomen. Onder een erekende kwaliteitsverklaring wordt verstaan een kwaliteitsverklaring die is afgegeven op basis van een door de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie erkend stelsel van kwaliteitsverklaringen voor de bouw. De uitgangspunten van dit stelsel op vrijwillige basis zijn opgenomen in de artikelen 1.17 tot en met 1.19 van de Regeling Bouwbesluit 2003. Wanneer een dergelijke kwaliteitsverklaring is afgegeven voor een bouwproduct, of bouw-proces en dat product, of dat proces is toegepast overeenkomstig de kwaliteitsverklaring dan levert dit voldoende bewijs op dat aan de bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 ter zake gegeven voorschriften is voldaan.

Artikel 1.8.

In dit artikel is bepaald dat bouwproducten die geen CE markering mogen dragen, omdat zij niet voldoen aan de Europese technische specificaties, terwijl ze daar blijkens publicatie in de Staatscourant wel aan moeten voldoen, of waarop na de wettelijke verplichting die wordt afgekondigd in de Staatscourant, de CE-markering niet dragen, niet in de handel mogen worden gebracht. Dit verbod vloeit voort uit artikel 2 van de richtlijn bouwproducten, waarin is voorgeschreven dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om er voor te zorgen dat de in die richtlijn bedoelde voor de bouw bestemde producten alleen dan in de handel kunnen worden gebracht, wanneer zij voor het beoogde doel geschikt zijn. Uitzondering op dit verbod vormen, zo is in het tweede lid bepaald, bouwproducten die vallen onder de artikelen 4, vijfde lid, en 6, tweede lid, van de richtlijn bouwproducten, de zogeheten “minor products”. Uit het derde lid volgt dat overtreding van het verbod een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten (Stb. 1950, K 258) is.  

Strafsanctie

Overtreding van een krachtens art. 120 van de Woningwet gegeven voorschrift is aangemerkt als een strafbaar feit. Afhankelijk van welk voorschrift wordt overtreden geldt de strafsanctie. Een hechtenis van zes maanden of geldboete van de derde categorie (maximaal € 4.500, ; art. 23, lid 4, Wetboek van strafrecht) geldt, voor zover het om bouwvergunningplichtige bouwwerken gaat (art. 108). Gaat het om vergunningsvrije bouwwerken dan bedraagt de strafmaat ten hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie (maximaal € 2.250, ; art. 107). Gemeenten zullen er op moeten toezien dat producten met CE-markering worden toegepast zodra de CE-markering wettelijk verplicht is. Gaat het om het overtreden van het verbod tot het in de handel brengen van bouwproducten die niet zijn voorzien van de CE markering of van de voorschriften met betrekking tot het gebruik van de CE markering, dan is dat een strafbaar feit in de zin van de Wet op de economische delicten, waarvoor de krachtens die wet geldende sanctie staat. Hierop ziet de Economische Controledienst toe in samenwerking met de VROM-inspectie.

Artikel 1.9.

In het eerste lid is, om misleiding te voorkomen, overeenkomstig artikel 15 van de richtlijn bouwproducten, bepaald dat geen met de CE markering gelijkende markering mag worden gebezigd. Aan de hand van deze verbodsbepaling kan tegen onjuist gebruik worden opgetreden door bijvoorbeeld het verdere gebruik te verbieden en de reeds in de handel gebrachte bouwproducten uit de handel te (laten) nemen. Op grond van artikel 110, tweede lid, van de Woningwet moet de overtreding van een voorschrift, wil die overtreding strafbaar zijn, zijn aangemerkt als een strafbaar feit. In het tweede lid is bepaald dat overtreding van dit verbod een economisch delict is. Het gaat dan om een strafbaar feit in de zin van de Wet op de economische delicten (Stb. 1950, K 258), waarvoor de krachtens die wet geldende sanctie staat. Hierop ziet de Economische Controledienst toe in samenwerking met de VROM-inspectie.

Artikel 1.10.

Dit artikel biedt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de mogelijkheid om bij ministeriële regeling snel en doeltreffend in te spelen op bijvoorbeeld ontwikkelingen met betrekking tot de toepassing van de richtlijn bouwproducten; ontwikkelingen, die thans bijvoorbeeld nog niet zijn te voorzien of waarvan het resultaat nog niet is te overzien. Wat dit laatste betreft, valt te denken aan de discussie die nog in de Commissie gaande is over de positie van bouwproducten met een lokaal toepassingsgebied en over een mogelijke nadere regeling aangaande de CE-markering.

§ 1.5.Ontheffingen

Artikel 1.11.

In dit artikel zijn de ontheffingsmogelijkheden voor burgemeester en wethouders neergelegd, die zij kunnen toepassen bij het verbouwen of renoveren. Redenen voor het toekennen van deze bevoegdheid aan burgemeester en wethouders zijn in het algemeen deel van deze toelichting uiteengezet. Ingevolge artikel 6 van de Woningwet dient bij een ontheffingsbepaling het niveau te zijn aangegeven waartoe ontheffing kan worden verleend. Dit betekent dat, wanneer ten aanzien van een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift geen ontheffingsniveau is bepaald, geen ontheffing kan worden verleend. Bij het kunnen geven van ontheffing c.q het moeten geven van ontheffing is onderscheid gemaakt tussen een niveau waaraan de bestaande bouw moet voldoen en een niveau dat hoger is dan dat van de bestaande bouw. Er kan zowel sprake zijn van een voorschrift dat verplicht tot ontheffingverlening, een voorschrift dat het verlenen van een ontheffing verbiedt, of een voorschrift dat aan de ontheffingsmogelijkheid nadere grenzen stelt. Welk niveau er precies geldt is aangeven bij de nieuwbouwvoorschriften. Daartoe is in de aansturingstabel een kolom “verbouw” opgenomen.

Omdat voor de bestaande bouw geen voorschriften zijn gegeven voor thermische isolatie en de geluidsisolatie, waarvan de reden in het algemeen deel van deze toelichting is gegeven, en het eisen van het nieuwbouwniveau bij een verbouwing als te zwaar wordt gezien, is een specifiek ontheffingsniveau gegeven.

Bij het gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of het vergroten van bepaalde gebouwen zijn in verband met het aanbrengen van Ke-isolatie blijkens het eerste lid burgemeester en wethouders verplicht ontheffing te verlenen tot het aangegeven niveau. Dit is het niveau waartoe het Rijk krachtens de Luchtvaartwet geluidwerende voorzieningen treft aan een bestaande woonfunctie, een bestaand woongebouw en aan een bestaande gezondheidszorgfunctie of een gedeelte daarvan, mede bestemd voor nachtverblijf van patiënten die door hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid permanent of tijdelijk aan bed gebonden zijn, zoals is ontleend aan de RGV'97.

Bij het aanbrengen van L Aeq-isolatie aan bestaande woonfuncties en gezondheidszorgfuncties, gelegen in een L Aeq-geluidszone rondom een luchtvaartterrein, verlenen blijkens het eerste lid burgemeester en wethouders evenzo ontheffing van het nieuwbouwniveau. Dit vloeit voort uit het feit dat de Luchtvaartwet voor de nieuwbouw een karakteristieke geluidwering voorschrijft voor een verblijfsgebied, zodanig dat het binnenniveau niet hoger is dan L Aeq 26 dB(A). De RGV'97 geeft een voorschrift voor de geluidwering van een verblijfsruimte, opdat een binnenniveau van L Aeq 26 dB(A) niet wordt overschreden. Tussen de karakteristieke geluidwering en de geluidwering bestaat gemiddeld een verschil van 2 dB(A). Tussen de karakteristieke geluidwering van een verblijfsgebied en die van een verblijfsruimte bestaat evenzo gemiddeld een verschil van 2 dB(A). Reden waarom een ontheffingsniveau is aangehouden van ten hoogste L Aeq 30 dB(A). Immers, voor een verblijfsruimte geldt op grond van artikel 3.1 in verbinding met artikel 3.3, vijfde lid, een waarde voor de karakteristieke geluidwering van ten minste L Aeq 28 dB(A), welke waarde in termen van geluidwering gelijk is aan L Aeq 30 dB(A).

Voor bepaalde aspecten is het evenwel, gelet op het belang van veiligheid en gezondheid, niet gewenst dat bij het verbouwen of renoveren ontheffing kan worden verleend van de nieuwbouwvoorschriften. Dit betreft in het bijzonder de aspecten die betrekking hebben op:

  • de aanwezigheid van verlichting en noodverlichting;
  • beweegbare constructie-onderdelen boven niet voor motorvoertuigen openstaande wegen en boven gemeenschappelijke verkeersruimten;
  • boven een standplaats beweegbare constructie-onderdelen van woonwagens;
  • onbrandbaarheid van de binnenzijde van schachten, kokers en kanalen;
  • brandveiligheid van kanalen voor de afvoer van rook;
  • niet brandgevaarlijk zijn van daken;
  • beperking van de bijdrage tot brandvoortplanting van delen van gevels;
  • weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van de uitwendige scheidingsconstructies van woonwagens
  • zelfsluitende deuren ter beperking van de verspreiding van rook en uitbreiding van brand;
  • aanwezigheid van brandslanghaspels in bepaalde gebruiksfuncties;
  • voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook;
  • beperking van de toepassing van schadelijke materialen, en
  • beperking van het kunnen binnendringen van vanuit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling.

Voorts is bepaald dat de gemeente bij het geheel vernieuwen geen ontheffing kan verlenen van de voorschriften met betrekking tot de toegankelijkheid, vrije doorgang, warmteweerstand, luchtdoorlatendheid en energieprestatiecoëfficiënt, zoals die voor nieuwbouw gelden. Bij het geheel vernieuwen zou evenmin, gelet op de Luchtvaartwet, ontheffing kunnen worden verleend van de voorschriften met betrekking tot de wering van geluid van buiten, veroorzaakt door vliegverkeer op binnenlandse luchtvaartterreinen.

Artikel 1.12.

Met dit artikel wordt voorkomen dat bij bouwwerkzaamheden aan een monument, de voorschriften van het Bouwbesluit onwenselijke effecten op het karakter van het monument zouden kunnen hebben. Als de voorschriften in een monumentenvergunning afwijken van de voorschriften terzake in het Bouwbesluit 2003, dan zijn de voorschriften van de monumentenvergunning op dat onderdeel bij uitsluiting van toepassing. Anders gezegd, de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 wijken voor die van de monumentenvergunning. Dat kan er wel toe leiden dat op grond van de gebruiksvoorschriften die op grond van artikel, tweede lid, onderdeel a, van de Woningwet zijn neergelegd in de gemeentelijke bouwverordening, er voor zo’n bouwwerk gebruiksbeperkingen gelden.

§ 1.6.Niet-permanente bouwwerken

Artikel 1.13.

In het eerste lid is bepaald aan welke voorschriften moet zijn voldaan bij het bouwen van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45 van de Woningwet. Hierbij kan worden gedacht aan een woonkeet, een wisselwoning, een noodwinkel en een noodlokaal. De aanvrager mag in beginsel zelf het niveau bepalen, zij het dat:

  • het niveau dat in het Bouwbesluit 2003 is gegeven voor bestaande gebruiksfuncties niet mag worden onderschreden;
  • voor bepaalde in dit lid door verwijzing naar de nieuwbouwvoorschriften aangeduide voorschriften het nieuwbouwniveau dat voor gebruiksfuncties geldt, ten minste moet worden gerealiseerd, en
  • voor bepaalde in dit lid door verwijzing naar de nieuwbouwvoorschriften aangeduide voorschriften het specifieke vrijstellingsniveau dat voor gebruiksfuncties is neergelegd niet mag worden onderschreden.

Daarbij kan de aanvrager zelf rekening houden met de beoogde duur van instandhouding van het tijdelijke bouwwerk. Deze regeling geldt ook indien het gaat om een verbouwing van een tijdelijk bouwwerk. Immers, verbouwen valt onder het in artikel 1 van de Woningwet omschreven begrip "bouwen".

Het tweede lid geeft aan dat een bestaand tijdelijk bouwwerk in elk geval moet voldoen aan de voorschriften voor bestaande bouwwerken.

In het derde lid is bepaald aan welke voorschriften moet zijn voldaan bij het verplaatsen van een niet-permanent bouwwerk. Voor die situatie gelden de voorschriften voor bestaande bouwwerken.

In het vierde lid is bepaald dat voor het verplaatsen van een woonwagen ten minste de voorschriften voor bestaande woonwagens in acht moeten zijn genomen. Het moet gaan om de voorschriften voor een woonfunctie van een woonwagen.

Hoofdstuk 2.Voorschriften uit het oogpunt van veiligheid

Afdeling 2.1.Algemene sterkte van de bouwconstructie

§ 2.1.1.Nieuwbouw

Artikel 2.1.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor sterkte van de bouwconstructie van nieuwbouw. Gedurende een referentieperiode als bedoeld in NEN 6700 en nader uitgewerkt in NEN 6702 met een in NEN 6700 aangegeven betrouwbaarheid (β) mag een uiterste grenstoestand niet worden overschreden. Een nadere uitwerking hiervan is opgenomen in TNO Bouw publicatie 2001-BKR-P010b van dr. ir. N.P.M. Scholten, ir. P.C. van Staalduinen en prof. Ir. A.C.W. Vrouwenvelder en is onderdeel van de PAO cursus “Ontwerpen van bouwconstructies op levensduur. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen fundamentele belastingscombinaties die op elk moment gedurende de levensduur kunnen optreden en bijzondere belastingscombinaties. Bijzondere belastingscombinaties zijn weer te onderscheiden in stootbelastingen op vloerafscheidingen en daken en extreme belastingen die op de hoofddraagconstructie kunnen aangrijpen en zouden kunnen leiden tot voortschrijdende instorting. Het verschil tussen fundamentele belastingscombinaties en bijzondere belastingscombinaties zit hem naast de frequentie van voorkomen van de belasting, in het toelaatbaar effect. Bij een bijzondere belastingscombinatie mag de bouwconstructie “beschadigen”, waarna eerst reparatie moet plaatsvinden alvorens het bouwwerk weer mag worden gebruikt. Dus wanneer als gevolg van een stootbelastingen enkele bouten van een verbinding bezwijken, maar de constructie nog “blijft hangen” is aan het voorschrift voldaan. Herstel zal moeten volgen voordat weer sprake is van een constructie die verantwoord kan worden gebruikt. Uiteraard moet bij het aantonen dat aan het voorschrift is voldaan, wel rekening worden gehouden met zogeheten tijdseffecten, zoals achteruitgang in materiaaleigenschappen door natuurlijke degradatie en aantasting door biologische agentia.

De basis voor de bepaling van de betrouwbaarheid van bouwconstructies is vastgelegd in NEN 6700. Dit normblad is in het Bouwbesluit 2003 niet langer erkend als het moedernormblad waarvan de andere constructieve normbladen in de NEN 6700-serie zijn afgeleid. Echter niet valt te ontkennen dat dit het geval is. Door in de andere normbladen van de NEN 6700-serie terug te verwijzen naar NEN 6700 is de positie van NEN 6700 op een indirecte wijze ten dele hersteld.

In deze functionele eis is ten dele een prestatie-eis vervat. Met de aanduiding ‘gedurende de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode voldoende’ is met betrekking tot constructieve veiligheid concreet gemaakt dat gedurende de in het normblad genoemde periode de constructie voor wat betreft sterkte en stabiliteit bestand zijn tegen de daarop werkende krachten. Het maakt concreet dat voor elke bouwconstructie, ongeacht het materiaal waaruit deze is samengesteld, een bepaalde referentieperiode geldt.

De verwijzing naar de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode is mede van belang bij een beroep op gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 1.5, bijvoorbeeld bij innovatieve bouwconstructies uit materialen als kunststof of glas, waarin de door het Bouwbesluit 2003 aangestuurde materiaalgebonden constructienormen (TGB’s) niet voorzien.

Een constructie is volgens NEN 6700 voldoende betrouwbaar indien wordt aangetoond dat deze gedurende de referentieperiode voldoende weerstand kan bieden aan alle belastingen die redelijkerwijs kunnen optreden, zonder dat de bruikbaarheid van die constructie wordt aangetast (de uiterste grenstoestand mag niet worden overschreden). Aan de hand van de in NEN 6700 opgenomen betrouwbaarheidsindex kan de kans worden bepaald dat een uiterste grenstoestand binnen de referentieperiode wordt overschreden. Deze bepaling is ook van belang voor de meer gangbare bouwconstructies vervaardigd van materialen waarvoor in artikel 2.4 naar een normblad is verwezen, terwijl in die normbladen evenmin een uitspraak wordt gedaan over de duurzame veiligheid.

Deze prestatie-eis zou echter beter als afzonderlijk lid van artikel 2.4 kunnen zijn voorgeschreven.

Het Bouwbesluit stelt niet langer eisen aan de bruikbaarheidsgrenstoestand van vloeren en aan de zakking en de rotatie van funderingen. Omdat echter zonder reactie uit de grond een bouwwerk in het geheel niet kan worden ontworpen, hebben de normcommissies met instemming van de wetgever er voor gekozen de eisen aan de zakking en de rotatie van een fundering te verwerken in de NEN 6700-serie en wel in NEN 6702. Op een indirecte wijze wordt het daarmee alsnog mogelijk om funderingsberekeningen te eisen op grond van het Bouwbesluit 2003.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt in beginsel aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het aspect duurzaamheid kennen de bepalingsmethoden, met uitzondering van NEN 6720 tot een referentieperiode van 50 jaren, geen in prestatie-eisen tot uitdrukking gebrachte (volledige) invulling. B&W zullen in voorkomende gevallen van de hun formeel niet toegekende beleidsruimte gebruik moeten maken om te waarborgen dat bouwconstructie ook werkelijk duurzaam veilig zijn. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.2 bepaalt welke combinaties van belastingen een bouwconstructie moet kunnen weerstaan zonder te bezwijken (belastingscombinaties bouwconstructie);
2.artikel 2.3 regelt welke belastingscombinaties een hoofddraagconstructie bovendien moet kunnen weerstaan zonder te bezwijken (belastingscombinaties hoofddraagconstructie), en
3.artikel 2.4 geeft aan welke bepalingsmethoden (normbladen) moeten worden toegepast bij de toetsing of een bouwconstructie voldoet aan de eisen van de artikelen 2.2 en 2.3.

Constructieve veiligheid is een eigenschap van een bouwwerk en niet zozeer van een gebruiksfunctie binnen een bouwwerk. De gekozen systematiek van het Bouwbesluit 2003 om eisen te koppelen aan gebruiksfuncties, maakt het niet mogelijk de eisen te presenteren als geldend voor een bouwwerk. Consequentie daarvan is dat veel bouwconstructies moeten worden gezien als zijnde gemeenschappelijk als bedoeld in artikel 1.2 van het besluit. Wanneer de normbladen op deze wijze zouden worden geformuleerd, zouden ze voor de praktische toepassing nagenoeg onbruikbaar worden. Dit is de reden waarom de normcommissies voor een pragmatische benadering hebben gekozen. De normbladen beoordelen het bouwwerk als geheel en spreken niet, behoudens als het gaat om op de bouwconstructie aangrijpende belastingen, over gebruiksfuncties. De normbladen sluiten daarom niet aan bij de systematiek van het Bouwbesluit 2003. Echter, toepassing van de normbladen leidt wat betreft het aspect veiligheid van de bouwconstructie wel tot hetgeen de wetgever heeft bedoeld met het Bouwbesluit 2003.

Artikel 2.2.

Het doel van dit artikel is te waarborgen dat een bouwconstructie duurzaam bestand is tegen de krachten die daarop werken. In het eerste lid is geëist dat een bouwconstructie niet mag bezwijken als gevolg van fundamentele belastingscombinaties. Van bezwijken is sprake, indien een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie is overschreden. Een dergelijke situatie treedt onder meer op als de constructie onder invloed van op die constructie werkende krachten niet meer in evenwicht is. Met andere woorden: als de stabiliteit van een bouwwerk niet meer is verzekerd. Van het bezwijken van een bouwconstructie is eveneens sprake wanneer in een onderdeel van die constructie of in de verbinding tussen onderdelen van die constructie onder invloed van op eerstbedoeld onderdeel werkende krachten bijvoorbeeld breuk optreedt. De voorschriften zijn bedoeld om te voorkomen dat een bouwwerk bezwijkt als gevolg van een combinatie van bepaalde gelijktijdig optredende permanente en veranderlijke belastingen. Permanente belastingen zijn bijvoorbeeld het eigen gewicht van de constructie. Veranderlijke belastingen zijn bijvoorbeeld belastingen door meubilair, machines en personen. Bij het berekenen van deze op de bouwconstructie werkzame krachten moet worden uitgegaan van NEN 6702. Het in rekening laten brengen van andere belastingsgevallen dan die van NEN 6702, is hiermee uitgesloten. Niet alle belastingsgevallen van NEN 6702 kunnen op basis van dit normblad objectief worden vastgesteld. In die gevallen zal NEN 6700 moeten worden toegepast. Gelet op de aard van de belastingen die in het eerste lid worden genoemd, mogen enkel de belastingen die in NEN 6702 zijn benoemd, op die wijze worden bepaald.Het tweede lid regelt dat, in aanvulling op het eerste lid, bij daken en vloerafscheidingen ook rekening moet worden gehouden met stootbelastingen (vallende personen of voorwerpen). Bij de bepaling of een bouwconstructie hieraan voldoet wordt doorgaans gebruik gemaakt van zogenoemde .een lederen zak met glaskogeltjes. In TNO-Bouw rapport B-92-1143 is een beschrijving van een dergelijke proef gegeven, die ook voor typegoedkeuring kan worden gebruikt in samenhang met de toepassing van NEN 6700.

Het derde lid is een gevolg van de systematiek die voortvloeit uit het begrip gebruiksfunctie. Delen van een gebruiksfunctie kunnen worden “uitgeplaatst”. Zie de toelichting bij de begripsomschrijving gebruiksfunctie uit artikel 1.1. Daarmee kunnen deze delen zijn gelegen in een deel van het bouwwerk waar uit de aard van de functie van dat deel lagere betrouwbaarheidseisen gelden. Om te voorkomen dat als gevolg van het feit dat de uitgeplaatste onderdelen dat deel alsnog aan onnodig hoge eisen moet worden onderworpen is het derde lid opgenomen. Dit lid stelt dat voor de bouwconstructie van enkele ruimten en opstelplaatsen de fundamentele belastingscombinaties lagere veiligheidseisen gelden. Het niveau van de voor dit soort “uitgeplaatste” ruimten en opstelplaatsen geldende eisen en de daarbij behorende bepalingsmethoden zullen echter moeten leiden tot een vergelijkbaar veiligheidsniveau als is neergelegd in NEN 3859 voor tuinbouwkassen.

Aangezien de toetsing of aan de in het eerste lid gestelde eis inzake de sterkte van de fundering voor een woonwagen is voldaan, moet kunnen geschieden onafhankelijk van de krachten die vanuit de op de standplaats te plaatsen woonwagen op die fundering aangrijpen, zijn, in aanvulling op het eerste lid, in de onderdelen a en b van het vierde lid nominale rekenwaarden gegeven die in rekening moeten worden gebracht om de sterkte van de fundering te bepalen. Deze krachten zijn afgeleid van de in NEN 6702 gegeven voorschriften met betrekking tot op de woonwagen aangrijpende krachten en van gegevens omtrent de permanente belasting van woonwagens die gangbaar waren tot 1992. Het tweede deel van onderdeel a stelt ten opzichte van het eerste deel een zwaardere eis ten aanzien van standplaatsen die op in NEN 6702 aangeduide locaties in de kop van de provincie Noord-Holland of op de Waddeneilanden zijn gelegen. Dit, omdat op die standplaatsen geplaatste woonwagens onderhevig kunnen zijn aan een grotere windbelasting dan in de rest van het land.

Het vijfde en het zesde lid bieden voor enkele gebruiksfuncties de mogelijkheid van lagere belastingen uit te gaan. Het niveau van de voor dit soort gebouwen geldende eisen en de daarbij behorende bepalingsmethoden zullen echter ten minste moeten leiden tot een vergelijkbaar veiligheidsniveau als is neergelegd in NEN 3859 voor tuinbouwkassen. Het betreft hier lichte industriefuncties zoals kassen en veestallen, en overige gebruiksfuncties, zoals telefooncellen, buitenbergruimten en kleine garages. Het is uiteindelijk aan de aanvrager van de bouwvergunning of hij, rekening houdend met het beoogde gebruik van het gebouw, van deze geboden mogelijkheid gebruik maakt.

Artikel 2.3.

Het eerste lid van dit artikel regelt dat hoofddraagconstructies bij bepaalde calamiteiten hun dragende functie zodanig moeten kunnen behouden dat voortschrijdende instorting van het bouwwerk niet op kan treden, zij het dat na die calamiteit herstel van het bouwwerk mag plaatsvinden alvorens het weer mag worden gebruiktHet gaat hierbij om belastingen met een zeer kleine kans op voorkomen waarvan het effect echter niet zodanig mag zijn dat van een totale instorting van het bouwwerk sprake is.

In het tweede lid is een voorschrift gegeven voor het geval de standzekerheid van een bouwwerk (stabiliteit) mede is ontleend aan een naburig bouwwerk. Voor een niet in een woongebouw gelegen woning behoeft slechts een deel van de windbelasting door die woning zelf te worden opgenomen, indien de aangrenzende woningen de rest van de windbelasting naar de fundering afvoeren. Dit voorschrift is ook van toepassing op niet in een logiesgebouw gelegen logieseenheden. Om die reden moet er rekening mee worden dat het wegvallen van een aangrenzende woning of een aangrenzende logieseenheid niet onmiddellijk leidt tot het instorten van de te beschouwen woning of logieseenheid. Op grond van dit voorschrift moet de woning en de logieseenheid ten minste 20% van de extreme windbelasting kunnen opnemen. Het wegvallen van een naburig bouwwerk leidt er dan toe dat de rest van de woningen blijft staan en kan worden gestut, zodat verder gebruik daarvan mogelijk is zonder dat de geheel rij woningen of logieseenheden als verloren moet worden beschouwd.

Strikt genomen mag een woning of logieseenheid zijn stabiliteit niet mede ontlenen aan een aangebouwde garage of buitenberging. Dat is echter niet de bedoeling. De woning met aangebouwde garage moet voor de standzekerheid als één geheel worden gezien.

Uit het feit dat niet is aangegeven dat rekening moet zijn gehouden met het bijzondere belastingsgeval, veroorzaakt door het wegvallen van een belendend gebouw, in welk belastingsgeval NEN 6702 wel voorziet, voor andere bouwwerken, moet worden afgeleid dat elk ander niet tot bewoning bestemd gebouw en elke bouwwerk, geen gebouw zijnde, geheel op zichzelf moet staan. De stabiliteit van een gebouw mag niet zijn ontleend aan een op een ander perceel gelegen gebouw. In beginsel moet elke bouwwerk of samenstel van bouwwerken, gelegen op één perceel, op zichzelf stabiel zijn.

Artikel 2.4.

Dit artikel bevat bepalingsmethoden waarmee kan worden nagegaan of een bouwwerk (de tekst praat feitelijk over gebruiksfuncties) voldoet aan de eisen van het artikel 2.1 of 2.2.

Het eerste lid geeft aan op welke wijze het overschrijden van de uiterste grenstoestand van materialen, waarvan alle eigenschappen bekend zijn, kan worden beoordeeld.

Naast de geometrie van een bouwconstructie zijn de materiaaleigenschappen bepalend voor de respons die in een bouwconstructie optreedt. Voor de gangbare materialen zijn deze eigenschappen bekend en vastgelegd in de in het onderhavige lid genoemde normbladen. In die normbladen is, afhankelijk van het te beschouwen materiaal en de aard van de te beschouwen bouwconstructie, beschreven hoe de op een bouwconstructie aangrijpende krachten als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2, daarin doorwerken in termen van momenten, normaal- en dwarskrachten respectievelijk spanningen. Deze doorwerking, die mede afhankelijk is van de stijfheid van de bouwconstructie, wordt respons genoemd. Voorts zijn in deze normbladen rekenregels gegeven waarmee kan worden bepaald welke maximale momenten, normaal- of dwarskrachten of combinaties daarvan in de bouwconstructie kunnen worden opgenomen. Met deze rekenregels wordt de zogenoemde capaciteit van een bouwconstructie bepaald. Wanneer de aldus bepaalde respons groter is dan de capaciteit, is er sprake van het overschrijden van een uiterste grenstoestand.

In het tweede lid is geregeld dat, indien volgens het derde,vijfde of zesde lid van artikel 2.2 toepassing is gegeven aan NEN 3859, eveneens van de in dit normblad aangegeven bepalingsmethoden gebruik mag worden gemaakt. NEN 3859 verwijst voor andere situaties dan tuinbouwkassen daarvoor door naar de reguliere TB-serie normbladen.

In het derde en vierde lid is geregeld wanneer bij het bepalen van het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie tegen windbelasting als bedoeld in artikel 2.2 op de aanwezigheid van een bouwconstructie op een ander perceel mag worden gerekend.

Indien een materiaal is toegepast waarvoor in het vierde lid geen bepalingsmethode is gegeven, moet op grond van het vijfde lid een bepalingsmethode zijn gehanteerd die, evenals de in het eerste tot en met vierde lid genoemde normen, voldoet aan de uitgangspunten van NEN 6700. Voorts kan op grond van dit lid, met voorbijgaan aan de in het eerste tot en met vierde lid gegeven voorschriften, een zeer geavanceerde berekeningsmethode op basis van bijvoorbeeld een volledig probabilistische beschouwing worden toegepast om na te gaan of een uiterste grenstoestand is overschreden. In dat geval zal die berekeningsmethode eveneens moeten voldoen aan de uitgangspunten van NEN 6700.

§ 2.1.2.Bestaande bouw

Artikel 2.5.

Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, geeft paragraaf 2.1 de technische voorschriften in termen van prestatie-eisen met betrekking tot de sterkte van een bouwconstructie. De in die artikelen neergelegde prestatie-eisen zijn gebaseerd op een veiligheidsfilosofie die internationaal is aanvaard. Deze veiligheidsfilosofie is voor de bepaling van de sterkte van een nieuw te bouwen bouwconstructie neergelegd in het basisnormblad, NEN 6700. De hiervoor bedoelde prestatie-eisen zijn gerelateerd aan NEN-normbladen die zijn afgeleid van dit basisnormblad.

De veiligheidsfilosofie die voor de nieuwbouw wordt gehanteerd, is, zo blijkt uit het TNO Bouw-rapport B-91-832, welk rapport in 2004 is geactualiseerd via rapport 2004-CI-R0159, in principe ook bruikbaar voor de beoordeling van een bestaande bouwconstructie. In het TNO Bouw-rapport zijn de achtergronden beschreven voor het hanteren van bedoelde veiligheidsfilosofie bij de beoordeling van de staat van een bestaande bouwconstructie. In deze paragraaf 2.1.2 is dan ook voor de bestaande bouw verwezen naar de voor de nieuwbouw geldende NEN-normbladen. Die verwijzing is echter minder vergaand. Reden hiervoor is dat de normbladen, waar voor de nieuwbouw naar is verwezen, niet zijn toegesneden op de beoordeling van de bestaande bouw. Daarom zijn in de Regeling Bouwbesluit 2003 nadere voorschriften gegeven voor het gebruik van de normbladen in relatie tot de constructieve veiligheid voor bestaande bouwwerken. Op onderdelen wijken deze voorschriften af van die voor de nieuwbouw. De voornaamste reden voor deze afwijking is dat het bij de bepaling van de sterkte van een bestaand bouwwerk of onderdelen daarvan niet gaat om de vraag of dat bouwwerk of dat onderdeel gedurende (het restant van) de fictieve levensduur voldoende veilig is, maar om de vraag of dat bestaande bouwwerk of dat onderdeel op het moment van de bepaling van de sterkte voldoende veilig is. Daarvan is sprake als er geen direct gevaar bestaat voor het bezwijken van het bouwwerk of een onderdeel daarvan. In de voorgeschreven berekeningsmethoden is onder andere aangegeven dat rekening moet zijn gehouden met de feitelijke aanwezige geometrie van de bouwconstructie en de feitelijke materiaaleigenschappen. Zo zal bijvoorbeeld, wanneer een balk door roestvorming gedeeltelijk is aangetast, slechts dat deel van de doorsnede van de balk in rekening moeten worden gebracht dat niet door roest is aangetast.

Omdat de in NEN 6700 opgenomen termijnen, als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, voor bestaande bouw niet passend zijn, is in de Regeling Bouwbesluit 2003 voor de toepassing van NEN 6700 voor bestaande bouw een nader voorschrift gegeven, waarmee voor een bestaand bouwwerk in principe een referentieperiode van 1 jaar geldt, doch voor de belastingen voor een bouwwerk van veiligheidsklasse 2 en 3 moet zijn uitgegaan van een referentieperiode van 15 jaar.

Artikel 2.6.

In het eerste lid zijn de fundamentele belastingscombinaties geregeld die in rekening moeten zijn gebracht bij de beoordeling of de sterkte van een bestaande bouwconstructie voldoende is. De krachten die aangrijpen op de bouwconstructie van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, worden gevormd door een combinatie van gelijktijdig aanwezig zijnde permanente en gelijktijdig optredende veranderlijke belastingen. Tot de permanente belastingen wordt onder meer gerekend het eigen gewicht van de constructie of het constructie-onderdeel. Tot de veranderlijke belastingen worden bijvoorbeeld gerekend de belastingen door personen, meubilair en aankleding.

In afwijking van de nieuwbouw is voor de beoordeling van de sterkte van een bestaande bouwconstructie uitgegaan van een referentieperiode van 1 jaar op het moment van beoordeling. Het gaat namelijk niet om de bepaling van de duurzame veiligheid, maar van de veiligheid op enig moment.

In verband met de omstandigheid dat de in het eerste volzin gegeven voorschriften voor bepaalde belastingen geen kwantificering geven, is in de tweede volzin bepaald dat voor die belastingen de grootte moet zijn bepaald volgens het basisnormblad: NEN 6700. In dit basisnormblad zijn op basis van de waarschijnlijkheidsleer voorschriften gegeven waaraan alle bouwconstructies moeten voldoen, ongeacht het materiaal waarvan zij zijn gemaakt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een belasting ten gevolge van stortgoederen in silo's en aan dynamische belastingen.

Als een constructie bestand is tegen de fundamentele belastingscombinaties mag worden aangenomen dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is om geen extra eisen te behoeven stellen voor bijzondere belastingscombinaties, behoudens die voor het bijzondere belastingsgeval brand.

Niet alle bestaande bouwconstructies zijn bestand tegen de voor nieuwbouw voorgeschreven bijzondere belastingscombinaties. Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwconstructies aan die bijzondere belastingscombinaties zou leiden tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau.

De toelichting op artikel 2.2 is voorts van overeenkomstige toepassing op dit artikel. Wel moeten de nadere voorschriften omtrent de toepassing van de normbladen voor bestaande bouw uit de Regeling Bouwbesluit 2003 worden toegepast.

Artikel 2.7.

De toelichting op artikel 2.3 is van overeenkomstige toepassing op dit artikel. Wel moeten de nadere voorschriften omtrent de toepassing van de normbladen voor bestaande bouw uit de Regeling Bouwbesluit 2003 worden toegepast.

Afdeling 2.2.Sterkte bij brand

§ 2.2.1.Nieuwbouw

Artikel 2.8.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van nieuwbouw. De beschreven doelen zijn echter niet compleet, zoals blijkt uit het proefschrift “Juridische en technische grondslagen van de bouwregelgeving – Woningwet en Bouwbesluit” van ir. N.P.M. Scholten, verdedigd op 7 mei 2001 aan de Technische Universiteit te Delft. Ook het gevaar voor passanten en voor brandweerpersoneel alsmede het maatschappelijk niet aanvaardbaar zijn dat grote of hoge bouwwerken kort na het uitbreken van een brand geheel bezwijken is tot dusverre de achtergrond van het gegeven voorschrift geweest.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.9 bevat eisen inzake de tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van bouwconstructies (tijdsduur bezwijken),
2.artikel 2.10 geeft aan welke bepalingsmethoden (normbladen) kunnen worden toegepast bij de bepaling van de in het eerste lid genoemde tijdsduur.

Voor enkele (sub)gebruiksfuncties wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Omdat er geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis van het eerste lid is voldaan. Gelet op de geschiedenis van de voorschriften van het Bouwbesluit ligt het echter niet voor de hand dat voor die (sub)gebruiksfuncties voorschriften worden gegeven.

Artikel 2.9.

Vloeren, trappen en hellingbanen waarover een rookvrije vluchtroute voert moeten blijkens het eerste lid bij brand gedurende langere tijd in stand blijven, zodat daarover nog kan worden gevlucht. Hiermee wordt gewaarborgd dat de gebruikers van het bouwwerk voldoende gelegenheid hebben zich na het uitbreken van brand tijdig naar buiten te begeven. Ook krijgt hierdoor de brandweer tijd om het bouwwerk te doorzoeken op eventueel daarin achtergebleven personen. Het gaat hierbij om bouwconstructies die er voor zorgen dat vloeren, trappen of hellingbanen op hun plaats blijven en nog kunnen worden belopen. Het gaat niet om wanden of plafonds die op een vloer, trap of hellingbaan kan vallen. De basis is dat er twee vluchtmogelijkheden beschikbaar zijn, zodat er praktisch gezien altijd ten minste één route beschikbaar is waarover kan worden gevlucht, zodat het niet nodig is om belemmeringen van routes die direct door een brand worden bedreigd te reguleren.

Voor situaties waarbij gebruikers van het gebouw niet naar het aansluitende kunnen of mogen vluchten en om die reden een veilige plaats binnen het gebouw is voorschreven, zal de brandweer 60 minuten de tijd moeten hebben om haar binnenaanval succesvol te kunnen uitvoeren. Dat zou tot extra eisen aan trappen, vloeren en hellingbanen moeten leiden.

Niet langer gelden er eisen voor de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van een gewone vloer of een trap, die zich bevindt binnen een rookcompartiment, zoals bijvoorbeeld een woning. Die eisen gingen uit van een volledig ontwikkelde brand. Voor een vloer of een trap, waarvan gebruik moet kunnen worden gemaakt om binnen een rookcompartiment het gebouw te verlaten of te doorzoeken, waren die eisen te streng. Bij een volledig ontwikkelde brand is een vloer of een trap namelijk niet meer als zodanig te gebruiken. Met het laten vervallen van die eisen ontstaat geen onveiliger situatie dan zonder die eisen.

In het tweede lid zijn bijzondere eisen gesteld aan de hoofddraagconstructie van een woonfunctie (ook in woongebouwen). De zwaarte van deze eisen is gekoppeld aan de hoogte van vloeren van de woonfunctie. Deze voorschriften zijn strenger dan tot dusverre volgens het Bouwbesluit hebben gegolden. De voorschriften zijn in lijn gebracht met die van de utiliteitsbouw, zij het dat in plaats van een hoogte van 5 m een hoogte van 7 m bepalend is voor de zwaarte van de grenswaarde. Deze maat van 7 m is gekozen om een gewone eengezinswoning aan geen zwaardere eisen bloot te stellen dan 60 minuten.

De eis die krachtens het tweede lid zou gelden, wordt op grond van het derde lid met 30 minuten verminderd, indien de woonfunctie of het woongebouw waarin die woonfunctie ligt is vervaardigd van materialen die niet of nauwelijks kunnen branden, zoals bijvoorbeeld baksteen. De grenswaarde van 500 MJ/m2 is ontleend aan het rapport van TNO Bouw “Bouwbesluit; permanente vuurbelasting”, nr 94-BKR-R1448. Voor een definitie van het begrip hoofddraagconstructie wordt verwezen naar NEN 6702.

Het vierde lid bevat een bijzondere eis voor de hoofddraagconstructie van utiliteitsgebouwen waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 meter boven het meetniveau. Tot die hoogte gelden er geen brandwerendheidseisen voor die gebouwen.

Ook het vijfde lid geeft speciale eisen, maar dan voor bijeenkomstfuncties voor kinderopvang jonger dan 4 jaar en voor 24-uurs opvang, gezondheidszorgfuncties voor aan bed gebonden patiënten, celfuncties bestemd voor dag- en nachtverblijf en voor logiesfuncties met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m2, of die liggen in een logiesgebouw. Dit oppervlaktecriterium betekent, dat gangbare recreatiewoningen, trekkershutten, volkstuinhuisjes en daarmee vergelijkbare bouwwerken met een logiesfunctie niet onder dit vijfde lid vallen, zodat er geen brandwerendheidseisen voor gelden. Ook het hoogtecriterium geldt niet voor die logiesfuncties. Net als in het tweede lid is de zwaarte van de eisen gekoppeld aan de hoogte van vloeren van het gebouw. Wat betreft gebouwen waarin de vloeren van verblijfsgebieden hoger liggen dan 5 m, geldt dezelfde eis als die het vierde lid aan andere utiliteitsgebouwen stelt. Het achtste lid (oud) van artikel 174 van het Bouwbesluit is niet langer gegeven, ook niet in termen van prestatie-eisen. Op grond van de wbdbo-eisen moet worden vastgesteld dat een lagere grenswaarde dan 60 minuten niet toelaatbaar is als dat er toe leidt dat de brandcompartimentering niet meer gedurende die tijd functioneert.

Het zesde lid bevat voor alle utiliteitsfuncties, ongeacht over er wordt overnacht of niet, een soortgelijke reductie van de eisen als in het derde lid voor woonfuncties is geregeld. Het gaat hier om gebouwen waarvan de permanente vuurbelasting van alle constructie-onderdelen tezamen niet of nauwelijks een bijdrage levert aan brand. Praktisch betekent dit dat de verminderde eis geldt voor gebouwen van steenachtig materiaal. Deze reductiemogelijkheid geldt ook voor die gebruiksfuncties waar het vierde lid van toepassing is.

Het zevende lid heeft betrekking op bouwwerken die geen gebouwen zijn. De aard hiervan loopt sterk uiteen, van bruggen tot tribunes en van zendmasten tot verdeelkasten voor de kabeltelevisie. De met het oog op het doel van het voorschrift zal de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken dan ook per soort bouwwerk sterk verschillen. Om die reden is volstaan met een functionele eis, die burgemeester en wethouders voor het individuele geval kunnen kwantificeren. Het is duidelijk dat in dit kader de bouwwerken die zijn bestemd voor het publiek, zoals bijvoorbeeld tribunes, of voor het kunnen uitvoeren van blusactiviteiten, zoals bijvoorbeeld steigers bij drijvende woningen, de meeste aandacht behoeven.

Artikel 2.10.

In dit artikel is voor de bepaling van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken verwezen naar de algemeen geldende beproevingsmethode, vastgelegd in NEN 6069 die is afgeleid van ISO 834 en afgestemd op de harmonisatie-eisen die voortvloeien uit de richtlijn bouwproducten. Daarnaast is naar drie normbladen verwezen die voor een bouwconstructie, bestaande uit materiaal waarvan de brandeigenschappen bekend zijn, berekeningsmethoden geven.

In afwijking van andere bepalingsmethoden waar het Bouwbesluit 2003 naar verwijst is er bij brandwerendheid sprake van prototype-beproeving. In de praktijk zal moeten worden bezien of het onderdeel dat wordt toegepast overeenkomt met het prototype dat is beproefd.

§ 2.2.2.Bestaande bouw

Artikel 2.11.

In artikel 2.11 wordt gesproken van ‘enige tijd’, dit is een kortere periode dan de ‘redelijke tijd’ van artikel 2.8. Dit heeft te maken met het principe van verworven rechten dat nader is uitgelegd in het algemeen gedeelte van deze toelichting.

Artikel 2.12.

De in dit artikel aangegeven tijdsduur van brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van de bouwconstructie of hoofddraagconstructie is ten opzichte van de vergelijkbare voorschriften voor nieuwbouw lager gesteld. Redenen hiervoor zijn dat in het verleden geen of lagere eisen zijn gesteld en er in het algemeen een natuurlijke terugloop van de bouwconstructie of hoofddraagconstructie ten aanzien van de brandwerendheid op bezwijken optreedt zonder dat dit automatisch leidt tot een onaanvaardbaar veiligheidsniveau. Bij de toepassing van NEN 6702 moet rekening worden gehouden met de nadere voorschriften die voor dit normblad in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn opgenomen waarmee dit normblad kan worden toegepast voor de beoordeling van bestaande bouwconstructies.

De toelichting op artikel 2.9 is verder van overeenkomstige toepassing op dit artikel.

Artikel 2.13.

In dit artikel is voor de bepaling van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken verwezen naar de algemeen geldende beproevingsmethode, vastgelegd in NEN 6069, zij het dat wel toepassing moet worden gegeven aan de nadere voorschriften die voor de toepassing van dit normblad voor de beoordeling van de bestaande bouw is opgenomen in de Regeling Bouwbesluit 2003. Niet is verwezen naar de normbladen NEN 6071 tot en met NEN 6073 omdat voor een bestaande bouwconstructie de materiaaleigenschappen niet bekend zijn, zodat aan deze rekenmethoden geen toepassing kan worden gegeven.

Afdeling 2.3.Vloerafscheiding

§ 2.3.1.Nieuwbouw

Artikel 2.14.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor vloerafscheidingen voor te bouwen bouwwerken.

De aanpassing van artikel 175, eerste lid, (oud) van het Bouwbesluit biedt de mogelijkheid balustraden voor bepaalde gebruiksfuncties (bijeenkomstfunctie en sportfuncties) minder hoog uit te voeren. In dat geval zal de balustrade aan de bovenzijde breder moeten zijn uitgevoerd. Deze lagere balustraden en borstweringen zijn in het bijzonder van belang om te voorkomen dat de zichtlijn door de balustrade te zeer wordt gehinderd, zoals het geval kan zijn in bijeenkomst- en sportgebouwen voor respectievelijk het zicht op het toneel of de sportvloer. Het feit dat in Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618 en Bouwbesluit, afstemming fase 1 op fase 2, Stb. 1998, 619, deze lagere balustrade ook voor andere gebouwfuncties was toegestaan dan thans in het Bouwbesluit 2003 is toegestaan, moet als aanwijzing worden gezien dat het niet de bedoeling is met toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel deze lagere balustrade alsnog toe te staan.

In bepaalde situaties is de aanwezigheid van een afscheiding bij een vloer ongewenst. Reden waarom het aantal situaties waarbij geen afscheiding is vereist, ten opzichte van het Bouwbesluit zoals dat tot 1 januari 2003 heeft geluid, is uitgebreid. Verder is het niveauverschil waar beneden nog geen afscheiding is vereist, verhoogd. Uit onderzoek rond de uitwerking van de gebouwen waarvoor in dit besluit voorschriften zijn gegeven, is gebleken dat in de praktijk niveauverschillen van één meter voorkomen zonder dat sprake is van een gebruiksonveilige situatie.

De andere uitwerking van de eisen met betrekking tot openingen en opstapmogelijkheden hangen samen met de in het algemeen deel van deze toelichting beschreven, andere uitwerking van de toegankelijkheid van niet tot bewoning bestemde gebouwen. Immers, een toegankelijkheidssector is niet langer mede bestemd voor bezoekers. Voortaan zal het deel van het bouwwerk dat mede is bestemd voor bezoekers afzonderlijk bij de bouwaanvraag kenbaar moeten worden gemaakt.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.15 regelt in welke situaties een vloer moet zijn voorzien van een afscheiding aan de rand en in welke niet (aanwezigheid);
2.artikel 2.16 bepaalt wat voor hoogte een vloerafscheiding minimaal moet hebben (hoogte); Er vindt ook een aansturing plaats van artikel 2.16, vijfde lid, doch dit lid is niet in werking getreden.
3.artikel 2.17 bevat eisen betreffende de maximale grootte van openingen in en bij een vloerafscheiding (openingen), en
4.artikel 2.18 verbiedt het voorkomen van opstapmogelijkheden in een bepaalde hoogtezone van een vloerafscheiding (opstapmogelijkheden).

Voor de sub-gebruiksfunctie ‘woonfunctie gelegen in een woonwagen’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis yp deze gebruiksfunctie niet van toepassing is.

Artikel 2.15.

Dit artikel regelt de noodzakelijke aanwezigheid van een vloerafscheiding Als de valhoogte minder is dan 1 m, wordt het risico beperkt geacht. Onder vloeren worden ook vloeren verstaan van bijvoorbeeld balkons, bordessen, galerijen en dakterrassen. De voorgeschreven vloerafscheiding kan een hekwerk zijn, maar even goed denkbaar zijn vormen als een bouwkundige plantenbak of muurtje langs een trapgat of een doorlopende gevel langs een dakterras. Er wordt een ‘niet beweegbare afscheiding’ geëist. Er is daarmee duidelijk voorgeschreven dat in een vloerafscheiding tot de voorgeschreven hoogte in beginsel geen beweegbare delen mogen zitten. Dat betekent dat een deur of laag raam in de gevelopening die regelmatig wordt gebruikt alleen is toegelaten als voor die deur of dat raam een niet-beweegbaar hekwerk van de voorgeschreven hoogte is aangebracht (bijvoorbeeld bij een Frans balkon). Constructies waarbij bijvoorbeeld het raam met behulp van speciaal gereedschap in zijn geheel uit de sponningen kan worden gelicht, ten behoeve van verhuizing, of beweegbare constructie-onderdelen die slechts incidenteel worden gebruikt, kunnen als ‘niet beweegbaar’ worden aangemerkt en nog gewoon worden toegepast.

Het tweede en het derde lid beschrijven een aantal situaties waaronder een vloerafscheiding niet is vereist. Van een vloerafscheiding is pas sprake als deze ook in staat is te voldoen aan de sterkte-eisen van paragraaf 2.1.1. Dit betekent dat de uiterste grenstoestand van de afscheiding niet mag zijn overschreden bij:

1.de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in onderdeel 6.2.1 van NEN 6702 in verbinding met onderdeel 8.2.6 van dat normblad. De in dit onderdeel bedoelde lijnbelasting grijpt bij een afscheiding aan ter plaatse van de in het Bouwbesluit 2003 voorgeschreven hoogte. De eveneens in dit onderdeel bedoelde geconcentreerde belasting grijpt aan op elke plaats dat is aangemerkt als afscheiding, en
2.de bijzondere belastingscombinaties, bedoeld in onderdeel 6.2.2 van NEN 6702 in verbinding met onderdeel 9.6 van dat normblad. De in dit onderdeel bedoelde stootbelasting grijpt bij een afscheiding aan op elke plaats dat is aangemerkt als afscheiding, vanaf de vloer de voorgeschreven hoogte boven de vloer.

Artikel 2.16.

De algemene eis voor de minimale hoogte van een vereiste vloerafscheiding bedraagt krachtens het eerste lid 1 m. Voor cellen een zwaardere eis van minimaal 1,2 m.

Aangezien een vrije val van grote hoogte ernstige gevolgen kan hebben, bepaalt het tweede lid dat de afscheiding, bijvoorbeeld de balustrade van de vloer van een galerij, indien die vloer hoger is gelegen dan 13 m boven het aansluitende terrein of water, hoger moet zijn dan de algemene, ingevolge het eerste lid geldende eis. Dit voorschrift is mede gegeven omdat bij dergelijke hoogteverschillen om psychologische redenen, vooral bij mensen met hoogtevrees, behoefte blijkt te bestaan aan een hogere afscheiding.

Het derde lid bevat in afwijking van de voorgaande leden een lagere minimum eis voor afscheidingen (borstweringen) ter plaatse van een raam. De reden hiervan is dat een raam zelf al een zekere bescherming biedt tegen vallen. Verder zal de bovenzijde van een dergelijke borstwering veelal zijn uitgevoerd als vensterbank die ook een belemmering vormt tegen het naar buiten kunnen vallen. Het raam mag kunnen worden geopend. Wel moet bij het raam in geopende stand zijn voorzien in een vloerafscheiding van de vereiste hoogte en sterkte waarvan de openingen voldoen aan artikel 2.17 en de opstapmogelijkheden aan die van artikel 2.18.

Op grond van het vierde lid mag met een hoogte van 70 cm worden volstaan, indien de hoogte en de breedte van de afscheiding samen ten minste 110 cm zijn. Dit betekent dat de afscheiding in dit geval een breedte van 40 cm moet hebben. De minimale som van 110 cm voor breedte en hoogte geeft voldoende waarborg dat iemand die tegen de afscheiding valt niet daaroverheen slaat. Dit biedt de mogelijkheid bij bijvoorbeeld theaters en sporthallen voldoende uitzicht te behouden. Bij deze gebruiksfuncties is een zo weinig mogelijk belemmerd uitzicht voor toeschouwers van groot belang.

In Stb. 2005,1 is het derde lid gewijzigd en is een nieuw vijfde lid toegevoegd, doch deze wijzigingen zijn niet in werking getreden.

Artikel 2.17.

Een vloerafscheiding mag volgens het eerste lid zijwaarts op enige afstand van de rand van de vloer zijn geplaatst. De opening tussen de rand van de vloer en de afscheiding is aan voorschriften gebonden om het risico dat mensen door zo’n opening vallen of erin bekneld raken te voorkomen.

Het tweede tot en met het vierde lid hebben betrekking op openingen in de afscheiding zelf. Voor een woonfunctie, een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar (dit had ook betrekking moeten hebben op 24-uurs opvang),een gedeelte van een utiliteitsgebouw, dat is bestemd voor bezoekers, geldt een specifieke eis voor de zone van de afscheiding tussen 20 en 70 cm hoogte boven de vloer. Een opening in die zone mag volgens het tweede en het vierde lid niet breder zijn dan 10 cm.

Verder mogen voor alle gebruiksfuncties openingen niet groter zijn dan 50 cm. Uitzondering daarop is een celfunctie (30 cm).

Dit is ten opzichte van de eisen van het tweede en het vierde lid een aanvulling voor de zones van de afscheiding boven de 70 cm. Voor gedeelten van utiliteitsgebouwen die niet zijn bestemd voor bezoekers, is dit de enige eis inzake openingen in de afscheiding.

Praktisch gezien komt de breedte-eis erop neer, dat een bol met een doorsnede van meer dan 10 cm respectievelijk 20 cm, 30 cm of 50 cm niet door een eventuele opening in de afscheiding mag kunnen. Op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit (artikel 3.16) mag de opening echter voor situaties waar wordt gewerkt niet groter zijn dan 47 cm.

Artikel 2.18.

Dit artikel eist dat de in deze paragraaf bedoelde afscheidingen zodanig moeten zijn geconstrueerd dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat kleine kinderen er overheen kunnen klimmen. De aanwezigheid in die afscheiding van mogelijke steunpunten voor de voeten moet dan ook worden vermeden, hetgeen is beoogd met het voorschrift dat zich in die afscheiding geen opstapmogelijkheden, zoals onderkanten van openingen, mogen bevinden die zijn gelegen tussen 0,2 m en 0,7 m boven de vloer. Voor utiliteitsgebouwen geldt dit ook voor het gedeelte dat is bestemd voor bezoekers.

§ 2.3.2.Bestaande bouw

Artikel 2.19.

Randen van vloeren moeten blijkens het eerste lid zijn beveiligd met bijvoorbeeld een muur of hekwerk. De voorgeschreven minimum hoogte daarvan is lager dan voor de nieuwbouw geldt. De reden hiervoor is dat voor een niet onaanzienlijk deel van de bestaande bouw die hogere eis nooit heeft gegolden. Het nu voorschrijven van die hogere eis voor de bestaande bouw zou derhalve een aanschrijvingsgrond opleveren, waarvan de kosten en het nadeel van inbreuk op een verworven recht, zoals reeds in het algemeen deel van deze toelichting is uiteengezet, niet in redelijke verhouding zouden staan tot de daarvan te verwachten grotere veiligheid. De eisen aan de breedte van de openingen (artikel 2.22) in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar echter gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Het is ook de bedoeling dat dit geldt voor een bijeenkomstfunctie voor 24-uurs opvang. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie. Deze afspraak staat op gespannen voet met de uitgangspunten van regelgeving. Een convenant had hiervoor een meer logische plek geweest.

Bij hoogteverschillen van maximaal 1,5 m tussen vloeren of tussen een vloer en het aansluitende terrein of het aansluitende water behoeft geen afscheiding aanwezig te zijn. Ook in dit geval is om meergenoemde redenen de eis lager dan voor de nieuwbouw geldt.

De gestelde eisen met betrekking tot openingen in een afscheiding komen wat doelstelling betreft overeen met die voor de nieuwbouw, maar wijken wat prestatie betreft om de hiervoor genoemde redenen daarvan af. Voor het tegengaan van het overklauteren van een afscheiding zijn, in tegenstelling tot voor de nieuwbouw, geen eisen gesteld, aangezien die in het verleden ook niet hebben gegolden.

De toelichting op paragraaf 2.3.1 is verder van overeenkomstige toepassing op deze paragraaf.

Artikel 2.20.

Randen van vloeren moeten blijkens het eerste lid zijn beveiligd met bijvoorbeeld een muur of hekwerk. De voorgeschreven minimum hoogte daarvan is lager dan voor de nieuwbouw geldt. De reden hiervoor is dat voor een niet onaanzienlijk deel van de bestaande bouw die hogere eis nooit heeft gegolden. Het nu voorschrijven van die hogere eis voor de bestaande bouw zou derhalve een aanschrijvingsgrond opleveren, waarvan de kosten en het nadeel van inbreuk op een verworven recht, zoals reeds in het algemeen deel van deze toelichting is uiteengezet, niet in redelijke verhouding zouden staan tot de daarvan te verwachten grotere veiligheid. De eisen aan de breedte van de openingen (artikel 2.22) in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar echter gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Het is ook de bedoeling dat dit geldt voor een bijeenkomstfunctie voor 24-uurs opvang. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie. Deze afspraak staat op gespannen voet met de uitgangspunten van regelgeving. Een convenant had hiervoor een meer logische plek geweest.

Bij hoogteverschillen van maximaal 1,5 m tussen vloeren of tussen een vloer en het aansluitende terrein of het aansluitende water behoeft geen afscheiding aanwezig te zijn. Ook in dit geval is om meergenoemde redenen de eis lager dan voor de nieuwbouw geldt.

De gestelde eisen met betrekking tot openingen in een afscheiding komen wat doelstelling betreft overeen met die voor de nieuwbouw, maar wijken wat prestatie betreft om de hiervoor genoemde redenen daarvan af. Voor het tegengaan van het overklauteren van een afscheiding zijn, in tegenstelling tot voor de nieuwbouw, geen eisen gesteld, aangezien die in het verleden ook niet hebben gegolden.

De toelichting op paragraaf 2.3.1 is verder van overeenkomstige toepassing op deze paragraaf.

Artikel 2.21.

Randen van vloeren moeten blijkens het eerste lid zijn beveiligd met bijvoorbeeld een muur of hekwerk. De voorgeschreven minimum hoogte daarvan is lager dan voor de nieuwbouw geldt. De reden hiervoor is dat voor een niet onaanzienlijk deel van de bestaande bouw die hogere eis nooit heeft gegolden. Het nu voorschrijven van die hogere eis voor de bestaande bouw zou derhalve een aanschrijvingsgrond opleveren, waarvan de kosten en het nadeel van inbreuk op een verworven recht, zoals reeds in het algemeen deel van deze toelichting is uiteengezet, niet in redelijke verhouding zouden staan tot de daarvan te verwachten grotere veiligheid. De eisen aan de breedte van de openingen (artikel 2.22) in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar echter gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Het is ook de bedoeling dat dit geldt voor een bijeenkomstfunctie voor 24-uurs opvang. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie. Deze afspraak staat op gespannen voet met de uitgangspunten van regelgeving. Een convenant had hiervoor een meer logische plek geweest.

Bij hoogteverschillen van maximaal 1,5 m tussen vloeren of tussen een vloer en het aansluitende terrein of het aansluitende water behoeft geen afscheiding aanwezig te zijn. Ook in dit geval is om meergenoemde redenen de eis lager dan voor de nieuwbouw geldt.

De gestelde eisen met betrekking tot openingen in een afscheiding komen wat doelstelling betreft overeen met die voor de nieuwbouw, maar wijken wat prestatie betreft om de hiervoor genoemde redenen daarvan af. Voor het tegengaan van het overklauteren van een afscheiding zijn, in tegenstelling tot voor de nieuwbouw, geen eisen gesteld, aangezien die in het verleden ook niet hebben gegolden.

De toelichting op paragraaf 2.3.1 is verder van overeenkomstige toepassing op deze paragraaf.

Artikel 2.22.

Randen van vloeren moeten blijkens het eerste lid zijn beveiligd met bijvoorbeeld een muur of hekwerk. De voorgeschreven minimum hoogte daarvan is lager dan voor de nieuwbouw geldt. De reden hiervoor is dat voor een niet onaanzienlijk deel van de bestaande bouw die hogere eis nooit heeft gegolden. Het nu voorschrijven van die hogere eis voor de bestaande bouw zou derhalve een aanschrijvingsgrond opleveren, waarvan de kosten en het nadeel van inbreuk op een verworven recht, zoals reeds in het algemeen deel van deze toelichting is uiteengezet, niet in redelijke verhouding zouden staan tot de daarvan te verwachten grotere veiligheid. De eisen aan de breedte van de openingen (artikel 2.22) in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar echter gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Het is ook de bedoeling dat dit geldt voor een bijeenkomstfunctie voor 24-uurs opvang. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie. Deze afspraak staat op gespannen voet met de uitgangspunten van regelgeving. Een convenant had hiervoor een meer logische plek geweest.

Bij hoogteverschillen van maximaal 1,5 m tussen vloeren of tussen een vloer en het aansluitende terrein of het aansluitende water behoeft geen afscheiding aanwezig te zijn. Ook in dit geval is om meergenoemde redenen de eis lager dan voor de nieuwbouw geldt.

De gestelde eisen met betrekking tot openingen in een afscheiding komen wat doelstelling betreft overeen met die voor de nieuwbouw, maar wijken wat prestatie betreft om de hiervoor genoemde redenen daarvan af. Voor het tegengaan van het overklauteren van een afscheiding zijn, in tegenstelling tot voor de nieuwbouw, geen eisen gesteld, aangezien die in het verleden ook niet hebben gegolden.

De toelichting op paragraaf 2.3.1 is verder van overeenkomstige toepassing op deze paragraaf.

Afdeling 2.4.Overbrugging van hoogteverschillen

§ 2.4.1.Nieuwbouw

Artikel 2.23.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor overbrugging van hoogteverschillen voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie het voorschrift aan dat van toepassing is op die gebruiksfunctie. Door aan dat voorschrift te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de overbrugging van hoogteverschillen is volstaan met een eis inzake de aanwezigheid van een voorziening om het hoogteverschil te overwinnen.

Voor een lichte industriefunctie gelden op grond van de tabel geen voorschriften. In het derde lid is bepaald dat de functionele eis van het eerste lid voor deze gebruiksfunctie niet geldt.

Artikel 2.24.

Dit artikel geeft een regeling voor het overbruggen van hoogteverschillen tussen bepaalde vloeren van een gebouw en tussen die vloeren en het aansluitende terrein. Nieuw ten opzichte van het Bouwbesluit is daarbij een vloer van een verkeersruimte. Bij het niet oordeelkundig gebruiken van dit begrip kan dit er toe leiden dat trappen en hellingbanen moeten worden toegepast, daar waar dit voor 1 januari 2003 niet nodig was. Bij de uitleg van de begripsomschrijvingen verblijfsgebied, verkeersruimte en verkeersroute is aangegeven wat de bedoeling van de gewijzigde begripsomschrijvingen is.

Punt van aandacht is ook de gewijzigde begripsomschrijving van een verblijfsruimte en daarmee ook van een verblijfsgebied. Die gewijzigde omschrijvingen leiden er toe dat onderhavig voorschrift een ruimere betekenis heeft dan voor 1 januari 2003.

Het aangepaste voorschrift maakt voorts het uitsluitend toepassen van roltrappen of mechanische hellingbanen voor het overbruggen van hoogteverschillen onmogelijk. Een roltrap is bij brand minder bedrijfszeker dan een vaste trap voor het kunnen vluchten. Roltrappen en mechanisch voortbewogen hellingbanen mogen echter als additionele voorziening naast een vaste trap of een vaste hellingbaan wel aanwezig zijn. Op die aanvullende voorzieningen zijn dan echter de voorschriften van de paragrafen 2.5.1 en 2.6.1 niet van toepassing. Op dergelijke voorzieningen zijn wel de krachtens de Wet gevaarlijke werktuigen gegeven voorschriften van toepassing.

Dit voorschrift voor het overbruggen van hoogteverschillen is niet van toepassing op hoogteverschillen binnen een verblijfsgebied, tenzij het om een niveauverschil tussen twee afzonderlijke verblijfsruimten gaat. Dit voorschrift heeft evenmin betrekking op niveauverschillen binnen een verblijfsruimte. Zulke niveauverschillen, die voorkomen bij een smeerput in een garagebedrijf of een melkkuil op een landbouwbedrijf, behoeven niet door een trap of hellingbaan te worden overbrugd.

De voorschriften voor het overbruggen van hoogteverschillen gelden niet voor alle gebouwen. Zo gelden die voorschriften niet voor hoogteverschillen binnen een bergruimte (overige gebruiksfunctie) of een opslaggebouw (lichte industriefunctie).

Ten aanzien van op grond van dit besluit niet voorgeschreven, doch wel aanwezige ruimten geldt het voorschrift met betrekking tot het overbruggen van hoogteverschillen niet. Dit betekent dat naar een dergelijke ruimte geen trap of hellingbaan behoeft te worden gemaakt, of, indien wel een trap of hellingbaan wordt gemaakt, dat deze niet behoeft te voldoen aan de in paragraaf 2.5.1 of paragraaf 2.6.1 gegeven voorschriften omtrent een trap of hellingbaan.

In het tweede lid is voor de vloeren van bouwwerken,geen gebouw zijnde, en voor overige gebruiksfuncties die niet vallen onder gebruiksfunctie 11a en 11b van tabel 2.23 de werkingssfeer van de overbruggingseis beperkt tot vloeren die voor bezoekers toegankelijk zijn. Voorbeelden hiervan zijn vloeren van tribunes en van uitzichttorens voor brand en wild. Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, is dit een beperking ten opzichte van het Bouwbesluit zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden. Tot dat moment was het voorschrift niet beperkt tot voor bezoekers toegankelijke vloeren, maar gold het voor voor mensen toegankelijke vloeren. Nu zal op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit moeten worden bepaald of niet alsnog in een trap of hellingbaan zal moeten worden voorzien.

§ 2.4.2.Bestaande bouw

Artikel 2.25.

De in deze paragraaf gestelde eisen met betrekking tot het overbruggen van hoogteverschillen tussen vloeren en tussen vloeren en het aansluitende terrein, zijn voor de bestaande voorraad nagenoeg gelijkluidend aan die, welke ingevolge paragraaf 2.4.1 voor de nieuwbouw gelden. De in deze paragraaf gestelde eis sluit niet uit dat bedoelde hoogteverschillen ook kunnen zijn overbrugd door een lift of mechanisch hefplateau, mits dit niet de enige voorziening voor het overbruggen van die hoogteverschillen is.

Artikel 2.26.

De in deze paragraaf gestelde eisen met betrekking tot het overbruggen van hoogteverschillen tussen vloeren en tussen vloeren en het aansluitende terrein, zijn voor de bestaande voorraad nagenoeg gelijkluidend aan die, welke ingevolge paragraaf 2.4.1 voor de nieuwbouw gelden. De in deze paragraaf gestelde eis sluit niet uit dat bedoelde hoogteverschillen ook kunnen zijn overbrugd door een lift of mechanisch hefplateau, mits dit niet de enige voorziening voor het overbruggen van die hoogteverschillen is.

Afdeling 2.5.Trap

§ 2.5.1.Nieuwbouw

Artikel 2.27.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor een nieuw te bouwen trap.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.28 bevat eisen aan de afmetingen van een trap en de vrije hoogte erboven (afmetingen trap); 
2.artikel 2.29 bevat eisen aan de afmetingen van een trapbordes (vloer), die al of niet onderdeel is van een overloop, gang of aansluitende vloer(trapbordes); 
3.artikel 2.30 bevat eisen aan de afmetingen van een afscheiding langs een trap, met inbegrip van de openingen daarin (afscheiding);
4.artikel 2.31 bevat eisen betreffende de aanwezigheid en de hoogte van een leuning, en 
5.artikel 2.32 regelt wanneer een trap in een besloten ruimte moet liggen (regenwerendheid).

Voor bepaalde (sub)gebruiksfuncties wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis niet op deze (sub)gebruiksfuncties van toepassing is.

De voorschriften van deze paragraaf gelden voor elke trap die zich bevindt tussen in afdeling 2.4.1 bedoelde vloeren.

De wijziging van het Bouwbesluit zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden, houdt mede verband met de in het algemeen deel van deze toelichting beschreven, andere uitwerking van de toegankelijkheid van niet tot bewoning bestemde gebouwen. Het soort trap waarmee hoogteverschillen moeten zijn overbrugd, is nu feitelijk afhankelijk van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied, die op die trap is aangewezen. Daarbij speelt ook de klasse van de bezettingsgraad van die vloeroppervlakte een rol. Praktisch gezien, komt het er op neer dat wanneer meer dan vijftig personen gebruik moeten kunnen maken van een trap, de trap aan zwaardere eisen moet voldoen dan wanneer het aantal personen geringer is. Door met de rekenwaarden van de klasse van de bezettingsgraad, zoals beschreven in het algemeen deel van deze toelichting, de oppervlakte van het totaal aan verblijfsgebieden dat op een trap is aangewezen om te rekenen naar het aantal personen, kan bij een combinatie van verblijfsgebieden die deel uitmaken van verschillende gebruiksfuncties worden bepaald of een trap die aan zwaardere eisen voldoet (kolom B), nodig is. Voor de woningbouw wordt niet gewerkt met klassen van de bezettingsgraad. Daar zal de grenswaarde aan verblijfsgebied moeten worden gedeeld door 50 indien op een trap zowel verblijfsgebied van een woonfunctie en een andere gebruiksfunctie is aangewezen.

De 'struikelformule' is komen te vervallen. Daarmee wordt het in theorie mogelijk zeer steile trappen te maken. Aanbevolen wordt om toch van de oude formule (de som van een aantrede en twee optreden ter plaatste van de klimlijn is ten hoogste 0,7 m en ten minste 0,57 m) gebruik te maken om de trap veilig beloopbaar te maken.

De luiere trappen die voor de woningbouw gelden, zijn een gevolg van besluitvorming van het kabinet Kok II, zoals verwoord in de Nota Mensen, Wensen, Wonen (TK, vergaderjaar 2000 2001, 27 559, nr 2), waarbij tegemoet wordt gekomen aan het verzoek van consumentenorganisaties om woningen beter geschikt te maken voor mensen met een functiebeperking, zodat ook oudere mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Dit is mede een invulling van het begrip “duurzaam bouwen”.

Artikel 2.28.

Verschillen in hoogte van meer dan 21 cm tussen vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, verkeersruimten, toiletruimten en badruimten of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein moeten volgens paragraaf 2.4.1 zijn overbrugd door een vaste trap of vaste hellingbaan. Aan trappen naar en tussen andere ruimten zijn geen eisen gesteld. Voor het overbruggen van hoogteverschillen naar en tussen die ruimten is in het Bouwbesluit 2003 geen regeling getroffen. Het doel van dit artikel is te verzekeren dat de afmetingen van een voorgeschreven trap en zijn onderdelen zodanig zijn, dat gebruikers daarvan op veilige wijze gebruik kunnen maken.

Voor de woonfunctie gelden om die ruimten te bereiken in beginsel op grond van het eerste lid de lichtere eisen van kolom A van tabel 2.28a. Dit geldt niet voor noodtrappen. Trappen om die ruimten te bereiken waarvan aannemelijk is dat meer personen gelijktijdig en in twee richtingen ervan gebruik zullen maken, moeten echter op grond van het tweede en derde lid voldoen aan de zwaardere eisen van kolom B van tabel 2.28a. Dit geldt niet voor noodtrappen. Het eerste en derde lid zijn afgestemd op de invoering van de klasse van de bezettingsgraad voor niet tot bewoning bestemde gebouwen. Het soort trap waarmee hoogteverschillen moeten zijn overbrugd, is nu afhankelijk van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied, die op die trap is aangewezen. Daarbij speelt indirect het aantal personen dat van die vloeroppervlakte gebruik moet kunnen maken een rol. Het voorschrift is voor de ontsluiting van woningen versoepeld van 270 m² aan gebruiksoppervlakte van het totaal aan woningen naar een totaal aan verblijfsgebied van 600 m².

In het tweede lid gaat het om trappen die toegang geven tot (aangeduid als “ontsluiten”) een zeer grote woonfunctie in of buiten een woongebouw (populair wel aangeduid als megawoning), bijvoorbeeld een groot appartement, een gezinsvervangend tehuis of een bejaardenoord of studentenhuisvesting.

Op grond van het derde lid zullen veel trappen in een woongebouw moeten voldoen aan de eisen van kolom B van tabel 2.28a. Het gaat om trappen die een verblijfsgebied ontsluiten en een minimale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied die op de trap is aangewezen. Dit betekent dat in de praktijk trappen waarvan door veel personen tegelijk gebruik moet kunnen worden gemaakt en veelal gelijktijdig in twee richtingen zodat personen elkaar op de trap ongehinderd moeten kunnen passeren, in ieder geval moeten voldoen aan kolom B van tabel 2.28a. De tekst is zo gekozen dat brandtrappen niet onder dit artikellid vallen.

Voor de utiliteitsbouw gelden in beginsel op grond van het vijfde lid de lichtere eisen van kolom A van tabel 2.28b. Voor trappen waar meer personen gelijktijdig en in twee richtingen gebruik van zullen maken (50 personen bij de rekenwaarde), gelden volgens het zesde lid de zwaardere eisen van kolom B van tabel 2.28b.

Dit geldt niet voor noodtrappen. Wanneer in tabel 2.27 sprake is van >600 m², betekent dit dat altijd mag zijn volstaan met een trap volgens kolom A. Wanneer echter dat oppervlak is aangewezen op een trap waar ook andere gebruiksfuncties op zijn aangewezen, zal dit oppervlak gewoon moeten worden meegenomen bij bepalen van de rekenwaarde van het aantal personen dat van de trap gebruikt maakt. Met betrekking tot de overige gebruiksfunctie en een bouwwerk, geen gebouw zijnde, moet men er op bedacht zijn dat een trap alleen is voorgeschreven als de trap een gedeelte van het bouwwerk ontsluit dat mede is bestemd voor bezoekers.

Met betrekking tot de in tabellen 2.28a en 2.28b gehanteerde begrippen "aantrede", "optrede" en "tredevlak" is aangesloten bij de terminologie van NEN 3509, "Trappen in woningen en woongebouwen", uitgave 1998. Onder het begrip "aantrede" wordt verstaan de horizontale afstand tussen de voorkanten van twee opeenvolgende treden, onder "optrede" het hoogteverschil tussen twee opeenvolgende treden en onder "tredevlak" het horizontale bovenvlak van een trede.

Met het oog op het groeiend aantal ouderen dat ook langer thuis zal wonen en om voortijdige aanpassing van de gebruiksfunctie te voorkomen, zijn de aantrede en optrede van trappen in woonfuncties aangescherpt. Hiermee wordt een betere beloopbaarheid van deze trappen verkregen.

De breedte van een trap wordt in beginsel gemeten van buitenkant boom tot buitenkant boom. Is sprake van een spiltrap dan wordt de breedte gemeten tot de binnenkant van de spil. Wordt een trap ingelaten in een aangrenzende wand dan wordt de breedte van de trap gemeten tot aan de wand. Voor trappen die moeten voldoen aan kolom B is de minimum breedte, gelijk aan die van de vrije doorgang van een verkeersroute in een woongebouw in artikel 4.12, tweede lid, aangescherpt van 1,1 m tot 1,2 m. Bij het bepalen van de breedte moeten de leuningen buiten beschouwing worden gelaten.

Met de eis aangaande de vrije hoogte boven de trap wordt gewaarborgd dat er voldoende vrije loopruimte boven de trap aanwezig is. Gelijk aan de vrije doorgang (afdeling 4.3) is, in verband met de toenemende gemiddelde lengte van de bevolking, de vrije hoogte boven trappen van woonfuncties aangescherpt van 2,1 naar 2,3 m. De vrije hoogte is vooral van belang bij het afdalen van de trap. Daarentegen heeft men bij het bestijgen van een trap de neiging om iets voorovergebogen te lopen.

Voor de ruimere trappen die vallen onder kolom B van de tabellen 2.28a en 2.28b geldt dat de minimum breedte van hun tredevlakken op zijn minst 17 cm moet zijn. Dit betekent dat zo’n trap praktisch gesproken niet als wenteltrap kan worden uitgevoerd wegens de grote diameter van de trap die daarvoor nodig zou zijn.

Voorts moet bij de bepaling van de hoogte van de trap een bordes niet als deel van de trap worden beschouwd, hetgeen samenhangt met de in artikel 1.1, eerste lid, gegeven omschrijving van het begrip "klimlijn". Dit betekent dat een hoogteverschil van bijvoorbeeld 5 m moet zijn overbrugd door ten minste twee trappen, met elkaar verbonden door ten minste één bordes. Voor een industriefunctie geldt deze beperking niet.

Het vierde, zevende en tiende lid betreffen trapvormige constructies waarmee binnen een verblijfsgebied hoogteverschillen worden overbrugd voor het bereiken van lager of hoger gelegen vloeren of zitplaatsen. Voorbeelden hiervan zijn constructies als zitkuilen, tussenvloeren, tribunes in sportzalen en tribunes in de open lucht. De voorschriften betreffende trappen zijn daarop niet van toepassing. Niettemin dienen deze constructies vanuit een oogpunt van gebruiksveiligheid aan enige eisen te voldoen.

De eisen voor een noodtrap zijn gegeven in artikel 2.28, elfde lid. Daarmee is tegemoet gekomen aan de wens van het bouwbedrijfsleven voor een duidelijker onderscheid tussen de eisen voor een gewone trap, en de (lichtere) eisen voor een noodtrap. Tabel 2.28b is ook van toepassing op een noodtrap van een woonfunctie, zodat een noodtrap van een woning of woongebouw geen zogenoemde ‘luie trap’ behoeft te zijn.

Artikel 2.29.

Ingevolge het vierde en vijfde lid moet aan de bovenzijde van de trap een, al of niet van een gang of overloop deel uitmakend, bordes aanwezig zijn, waarvan de minimum breedte is afgestemd op de voorgeschreven minimum breedte van de trap die op dat bordes aansluit. Het in deze leden genoemde begrip "vloeroppervlakte" gekoppeld aan een daarboven vereiste vrije hoogte, impliceert dat ingevolge deze leden bovenaan de trap geen constructie-onderdeel, zoals bijvoorbeeld een deur, mag zijn geplaatst. Dit voorschrift sluit niet uit dat de deur van een op het bordes uitkomende ruimte over de in dit lid bedoelde vloeroppervlakte draait.

Artikel 2.30.

De zijkanten van een voorgeschreven trap dienen evenzeer als de randen van een vloer te zijn voorzien van een niet-beweegbare afscheiding. Dit geldt op grond van het eerste lid zowel voor woningbouw als voor utiliteitsbouw. Het zou te ver voeren zo'n afscheiding te verlangen voor een lage trap van bijvoorbeeld vier treden. Daarom is de grens gelegd bij een hoogteverschil van ten minste 1 meter. Bij trappen die hoger zijn en dus moeten zijn voorzien van een afscheiding, geldt die eis niet voor de onderste meter van de trap. Verder mag de afscheiding zijn geplaatst op maximaal 5 cm van de rand van een tredevlak. Dit is om te voorkomen dat men door de opening naar beneden valt of erin bekneld raakt.

In het tweede, derde en vijfde zijn met hetzelfde doel eisen aan de breedte van openingen in afscheidingen gesteld.

Trappen van woonfuncties en trappen van utiliteitsgebouwen die toegang geven tot ruimten die mede zijn bestemd voor bezoekers of voor kinderopvang jonger dan 4 jaar (en voor 24-uurs opvang), mogen in de afscheidingen geen openingen hebben die breder zijn dan 10 cm. Praktisch gezien komt deze eis erop neer, dat een bol met een doorsnede van meer dan 10 cm niet door een eventuele opening in de afscheiding mag kunnen. Voor trappen in utiliteitsgebouwen die niet mede zijn bestemd voor bezoekers geldt dat de afscheidingen openingen mogen hebben tot 50 cm breedte. Deze maat zal ook in dat deel van afscheidingen moeten worden aangehouden waar de eis van 10 cm niet geldt. Op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit (artikel 3.16) mag de opening echter voor situaties waar wordt gewerkt, niet groter zijn dan 47 cm.

Het doel van het vierde en zesde lid is te voorkomen dat kleine kinderen over een trapafscheiding kunnen klimmen.

Artikel 2.31.

Ten einde de kans op het van de trap vallen te beperken, is het wenselijk dat gebruikers van een trap zich kunnen vasthouden. Om die reden is in dit artikel voorgeschreven dat een trap waarlangs een afscheiding aanwezig moet zijn, tevens een over de gehele lengte van de trap op doelmatige hoogte aangebrachte leuning moet hebben. Dit voorschrift is niet van toepassing op trappen met een geringe helling, omdat de kans dat men van een dergelijke trap valt klein is. Op grond van afdeling 2.1 - een leuning is immers een bouwconstructie - moet die leuning deugdelijk zijn bevestigd.

De noodzaak om in bepaalde gevallen een dubbele leuning te moeten toepassen is met het Bouwbesluit 2003 vervallen.

Artikel 2.32.

Van oudsher is er voor de woningbouw (in tegenstelling tot de niet tot bewoning bestemde gebouwen) voorgeschreven dat men voor het bereiken van een woning of woongebouw uitsluitend is aangewezen op een tegen weer en wind beschermde trap. Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat een woning of woongebouw uitsluitend bereikbaar is via een buitentrap. Deze trap dient in een besloten ruimte te zijn gelegen. De reden hiervan is dat deze bij slechte weersomstandigheden al snel slecht begaanbaar en daardoor onveilig is. De eis geldt niet voor trappen die vanaf een aangrenzende vloer, bijvoorbeeld een bordes, of het aansluitende terrein gemeten geen groter hoogteverschil overbruggen dan 1,5 m. Een val van ten hoogste 1,5 m wordt overkomelijk geacht. Een voorgeschreven trap die hoger is dan 1,5 m dient in zijn geheel in een besloten ruimte te liggen, dus ook de onderste 1,5 m. Bij conversie is besloten dit van oudsher geldende voorschrift te handhaven. Hetzelfde voorschrift voor niet tot bewoning bestemde gebouwen (artikel 177 Bouwbesluit oud) is daarentegen vervallen.

§ 2.5.2.Bestaande bouw

Artikel 2.33.

De in artikel 2.34 gestelde eisen waaraan een trap in een bestaande bouwwerk moet voldoen, wijken in sterke mate af van die, waaraan een trap in de nieuwbouw moet voldoen. Reden voor deze afwijking is, dat de desbetreffende eisen in de loop der tijd uit het oogpunt van zowel veiligheid als bruikbaarheid zijn aangescherpt, aangezien is gebleken dat op trappen een niet gering aantal ongevallen, soms met dodelijke afloop, plaatsvindt. Zou een trap in de bestaande voorraad aan de voor de nieuwbouw geldende eisen moeten voldoen, dan zouden de daaruit voortvloeiende kosten veelal geenszins in redelijke verhouding staan tot de grotere veiligheid en bruikbaarheid van die trap. Immers, een trap die aan de nieuwbouw-eisen voldoet, vergt aanzienlijk meer plaatsingsruimte, die in een bestaand bouwwerk doorgaans niet aanwezig zal zijn.

De eisen aan de breedte van de openingen (artikel 2.36) in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Het is ook de bedoeling dat dit geldt voor een bijeenkomstfunctie voor 24-uurs opvang. Dit is een doorbreking van de systematiek. Deze afspraak had beter per convenant geregeld kunnen worden.

Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

De hoogte-eis van 1,9 m aan de bovenkant van een trap kent geen bron. Voor een aansluitende ruimte met een verkeersroute kent het Bouwbesluit 2003 geen eisen, zodat in de praktijk hier de nodige problemen kunnen ontstaan met deze niet gemotiveerde eis.

De in artikel 2.35 voorgeschreven minimum vloeroppervlakte die aan de bovenkant van een bestaande trap aanwezig moet zijn, is, wat de afmetingen betreft, afgestemd op de vereiste minimum breedte van een trap in de bestaande voorraad.

Voor trappen, voor zover die trappen hoger zijn dan 1,5 m, gelden ingevolge artikel 2.36 en 2.37 eisen met betrekking tot de aanwezigheid van afscheidingen en een leuning, doch dit zijn minder vergaande eisen dan voor vergelijkbare trappen in de nieuwbouw. Het veiligheidsniveau van die voorzieningen is doorgaans evenwel lager dan dat voor de nieuwbouw, hetgeen valt te verklaren uit het feit dat de onderhavige veiligheidseisen in de loop der tijd zijn verhoogd. In tegenstelling tot het Bouwbesluit zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden gelden deze voorschriften ook voor trappen in een woning.

Voor het overige is het gestelde in de toelichting bij afdeling 2.5.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.34.

De in artikel 2.34 gestelde eisen waaraan een trap in een bestaande bouwwerk moet voldoen, wijken in sterke mate af van die, waaraan een trap in de nieuwbouw moet voldoen. Reden voor deze afwijking is, dat de desbetreffende eisen in de loop der tijd uit het oogpunt van zowel veiligheid als bruikbaarheid zijn aangescherpt, aangezien is gebleken dat op trappen een niet gering aantal ongevallen, soms met dodelijke afloop, plaatsvindt. Zou een trap in de bestaande voorraad aan de voor de nieuwbouw geldende eisen moeten voldoen, dan zouden de daaruit voortvloeiende kosten veelal geenszins in redelijke verhouding staan tot de grotere veiligheid en bruikbaarheid van die trap. Immers, een trap die aan de nieuwbouw-eisen voldoet, vergt aanzienlijk meer plaatsingsruimte, die in een bestaand bouwwerk doorgaans niet aanwezig zal zijn.

De eisen aan de breedte van de openingen (artikel 2.36) in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Het is ook de bedoeling dat dit geldt voor een bijeenkomstfunctie voor 24-uurs opvang. Dit is een doorbreking van de systematiek. Deze afspraak had beter per convenant geregeld kunnen worden.

Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

De hoogte-eis van 1,9 m aan de bovenkant van een trap kent geen bron. Voor een aansluitende ruimte met een verkeersroute kent het Bouwbesluit 2003 geen eisen, zodat in de praktijk hier de nodige problemen kunnen ontstaan met deze niet gemotiveerde eis.

De in artikel 2.35 voorgeschreven minimum vloeroppervlakte die aan de bovenkant van een bestaande trap aanwezig moet zijn, is, wat de afmetingen betreft, afgestemd op de vereiste minimum breedte van een trap in de bestaande voorraad.

Voor trappen, voor zover die trappen hoger zijn dan 1,5 m, gelden ingevolge artikel 2.36 en 2.37 eisen met betrekking tot de aanwezigheid van afscheidingen en een leuning, doch dit zijn minder vergaande eisen dan voor vergelijkbare trappen in de nieuwbouw. Het veiligheidsniveau van die voorzieningen is doorgaans evenwel lager dan dat voor de nieuwbouw, hetgeen valt te verklaren uit het feit dat de onderhavige veiligheidseisen in de loop der tijd zijn verhoogd. In tegenstelling tot het Bouwbesluit zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden gelden deze voorschriften ook voor trappen in een woning.

Voor het overige is het gestelde in de toelichting bij afdeling 2.5.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.35.

De in artikel 2.34 gestelde eisen waaraan een trap in een bestaande bouwwerk moet voldoen, wijken in sterke mate af van die, waaraan een trap in de nieuwbouw moet voldoen. Reden voor deze afwijking is, dat de desbetreffende eisen in de loop der tijd uit het oogpunt van zowel veiligheid als bruikbaarheid zijn aangescherpt, aangezien is gebleken dat op trappen een niet gering aantal ongevallen, soms met dodelijke afloop, plaatsvindt. Zou een trap in de bestaande voorraad aan de voor de nieuwbouw geldende eisen moeten voldoen, dan zouden de daaruit voortvloeiende kosten veelal geenszins in redelijke verhouding staan tot de grotere veiligheid en bruikbaarheid van die trap. Immers, een trap die aan de nieuwbouw-eisen voldoet, vergt aanzienlijk meer plaatsingsruimte, die in een bestaand bouwwerk doorgaans niet aanwezig zal zijn.

De eisen aan de breedte van de openingen (artikel 2.36) in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Het is ook de bedoeling dat dit geldt voor een bijeenkomstfunctie voor 24-uurs opvang. Dit is een doorbreking van de systematiek. Deze afspraak had beter per convenant geregeld kunnen worden.

Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

De hoogte-eis van 1,9 m aan de bovenkant van een trap kent geen bron. Voor een aansluitende ruimte met een verkeersroute kent het Bouwbesluit 2003 geen eisen, zodat in de praktijk hier de nodige problemen kunnen ontstaan met deze niet gemotiveerde eis.

De in artikel 2.35 voorgeschreven minimum vloeroppervlakte die aan de bovenkant van een bestaande trap aanwezig moet zijn, is, wat de afmetingen betreft, afgestemd op de vereiste minimum breedte van een trap in de bestaande voorraad.

Voor trappen, voor zover die trappen hoger zijn dan 1,5 m, gelden ingevolge artikel 2.36 en 2.37 eisen met betrekking tot de aanwezigheid van afscheidingen en een leuning, doch dit zijn minder vergaande eisen dan voor vergelijkbare trappen in de nieuwbouw. Het veiligheidsniveau van die voorzieningen is doorgaans evenwel lager dan dat voor de nieuwbouw, hetgeen valt te verklaren uit het feit dat de onderhavige veiligheidseisen in de loop der tijd zijn verhoogd. In tegenstelling tot het Bouwbesluit zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden gelden deze voorschriften ook voor trappen in een woning.

Voor het overige is het gestelde in de toelichting bij afdeling 2.5.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.36.

De in artikel 2.34 gestelde eisen waaraan een trap in een bestaande bouwwerk moet voldoen, wijken in sterke mate af van die, waaraan een trap in de nieuwbouw moet voldoen. Reden voor deze afwijking is, dat de desbetreffende eisen in de loop der tijd uit het oogpunt van zowel veiligheid als bruikbaarheid zijn aangescherpt, aangezien is gebleken dat op trappen een niet gering aantal ongevallen, soms met dodelijke afloop, plaatsvindt. Zou een trap in de bestaande voorraad aan de voor de nieuwbouw geldende eisen moeten voldoen, dan zouden de daaruit voortvloeiende kosten veelal geenszins in redelijke verhouding staan tot de grotere veiligheid en bruikbaarheid van die trap. Immers, een trap die aan de nieuwbouw-eisen voldoet, vergt aanzienlijk meer plaatsingsruimte, die in een bestaand bouwwerk doorgaans niet aanwezig zal zijn.

De eisen aan de breedte van de openingen (artikel 2.36) in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Het is ook de bedoeling dat dit geldt voor een bijeenkomstfunctie voor 24-uurs opvang. Dit is een doorbreking van de systematiek. Deze afspraak had beter per convenant geregeld kunnen worden.

Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

De hoogte-eis van 1,9 m aan de bovenkant van een trap kent geen bron. Voor een aansluitende ruimte met een verkeersroute kent het Bouwbesluit 2003 geen eisen, zodat in de praktijk hier de nodige problemen kunnen ontstaan met deze niet gemotiveerde eis.

De in artikel 2.35 voorgeschreven minimum vloeroppervlakte die aan de bovenkant van een bestaande trap aanwezig moet zijn, is, wat de afmetingen betreft, afgestemd op de vereiste minimum breedte van een trap in de bestaande voorraad.

Voor trappen, voor zover die trappen hoger zijn dan 1,5 m, gelden ingevolge artikel 2.36 en 2.37 eisen met betrekking tot de aanwezigheid van afscheidingen en een leuning, doch dit zijn minder vergaande eisen dan voor vergelijkbare trappen in de nieuwbouw. Het veiligheidsniveau van die voorzieningen is doorgaans evenwel lager dan dat voor de nieuwbouw, hetgeen valt te verklaren uit het feit dat de onderhavige veiligheidseisen in de loop der tijd zijn verhoogd. In tegenstelling tot het Bouwbesluit zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden gelden deze voorschriften ook voor trappen in een woning.

Voor het overige is het gestelde in de toelichting bij afdeling 2.5.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.37.

De in artikel 2.34 gestelde eisen waaraan een trap in een bestaande bouwwerk moet voldoen, wijken in sterke mate af van die, waaraan een trap in de nieuwbouw moet voldoen. Reden voor deze afwijking is, dat de desbetreffende eisen in de loop der tijd uit het oogpunt van zowel veiligheid als bruikbaarheid zijn aangescherpt, aangezien is gebleken dat op trappen een niet gering aantal ongevallen, soms met dodelijke afloop, plaatsvindt. Zou een trap in de bestaande voorraad aan de voor de nieuwbouw geldende eisen moeten voldoen, dan zouden de daaruit voortvloeiende kosten veelal geenszins in redelijke verhouding staan tot de grotere veiligheid en bruikbaarheid van die trap. Immers, een trap die aan de nieuwbouw-eisen voldoet, vergt aanzienlijk meer plaatsingsruimte, die in een bestaand bouwwerk doorgaans niet aanwezig zal zijn.

De eisen aan de breedte van de openingen (artikel 2.36) in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Het is ook de bedoeling dat dit geldt voor een bijeenkomstfunctie voor 24-uurs opvang. Dit is een doorbreking van de systematiek. Deze afspraak had beter per convenant geregeld kunnen worden.

Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

De hoogte-eis van 1,9 m aan de bovenkant van een trap kent geen bron. Voor een aansluitende ruimte met een verkeersroute kent het Bouwbesluit 2003 geen eisen, zodat in de praktijk hier de nodige problemen kunnen ontstaan met deze niet gemotiveerde eis.

De in artikel 2.35 voorgeschreven minimum vloeroppervlakte die aan de bovenkant van een bestaande trap aanwezig moet zijn, is, wat de afmetingen betreft, afgestemd op de vereiste minimum breedte van een trap in de bestaande voorraad.

Voor trappen, voor zover die trappen hoger zijn dan 1,5 m, gelden ingevolge artikel 2.36 en 2.37 eisen met betrekking tot de aanwezigheid van afscheidingen en een leuning, doch dit zijn minder vergaande eisen dan voor vergelijkbare trappen in de nieuwbouw. Het veiligheidsniveau van die voorzieningen is doorgaans evenwel lager dan dat voor de nieuwbouw, hetgeen valt te verklaren uit het feit dat de onderhavige veiligheidseisen in de loop der tijd zijn verhoogd. In tegenstelling tot het Bouwbesluit zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden gelden deze voorschriften ook voor trappen in een woning.

Voor het overige is het gestelde in de toelichting bij afdeling 2.5.1 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2.6.Hellingbaan

§ 2.6.1. Nieuwbouw

Artikel 2.38.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor hellingbanen voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.39 bevat eisen aan de afmetingen en de hellinggraad van hellingbanen (afmetingen hellingbaan);
2.artikel 2.40 bevat eisen aan de afmetingen van bordessen, die al of niet onderdeel zijn van een overloop of gang (bordes), en
3.artikel 2.41 bevat eisen aan de afmetingen van afscheidingen van hellingbanen, met inbegrip van de openingen daarin (afscheiding).

Voor enkele (sub)gebruiksfuncties wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het is evenmin noodzakelijk dat de functionele eis van het eerste lid voor deze gebruiksfuncties geldt. Daarom verklaart het derde lid dat de functionele eis er niet op van toepassing is.

De voorschriften van deze afdeling gelden voor elke hellingbaan die zich bevindt tussen in de afdeling 2.4 bedoelde vloeren of die vloeren en het aansluitende terrein.

Artikel 2.39.

Verschillen in hoogte van meer dan 21 cm tussen vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, verkeersruimten, toiletruimten en badruimten of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein moeten volgens paragraaf 2.4.1 zijn overbrugd door een trap of hellingbaan. Voor hellingbanen naar en tussen andere ruimten gelden geen eisen. Het doel van dit artikel is te verzekeren dat de afmetingen van een vereiste hellingbaan zodanig zijn, dat gebruikers daarvan op veilige wijze gebruik kunnen maken.

De voorgeschreven minimum breedte van 1,1 m waarborgt dat er ook bij plaatsing van twee leuningen voldoende ruimte is voor het voortbewegen van een rolstoel. In het "Handboek Toegankelijkheid", van de Stichting Nederlandse Gehandicaptenraad (thans Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland) te Utrecht, 5e druk 2003 uitgegeven door Reed Business Information, wordt voor het plaatsen van leuningen en het voortbewegen van een rolstoel een minimum ruimte aanbevolen van respectievelijk 0,18 m (twee keer 0,09 m) en 0,85 m. Gelet hierop en met het oog op het kostenaspect van het realiseren van hellingbanen, moet de in dit lid voorgeschreven minimum breedte van een hellingbaan voldoende worden geacht. Dit neemt evenwel niet weg dat het aanbeveling verdient een hellingbaan zoveel mogelijk te laten voldoen aan de in het "Handboek Toegankelijkheid" genoemde minimum breedte van 1,2 m.

De maximum hoogte die door middel van een hellingbaan mag worden overbrugd is 1 m. Voor grotere hoogteverschillen moet men dus meer dan één hellingbaan aanleggen, dan wel een trap of een lift. Tussen twee op elkaar aansluitende hellingbanen moet op grond van artikel 2.40 een vloer (bordes) aanwezig zijn van van ten minste 1,4 m x 1,4 m.

Ten slotte bevat dit artikel nog eisen betreffende de steilte van een hellingbaan. Met het oog op de door de rolstoelgebruiker te leveren inspanning moet de helling flauwer zijn naarmate het hoogteverschil groter is. Zo dient bij een hoogteverschil van 1 m de helling 1:20 te zijn, wat een lengte van de hellingbaan betekent van 20 m. Een dergelijke hellingbaan wordt, zo blijkt uit "het Handboek Toegankelijkheid", nog net geschikt geacht voor zelfstandig gebruik door een rolstoelgebruiker.

De in dit artikel gegeven voorschriften dragen bij tot de integrale toegankelijkheid van gebouwen.

Artikel 2.40.

Een bordes aan de bovenzijde van een hellingbaan is nodig opdat de rolstoelgebruiker desgewenst even kan rusten en zonodig kan draaien in de gewenste richting. Hiervoor is een grotere oppervlakte nodig dan voor een trapbordes. Het in dit artikel genoemde begrip "vloeroppervlakte" impliceert dat ingevolge dit artikel bovenaan de hellingbaan geen constructie-onderdeel, zoals bijvoorbeeld een deur, mag zijn geplaatst. Dit voorschrift sluit niet uit dat de deur van een op het bordes uitkomende ruimte over de in dit lid bedoelde vloeroppervlakte draait.

Artikel 2.41.

Het met een rolstoel van de rand van een hellingbaan vallen kan ook op een lagere hoogte ernstig letsel teweegbrengen. Daarom is in het eerste lid voor beide zijkanten een afscheiding voorgeschreven die zich uitstrekt over het gehele beloop van de hellingbaan van 4 cm hoog. Het komt ook voor dat een zijkant van een hellingbaan op een grotere hoogte ligt dan 1 m, bijvoorbeeld wanneer deze een opvolgend onderdeel vormt in een reeks van hellingbanen die naar een grotere hoogte dan 1 m leiden. Voorzover deze zijkant ligt op een hoogte van meer dan 1 m boven een aan de neerwaartse voortzetting van de aan die zijkant grenzende vloer of het daaraan aansluitende terrein, geldt voor de hoogte van de niet-beweegbare afscheiding langs (dat deel van) die zijkant een minimum hoogte-eis van 85 cm.

De eisen aangaande openingen bij en in de afscheidingen van een hellingbaan die het tweede en het vierde tot en met het achtste lid bevatten, zijn in essentie gelijk aan die voor trapafscheidingen (zie daarvoor de toelichting op artikel 2.30).

§ 2.6.2.Bestaande bouw

Artikel 2.42.

Gelet op het feit dat vroeger bij het stellen van eisen aan hellingbanen nauwelijks of geen rekening is gehouden met het zelfstandig gebruik daarvan door personen met een functiebeperking, wijken de in artikel 2.42 gegeven eisen af van die, welke ingevolge artikel 2.39 gelden voor het maken van een hellingbaan in de nieuwbouw. De reden hiervoor is dat, indien achteraf alsnog zou moeten worden voldaan aan de nieuwbouweisen, de kosten niet in redelijke verhouding zouden staan tot de daarmee te bereiken grotere veiligheid en bruikbaarheid.

De eisen aan de breedte van de openingen (artikel 2.22) in een afscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Het is ook de bedoeling dat dit geldt voor een bijeenkomstfunctie voor 24-uurs opvang. Dit betekent een doorbreking van de systematiek. Dit had beter per convenant geregeld kunnen worden.

Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

De hoogte-eis van 1,9 m aan de bovenkant van een hellingbaan kent geen bron. Voor een aansluitende ruimte met een verkeersroute kent het Bouwbesluit 2003 geen eisen.

De afmetingen van de in artikel 2.44 voorgeschreven vloeroppervlakte aan de bovenkant van een hellingbaan zijn afgestemd op de ingevolge het eerste lid vereiste breedte van die baan. De hoogte-eis kent geen motivering en sluit niet aan op de overige eisen van het Bouwbesluit 2003.

In artikel 2.45 zijn aan hellingbanen die hoger zijn dan 1,5 m en toegang geven tot een bestaand bouwwerk of een gedeelte daarvan, eisen gesteld met betrekking tot de aanwezigheid van afscheidingen. Deze eisen zijn minder vergaand dan die, welke gelden voor hellingbanen in de nieuwbouw. Het veiligheidsniveau van de bestaande afscheidingen blijkt doorgaans evenwel lager te zijn dan het voor de nieuwbouw geëiste niveau.

Voor het overige is het gestelde in de toelichting bij afdeling 2.6.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.43.

Gelet op het feit dat vroeger bij het stellen van eisen aan hellingbanen nauwelijks of geen rekening is gehouden met het zelfstandig gebruik daarvan door personen met een functiebeperking, wijken de in artikel 2.42 gegeven eisen af van die, welke ingevolge artikel 2.39 gelden voor het maken van een hellingbaan in de nieuwbouw. De reden hiervoor is dat, indien achteraf alsnog zou moeten worden voldaan aan de nieuwbouweisen, de kosten niet in redelijke verhouding zouden staan tot de daarmee te bereiken grotere veiligheid en bruikbaarheid.

De eisen aan de breedte van de openingen (artikel 2.22) in een afscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Het is ook de bedoeling dat dit geldt voor een bijeenkomstfunctie voor 24-uurs opvang. Dit betekent een doorbreking van de systematiek. Dit had beter per convenant geregeld kunnen worden.

Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

De hoogte-eis van 1,9 m aan de bovenkant van een hellingbaan kent geen bron. Voor een aansluitende ruimte met een verkeersroute kent het Bouwbesluit 2003 geen eisen.

De afmetingen van de in artikel 2.44 voorgeschreven vloeroppervlakte aan de bovenkant van een hellingbaan zijn afgestemd op de ingevolge het eerste lid vereiste breedte van die baan. De hoogte-eis kent geen motivering en sluit niet aan op de overige eisen van het Bouwbesluit 2003.

In artikel 2.45 zijn aan hellingbanen die hoger zijn dan 1,5 m en toegang geven tot een bestaand bouwwerk of een gedeelte daarvan, eisen gesteld met betrekking tot de aanwezigheid van afscheidingen. Deze eisen zijn minder vergaand dan die, welke gelden voor hellingbanen in de nieuwbouw. Het veiligheidsniveau van de bestaande afscheidingen blijkt doorgaans evenwel lager te zijn dan het voor de nieuwbouw geëiste niveau.

Voor het overige is het gestelde in de toelichting bij afdeling 2.6.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.44.

Gelet op het feit dat vroeger bij het stellen van eisen aan hellingbanen nauwelijks of geen rekening is gehouden met het zelfstandig gebruik daarvan door personen met een functiebeperking, wijken de in artikel 2.42 gegeven eisen af van die, welke ingevolge artikel 2.39 gelden voor het maken van een hellingbaan in de nieuwbouw. De reden hiervoor is dat, indien achteraf alsnog zou moeten worden voldaan aan de nieuwbouweisen, de kosten niet in redelijke verhouding zouden staan tot de daarmee te bereiken grotere veiligheid en bruikbaarheid.

De eisen aan de breedte van de openingen (artikel 2.22) in een afscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Het is ook de bedoeling dat dit geldt voor een bijeenkomstfunctie voor 24-uurs opvang. Dit betekent een doorbreking van de systematiek. Dit had beter per convenant geregeld kunnen worden.

Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

De hoogte-eis van 1,9 m aan de bovenkant van een hellingbaan kent geen bron. Voor een aansluitende ruimte met een verkeersroute kent het Bouwbesluit 2003 geen eisen.

De afmetingen van de in artikel 2.44 voorgeschreven vloeroppervlakte aan de bovenkant van een hellingbaan zijn afgestemd op de ingevolge het eerste lid vereiste breedte van die baan. De hoogte-eis kent geen motivering en sluit niet aan op de overige eisen van het Bouwbesluit 2003.

In artikel 2.45 zijn aan hellingbanen die hoger zijn dan 1,5 m en toegang geven tot een bestaand bouwwerk of een gedeelte daarvan, eisen gesteld met betrekking tot de aanwezigheid van afscheidingen. Deze eisen zijn minder vergaand dan die, welke gelden voor hellingbanen in de nieuwbouw. Het veiligheidsniveau van de bestaande afscheidingen blijkt doorgaans evenwel lager te zijn dan het voor de nieuwbouw geëiste niveau.

Voor het overige is het gestelde in de toelichting bij afdeling 2.6.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.45.

Gelet op het feit dat vroeger bij het stellen van eisen aan hellingbanen nauwelijks of geen rekening is gehouden met het zelfstandig gebruik daarvan door personen met een functiebeperking, wijken de in artikel 2.42 gegeven eisen af van die, welke ingevolge artikel 2.39 gelden voor het maken van een hellingbaan in de nieuwbouw. De reden hiervoor is dat, indien achteraf alsnog zou moeten worden voldaan aan de nieuwbouweisen, de kosten niet in redelijke verhouding zouden staan tot de daarmee te bereiken grotere veiligheid en bruikbaarheid.

De eisen aan de breedte van de openingen (artikel 2.22) in een afscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Het is ook de bedoeling dat dit geldt voor een bijeenkomstfunctie voor 24-uurs opvang. Dit betekent een doorbreking van de systematiek. Dit had beter per convenant geregeld kunnen worden.

Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

De hoogte-eis van 1,9 m aan de bovenkant van een hellingbaan kent geen bron. Voor een aansluitende ruimte met een verkeersroute kent het Bouwbesluit 2003 geen eisen.

De afmetingen van de in artikel 2.44 voorgeschreven vloeroppervlakte aan de bovenkant van een hellingbaan zijn afgestemd op de ingevolge het eerste lid vereiste breedte van die baan. De hoogte-eis kent geen motivering en sluit niet aan op de overige eisen van het Bouwbesluit 2003.

In artikel 2.45 zijn aan hellingbanen die hoger zijn dan 1,5 m en toegang geven tot een bestaand bouwwerk of een gedeelte daarvan, eisen gesteld met betrekking tot de aanwezigheid van afscheidingen. Deze eisen zijn minder vergaand dan die, welke gelden voor hellingbanen in de nieuwbouw. Het veiligheidsniveau van de bestaande afscheidingen blijkt doorgaans evenwel lager te zijn dan het voor de nieuwbouw geëiste niveau.

Voor het overige is het gestelde in de toelichting bij afdeling 2.6.1 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2.7.Elektriciteits- en noodstroomvoorziening

§ 2.7.1.Nieuwbouw

Artikel 2.46.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor elektriciteits- en noodstroomvoorzieningen voor te bouwen bouwwerken.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.47 bepaalt in welke situatie er een elektrische installatie of noodstroomvoorziening aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 2.48 bepaalt dat een voorgeschreven elektrische installatie een aansluitmogelijkheid moet hebben om te kunnen worden aangesloten op het openbare elektriciteitsnet (aansluitmogelijkheid in de meterruimte);
3.artikel 2.49 geeft de inrichtings- en omvangeisen waaraan elektrische installaties en noodstroomvoorzieningen moeten voldoen (in tabel 2.46 aangeduid als veiligheid);
4.artikel 2.50 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
5.artikel 2.51 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvan gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Artikel 2.47.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een elektrische installatie en de aanwezigheid van een voorziening voor noodstroom. Een elektrische installatie is voor de meeste gebruiksfuncties voorgeschreven. Onder de gebruiksfuncties waarvoor geen elektrische installatie is voorgeschreven vallen bijvoorbeeld opslagloodsen, abri’s en bovengrondse garages bij woningen. Indien er in deze uitzonderingsgevallen een lift aanwezig is, is er om die reden toch een elektrische installatie. Het is derhalve niet nodig in dergelijke gevallen een elektrische installatie voor te schrijven. Bedacht moet worden dat de terminologie van de normbladen die van deze paragraaf deel uitmaken niet aansluiten bij die van het Bouwbesluit 2003. Dit leidt er toe dat op grond van artikel 2.49 elektrische installaties worden voorgeschreven, hoewel uit onderhavig artikel de indruk bestaat dat dit niet nodig is.

Wat betreft gebruiksfunctie 11a is het voorschrift mede ontleend aan het Metroreglement.

Artikel 2.48.

De installatie moet blijkens dit artikel in de meterruimte een aansluitpunt hebben, waarmee zij kan worden aangesloten op het openbare elektriciteitsnet. Dit aansluitpunt wordt in het Bouwbesluit ‘aansluitmogelijkheid‘ genoemd in onderscheid van de aansluitpunten voor de gebruiker. Het artikel schrijft niet voor dat de elektriciteitsinstallatie moet zijn aangesloten op het distributienet van elektriciteit, aangezien dit geen technisch voorschrift in de zin van artikel 2 van de Woningwet is. Voorschriften omtrent de beschikbaarheid van energie dienen op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, sub 1°, in de gemeentelijke bouwverordening te worden gegeven. Bij woonwagens moet het voorschrift zo worden gelezen dat zowel de standplaats een voorziening heeft voor elektrische energie als de woonwagen. De meterruimte maakt in beginsel deel uit van de standplaats; de installaties van woonwagen en standplaats moeten zijn gekoppeld.

Artikel 2.49.

De elektrische installatie moet, wat omvang en inrichting betreft voldoen aan NEN 1010. In dit normblad zijn met het oog op de veiligheid van de installatie eisen gesteld. Aan die eisen moet de installatie voldoen om geschikt te zijn voor de levering van gedistribueerde elektrici-teit. Deze eisen zien mede toe op beperking van de kans dat als gevolg van een elektriciteits-installatie brand ontstaat. Wat de inrichting betreft, is in genoemd normblad onder meer de wijze van bedrading en beveiliging van de elektriciteitsinstallatie voorgeschreven. Wat de omvang betreft, bepaalt dat normblad onder meer het aantal wandcontactdozen, lichtpunten en lichtschakelaars, alsmede aansluitpunten voor enige toestellen. Een voorziening voor elektriciteit voor hoge spanning voldoet tevens aan NEN 1041. Een voorziening voor elektriciteit voldoet voor apparatuur voor medisch onderzoek van een gezondheidszorgfunctie daarnaast aan NEN 3134. Een voorziening voor elektriciteit van een industriefunctie met risico voor gasontploffing voldoet, in aanvulling op het voorgaande, aan NEN-EN IEC 60079-14. Een voorziening voor elektriciteit van een industriefunctie met risico voor stofontploffing voldoet, in aanvulling op het voorgaande, aan NEN-EN 50281-1-2. Alle installaties, ook die niet in het Bouwbesluit 2003 zijn voorgeschreven moeten aan deze voorschriften voldoen.

Op grond van het tweede lid voldoet een voorziening voor noodstroom wat betreft inrichting aan NEN 1010 respectievelijk NEN 1041.

Oogmerk van het derde lid is dat de noodverlichting bij uitval van de normale stroomvoorziening zo lang blijft branden dat het bouwwerk veilig kan worden verlaten.

§ 2.7.2.Bestaande bouw

Artikel 2.52.

Artikel 2.52 regelt de aanwezigheid van een elektrische installatie en de aanwezigheid van een voorziening voor noodstroom voor bestaande bouwwerken. Een elektrische installatie is voor de meeste gebruiksfuncties voorgeschreven. Het is niet de bedoeling dat voor bestaande bouwwerken deze installatie aanwezig moet zijn als dit voor de nieuwbouw niet geldt.

De installatie moet blijkens artikel 2.52 in of bij het bouwwerk een aansluitpunt hebben, waarmee zij kan worden aangesloten op het openbare elektriciteitsnet. Dit aansluitpunt wordt in het Bouwbesluit ‘aansluitmogelijkheid‘ genoemd in onderscheid van de aansluitpunten voor de gebruiker. Het artikel schrijft niet voor dat de elektriciteitsinstallatie moet zijn aangesloten op het distributienet van elektriciteit, aangezien dit geen technisch voorschrift in de zin van artikel 2 van de Woningwet is. Voorschriften omtrent de beschikbaarheid van energie dienen op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, sub 1°, in de gemeentelijke bouwverordening te worden gegeven. Bij woonwagens moet het voorschrift zo worden gelezen dat zowel de standplaats een voorziening heeft voor elektrische energie als de woonwagen. De installaties van woonwagen en standplaats moeten zijn gekoppeld.

De in een bestaand bouwwerk aanwezige elektriciteitsinstallatie moet ingevolge artikel 2.55, eerste lid, voldoen aan NEN 1010, uitgave 1962. Dat normblad bevat lagere eisen dan het normblad dat voor de nieuwbouw geldt. Het normblad bevat eisen met betrekking tot de omvang en inrichting van die installatie. Betreft het een installatie die is aangelegd na 1962 dan zal die installatie ten minste moeten voldoen aan de voorschriften die golden op het moment van de aanleg. Voor een voorziening voor hoge spanning moet zijn voldaan aan V 1041, een normblad uit 1942. Een voorziening voor elektriciteit voor apparatuur voor medisch onderzoek van een gezondheidszorgfunctie voldoet voorts aan NEN 3134, uitgave 1976. Voorgaande eisen ten aanzien van de inrichting gelden ook voor een bestaande noodstroomvoorziening. Een voorziening voor elektriciteit van een industriefunctie met risico voor gasontploffing voldoet, in aanvulling op het voorgaande, aan NEN-EN IEC 60079-14. Een voorziening voor elektriciteit van een industriefunctie met risico voor stofontploffing voldoet, in aanvulling op het voorgaande, aan NEN-EN 50281-1-2.

Voor deze laatste twee voorzieningen zijn de eisen voor de bestaande bouw gelijk aan die voor nieuwbouw.

Oogmerk van het derde lid van artikel 2.55 is dat de noodverlichting bij uitval van de normale stroomvoorziening zo lang blijft branden dat het bouwwerk veilig kan worden verlaten.

Artikel 2.53.

Artikel 2.52 regelt de aanwezigheid van een elektrische installatie en de aanwezigheid van een voorziening voor noodstroom voor bestaande bouwwerken. Een elektrische installatie is voor de meeste gebruiksfuncties voorgeschreven. Het is niet de bedoeling dat voor bestaande bouwwerken deze installatie aanwezig moet zijn als dit voor de nieuwbouw niet geldt.

De installatie moet blijkens artikel 2.52 in of bij het bouwwerk een aansluitpunt hebben, waarmee zij kan worden aangesloten op het openbare elektriciteitsnet. Dit aansluitpunt wordt in het Bouwbesluit ‘aansluitmogelijkheid‘ genoemd in onderscheid van de aansluitpunten voor de gebruiker. Het artikel schrijft niet voor dat de elektriciteitsinstallatie moet zijn aangesloten op het distributienet van elektriciteit, aangezien dit geen technisch voorschrift in de zin van artikel 2 van de Woningwet is. Voorschriften omtrent de beschikbaarheid van energie dienen op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, sub 1°, in de gemeentelijke bouwverordening te worden gegeven. Bij woonwagens moet het voorschrift zo worden gelezen dat zowel de standplaats een voorziening heeft voor elektrische energie als de woonwagen. De installaties van woonwagen en standplaats moeten zijn gekoppeld.

De in een bestaand bouwwerk aanwezige elektriciteitsinstallatie moet ingevolge artikel 2.55, eerste lid, voldoen aan NEN 1010, uitgave 1962. Dat normblad bevat lagere eisen dan het normblad dat voor de nieuwbouw geldt. Het normblad bevat eisen met betrekking tot de omvang en inrichting van die installatie. Betreft het een installatie die is aangelegd na 1962 dan zal die installatie ten minste moeten voldoen aan de voorschriften die golden op het moment van de aanleg. Voor een voorziening voor hoge spanning moet zijn voldaan aan V 1041, een normblad uit 1942. Een voorziening voor elektriciteit voor apparatuur voor medisch onderzoek van een gezondheidszorgfunctie voldoet voorts aan NEN 3134, uitgave 1976. Voorgaande eisen ten aanzien van de inrichting gelden ook voor een bestaande noodstroomvoorziening. Een voorziening voor elektriciteit van een industriefunctie met risico voor gasontploffing voldoet, in aanvulling op het voorgaande, aan NEN-EN IEC 60079-14. Een voorziening voor elektriciteit van een industriefunctie met risico voor stofontploffing voldoet, in aanvulling op het voorgaande, aan NEN-EN 50281-1-2.

Voor deze laatste twee voorzieningen zijn de eisen voor de bestaande bouw gelijk aan die voor nieuwbouw.

Oogmerk van het derde lid van artikel 2.55 is dat de noodverlichting bij uitval van de normale stroomvoorziening zo lang blijft branden dat het bouwwerk veilig kan worden verlaten.

Artikel 2.54.

Artikel 2.52 regelt de aanwezigheid van een elektrische installatie en de aanwezigheid van een voorziening voor noodstroom voor bestaande bouwwerken. Een elektrische installatie is voor de meeste gebruiksfuncties voorgeschreven. Het is niet de bedoeling dat voor bestaande bouwwerken deze installatie aanwezig moet zijn als dit voor de nieuwbouw niet geldt.

De installatie moet blijkens artikel 2.52 in of bij het bouwwerk een aansluitpunt hebben, waarmee zij kan worden aangesloten op het openbare elektriciteitsnet. Dit aansluitpunt wordt in het Bouwbesluit ‘aansluitmogelijkheid‘ genoemd in onderscheid van de aansluitpunten voor de gebruiker. Het artikel schrijft niet voor dat de elektriciteitsinstallatie moet zijn aangesloten op het distributienet van elektriciteit, aangezien dit geen technisch voorschrift in de zin van artikel 2 van de Woningwet is. Voorschriften omtrent de beschikbaarheid van energie dienen op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, sub 1°, in de gemeentelijke bouwverordening te worden gegeven. Bij woonwagens moet het voorschrift zo worden gelezen dat zowel de standplaats een voorziening heeft voor elektrische energie als de woonwagen. De installaties van woonwagen en standplaats moeten zijn gekoppeld.

De in een bestaand bouwwerk aanwezige elektriciteitsinstallatie moet ingevolge artikel 2.55, eerste lid, voldoen aan NEN 1010, uitgave 1962. Dat normblad bevat lagere eisen dan het normblad dat voor de nieuwbouw geldt. Het normblad bevat eisen met betrekking tot de omvang en inrichting van die installatie. Betreft het een installatie die is aangelegd na 1962 dan zal die installatie ten minste moeten voldoen aan de voorschriften die golden op het moment van de aanleg. Voor een voorziening voor hoge spanning moet zijn voldaan aan V 1041, een normblad uit 1942. Een voorziening voor elektriciteit voor apparatuur voor medisch onderzoek van een gezondheidszorgfunctie voldoet voorts aan NEN 3134, uitgave 1976. Voorgaande eisen ten aanzien van de inrichting gelden ook voor een bestaande noodstroomvoorziening. Een voorziening voor elektriciteit van een industriefunctie met risico voor gasontploffing voldoet, in aanvulling op het voorgaande, aan NEN-EN IEC 60079-14. Een voorziening voor elektriciteit van een industriefunctie met risico voor stofontploffing voldoet, in aanvulling op het voorgaande, aan NEN-EN 50281-1-2.

Voor deze laatste twee voorzieningen zijn de eisen voor de bestaande bouw gelijk aan die voor nieuwbouw.

Oogmerk van het derde lid van artikel 2.55 is dat de noodverlichting bij uitval van de normale stroomvoorziening zo lang blijft branden dat het bouwwerk veilig kan worden verlaten.

Artikel 2.55.

Artikel 2.52 regelt de aanwezigheid van een elektrische installatie en de aanwezigheid van een voorziening voor noodstroom voor bestaande bouwwerken. Een elektrische installatie is voor de meeste gebruiksfuncties voorgeschreven. Het is niet de bedoeling dat voor bestaande bouwwerken deze installatie aanwezig moet zijn als dit voor de nieuwbouw niet geldt.

De installatie moet blijkens artikel 2.52 in of bij het bouwwerk een aansluitpunt hebben, waarmee zij kan worden aangesloten op het openbare elektriciteitsnet. Dit aansluitpunt wordt in het Bouwbesluit ‘aansluitmogelijkheid‘ genoemd in onderscheid van de aansluitpunten voor de gebruiker. Het artikel schrijft niet voor dat de elektriciteitsinstallatie moet zijn aangesloten op het distributienet van elektriciteit, aangezien dit geen technisch voorschrift in de zin van artikel 2 van de Woningwet is. Voorschriften omtrent de beschikbaarheid van energie dienen op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, sub 1°, in de gemeentelijke bouwverordening te worden gegeven. Bij woonwagens moet het voorschrift zo worden gelezen dat zowel de standplaats een voorziening heeft voor elektrische energie als de woonwagen. De installaties van woonwagen en standplaats moeten zijn gekoppeld.

De in een bestaand bouwwerk aanwezige elektriciteitsinstallatie moet ingevolge artikel 2.55, eerste lid, voldoen aan NEN 1010, uitgave 1962. Dat normblad bevat lagere eisen dan het normblad dat voor de nieuwbouw geldt. Het normblad bevat eisen met betrekking tot de omvang en inrichting van die installatie. Betreft het een installatie die is aangelegd na 1962 dan zal die installatie ten minste moeten voldoen aan de voorschriften die golden op het moment van de aanleg. Voor een voorziening voor hoge spanning moet zijn voldaan aan V 1041, een normblad uit 1942. Een voorziening voor elektriciteit voor apparatuur voor medisch onderzoek van een gezondheidszorgfunctie voldoet voorts aan NEN 3134, uitgave 1976. Voorgaande eisen ten aanzien van de inrichting gelden ook voor een bestaande noodstroomvoorziening. Een voorziening voor elektriciteit van een industriefunctie met risico voor gasontploffing voldoet, in aanvulling op het voorgaande, aan NEN-EN IEC 60079-14. Een voorziening voor elektriciteit van een industriefunctie met risico voor stofontploffing voldoet, in aanvulling op het voorgaande, aan NEN-EN 50281-1-2.

Voor deze laatste twee voorzieningen zijn de eisen voor de bestaande bouw gelijk aan die voor nieuwbouw.

Oogmerk van het derde lid van artikel 2.55 is dat de noodverlichting bij uitval van de normale stroomvoorziening zo lang blijft branden dat het bouwwerk veilig kan worden verlaten.

Afdeling 2.8.Verlichting

§ 2.8.1.Nieuwbouw

Artikel 2.56.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor verlichting voor te bouwen bouwwerken.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.57 bepaalt in welke situatie een verlichtingsinstallatie aanwezig moet zijn, met de bijbehorende eis aan de verlichtingssterkte (verlichtingssterkte);
2.artikel 2.58 bepaalt in welke situatie een verlichtingsinstallatie moet zijn aangesloten op de voorziening voor elektriciteit (stroomvoorziening);
3.artikel 2.59 bepaalt in welke situatie een verlichtingsinstallatie moet zijn aangesloten op de voorziening voor noodstroom (noodverlichting);
4.artikel 2.60 stelt eisen aan de lichtsterkte van de noodverlichting (in tabel 2.56 aangeduid als voorziening voor noodstroom);
5.artikel 2.61 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
6.artikel 2.62 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvan gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor de woonfunctie van woonwagen wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfunctie niet van toepassing is.

Artikel 2.57.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een verlichtingsinstallatie en de vereiste verlichtingssterkte. Met dit voorschrift worden met name de gebruiksveiligheid, sociale veiligheid en bruikbaarheid gediend. Ook brandveiligheid speelt hierbij een rol.

De wijziging ten opzichte artikel 180 (oud) van het Bouwbesluit zoals tot 1 januari 2003 gold, betekent dat alleen in een verblijfsgebied van een gebouw waarin mensen arbeid verrichten en in een besloten verkeersruimte, waardoor een rookvrije vluchtroute voert, ook die van een woonfunctie, een verlichtingsinstallatie aanwezig moet zijn. Dit voorschrift geldt ook voor een verblijfsgebied van een groot gebouw ten dienste van het vervoer van personen en voor ondergronds gelegen parkeergarages. Een verlichtingsinstallatie is niet vereist voor kleine gebouwen ten dienste van het vervoer van personen, zoals abri's, bushaltes en kleine wachthuisjes bij stations. De voorschriften voor gebouwen ten dienste van het vervoer van personen zijn ontleend aan het Metroreglement.

Vanuit een oogpunt van gebruiksveiligheid is in het algemeen een verlichtingssterkte van 10 lux nodig. Omdat wordt aangenomen dat het daglicht een verlichtingssterkte heeft van meer dan 10 lux, is voor niet-besloten ruimten geen aanvullende verlichting voorgeschreven.

Dit voorschrift is voor een celfunctie mede ontleend aan de Regeling politiecellencomplex en gerelateerd aan het uitgangspunt bruikbaarheid en algemene veiligheid. De eis voor de verlichtingssterkte in een cel wijkt af van de in deze regeling opgenomen eis. De aangebrachte verlichtingssterkte in cellen bedraagt namelijk minder dan de voorgeschreven 400 lux. Vandaar dat voor nieuwe inrichtingen (met instemming van de Minister van Justitie) 200 lux wordt voorgeschreven.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de verlichtingsinstallatie van de kooi van een lift een verlichtingssterkte moet hebben van ten minste 10 lux (sociale veiligheid). Dit voorschrift voorziet in de implementatie van onderdeel 4.8 van bijlage I van de richtlijn liften (95/16/EG) waar artikel 3 van die richtlijn naar verwijst. In dat onderdeel is bepaald dat bij gebruik van de lift en bij geopende deuren er voldoende licht in de kooi aanwezig moet zijn.

Omdat voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde niet op voorhand is aan te geven of en in hoeverre kunstlicht noodzakelijk is voor een veilig gebruik geeft het vierde lid een functionele eis waarmee burgemeester en wethouders enige beleidsruimte hebben bij het stellen van op de situatie toegespitste voorschriften. Een bouwwerk dat niet is bestemd om arbeid in te verrichten zonder dat daglicht in voldoende mate aanwezig is of dat niet is bestemd om in nachtelijke uren door mensen te worden betreden, of dat zo is ingericht dat het daglicht of het nachtelijk hemellicht of licht uit een andere niet tot het bouwwerk behorende lichtbron in geval van vluchten voldoende is, hoeft geen verlichtingsinstallatie te hebben. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn bij een aanlegsteiger of een open tribune.

Artikel 2.58.

Dit artikel regelt dat de voorgeschreven verlichtingsinstallatie moet zijn aangesloten op het lichtnet.

Artikel 2.59.

Voor risicovolle situaties wordt een aansluiting op de elektrische installatie niet voldoende betrouwbaar geacht en is een aansluiting op een voorziening van noodstroom voorgeschreven.

Volgens dit artikel behoeft niet elke verlichtingsinstallatie te zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom. Dit geldt met name niet voor die gebouwtjes waarin niet meer dan één persoon per 20 m² vloeroppervlakte zal verblijven (in het voorschrift aangeduid met >900 m² aan verblijfsruimte(=rekenwaarde bij B4, zijnde 12, maal 75; zie algemeen gedeelte van deze toelichting)). In de regel zal er, wanneer meer dan vijfenzeventig personen gebruik moeten kunnen maken van een verblijfsgebied, een voorziening voor noodstroom moeten zijn. Dit voorschrift is daarmee afgestemd op het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Voor een ondergronds gelegen verblijfsruimte van een gebouw ten dienste van het vervoer van personen is een aansluiting op een noodstroomvoorziening verplicht. Dit is ontleend aan het Metroreglement. Voorts is een aansluiting op een noodstroomvoorziening verplicht voor een grote ondergrondse parkeergarage.

Noodstroom is voorgeschreven voor grote verblijfsruimten met een hoge bezettingsgraad in utiliteitsgebouwen, voor liftkooien en - afhankelijk van de gebruiksfunctie - voor de routes van voorgeschreven rookvrije vluchtroutes.

Een verlichtingsinstallatie ten dienst van een rookvrije vluchtroute is, voor zover die route voert door een besloten ruimte, aangesloten op de voorziening voor noodstroom. Dit geldt niet voor een woonfunctie.

Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de verlichtingsinstallatie van de kooi van een lift moet zijn aangesloten op de voorziening voor noodstroom. Dit voorschrift voorziet in de implementatie van onderdeel 4.8 van bijlage I van de richtlijn liften (95/16/EG) waar artikel 3 van die richtlijn naar verwijst. In dat onderdeel is bepaald dat bij gebruik van de lift en bij geopende deuren er voldoende licht in de kooi aanwezig moet zijn en dat er ook noodverlichting moet zijn.

Artikel 2.60.

Dit artikel geeft de eis waaraan de verlichting op noodstroom moet voldoen. Omdat het om uitzonderlijke situaties gaat, kan worden volstaan met een verlichtingssterkte van 1 lux gedurende 1 uur. Omdat het hemellicht in de regel voor niet-besloten ruimten in deze lichtsterkte voldoet, kon worden afgezien van het eisen van een verlichtingsinstallatie voor een vluchtroute die voert door zo’n ruimte.

§ 2.8.2.Bestaande bouw

Artikel 2.63.

Met het oog op de begaanbaarheid is het noodzakelijk dat vloeren van verblijfsruimten waarin arbeid wordt verricht en waarover een rookvrije vluchtroute voert, zoals bijvoorbeeld vloeren van gangen en corridors, in een bestaand gebouw kunnen worden verlicht. In de praktijk is een dergelijke verlichting ook aanwezig. Gelet op het vorenstaande is dit in artikel 2.64 geëist. De vereiste verlichtingssterkte, die lager is dan voor de nieuwbouw, komt overeen met het gangbare niveau van een noodverlichtingsinstallatie. Blijkens het tweede lid behoeft een niet-besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, zoals bijvoorbeeld een galerij, niet te zijn verlicht. Dit hangt samen met het feit dat een galerij door licht vanuit de omgeving en nachtelijk hemellicht doorgaans in zodanige mate zal zijn "verlicht", dat deze verkeersruimte uit het oogpunt van veiligheid nog net voldoende begaanbaar kan worden geacht.

In een trappenhuis gelegen trappen en hellingbanen, alsmede de kooi van een lift, dienen met het oog op de bruikbaarheid eveneens te zijn verlicht. Om die reden is in het tweede en derde lid bepaald dat die ruimten in dezelfde mate moeten zijn verlicht als een in het eerste lid bedoelde verblijfsruimte.

Voor het overige is het gestelde in de toelichting bij afdeling 2.8.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.64.

Met het oog op de begaanbaarheid is het noodzakelijk dat vloeren van verblijfsruimten waarin arbeid wordt verricht en waarover een rookvrije vluchtroute voert, zoals bijvoorbeeld vloeren van gangen en corridors, in een bestaand gebouw kunnen worden verlicht. In de praktijk is een dergelijke verlichting ook aanwezig. Gelet op het vorenstaande is dit in artikel 2.64 geëist. De vereiste verlichtingssterkte, die lager is dan voor de nieuwbouw, komt overeen met het gangbare niveau van een noodverlichtingsinstallatie. Blijkens het tweede lid behoeft een niet-besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, zoals bijvoorbeeld een galerij, niet te zijn verlicht. Dit hangt samen met het feit dat een galerij door licht vanuit de omgeving en nachtelijk hemellicht doorgaans in zodanige mate zal zijn "verlicht", dat deze verkeersruimte uit het oogpunt van veiligheid nog net voldoende begaanbaar kan worden geacht. In een trappenhuis gelegen trappen en hellingbanen, alsmede de kooi van een lift, dienen met het oog op de bruikbaarheid eveneens te zijn verlicht. Om die reden is in het tweede en derde lid bepaald dat die ruimten in dezelfde mate moeten zijn verlicht als een in het eerste lid bedoelde verblijfsruimte.

Voor het overige is het gestelde in de toelichting bij afdeling 2.8.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.65.

Met het oog op de begaanbaarheid is het noodzakelijk dat vloeren van verblijfsruimten waarin arbeid wordt verricht en waarover een rookvrije vluchtroute voert, zoals bijvoorbeeld vloeren van gangen en corridors, in een bestaand gebouw kunnen worden verlicht. In de praktijk is een dergelijke verlichting ook aanwezig. Gelet op het vorenstaande is dit in artikel 2.64 geëist. De vereiste verlichtingssterkte, die lager is dan voor de nieuwbouw, komt overeen met het gangbare niveau van een noodverlichtingsinstallatie. Blijkens het tweede lid behoeft een niet-besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, zoals bijvoorbeeld een galerij, niet te zijn verlicht. Dit hangt samen met het feit dat een galerij door licht vanuit de omgeving en nachtelijk hemellicht doorgaans in zodanige mate zal zijn "verlicht", dat deze verkeersruimte uit het oogpunt van veiligheid nog net voldoende begaanbaar kan worden geacht. In een trappenhuis gelegen trappen en hellingbanen, alsmede de kooi van een lift, dienen met het oog op de bruikbaarheid eveneens te zijn verlicht. Om die reden is in het tweede en derde lid bepaald dat die ruimten in dezelfde mate moeten zijn verlicht als een in het eerste lid bedoelde verblijfsruimte.

Voor het overige is het gestelde in de toelichting bij afdeling 2.8.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.66.

Met het oog op de begaanbaarheid is het noodzakelijk dat vloeren van verblijfsruimten waarin arbeid wordt verricht en waarover een rookvrije vluchtroute voert, zoals bijvoorbeeld vloeren van gangen en corridors, in een bestaand gebouw kunnen worden verlicht. In de praktijk is een dergelijke verlichting ook aanwezig. Gelet op het vorenstaande is dit in artikel 2.64 geëist. De vereiste verlichtingssterkte, die lager is dan voor de nieuwbouw, komt overeen met het gangbare niveau van een noodverlichtingsinstallatie. Blijkens het tweede lid behoeft een niet-besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, zoals bijvoorbeeld een galerij, niet te zijn verlicht. Dit hangt samen met het feit dat een galerij door licht vanuit de omgeving en nachtelijk hemellicht doorgaans in zodanige mate zal zijn "verlicht", dat deze verkeersruimte uit het oogpunt van veiligheid nog net voldoende begaanbaar kan worden geacht. In een trappenhuis gelegen trappen en hellingbanen, alsmede de kooi van een lift, dienen met het oog op de bruikbaarheid eveneens te zijn verlicht. Om die reden is in het tweede en derde lid bepaald dat die ruimten in dezelfde mate moeten zijn verlicht als een in het eerste lid bedoelde verblijfsruimte.

Voor het overige is het gestelde in de toelichting bij afdeling 2.8.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.67.

Met het oog op de begaanbaarheid is het noodzakelijk dat vloeren van verblijfsruimten waarin arbeid wordt verricht en waarover een rookvrije vluchtroute voert, zoals bijvoorbeeld vloeren van gangen en corridors, in een bestaand gebouw kunnen worden verlicht. In de praktijk is een dergelijke verlichting ook aanwezig. Gelet op het vorenstaande is dit in artikel 2.64 geëist. De vereiste verlichtingssterkte, die lager is dan voor de nieuwbouw, komt overeen met het gangbare niveau van een noodverlichtingsinstallatie. Blijkens het tweede lid behoeft een niet-besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, zoals bijvoorbeeld een galerij, niet te zijn verlicht. Dit hangt samen met het feit dat een galerij door licht vanuit de omgeving en nachtelijk hemellicht doorgaans in zodanige mate zal zijn "verlicht", dat deze verkeersruimte uit het oogpunt van veiligheid nog net voldoende begaanbaar kan worden geacht. In een trappenhuis gelegen trappen en hellingbanen, alsmede de kooi van een lift, dienen met het oog op de bruikbaarheid eveneens te zijn verlicht. Om die reden is in het tweede en derde lid bepaald dat die ruimten in dezelfde mate moeten zijn verlicht als een in het eerste lid bedoelde verblijfsruimte.

Voor het overige is het gestelde in de toelichting bij afdeling 2.8.1 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2.9.Gasvoorziening

§ 2.9.1.Nieuwbouw

Artikel 2.68.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor een gasvoorziening voor te bouwen bouwwerken.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.69 bepaalt in welke situatie er een gasinstallatie aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 2.70 bepaalt de omvang van de gasinstallatie voor wat betreft aansluitpunten voor het gebruik en een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het openbare distributienet (aansluitingen), en
3.artikel 2.71 geeft de inrichtingsseisen waaraan de gasinstallatie moet voldoen (in tabel 2.68 aangeduid als veiligheid).

Artikel 2.69.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een gasinstallatie voor een woonfunctie.

Indien de betrokken gebruiksfuncties kunnen worden aangesloten op een gemeenschappelijke of publieke voorziening voor verwarming is een individuele gasinstallatie niet nodig. De reden hiervoor is dat de verplichting tot het hebben van een gasinstallatie hoofdzakelijk verband houdt met het door middel van gas kunnen verwarmen van een woning. De noodzaak voor een dergelijke installatie vervalt dan ook, indien de verwarming van de woning plaatsvindt door middel van een gemeenschappelijke voorziening. In een dergelijke situatie wordt voor het koken veelal gebruik gemaakt van een andere energievoorziening, met name van elektriciteit.

Stadsverwarming is een voorbeeld van een publieke voorziening voor verwarming. Wanneer sprake is van gemeenschappelijke verwarming in een woongebouw, zal dat gebouw over een gemeenschappelijke voorziening voor gas moeten beschikken.

Artikel 2.70.

Dit artikel regelt de minimumomvang van een gasinstallatie. Er moet in de meterruimte een aansluitpunt zijn, waarmee de installatie kan worden aangesloten op het distributienet van gas. Dit aansluitpunt wordt in het Bouwbesluit ‘aansluitmogelijkheid’ genoemd ter onderscheid van de in het tweede lid voorgeschreven aansluitpunten voor de gebruiker.

Voorschriften omtrent de beschikbaarheid van energie dienen op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, sub 1°, in de gemeentelijke bouwverordening te worden gegeven.

Bij woonwagens moet het voorschrift zo worden gelezen dat zowel de standplaats een voorziening heeft voor gas als de woonwagen. De installaties van woonwagen en standplaats moeten zijn gekoppeld.

Voor een woonfunctie bepaalt het tweede lid waar er aansluitpunten moeten zijn. Dit is ongeacht de daadwerkelijke aanwezigheid van een op gas gestookt toestel. Wanneer het stooktoestel en het warmwatertoestel zijn samengevoegd, kan worden volstaan met één aansluitpunt voor het gecombineerde toestel.

Wanneer sprake is een gemeenschappelijke voorziening voor gas, kan worden afgezien van de aansluitpunten binnen de woningen, maar zal een aansluitpunt aanwezig moeten zijn nabij de opstelplaats voor het gemeenschappelijke stooktoestel.

Voor niet tot bewoning bestemde bouwwerken bepaalt het derde lid dat er een aansluitpunt moet zijn bij elke opstelplaats die is bestemd voor een op gas gestookt verbrandingstoestel. Hierbij kan men denken aan opstelplaatsen voor kook-, stook- en warmwatertoestellen. Het is niet logisch op grond van het Bouwbesluit 2003 aansluitpunten te eisen die geen relatie hebben met de doelstelling van de Woningwet, zoals ten behoeve van een gasgestookte oven bij een bakkerij.

Artikel 2.71.

De inrichting van een voorziening voor gas moet veilig zijn. Om die reden moet, ongeacht of dit een voorgeschreven voorziening is of een vrijwillig aangelegde voorziening,:

1.de voorziening voor gas met een nominale werkdruk tot 40 bar voldoen aan NEN 2078;
2.de voorziening voor gas met een nominale werkdruk tot 5 bar, in afwijking onderdeel 1, voldoen aan NEN-EN 1775, en
3.de voorziening voor gas met een nominale werkdruk tot 100 mbar, in afwijking van het eerste en tweede onderdeel, voldoen aan NEN 1078.

§ 2.9.2.Bestaande bouw

Artikel 2.72.

Aangezien niet alle bestaande woningen, woongebouwen en niet tot bewoning bestemde gebouwen op grond van een wettelijke verplichting behoeven te zijn uitgerust met een gasinstallatie, is in dit besluit de aanwezigheid van een dergelijke installatie in een bestaande woning, een bestaand woongebouw of een bestaand, niet tot bewoning bestemd gebouw niet voorgeschreven.

Is een bestaande bouwwerk evenwel met een gasinstallatie uitgerust, dan moet er blijkens artikel 2.73 in of bij het bouwwerk een aansluitpunt zijn, waarmee de installatie kan worden aangesloten op het distributienet van gas. Dit aansluitpunt wordt in het Bouwbesluit ‘aansluitmogelijkheid’ genoemd ter onderscheid van de in het tweede lid voorgeschreven aansluitpunten voor de gebruiker.

Voorschriften omtrent de beschikbaarheid van energie dienen op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, sub 1°, in de gemeentelijke bouwverordening te worden gegeven.

De inrichting van een voorziening voor gas moet blijkens artikel 2.74 veilig zijn. Om die reden moet

1.de voorziening voor gas, met een nominale werkdruk tot 40 bar, voldoet aan NEN 2078, uitgave mei 1987;
2.de voorziening voor gas, met een nominale werkdruk tot 100 mbar, voldoet in afwijking van het eerste onderdeel aan het document Bodemniveau Gasinstallaties, uitgave EnergieNed, september 1992.

In dit normblad en die "richtlijn" zijn ten aanzien van de inrichting van bestaande gasinstallaties voorschriften gegeven die in bepaalde opzichten afwijken van die, welke voor de nieuwbouw gelden, zonder dat evenwel het veiligheidsniveau van een bestaande gasinstallatie in betekenende mate onderdoet voor dat van een nieuwe installatie.

Artikel 2.73.

Aangezien niet alle bestaande woningen, woongebouwen en niet tot bewoning bestemde gebouwen op grond van een wettelijke verplichting behoeven te zijn uitgerust met een gasinstallatie, is in dit besluit de aanwezigheid van een dergelijke installatie in een bestaande woning, een bestaand woongebouw of een bestaand, niet tot bewoning bestemd gebouw niet voorgeschreven.

Is een bestaande bouwwerk evenwel met een gasinstallatie uitgerust, dan moet er blijkens artikel 2.73 in of bij het bouwwerk een aansluitpunt zijn, waarmee de installatie kan worden aangesloten op het distributienet van gas. Dit aansluitpunt wordt in het Bouwbesluit ‘aansluitmogelijkheid’ genoemd ter onderscheid van de in het tweede lid voorgeschreven aansluitpunten voor de gebruiker.

Voorschriften omtrent de beschikbaarheid van energie dienen op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, sub 1°, in de gemeentelijke bouwverordening te worden gegeven.

De inrichting van een voorziening voor gas moet blijkens artikel 2.74 veilig zijn. Om die reden moet

1.de voorziening voor gas, met een nominale werkdruk tot 40 bar, voldoet aan NEN 2078, uitgave mei 1987;
2.de voorziening voor gas, met een nominale werkdruk tot 100 mbar, voldoet in afwijking van het eerste onderdeel aan het document Bodemniveau Gasinstallaties, uitgave EnergieNed, september 1992.

In dit normblad en die "richtlijn" zijn ten aanzien van de inrichting van bestaande gasinstallaties voorschriften gegeven die in bepaalde opzichten afwijken van die, welke voor de nieuwbouw gelden, zonder dat evenwel het veiligheidsniveau van een bestaande gasinstallatie in betekenende mate onderdoet voor dat van een nieuwe installatie.

Artikel 2.74.

Aangezien niet alle bestaande woningen, woongebouwen en niet tot bewoning bestemde gebouwen op grond van een wettelijke verplichting behoeven te zijn uitgerust met een gasinstallatie, is in dit besluit de aanwezigheid van een dergelijke installatie in een bestaande woning, een bestaand woongebouw of een bestaand, niet tot bewoning bestemd gebouw niet voorgeschreven.

Is een bestaande bouwwerk evenwel met een gasinstallatie uitgerust, dan moet er blijkens artikel 2.73 in of bij het bouwwerk een aansluitpunt zijn, waarmee de installatie kan worden aangesloten op het distributienet van gas. Dit aansluitpunt wordt in het Bouwbesluit ‘aansluitmogelijkheid’ genoemd ter onderscheid van de in het tweede lid voorgeschreven aansluitpunten voor de gebruiker.

Voorschriften omtrent de beschikbaarheid van energie dienen op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, sub 1°, in de gemeentelijke bouwverordening te worden gegeven.

De inrichting van een voorziening voor gas moet blijkens artikel 2.74 veilig zijn. Om die reden moet

1.de voorziening voor gas, met een nominale werkdruk tot 40 bar, voldoet aan NEN 2078, uitgave mei 1987;
2.de voorziening voor gas, met een nominale werkdruk tot 100 mbar, voldoet in afwijking van het eerste onderdeel aan het document Bodemniveau Gasinstallaties, uitgave EnergieNed, september 1992.

In dit normblad en die "richtlijn" zijn ten aanzien van de inrichting van bestaande gasinstallaties voorschriften gegeven die in bepaalde opzichten afwijken van die, welke voor de nieuwbouw gelden, zonder dat evenwel het veiligheidsniveau van een bestaande gasinstallatie in betekenende mate onderdoet voor dat van een nieuwe installatie.

Afdeling 2.10.Beweegbare constructie-onderdelen

§ 2.10.1.Nieuwbouw

Artikel 2.75.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor beweegbare onderdelen voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.76 regelt de minimale hoogte van de onderkant van beweegbare constructie-onderdelen (ramen, deuren, luiken, markiezen, zonneschermen, etc) boven de openbare weg of een rookvrije vluchtroute (in tabel 2.75 aangeduid als “hoogte”),
2.artikel 2.77 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
3.artikel 2.78 verklaart bepaalde eisen van deze paragraaf tevens van toepassing op het bouwen van niet-permanente bouwwerken (tijdelijke bouw).

Artikel 2.76.

Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat beweegbare onderdelen van bouwwerken, zoals ramen, deuren en luiken, gevaar opleveren bij vluchten uit het bouwwerk, dan wel voor voorbijgangers en langskomend verkeer. Voor woonwagens geldt een speciale eis, die in het vijfde lid staat.

Op grond van het eerste lid mogen zich in het onderste gedeelte van de gevel van een direct aan een voor motorvoertuigen openstaande weg of op een afstand van slechts 0,6 m gelegen bouwwerk slechts naar binnen draaiende constructie-onderdelen dan wel schuifdeuren of schuiframen bevinden. Constructie-onderdelen waarvan de onderkant zich op voldoende hoogte bevindt en die als gevolg daarvan geen gevaar opleveren voor bijvoorbeeld vrachtwagens en autobussen, mogen daarentegen wel naar buiten draaien. Onder wegen worden in dit lid verstaan verharde of onverharde rijbanen, waaronder begrepen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens.

Bij een weg die niet voor motorvoertuigen openstaat, zoals een voetpad of rijwielpad, mogen blijkens het tweede lid ook slechts naar binnen draaiende constructie-onderdelen dan wel schuifdeuren of schuiframen in het onderste gedeelte van de gevel zijn aangebracht. Naar buiten draaiende ramen mogen bij deze wegen, in vergelijking tot de in het eerste lid bedoelde wegen, op een geringere hoogte in de gevel zijn aangebracht. Het tweede lid geldt niet voor een nooddeur. Een nooddeur wordt uitsluitend gebruikt voor het vluchten uit een gebouw. Als men het gebouw door die nooddeur moet ontvluchten, dan weegt het veilig kunnen vluchten zwaarder dan de hinder die dat voor eventuele passanten op de niet voor motorrijtuigen openstaande weg kan opleveren. Om deze reden mag een nooddeur naar buiten draaien over bijvoorbeeld een voetpad, mits die deur nergens op een afstand van minder dan 0,6 m langs een voor motorvoertuigen openstaande weg voert.

Het derde lid heeft betrekking op ruimten waardoor een rookvrije vluchtmogelijkheid voert zoals gangen, galerijen en trappen die zijn aangemerkt als rookvrije vluchtroute in de zin van afdeling 2.18. Een deur die in zijn maximaal geopende stand een vrije doorgang overlaat van ten minste 60 cm, mag over de vluchtroute draaien. Het is geaccepteerd dat tijdelijk een rookvrije vluchtroute door een opengaande deur wordt geblokkeerd. Deze minimum breedte komt overeen met de eis zoals die tot 1 januari 2003 voor de breedte van rookvrije vluchtroutes als ondergrens heeft gegolden en waarvoor geen redenen aanwezig zijn om deze te verzwaren.

In het vierde lid is een uitzondering gemaakt op het in het derde lid neergelegde verbod voor het maken van een deur die over een gemeenschappelijke verkeersruimte draait. Deze uitzondering geldt onder meer voor een deur tussen twee gemeenschappelijke verkeersruimten, een deur die om brandveiligheidsoverwegingen in de vluchtrichting moet draaien en een deur die toegang geeft tot een woongebouw, mits is gewaarborgd dat de vrije doorgang van de gemeenschappelijke verkeersruimte niet wordt belemmerd. Het vierde lid maakt een uitzondering voor de deur van bijvoorbeeld een meterkast. Dergelijke deuren vormen geen probleem omdat zij nooit van binnen uit zullen worden geopend. Dit voorschrift zou ook moeten worden toegepast bij ruimten waarin zich slechts incidenteel personen ophouden, bijvoorbeeld ten behoeve van onderhoud aan installaties.

Op grond van het vijfde lid mag bijvoorbeeld een deur of raam van een woonwagen zich in geopende stand slechts boven de eigen standplaats kunnen bevinden. Dit voorschrift strekt ertoe te voorkomen dat dergelijke beweegbare constructie-onderdelen van een woonwagen gevaar opleveren voor het verkeer of voor voetgangers die zich over de aan de standplaats grenzende weg of het voetpad of op een naastgelegen standplaats voortbewegen. Door de fundering van de standplaats op enige afstand van de grens van de standplaats te situeren - hetgeen in de praktijk in de regel gebeurt - zal aan dit voorschrift zijn voldaan.

§ 2.10.2.Bestaande bouw

Artikel 2.79.

Artikel 2.80 verbiedt dat beweegbare constructie-onderdelen van bestaande bouwwerken die zijn gelegen aan een voor motorvoertuigen openstaande weg, zich in geopende stand beneden een hoogte van 4,2 m boven die weg bevinden. Dit verbod geldt, anders dan bij de nieuwbouw, niet voor een strook van 0,6 m die direct aan een dergelijke weg grenst. De reden hiervoor is dat een dergelijk verbod vroeger minder urgent was, omdat de verkeersintensiteit geringer was en de gemiddelde afmetingen van de (motor)voertuigen kleiner waren, zodat de kans op het in horizontale richting "zwenken" van die voertuigen verwaarloosbaar klein was. Bij de bestaande bouw geldt evenmin het verbod dat ramen en deuren zich in geopende stand beneden een hoogte van 2,2 m boven bijvoorbeeld een trottoir of rijwielpad dan wel boven een gemeenschappelijke verkeersruimte mogen bevinden. De reden hiervoor is, dat een dergelijke eis vroeger niet heeft gegolden en het alsnog moeten voldoen aan die eis niet dan tegen onredelijk hoge kosten is te verwezenlijken. Evenmin geldt er een verbod dat een beweegbaar constructie-onderdeel zich boven een rookvrije vluchtroute mag bevinden. Zou een dergelijk verbod wel gelden, dan zullen veel bouwwerken niet met dat voorschrift in overeenstemming zijn omdat deze eis vroeger niet heeft gegolden. Het nu voorschrijven van die hogere eis voor de bestaande bouw zou derhalve een aanschrijvingsgrond opleveren, waarvan de kosten en het nadeel van inbreuk op een verworven recht, zoals reeds in het algemeen deel van deze toelichting is uiteengezet, niet in redelijke verhouding zouden staan tot de daarvan te verwachten grotere veiligheid.

Voor bestaande woonwagens gelden er geen voorschriften.

Artikel 2.80.

Artikel 2.80 verbiedt dat beweegbare constructie-onderdelen van bestaande bouwwerken die zijn gelegen aan een voor motorvoertuigen openstaande weg, zich in geopende stand beneden een hoogte van 4,2 m boven die weg bevinden. Dit verbod geldt, anders dan bij de nieuwbouw, niet voor een strook van 0,6 m die direct aan een dergelijke weg grenst. De reden hiervoor is dat een dergelijk verbod vroeger minder urgent was, omdat de verkeersintensiteit geringer was en de gemiddelde afmetingen van de (motor)voertuigen kleiner waren, zodat de kans op het in horizontale richting "zwenken" van die voertuigen verwaarloosbaar klein was. Bij de bestaande bouw geldt evenmin het verbod dat ramen en deuren zich in geopende stand beneden een hoogte van 2,2 m boven bijvoorbeeld een trottoir of rijwielpad dan wel boven een gemeenschappelijke verkeersruimte mogen bevinden. De reden hiervoor is, dat een dergelijke eis vroeger niet heeft gegolden en het alsnog moeten voldoen aan die eis niet dan tegen onredelijk hoge kosten is te verwezenlijken.

Evenmin geldt er een verbod dat een beweegbaar constructie-onderdeel zich boven een rookvrije vluchtroute mag bevinden. Zou een dergelijk verbod wel gelden, dan zullen veel bouwwerken niet met dat voorschrift in overeenstemming zijn omdat deze eis vroeger niet heeft gegolden. Het nu voorschrijven van die hogere eis voor de bestaande bouw zou derhalve een aanschrijvingsgrond opleveren, waarvan de kosten en het nadeel van inbreuk op een verworven recht, zoals reeds in het algemeen deel van deze toelichting is uiteengezet, niet in redelijke verhouding zouden staan tot de daarvan te verwachten grotere veiligheid.

Voor bestaande woonwagens gelden er geen voorschriften.

Afdeling 2.11.Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie

§ 2.11.1.Nieuwbouw

Artikel 2.81.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.82 bepaalt dat materiaal in of bij een stookplaats onbrandbaar moet zijn (stookplaats),
2.artikel 2.83 bepaalt dat een schacht, koker of kanaal grenzend aan meer dan een brandcompartiment, ten dele onbrandbaar moet zijn, (schacht, koker of kanaal);
3.artikel 2.84 bepaalt dat een rookgasafvoer brandveilig moet zijn en de minimum afstand tussen de uitmonding daarvan en het dak van een ander gebouw (rookgasafvoer);
4.artikel 2.85 bepaalt of een dak niet-brandgevaarlijk dient te zijn (dak);
5.artikel 2.86 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
6.artikel 2.87 geeft voor niet-permanente bouw aan welke nieuwbouwvoorschriften daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Artikel 2.82.

Met de voorschriften van dit artikel is beoogd te voorkomen dat een gebouw in brand kan geraken. Het eerste lid ziet erop toe dat in de nabijheid van een open haard (de stookplaats die in NEN 6061 is bedoeld) geen brand kan ontstaan. Een dergelijke brand kan bijvoorbeeld ontstaan wanneer materialen als gevolg van hittestraling aan de oppervlakte van constructies in de nabijheid van een open haard spontaan tot ontbranding komen. Voorts kan brand ontstaan wanneer een materiaal, ook als het zich in het binnenste van een constructie-onderdeel bevindt, wordt blootgesteld aan een hoge temperatuur. Om te voorkomen dat als gevolg van die hittestraling of hoge temperatuur brand ontstaat, moeten ingevolge het eerste lid op die plaatsen waar een te grote straling kan optreden dan wel de temperatuur een hogere waarde kan bereiken dan 90 graden Celsius, materialen zijn toegepast die niet kunnen branden.

Artikel 2.83.

Een brand die ontstaat in een schacht, koker of kanaal kan gemakkelijk ontsnappen aan de aandacht van de brandweer. Indien zo’n schacht, koker of kanaal langs een ander brandcompartiment voert dan waarvan de schacht, de koker of het kanaal deel uitmaakt, kan na enige tijd ook in dat andere brandcompartiment brand ontstaan. Om dit te voorkomen schrijft dit artikel voor dat de combinatie van materialen die is toegepast aan de binnenzijde van die schacht of koker of dat kanaal, over een diepte van 0,01 m onbrandbaar moet zijn. Schachten, kokers en kanalen met een geringe diameter, zoals rioleringsbuizen, vallen niet onder deze eis.

In sanitaire ruimten zijn in de regel niet of nauwelijks brandbare materialen aanwezig, waardoor er naar redelijke verwachting in die ruimten geen brand van enige betekenis zal ontstaan. Daarom geldt dit artikel eveneens niet voor schachten, kokers en kanalen die zich bevinden in een toilet- of badruimte of in meer van deze, boven elkaar gelegen ruimten.

Bij schachten, kokers of kanalen tussen twee brandcompartimenten zal men verder nog rekening moeten houden met de eisen aan de weerstand tegen branddoorslag van de paragrafen 2.13.1 en 2.14.1

Artikel 2.84.

Voorzieningen voor de afvoer van rook mogen niet de oorzaak zijn van een beginnende brand. Daarom schrijft het eerste lid voor, dat deze voorzieningen brandveilig moeten zijn. De NEN 6062 bevat hiervoor een beproevingsmethode, waarbij onderscheid is gemaakt naar gelang het gaat om kanalen voor vaste dan wel niet-vaste brandstoffen. Bij die beproeving moet de voorziening zijn blootgesteld aan 1) trillingsbelastingen, waarbij wordt geverifieerd dat de voorziening niet te veel vervormt; 2) een luchtdichtheidsbeproeving, waarbij wordt geverifieerd of hete gassen uit de voorziening kunnen stromen; 3) een thermische beproeving, waarbij de voorziening gedurende de in het normblad aangegeven tijdsduur aan hete gassen van een in het normblad voorgeschreven temperatuur en met een voorgeschreven vermogen wordt blootgesteld en waarbij wordt nagegaan of de temperatuur aan de buitenzijde van de voorziening niet een zodanige waarde bereikt dat materialen die in de directe omgeving van de voorziening zijn toegepast, spontaan in brand kunnen geraken, en 4) een veegproef, waarbij wordt nagegaan of het vegen van de voorziening niet te snel zal leiden tot een onaanvaardbare vermindering van de dikte-afmeting van de binnenmantel van de voorziening. Na deze combinatie van beproevingen moet voorts worden geverifieerd of de voorziening niet zodanig in kwaliteit is achteruitgegaan, dat ook indien tijdens de beproeving één van eerder genoemde criteria niet is overschreden, dit op grond van de waar te nemen degeneratie op korte termijn alsnog is te verwachten.

Het tweede lid bevat de eis, dat het materiaal waarvan een rookgasafvoer is gemaakt en dat kan zijn blootgesteld aan een temperatuur van meer dan 363 K (= 900C), onbrandbaar moet zijn. Voor het kunnen optreden van een temperatuur van meer dan 363 K zijn bepalend de temperaturen die bij de beproeving volgens NEN 6062 worden bereikt en niet hetgeen men voor het praktische gebruik verwacht. Niet langer is geëist dat materiaal in de nabijheid van een voorziening voor de afvoer van rook onbrandbaar moet zijn, indien een temperatuur van 363 K wordt overschreden. Op grond van NEN 6062, waar het voorschrift naar verwijst, is reeds uitgesloten dat een dergelijke temperatuur aan de buitenzijde van de voorziening zich kan voordoen.

Het derde lid heeft ten doel te voorkomen dat de in de rook van een open haard aanwezige brandende deeltjes op brandgevaarlijke daken van nabij gelegen bouwwerken terechtkomen en aldaar oorzaak kunnen zijn van een beginnende brand.

Artikel 2.85.

Dit artikel heeft ziet er op dat een dak aan de bovenzijde zodanig is samengesteld dat het dak van een bouwwerk door een onverhoedse aanraking met vuur niet in brand vliegt. Het gaat hierbij om zogenaamd vliegvuur, zoals bijvoorbeeld in de rook van een open haard of in geval van een vonkenregen, afkomstig van een nabijgelegen brandend bouwwerk. Om te kunnen vaststellen of een dak niet brandgevaarlijk is, dient het op grond van het eerste lid bestand te zijn tegen een in NEN 6063 omschreven beproeving. Tijdens die beproeving wordt een korf met brandend houtwol op verschillende plaatsen op een proefdak van overeenkomstige samenstelling geplaatst, waarbij wordt nagegaan of het materiaal aan de bovenzijde van het dak niet voor een te groot deel wegsmelt, er niet een te groot gat in het dak brandt, er geen brandverschijnselen aan de binnenzijde van het dak waarneembaar zijn en er geen brandende of gloeiende delen door het dak vallen.

Op grond van het eerste lid zal het merendeel van de gebruiksfuncties een niet brandgevaarlijk dak moeten hebben. Een overige gebruiksfunctie van beperkte omvang, waaronder een aparte berging of garage, mag wel een brandgevaarlijk dak hebben. Het gaat om de veiligheid van het gebouw waarin de gebruiksfunctie ligt. Voor een gebouw met verschillende gebruiksfuncties geldt dan het algemene uitgangspunt, dat altijd de zwaarste eis geldt.

Indien bijvoorbeeld een berging of een garage in hetzelfde brandcompartiment ligt als een woning, dan gelden de voorschriften voor de woning. Ook de berging of de garage zal dan een niet brandgevaarlijk dak moeten hebben. Het ware beter geweest aan te sluiten bij de brandcompartimentering. Wanneer de berging of garage geen brandcompartiment is en een brand in die berging of garage dus geen beperking inhoudt voor uitbreiding van de brand naar de woning, is het onlogisch aan het dak wel vergaande eisen te stellen.

In het tweede en derde lid is geregeld dat bij gebouwen met een beperkt aantal verdiepingen waarop voor het verblijf van mensen bestemde ruimten zijn gelegen - in de meest gangbare bouw maximaal één verdieping -, en bij bouwwerken met een beperkt aantal verdiepingen die mede door bezoekers mogen worden betreden en welke gebouwen of bouwwerken zijn gelegen op een voldoende afstand van de perceelsgrens dan wel van het hart van een openbare weg, een openbaar water of openbaar groen, het eerste lid buiten toepassing blijft. Aan deze bepaling ligt ten grondslag dat bij inachtneming van het in die leden gestelde afstandscriterium, de kans op brand ten gevolge van bijvoorbeeld het stoken van een open haard in een naburig bouwwerk, gering is. Daarbij speelt mede een rol dat bij gebouwen met een dergelijk beperkt aantal verdiepingen, het ontvluchten bij brand gemakkelijker kan plaatsvinden dan bij hogere gebouwen of bouwwerken. Wel moet bedacht worden dat bijvoorbeeld bij industriegebouwen het kan gaan om grote ongecompartimenteerde gebouwen, zodat mocht het dak vlam vatten snel sprake zal zijn van een niet meer beheersbare situatie. De wetgever heeft geen relatie gelegd met de grootte van het compartiment dat onder een dak kan zijn gelegen. De markt zal in deze zijn eigen verantwoordelijkheid moeten nemen.

De situatie kan zich voordoen dat een klein, laag gebouw dat als nevenfunctie grenst aan bijvoorbeeld een woning een niet brandgevaarlijk dak heeft. Immers, voor gebruiksfunctie 11b geldt het voorschrift niet. In dat geval kan via een “flying brand” toch gemakkelijk brand ontstaan in een nabijgelegen woning. Het zal duidelijk zijn dat dit niet de bedoeling is. De markt zal in deze haar verantwoordelijkheid moeten nemen.

§ 2.11.2.Bestaande bouw

Artikel 2.88.

Voor de gebruiksfunctie ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet in beginsel wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis van het eerste lid is voldaan. Echter, gelet op het feit dat voor de nieuwbouw wel eisen zijn gesteld en voor de bestaande niet, is het niet de bedoeling dat B&W van de formele mogelijkheid gebruik maken.

Artikel 2.89.

Het artikel strekt ertoe de kans te beperken dat in de nabijheid van een in NEN 6061 bedoelde stookplaats brand ontstaat. In genoemd normblad wordt onder een stookplaats verstaan een plaats die op grond van zijn constructie en inrichting bestemd is voor open verbranding van vaste brandstoffen op cellulose-basis, zoals hout. Feitelijk gezien wordt hiermee een open haard bedoeld. Bij een open haard kan bijvoorbeeld brand ontstaan, wanneer materialen als gevolg van hittestraling aan de oppervlakte van constructies in de nabijheid van die haard spontaan tot ontbranding komen of wanneer een materiaal wordt blootgesteld aan een te hoge temperatuur. Met het oog hierop is in het eerste lid bepaald dat op die plaatsen waar een te grote hittestraling kan optreden dan wel de temperatuur een hogere waarde kan bereiken dan 90°C, materialen moeten zijn toegepast die onbrandbaar zijn.

Artikel 2.90.

Voorzieningen voor de afvoer van rook mogen niet de oorzaak zijn van een beginnende brand. Daarom is in het eerste lid bepaald dat een dergelijke voorziening luchtdicht moet zijn, bepaald overeenkomstig NEN 8062. De grenswaarde van de eis is afgestemd op datgene wat doorgaans in de praktijk nog als voldoende veilig wordt aanvaard. Voor gemetselde schoorsteenkanalen heeft dit voorschrift tot gevolg dat slechts over een zeer beperkte lengte een voeg tussen twee stenen mag ontbreken. Dit laatste betekent dat die voorziening een in dat normblad omschreven beproeving moet kunnen doorstaan. De in NEN 8062 verwoorde bepalingsmethode is afgeleid van het nieuwbouwvoorschrift dat is neergelegd in NEN 6062. Dit nieuwbouwvoorschrift gaat echter uit van een beproeving in laboratoriumomstandigheden. De in NEN 8062 gegeven bepalingsmethode gaat uit van hetzelfde meetprincipe, doch nu toepasbaar op een in een bestaand bouwwerk aanwezige voorziening voor de afvoer van rook.

Het derde lid betekent dat materiaal dat in een voorziening voor de afvoer van rook van verbrandingstoestellen is toegepast en dat als gevolg daarvan aan een temperatuur van meer dan 90° C kan worden blootgesteld, onbrandbaar moet zijn. Niet langer is geëist dat materiaal in de nabijheid van een voorziening voor de afvoer van rook onbrandbaar moet zijn, indien een temperatuur van 363 K wordt overschreden. Op grond van NEN 8062, waar het voorschrift naar verwijst, is reeds uitgesloten dat een dergelijke temperatuur aan de buitenzijde van de voorziening zich kan voordoen.

Het derde lid heeft ten doel te voorkomen dat de in rookgassen van bijvoorbeeld een open haard, allesbrander of kolenkachel voorkomende brandende deeltjes op brandgevaarlijke daken van nabijgelegen bouwwerken terecht kunnen komen en daar oorzaak kunnen zijn van een beginnende brand.

Afdeling 2.12.Beperking van ontwikkeling van brand

§ 2.12.1.Nieuwbouw

Artikel 2.91.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van ontwikkeling van brand.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de uitleg van het begrip “bijdrage tot brandvoortplanting”wordt verwezen naar de uitleg bij de begripsomschrijving in artikel 1.1, tweede lid. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.92 bepaalt dat de niet naar de buitenlucht toegekeerde zijden van een constructie-onderdeeleen bijdrage tot brandvoortplanting moeten hebben die ten minste voldoet aan een aangegeven klasse (binnenoppervlak);
2.artikel 2.93 bepaalt dat denaar de buitenlucht toegekeerde zijden van een constructie-onderdeel een bijdrage tot brandvoortplanting moeten hebben die ten minste voldoet aan een aangegeven klasse (buitenoppervlak);
3.artikel 2.94 bepaalt dat een vloer, hellingbaan of traptrede een bijdrage tot brandvoortplanting moet hebben die ten minste voldoet aan een aangegeven klasse (beloopbaar vlak);
4.artikel 2.95 bepaalt dat de voorgaande voorschriften niet van toepassing zijn op een fractie van de oppervlakte van de betrokken constructie-onderdelen (vrijgesteld);
5.artikel 2.96 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
6.artikel 2.97 geeft voor niet-permanente bouwwerken aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvan gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

De voorschriften over de beperking van de ontwikkeling van brand voor celfuncties zijn mede ontleend aan de Regeling politiecellencomplex.

Artikel 2.92.

Om te voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van constructie-onderdelen van een gebouw en als gevolg daarvan gebruikers van dat gebouw onvoldoende tijd hebben het brandende deel van het gebouw veilig te verlaten, dient ingevolge dit artikel een constructie-onderdeel zo te zijn samengesteld dat een beginnende brand zich niet te snel kan ontwikkelen. Deze eis geldt evenwel niet voor de bovenzijde van een dak, aangezien dit ingevolge paragraaf 2.11.1, niet brandgevaarlijk mag zijn.

De hoogte van de te stellen eis ten aanzien van de bijdrage tot brandvoortplanting is afhankelijk van de soort ruimte waarvan het constructie-onderdeel deel uitmaakt dan wel waarin het constructie-onderdeel is gelegen. In de regel zullen alle constructie-onderdelen ten minste moeten voldoen aan klasse 4 respectievelijk T3 van de bijdrage tot brandvoortplanting (dit laatste volgens artikel 2.94). Deze waarde kan worden aangehouden voor alle zijden van constructie-onderdelen, ook voor de naar de buitenlucht toegekeerde zijde van een constructie-onderdeel, hetgeen is geregeld in artikel 2.93. Voor zover bedoelde constructie-onderdelen de begrenzing van een van brand en rook gevrijwaarde vluchtroute vormen zal de bijdrage tot brandvoortplanting van deze onderdelen veelal ten minste moeten behoren tot klasse 2 respectievelijk tot klasse T1 (dit laatste volgens artikel 2.94). Voor gebruiksfuncties waarin wordt overnacht of geslapen (woonfunctie, een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jongeren dan 4 jaar (en voor 24-uurs opvang), gezondheidszorgfunctie en logiesfunctie) zullen constructie-onderdelen die grenzen aan of liggen in een rookvrije vluchtroute aan dezelfde eisen moeten voldoen als de constructie-onderdelen van een van brand en rook gevrijwaarde vluchtroute. Omdat die route is gelegen binnen een brandcompartiment kan die route niet als brand- en rookvrij worden aangemerkt omdat dan die route buiten dat brandcompartiment moet liggen (zie afdeling 2.13.1). Vluchtroutes vanuit een subbrandcompartiment als bedoeld in paragraaf 2.14.1 voeren over een rookvrije vluchtroute tot de uitgang van het brandcompartiment waarin het subbrandcompartiment ligt.

Vanuit een cel en een patiëntenkamer voert geen rookvrije vluchtroute. Die begint eerst vanaf de de uitgang van het rookcompartiment waarin die cel of die kamer ligt. De verkeersroute naar die uitgang moet echter voldoende veilig zijn.

Voor een celfunctie gelden strengere eisen ten einde te voorkomen dat een gedetineerde te gemakkelijk brand zou kunnen stichten.

Deze bijdrage tot brandvoortplanting moet voor constructie-onderdelen niet zijnde een vloer of een tredevlak van een trap worden bepaald volgens NEN 6065. Dit normblad voorziet erin dat de combinatie van bouwmaterialen, die over een dikte van 15 centimeter, gemeten vanaf het oppervlak, is toegepast in een constructie-onderdeel aan een beproeving moet zijn onderworpen om de bijdrage tot brandvoortplanting van een constructie-onderdeel te kunnen vaststellen.

Artikel 2.93.

Voor het eerste lid van dit artikel geldt hetzelfde als hierboven is gesteld met betrekking tot artikel 2.92. Hier gaat het echter om de zijde van constructie-onderdelen die grenst aan de buitenlucht.

Omdat deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen, zoals een ventilatierooster, veelal geen aansluitende vlakken vormen en een brand zich daarom niet over een groot oppervlak kan verspreiden kan voor constructie-onderdelen worden volstaan met klasse 4.

Een zijde is naar de buitenlucht toegekeerd als de ruimte is aan te merken als niet besloten ruimte in de zin van artikel 2.169 van dit besluit dan wel wanneer er sprake is van een gevel.

Een brand die zich over de buitengevel uitbreidt, kan slechts tot een hoogte van 13 meter met gangbaar brandweermateriaal worden bestreden. Daarom bepaalt het tweede lid dat de gevel vanaf die hoogte zodanig moet zijn samengesteld, dat een brand zich niet gemakkelijk daarlangs kan voortplanten. Voor tot bewoning bestemde gebouwen betekent dat een aanscherping van de eis die tot 1 januari 2003 op grond van het Bouwbesluit heeft gegolden.

Blijkens het derde en vierde lid moet de gevel van een bouwwerk waarvan de vloer waarop voor het verblijf van mensen bestemde ruimten dan wel die voor mensen toegankelijk is, hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, tot een hoogte van 2,5 meter boven het aansluitende terrein bestand zijn tegen vlam vatten ten gevolge van brandstichting in de nabijheid van dit gebouw. Hieraan is voldaan, wanneer de aan de buitenzijde van de gevel toegepaste materialen of materiaalcombinaties voldoen aan klasse 1 van de bijdrage tot brandvoortplanting, bepaald overeenkomstig NEN 6065.

Uit wat bij het eerste lid is opgemerkt, blijkt al dat van deuren, ramen, kozijnen en dergelijke geen snelle brandvoortplanting over een groot oppervlak is te verwachten.Volstaan kan daarom blijkens het vijfde lid worden met klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting. Ook het zesde lid betreft een bijzondere situatie. Met het oog op de veiligheid van weggebruikers is hier een speciale eis gesteld aan de naar een weg toegekeerde zijde van een tunnel. In een tunnel gaat het feitelijk niet om buitenlucht. In een tunnel heerst namelijk niet een met buiten te vergelijken klimaat. Vanwege het grote gevaar in een tunnel is een strenge eis gesteld om het ontstaan van rook zo beperkt mogelijk te houden.

Artikel 2.94.

De brandvoortplanting van de bovenzijde van horizontale, met inbegrip van flauw hellende, vlakken wijkt sterk af van die van niet-horizontale vlakken. Daarom bepaalt het eerste lid dat de voorschriften 2.92 en 2.93 daarvoor niet gelden.

Het eerste lid wijst behalve de genoemde horizontale vlakken de bovenzijde van een dak aan als een constructie-onderdeel waarop de artikelen 2.92 en 2.93 niet van toepassing zijn. Dit heeft als reden, dat een dak al volgens artikel 2.85 niet brandgevaarlijk mag zijn.

Het tweede lid bevat speciale eisen voor vloeren, hellingbanen en tredevlakken. Voor een motivering van die eis wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2.92. Met het oog op het afwijkend brandgedrag van deze constructie-onderdelen moet hun bijdrage tot de brandvoortplantingzijn bepaald volgens NEN 1775. Volgens dit normblad moet het samenstel van bouwmaterialen dat is toegepast over een dikte van 0,03 m, zoals gemeten vanaf het oppervlak van de vloer, het tredevlak of de hellingbaan, aan de beproeving zijn onderworpen.

Artikel 2.95.

Voor het kunnen toepassen van plinten, stopcontacten en andere kleine constructie-onderdelen, zoals lichtarmaturen, brand- en rookmelders, bevat dit artikel een uitzondering op de voorgaande eisen inzake brandvoortplanting. Deze houdt in, dat die eisen niet van toepassing zijn op een percentage van de oppervlakte van de toe te passen constructie-onderdelen. Uit de gegeven opsomming van de hierbedoelde constructie-onderdelen moet worden afgeleid dat het geenszins de bedoeling is dat de in dit lid bedoelde 5% van het totaal van de oppervlakte aan constructie-onderdelen van een ruimte, op één plaats in de ruimte is geconcentreerd. Immers, dan zou alsnog een relatief groot vlak kunnen ontstaan waarlangs een brand zich zou kunnen voortplanten.

§ 2.12.2.Bestaande bouw

Artikel 2.98.

Voor een ‘overige gebruiksfunctie’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis op die gebruiksfunctie niet op van toepassing is.

Artikel 2.99.

De voorschriften die voor hoog gelegen geveldelen voor de nieuwbouw zijn gegeven, alsmede de voorschriften voor het tegengaan van snelle brandvoortplanting als gevolg van baldadige brandstichting op het aansluitende terrein nabij een bouwwerk en de specifieke voorschriften voor een tunnel of tunnelvormig bouwwerk zijn voor een bestaand bouwwerk niet gegeven. Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwwerken aan die voorschriften zou leiden tot een noodzaak tot aanschrijving van veel bouwwerken hetgeen op gespannen voet staat met het principe van verworven rechten. Voorts leidt het tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau. Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.12.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.100.

De voorschriften die voor hoog gelegen geveldelen voor de nieuwbouw zijn gegeven, alsmede de voorschriften voor het tegengaan van snelle brandvoortplanting als gevolg van baldadige brandstichting op het aansluitende terrein nabij een bouwwerk en de specifieke voorschriften voor een tunnel of tunnelvormig bouwwerk zijn voor een bestaand bouwwerk niet gegeven. Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwwerken aan die voorschriften zou leiden tot een noodzaak tot aanschrijving van veel bouwwerken hetgeen op gespannen voet staat met het principe van verworven rechten. Voorts leidt het tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau. Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.12.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.101.

De voorschriften die voor hoog gelegen geveldelen voor de nieuwbouw zijn gegeven, alsmede de voorschriften voor het tegengaan van snelle brandvoortplanting als gevolg van baldadige brandstichting op het aansluitende terrein nabij een bouwwerk en de specifieke voorschriften voor een tunnel of tunnelvormig bouwwerk zijn voor een bestaand bouwwerk niet gegeven. Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwwerken aan die voorschriften zou leiden tot een noodzaak tot aanschrijving van veel bouwwerken hetgeen op gespannen voet staat met het principe van verworven rechten. Voorts leidt het tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau. Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.12.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.102.

De voorschriften die voor hoog gelegen geveldelen voor de nieuwbouw zijn gegeven, alsmede de voorschriften voor het tegengaan van snelle brandvoortplanting als gevolg van baldadige brandstichting op het aansluitende terrein nabij een bouwwerk en de specifieke voorschriften voor een tunnel of tunnelvormig bouwwerk zijn voor een bestaand bouwwerk niet gegeven. Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwwerken aan die voorschriften zou leiden tot een noodzaak tot aanschrijving van veel bouwwerken hetgeen op gespannen voet staat met het principe van verworven rechten. Voorts leidt het tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau. Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.12.1 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2.13.Beperking van uitbreiding van brand

§ 2.13.1.Nieuwbouw

Artikel 2.103.

Het eerste lid geeft de functionele eis met betrekking tot de beperking van uitbreiding van brand voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.104 bevat de regel dat elke besloten ruimte in een brandcompartiment moet liggen, met uitzonderingen daarop (ligging);
2.artikel 2.105 sgeeft voorschriften omtrent de omvang van een brandcompartiment, het al dan niet mogen samengaan van bepaalde gebruiksfuncties in eenzelfde brandcompartiment en de noodzaak van dubbele compartimentering bij celfuncties en gezondheidszorgfuncties (in de tabel aangeduid met “omvang”);
3.artikel 2.106 bevat eisen aan de weerstand van de begrenzing van een brandcompartiment tegen uitbreiding van brand (wbdbo);
4.artikel 2.107 bepaalt dat er in de scheidingsconstructie waarvoor een wbdbo-eis geldt geen ander beweegbaar constructie-onderdeel mag voorkomen dan een zelfsluitende deur (zelfsluitende deur);
5.artikel 2.108 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
6.artikel 2.109 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvan gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor een enkele gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis van het eerste lid is voldaan.

De regeling in deze paragraaf heeft betrekking op brandcompartimenten met een maximale grootte van duizend vierkante meter. Grotere brandcompartimenten zijn niet verboden, maar zullen moeten worden beoordeeld volgens paragraaf 2.22.1. Dit betekent met name voor industriegebouwen een aanscherping ten opzichte van de bestaande praktijk die veelal was geënt op “een brandveilig gebouw bouwen”van de Nederlandse BrandweerFederatie. Brandcompartimenten van industriegebouwen tot 2.500 m² zonder bijzondere maatregelen werden algemeen geaccepteerd. Bij toepassing van een RWA-installatie werd een gebruiksoppervlakte van 5.000 m² toelaatbaar geacht en bij een sprinklerinstallatie kon zelfs tot 10.000 m² zonder nadere compartimentering een gebouw worden gebruikt. Het is het beleid van B&W overgelaten of zij het tot een breuk met de praktijk laten komen of die praktijk op grond van afdeling 2.22 zullen voortzetten.

De voorschriften van deze paragraaf hebben betrekking op de situatie van een volledig ontwikkelde brand als bedoeld in de brandfase van figuur 2.

Artikel 2.104.

Dit artikel is er op gericht om aan te geven welke besloten ruimten in een brandcompartiment moeten liggen, welke ruimten er niet in mogen liggen en welke ruimten er niet in behoeven te liggen.

Het eerste lid geeft aan dat elke besloten ruimte van een gebouw als regel in een brandcompartiment moet liggen. In dit lid worden verder, evenals in het derde lid, op deze regel uitzonderingen voor bepaalde soorten ruimten gemaakt, zoals toiletruimten, badruimten en liftschachten die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Voor de plaats van een toilet- of badruimte, waaronder ook een bij zodanige ruimte behorende ruimte is begrepen, ten opzichte van een brandcompartiment mag een keuze worden gemaakt tussen:

  • het situeren ervan in een brandcompartiment zonder dat een inwendige scheidingsconstructie van die ruimte samenvalt met een scheidingsconstructie van het subbrandcompartiment (in dit geval geldt er geen eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag);
  • het zodanig situeren ervan binnen het brandcompartiment dat een scheidingsconstructie van de toilet- of badruimte samenvalt met de scheidingsconstructie van het subbrandcompartiment (in dit geval geldt voor die scheidingsconstructie wel de eis ten aanzien van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag), of
  • het situeren ervan buiten een brandcompartiment (in dit geval geldt de eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag niet, voor zover die weerstand wordt beschouwd vanuit de toilet- of badruimte).

Deze keuzevrijheid maakt het mogelijk om de toilet- of badruimten een geheel te laten vormen met een vluchttrappenhuis, dat buiten een brandcompartiment is gesitueerd.

Een liftschacht mag tezamen worden genomen met bijvoorbeeld een trappenhuis waardoor een brand en rookvrije vluchtroute voert en worden behandeld als één geheel.

Ook voor een meterruimte mag een keuze worden gemaakt vergelijkbaar met die van een toilet- en badruimte. Is bijvoorbeeld de meterruimte gesitueerd in een trappenhuis met een rookvrije of een van brand en rookvrije vluchtroute dan kan de meterruimte met dat trappenhuis worden tezamen genomen en gelijk behandeld. Ook als een meterruimte is “uitgeplaatst” in bijvoorbeeld een buitenbergruimte of een garage, biedt het feit dat die ruimte niet in een brandcompartiment hoeft te liggen mogelijkheden om die buitenbergruimte of die garage aan te merken als ruimte niet zijnde een brandcompartiment. Dat geldt evenzo voor een opstelplaats voor een stooktoestel of een warmwatertoestel dan wel een combitoestel.

Wat een besloten ruimte is, moet worden gezien in samenhang met het voorschrift van artikel 2.169.

Het tweede lid regelt dat bepaalde ruimten, ook indien deze niet besloten zijn, in een brandcompartiment moeten liggen. Het gaat daarbij om grote technische ruimten, ruimten voor de opslag van materialen in een hoeveelheid als aangegeven in de gemeentelijke bouwverordening en die brandgevaarlijk zijn als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003, en stookruimten.

Op grond van het derde lid mag een brand- en rookvrije vluchtroute niet in een brandcompartiment liggen. Hiermee wordt bereikt dat een brand vanuit een aan een brand- en rookvrije vluchtroute grenzende ruimte slechts tot een brand- en rookvrije vluchtroute kan doordringen door een scheidingsconstructie van een brandcompartiment. De ontwikkeling van een brand en de rookproductie in de brand- en rookvrije vluchtroute zelf is beperkt op grond van de voorschriften van de paragrafen 2.12 en 2.15.

Het vierde lid regelt dat bij bepaalde gebruiksfuncties ook de niet-besloten verblijfsgebieden in een brandcompartiment moeten liggen. Dan gaat het bijvoorbeeld om open loodsen of een carport. De bescherming van andere brandcompartimenten zal dan door een voldoende weerstand tegen brandoverslag (voldoende onderlinge afstand) tot stand moeten komen.

De daarop volgende leden bevatten uitzonderingen op de voorschriften van het eerste en het vierde lid voor gebruiksfuncties die aan de gestelde criteria voldoen. De uitzonderingen betreffen situaties waarvan mag worden aangenomen dat de kans op het ontstaan van brand er betrekkelijk gering is, of dat een daar ontwikkelde brand (brandfase volgens figuur 2) geen onmiddellijke bedreiging vormt voor het kunnen ontkomen van personen elders in het gebouw. Gebouwen die een bepaalde vuurbelasting niet te boven gaan, zoals een hal voor de opslag van stalen goederen, behoeven op grond van het vijfde lid geen brandcompartiment te zijn. Onder vuurbelasting wordt verstaan: de som van de permanente en de variabele vuurbelasting, zoals beschreven in NEN 6090.

Bepaalde kleine lichte industriefuncties behoeven geen brandcompartiment te zijn of van een brandcompartiment deel uit te maken.

Voorts voorziet het zevende lid erin dat een kas geen brandcompartiment behoeft te zijn. Dit voorschrift zou ook moeten gelden voor andere landbouwbedrijfsgebouwen met een lage permanente vuurbelasting. Dit valt af te leiden uit artikel 2.111, zevende lid.

Artikel 2.105.

De maximale omvang van een brandcompartiment en de vraag welke ruimten gezamenlijk in een brandcompartiment mogen liggen zijn geregeld in dit artikel. Dat geldt ook voor de noodzakelijke dubbele compartimentering in een cellengebouw en delen van gezondheidszorggebouwen waar ’s nachts worden geslapen.

Met brandcompartimentering wordt beoogd de ongehinderde uitbreiding van een brand gedurende een bepaalde tijd te beperken tot een gedeelte van het gebouw, het gebouw of een groep van gebouwen. Daardoor hebben de gebruikers van de rest van het gebouw, die zich niet in het gedeelte met de brand bevinden, de gelegenheid veilig te ontkomen. Dit geldt ook voor de gebruikers van naburige gebouwen. Tegelijkertijd wordt voorkomen dat de brand in korte tijd een zodanige omvang aanneemt dat zij voor de brandweer niet meer is te beheersen. Een brandcompartiment mag om een brand beheersbaar te houden niet te groot zijn en geen ruimten omvatten die een bijzonder brandgevaar opleveren in vergelijking met andere ruimten in dat brandcompartiment. Dit laatste leidt er toe dat een drietal ruimten een afzonderlijk brandcompartiment moeten zijn, zoals geëist in het zesde tot en met het achtste lid.

Het eerste lid regelt dat een brandcompartiment niet twee of meer bouwwerken mag omvatten die op verschillende percelen zijn gelegen. Daarmee wordt invulling gegeven aan een primaire overheidstaak dat eigendommen van derden moeten worden beschermd tegen onverhoedse invloeden, zoals een brand.

In een brandcompartiment mogen in het algemeen twee of meer ruimten, twee of meer gebruiksfuncties of twee of meer gebouwen liggen, op voorwaarde dat deze allemaal op hetzelfde perceel liggen en het brandcompartiment niet groter is dan is toegestaan. Voor een brandcompartiment met een woonfunctie zijn in het tweede en het derde lid uitzonderingsbepalingen opgenomen. De bergruimten, gelegen in het souterrain van een flat of een onder een flat gelegen parkeergarage, mogen blijkens het tweede lid niet tezamen met de woonfuncties in eenzelfde brandcompartiment zijn gelegen.

In het derde lid is expliciet geregeld dat een garage of bergruimte als nevenfunctie bij een woning in hetzelfde brandcompartiment kan liggen als die woning zelf. Er mag ook voor worden gekozen die nevenfunctie als een ruimte, geen brandcompartiment zijnde, te benoemen. Dit laatste is de meer gangbare oplossing.

Voor wat betreft een logiesverblijf is in afwijking van de andere gebruiksfuncties gekozen voor een lagere maximale omvang van het brandcompartiment.

Tot 1 januari 2003 heeft die lagere waarde ook voor een woning gegolden. Gebleken is dat die lagere waarde niet overeenkomt met de bestaande praktijk die niet tot te brandgevaarlijke situaties leidt. Gekoppeld aan een maximale corridorlengte van 30 meter en aan weerzijden van de corridor subbrandcompartimenten, zou ook voor een logiesgebouw voor een hogere waarde moeten zijn gekozen dan 500 m². Deze getalswaarde moet als een omissie uit Bouwbesluit afstemming fase 1 op fase 2, Stb. 1998, 619, worden gezien. Tot zolang aanpassing niet heeft plaatsgevonden zal met behulp van paragraaf 2.22.1 de gangbare praktijk moeten worden voortgezet.In het zesde tot en met het achtste lid is aangegeven welke ruimten een zodanig brandgevaar opleveren, dat deze in een apart brandcompartiment moeten liggen.

In het negende lid is een regeling gegeven voor de brandcompartimentering van een cellengebouw. Feitelijk is bedoeld gevangenis, omdat het gaat om het gehele gebouw waar gedetineerden in een afgesloten gedeelte verblijven. Dit voorschrift heeft relatie met de beperkte bewegingsvrijheid van gedetineerden en het feit dat bij een onverhoedse brand in de gevangenis het niet de bedoeling is dat de gevangen vrij kunnen rondlopen. De regeling komt er op neer dat kan worden gekozen uit een tweetal systemen. Of er wordt gekozen voor zodanige brandwerende constructies rond de cellen dat gedetineerden op de cel kunnen blijven en de brandweer de brand in de bedreigde cel kan blussen of er wordt gekozen voor dubbele compartimentering. Wanneer zo’n gebouw twee brandcompartimenten moet hebben, mag één van die compartimenten niet een te kleine gebruiksoppervlakte hebben in relatie tot die andere, omdat anders in geval van brand niet alle personen zich in veiligheid kunnen brengen of in veiligheid kunnen worden gebracht. Daarnaast moet de BHV-situatie op deze wijze van brandcompartimenteren zijn afgestemd.

Wanneer wordt gekozen voor de variant waarbij de gedetineerde op de cel kan blijven mag onder de deur van cel een zogeheten ventilatiespleet aanwezig zijn. Dit is nodig ten einde te voorkomen dat elke cel in een gevangenis zijn eigen volledig onafhankelijke ventilatiesysteem moet hebben.

De terminologie van dit voorschrift is helaas onvoldoende afgestemd op de (veranderde) begrippen “verblijfsgebied” en “verkeersruimte”. De gang die de cellen verbindt met de uitgang van een cellenblok is in het Bouwbesluit 2003 aan te duiden als ruimte waardoor een verkeersroute voert en het cellenblok als geheel kan als één verblijfsgebied worden aangeduid.

Op grond van het tiende lid mag het brandcompartiment van een gevangenis waarin cellen zijn gelegen geen grotere gebruiksoppervlakte hebben dan 500 m². Daarmee wordt het aantal gedetineerden dat gelijktijdig door brand kan zijn bedreigd beperkt.

In het elfde lid zijn voorschriften gegeven die rekening houden met de beperkte bewegingsvrijheid van aan bed gebonden patiëntendie ’s nachts in een gezondheidszorgfunctie de nacht doorbrengen. Gezien het feit dat deze patiënten bij brand niet naar het aansluitende terrein kunnen vluchten en ook niet anders dan horizontaal kunnen worden verplaatst in geval van brand (liften mogen niet worden gebruikt), is geregeld dat men altijd naar een ander brandcompartiment op dezelfde bouwlaag kan vluchten al dan niet hulp van verplegend personeel en de brandweer. Een dergelijk brandcompartiment wordt ook wel vluchtcompartiment genoemd.

Wanneer zo’n gebouw twee brandcompartimenten moet hebben, mag één van die compartimenten niet een te kleine gebruiksoppervlakte hebben in relatie tot die andere, omdat anders in geval van brand niet alle personen met bed zich in veiligheid kunnen brengen of in veiligheid kunnen worden gebracht.

Artikel 2.106.

Het indelen van een gebouw in brandcompartimenten met het oog op het beperken van de uitbreiding van een brand heeft alleen zin wanneer de scheidingsconstructies van die brandcompartimenten in de richting van bepaalde ruimten een deugdelijke weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) hebben. ‘Brandoverslag’ betekent in dit verband de uitbreiding van brand via de buitenlucht, terwijl met ‘branddoorslag’ wordt bedoeld de branduitbreiding via een branduitbreidingstraject dat niet via de buitenlucht loopt. Dit artikel bevat de desbetreffende eisen aan de scheidingsconstructies die het brandcompartiment begrenzen. De wbdbo wordt uitgedrukt in minuten en bepaald volgens NEN 6068. Deze minuten moeten niet worden verward met klokminuten. Het gaat om een afsprakenstelsel met een gestandaardiseerde brand die als meeteenheid heeft bewezen tot een maatschappelijk aanvaardbare mate van brandveiligheid te leiden. De wbdbo speelt een rol in de brandfase als bedoeld in figuur 2.

Onder een besloten ruimte waardoor een brand- en rook gevrijwaarde vluchtroute loopt als bedoeld in het eerste lid, valt ook een besloten veiligheidstrappenhuis. Daarmee geldt dit lid zowel voor besloten als voor niet-besloten veiligheidstrappenhuizen. Het eerste lid heeft geen betrekking op de scheiding tussen een brandcompartiment en een ruimte, die op grond van artikel 2.104 niet als brandcompartiment behoeft te worden aangemerkt. Het tweede lid houdt voor woningen en woongebouwen met betrekkelijk lage permanente vuurbelasting een verlaagde eis in van 30 minuten wbdbo. Het gaat hier om woningen en woongebouwen die bestaan uit materialen die niet of nauwelijks kunnen branden, in feite woningen en woongebouwen die van steenachtig materiaal zijn vervaardigd.

Het hoogtecriterium van het derde lid berust op de veronderstelling dat gebruikers van het gebouw relatief snel het gebouw kunnen hebben verlaten, zonodig via de ramen. Omdat schadebeperking van eigen eigendommen geen primair doel is, kan daarom met een 30 minuten wbdbo worden volstaan. Deze lagere eis geldt alleen indien het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen. Voor een celfunctie gelegen in een cellengebouw en een gedeelte van een gezondheidszorggebouw voor bedgebonden patiënten geldt deze lagere eis niet. Dit vloeit voort uit het feit dat patiënten en gedetineerden het gebouw niet kunnen respectievelijk mogen verlaten.

Voor een woonfunctie geldt tussen een brandcompartiment en een ruimte waardoor een van brand en rookgevrijwaarde vluchtroute op grond van het vierde lid een lagere wbdbo-eis van 30 minuten. Dit is verantwoord omdat een dergelijke ruimte uit zodanige constructie-onderdelen bestaat en zodanig is ingericht dat een brand zich via die ruimte niet of nauwelijks kan uitbreiden. Bij een branduitbreidingstraject via die route zal er dus maar een geringe kans bestaan op een niet meer beheersbare brand. In het TNO Bouw rapport 1997-CVB-R0543 “Vereenvoudiging Nederlandse Bouwregelgeving Brandveiligheid. Onderzoek in het kader van MDW Bouwregelgeving” is er voor gepleit voor niet tot bewoning bestemde gebouwen het Bouwbesluit ook zo te formuleren om een breuk met het verleden te voorkomen. Bij de conversie is vooralsnog aan de aanbevelingen om te komen tot vereenvoudiging en rationalisatie van de brandveiligheidsvoorschriften voorbijgegaan.

Het uitgangspunt voor het vijfde lid is het algemeen deel van deze toelichting toegelichte beginsel van gelijke rechten voor iedere burger. Dit beginsel leidt ertoe dat er bij het bouwen ter beperking van het gevaar van brandoverslag rekening moet worden gehouden met een spiegelsymmetrisch, maar verder identiek gebouw op een naburig perceel. Het gaat hierbij om een denkbeeldig identiek gebouw, waarvoor niet van belang is of er feitelijk een gebouw staat en zo ja, wat voor een. Voor dit denkbeeldige, identieke gebouw moet men uitgaan van een identieke gevel die op dezelfde afstand van de perceelsgrens ligt als de het te bouwen gebouw.

Wat over het vijfde lid is gezegd is grotendeels ook van toepassing op het zesde lid, dat op woonwagens betrekking heeft. Alleen geldt hier dat niet de werkelijke afstand tot de perceelsgrens geldt, maar een nominale afstand van 5 m. In samenhang met de eisen aan de oppervlakte van de standplaats (artikel 4.1) wordt hiermee bereikt dat de wbdbo-eis onafhankelijk is van de plaatsing van een woonwagen op de standplaats, terwijl toch een redelijke mate van brandveiligheid is gewaarborgd.

Het zevende lid leidt er toe dat de wbdbo van een brandcompartiment waar brandgevaarlijke stoffen worden opgeslagen altijd ten minste 60 minuten is.

Artikel 2.107.

Openingen in inwendige scheidingsconstructies van een brandcompartiment zouden de met de eisen van het voorgaande artikel bereikte weerstand tegen branduitbreiding tenietdoen. Daarom bepaalt dit artikel dat er geen beweegbare ramen en dergelijke in die scheidingswanden mogen voorkomen en dat er uitsluitend deuren in mogen zijn geplaatst die zijn voorzien van een deurdranger. Het gaat hier om de scheidingsconstructies tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een van brand en rook gevrijwaarde vluchtroute voert, en niet om scheidingsconstructies binnen een brandcompartiment. Er behoeft ook geen zelfsluitende deur te worden aangebracht tussen een brandcompartiment en een ruimte die niet als brandcompartiment behoeft te worden aangemerkt, zoals een buitenbergruimte of garage bij een woning.

§ 2.13.2.Bestaande bouw

Artikel 2.110.

De voorschriften voor de bestaande bouw zijn lager vastgesteld dan die voor de nieuwbouw. De reden daarvan is in het algemeen deel van de toelichting van dit besluit toegelicht. Wat betreft de brandcompartimentering is rekening gehouden met onder meer NVN 3895 “Brandbeveiliging van gebouwen. Onderwijsgebouwen”. Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwwerken aan die voorschriften zou leiden tot een noodzaak tot aanschrijving van veel bouwwerken hetgeen op gespannen voet staat met het principe van verworven rechten. Voorts leidt het tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau.

In afwijking van het Bouwbesluit zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden geldt niet langer een wbdbo-eis tussen bestaande belendingen, maar moet worden uitgegaan van fictief, spiegelsymmetrisch gelegen gebouwen. Dit kan er toe leiden dat situaties die tot 1 januari nog als voldoende veilig werden beoordeeld vanwege de eigenschappen van een naburig bouwwerk of het ontbreken van een naburig pand, dit nu niet meer zijn. Dat zijn onder meer de situaties waarbij op de perceelsscheiding een raam aanwezig is die niet met brandwerend glas is bezet. Evenals bij de nieuwbouw kan de maximale brandcompartimentsgrootte bij een logiesgebouw en een megalogiesfunctie knellen. Via paragraaf 2.22.2 kan deze situatie toch toelaatbaar worden geacht.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.13.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.111.

De voorschriften voor de bestaande bouw zijn lager vastgesteld dan die voor de nieuwbouw. De reden daarvan is in het algemeen deel van de toelichting van dit besluit toegelicht.

Wat betreft de brandcompartimentering is rekening gehouden met onder meer NVN 3895 “Brandbeveiliging van gebouwen. Onderwijsgebouwen”.

Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwwerken aan die voorschriften zou leiden tot een noodzaak tot aanschrijving van veel bouwwerken hetgeen op gespannen voet staat met het principe van verworven rechten. Voorts leidt het tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau.

In afwijking van het Bouwbesluit zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden geldt niet langer een wbdbo-eis tussen bestaande belendingen, maar moet worden uitgegaan van fictief, spiegelsymmetrisch gelegen gebouwen. Dit kan er toe leiden dat situaties die tot 1 januari nog als voldoende veilig werden beoordeeld vanwege de eigenschappen van een naburig bouwwerk of het ontbreken van een naburig pand, dit nu niet meer zijn. Dat zijn onder meer de situaties waarbij op de perceelsscheiding een raam aanwezig is die niet met brandwerend glas is bezet. Evenals bij de nieuwbouw kan de maximale brandcompartimentsgrootte bij een logiesgebouw en een megalogiesfunctie knellen. Via paragraaf 2.22.2 kan deze situatie toch toelaatbaar worden geacht.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.13.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.112.

De voorschriften voor de bestaande bouw zijn lager vastgesteld dan die voor de nieuwbouw. De reden daarvan is in het algemeen deel van de toelichting van dit besluit toegelicht.

Wat betreft de brandcompartimentering is rekening gehouden met onder meer NVN 3895 “Brandbeveiliging van gebouwen. Onderwijsgebouwen”.

Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwwerken aan die voorschriften zou leiden tot een noodzaak tot aanschrijving van veel bouwwerken hetgeen op gespannen voet staat met het principe van verworven rechten. Voorts leidt het tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau.

In afwijking van het Bouwbesluit zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden geldt niet langer een wbdbo-eis tussen bestaande belendingen, maar moet worden uitgegaan van fictief, spiegelsymmetrisch gelegen gebouwen. Dit kan er toe leiden dat situaties die tot 1 januari nog als voldoende veilig werden beoordeeld vanwege de eigenschappen van een naburig bouwwerk of het ontbreken van een naburig pand, dit nu niet meer zijn. Dat zijn onder meer de situaties waarbij op de perceelsscheiding een raam aanwezig is die niet met brandwerend glas is bezet. Evenals bij de nieuwbouw kan de maximale brandcompartimentsgrootte bij een logiesgebouw en een megalogiesfunctie knellen. Via paragraaf 2.22.2 kan deze situatie toch toelaatbaar worden geacht.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.13.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.113.

De voorschriften voor de bestaande bouw zijn lager vastgesteld dan die voor de nieuwbouw. De reden daarvan is in het algemeen deel van de toelichting van dit besluit toegelicht.

Wat betreft de brandcompartimentering is rekening gehouden met onder meer NVN 3895 “Brandbeveiliging van gebouwen. Onderwijsgebouwen”.

Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwwerken aan die voorschriften zou leiden tot een noodzaak tot aanschrijving van veel bouwwerken hetgeen op gespannen voet staat met het principe van verworven rechten. Voorts leidt het tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau.

In afwijking van het Bouwbesluit zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden geldt niet langer een wbdbo-eis tussen bestaande belendingen, maar moet worden uitgegaan van fictief, spiegelsymmetrisch gelegen gebouwen. Dit kan er toe leiden dat situaties die tot 1 januari nog als voldoende veilig werden beoordeeld vanwege de eigenschappen van een naburig bouwwerk of het ontbreken van een naburig pand, dit nu niet meer zijn. Dat zijn onder meer de situaties waarbij op de perceelsscheiding een raam aanwezig is die niet met brandwerend glas is bezet. Evenals bij de nieuwbouw kan de maximale brandcompartimentsgrootte bij een logiesgebouw en een megalogiesfunctie knellen. Via paragraaf 2.22.2 kan deze situatie toch toelaatbaar worden geacht.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.13.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.114.

De voorschriften voor de bestaande bouw zijn lager vastgesteld dan die voor de nieuwbouw. De reden daarvan is in het algemeen deel van de toelichting van dit besluit toegelicht.

Wat betreft de brandcompartimentering is rekening gehouden met onder meer NVN 3895 “Brandbeveiliging van gebouwen. Onderwijsgebouwen”.

Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwwerken aan die voorschriften zou leiden tot een noodzaak tot aanschrijving van veel bouwwerken hetgeen op gespannen voet staat met het principe van verworven rechten. Voorts leidt het tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau.

In afwijking van het Bouwbesluit zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden geldt niet langer een wbdbo-eis tussen bestaande belendingen, maar moet worden uitgegaan van fictief, spiegelsymmetrisch gelegen gebouwen. Dit kan er toe leiden dat situaties die tot 1 januari nog als voldoende veilig werden beoordeeld vanwege de eigenschappen van een naburig bouwwerk of het ontbreken van een naburig pand, dit nu niet meer zijn. Dat zijn onder meer de situaties waarbij op de perceelsscheiding een raam aanwezig is die niet met brandwerend glas is bezet. Evenals bij de nieuwbouw kan de maximale brandcompartimentsgrootte bij een logiesgebouw en een megalogiesfunctie knellen. Via paragraaf 2.22.2 kan deze situatie toch toelaatbaar worden geacht.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.13.1 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2.14.Verdere beperking van uitbreiding van brand

§ 2.14.1.Nieuwbouw

Artikel 2.115.

Het eerste lid geeft de functionele eis met betrekking tot de verdere beperking van uitbreiding van brand voor te bouwen bouwwerken. De functionele eis van artikel 2.115, eerste lid, benadrukt dat de voorschriften voor een subbrandcompartiment alleen bedoeld zijn voor gebruiksfuncties waarin ook geslapen wordt. Daarmee staat vast dat er geen subbrandcompartiment geëist mag worden voor een gebruiksfunctie waarin niet wordt geslapen. Dit houdt echter niet in dat als er wel wordt geslapen er ook automatisch sprake moet zijn van een subbrandcompartiment. Een gemeente zal het concretiseren van de functionele eis moeten motiveren. Men kan bijvoorbeeld in het Bouwbesluit 1992, zoals dat tot 31 december 2002 luidde, teruglezen wat in bepaalde situaties de feitelijke bedoeling was.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.116 bepaalt wat voor ruimten in een subbrandcompartiment moeten liggen (ligging);
2.artikel 2.117 stelt beperkingen aan de omvang van een subbrandcompartiment (omvang);
3.artikel 2.118 bevat eisen aan de weerstand van de begrenzing van een subbrandcompartiment tegen uitbreiding van brand (wbdbo);
4.artikel 2.119 bepaalt dat er in de inwendige scheidingsconstructie van bepaald subbrandcompartimenten waarvoor een wbdbo-eis geldt geen ander beweegbaar deel dan een zelfsluitende deur mag voorkomen (zelfsluitende deur);

Voor het merendeel van de (sub)gebruiksfuncties wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Omdat er geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moeten deze (sub)gebruiksfuncties wel aan de functionele eis van het eerste lid voldoen. Er zal in dit geval in voorkomende gevallen ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan. Daarbij zullen b&w mee in beschouwing moeten nemen of op grond van organisatorische maatregelen in een afdoende brandveiligheid kan worden voorzien. Ook Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618 en Bouwbesluit afstemming fase 1 op fase 2, stb. 1998, 619 geven een indicatie in hoeverre het de bedoeling is van deze beleidsruimte gebruik te maken. Bedacht moet voorts worden dat mocht binnen de beleidsruimte een subbrandcompartiment nodig te zijn, dan toch geen vluchtroutes kunnen worden geëist, omdat afdeling 2.18 daartoe niet de mogelijkheden biedt.

Artikel 2.116.

Dit artikel is er slechts op gericht om aan te geven welke ruimten in een subbrandcompartiment moeten liggen en welke ruimten er niet in behoeven te liggen.

Voor de plaats van een toilet- of badruimte, waaronder ook een bij zodanige ruimte behorende ruimte is begrepen, ten opzichte van een subbrandcompartiment mag een keuze worden gemaakt tussen:

  • het situeren ervan in een subbrandcompartiment zonder dat een inwendige scheidingsconstructie van die ruimte samenvalt met een scheidingsconstructie van het subbrandcompartiment (in dit geval geldt er geen eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag);
  • het zodanig situeren ervan binnen het subbrandcompartiment dat een scheidingsconstructie van de toilet- of badruimte samenvalt met de scheidingsconstructie van het subbrandcompartiment (in dit geval geldt voor die scheidingsconstructie wel de eis ten aanzien van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag), of
  • het situeren ervan buiten een subbrandcompartiment (in dit geval geldt de eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag niet, voor zover die weerstand wordt beschouwd vanuit de toilet- of badruimte).

Deze keuzevrijheid maakt het mogelijk om de toilet- of badruimten een geheel te laten vormen met een vluchttrappenhuis, dat buiten een subbrandcompartiment is gesitueerd.

Het doel van paragraaf 2.13 is een brand gedurende enige tijd binnen een brandcompartiment te houden. Daarmee zijn echter de personen die zich bij brand in het brandcompartiment bevinden waarin de brand is ontstaan niet direct geholpen. In sommige situaties, met name als er wordt geslapen en er geen of slechts een beperkt aantal personen wakend in het gebouw aanwezig is, is het nodig om een of meer ruimten binnen een brandcompartiment in een subbrandcompartiment onder te brengen. Als er dan brand ontstaat in een subbrandcompartiment, zijn alle andere buiten het subbrandcompartiment gelegen ruimten binnen het brandcompartiment nog enige tijd beschermd.

Subbrandcompartimenten zijn met name nodig bij ruimten waarin bijvoorbeeld mensen slapen. Het gaat dus niet om behandelafdelingen, zoals een polikliniek in een ziekenhuis. In het geval mensen slapen en er weinig mensen wakend aanwezig zijn om hulp te bieden hebben die mensen meer tijd nodig om een brandcompartiment te verlaten.

De begrenzing van een subbrandcompartiment moet voldoen aan voorschriften die in de artikelen 2.123 en 2.124 zijn gesteld. Deze voorschriften zijn vaak minder streng dan die voor het brandcompartiment waarin de subbrandcompartimenten liggen. Wanneer de grens van een subbrandcompartiment samenvalt met de grens van het brandcompartiment moet uiteraard aan beide voorschriften zijn voldaan.

Het eerste lid bepaalt voor een niet-gemeenschappelijke ruimte in bijvoorbeeld een woonfunctie (met uitzondering van eengezinswoningen met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 500 m2), een slaapruimte in een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar of voor 24-uursopvang, een celfunctie, hotelkamers en vakantiewoningen, dat deze in een subbrandcompartiment moeten liggen. De bedoeling is dat de groep van niet gemeenschappelijke ruimten als geheel (voorheen woning, logiesverblijf en cel) als één subbrandcompartiment functioneert. Ook de gemeenschappelijke verblijfsgebieden van een woongebouw en een logiesgebouw zullen als subbrandcompartiment moeten zijn ingericht.

Bij cellen behoeft bijvoorbeeld een binnen een cellenblok (een gesloten gedeelte van een cellengebouw, dat twee of meer cellen bevat) gelegen gemeenschappelijke ruimte, zoals een ontspanningsruimte, niet in een subbrandcompartiment te liggen. Van een gezondheidszorgfunctie behoeven uitsluitend de verblijfsruimten voor bedgebonden patiënten in een subbrandcompartiment te liggen. Hieronder vallen verpleegkamers met inbegrip van eventueel aanwezige nevenruimten zoals een badruimte, op een verpleegafdeling van een ziekenhuis of de woon-/slaapruimten in tehuizen voor bewoning met dwangverpleging worden aangemerkt als een subbrandcompartiment. De op zo'n afdeling eventueel aanwezige zusterpost of recreatiezaal behoeft echter niet als subbrandcompartiment te zijn aangemerkt. Bij bepaalde verpleegafdelingen, waar sprake is van permanente bewaking, zoals bij een intensive care-afdeling, mogen die afdeling en de daarbij behorende nevenruimten als één subbrandcompartiment worden aangemerkt. Bij permanente bewaking kan het aanwezige personeel, zo nodig, de patiënten direct in veiligheid brengen door deze naar het voorgeschreven aangrenzende brandcompartiment over te brengen.

In het betreffende subbrandcompartiment van een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang mogen wel andere ruimten liggen dan de slaapruimten, zoals een speelruimte, mits de totale omvang van het subbrandcompartiment niet uitgaat boven het gestelde in artikel 2.117, zesde lid.

Artikel 2.117.

Een subbrandcompartiment mag ten einde te voorkomen dat alsnog te veel mensen gelijktijdig kunnen worden blootgesteld aan een brand, niet te groot zijn. Dit artikel bevat daarom eisen aan de maximale grootte van een subbrandcompartiment.

Het eerste lid regelt dat een brandcompartimentscheiding zich niet kan bevinden in een subbrandcompartiment.

Het tweede lid maakt het mogelijk om een aangebouwde nevenfunctie, zoals een buitenberging, van bijvoorbeeld een aanleunwoning, gelegen op de begane grond van een woongebouw, in het subbrandcompartiment op te nemen. Het is de bedoeling dat dit voorschrift zwaarder weegt dan artikel 105, tweede lid. Dus in een brandcompartiment van een woonfunctie, gelegen in een woongebouw, liggen naast uitsluitend woonfuncties ook de eventuele nevenfuncties van die woonfuncties.

Voor een woonfunctie, gelegen in een woongebouw, is een subbrandcompartiment niet groter dan 500 m². Dit is met name van belang bij megawoningen. Bedacht moet worden dat in zo’n woning subbrandcompartimenten van twee niveaus liggen. Enerzijds moet zo’n woning worden opgedeeld in subbrandcompartimenten van ten hoogste 500 m² en anderzijds liggen daarbinnen subbrandcompartimenten die in beginsel niet groter zijn dan 40 m² als bedoeld in het vierde lid. Voor een megawoning die niet in een woongebouw is gelegen is het opdelen in subbrandcompartimenten van maximaal 500 m² echter niet nodig.

Het vijfde lid is van toepassing op een woongebouw. Echter artikel 2.116, tweede lid, leidt er toe dat dit voorschrift ook aangestuurd had moeten worden voor een logiesgebouw.

Een verblijfsruimte voor kinderopvang waarin wordt geslapen moet een zelfde mate van brandveiligheid bieden als een ruimte waarin wordt geslapen in een gezondheidszorgfunctie en een logiesfunctie. Derhalve moet ook een dergelijke ruimte voor kinderopvang in een subbrandcompartiment liggen.

Door de maximale omvang van het subbrandcompartiment waarin wordt geslapen te beperken tot 200 m², als aangegeven in het zesde lid, is gevolg geven aan de wens van de brandweer om de omvang zodanig te beperken dat bij brand een optimale evacuatie mogelijk is. Bij deze optimale omvang is tevens rekening gehouden met de wens vanuit de branche, om in een compartiment voldoende ruimte te kunnen realiseren om daarin twee groepen met begeleiding te kunnen plaatsen. Indien er twee groepen in een subbrandcompartiment verblijven, is het toegestaan om als scheiding tussen die groepen een eenvoudige beweegbare scheidingswand zonder brandwerende eigenschappen te plaatsen. Dit geldt ook voor de scheidingswand tussen een slaapruimte en een speelruimte.

Het Bouwbesluit 2003 gaat er van uit dat bij brand de kinderen door het personeel moeten kunnen worden geëvacueerd voordat de brandweer aanwezig is. In een subbrandcompartiment waarin kinderen slapen mogen daarom niet meer dan 40 personen aanwezig zijn. Dit komt neer op ten hoogste twee groepen van 16 kinderen met begeleiding. Daarbij is uitgegaan van de aanwezigheid van voldoende personeel met de juiste kwalificaties om de kinderen in één keer te kunnen evacueren, dus zonder terug te hoeven keren. In de praktijk gaat men er van uit dat één volwassene maximaal 4 baby’s tegelijk kan evacueren. Nadere voorschriften omtrent de ontruiming van een inrichting kunnen op grond van de gemeentelijke bouwverordening in de gebruiksvergunning worden opgenomen.

Dit betreft ten dele een gebruiksvoorschrift dat niet kan zijn gebaseerd op artikel 2 van de Woningwet, maar regeling behoeft op grond van een besluit, genomen op grond van artikel 8, achtste lid, van de Woningwet. Verder klopt bovenstaand uitganspunt niet met de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang dat alleen bij 1-jarigen tot dit scenario kan leiden, waarbij moet worden betwijfeld of dit in de praktijk ook naar behoren kan functioneren.

Het zevende lid maakt b.v. een patiëntenkamer met een eigen badruimte of eventueel een serre mogelijk, waarbij eveneens de ruimte van waaruit het verplegend personeel de patiënten verpleegt, in het subbrandcompartiment van de aan bed gebonden patiënten mag liggen. Dit laatste doet zich voor bij een intensive care afdeling. Er loopt onderzoek, uitgevoerd door TNO Bouw, om te bezien of de grenswaarde van 50 m², gelet op de bestaande praktijk, niet wat ruimer moet worden gesteld.

Artikel 2.118.

Het realiseren van een of meer subbrandcompartimenten heeft alleen zin wanneer de scheidingsconstructies tussen de subbrandcompartimenten en bepaalde ruimten voldoende weerstand hebben tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo). ‘Brandoverslag’ betekent in dit verband de uitbreiding van brand via de buitenlucht, terwijl met ‘branddoorslag’ wordt bedoeld de branduitbreiding anders dan door de buitenlucht. Omdat artikel 2.106 reeds voorziet in eisen tussen een brandcompartiment en andere ruimten, voorziet artikel 2.118 alleen in voorschriften die betekenis hebben binnen een brandcompartiment. In afwijking van de systematiek van artikel 2.106 geldt er wel een eis tussen een subbrandcompartiment en een ruimte, geen brandcompartiment zijnde.

Dit artikel bevat de desbetreffende eisen aan de scheidingsconstructies die het subbrandcompartiment begrenzen. De wbdbo wordt uitgedrukt in minuten.

Voor een woonfunctie is de eis in beginsel 60 minuten. Slechts in zeer beperkte mate kan met een grenswaarde van 30 minuten worden volstaan. Daarmee zijn boven een hoogte van 7 m de eisen voor een subbrandcompartiment strenger dan die voor een brandcompartiment. Bedoeld zal zijn dat bij een permanente vuurbelasting tot en met 500 MJ/m² altijd reductie kan worden gegeven tot 30 min wbdbo en dat ongeacht de permanente vuurbelasting bij gebouwen met verblijfsgebieden die niet hoger liggen dan 7 m boven het meetniveau die reductie kan worden gegeven.

Voor de andere subbrandcompartimenten volstaat een wbdbo van 30 minuten. Bedacht moet worden dat voor een cel, afhankelijke van de keuze van brandcompartimenteren (artikel 2.105, negende lid) strengere eisen kunnen gelden.

De in het vijfde lid bedoelde kier onder de deur, die bij de bepaling van de wbdbo buiten beschouwing mag worden gelaten, kan dienst doen als overstroomvoorziening in een voorziening voor luchtversing als bedoeld in afdeling 3.10.

Artikel 2.119.

Dit artikel bepaalt dat geen beweegbare ramen en dergelijke in de scheidingswanden van bepaalde subbrandcompartimenten mogen voorkomen en dat daarin uitsluitend deuren mogen zijn geplaatst die zijn voorzien van een dranger. Het gaat hier om scheidingsconstructies tussen een patiëntenkamer, hotelkamer e.d. en aangrenzende besloten ruimten, en niet om wanden binnen zo’n subbrandcompartiment.

Voor een patiëntenkamer in een ziekenhuis en verpleegkamer in een tehuis is dit voorschrift nieuw. Het is de uitkomst van overleg tussen de betrokken bewindslieden over de keuze tussen bouwkundige brandveiligheid of organisatorische brandveiligheid gedurende 24 uur per dag.

Uit het feit dat dit niet geldt voor een cel en een woning mag worden afgeleid dat dit voor die toepassing wel zou mogen. Dat is niet de bedoeling. Alleen een deur is toegestaan, maar die hoeft niet zelfsluitend te zijn en mag tegen de vluchtrichting in en over de route ter ontkoming draaien. Dit laatste is voor een cel mede ontleend aan de Regeling politiecellencomplex.

§ 2.14.2.Bestaande bouw

Artikel 2.120.

De voorschriften voor de bestaande bouw zijn lager vastgesteld dan die voor de nieuwbouw. De reden daarvan is in het algemeen deel van de toelichting van dit besluit toegelicht.

Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwwerken aan die voorschriften zou leiden tot een noodzaak tot aanschrijving van veel bouwwerken hetgeen op gespannen voet staat met het principe van verworven rechten. Voorts leidt het tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau.

Dit geldt niet voor een zelfsluitende deur voor subbrandcompartiment in een gezondheidszorgfunctie. Voor een patiëntenkamer in een ziekenhuis en verpleegkamer in een tehuis is dit voorschrift nieuw. Het is de uitkomst van overleg tussen de betrokken bewindslieden over de keuze tussen bouwkundige brandveiligheid of organisatorische brandveiligheid gedurende 24 uur per dag.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.14.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.121.

De voorschriften voor de bestaande bouw zijn lager vastgesteld dan die voor de nieuwbouw. De reden daarvan is in het algemeen deel van de toelichting van dit besluit toegelicht.

Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwwerken aan die voorschriften zou leiden tot een noodzaak tot aanschrijving van veel bouwwerken hetgeen op gespannen voet staat met het principe van verworven rechten. Voorts leidt het tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau.

Dit geldt niet voor een zelfsluitende deur voor subbrandcompartiment in een gezondheidszorgfunctie. Voor een patiëntenkamer in een ziekenhuis en verpleegkamer in een tehuis is dit voorschrift nieuw. Het is de uitkomst van overleg tussen de betrokken bewindslieden over de keuze tussen bouwkundige brandveiligheid of organisatorische brandveiligheid gedurende 24 uur per dag.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.14.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.122.

De voorschriften voor de bestaande bouw zijn lager vastgesteld dan die voor de nieuwbouw. De reden daarvan is in het algemeen deel van de toelichting van dit besluit toegelicht.

Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwwerken aan die voorschriften zou leiden tot een noodzaak tot aanschrijving van veel bouwwerken hetgeen op gespannen voet staat met het principe van verworven rechten. Voorts leidt het tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau.

Dit geldt niet voor een zelfsluitende deur voor subbrandcompartiment in een gezondheidszorgfunctie. Voor een patiëntenkamer in een ziekenhuis en verpleegkamer in een tehuis is dit voorschrift nieuw. Het is de uitkomst van overleg tussen de betrokken bewindslieden over de keuze tussen bouwkundige brandveiligheid of organisatorische brandveiligheid gedurende 24 uur per dag.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.14.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.123.

De voorschriften voor de bestaande bouw zijn lager vastgesteld dan die voor de nieuwbouw. De reden daarvan is in het algemeen deel van de toelichting van dit besluit toegelicht.

Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwwerken aan die voorschriften zou leiden tot een noodzaak tot aanschrijving van veel bouwwerken hetgeen op gespannen voet staat met het principe van verworven rechten. Voorts leidt het tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau.

Dit geldt niet voor een zelfsluitende deur voor subbrandcompartiment in een gezondheidszorgfunctie. Voor een patiëntenkamer in een ziekenhuis en verpleegkamer in een tehuis is dit voorschrift nieuw. Het is de uitkomst van overleg tussen de betrokken bewindslieden over de keuze tussen bouwkundige brandveiligheid of organisatorische brandveiligheid gedurende 24 uur per dag.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.14.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.124.

De voorschriften voor de bestaande bouw zijn lager vastgesteld dan die voor de nieuwbouw. De reden daarvan is in het algemeen deel van de toelichting van dit besluit toegelicht.

Het alsnog laten voldoen van bestaande bouwwerken aan die voorschriften zou leiden tot een noodzaak tot aanschrijving van veel bouwwerken hetgeen op gespannen voet staat met het principe van verworven rechten. Voorts leidt het tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde veiligheidsniveau.

Dit geldt niet voor een zelfsluitende deur voor subbrandcompartiment in een gezondheidszorgfunctie. Voor een patiëntenkamer in een ziekenhuis en verpleegkamer in een tehuis is dit voorschrift nieuw. Het is de uitkomst van overleg tussen de betrokken bewindslieden over de keuze tussen bouwkundige brandveiligheid of organisatorische brandveiligheid gedurende 24 uur per dag.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.14.1 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2.15.Beperking van ontstaan van rook

§ 2.15.1.Nieuwbouw

Artikel 2.125.

Het eerste lid geeft de functionele eis met betrekking tot de beperking van het ontstaan van rook voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.126 bepaalt wat de maximale rookdichtheid mag zijn van een niet naar de buitenlucht toegekeerde zijde van een constructie-onderdeel een constructie-onderdeel van een tunnel (algemeen);
2.artikel 2.127 regelt dat voor een aantal situaties die in het voorgaande artikel zijn onderscheiden, er geen specifieke minimumeis voor rookdichtheid geldt voor een vloer, hellingbaan of trapvlak (beloopbaar vlak);
3.artikel 2.128 verklaart dat de eisen van artikel 2.126 niet gelden voor een beperkt gedeelte van het de niet naar buitenlucht toegekeerde zijde van constructie-onderdelen (vrijgesteld), en
4.artikel 2.129 bepaalt dat de voorschriften voor nieuwbouw van deze paragraaf ook gelden voor niet-permanente bouw (tijdelijk bouwwerk).

Voor een enkele (sub)gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Omdat er geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet in die situatie wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan die eis is voldaan.

De voorschriften over de beperking van het ontstaan van rook zijn voor een celfunctie mede ontleend aan de Regeling politiecellencomplex.

Artikel 2.126.

Bij een beginnende brand kan het zicht in een gebouw als gevolg van een snelle en hevige rookontwikkeling snel sterk beperkt raken. Hierdoor ontstaat het gevaar dat de gebruikers van het gebouw zich onvoldoende kunnen oriënteren bij hun poging het gebouw te ontvluchten. Om dit te voorkomen, stelt het eerste lid een algemene eis aangaande de maximaal toegestane rookproductie van een niet naar de buitenlucht toegekeerde zijde van een constructie-onderdeel. Een zijde is naar de buitenlucht toegekeerd als de ruimte is aan te merken als niet besloten ruimte in de zin van artikel 2.169 van dit besluit dan wel wanneer er sprake is van een gevel.

De overige leden van dit artikel bevatten zwaardere eisen voor specifieke situaties. Het gaat daarbij om constructie-onderdelen die grenzen aan een besloten, niet-gemeenschappelijke ruimte -zoals een cel-, aan een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute of brand- en rookvrije vluchtroute voert, of aan een ruimte waardoor een verkeersroute voert die ligt tussen de toegang van een subbrandcompartiment van een celfunctie of een gezondheidszorgfunctie en de uitgang van het rookcompartiment waarin dat subbrandcompartiment ligt.

Voor gebruiksfuncties waarin wordt overnacht (woonfunctie, gezondheidszorgfunctie en logiesfunctie) zullen constructie-onderdelen die grenzen aan of liggen in een rookvrije vluchtroute aan dezelfde eisen moeten voldoen als de constructie-onderdelen van een van brand en rook gevrijwaarde vluchtroute. Omdat die route voor een woonfunctie en een logiesfunctie is gelegen binnen een brandcompartiment kan die route niet als brand- en rookvrij worden genoemd omdat dan die route buiten dat brandcompartiment moet liggen (zie afdeling 2.13.1). Vluchtroutes vanuit een subbrandcompartiment als bedoeld in paragraaf 2.14.1 voeren over een rookvrije vluchtroute tot de uitgang van het brandcompartiment waarin het subbrandcompartiment ligt.

Vanuit een cel en een patiëntenkamer voert geen rookvrije vluchtroute. Die begint eerst vanaf de de uitgang van het rookcompartiment waarin die cel of die kamer ligt. De verkeersroute naar die uitgang moet echter voldoende veilig zijn.

Voor een celfunctie gelden strengere eisen ten einde te voorkomen dat een gedetineerde te gemakkelijk, als hij er in slaagt een brand te stichten, een te onveilige situatie voor medegevangen zou kunnen scheppen.

De laatste drie leden bevatten eisen voor soortgelijke situaties in tunnels of tunnelvormige bouwwerken die zijn bestemd voor het verkeer. In tunnels kan rook gemakkelijk blijven hangen.

Behoudens de basiseis (eerste lid) zijn eisen gesteld die zijn gekoppeld aan een klasse van de bijdrage tot brandvoortplanting. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat de totale hoeveelheid rook die bij een brand vrijkomt afhankelijk is van het oppervlak aan constructie-onderdelen dat brandt.

Voor de bepaling van deze rookproductie, die is uitgedrukt in termen van rookdichtheid, bevat NEN 6066 een beproevingsmethode. Voorwerp van deze beproeving is de combinatie van bouwmaterialen die is toegepast in een constructie-onderdeel, over een dikte van 6,5 cm, gemeten vanaf het oppervlak.

Artikel 2.127.

In dit artikel worden beloopbare vlakken uitgezonderd van een aantal bijzondere eisen van het voorgaande artikel. De reden hiervan is dat een brand zich betrekkelijk langzaam uitbreidt over de bovenzijde van een horizontaal vlak. Daardoor zal een brand die begint op een vloer, hellingbaan of traptrede zich niet snel uitbreiden over een grote oppervlakte. Voor de beloopbare vlakken geldt door deze uitzondering de algemene eis van 10 m-1.

Artikel 2.128.

De bedoeling van dit artikel is het mogelijk te maken dat plinten, stopcontacten en andere kleine constructie-onderdelen, zoals lichtarmaturen, brand- en rookmelders, kunnen worden toegepast. Uit de gegeven opsomming van de hierbedoelde constructie-onderdelen moet worden afgeleid dat het geenszins de bedoeling is dat de in dit lid bedoelde 5% van het totaal van de oppervlakte aan constructie-onderdelen van een ruimte, op één plaats in de ruimte is geconcentreerd.

§ 2.15.2.Bestaande bouw

Artikel 2.130.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.15.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.131.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.15.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.132.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.15.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.133.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.15.1 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2.16.Beperking van verspreiding van rook

§ 2.16.1.Nieuwbouw

Artikel 2.134.

Het eerste lid geeft de functionele eis met betrekking tot de beperking van verspreiding van rook voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.135 bepaalt dat een brandcompartiment is onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten (ligging);
2.artikel 2.136 bevat regels omtrent de omvang van een rookcompartiment (omvang);
3.artikel 2.137 bevat de eis aan de weerstand tegen rookdoorgang tussen een rookcompartiment en bepaalde ruimten (weerstand rookdoorgang);
4.artikel 2.138 bepaalt dat in de regel in de scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte, aan beweegbare constructie-onderdelen alleen maar zelfsluitende onderdelen mogen voorkomen (zelfsluitende constructie-onderdelen), en
5.artikel 2.139 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvan gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor een enkele gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Omdat er geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval in voorkomende gevallen ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan.

Artikel 2.135.

Voor het veilig kunnen vluchten uit een gebouw bij brand is het nodig dat er voorzieningen worden getroffen om de verspreiding van rook door het gebouw te beperken. Meer in het bijzonder gaat het erom, dat rookvrije vluchtroutes voldoende lang, in voldoende mate gevrijwaard blijven van rook gedurende de tijd dat gebruikers het gebouw moeten kunnen verlaten.

Verder dient ook binnen het brandcompartiment waar de brand is ontstaan met het oog op het voldoende veilig kunnen verlaten van dat brandcompartiment de afstand die door de rook moeten worden afgelegd voldoende te zijn beperkt. Met het oog op beide hiervoor genoemde argumenten moet een brandcompartiment krachtens het eerste lid worden onderverdeeld in een of meer rookcompartimenten. Bij de uitgang van een rookcompartiment ligt immers in het algemeen het beginpunt van rookvrije vluchtroutes (artikel 2.163, eerste lid).

Het tweede lid eist dat er in zeer hoge gebouwen een rooksluis is tussen een verblijfsgebied en een besloten vluchttrappenhuis. Van een sluis is sprake als direct grenzend aan de uitgang naar het trappenhuis een afzonderlijke ruimte ligt waardoor lopend ten minste 2 meter moet worden afgelegd alvorens de deur naar het trappenhuis wordt bereikt. Rook van een ontwikkelde brand kan hierdoor slechts moeizaam in het trappenhuis doordringen. Aldus wordt bereikt dat de gebruikers van het gebouw meer tijd krijgen om het gebouw veilig te kunnen verlaten. Bovendien kan de brandweer daardoor langer van die trappenhuizen gebruik maken om het gebouw te doorzoeken op achtergebleven personen en een binnenaanval te doen.

Dit voorschrift leidt er toe dat als niet wordt gekozen voor een sluis grenzend aan het trappenhuis de middengang in zijn geheel als rookcompartiment moet functioneren en alle deuren die op die gang uitkomen zelfsluitende moeten zijn.

Van een niet-besloten ruimte is sprake is sprake als deze voldoet aan het gestelde in artikel 2.169.

Artikel 2.136.

Een subcompartiment is voor een woonfunctie, celfunctie en gezondheidszorgfunctie niet aan te merken als rookcompartiment, omdat de voorschriften inzake loopafstanden en hoogteverschillen binnen een rookcompartiment anders van geen betekenis zijn. Alleen het subbrandcompartiment van een logiesfunctie en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang is een rookcompartiment. Dit leidt in samenhang met artikel 2.135, eerste lid, er toe dat in een logiesfunctie en zo’n bijeenkomstfunctie rookcompartimenten binnen rookcompartimenten ontstaan. Voor de eisen aan de loopafstanden tot de uitgang van een rookcompartiment leidt dat tot een onduidelijke situatie welke uitgang nu is bedoeld.

Het moet gaan om de afstand tot de toegang van het kleinste rookcompartiment waarvan de beschouwde ruimte deel van uitmaakt.

Het tweede, derde en vijfde lid gaan over de maximale loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied of verblijfsruimte en een toegang van het rookcompartiment waarin dat gebied of die ruimte ligt. De bedoeling is te voorkomen dat de bij het uitbreken van brand in een rookcompartiment aanwezige personen een lange weg door de rook moeten afleggen. Daarbij zouden ze het risico lopen de uitgang niet tijdig te kunnen vinden. De voorschriften leiden er toe dat een rookcompartiment in beginsel binnen 1 minuut moeten kunnen zijn verlaten.

Het tweede lid regelt dat bij het bepalen van de loopafstand geen rekening wordt gehouden met de niet-dragende scheidingsconstructies binnen een verblijfsgebied. Dit vloeit voort uit het beginsel van vrije indeelbaarheid dat aan dit besluit ten grondslag ligt, zoals uitgelegd in het algemeen gedeelte van deze toelichting. Zou dit niet zijn gedaan dan zou het vergunningsvrij bouwen niet goed mogelijk zijn. De werkelijk door de rook af te leggen afstand zou na indeling van een verblijfsgebied onaanvaardbaar groot kunnen worden. Daarom dient de afstand die in het bouwplan aanwezig is, eerst te worden vermenigvuldigd met een factor anderhalf alvorens te worden vergeleken met de grenswaarde.

De grenswaarden zijn afhankelijk gesteld van de klasse van de bezettingsgraad. Er wordt vanuit gegaan dat bij hoge mensdichtheden personen elkaar voor de voeten lopen en daardoor een kleinere afstand kunnen afleggen dan bij een lage mensdichtheid.

De grenswaarden zijn feitelijk zo gekozen dat bij gangbare indelingen er geen strijd ontstaat met de daarvoor geldende voorschriften (zie TNO-Bouw B-90-820, “Vrije indeelbaarheid versus de bouwtechnische eisen in het Bouwbesluit”).

Het derde lid is een zogenaamde vangnetbepaling voor gevallen dat een verblijfsgebied zodanig in verblijfsruimten is ingedeeld, dat de werkelijke loopafstand toch nog onaanvaardbaar groot zou zijn. De toegelaten loopafstanden zijn gelijk aan de basisgrenswaarden voor verblijfsgebieden, maar de gemeten loopafstand hoeft niet met anderhalf te worden vermenigvuldigd.

Het vierde, zesde en zevende lid bevatten een regeling voor het maximale hoogteverschil tussen vloeren in een rookcompartiment. Het vierde lid stelt het maximale hoogteverschil tussen een vloer van een verblijfsgebied en de toegang van het betrokken rookcompartiment op 4 m. Dit betekent praktisch gezien, dat een rookcompartiment met niet op elke bouwlaag een of meer uitgangen, niet meer dan drie verdiepingen met een doorlopende vide kan omvatten. Bij een bouwkundig ontwerp met de uitgang op de middenverdieping moet dan of 1 bouwlaag worden gestegen of 1 bouwlaag worden gedaald om de uitgang van het rookcompartiment binnen de voorgeschreven afstand te verlaten. Het impliceert ook dat men bij het vluchten binnen een rookcompartiment in de regel van niet meer dan één trap gebruik hoeft te maken. Is het echter mogelijk een rookcompartiment op elke bouwlaag te verlaten dan kan een vide van meer bouwlagen worden gemaakt zolang de brandcompartimentsgrootte maar niet wordt overschreden.

Het vijfde lid beperkt de loopafstand binnen een celfunctie. Vanuit een cel mag dus maar over een relatief korte afstand door de rook worden gelopen. Daarmee wordt bereikt dat gevangenbewaarders een cel snel kunnen bereiken en in geval van brand die cel dus ook snel kunnen openen.

Het zesde lid maakt het mogelijk dat in een rookcompartiment van een penitentiaire inrichting een vide mag worden gerealiseerd met een maximaal hoogteverschil tussen vloeren daarin van 12 m. Deze regel is ruimer gesteld om recht te doen aan de gangbare bouwwijze van penitentiaire inrichtingen. Veelal zal echter om andere reden een rookcompartiment van zo’n gebouw op elke bouwlaag kunnen worden verlaten.

Op grond van het zevende lid geldt voor een industriefunctie de eis van maximaal 4 m hoogteverschil niet in het geval de bouwlagen zodanig met elkaar in verbinding staan dat voldoende zicht op de andere bouwlagen mogelijk is en dus snel kan worden waargenomen dat er brand is.

De in dit artikel gestelde maximum afstanden en hoogteverschillen zijn zodanig, dat ervan mag worden uitgegaan dat vluchtende personen in de regel in staat zullen zijn met ingehouden adem een uitgang van een rookcompartiment te bereiken.

Artikel 2.137.

Het indelen van een gebouw in rookcompartimenten met het oog op het beperken van de verspreiding van rook heeft alleen zin wanneer de scheidingsconstructies van die rookcompartimenten met bepaalde besloten ruimten, gelegen binnen het brandcompartiment waarin het rookcompartiment ligt, een bepaalde weerstand tegen rookdoorgang hebben. Dit artikel heeft geen betrekking op inwendige scheidingsconstructies van ruimten die binnen het rookcompartiment liggen. De hier bedoelde inwendige scheidingsconstructies vormen de omhulling van een rookcompartiment.

Artikel 2.138.

Openingen in de omhulling van een rookcompartiment zouden de met de eisen van het voorgaande artikel bereikte weerstand tegen rookdoorgang tenietdoen. Daarom bepaalt het eerste lid voor woningen dat er in die begrenzing slechts deuren, ramen, luiken e.d. mogen voorkomen, indien deze zelfsluitend zijn, wat neerkomt op het voorzien zijn van een dranger. Het gaat hier om de scheidingsconstructies tussen een brandcompartiment en besloten ruimten daarbuiten, en niet om scheidingsconstructies binnen een brandcompartiment. Het is niet de bedoeling dit voorschriften te laten gelden daar waar geen eis aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt.

§ 2.16.2.Bestaande bouw

Artikel 2.140.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting. Bij de loopafstand in artikel 2.142, tweede lid, is, zoals in het algemeen van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast. Afgaande op de verschillen tussen de voorschriften voor de nieuwbouw en de bestaande, zal daar waar voor de nieuwbouw een grenswaarde geldt van 30 meter er voor de bestaande bouw een grenswaarde van 60 m moet worden aangehouden en daar waar voor nieuwbouw een grenswaarde geldt van 45 m voor de bestaande bouw een grenswaarde van 75 m.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.16.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.141.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Bij de loopafstand in artikel 2.142, tweede lid, is, zoals in het algemeen van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast. Afgaande op de verschillen tussen de voorschriften voor de nieuwbouw en de bestaande, zal daar waar voor de nieuwbouw een grenswaarde geldt van 30 meter er voor de bestaande bouw een grenswaarde van 60 m moet worden aangehouden en daar waar voor nieuwbouw een grenswaarde geldt van 45 m voor de bestaande bouw een grenswaarde van 75 m.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.16.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.142.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Bij de loopafstand in artikel 2.142, tweede lid, is, zoals in het algemeen van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast. Afgaande op de verschillen tussen de voorschriften voor de nieuwbouw en de bestaande, zal daar waar voor de nieuwbouw een grenswaarde geldt van 30 meter er voor de bestaande bouw een grenswaarde van 60 m moet worden aangehouden en daar waar voor nieuwbouw een grenswaarde geldt van 45 m voor de bestaande bouw een grenswaarde van 75 m.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.16.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.143.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Bij de loopafstand in artikel 2.142, tweede lid, is, zoals in het algemeen van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast. Afgaande op de verschillen tussen de voorschriften voor de nieuwbouw en de bestaande, zal daar waar voor de nieuwbouw een grenswaarde geldt van 30 meter er voor de bestaande bouw een grenswaarde van 60 m moet worden aangehouden en daar waar voor nieuwbouw een grenswaarde geldt van 45 m voor de bestaande bouw een grenswaarde van 75 m.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.16.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.144.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Bij de loopafstand in artikel 2.142, tweede lid, is, zoals in het algemeen van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast. Afgaande op de verschillen tussen de voorschriften voor de nieuwbouw en de bestaande, zal daar waar voor de nieuwbouw een grenswaarde geldt van 30 meter er voor de bestaande bouw een grenswaarde van 60 m moet worden aangehouden en daar waar voor nieuwbouw een grenswaarde geldt van 45 m voor de bestaande bouw een grenswaarde van 75 m.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.16.1 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2.17.Vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment

§ 2.17.1.Nieuwbouw

Artikel 2.145.

Het eerste lid geeft de functionele eis met betrekking tot het vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.146 bevat eisen aan de inrichting van een (sub)brandcompartiment in relatie met de daarin gelegen gebieden en verblijfsruimten, onder meer betreffende loopafstand en aantal en ligging van uitgangen (verblijfsgebied en -ruimte);
2.artikel 2.147 bevat eisen aan de uitgang van een subbrandcompartiment (subbrandcompartiment);
3.artikel 2.148 bevat eisen aan de inrichting van een rookcompartiment, onder meer betreffende de vrije doorgang van uitgangen en de draairichting van deuren (rookcompartiment), en
4.artikel 2.149 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften daarvan gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor een enkele gebruiksfunctie wijst de tabel geen enkel voorschrift aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet voor die gebruiksfunctie wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in zo’n geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan.

Artikel 2.146.

Het doel van dit artikel is te waarborgen, dat er in het geval van brand veilige mogelijkheden zijn om vanuit een verblijfsgebied of verblijfsruimte het betrokken rookcompartiment binnen één minuut te verlaten. Het gaat hier dus om het bereiken van het beginpunt van een of meer rookvrije vluchtroutes. Op de rookvrije vluchtroute zelf, dat wil zeggen vanaf de toegang van het rookcompartiment naar het aansluitende terrein of eventueel een ander brandcompartiment, hebben de paragrafen 2.18.1 - Rookvrije vluchtroutes - en 2.19.1 - Inrichting van rookvrije vluchtroutes - betrekking.

De voorschriften van het eerste en het tweede lid wijken op onderdelen af van de voorschriften die op grond van artikel 16, eerste lid, van het Bouwbesluit in samenhang met NEN 6082 hebben gegolden tot 1 januari 2003. De oorspronkelijke voorschriften regelden:

a.een maximale loopafstand van 20 meter tussen een punt in een gemeenschappelijke verblijfsgebied van een gewone woonfunctie en een uitgang van dat gemeenschappelijke verblijfsgebied, waarbij vergunningsvrije bouwdelen buiten beschouwing bleven; nu geldt het voorschrift naar de uitgang van een subbrandcompartiment en is daarmee strenger.
b.een maximale loopafstand van 30 meter tussen een punt in een gemeenschappelijke verblijfsruimte van een gewone woonfunctie en een uitgang van die gemeenschappelijke verblijfsruimte; nu geldt het voorschrift naar de uitgang van een subbrandcompartiment en is daarmee strenger.

Het eerste lid regelt de maximum loopafstand tussen een punt in een gemeenschappelijk verblijfsgebied van een woongebouw en een toegang van het subbrandcompartiment waarin dat verblijfsgebied ligt. Bij het bepalen van de loopafstand blijven binnen het verblijfsgebied niet-dragende constructie-onderdelen, zoals bijvoorbeeld gipswanden, buiten beschouwing. Dit vloeit voort uit het aan het Bouwbesluit ten grondslag liggende principe van vrije indeelbaarheid, zoals toegelicht in het algemeen deel van deze toelichting.

Het tweede lid geeft een daarmee vergelijkbare vangneteis, maar dan voor een verblijfsruimte. De grenswaarde is, rekening houdend met de langere looproute, omdat nu niet dragende wanden wel een rol spelen, 1,5 groter gesteld.

Het derde bevat een regeling voor als relatief brandgevaarlijk beschouwde ruimten in megawoningen, zoals bijvoorbeeld een keuken in een studentenhuis of zusterflat en recreatieruimten in dergelijke gebouwen. Dergelijke moeten ten minste twee uitgangen hebben waarlangs een veilig heenkomen kan worden gezocht.

Het vierde lid geeft een beperking aan de wijze van indelen van een subbrandcompartiment in een woongebouw. Dit om te brandonveilige situatie met het oog op het kunnen vluchten te voorkomen. In beginsel moet vanuit een verblijfsruimte direct via een gang een uitgang van het subbrandcompartiment kunnen worden bereikt waarin die verblijfsruimte ligt. Een kamer ensuite is mogelijk als vanuit de aansluitende verblijfsruimte via twee uitgangen een veilig heenkomen kan worden gerealiseerd.

Het vijfde lid bevat een uitzondering voor megawoonfuncties die zijn gelegen in een woongebouw. Daarbij wordt verondersteld die dergelijke woningen binnen het woongebouw geen gemeenschappelijke verblijfsgebieden hebben. Het eerste tot en met het derde lid gaan dus alleen over woonfuncties met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 500 m².

In het zesde lid is een grens gesteld aan de afstand tussen een uitgang van een in een woonfunctie of een logiesfunctie gelegen verblijfsruimte en een uitgang van het brandcompartiment of subbrandcompartiment waarin die woonfunctie of die logiesfunctie ligt. In de situatie dat er sprake is van een subbrandcompartiment binnen een subbrandcompartiment (megawoning in een woongebouw) moet worden uitgegaan van het kleinste subbrandcompartiment. Een veel voorkomende situatie in een woning is dat men vanuit een bepaalde kamer of de keuken een besloten ruimte moet passeren om een rookvrije vluchtroute of het aansluitende terrein te bereiken. Wanneer de loopafstand te groot is, is sprake van een situatie waarop het voorschrift onvoldoende is toegesneden. In dat geval zal met toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel in aanvullende voorzieningen moeten worden voorzien waarmee een vergelijkbare mate van brandveiligheid wordt bereikt als met de prestatie-eis is beoogd.

Het zevende lid vereist de aanwezigheid van een niet-ioniserende rookmelder voor die tussenliggende besloten ruimten, zoals bijvoorbeeld een andere kamerof gang in de woning. De rookmelder dient te zijn aangesloten op het lichtnet. Als vanuit een slaapkamer op de verdieping moet worden gevlucht, moet er een rookmelder hangen op de overloop en in de hal op de begane grond. Namelijk op elke bouwlaag moet zo’n melder aanwezig zijn. Onderzoek heeft uitgewezen dat een optische rookmelder bij smeulbranden - het type brand waarbij in woningen verreweg de meeste slachtoffers zijn te betreuren - beter en sneller reageert dan de ioniserende rookmelder. Onder een niet-ioniserende rookmelder is over het algemeen een optische rookmelder begrepen.

Het zesde en zevende lid treden in de plaats van artikel 15, eerste tot en met vierde lid, van het Bouwbesluit, zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden.

De eis van het achtste lid is erop gericht dat de aanwezige mensen binnen 1 minuut de in een rookcompartiment gelegen ruimten kunnen verlaten. Deze eis regelt dat de uitgangen voldoende breed moeten zijn of in voldoende mate aanwezig. Bij de rekenwaarden van de bezettingsgraad (zie algemeen gedeelte van de toelichting) zijn de gegeven getalswaarden gelijk aan ddie van de Algemene Richtlijnen Ontvluchting en Redding (AROR) waarnaar vanuit de Model-brandbeveiligingsverordening tot 1992 werd verwezen. De toenmalige eis was 1.000 mm uitgangsbreedte per 90 personen. Het Bouwbesluit 2003 relateert de vereiste uitgangsbreedte aan bouwkundige kenmerken van het bouwwerk en niet direct aan het aantal personen. De aldus bepaalde breedte van de totale vrije doorgang is toereikend tot de extreme waarde van de klassegrens.

De minimum breedte van een uitgang is gelijkgesteld aan de in artikel 4.11 opgenomen vrije doorgang van 0,85 m. Met een vrije doorgang van 0,85 m in plaats van de sinds zeer lange tijd gangbare 0,6 m kan er ook door mensen met een functiebeperking sneller worden gevlucht. Dit is echter een niet houdbaar motief omdat deze mensen niet zelfstandig kunnen vluchten en vluchten over een spiltrap gelukkig nog altijd is toegestaan. De doorstroomsnelheid is bij een bredere uitgang aanzienlijk groter en dientengevolge de kans op een opstopping aanzienlijk kleiner. Dit is eveneens een niet houdbaar motief; onderzoek heeft laten zien dat het moet gaan om veelvouden van 60 cm.

Wanneer er bij vluchten veel mensen op dezelfde uitgang zijn aangewezen is de kans reëel dat er bij die deur een opstopping ontstaat als hij naar binnen toe draaiend moet worden geopend. Om dit te voorkomen houdt het negende lid in dat deuren van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte niet tegen de vluchtrichting in mogen draaien, wanneer de vloeroppervlakte groter is dan voor de betrokken bezettingsgraadklasse is aangegeven in de tabel. In de praktijk betekent dat dat een deur, waarvan bij de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad (zie algemeen deel van de toelichting) door gemiddeld meer dan vijfentwintig mensen gebruik moet kunnen worden gemaakt, niet tegen de vluchtrichting in mag draaien. Dit is gelijk aan de meergenoemde AROR. In dit verband wordt een draaideur aangemerkt als een deur die tegen de vluchtrichting in kan draaien. Op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit moet een nooddeur met de vluchtrichting meedraaien en is toepassing van een schuifdeur (en ook een hefdeur) daarom ook op grond van het Bouwbesluit 2003 niet toegestaan. Schuifdeuren zijn daarentegen in deze situatie wel toegestaan, indien de deur tevens als toegang functioneert en niet louter als nooddeur.

Het tiende lid voorziet, in aanvulling op artikel 2.136, derde lid, er in dat binnen een verblijfsruimte de loopafstand niet te groot mag worden alvorens een uitgang kan worden bereikt.

In het elfde lid is een op het tiende lid aanvullende regeling gegeven voor ruimten die worden gebruikt voor de opslag van of waar wordt gewerkt met brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Regeling Bouwbesluit 2003. Wat betreft de opslag daarvan treedt dit voorschrift eerst in werking als de hoeveelheden als aangegeven in de gemeentelijke bouwverordening wordt overschreden. Het gaat daarbij niet om de benzine- of de gastank in een auto, zodat dit voorschrift geen betrekking heeft op de garage bij een woning of een parkeergarage. Aangenomen mag worden het niet de bedoeling is dat bij het werken met kleine hoeveelheden van die stoffen toepassing moet worden gegeven aan dit voorschrift. Opslag van of werken met voor de gezondheid gevaarlijke stoffen heeft met name betrekking op giftige en zeer giftige stoffen, als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2003. Bij het ongewild vrijkomen van die stoffen moet de ruimte (en niet alleen een verblijfsruimte maar alle ruimten met deze stoffen) onmiddellijk kunnen worden verlaten, om blootstelling aan die stoffen zo gering mogelijk te doen zijn. In het elfde lid is daarom voor dit soort ruimten voorgeschreven dat de afstand tot de uitgang van de ruimte nergens meer dan 20 meter mag bedragen.

Het twaalfde lid heeft als algemene regel dat een toegang van een verblijfsruimte aansluit op een ruimte waardoor een verkeersroute voert. Hiervan mag worden afgeweken op voorwaarde dat men vanuit een verblijfsruimte door slechts één andere verblijfsruimte behoeft te gaan om in een zo-even bedoelde verkeersruimte te komen. Bovendien moet die andere verblijfsruimte twee of meer uitgangen hebben die ten minste 5 m van elkaar liggen. Voorbeelden van zo’n situatie zijn een directiekamer die men alleen via het secretariaat kan verlaten en een kantoorfunctie binnen een industriefunctie die alleen via de laatste kan worden ontvlucht. Dit voorschrift staat ook wel te boek als “de bazenkamerconstructie”.

Het dertiende lid is ingevoegd om gangbare oplossingen in cellengebouwen, ziekenhuizen en logiesgebouwen mogelijk te maken. Daarbij komt niet elke verblijfsruimte direct op een hoofdgang uit, maar veelal bevindt er zich tussen de hoofdgang en de verblijfsruimte van de cel, de verpleegkamer of de hotelkamer nog aparte , kleine ruimte waardoor een niet-gemeenschappelijke verkeersroute voert.

Uit het veertiende lid vloeit voort dat een uitgang in het kader van deze eisen pas meetelt wanneer deze op niet minder dan 5 m afstand van een andere uitgang ligt. Zou de afstand kleiner zijn dan kunnen door bijvoorbeeld door een prullebakbrand beide voorgeschreven uitgangen reeds zijn geblokkeerd. Uiteraard verdient het aanbeveling deze afstand in de praktijk zo groot mogelijk te kiezen.

In het vijftiende lid is zeker gesteld dat een ziekenhuisbed met toebehoren kan worden geëvacueerd. De maten van het blok zijn afgestemd op een regulier ziekenhuisbed met toebehoren. Het voorschrift over de vrije doorgang van doorgangen en van een verkeersroute tussen een patiëntenkamer en uitgang van het rookcompartiment waarin die kamer ligt, leidt bij loodrecht op elkaar staande verkeersruimten tot het volgende:

Breedte gang 1 (loodrecht op gang 2) Breedte gang 2 (loodrecht op gang 1)
1,1 m 2,3 m
1,4 m 1,9 m
1,6 m 1,6 m

Tabel 1: Afmetingen van haakse hoeken van verkeersroutes in de gezondheidszorg

Het zestiende artikel geeft de maximale loopafstand aan tussen de toegang van een verblijfsruimte, gelegen in een rookcompartiment, en de toegang van dat rookcompartiment voor de utiliteitsbouw bij een zogeheten doodlopend einde.

Artikel 2.147.

Dit artikel is gericht op het veilig kunnen verlaten van een subbrandcompartiment, zoals bijvoorbeeld een appartement in een woongebouw, een cel, een hotelkamer of een verpleegkamer in een ziekenhuis.

De toegang van zo’n subbrandcompartiment moet krachtens het eerste lid samenvallen met een toegang van het rookcompartiment waarin het subbrandcompartiment ligt, of er moet een route beginnen die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte, of een technische ruimte leidt naar de toegang van het rookcompartiment. Het laatste betekent dat deze route wel door een verblijfsgebied mag lopen en niet persé een verkeersruimte moet zijn, maar wel een ruimte waardoor een verkeersroute voert die rechtstreeks leidt naar de uitgang van het rookcompartiment waarbinnen het subbrandcompartiment zich bevindt. Hiermee is een zekere flexibiliteit van de gebruiksfunctie gewaarborgd bij een eventuele toekomstige herindeling van bijvoorbeeld cellen, verpleegkamers of hotelkamers. De binnen een subbrandcompartiment gelegen verblijfsruimte hoeft dus in tegenstelling tot de algemene regel voor niet tot bewoning bestemde gebouwen niet rechtstreeks te grenzen aan ruimte waardoor een verkeersroute voert die leidt naar de uitgang van een rookcompartiment (zie artikel 2.146, twaalfde lid).

In het tweede lid is voor de woonfunctie bepaald, dat het eerste lid uitsluitend betrekking heeft op een subbrandcompartiment met een gemeenschappelijk verblijfsgebied of een gemeenschappelijke verblijfsruimte. Echt logisch is dat niet voor woningen met een grote gebruiksoppervlakte.

Artikel 2.148.

Terwijl de voorgaande artikelen voorschriften bevatten met betrekking tot verblijfsruimten of andere ruimten en subbrandcompartimenten binnen een rookcompartiment, bevat het onderhavige artikel eisen in op het niveau van het rookcompartiment zelf.

Het eerste lid betekent dat een open haard niet dichtbij een trap mag liggen. De bedoeling hiervan is dat bij het ontstaan van brand door bijvoorbeeld oververhitting van de haard, het vluchten over de trap niet wordt belemmerd of onmogelijk gemaakt. Uiteraard gaat het hierbij dan om de situatie dat er tussen de haard en trap zich niet een constructie bevindt die in enige mate brandwerend is, zodat de trap nog voldoende lang kan worden gebruikt. Meer in het bijzonder moet worden gedacht aan de open trap naar de verdieping in een ruimte waarin zich ook de open haard bevindt.

Het voorschrift van het tweede lid is gebaseerd op een toelaatbaar aantal personen op slechts één uitgang van ten hoogste 100 personen. Daarmee is bij de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad afstemming bereikt met de AROR waarnaar tot 1 oktober 1992 van uit de Model-brandbeveiligingsverordening werd verwezen. Het voorschrift is echter in bouwkundige, objectief meetbare termen uitgedrukt, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad. Tot de extreme waarde van een klasse is de bouwkundige oplossing dan geschikt.

Omdat de prestatie-eisen van het Bouwbesluit zijn afgestemd op een brandcompartimentsgrootte van ten hoogste 1.000 m² is voor de klasse B4 en B5 niet de reële waarde ingevuld, maar de waarde van de maximale compartementsgrootte. Bij toepassing van dit voorschrift in relatie tot twee of meer gebruiksfuncties in een rookcompartiment, de aanschrijfproblematiek en bij verbouwing levert het niet formuleren van het correcte getal problemen op. De juiste waarden zijn: B4:1.800 m² en B5:4.500 m².

In een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar en in een voor 24-uurs opvang kan worden geslapen. Daarom zijn ten minste twee toegangen voor het rookcompartiment verplicht gesteld indien de omvang van dat compartiment 75 m² of meer bedraagt. Dit brengt met zich dat naar mate de bezetting toeneemt er steeds meer mensen op slechts één toegang mogen zijn aangewezen, hetgeen niet de bedoeling kan zijn. De eisen voor kinderopvang voor kinderen van basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang) zijn gelijkgesteld aan de eisen voor de onderwijsfunctie.

Voor de woonfuncties 1d en 1e is de grenswaarde gesteld op 800 m². Het gaat in beide gevallen om een woonfunctie in een woongebouw. Dit maakt het mogelijk om bij een traditionele portiekoplossing met één toegang te kunnen volstaan (bij een woongebouw als bedoeld in artikel 2.157, vijfde lid).

Het voorschrift is slechts toegesneden op de situatie dat één gebruiksfunctie in een rookcompartiment ligt. Er is echter niets op tegen dat er twee of meer gebruiksfuncties in een rookcompartiment liggen zoals een kantoorfunctie en een industriefunctie. Om dan te bezien of met één uitgang kan worden volstaan volgens dit voorschrift zal de gebruiksoppervlakte per gebruiksfunctie door de waarde behorende bij de klasse van de bezettingsgraad moeten worden gedeeld (bij B4 door 1.800 en bij B5 door 4.500) en dan opgeteld. Is de uitkomst van de optelling groter dan 1 dan mag niet met één uitgang worden volstaan. Anders gezegd: Indien twee of meer gebruiksfuncties in een rookcompartiment zijn gelegen, mag met één uitgang zijn volstaan indien:

Afbeelding

waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de uitgang is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

De eis van het derde lid is erop gericht dat gebruikers van het gebouw binnen 1 minuut het rookcompartiment kunnen verlaten. De gesommeerde eis betekent dat de uitgangen voldoende breed moeten zijn of in voldoende mate aanwezig. Bij de rekenwaarden van de bezettingsgraad (zie algemeen gedeelte van de toelichting) zijn de gegeven getalswaarden gelijk aan die van de Algemene Richtlijnen Ontvluchting en Redding (AROR) waarnaar vanuit de Model-brandbeveiligingsverordening tot 1992 werd verwezen. De toenmalige eis was 1.000 mm uitgangsbreedte per 90 personen. Het Bouwbesluit 2003 relateert de vereiste uitgangsbreedte aan bouwkundige kenmerken van het bouwwerk en niet direct aan het aantal personen. De aldus bepaalde breedte van de totale vrije doorgang is toereikend tot de extreme waarde van de klassegrens.

De minimum breedte van een uitgang is gelijkgesteld aan de in artikel 4.11 opgenomen vrije doorgang van 0,85 m. Met een vrije doorgang van 0,85 m in plaats van de sinds zeer lange tijd gangbare 0,6 m kan er ook door mensen met een functiebeperking sneller worden gevlucht. Dit is een niet houdbaar motief omdat deze mensen niet zelfstandig kunnen vluchten en vluchten over een spiltrap gelukkig nog altijd is toegestaan. De doorstroomsnelheid is bij een bredere uitgang aanzienlijk groter en dientengevolge de kans op een opstopping aanzienlijk kleiner. Dit is een niet houdbaar motief; onderzoek heeft laten zien dat het moet gaan om veelvouden van 60 cm. Indien in een rookcompartiment twee of meer gebruiksfuncties voorkomen bevat het voorschrift geen regels. Gelet op de vorengenoemde achtergrond kan de uitgangsbreedte als volgt worden bepaald: 9,26 * GO B1 + 3,7 * GO B2 + 1,48 * GO B3 + 0,62 * GO B4 + 0,25 * GO B5

waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de uitgangen is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Ook ten aanzien van het vluchten uit een rookcompartiment geldt dat de kans reëel is dat er een opstopping ontstaat, wanneer er veel mensen op dezelfde uitgang zijn aangewezen. Om dit te voorkomen houdt het vierde lid in dat een toegangsdeur van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting in mag draaien, wanneer de vloeroppervlakte groter is dan voor de betrokken bezettingsgraadklasse in de tabel is aangegeven. In de praktijk betekent dat dat een deur, waarvan bij de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad (zie algemeen deel van de toelichting) door gemiddeld meer dan vijfentwintig mensen gebruik moet kunnen worden gemaakt, niet tegen de vluchtrichting in mag draaien. Dit is overeenkomstig de meergenoemde AROR. Op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit moet een nooddeur met de vluchtrichting meedraaien en is toepassing van een schuifdeur1 daarom ook op grond van het Bouwbesluit 2003 niet toegestaan. Schuifdeuren zijn daarentegen in deze situatie wel toegestaan, indien de deur tevens als toegang functioneert en niet louter als nooddeur.

Indien in een rookcompartiment twee of meer gebruiksfuncties voorkomen bevat het voorschrift geen regels. Gelet op de vorengenoemde achtergrond mag een deur niet tegen de vluchtrichting indraaien indien:

Afbeelding

waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de uitgangen is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Op grond van het vijfde lid geldt hetzelfde verbod van tegen de vluchtrichting indraaien van een deur van een rookcompartiment nog voor een andere situatie. Dit is het geval, wanneer er binnen dat rookcompartiment een deur van een verblijfsgebied of verblijfsruimte krachtens artikel 2.146, negende lid, niet tegen de vluchtrichting mag indraaien. Het zesde lid bevat een eis aan de maximale lengte die mensen mogen afleggen over een verkeersroute die binnen een rookcompartiment van een gezondheidszorg- of kantoorfunctie ligt. Dit voorschrift leidt er ook toe dat, indien twee toegangen van een rookcompartiment door middel van een verkeersruimte met elkaar in verbinding staan, die verkeersruimte geen grotere lengte mag hebben dan veertig meter respectievelijk dertig meter. De voorgeschreven maximale lengte is ontleend aan de Algemene Richtlijnen Ontvluchting en Redding (AROR), die tot 1 oktober 1992 behoorden bij de toenmalige Model-brandbeveiligingsverordening. Deze lengte was voor gebouwen waarin werd geslapen overigens 30 meter en voor andere gebouwen 50 meter. Tussen delen van een op een dergelijke wijze opgedeelde vluchtroute moest een wbdbo aanwezig zijn van ten minste 30 minuten, waarbij het temperatuurcriterium betrokken op straling achterwege mocht blijven.

Op grond van het zevende lid is het noodzakelijk dat er, indien ten minste twee deuren voorgeschreven worden, tussen de deuren een onderlinge afstand van 5 m wordt aangehouden. Pal naast elkaar liggende deuren functioneren uit het oogpunt van brandveiligheid als één deur. Zij kunnen bij een brand nabij een van die deuren vrijwel tegelijk door vuur, hitte of rook geblokkeerd raken.

Opmerking Nico Scholten

1 En ook een hefdeur.

§ 2.17.2.Bestaande bouw

Artikel 2.150.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

De functionele eis bij bestaande bouw wijkt af van die van de nieuwbouw. Er worden alleen eisen gesteld aan het veilig kunnen verlaten van het bouwwerk en niet aan de snelheid van het verlaten.

Bij de eisen aan de uitgangsbreedte en de draairichting van deuren is, zoals in het algemeen van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast.

De getalswaarden van artikel 2.151, derde lid, zouden dan zijn: B1: 6,94, B2:2,77, B3: 1,49, B4: 0,62 en B5: 0,296. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van 180 personen bij B1 en B2, 135 personen bij B3 en B4 en 112,5 personen bij B5 per 1.000 mm uitgangsbreedte. Daarmee wordt een ontruiming binnen de 2 minuten gerealiseerd.

De getalswaarden bij artikel 2.151, vierde lid, zouden dan zijn: B1: 32, B2:80, B3: 200, B4: 480 en B5: 1.200. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van maximaal 40 personen bij een niet tegen de vluchtrichting indraaiende deur.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.151, eerste lid, dan zijn: B1: 240 m²; B2:600 m²; B3: 1.125 m²; B4: 2.700 m² en B5: 5.625 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van 200 personen bij B1 en B2, 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.152, tweede lid, dan zijn: B1: 4,63, B2:1,85, B3: 0,99, B4: 0,41 en B5: 0,20. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van 180 personen bij B1 en B2, 135 personen bij B3 en B4 en 112,5 personen bij B5 per 1.000 mm uitgangsbreedte.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.152, derde lid, dan zijn: B1: 48, B2:120, B3: 300, B4: 720 en B5: 1.800. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van maximaal 40 personen bij een niet tegen de vluchtrichting indraaiende deur.

Komen in een rookcompartiment twee of meer gebruiksfuncties voor, dan zal via combinatieformules moeten worden bepaald of één uitgang volstaat, wat de totale vrije breedte van de uitgangen moeten zijn en of dat een deur tegen de vluchtrichting in mag draaien. De formules zijn:

Artikel 2.152, eerste lid: ;Artikel 2.152, tweede lid: , enArtikel 2.152, derde lid:

waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de uitgangen is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.17.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.151.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

De functionele eis bij bestaande bouw wijkt af van die van de nieuwbouw. Er worden alleen eisen gesteld aan het veilig kunnen verlaten van het bouwwerk en niet aan de snelheid van het verlaten.

Bij de eisen aan de uitgangsbreedte en de draairichting van deuren is, zoals in het algemeen van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast.

De getalswaarden van artikel 2.151, derde lid, zouden dan zijn: B1: 6,94, B2:2,77, B3: 1,49, B4: 0,62 en B5: 0,296. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van 180 personen bij B1 en B2, 135 personen bij B3 en B4 en 112,5 personen bij B5 per 1.000 mm uitgangsbreedte. Daarmee wordt een ontruiming binnen de 2 minuten gerealiseerd.

De getalswaarden bij artikel 2.151, vierde lid, zouden dan zijn: B1: 32, B2:80, B3: 200, B4: 480 en B5: 1.200. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van maximaal 40 personen bij een niet tegen de vluchtrichting indraaiende deur.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.151, eerste lid, dan zijn: B1: 240 m²; B2:600 m²; B3: 1.125 m²; B4: 2.700 m² en B5: 5.625 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van 200 personen bij B1 en B2, 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.152, tweede lid, dan zijn: B1: 4,63, B2:1,85, B3: 0,99, B4: 0,41 en B5: 0,20. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van 180 personen bij B1 en B2, 135 personen bij B3 en B4 en 112,5 personen bij B5 per 1.000 mm uitgangsbreedte.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.152, derde lid, dan zijn: B1: 48, B2:120, B3: 300, B4: 720 en B5: 1.800. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van maximaal 40 personen bij een niet tegen de vluchtrichting indraaiende deur.

Komen in een rookcompartiment twee of meer gebruiksfuncties voor, dan zal via combinatieformules moeten worden bepaald of één uitgang volstaat, wat de totale vrije breedte van de uitgangen moeten zijn en of dat een deur tegen de vluchtrichting in mag draaien. De formules zijn:

Artikel 2.152, eerste lid: ;Artikel 2.152, tweede lid: , enArtikel 2.152, derde lid:

waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de uitgangen is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.17.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.152.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

De functionele eis bij bestaande bouw wijkt af van die van de nieuwbouw. Er worden alleen eisen gesteld aan het veilig kunnen verlaten van het bouwwerk en niet aan de snelheid van het verlaten.

Bij de eisen aan de uitgangsbreedte en de draairichting van deuren is, zoals in het algemeen van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast.

De getalswaarden van artikel 2.151, derde lid, zouden dan zijn: B1: 6,94, B2:2,77, B3: 1,49, B4: 0,62 en B5: 0,296. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van 180 personen bij B1 en B2, 135 personen bij B3 en B4 en 112,5 personen bij B5 per 1.000 mm uitgangsbreedte. Daarmee wordt een ontruiming binnen de 2 minuten gerealiseerd.

De getalswaarden bij artikel 2.151, vierde lid, zouden dan zijn: B1: 32, B2:80, B3: 200, B4: 480 en B5: 1.200. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van maximaal 40 personen bij een niet tegen de vluchtrichting indraaiende deur.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.151, eerste lid, dan zijn: B1: 240 m²; B2:600 m²; B3: 1.125 m²; B4: 2.700 m² en B5: 5.625 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van 200 personen bij B1 en B2, 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.152, tweede lid, dan zijn: B1: 4,63, B2:1,85, B3: 0,99, B4: 0,41 en B5: 0,20. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van 180 personen bij B1 en B2, 135 personen bij B3 en B4 en 112,5 personen bij B5 per 1.000 mm uitgangsbreedte.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.152, derde lid, dan zijn: B1: 48, B2:120, B3: 300, B4: 720 en B5: 1.800. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van maximaal 40 personen bij een niet tegen de vluchtrichting indraaiende deur.

Komen in een rookcompartiment twee of meer gebruiksfuncties voor, dan zal via combinatieformules moeten worden bepaald of één uitgang volstaat, wat de totale vrije breedte van de uitgangen moeten zijn en of dat een deur tegen de vluchtrichting in mag draaien. De formules zijn:

Artikel 2.152, eerste lid: ;Artikel 2.152, tweede lid: , enArtikel 2.152, derde lid:

waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de uitgangen is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.17.1 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2.18.Rookvrije vluchtroutes

§ 2.18.1.Nieuwbouw

Artikel 2.153.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor rookvrije vluchtroutes voor te bouwen bouwwerken.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.154 geeft aan wat het eindpunt is van een rookvrije vluchtroute (veilige plaats);
2.artikel 2.155 bevat een functionele eis aan rookvrije vluchtroutes van bouwwerken die geen gebouw zijn (algemeen);
3.artikel 2.156 betreft rookvrije vluchtroutes vanuit een rookcompartiment (rookcompartiment);
4.artikel 2.157 bevat soortgelijke eisen aan rookvrije vluchtroutes vanuit een subbrandcompartiment (subbrandcompartiment);
5.artikel 2.158 geeft aan wanneer een vluchttrappenhuis aan de eisen voor een brand- en rookvrije vluchtroute moet voldoen (vluchttrappenhuis);
6.artikel 2.159 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvan gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijk bouwwerk).

Voor een enkele (sub)gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan.

Artikel 2.154.

Een rookvrije vluchtroute eindigt in beginsel ter plaatse het aansluitende terrein vanwaar de openbare weg kan worden bereikt.

Het eerste lid waarborgt dat men dit kan bereiken zonder het risico te lopen in zijn vlucht te worden gestuit door een deur die met een sleutel moet worden geopend. Deuren met een panieksluiting, deuren met knopsluiting of deuren met mechanische of elektrische deurvergrendelingen zijn echter goede oplossingen. Wanneer de vluchtroute eindigt op een afgesloten binnenterrein, is niet aan het voorschrift voldaan.

Wanneer echter vanaf dit terrein via een ander deel van het bouwwerk weer wel het aansluitende terrein kan worden bereikt vanwaar de openbare weg kan worden bereikt, is wel aan het voorschrift voldaan.

Het is de bedoeling dat een vluchtroute zo direct mogelijk naar het aansluitende terrein voert. Het is bijvoorbeeld, behoudens bij ondergronds bouwen, niet de bedoeling dat naar boven wordt gevlucht.

Hete rookgassen stijgen op en bij het vluchten naar boven wordt dus naar een gevaarlijker gebied gevlucht, dan wanneer naar beneden wordt gevlucht. Voor penitentiaire inrichtingen is het echter niet de bedoeling dat bij brand ongehinderd de openbare weg kan worden bereikt. Daarom dient krachtens het tweede en het derde lid een rookvrije vluchtroute in een gevangenis niet verder te leiden dan naar een ander brandcompartiment. Dit geldt ook voor andere gebruiksfuncties waar gedetineerde kunnen verblijven (in het besluit aangeduid als nevenfuncties). Het is aan de aanvrager van de bouwvergunning om aan te geven welke nevenfuncties het cellengebouw bevat. Dat zijn alle gebruiksfuncties waar gedetineerden in de penitentiaire inrichting zich kunnen ophouden. Gelet op de personele capaciteit die in een gevangenis beschikbaar is en de specifieke bouwkundig eisen van dit besluit, kan daar met organisatorische voorzieningen (BHV-organisatie uit het Arbeidsomstandighedenbesluit) een gelijkwaardige veiligheid worden geboden als bij een rechtstreekse rookvrije vluchtroute naar het aansluitende terrein.

Een gedeelte van een gezondheidszorggebouw, bestemd voor het verblijf van bedlegerige patiënten, moet, hoewel niet geregeld, naast de gewone vluchtroute een extra, tevens bijzondere rookvrije vluchtroute hebben. Via deze vluchtroute moeten de bedlegerige patiënten vanaf de toegang van het rookcompartiment waarin die patiënten zich bevinden, kunnen worden geëvacueerd naar een ander brandcompartiment. Zou dit niet de bedoeling zijn, dan is het gestelde in artikel 2.167 overbodig, hetgeen niet het geval is.

Artikel 2.155.

Dit artikel bevat een functionele eis voor de vluchtroutes van bouwwerken die geen gebouw zijn. Er is afgezien van een prestatie-eis omdat de verscheidenheid aan bouwwerken zeer divers is. Gemeenten hebben enige beleidsvrijheid bij concretisering van het voorschrift. Het gaat er om dat mensen die van het bouwwerk gebruik maken voldoende mogelijkheden hebben om dat bouwwerk te verlaten als er brand is uitgebroken. Als de kans op slachtoffers voldoende klein wordt geacht, kan met één vluchtroute worden volstaan. In andere gevallen moeten er ten minste 2 routes zijn waarlangs het aansluitende terrein kan worden bereikt.

Artikel 2.156.

Dit artikel heeft als doel te waarborgen dat er vanuit een rookcompartiment veilige vluchtmogelijkheden zijn voor het geval er brand in het gebouw is uitgebroken. Deze rookvrije vluchtroutes beginnen bij de noodzakelijke uitgangen van een rookcompartiment.Welke uitgangen noodzakelijk zijn, blijkt uit de afdelingen 2.16 en 2.17. Dat betekent dat niet elke uitgang van een rookcompartiment naar een rookvrije vluchtroute hoeft te leiden. Welke uitgangen als zodanig zijn te beschouwen, zal veelal blijken uit de veiligheidssignalering die op grond van de gebruiksvoorschriften van de gemeentelijke bouwverordening in een gebouw aanwezig moeten zijn.

Het eerste lid bevat de hoofdregel, namelijk dat er vanaf de vereiste toegang van een rookcompartiment moet kunnen worden gevlucht via twee verschillende rookvrije vluchtroutes, zodat er altijd nog één overblijft als de andere versperd is. Dit houdt in dat de gebruikers vanaf die toegang over twee voldoende van elkaar gescheiden routes moeten kunnen vluchten.

Het tweede lid geeft, in afwijking van het eerste lid, de mogelijkheid om onder bepaalde condities slechts één vluchtroute te realiseren. Het gaat dan om een rookcompartiment met twee of meer uitgangen. Dit is de praktijk meest gebruikelijke wijze van bouwen. Deze routes moeten onhankelijk van elkaar zijn, zoals nader uitgewerkt in artikel 2.168.

Het derde tot en met het zevende lid bevatten verdere uitzonderingen op de hoofdregel van het eerste lid. Doordat zij niet meer dan één vluchtroute vereisen, maken zij het - voor bepaalde situaties - mogelijk dat er ‘doodlopende einden’ in een gebouw voorkomen. De uitzondering van het derde lid betreft het geval dat de rookvrije vluchtroute door een veiligheidstrappenhuis voert, wat wil zeggen dat het trappenhuis in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet-besloten ruimte als bedoeld in artikel 2.169. Dit sluit niet uit dat in de vluchtrichting het gebouw kan worden verlaten door een besloten ruimte (portaal) waarin de postboxen zijn opgenomen. Een veiligheidstrappenhuis hoeft niet een besloten ruimte te zijn. Het kan ook gaan om een open trap, mits maar is voldaan aan de wbdbo-eisen van paragraaf 2.14.1. De deur naar een veiligheidstrappenhuis hoeft niet zelfsluitend te zijn.

De eis van twee vluchtroutes geldt volgens het vierde lid niet voor een klein rookcompartiment - met een gebruiksoppervlakte tot en met 250 m² -, waarin geen verblijfsruimte ligt. Dit staat op gespannen voet met het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De uitzonderingen van het vijfde en zesde lid zijn afhankelijk van de hoeveelheid gebruiksoppervlakte die is aangewezen op de vluchtroute en de bestemming van de gebruiksfunctie. In het vijfde lid gaat het om een ‘eenvoudige’ rookvrije vluchtroute, in het zesde lid om een brand- en rookvrije vluchtroute, die aan zwaardere eisen moet voldoen dan de ‘eenvoudige’ rookvrije vluchtroute. Daarom is de maximale hoeveelheid gebruiksoppervlakte die op een brand- en rookvrije vluchtroute mag zijn aangewezen aanzienlijk groter dan bij de rookvrije vluchtroute het geval is. Omgerekend naar aantal personen vanuit de rekenwaarden van de klassen van de bezettingsgraad gaat om 25 personen bij een rookvrije vluchtroute en 100 personen bij een van brand en rook gevrijwaarde vluchtroute. Deze waarden komen bij de rekenwaarden overeen met bekende getalswaarden van de Algemene Richtlijnen Ontvluchting en Redding (AROR) van de oude Model-brandbeveiligingsverordening. In de praktijk betekent dit dat tot de extreme waarde van de klassegrenzen deze bouwkundige oplossingen toereikend worden geacht.

Voor logiesfuncties is onafhankelijk van de klasse van de bezettingsgraad eenzelfde grenswaarde gesteld. Dit is gedaan omdat in het verleden nimmer onderscheid is gemaakt tussen ruimten met veel en met weinig mensen. Uitgegaan is van een grenswaarde die gelijk is aan die van B3 voor de andere gebruiksfuncties.

In het gedeelte van een gezondheidszorggebouw, bestemd voor het verblijf van bedlegerige patiënten mogen volgens het vijfde lid geen doodlopende einden voorkomen. Dat mag wel wanneer vanuit dat doodlopende eind rechtstreeks het aansluitende terrein of een ruimte waardoor een brand en rookvrije vluchtroute voert, kan worden bereikt. De lengte van die route moet blijkens het achtste lid beperkt zijn tot 20 m.

In artikel 260, tweede lid, onderdeel a, van het Bouwbesluit, zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden, was voorzien in de mogelijkheid om een logiesgebouw via één vluchtmogelijkheid te kunnen verlaten. Dat voorschrift is niet in werking getreden, omdat bij nader inzien die ene vluchtmogelijkheid onvoldoende veiligheid bood (zie de toelichting bij het besluit tot inwerkingtreding Stb. 1992, 292). Logiesgebouwen die doodlopende einden hebben worden nog steeds onvoldoende brandveilig gevonden. Daarom is het vijfde lid niet van toepassing op een logiesgebouw.

In een onderwijsfunctie mag in geen enkel geval zijn volstaan met één rookvrije vluchtroute. Als gevolg hiervan mag blijkens het zesde lid een doodlopend einde alleen zijn gelegen aan het aansluitende terrein of aan een ruimte waardoor een brand en rookvrije vluchtroute voert.

Het zevende lid beperkt de lengte daarvan tot 15 meter. Op grond van dit voorschrift is het mogelijk vier verblijfsruimten, bestemd voor het geven van onderwijs aan een groep leerlingen (leslokalen), te realiseren die zijn aangewezen op één brand en rookvrije vluchtroute.

Bij een ‘ander rookcompartiment’ van een gezondheidszorgfunctie (in tabel 2.153, functies 4a2 en 4b2) is geen grenswaarde gegeven voor bezettingsgraadklasse B5. (Voor alle andere aspecten is voor deze klasse wel een grenswaarde gegeven, zodat het besluit in zichzelf inconsistent is. Niet is voorzien in de mogelijkheid dat twee of meer gedeelten met een verschillende klasse van de bezettingsgraad van dezelfde rookvrije vluchtroute gebruikmaken. De achtergrondregel is daarbij maximaal 25 personen, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad. Dit leidt tot: Twee rookvrije vluchtroutes van een of meer niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties van een:

  • bijeenkomstfunctie,
  • gezondheidszorgfunctie voor niet aan bed gebonden patiënten,
  • industriefunctie,
  • kantoorfunctie,
  • logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw met een gebruiksoppervlakte < 500 m²
  • sportfunctie,
  • winkelfunctie, en
  • overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer,

mogen samenvallen indien:

Afbeelding

waarin:

A GO;Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de desbetreffende samenvallende rookvrije vluchtroutes is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Evenmin is voorzien in de mogelijkheid dat twee of meer gedeelten met een verschillende klasse van de bezettingsgraad van dezelfde brand- en rookvrije vluchtroute gebruikmaken. De achtergrondregel is daarbij maximaal 100 personen, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.

Twee brand en rookvrije vluchtroutes van alle niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties mogen samenvallen, met uitzondering van het deel van een logiesgebouw of van een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte > 500 m² waarvan de vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau, indien:

Afbeelding

Wanneer sprake is van slechts één brand- en rookvrije vluchtroute geeft het zevende lid de beperking aan de lengte van die route. In beginsel is die lengte beperkt tot 30 m. Voor megalogiesfuncties, logiesgebouwen en onderwijsfuncties gelden afwijkende waarden. Voor kinderopvang van kinderen jonger dan 4 jaar is deze grenswaarde op 5 m gesteld. Dit heeft tot gevolg dat beperkingen zijn gesteld aan de mogelijkheid brand- en rookvrije vluchtroutes te maken die beginnen aan het uiteinde van een (doodlopende) gang. In zo’n geval kan dus maar één kant op worden gevlucht. Voor een volledige ontruiming zal het personeel in het algemeen meer dan één keer heen en weer moeten lopen met niet-zelfredzame kinderen. Er is dus van uitgegaan dat kinderen jonger dan 4 jaar naar buiten moeten worden gedragen. Als er slechts sprake is van een enkele (samenvallende) vluchtroute, dan is bij een loopafstand van meer dan 5 m het risico te groot, dat deze voordat de evacuatie is voltooid door brand of rook wordt geblokkeerd. Een dergelijke enkele vluchtroute staat ook wel bekend als een doodlopende gang. De eisen voor de opvang voor kinderen van basisschoolleeftijd zijn gelijkgesteld aan de eisen voor de onderwijsfunctie.

Bij het stellen van deze eis heeft men echter over het hoofd gezien dat de mogelijkheid aanwezig is dat binnen het (sub)brandcompartiment reeds lange afstanden moeten worden afgelegd, waarvoor geen regeling is getroffen, zoals bijvoorbeeld bij een woning in een Vinexwijk die voor kinderopvang wordt gebruikt. Bij artikel 2.117 is de wetgever blijkens Stb. 2005, 1 van een ander uitgangspunt uitgegaan.

Het negende lid geeft een verdere beperking voor doodlopende einden van brand en rookvrije vluchtroutes. Via zo’n route mag geen groter hoogteverschil worden overbrugd dan 12,5 m. Daarmee wordt een hotel in portiekuitvoering verder beperkt dan op grond van het zevende lid.

De eis van het tiende lid geldt uitsluitend voor gedeelten van gezondheidszorgfuncties die zijn bestemd voor bedlegerige patiënten. Deze gebouwen moeten een bijzondere rookvrije vluchtroute hebben, waardoor de patiënten kunnen worden geëvacueerd. De rookvrije vluchtroute moet van de toegang van het rookcompartiment leiden naar een ander brandcompartiment, zodanig dat men geen gebruik behoeft te maken van een trap.Het gebruik van een lift is om andere redenen reeds verboden, want daar voert geen vluchtroute door.

In het elfde lid is tot uitdrukking gebracht dat aansluitend aan de systematiek van de gebruiksfuncties rookvrije vluchtroutes gemeenschappelijk mogen zijn. Daardoor kunnen verschillende gebruiksfuncties van dezelfde vluchtroute gebruik maken.

Artikel 2.157.

Dit artikel is soortgelijk aan het voorgaande, het heeft echter betrekking op rookvrije vluchtroutes vanuit subbrandcompartimenten van een woonfunctie. Ook voor deze subbrandcompartimenten geldt als hoofdregel dat er vanaf de toegang moet kunnen worden gevlucht via twee verschillende rookvrije vluchtroutes, behoudens ter plaatse van de toegang zelve. Deze vluchtroutes moeten onafhankelijk zijn als bedoeld in artikel 2.168.

Het tweede tot en met het vijfde lid bevatten uitzonderingen op deze hoofdregel, die inhouden dat als er aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, een toegang van het subbrandcompartiment mag liggen aan een ruimte waar slechts één rookvrije vluchtroute begint. Het tweede lid handelt over de situatie dat een subbrandcompartiment twee uitgangen heeft die aansluiten op een route waarlangs het aansluitende terrein kan worden bereikt en vandaar de openbare weg.

Het derde lid beschrijft de galerijsituatie waarbij één woning aan een zogeheten doodlopend einde ligt. Het gaat hierbij om vluchten waarbij geen hoogteverschil wordt overbrugd. Tot het punt waar langs twee verschillende vluchtroutes het aansluitende terrein kan worden bereikt mag geen andere subbrandcompartiment worden gepasseerd.

Het vierde lid handelt over zogeheten corridorflats. In dat geval mogen twee subbrandcompartimenten aan een doodlopende einde liggen, mits de uitgangen van die subbrandcompartimenten recht tegen over elkaar zijn gelegen en in de vluchtrichting geen bewegende constructie-onderdelen worden gepasseerd. Tot het punt waar langs twee verschillende vluchtroutes het aansluitende terrein kan worden bereikt mag dus alleen een aan de andere zijde van de vluchtroute gelegen subbrandcompartiment worden gepasseerd.

Verder is volgens het vijfde lid een "doodlopende einde" bij bijvoorbeeld een portiekflat toegestaan indien er niet meer dan 6 woningen op het trappenhuis uitkomen en bovendien de vloer van de verblijfsruimte binnen een dergelijk woongebouw niet hoger is gelegen dan 6 meter boven het meetniveau.

Een toegang van een subbrandcompartiment mag, blijkens het vijfde lid, in een portieksituatie voorts zijn gelegen aan één vluchtmogelijkheid als die vluchtmogelijkheid voert door een vluchttrappenhuis, er niet meer dan 800 m² gebruiksoppervlakte op dat trappenhuis is aangewezen (bedoeld is 800 m² gebruiksoppervlakte aan subbrandcompartimenten), er geen subbrandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m² op is aangewezen en geen vloer van een verblijfsgebied van zo'n woonfunctie hoger dan 12,5 m boven het meetniveau is gelegen.

Naast deze mogelijkheden kan bij een hoog woongebouw worden volstaan met één trappenhuis als dat trappenhuis voldoet aan de criteria die gelden voor een veiligheidstrappenhuis. Dat trappenhuis zal dan vanuit de subbrandcompartimenten moeten worden bereikt op een wijze als aangegeven in artikel 2.157, eerste tot en met het vierde lid.

In het zesde lid is tot uitdrukking gebracht dat aansluitend aan de systematiek van de gebruiksfuncties rookvrije vluchtroutes gemeenschappelijk mogen zijn. Daardoor kunnen verschillende subbrandcompartimenten van dezelfde vluchtroute gebruik maken.

Artikel 2.158.

Hoge besloten ruimten kunnen gemakkelijk fungeren als ruimte waarlangs vanwege de luchtstroom die van onder naar boven door deze ruimte stroomt branduitbreiding kan plaatsvinden. Trappenhuizen in hogere gebouwen waardoor een rookvrije vluchtroute voert, moeten wel zodanig zijn dat zij voldoende bescherming bieden tijdens het vluchten. Dit artikel bepaalt daarom dat zo’n trappenhuis moet worden beschouwd als een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert. Het trappenhuis moet dan dus voldoen aan de eisen die gelden voor dergelijke ruimten. Deze eisen, zoals bijvoorbeeld strenge eisen ten aanzien van brandvoortplanting en rookproductie en de eisen ten aanzien van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vanuit een rookcompartiment naar een besloten trappenhuis, zijn strenger dan voor een ‘eenvoudige’ rookvrije vluchtroute. De consequentie van dit artikel is dat deze trappenhuizen zijn gesitueerd buiten de brandcompartimenten van het gebouw.

Er is niet bepaald dat de mogelijkheid tot vluchten die het trappenhuis biedt een brand- en rookvrije vluchtroute moet zijn. Daardoor blijft de mogelijkheid open om het vluchten na het verlaten van het trappenhuis naar het aansluitende terrein te laten plaatsvinden via een ‘eenvoudige’ rookvrije vluchtroute.

§ 2.18.2.Bestaande bouw

Artikel 2.160.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Bij de voorschriften die gelden voor het mogen volstaan met één rookvrije vluchtroute of één brand en rookvrije vluchtroute is, zoals in het algemeen van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast. Daarbij moet worden uitgegaan van:

a.Voor één rookvrije vluchtroute: B1:60 m², B2:150 m², B3:281,25 (afgerond 300) m², B4: 675 m² en B5:1400 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de uitgangspunten van de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar van 50 personen op één rookvrije vluchtroute bij B1 en B2, van 37,5 personen bij B3 en B4 en 31,25 personen bij B5. Dit alles gebaseerd op de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.
b.Voor één brand en rookvrije vluchtroute: B1:240 m², B2:600 m², B3:1125 m², B4: 2700 m² en B5:5600 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de uitgangspunten van de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar van 200 personen op één brand- en rookvrije vluchtroute bij B1 en B2, van 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5. Dit alles gebaseerd op de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.

Niet is voorzien in de mogelijkheid dat twee of meer gedeelten met een verschillende klasse van de bezettingsgraad van dezelfde rookvrije vluchtroute gebruikmaken. De achtergrondregel is daarbij maximaal 50 personen bij B1 en B2, 37,5 personen bij B3 en B4 en 31, 25 personen bij B5, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad. Dit leidt er toe dat twee rookvrije vluchtroutes van een of meer niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties mogen samenvallen indien:

Afbeelding

waarin:

A GO;Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de desbetreffende samenvallende rookvrije vluchtroutes is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Evenmin is voorzien in de mogelijkheid dat twee of meer gedeelten met een verschillende klasse van de bezettingsgraad van dezelfde brand- en rookvrije vluchtroute gebruikmaken. De achtergrondregel is daarbij maximaal 200 personen bij B1 en B2, 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.

Twee brand en rookvrije vluchtroutes van alle niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties mogen samenvallen, met uitzondering van het deel van een logiesgebouw of van een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte > 1000 m², indien:

Afbeelding

waarin:

A GO;Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de desbetreffende samenvallende rookvrije vluchtroutes is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.18.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.161.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Bij de voorschriften die gelden voor het mogen volstaan met één rookvrije vluchtroute of één brand en rookvrije vluchtroute is, zoals in het algemeen van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast. Daarbij moet worden uitgegaan van:

a.Voor één rookvrije vluchtroute: B1:60 m², B2:150 m², B3:281,25 (afgerond 300) m², B4: 675 m² en B5:1400 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de uitgangspunten van de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar van 50 personen op één rookvrije vluchtroute bij B1 en B2, van 37,5 personen bij B3 en B4 en 31,25 personen bij B5. Dit alles gebaseerd op de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.
b.Voor één brand en rookvrije vluchtroute: B1:240 m², B2:600 m², B3:1125 m², B4: 2700 m² en B5:5600 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de uitgangspunten van de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar van 200 personen op één brand- en rookvrije vluchtroute bij B1 en B2, van 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5. Dit alles gebaseerd op de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.

Niet is voorzien in de mogelijkheid dat twee of meer gedeelten met een verschillende klasse van de bezettingsgraad van dezelfde rookvrije vluchtroute gebruikmaken. De achtergrondregel is daarbij maximaal 50 personen bij B1 en B2, 37,5 personen bij B3 en B4 en 31, 25 personen bij B5, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad. Dit leidt er toe dat twee rookvrije vluchtroutes van een of meer niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties mogen samenvallen indien:

Afbeelding

waarin:

A GO;Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de desbetreffende samenvallende rookvrije vluchtroutes is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Evenmin is voorzien in de mogelijkheid dat twee of meer gedeelten met een verschillende klasse van de bezettingsgraad van dezelfde brand- en rookvrije vluchtroute gebruikmaken. De achtergrondregel is daarbij maximaal 200 personen bij B1 en B2, 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.

Twee brand en rookvrije vluchtroutes van alle niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties mogen samenvallen, met uitzondering van het deel van een logiesgebouw of van een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte > 1000 m², indien:

Afbeelding

waarin:

A GO;Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de desbetreffende samenvallende rookvrije vluchtroutes is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.18.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.162.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Bij de voorschriften die gelden voor het mogen volstaan met één rookvrije vluchtroute of één brand en rookvrije vluchtroute is, zoals in het algemeen van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast. Daarbij moet worden uitgegaan van:

a.Voor één rookvrije vluchtroute: B1:60 m², B2:150 m², B3:281,25 (afgerond 300) m², B4: 675 m² en B5:1400 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de uitgangspunten van de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar van 50 personen op één rookvrije vluchtroute bij B1 en B2, van 37,5 personen bij B3 en B4 en 31,25 personen bij B5. Dit alles gebaseerd op de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.
b.Voor één brand en rookvrije vluchtroute: B1:240 m², B2:600 m², B3:1125 m², B4: 2700 m² en B5:5600 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de uitgangspunten van de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar van 200 personen op één brand- en rookvrije vluchtroute bij B1 en B2, van 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5. Dit alles gebaseerd op de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.

Niet is voorzien in de mogelijkheid dat twee of meer gedeelten met een verschillende klasse van de bezettingsgraad van dezelfde rookvrije vluchtroute gebruikmaken. De achtergrondregel is daarbij maximaal 50 personen bij B1 en B2, 37,5 personen bij B3 en B4 en 31, 25 personen bij B5, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad. Dit leidt er toe dat twee rookvrije vluchtroutes van een of meer niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties mogen samenvallen indien:

Afbeelding

waarin:

A GO;Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de desbetreffende samenvallende rookvrije vluchtroutes is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Evenmin is voorzien in de mogelijkheid dat twee of meer gedeelten met een verschillende klasse van de bezettingsgraad van dezelfde brand- en rookvrije vluchtroute gebruikmaken. De achtergrondregel is daarbij maximaal 200 personen bij B1 en B2, 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.

Twee brand en rookvrije vluchtroutes van alle niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties mogen samenvallen, met uitzondering van het deel van een logiesgebouw of van een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte > 1000 m², indien:

Afbeelding

waarin:

A GO;Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de desbetreffende samenvallende rookvrije vluchtroutes is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.18.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.163.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Bij de voorschriften die gelden voor het mogen volstaan met één rookvrije vluchtroute of één brand en rookvrije vluchtroute is, zoals in het algemeen van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast. Daarbij moet worden uitgegaan van:

a.Voor één rookvrije vluchtroute: B1:60 m², B2:150 m², B3:281,25 (afgerond 300) m², B4: 675 m² en B5:1400 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de uitgangspunten van de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar van 50 personen op één rookvrije vluchtroute bij B1 en B2, van 37,5 personen bij B3 en B4 en 31,25 personen bij B5. Dit alles gebaseerd op de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.
b.Voor één brand en rookvrije vluchtroute: B1:240 m², B2:600 m², B3:1125 m², B4: 2700 m² en B5:5600 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de uitgangspunten van de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar van 200 personen op één brand- en rookvrije vluchtroute bij B1 en B2, van 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5. Dit alles gebaseerd op de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.

Niet is voorzien in de mogelijkheid dat twee of meer gedeelten met een verschillende klasse van de bezettingsgraad van dezelfde rookvrije vluchtroute gebruikmaken. De achtergrondregel is daarbij maximaal 50 personen bij B1 en B2, 37,5 personen bij B3 en B4 en 31, 25 personen bij B5, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad. Dit leidt er toe dat twee rookvrije vluchtroutes van een of meer niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties mogen samenvallen indien:

Afbeelding

waarin:

A GO;Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de desbetreffende samenvallende rookvrije vluchtroutes is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Evenmin is voorzien in de mogelijkheid dat twee of meer gedeelten met een verschillende klasse van de bezettingsgraad van dezelfde brand- en rookvrije vluchtroute gebruikmaken. De achtergrondregel is daarbij maximaal 200 personen bij B1 en B2, 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.

Twee brand en rookvrije vluchtroutes van alle niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties mogen samenvallen, met uitzondering van het deel van een logiesgebouw of van een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte > 1000 m², indien:

Afbeelding

waarin:

A GO;Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de desbetreffende samenvallende rookvrije vluchtroutes is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.18.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.164.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Bij de voorschriften die gelden voor het mogen volstaan met één rookvrije vluchtroute of één brand en rookvrije vluchtroute is, zoals in het algemeen van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast. Daarbij moet worden uitgegaan van:

a.Voor één rookvrije vluchtroute: B1:60 m², B2:150 m², B3:281,25 (afgerond 300) m², B4: 675 m² en B5:1400 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de uitgangspunten van de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar van 50 personen op één rookvrije vluchtroute bij B1 en B2, van 37,5 personen bij B3 en B4 en 31,25 personen bij B5. Dit alles gebaseerd op de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.
b.Voor één brand en rookvrije vluchtroute: B1:240 m², B2:600 m², B3:1125 m², B4: 2700 m² en B5:5600 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de uitgangspunten van de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar van 200 personen op één brand- en rookvrije vluchtroute bij B1 en B2, van 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5. Dit alles gebaseerd op de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.

Niet is voorzien in de mogelijkheid dat twee of meer gedeelten met een verschillende klasse van de bezettingsgraad van dezelfde rookvrije vluchtroute gebruikmaken. De achtergrondregel is daarbij maximaal 50 personen bij B1 en B2, 37,5 personen bij B3 en B4 en 31, 25 personen bij B5, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad. Dit leidt er toe dat twee rookvrije vluchtroutes van een of meer niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties mogen samenvallen indien:

Afbeelding

waarin:

A GO;Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de desbetreffende samenvallende rookvrije vluchtroutes is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Evenmin is voorzien in de mogelijkheid dat twee of meer gedeelten met een verschillende klasse van de bezettingsgraad van dezelfde brand- en rookvrije vluchtroute gebruikmaken. De achtergrondregel is daarbij maximaal 200 personen bij B1 en B2, 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.

Twee brand en rookvrije vluchtroutes van alle niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties mogen samenvallen, met uitzondering van het deel van een logiesgebouw of van een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte > 1000 m², indien:

Afbeelding

waarin:

A GO;Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de desbetreffende samenvallende rookvrije vluchtroutes is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.18.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.165.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Bij de voorschriften die gelden voor het mogen volstaan met één rookvrije vluchtroute of één brand en rookvrije vluchtroute is, zoals in het algemeen van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast. Daarbij moet worden uitgegaan van:

a.Voor één rookvrije vluchtroute: B1:60 m², B2:150 m², B3:281,25 (afgerond 300) m², B4: 675 m² en B5:1400 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de uitgangspunten van de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar van 50 personen op één rookvrije vluchtroute bij B1 en B2, van 37,5 personen bij B3 en B4 en 31,25 personen bij B5. Dit alles gebaseerd op de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.
b.Voor één brand en rookvrije vluchtroute: B1:240 m², B2:600 m², B3:1125 m², B4: 2700 m² en B5:5600 m². Daarbij is niet langer uitgegaan van de uitgangspunten van de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar van 200 personen op één brand- en rookvrije vluchtroute bij B1 en B2, van 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5. Dit alles gebaseerd op de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.

Niet is voorzien in de mogelijkheid dat twee of meer gedeelten met een verschillende klasse van de bezettingsgraad van dezelfde rookvrije vluchtroute gebruikmaken. De achtergrondregel is daarbij maximaal 50 personen bij B1 en B2, 37,5 personen bij B3 en B4 en 31, 25 personen bij B5, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad. Dit leidt er toe dat twee rookvrije vluchtroutes van een of meer niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties mogen samenvallen indien:

Afbeelding

waarin:

A GO;Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de desbetreffende samenvallende rookvrije vluchtroutes is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Evenmin is voorzien in de mogelijkheid dat twee of meer gedeelten met een verschillende klasse van de bezettingsgraad van dezelfde brand- en rookvrije vluchtroute gebruikmaken. De achtergrondregel is daarbij maximaal 200 personen bij B1 en B2, 150 personen bij B3 en B4 en 125 personen bij B5, uitgaande van de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad.

Twee brand en rookvrije vluchtroutes van alle niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties mogen samenvallen, met uitzondering van het deel van een logiesgebouw of van een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte > 1000 m², indien:

Afbeelding

waarin:

A GO;Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de desbetreffende samenvallende rookvrije vluchtroutes is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Voor het overige is de toelichting van paragraaf 2.18.1 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2.19.Inrichting van rookvrije vluchtroutes

§ 2.19.1.Nieuwbouw

Artikel 2.166.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor inrichting van vluchtroutes voor te bouwen bouwwerken.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.167 regelt welke netto-breedte en hoogte een vluchtroute minimaal moet hebben (afmetingen doorgang);
2.artikel 2.168 bevat eisen aan de scheidingsconstructie tussen twee vluchtroutes (scheidingsconstructie tussen vluchtroutes);
3.artikel 2.169 betreft de toevoer van lucht naar en afvoer van rook afkomstig van een brand uit niet-besloten ruimten waardoor een vluchtroute voert (luchttoevoer en rookafvoer);
4.artikel 2.170 stelt een grens aan de brandbaarheid van materialen in en bij veiligheids- en vluchttrappenhuizen (permanente vuurbelasting);
5.artikel 2.171 bepaalt de draairichting van deuren van ruimten waardoor een vluchtroute voert (draairichting deur);
6.artikel 2.172 bepaalt wat de maximale loopafstand binnen een ruimte is waardoor een vluchtroute voert (loopafstand);
7.artikel 2.173 verleent de bevoegdheid om bij ministeriële regeling voorschriften te geven over de opvang- en doorstroomcapaciteit van ruimten waardoor een vluchtroute voert (opvang- en doorstroomcapaciteit), en
8.artikel 2.174 bevat een functionele eis aan de inrichting van vluchtroutes van bouwwerken die geen gebouwen zijn (inrichting).

Naast de bovenstaande bouwtechnische eisen, die algemeen zijn geformuleerd los van het specifieke gebruik van het gebouw, kunnen ook gebruiksvoorschriften uit de gemeentelijke bouwverordening van toepassing zijn, ten einde het snel en veilig kunnen vluchten nader of te stemmen op het feitelijke gebruik. Hierbij kan worden gedacht aan het voorschrijven van een rook- of brandmeldinstallatie of een ontruimingsalarmeringsinstallatie. De bouwtechnische eisen tezamen met de gebruiksvoorschriften staan borg voor het voldoende snel kunnen ontruimen en doorzoeken van het gebouw.

Voor een enkele (sub)gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan.

Artikel 2.167.

Het doel van dit artikel is te bewerkstelligen dat mensen op hun vlucht vanuit een ruimte naar buiten binnen het gebouw niet worden belemmerd door bouwkundige obstakels op de vluchtroute. Daartoe bepaalt het eerste lid dat de uitgang van een rookcompartiment, in feite de plaats waar de vluchtroute begint, en verder alle vrije doorgangen van te passeren ruimten en deuren een minimale breedte en hoogte moeten hebben. De minimum breedte van een doorgang is gelijkgesteld aan de in artikel 4.11 opgenomen vrije doorgang van 0,85 m. Met een vrije doorgang van 0,85 m in plaats van de (sinds zeer lange tijd gangbare) 0,6 m kan er ook door mensen met een functiebeperking sneller worden gevlucht. Dit is een niet houdbaar motief omdat deze mensen niet zelfstandig kunnen vluchten en vluchten over een spiltrap gelukkig nog altijd is toegestaan. De doorstroomsnelheid is bij een bredere uitgang aanzienlijk groter en dientengevolge de kans op een opstopping aanzienlijk kleiner.Dit is een niet houdbaar motief; onderzoek heeft laten zien dat het moet gaan om veelvouden van 60 cm, zodat het argument van opstoppingen een niet houdbaar gelegenheidsargument is. Het eerste lid bepaalt de minimum hoogte op 2,3 m. De hoogte is daarmee in overeenstemming met de grenswaarden in de gewijzigde tabel 4.10. Tot dusverre heeft een hoogte van 1,9 m volstaan en er is geen motief voorhanden die deze verzwaring van de minimumeis rechtvaardigt.

In het tweede lid is zekergesteld dat een ziekenhuisbed met toebehoren kan worden geëvacueerd. De maten van het blok zijn afgestemd op een regulier ziekenhuisbed met toebehoren. Ook hiervoor geldt een minimum hoogte van 2,3 m. Het voorschrift over de vrije doorgang van een verkeersruimte leidt bij loodrecht op elkaar staande gangen tot het volgende:

gang 1 (loodrecht op gang 2) gang 2 (loodrecht op gang 1)
1,1 m 2,3 m
1,4 m 1,9 m
1,6 m 1,6 m

Tabel 2: Afmetingen van haakse hoeken van verkeersroutes in de gezondheidszorg

Artikel 2.168.

Het basisbeginsel is dat vanuit een rookcompartiment via twee onafhankelijke vluchtroutes kan worden gevlucht. Vluchtroutes moeten in beginsel onafhankelijk zijn. Wanneer er brand uitbreekt (alleen mogelijk bij rookvrije routes die niet voldoen aan klasse 1 of 2 van de bijdrage tot brandvoortplanting) in of branddoorslag of overslag optreedt naar een ruimte waardoor een rookvrijvluchtroute loopt, moet een de tweede vluchtroute ten behoeve van hetzelfde rookcompartiment of subbrandcompartiment van waaruit wordt gevucht, nog voor enige tijd gevrijwaard zijn van rook en brand. Dit is noodzakelijk met het oog op het veilig kunnen vluchten. Het eerste lid bevat hiertoe een eis aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van de scheidingsconstructie. De uitzondering betreft de situatie bij uitgangen van rookcompartimenten en subbrandcompartimenten waar twee vluchtroutes beginnen. Omdat er in sommige situaties maar één uitgang is alwaar twee (onafhankelijke) vluchtroutes beginnen, is een scheiding hier niet mogelijk. Uiteraard geldt voor de situatie dat met één vluchtroute kan worden volstaan (in het besluit aangeduid als twee samenvallende vluchtroutes) de eis van onafhankelijk ten opzichte van een andere vluchtroute niet.

Hoewel naar de letter niet vereist, moet het voorschrift ook zo worden opgevat dat in de situatie dat een rookvrije vluchtroute vanwege de lengte van de in één ruimte af te leggen afstand in segmenten is opgedeeld, dit voorschrift ook geldt tussen de segmenten. Dat geldt ook voor de overgang van een besloten ruimte met een rookvrije vluchtroute en een vluchttrappenhuis.

Verder mogen volgens het tweede lid de betrokken ruimten slechts met elkaar in verbinding staan door een deur die is voorzien van een dranger.

Artikel 2.169.

Het voorschrift regelt dat een niet-besloten ruimte een zodanige capaciteit aan toevoer van verse lucht en afvoer van rook afkomstig van een brand heeft, dat het vluchten uit die ruimte niet te zeer wordt belemmerd door de rook die in die ruimte blijft hangen. In deze ruimte moeten de condities (voor wat betreft de afvoer van rook) bij brand zodanig zijn dat aanwezigen gedurende langere tijd veilig via deze ruimte kunnen vluchten. Wanneer aan de voorwaarden voor het veilig vluchten is voldaan. kunnen tevens veilig red- en bluswerkzaamheden worden uitgevoerd.

Uitgangspunt voor de bepaling van het al dan niet besloten zijn van een ruimte, zijn de condities in die ruimte tijdens een brand. Omdat niet-besloten ruimten waardoor een rookvrije vluchtroute loopt, zoals een galerij of een atrium, op talloze manieren kunnen worden ontworpen, kan niet met een eenvoudige prestatie-eis worden bepaald of die ruimten veilig voor het vluchten kan worden gebruikt. Een (plaatselijke) ophoping van rook en warmte kan zowel afkomstig zijn van een brand in de beschouwde ruimte zelf als van een brand in een de vluchtroute aangrenzende ruimte.

Voor de grenscondities waarbij het verblijven in die ruimte nog juist mogelijk is, kunnen op grond van het TNO Bouw rapport 1997-CVB-R0883 als veilige waarden worden aangehouden:

a.de stralingsflux niet groter dan 1 kW/m²;
b.de temperatuur niet hoger dan 45 °C, en
c.de zichtlengte niet kleiner dan 100 m.

NEN 6093 “Brandveiligheid van gebouwen - Beoordelingsmethode voor rook- en warmteafvoerinstallaties” brengt voor een aantal typen niet-besloten ruimten de condities voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook in beeld, waarmee een veilige situatie bij brand kan worden gecreëerd.

Voor de (traditionele) galerijen met een vlak plafond, niet-afsluitbare openingen in de langsgevel en een galerijdiepte van ten hoogste 1,8 meter, kan met behulp van onderdeel 5.4 van NEN 1087 de capaciteit van de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook worden bepaald. Toepassing van dit onderdeel van het normblad leidt er toe dat gedurende meer dan 90% van de in Nederland voorkomende weerscondities de noodzakelijke veiligheid afdoende is geregeld.

Deze capaciteit moet ten minste 16 dm3/s per m3 netto-inhoud van die ruimte zijn. Toepassing van dit normblad is alleen mogelijk als er langs het plafond van de galerij geen uitstekende rand of andere belemmering aanwezig is, waardoor de rookafvoer stagneert en de hete rook zich aan het plafond van de galerij ophoopt.

Onder ‘diepte’ wordt hier verstaan de grootste afstand tussen de opening(en) in de langsgevel en de achterliggende scheidingswand, gemeten loodrecht op de langsgevel.

Artikel 2.170.

Een veiligheidstrappenhuis is een bijzonder vluchttrappenhuis. Daar waar in de regel een gebouw ten minste twee vluchtrappenhuizen heeft kan bij toepassing van een veiligheidstrappenhuis worden volstaan met één trappenhuis. Dit stelt bijzondere eisen aan zo’n trappenhuis. Zo’n vluchttrappenhuis geldt als een veiligheidstrappenhuis, indien:

a.de vluchtroute die door dat trappenhuis voert een brand- en rookvrije vluchtroute is; dit leidt er toe dat er strenge eisen gelden ten aanzien van de bijdrage tot brandvoortplanting en ten aanzien van de rookproductie; ook geldt er tussen een brandcompartiment en een al dan niet besloten veiligheidstrappenhuis een wbdbo van ten minste 60 minuten; en
b.het trappenhuis in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet-besloten ruimte.

Een veiligheidstrappenhuis moet aan de vluchtende een bijzondere mate van veiligheid bieden. Daarom schrijft het eerste lid voor, dat de constructie-onderdelen die in dat trappenhuis liggen of het omhullen, slechts een zeer geringe permanente vuurbelasting mogen leveren. Dat betekent in de praktijk dat trappen, vloeren en wanden van steenachtig materiaal moeten zijn. Bovendien mogen in deze ruimte slechts deuren, ramen ten behoeve van daglichttoetreding, leuningen en plinten van hout zijn uitgevoerd. De gegeven eis van 3.500 MJ per bouwlaag is afgestemd op de in de praktijk nog realiseerbare bouwkundige oplossingen en is ontleend aan het TNO Bouw rapport 95 BKR 1669.

Een veiligheidstrappenhuis hoeft niet direct aan te sluiten op het aansluitende terrein. Echter in het verlengde van het veiligheidstrappenhuis mag slechts een ruimte zijn gelegen met een van brand en rook gevrijwaarde vluchtroute. Statusverlaging is niet toegestaan.Wanneer op die in de vluchtrichting aansluitende ruimte andere ruimten uitkomen dan alleen het veiligheidstrappenhuis of wanneer de permanente vuurbelasting van die ruimte ligt boven de 3.500 MJ/m², zal na het verlaten van het veiligheidstrappenhuis moeten zijn voorzien in twee onafhankelijke brand- en rookvrije vluchtroutes.

Het tweede lid legt voor een woongebouw beperkingen op aan ruimten die direct in verbinding mogen staan met een vluchttrappenhuis, anders dan in de portiekflats waarin vanuit de woningen met slechts één rookvrije vluchtroute mag worden volstaan. Slechts een beperkt aantal ruimten mogen direct op het trappenhuis uitkomen. Het is echter niet de bedoeling dat in geval sprake is van een corridorflat, het trappenhuis slechts kan worden betreden via een zogeheten rooksluis. Dit is pas nodig als het woongebouw een verblijfsgebied heeft dat ligt op een hoogte van ten minste 50 m boven het meetniveau. Bij het bepalen van permanente vuurbelasting mogen de op het trappenhuis uitkomende ruimten waardoor een rookvrije vluchtroute voert buiten beschouwing blijven.

Het is niet de bedoeling dat de in dit artikellid genoemde ruimten en ook andere ruimten op een veiligheidstrappenhuis mogen uitkomen. Met een veiligheidstrappenhuis mogen, komende vanuit een rookcompartiment of een subbrandcompartiment, slechts rookvrije vluchtroutes in verbinding staan (niet-besloten) en in de vluchtrichting mogen er alleen (één of meer) brand- en rookvrije vluchtroutes op aansluiten. Er mogen geen andere ruimten met een veiligheidstrappenhuis in verbinding staan.

Artikel 2.171.

Deuren die liggen in vluchtroutes en tegen de vluchtrichting indraaien, lopen gevaar geblokkeerd te raken. In de woningbouw mogen vluchtdeuren die uitkomen op een vluchttrappenhuis blijkens het eerste lid niet tegen de vluchtrichting indraaien. In de praktijk betekent het dat die deuren het trappenhuis indraaien. Normaal draaien die over het bordes tegen een blinde muur, zodat een vluchtroute over de trap niet wordt geblokkeerd.

Met dit artikel wordt voorts beoogd te voorkomen dat bij utiliteitsbouw deuren in vluchtroutes waarop een relatief groot aantal mensen zijn aangewezen, het vluchten belemmeren. In de praktijk betekent dat dat een deur, waarvan bij de rekenwaarde van de klasse van de bezettingsgraad (zie algemeen deel van de toelichting) door gemiddeld meer dan vijfentwintig mensen gebruik moet kunnen worden gemaakt, niet tegen de vluchtrichting in mag draaien. Dit is overeenkomstig de meergenoemde AROR. Op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit moet een nooddeur met de vluchtrichting meedraaien en is toepassing van een schuifdeur (en ook een hefdeur) daarom ook op grond van het Bouwbesluit 2003 niet toegestaan. Schuifdeuren zijn daarentegen in deze situatie wel toegestaan indien de deur tevens als toegang functioneert en niet louter als nooddeur.

Indien op een vluchtroute twee of meer (gedeelten van ) rookcompartimenten zijn aangewezen al dan niet met een verschillende klasse van de bezettingsgraad bevat het voorschrift geen regels. Gelet op de vorengenoemde achtergrond mag een deur niet tegen de vluchtrichting indraaien indien:

Afbeelding

waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de doorgangen is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Wanneer de deur van een uitgang van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting in mag draaien mag, gelet op het derde lid, in de gehele vluchtroute geen enkele deur tegen de vluchtrichting indraaien. Dat geldt ook voor de deuren die leiden naar een trappenhuis en buitendeur van het gebouw. Omdat een ruimte waardoor een vluchtroute voert veelal in twee richtingen als vluchtroute functioneert vanuit verschillende rookcompartimenten, leidt dit voorschrift er voorts toe dat deuren die een gang in segmenten verdeelt doordraaiende deuren moeten hebben. Omdat die deuren een brand- en rookscheidende functie hebben zal aan de uitvoering van die deuren speciale zorg moeten worden besteed, zodat de naden en kieren langs de deurbladen de verlangde prestatie niet teniet doen.

Artikel 2.172.

Wanneer er brand woedt in een brandcompartiment of subbrandcompartiment, dat grenst aan een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute loopt, zal deze zich bij het openstaan van de uitgang van het brandcompartiment (rookcompartiment) met rook vullen. In die ruimte kan in principe geen brand ontstaan, omdat voor die ruimte strenge eisen gelden ten aanzien van brandvoortplanting en rookproductie. Voor een woonfunctie en een niet in een logiesgebouw gelegen logiesfuncties hoeven deuren van een rookcompartiment niet zelfsluitend te zijn. De rook kan het vluchten bemoeilijken uit de rookcompartimenten die op de vluchtroute uitkomen. Om dit zoveel mogelijk te beperken, schrijft dit artikel voor de woningbouw en voor logiesfuncties voor dat de loopafstand binnen de met rook gevulde ruimte maximaal 30 m is. Met andere woorden, de ruimte waardoor de vluchtroute voert, moet worden opgedeeld in segmenten van maximaal 30 m lengte. Dit geldt dus voor alle paren van deuren die met die ruimte in verbinding staan. Deze afstand moet worden gemeten over de kortste route, op een afstand van 0,3 m van enig constructie-onderdeel.

Artikel 2.173.

Bij het ontruimen van een gebouw is de idee dat het direct bedreigde rook- of brandcompartiment zo snel mogelijk moet worden ontruimd, al dan niet gefaseerd. De mensen moeten eerst zo snel mogelijk achter de brand- en rookscheiding en vervolgens via de trappenhuizen en de daarop aansluitende vluchtroutes het gebouw verlaten. Omdat niet een ieder direct het gebouw kan verlaten, is de idee om de direct bedreigde mensen eerst te laten gaan naar de rookvrije vluchtroutes achter de brandcompartimentscheiding en van daaruit in een continue stroom het gebouw te ontruimen. Mensen uit de niet direct bedreigde rook- of brandcompar-timenten zullen ook het gebouw moeten verlaten, maar deze kunnen eventueel iets later aansluiten bij de stroom vluchtende mensen.

Om het gebouw veilig te kunnen ontruimen moet een bepaalde opvang- en doorstroomcapaciteit aanwezig zijn. Omdat op het moment van verschijnen van het Bouwbesluit 2003 nog geen overeenstemming bestond over de wijze waarop de opvang- en doorstroomcapaciteit regeling moest krijgen, is besloten dit nader bij ministeriële regeling te regelen.

Artikel 2.174.

Ook bouwwerken die geen gebouw zijn, moeten zodanig zijn ingericht dat zij vluchtroutes hebben voor het snel en veilig kunnen vluchten. Voor het bereiken van een veilige plaats geldt als algemeen uitgangspunt dat de gebruikers van het bouwwerk in twee richtingen moeten kunnen vluchten om het aansluitende terrein te bereiken. Bij een beperkt aantal personen dat moet kunnen vluchten zou met slechts één vluchtroute kunnen worden volstaan.

Voor voetbalstadions kan in de regel worden uitgegaan van de norm “Brandbeveiliging voetbalstadions” (Inspectie voor het Brandweerwezen, januari 1988). Indien hieraan is voldaan, mag men aannemen dat deze accommodaties voldoende veilig zijn met het oog op het vluchten. In Europees verband wordt voor het veilig verlaten van een stadion gewerkt aan een Europees normblad dat eerdaags zal verschijnen.

§ 2.19.2.Bestaande bouw

Artikel 2.175.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Vanwege de bijzondere veiligheid die een veiligheidstrappenhuis aan de gebruikers ervan moet bieden, schrijft artikel 2.179 voor dat constructie-onderdelen die in zo'n trappenhuis liggen en zo'n trappenhuis omhullen, slechts in zeer geringe mate brandbevorderend mogen zijn. Dit wordt uitgedrukt in het product van de vuurbelasting waarvan de bepalingsmethode is vastgelegd in NEN 6090 en de netto-vloeroppervlakte. De gegeven eis van 7.000 MJ per bouwlaag is afgestemd op in de praktijk gerealiseerde bouwkundige oplossingen en ontleend aan door TNO Bouw uitgevoerd onderzoek, rapport 95 BKR 1669.

De gegeven grenswaarde van 7.000 MJ per bouwlaag is twee keer zo groot als de waarde die voor de nieuwbouw is neergelegd in artikel 2.170, tweede lid. Daarmee wordt bereikt dat een kleine afwijking van het nieuwbouwvoorschrift niet ogenblikkelijk behoeft te leiden tot een aanschrijving. In de praktijk betekent dit dat trappen, vloeren en wanden van deze ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn, en dat alleen in deze ruimte voorkomende deuren, leuningen en plinten in hout mogen zijn uitgevoerd.

Bij de eisen aan de draairichting van deuren, neergelegd in artikel 180, eerste lid, is, zoals in het algemeen deel van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een rookcompartiment van een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.180, eerste lid, dan zijn: B1: 48, B2:120, B3: 300, B4: 720 en B5: 1.800. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van maximaal 40 personen bij een niet tegen de vluchtrichting indraaiende deur.

Zijn op een deur delen van het gebouw aangewezen met verschillende klassen van de bezettingsgraad dan geldt voor artikel 2.180, eerste lid: om een deur tegen de vluchtrichting te mogen laten indraaien waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de uitgangen is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.
Artikel 2.176.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Vanwege de bijzondere veiligheid die een veiligheidstrappenhuis aan de gebruikers ervan moet bieden, schrijft artikel 2.179 voor dat constructie-onderdelen die in zo'n trappenhuis liggen en zo'n trappenhuis omhullen, slechts in zeer geringe mate brandbevorderend mogen zijn. Dit wordt uitgedrukt in het product van de vuurbelasting waarvan de bepalingsmethode is vastgelegd in NEN 6090 en de netto-vloeroppervlakte. De gegeven eis van 7.000 MJ per bouwlaag is afgestemd op in de praktijk gerealiseerde bouwkundige oplossingen en ontleend aan door TNO Bouw uitgevoerd onderzoek, rapport 95 BKR 1669.

De gegeven grenswaarde van 7.000 MJ per bouwlaag is twee keer zo groot als de waarde die voor de nieuwbouw is neergelegd in artikel 2.170, tweede lid. Daarmee wordt bereikt dat een kleine afwijking van het nieuwbouwvoorschrift niet ogenblikkelijk behoeft te leiden tot een aanschrijving. In de praktijk betekent dit dat trappen, vloeren en wanden van deze ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn, en dat alleen in deze ruimte voorkomende deuren, leuningen en plinten in hout mogen zijn uitgevoerd.

Bij de eisen aan de draairichting van deuren, neergelegd in artikel 180, eerste lid, is, zoals in het algemeen deel van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een rookcompartiment van een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.180, eerste lid, dan zijn: B1: 48, B2:120, B3: 300, B4: 720 en B5: 1.800. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van maximaal 40 personen bij een niet tegen de vluchtrichting indraaiende deur.

Zijn op een deur delen van het gebouw aangewezen met verschillende klassen van de bezettingsgraad dan geldt voor artikel 2.180, eerste lid: om een deur tegen de vluchtrichting te mogen laten indraaien waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de uitgangen is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.
Artikel 2.177.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Vanwege de bijzondere veiligheid die een veiligheidstrappenhuis aan de gebruikers ervan moet bieden, schrijft artikel 2.179 voor dat constructie-onderdelen die in zo'n trappenhuis liggen en zo'n trappenhuis omhullen, slechts in zeer geringe mate brandbevorderend mogen zijn. Dit wordt uitgedrukt in het product van de vuurbelasting waarvan de bepalingsmethode is vastgelegd in NEN 6090 en de netto-vloeroppervlakte. De gegeven eis van 7.000 MJ per bouwlaag is afgestemd op in de praktijk gerealiseerde bouwkundige oplossingen en ontleend aan door TNO Bouw uitgevoerd onderzoek, rapport 95 BKR 1669.

De gegeven grenswaarde van 7.000 MJ per bouwlaag is twee keer zo groot als de waarde die voor de nieuwbouw is neergelegd in artikel 2.170, tweede lid. Daarmee wordt bereikt dat een kleine afwijking van het nieuwbouwvoorschrift niet ogenblikkelijk behoeft te leiden tot een aanschrijving. In de praktijk betekent dit dat trappen, vloeren en wanden van deze ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn, en dat alleen in deze ruimte voorkomende deuren, leuningen en plinten in hout mogen zijn uitgevoerd.

Bij de eisen aan de draairichting van deuren, neergelegd in artikel 180, eerste lid, is, zoals in het algemeen deel van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een rookcompartiment van een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.180, eerste lid, dan zijn: B1: 48, B2:120, B3: 300, B4: 720 en B5: 1.800. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van maximaal 40 personen bij een niet tegen de vluchtrichting indraaiende deur.

Zijn op een deur delen van het gebouw aangewezen met verschillende klassen van de bezettingsgraad dan geldt voor artikel 2.180, eerste lid: om een deur tegen de vluchtrichting te mogen laten indraaien waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de uitgangen is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.
Artikel 2.178.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Vanwege de bijzondere veiligheid die een veiligheidstrappenhuis aan de gebruikers ervan moet bieden, schrijft artikel 2.179 voor dat constructie-onderdelen die in zo'n trappenhuis liggen en zo'n trappenhuis omhullen, slechts in zeer geringe mate brandbevorderend mogen zijn. Dit wordt uitgedrukt in het product van de vuurbelasting waarvan de bepalingsmethode is vastgelegd in NEN 6090 en de netto-vloeroppervlakte. De gegeven eis van 7.000 MJ per bouwlaag is afgestemd op in de praktijk gerealiseerde bouwkundige oplossingen en ontleend aan door TNO Bouw uitgevoerd onderzoek, rapport 95 BKR 1669.

De gegeven grenswaarde van 7.000 MJ per bouwlaag is twee keer zo groot als de waarde die voor de nieuwbouw is neergelegd in artikel 2.170, tweede lid. Daarmee wordt bereikt dat een kleine afwijking van het nieuwbouwvoorschrift niet ogenblikkelijk behoeft te leiden tot een aanschrijving. In de praktijk betekent dit dat trappen, vloeren en wanden van deze ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn, en dat alleen in deze ruimte voorkomende deuren, leuningen en plinten in hout mogen zijn uitgevoerd.

Bij de eisen aan de draairichting van deuren, neergelegd in artikel 180, eerste lid, is, zoals in het algemeen deel van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een rookcompartiment van een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.180, eerste lid, dan zijn: B1: 48, B2:120, B3: 300, B4: 720 en B5: 1.800. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van maximaal 40 personen bij een niet tegen de vluchtrichting indraaiende deur.

Zijn op een deur delen van het gebouw aangewezen met verschillende klassen van de bezettingsgraad dan geldt voor artikel 2.180, eerste lid: om een deur tegen de vluchtrichting te mogen laten indraaien waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de uitgangen is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.
Artikel 2.179.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Vanwege de bijzondere veiligheid die een veiligheidstrappenhuis aan de gebruikers ervan moet bieden, schrijft artikel 2.179 voor dat constructie-onderdelen die in zo'n trappenhuis liggen en zo'n trappenhuis omhullen, slechts in zeer geringe mate brandbevorderend mogen zijn. Dit wordt uitgedrukt in het product van de vuurbelasting waarvan de bepalingsmethode is vastgelegd in NEN 6090 en de netto-vloeroppervlakte. De gegeven eis van 7.000 MJ per bouwlaag is afgestemd op in de praktijk gerealiseerde bouwkundige oplossingen en ontleend aan door TNO Bouw uitgevoerd onderzoek, rapport 95 BKR 1669.

De gegeven grenswaarde van 7.000 MJ per bouwlaag is twee keer zo groot als de waarde die voor de nieuwbouw is neergelegd in artikel 2.170, tweede lid. Daarmee wordt bereikt dat een kleine afwijking van het nieuwbouwvoorschrift niet ogenblikkelijk behoeft te leiden tot een aanschrijving. In de praktijk betekent dit dat trappen, vloeren en wanden van deze ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn, en dat alleen in deze ruimte voorkomende deuren, leuningen en plinten in hout mogen zijn uitgevoerd.

Bij de eisen aan de draairichting van deuren, neergelegd in artikel 180, eerste lid, is, zoals in het algemeen deel van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een rookcompartiment van een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.180, eerste lid, dan zijn: B1: 48, B2:120, B3: 300, B4: 720 en B5: 1.800. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van maximaal 40 personen bij een niet tegen de vluchtrichting indraaiende deur.

Zijn op een deur delen van het gebouw aangewezen met verschillende klassen van de bezettingsgraad dan geldt voor artikel 2.180, eerste lid: om een deur tegen de vluchtrichting te mogen laten indraaien waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de uitgangen is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.
Artikel 2.180.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Vanwege de bijzondere veiligheid die een veiligheidstrappenhuis aan de gebruikers ervan moet bieden, schrijft artikel 2.179 voor dat constructie-onderdelen die in zo'n trappenhuis liggen en zo'n trappenhuis omhullen, slechts in zeer geringe mate brandbevorderend mogen zijn. Dit wordt uitgedrukt in het product van de vuurbelasting waarvan de bepalingsmethode is vastgelegd in NEN 6090 en de netto-vloeroppervlakte. De gegeven eis van 7.000 MJ per bouwlaag is afgestemd op in de praktijk gerealiseerde bouwkundige oplossingen en ontleend aan door TNO Bouw uitgevoerd onderzoek, rapport 95 BKR 1669.

De gegeven grenswaarde van 7.000 MJ per bouwlaag is twee keer zo groot als de waarde die voor de nieuwbouw is neergelegd in artikel 2.170, tweede lid. Daarmee wordt bereikt dat een kleine afwijking van het nieuwbouwvoorschrift niet ogenblikkelijk behoeft te leiden tot een aanschrijving. In de praktijk betekent dit dat trappen, vloeren en wanden van deze ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn, en dat alleen in deze ruimte voorkomende deuren, leuningen en plinten in hout mogen zijn uitgevoerd.

Bij de eisen aan de draairichting van deuren, neergelegd in artikel 180, eerste lid, is, zoals in het algemeen deel van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een rookcompartiment van een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.180, eerste lid, dan zijn: B1: 48, B2:120, B3: 300, B4: 720 en B5: 1.800. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van maximaal 40 personen bij een niet tegen de vluchtrichting indraaiende deur.

Zijn op een deur delen van het gebouw aangewezen met verschillende klassen van de bezettingsgraad dan geldt voor artikel 2.180, eerste lid: om een deur tegen de vluchtrichting te mogen laten indraaien waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de uitgangen is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.
Artikel 2.181.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Vanwege de bijzondere veiligheid die een veiligheidstrappenhuis aan de gebruikers ervan moet bieden, schrijft artikel 2.179 voor dat constructie-onderdelen die in zo'n trappenhuis liggen en zo'n trappenhuis omhullen, slechts in zeer geringe mate brandbevorderend mogen zijn. Dit wordt uitgedrukt in het product van de vuurbelasting waarvan de bepalingsmethode is vastgelegd in NEN 6090 en de netto-vloeroppervlakte. De gegeven eis van 7.000 MJ per bouwlaag is afgestemd op in de praktijk gerealiseerde bouwkundige oplossingen en ontleend aan door TNO Bouw uitgevoerd onderzoek, rapport 95 BKR 1669.

De gegeven grenswaarde van 7.000 MJ per bouwlaag is twee keer zo groot als de waarde die voor de nieuwbouw is neergelegd in artikel 2.170, tweede lid. Daarmee wordt bereikt dat een kleine afwijking van het nieuwbouwvoorschrift niet ogenblikkelijk behoeft te leiden tot een aanschrijving. In de praktijk betekent dit dat trappen, vloeren en wanden van deze ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn, en dat alleen in deze ruimte voorkomende deuren, leuningen en plinten in hout mogen zijn uitgevoerd.

Bij de eisen aan de draairichting van deuren, neergelegd in artikel 180, eerste lid, is, zoals in het algemeen deel van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een rookcompartiment van een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.180, eerste lid, dan zijn: B1: 48, B2:120, B3: 300, B4: 720 en B5: 1.800. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van maximaal 40 personen bij een niet tegen de vluchtrichting indraaiende deur.

Zijn op een deur delen van het gebouw aangewezen met verschillende klassen van de bezettingsgraad dan geldt voor artikel 2.180, eerste lid: om een deur tegen de vluchtrichting te mogen laten indraaien waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de uitgangen is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.
Artikel 2.182.

De basis is voor bestaande bouw gelijk aan die voor de nieuwbouw. De specifieke eisen zijn echter lager gesteld of vanwege het feit dat deze in het verleden niet zijn gesteld achterwege gelaten om recht te doen aan meergenoemde principe van verworven rechten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd, zoals is uitgelegd in het algemeen deel van de toelichting.

Vanwege de bijzondere veiligheid die een veiligheidstrappenhuis aan de gebruikers ervan moet bieden, schrijft artikel 2.179 voor dat constructie-onderdelen die in zo'n trappenhuis liggen en zo'n trappenhuis omhullen, slechts in zeer geringe mate brandbevorderend mogen zijn. Dit wordt uitgedrukt in het product van de vuurbelasting waarvan de bepalingsmethode is vastgelegd in NEN 6090 en de netto-vloeroppervlakte. De gegeven eis van 7.000 MJ per bouwlaag is afgestemd op in de praktijk gerealiseerde bouwkundige oplossingen en ontleend aan door TNO Bouw uitgevoerd onderzoek, rapport 95 BKR 1669.

De gegeven grenswaarde van 7.000 MJ per bouwlaag is twee keer zo groot als de waarde die voor de nieuwbouw is neergelegd in artikel 2.170, tweede lid. Daarmee wordt bereikt dat een kleine afwijking van het nieuwbouwvoorschrift niet ogenblikkelijk behoeft te leiden tot een aanschrijving. In de praktijk betekent dit dat trappen, vloeren en wanden van deze ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn, en dat alleen in deze ruimte voorkomende deuren, leuningen en plinten in hout mogen zijn uitgevoerd.

Bij de eisen aan de draairichting van deuren, neergelegd in artikel 180, eerste lid, is, zoals in het algemeen deel van deze toelichting uitgelegd, uitgegaan van de laagste waarde van de klasse van de bezettingsgraad die bij een rookcompartiment van een (sub)gebruiksfunctie kan voorkomen. Is er echter in de praktijk in een bestaand gebouw sprake van een hogere bezettingsgraad dan zal de grenswaarde dienovereenkomstig moeten worden aangepast.

De getalswaarden zouden bij artikel 2.180, eerste lid, dan zijn: B1: 48, B2:120, B3: 300, B4: 720 en B5: 1.800. Daarbij is niet langer uitgegaan van de getallen uit de Algemene richtlijnen voor ontruiming en redding (AROR), maar bij de rekenwaarden van de klassen van de bezetting van maximaal 40 personen bij een niet tegen de vluchtrichting indraaiende deur.

Zijn op een deur delen van het gebouw aangewezen met verschillende klassen van de bezettingsgraad dan geldt voor artikel 2.180, eerste lid: om een deur tegen de vluchtrichting te mogen laten indraaien waarin:

GO Bn is de gebruiksoppervlakte, in m², die op de uitgangen is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.

Afdeling 2.20.Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand

§ 2.20.1.Nieuwbouw

Artikel 2.183.

Het eerste lid geeft de functionele eis ter voorkoming en beperking van ongevallen bij brand voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.184 regelt de aanwezigheid van een brandweerlift (aanwezigheid),
2.artikel 2.185 regelt de maximale afstand tussen enerzijds vluchttrappenhuis en brandweerlift en anderzijds toegangen van subbrand- en rookcompartimenten (loopafstand), en
3.artikel 2.186 bevat een eis aan de inrichting van een bouwwerk met het oog op het redden van de gebruikers (inrichting bouwwerk);
4.artikel 2.187 verklaart de eisen van deze paragraaf tevens van toepassing op het bouwen van niet-permanente bouwwerken (tijdelijke bouwwerken).

Voor een enkele (sub)gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan.

Artikel 2.184.

Met dit artikel wordt beoogd de brandweer in staat te stellen in geval van brand langs veilige weg, voldoende snel de hoger gelegen verdiepingen van een gebouw te bereiken. Het oogmerk is dat de brandweer deze kan doorzoeken naar achtergebleven personen en een beginnende brand bestrijden met materieel dat met de lift is aangevoerd. Hiertoe is de aanwezigheid van een brandweerlift verplicht gesteld. De bouwtechnische eisen waar een brandweerlift aan moet voldoen zijn geregeld in de begripsomschrijving van een brandweerlift, neergelegd in artikel 1.1, tweede lid.

Het eerste lid heeft betrekking op gebruiksfuncties waarvoor de aanwezigheidseis geldt, indien zo’n gebruiksfunctie een verblijfsgebied heeft met een vloer die hoger ligt dan 20 meter boven het meetniveau. Het meetniveau is het op het gebouw aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw. Indien vanaf het aansluitende terrein een trap of hellingbaan naar die toegang leidt, moet het hoogteverschil worden gemeten vanaf het laagste punt van die trap of hellingbaan. Het hoogtecriterium van 20 meter vloeit mede voort uit het feit dat tot die hoogte de brandweer langs de trappen en vluchtwegen die dit besluit vereist het gebouw voldoende snel kan doorzoeken en het benodigde brandweermaterieel aanvoeren. Het gaat er feitelijk niet om dat de hoger gelegen gebruiksfuncties een al dan niet gemeenschappelijke brandweerlift hebben, maar het gehele gebouw.

Het tweede lid kent geen hoogtecriterium. Het voorschrift is van toepassing op grote woonfuncties, zoals bijvoorbeeld een gezinsvervangend of bejaardentehuis met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 en op een woongebouw voor de huisvesting van minder zelfredzame personen. Met minder zelfredzame personen zijn bedoeld personen die minder zelfredzaam zijn in combinatie met permanent toezicht (begeleid wonen).

Artikel 2.185.

Om te voorkomen dat bij brand te grote afstanden moeten worden afgelegd om de eerste veilige ruimte, zijnde het trappenhuis, te bereiken en om te voorkomen dat de brandweer te grote afstanden moet overbruggen om met geredde mensen een veilige plek te kunnen bereiken, zal de afstand tussen een toegang van een subbrandcompartiment of rookcompartiment en een trappenhuis niet te groot mogen zijn. In de regel zal hieraan zijn voldaan, wanneer deze afstand niet groter is dan 30 meter respectievelijk 45 meter. Dit leidt er toe dat bij gangbare gebouwontwerpen trappenhuizen op geen grotere onderlinge afstand zullen kunnen zijn gesitueerd dan 90 meter. Deze afstand van 30 meter of 45 meter leidt er mede toe dat de brandweer een brand met eenvoudige middelen kan blussen. Immers, als gevolg van deze afstand kan het aantal aan elkaar te koppelen brandslangen beperkt blijven.

Om te voorkomen dat de brandweer door een te grote afstand tussen de toegang van de brandweerlift en enig punt op een bouwlaag van een gebouw, niet in staat is personen tijdig uit het brandende gebouw te halen of met het gangbare brandweermaterieel een beginnende brand te blussen, mag, wil aan het onderhavige voorschrift zijn voldaan, ook de afstand tussen de toegang van een brandweerlift en de toegang van een subbrandcompartiment of rookcompartiment niet te groot zijn. Hierbij kan gedacht worden aan een afstand van 90 meter respectievelijk 75 meter, hetgeen bij gangbare ontwerpen leidt tot afstanden tussen twee brandweerliften van circa 180 meter.

Het derde en het vierde lid bevatten een regeling voor de loopafstand naar een (gemeenschappelijke) meterruimte bij een woonfunctie. Dit onderwerp is uit het oogpunt van brandveiligheid gegeven om bij brand de gastoevoer te kunnen afsluiten. De afsluiter van de voorziening voor gas is geregeld op grond van NEN 1078 en hoeft niet in de meterruimte aanwezig te zijn. Er is derhalve sprake van een gelegenheidsargument om het voorschrift te geven, al helemaal voor een gemeenschappelijke meterruimte; bovendien is het bevreemdend het voorschrift te beperken tot een woonfunctie. Het voorschrift kan dan ook beter worden gedereguleerd.

Artikel 2.186.

Het eerste lid regelt dat een niet-besloten ruimte een zodanige capaciteit van de toevoer van verse lucht en afvoer van rook heeft, dat reddings- en bluswerkzaamheden niet worden belemmerd door de rook die in die ruimte blijft hangen. In deze ruimte moeten de condities (voor wat betreft de afvoer van rook) bij brand zodanig zijn dat aanwezigen gedurende langere tijd veilig via deze ruimte kunnen worden gered en dat er bluswerkzaamheden kunnen worden verricht.

Uitgangspunt voor de bepaling van het al dan niet besloten zijn van een ruimte, zijn de condities in die ruimte tijdens een brand. Bij de bepaling of aan het voorschrift is voldaan kan gebruik worden gemaakt van de in de toelichting op artikel 2.169 gegeven richtlijnen.

Het is echter niet de bedoeling dat er naast de vluchtroute ook nog een afzonderlijke aanvalsroute wordt gemaakt.

Het tweede lid bevat een functionele eis voor bouwwerken die geen gebouw zijn. De reden hiervan is de grote verscheidenheid van bouwwerken die onder deze gebruiksfunctie vallen, welke ook in de grootte van het risico dat ze opleveren tot uiting komt. Bij de bouw of verbouwing van deze bouwwerken kunnen, afhankelijk van de bestemming en de grootte, bouwkundige voorzieningen ten behoeve van het redden door de brandweer noodzakelijk zijn. De beleidsruimte die uit het voorschrift voortvloeit heeft betrekking op het al dan niet noodzakelijk treffen van voorzieningen als op de aard van de voorzieningen. Op grond van deze bepaling kan het noodzakelijk zijn dat trappen die de brandweer moet kunnen gebruiken op niet te grote afstand van elkaar moeten zijn gelegen.

§ 2.20.2.Bestaande bouw

Artikel 2.188.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.20.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.

Hoewel de bewoording van artikel 2.188 gelijk is aan die van artikel 183, eerste lid, is het, gelet op het gestelde in het algemeen gedeelte van deze toelichting, wel de bedoeling dat rekening wordt gehouden met verworven rechten.

Artikel 2.189.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.20.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.

Dit artikel bevat een functionele eis voor bestaande bouwwerken die geen gebouw zijn, welke gelijkluidend is aan die voor nieuwbouw. Op grond hiervan kan bijvoorbeeld, evenals voor nieuwbouw, noodzakelijk zijn dat trappen die door de brandweer moeten kunnen worden gebruikt op niet te grote afstand van elkaar zijn gelegen. Deze afstand zal in de regel groter zijn dan bij nieuwbouw, gelet op het feit dat er bij de bouw van het bouwwerk veelal minder vergaande eisen hebben gegolden.

Afdeling 2.21.Bestrijding van brand

§ 2.21.1.Nieuwbouw

Artikel 2.190.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor bestrijding van brand voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.191 regelt de aanwezigheid van bouwkundige voorzieningen voor het blussen in een bouwwerk (aanwezigheid),
2.artikel 2.192 bevat eisen aan het aantal droge blusleidingen (aantal), en
3.artikel 2.193 bepaalt waaraan de inrichting van een vereiste droge blusleiding moet voldoen (veiligheid).
4.artikel 2.194 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
5.artikel 2.195 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor een enkele (sub)gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan.

Artikel 2.191.

Het doel van dit artikel is te bereiken dat met bouwkundige middelen een beginnende brand van binnenuit moet kunnen worden bestreden. Daarom moeten er in bepaalde categorieën bouwwerken bouwkundige voorzieningen voor het bestrijden van brand aanwezig zijn. Het gaat hierbij om bouwwerken die door hun grootte of door de aard van hun bestemming een verhoogd risico opleveren voor het vallen van slachtoffers als gevolg van brand. Een voorbeeld hiervan zijn woongebouwen voor minder zelfredzame personen, zoals bijvoorbeeld een verzorgingsflat of een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang.

De bouwkundige voorzieningen die worden verlangd hebben betrekking op brandslanghaspels en droge blusleidingen.

Op grond van de gebruiksvoorschriften van de gemeentelijke bouwverordening kunnen er aanvullende, niet-bouwkundige eisen zijn gesteld omtrent de aanwezigheid van middelen tot brandbestrijding. Een voorbeelden hiervan zijn kleine blusmiddelen. Daarnaast hebben planologische voorschriften relatie met de mogelijkheden een brand snel te kunnen blussen, zoals openbare bluswaterwinplaatsen in de nabijheid van het bouwwerk en een goede bereikbaarheid van het bouwwerk voor brandweervoertuigen.

Het eerste lid vereist de aanwezigheid van een of meer droge blusleidingen in gebouwen die hooggelegen ruimten voor het verblijf van mensen omvatten. Het criterium is dat een gebouw een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen bevat met een vloer die hoger ligt dan 20 meter. Het meetniveau is het op het gebouw aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw. De droge blusleidingen geven de brandweer ook op de hoger gelegen verdiepingen de beschikking over bluswater.

Het tweede en het derde lid schrijven de aanwezigheid voor van een of meer brandslanghaspels. Met de aanwezigheid van brandslanghaspels wordt beoogd de gebruikers van het gebouw in staat te stellen een beginnende brand zelf te blussen.

Het tweede lid stelt deze voor een aantal gebruiksfuncties vanaf een bepaalde omvang verplicht. Wat betreft niet in een woongebouw gelegen woonfuncties valt hierbij te denken aan bijvoorbeeld een gezinsvervangend tehuis of bejaardentehuis met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2. Het voert voorts te ver dit voor alle gebouwen te eisen. Als zich bijvoorbeeld slechts een beperkt aantal mensen in een gebouw zal ophouden en er in het gebouw geen overnachting plaatsvindt, is de aanwezigheid van een brandslanghaspel minder opportuun.

Brandslanghaspels worden in elk geval wenselijk geacht in onder meer bijeenkomstfuncties, gezondheidszorgfuncties bestemd voor klinische patiënten, gebouwen waar overnachting plaatsvindt of wordt geslapen, zoals logiesfuncties, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang en penitentiaire inrichtingen, sport-, onderwijs- en kantoorfuncties van enige omvang, en gebruiksfuncties waarin, gelet op de aard van de bestemming, gevaar voor het ontstaan van brand bestaat.

In het vierde lid is een functionele eis gesteld ten aanzien van bouwwerken die geen gebouw zijn. De reden hiervan is de grote verscheidenheid van bouwwerken die onder deze gebruiksfunctie vallen, welke ook in de grootte van het risico dat ze opleveren tot uiting komt. Bij de bouw of verbouwing van deze bouwwerken kunnen, afhankelijk van de bestemming en de grootte, bouwkundige voorzieningen voor brandbestrijding noodzakelijk zijn. De beleidsruimte die hier aan de uitvoerende organen wordt gelaten heeft betrekking zowel op de aanwezigheid van de voorzieningen als op de aard van de voorzieningen In de regel zal het ook bij deze bouwwerken gaan om droge blusleidingen en brandslanghaspels.

Artikel 2.192.

In dit artikel is aangegeven hoe het aantal droge blusleidingen en brandslanghaspels dat voor een gebruiksfunctie wordt vereist, moet worden vastgesteld.

Het eerste en het tweede lid bevatten eisen voor de afstand tussen zo’n brandslangaansluiting en de toegangen van subbrandcompartimenten en rookcompartimenten die op die aansluiting zijn aangewezen. Deze afstand mag met het oog op de beperkte lengte van brandweerslangen niet te groot zijn. Voor woningen en woongebouwen bedraagt deze afstand tot de toegangen van de betrokken subbrandcompartimenten, zoals appartementen en gemeenschappelijke verblijfsgebieden, krachtens het eerste lid niet meer dan 50 meter. Voor utiliteitsgebouwen is op grond van het tweede lid de afstand tot de toegangen van de betrokken rookcompartimenten langs de kortste route niet meer dan 35 meter. Voor een hotel zou vanuit de hotelkamer moet worden uitgegaan van de 50 meter-regel, zoals blijkt uit artikel 263 van het Bouwbesluit, zoals tot 31 december 2002 heeft gegolden.

Het derde tot en met het vijfde lid regelen het aantal brandslanghaspels die krachtens het vorige artikel aanwezig moeten zijn. Voor dit aantal is bepalend het oogmerk dat elk punt van een vloer van de gebruiksfunctie, behoudens een balkon, met bluswater kan worden bereikt. Om dit te bewerkstelligen eist het derde lid dat de loopafstand tussen een brandslanghaspel en enig punt van een vloer die daarop aangewezen is, niet groter is dan de slanglengte plus vijf meter. Deze vijf meter extra vormen de zogenaamde fictieve worplengte. De werkelijke worplengte, zijnde de doeltreffende reikwijdte van de waterstraal, bedraagt weliswaar zes meter, maar deze mag niet in zijn geheel in rekening worden gebracht. Er moet namelijk rekening worden gehouden met een speling van een meter, die nodig is om bij het passeren van de toegang van een ruimte de slang in de goede richting te kunnen buigen. Om het beginsel van de vrije indeelbaarheid niet te doorkruisen, bepaalt het vierde lid dat binnen een verblijfsgebied niet-dragende constructie-onderdelen, zoals bijvoorbeeld gipswanden, buiten beschouwing mogen worden gelaten. Hierdoor blijft de mogelijkheid in het bouwplan een of meer niet nader opgedeelde verblijfsgebieden op te nemen, onaangetast. Ter compensatie van de aldus beperkte in rekening te brengen loopafstand moet krachtens het vijfde lid de loopafstand binnen een verblijfsgebied met anderhalf worden vermenigvuldigd. Dat betekent dat slechts binnen dat gebied met 2/3 van de werkelijke slanglengte mag worden gerekend.

Artikel 2.193.

Dit artikel bevat eisen aan de hoedanigheid van droge blusleidingen en brandslanghaspels.

Krachtens het eerste lid moet de inrichting van een vereiste droge blusleiding voldoen aan onderdeel 4.2 van NEN 1594. In dit normblad zijn eisen gesteld aan onder meer de drukbestendigheid, de onbrandbaarheid van het materiaal van de leiding, de plaatsing van de aansluitpunten ten opzichte van elkaar, de soorten koppelingen ten behoeve van de aansluiting van brandslangen, de plaatsing en de aanduiding van brandslangaansluitingen en de plaatsing en aanduiding van voedingsaansluitingen.

Het tweede lid regelt de aansluiting van een vereiste brandslanghaspel aan het leidingnet voor drinkwater. Verder bepaalt het dat de haspel niet mag liggen in een vluchttrappenhuis, zulks om te voorkomen dat een veilige ontvluchting erdoor wordt belemmerd, omdat wegens de permanent openstaande toegangsdeur rook zich vrij naar het trappenhuis kan verspreiden.

Om ervoor te zorgen dat met deze brandslanghaspels een brand kan worden geblust, regelt het derde lid dat er voldoende waterdruk bij de uitmonding van de slang aanwezig is en dat deze een voldoende wateropbrengst heeft. Brandslanghaspels zijn voorzieningen die zijn bedoeld voor de bestrijding van een beginnende brand met gewoonlijk slechts één brandhaard. Daarom zijn deze eisen afgestemd op het gelijktijdig gebruik van hooguit twee op dezelfde waterleiding aangesloten brandslanghaspels. Verder is bepaald dat slangen niet langer mogen zijn dan 30 meter, omdat ze anders voor de gebruikers van het gebouw niet meer goed hanteerbaar zijn. Deze lengte is groter dan in het verleden werd toegestaan. Dit is het gevolg van Europese regelgeving die slangen tot een lengte van 30 m hanteerbaar acht in de praktijk.

§ 2.21.2.Bestaande bouw

Artikel 2.196.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.21.1, Bestrijding van brand – nieuwbouw, zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.197.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.21.1, Bestrijding van brand – nieuwbouw, zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.198.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.21.1, Bestrijding van brand – nieuwbouw, zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.199.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.21.1, Bestrijding van brand – nieuwbouw, zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

In aanvulling daarop valt op te merken dat in artikel 2.199 een beperkt aantal onderdelen is aangewezen uit NEN 1594, die in het kader van het Bouwbesluit 2003 ook van toepassing zijn op bestaande gebouwen. De onderdelen van het normblad die voor nieuwbouw gelden met betrekking tot de symmetrische plaatsing van de brandslangaansluiting op elke verdieping, de inrichting van de brandslangaansluiting en de plaatsing van een voedingsaansluiting zijn voor bestaande gebouwen niet van toepassing. In het niet al te verre verleden bestonden er voor deze aspecten namelijk geen algemeen verbindende voorschriften, zodat een deel van de bestaande woongebouwen niet aan de voor nieuwbouw geldende eisen voldoet.

Afdeling 2.22.Grote brandcompartimenten

§ 2.22.1.Nieuwbouw

Artikel 2.200.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor te bouwen grote brandcompartimenten.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.201 regelt de mate van brandveiligheid die de bouwkundige inrichting van een groot brandcompartiment moet bieden met betrekking tot het beperken van uitbreiding van brand (inrichting),
2.artikel 2.202 betreft de loopafstand tussen een punt in een groot brandcompartiment en het aansluitende terrein (vluchtroute), en
3.artikel 2.203 regelt de mate van brandveiligheid die in een groot brandcompartiment moet worden bereikt door middel van voorzieningen tot bestrijding van brand (bestrijding van brand).

Voor enkele (sub)gebruiksfuncties wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan.

Artikel 2.201.

De uit het oogpunt van brandveiligheid gegeven voorschriften voor te bouwen niet tot bewoning bestemde gebouwen, waaraan naast de bestaande praktijk ook de bouwkundige aspecten van de Brandbeveiligingsconcepten, uitgegeven door het ministerie van Binnenlandse Zaken, Directie Brandweer en Rampenbestrijding, ten grondslag hebben gelegen, zijn gerelateerd aan brandcompartimenten met een gebruiksoppervlakte van in beginsel ten hoogste duizend vierkante meter. Het raadplegen van de hiervoor genoemde brandbeveiligingsconcepten is op zichzelf beschouwd aan te bevelen, doch de daarin vervatte bouwkundige aspecten mogen, nu in dit besluit prestatie-eisen zijn gegeven voor de verschillende gebouwfuncties, geen rol spelen bij de beoordeling van een bouwplan.

Op grond van deze paragraaf is het echter toegestaan dat een gebouw in een of meer brandcompartimenten wordt ingedeeld die groter zijn dan is bedoeld in paragraaf 2.13.1 - Beperking van uitbreiding van brand, nieuwbouw. Voor bestemmingen als bijvoorbeeld tentoonstellingshal of veilinghal kan zo’n grootte van meer dan 1.000 m2 noodzakelijk zijn. Het is daarbij niet noodzakelijk dat in zo’n geval een brandcompartiment beperkt blijft tot één gebruiksfunctie.

Het doel van de voorschriften is te bereiken dat deze grote brandcompartimenten zodanig zijn ingericht, dat zij een zelfde mate van brandveiligheid bieden als is gewaarborgd door de voorschriften voor brandcompartimenten die wel vallen binnen de in paragraaf 2.13.1 bedoelde maximummaten. De aanvrager van de bouwvergunning moet ten genoegen van burgemeester en wethouders aangeven welke voorzieningen zijn getroffen om hieraan te voldoen. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er een sprinklerinstallatie wordt toegepast of een rook- en warmteafvoerinstallatie of een combinatie van beide. Het gaat er vooral om te voorkomen dat er bij brand een onbeheersbare situatie ontstaat, met name naar omliggende percelen, en om te garanderen dat men, indien er sprake is van een langere vluchtafstand, voldoende tijd heeft om het aansluitende terrein veilig te kunnen bereiken. Bouwstenen voor het ontwerpen van grote brandcompartimenten kunnen voor wat betreft het veilig verlaten van het compartiment kunnen worden ontleend aan het TNO Bouw-rapport 96-CVB-R0330, delen 1 t.m. 4. De onderzoeksrapporten van PRC Bouwcentrum, nummer 6665, ‘Vluchten bij brand uit grote brandcompartimenten” en “Bepalingsmethode voor veilig vluchten” bevatten daarvan een vereenvoudigde samenvatting. Terzake van het beperken van de branduitbreiding kan het rapport van het ingenieurs/adviesbureau SAVE ‘Beheersbaarheid van brand; bouwstenen voor regelgeving’ van oktober 1995 worden gehanteerd als hulpmiddel.

Uitgangspunt bij dit voorschrift moet wel zijn dat toepassing van dit voorschrift er niet toe leidt dat hetgeen tot voor de inwerkingtreding van het Bouwbesluit gebruikelijk was en als voldoende veilig wordt ervaren, thans niet meer zou mogen. Uitgangspunt van het Bouwbesluit is slechts uniformering van voorschriften en niet zozeer aanscherping van voorschriften.

Artikel 2.202.

De uit het oogpunt van brandveiligheid gegeven voorschriften voor te bouwen niet tot bewoning bestemde gebouwen, waaraan naast de bestaande praktijk ook de bouwkundige aspecten van de Brandbeveiligingsconcepten, uitgegeven door het ministerie van Binnenlandse Zaken, Directie Brandweer en Rampenbestrijding, ten grondslag hebben gelegen, zijn gerelateerd aan brandcompartimenten met een gebruiksoppervlakte van in beginsel ten hoogste duizend vierkante meter. Het raadplegen van de hiervoor genoemde brandbeveiligingsconcepten is op zichzelf beschouwd aan te bevelen, doch de daarin vervatte bouwkundige aspecten mogen, nu in dit besluit prestatie-eisen zijn gegeven voor de verschillende gebouwfuncties, geen rol spelen bij de beoordeling van een bouwplan.

Op grond van deze paragraaf is het echter toegestaan dat een gebouw in een of meer brandcompartimenten wordt ingedeeld die groter zijn dan is bedoeld in paragraaf 2.13.1 - Beperking van uitbreiding van brand, nieuwbouw. Voor bestemmingen als bijvoorbeeld tentoonstellingshal of veilinghal kan zo’n grootte van meer dan 1.000 m2 noodzakelijk zijn. Het is daarbij niet noodzakelijk dat in zo’n geval een brandcompartiment beperkt blijft tot één gebruiksfunctie.

Het doel van de voorschriften is te bereiken dat deze grote brandcompartimenten zodanig zijn ingericht, dat zij een zelfde mate van brandveiligheid bieden als is gewaarborgd door de voorschriften voor brandcompartimenten die wel vallen binnen de in paragraaf 2.13.1 bedoelde maximummaten. De aanvrager van de bouwvergunning moet ten genoegen van burgemeester en wethouders aangeven welke voorzieningen zijn getroffen om hieraan te voldoen. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er een sprinklerinstallatie wordt toegepast of een rook- en warmteafvoerinstallatie of een combinatie van beide. Het gaat er vooral om te voorkomen dat er bij brand een onbeheersbare situatie ontstaat, met name naar omliggende percelen, en om te garanderen dat men, indien er sprake is van een langere vluchtafstand, voldoende tijd heeft om het aansluitende terrein veilig te kunnen bereiken. Bouwstenen voor het ontwerpen van grote brandcompartimenten kunnen voor wat betreft het veilig verlaten van het compartiment kunnen worden ontleend aan het TNO Bouw-rapport 96-CVB-R0330, delen 1 t.m. 4. De onderzoeksrapporten van PRC Bouwcentrum, nummer 6665, ‘Vluchten bij brand uit grote brandcompartimenten” en “Bepalingsmethode voor veilig vluchten” bevatten daarvan een vereenvoudigde samenvatting. Terzake van het beperken van de branduitbreiding kan het rapport van het ingenieurs/adviesbureau SAVE ‘Beheersbaarheid van brand; bouwstenen voor regelgeving’ van oktober 1995 worden gehanteerd als hulpmiddel.

Uitgangspunt bij dit voorschrift moet wel zijn dat toepassing van dit voorschrift er niet toe leidt dat hetgeen tot voor de inwerkingtreding van het Bouwbesluit gebruikelijk was en als voldoende veilig wordt ervaren, thans niet meer zou mogen. Uitgangspunt van het Bouwbesluit is slechts uniformering van voorschriften en niet zozeer aanscherping van voorschriften.

Artikel 2.203.

De uit het oogpunt van brandveiligheid gegeven voorschriften voor te bouwen niet tot bewoning bestemde gebouwen, waaraan naast de bestaande praktijk ook de bouwkundige aspecten van de Brandbeveiligingsconcepten, uitgegeven door het ministerie van Binnenlandse Zaken, Directie Brandweer en Rampenbestrijding, ten grondslag hebben gelegen, zijn gerelateerd aan brandcompartimenten met een gebruiksoppervlakte van in beginsel ten hoogste duizend vierkante meter. Het raadplegen van de hiervoor genoemde brandbeveiligingsconcepten is op zichzelf beschouwd aan te bevelen, doch de daarin vervatte bouwkundige aspecten mogen, nu in dit besluit prestatie-eisen zijn gegeven voor de verschillende gebouwfuncties, geen rol spelen bij de beoordeling van een bouwplan.

Op grond van deze paragraaf is het echter toegestaan dat een gebouw in een of meer brandcompartimenten wordt ingedeeld die groter zijn dan is bedoeld in paragraaf 2.13.1 - Beperking van uitbreiding van brand, nieuwbouw. Voor bestemmingen als bijvoorbeeld tentoonstellingshal of veilinghal kan zo’n grootte van meer dan 1.000 m2 noodzakelijk zijn. Het is daarbij niet noodzakelijk dat in zo’n geval een brandcompartiment beperkt blijft tot één gebruiksfunctie.

Het doel van de voorschriften is te bereiken dat deze grote brandcompartimenten zodanig zijn ingericht, dat zij een zelfde mate van brandveiligheid bieden als is gewaarborgd door de voorschriften voor brandcompartimenten die wel vallen binnen de in paragraaf 2.13.1 bedoelde maximummaten. De aanvrager van de bouwvergunning moet ten genoegen van burgemeester en wethouders aangeven welke voorzieningen zijn getroffen om hieraan te voldoen. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er een sprinklerinstallatie wordt toegepast of een rook- en warmteafvoerinstallatie of een combinatie van beide. Het gaat er vooral om te voorkomen dat er bij brand een onbeheersbare situatie ontstaat, met name naar omliggende percelen, en om te garanderen dat men, indien er sprake is van een langere vluchtafstand, voldoende tijd heeft om het aansluitende terrein veilig te kunnen bereiken. Bouwstenen voor het ontwerpen van grote brandcompartimenten kunnen voor wat betreft het veilig verlaten van het compartiment kunnen worden ontleend aan het TNO Bouw-rapport 96-CVB-R0330, delen 1 t.m. 4. De onderzoeksrapporten van PRC Bouwcentrum, nummer 6665, ‘Vluchten bij brand uit grote brandcompartimenten” en “Bepalingsmethode voor veilig vluchten” bevatten daarvan een vereenvoudigde samenvatting. Terzake van het beperken van de branduitbreiding kan het rapport van het ingenieurs/adviesbureau SAVE ‘Beheersbaarheid van brand; bouwstenen voor regelgeving’ van oktober 1995 worden gehanteerd als hulpmiddel.

Uitgangspunt bij dit voorschrift moet wel zijn dat toepassing van dit voorschrift er niet toe leidt dat hetgeen tot voor de inwerkingtreding van het Bouwbesluit gebruikelijk was en als voldoende veilig wordt ervaren, thans niet meer zou mogen. Uitgangspunt van het Bouwbesluit is slechts uniformering van voorschriften en niet zozeer aanscherping van voorschriften.

§ 2.22.2.Bestaande bouw

Artikel 2.204.

Voor de bestaande bouw zijn de eisen met betrekking tot brandveiligheid gerelateerd aan brandcompartimenten van ten hoogste twee duizend vierkante meter en in enkele gevallen drie duizend vierkante meter. Dit laat onverlet dat in de praktijk grotere compartimenten voorkomen. Afhankelijk van de bestemming en inrichting van grote brandcompartimenten zullen in de regel andere grenswaarden dan voor de nieuwbouw kunnen worden aangehouden waarbij toch voldoende snel en veilig kan worden gevlucht, een brand zich niet onbeperkt kan uitbreiden en een brand voldoende kan worden bestreden.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.22.1 Nieuwbouw zijn op paragraaf 2.22.2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.205.

Voor de bestaande bouw zijn de eisen met betrekking tot brandveiligheid gerelateerd aan brandcompartimenten van ten hoogste twee duizend vierkante meter en in enkele gevallen drie duizend vierkante meter. Dit laat onverlet dat in de praktijk grotere compartimenten voorkomen. Afhankelijk van de bestemming en inrichting van grote brandcompartimenten zullen in de regel andere grenswaarden dan voor de nieuwbouw kunnen worden aangehouden waarbij toch voldoende snel en veilig kan worden gevlucht, een brand zich niet onbeperkt kan uitbreiden en een brand voldoende kan worden bestreden.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.22.1 Nieuwbouw zijn op paragraaf 2.22.2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.206.

Voor de bestaande bouw zijn de eisen met betrekking tot brandveiligheid gerelateerd aan brandcompartimenten van ten hoogste twee duizend vierkante meter en in enkele gevallen drie duizend vierkante meter. Dit laat onverlet dat in de praktijk grotere compartimenten voorkomen. Afhankelijk van de bestemming en inrichting van grote brandcompartimenten zullen in de regel andere grenswaarden dan voor de nieuwbouw kunnen worden aangehouden waarbij toch voldoende snel en veilig kan worden gevlucht, een brand zich niet onbeperkt kan uitbreiden en een brand voldoende kan worden bestreden.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.22.1 Nieuwbouw zijn op paragraaf 2.22.2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.207.

Voor de bestaande bouw zijn de eisen met betrekking tot brandveiligheid gerelateerd aan brandcompartimenten van ten hoogste twee duizend vierkante meter en in enkele gevallen drie duizend vierkante meter. Dit laat onverlet dat in de praktijk grotere compartimenten voorkomen. Afhankelijk van de bestemming en inrichting van grote brandcompartimenten zullen in de regel andere grenswaarden dan voor de nieuwbouw kunnen worden aangehouden waarbij toch voldoende snel en veilig kan worden gevlucht, een brand zich niet onbeperkt kan uitbreiden en een brand voldoende kan worden bestreden.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.22.1 Nieuwbouw zijn op paragraaf 2.22.2 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2.23.Hoge en ondergrondse gebouwen, nieuwbouw

Artikel 2.208.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de bouwkundige invulling van te bouwen hoge en ondergrondse gebouwen.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Voor enkele (sub)gebruiksfuncties wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan.

Artikel 2.209.

De voorschriften van de paragrafen 2.11 tot en 2.22 zijn afgestemd op gebouwen die geen vloeren hoger dan zeventig meter boven de grond of lager dan acht meter onder de grond hebben. Met het onderhavige artikel wordt gewaarborgd dat er voor gebouwen die buiten deze maten vallen verdergaande brandveiligheidsmaatregelen moeten zijn getroffen om een vergelijkbaar beschermingsniveau te verkrijgen.

De aanvrager van een bouwvergunning moet ten genoegen van burgemeester en wethouders aangeven welke voorzieningen er aan het gebouw zijn getroffen om dezelfde mate van brandveiligheid te realiseren als met de genoemde algemene voorschriften wordt beoogd.

Afdeling 2.24.Toegang van een bouwwerk

§ 2.24.1.Nieuwbouw

Artikel 2.210.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor toegangen van te bouwen gebouwen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het onderhavige onderwerp is er slechts één voorschrift. Dit is artikel 2.211, dat eisen bevat voor de deur en andere voorzieningen voor de toegang tot een woongebouw.

Voor geen enkele andere gebruiksfunctie dan ‘woonfunctie gelegen in een woongebouw’ wijst tabel 2.210 voorschriften aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis op de andere gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 2.211.

Het doel van dit artikel is tegen te gaan dat onbevoegden op eenvoudige wijze een woongebouw, met name de gemeenschappelijke ruimten waardoor een verkeersroute voert, kunnen binnenkomen. Op grond van het eerste lid moet elke toegang van een woongebouw zijn voorzien van een deur die uit zichzelf in het slot te valt, bij voorbeeld door middel van een dranger. Dit dient ertoe om te voorkomen dat bewoners van de in het gebouw gelegen woningen die deur al te gemakkelijk laten openstaan. Verder moet zo’n toegangsdeur zijn voorzien van een slot. Voor het openen van de deur is een sleutel nodig, waaronder tevens valt te verstaan een magnetische codekaart waarmee de toegangsdeur kan worden geopend.

Zonder voorzieningen om vanuit de woningen te kunnen waarnemen of er bezoekers zijn, met hen te spreken en hen desgewenst binnen te laten, bestaat de kans dat bewoners bewust de toegangsdeur laten openstaan. Om dit te voorkomen bevat het tweede lid eisen omtrent de aanwezigheid van een deuropener, bel en spreekinstallatie. Deze voorzieningen hebben slechts zin als ze kunnen worden bediend vanuit de woning. Daarbij zijn in de gevolgde systematiek van het stellen van eisen deuropener, bel en spreekinstallatie gemeenschappelijke voorzieningen die onderdeel vormen van elke daarop aangewezen woonfunctie. Het is daarbij voldoende als de bel in slechts één verblijfsgebied kan worden waargenomen. De deuropener en de spreekinstallatie behoeven ook slechts vanuit één ruimte te kunnen worden bediend.

§ 2.24.2.Bestaande bouw

Artikel 2.212.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 2.24.1 Nieuwbouw zijn op paragraaf 2.24.2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.213.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 2.24.1 Nieuwbouw zijn op paragraaf 2.24.2 van overeenkomstige toepassing.

Ter bevordering van de sociale veiligheid van bewoners van de in een woongebouw gelegen woningen, is in artikel 2.213 een voorschrift gegeven dat, in vergelijking tot de nieuwbouwvoorschriften, van lager niveau is. Verdergaande voorschriften, zoals bij de nieuwbouw, zouden betekenen dat de eigenaar van een bestaand woongebouw door middel van een aanschrijving zou kunnen worden gedwongen tot het doen van niet geringe investeringen, waarvan de kosten niet in redelijke verhouding zullen staan tot het verhoogde sociale-veiligheidsniveau binnen het woongebouw. Het in dit artikel voorgeschreven zelfsluitend maken van reeds aanwezige afsluitbare toegangsdeuren kan tamelijk eenvoudig - bijvoorbeeld door een dranger - en dus tegen betrekkelijk geringe kosten worden gerealiseerd. De zelfsluitendheid van de toegangsdeur dient om te voorkomen dat bewoners van in het woongebouw gelegen woningen die deur al te gemakkelijk laten openstaan. In verband met het feit dat de in dit artikel bedoelde toegangsdeur van het woongebouw door derden van buitenaf niet zonder meer kan worden geopend, is tevens voorgeschreven dat vóór die deur ten behoeve van elke woning een afzonderlijke bel aanwezig moet zijn, hetgeen in de praktijk in de regel veelal reeds het geval is. De voorschriften gelden alleen indien het woongebouw beschikt over een gemeenschappelijke verkeersruimte die aan de buitenzijde van het woongebouw met een deur kan worden afgesloten.

Afdeling 2.25.Inbraakwerendheid, nieuwbouw

Artikel 2.214.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor inbraakwerendheid van te bouwen bouwwerken.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het onderhavige onderwerp is er slechts één voorschrift. Dit is artikel 2.215, dat regelt waaraan gevelelementen moeten voldoen met het oog op het voorkomen van inbraak.

Voor geen enkele andere gebruiksfunctie dan de woonfunctie wijst de tabel van het tweede lid voorschriften aan. In het derde lid is bepaald dat de functionele eis voor de andere gebruiksfuncties niet geldt.

Artikel 2.215.

Met dit artikel wordt gewaarborgd dat nieuw te bouwen “woningen” worden voorzien van deugdelijk hang- en sluitwerk en van deugdelijke kozijnen waarop dat hang- en sluitwerk is aangebracht. Hoogwaardig hang- en sluitwerk werkt preventief ten aanzien van inbraken en levert een bijdrage aan de sociale veiligheid.

De eisen richten zich op deuren, ramen, kozijnen en vergelijkbare gevelelementen, die bereikbaar zijn voor inbrekers. In NEN 5087 is een methode opgenomen om de bereikbaarheid van (delen van) gevelelementen van woningen te bepalen. Een toegang van een woongebouw en van de in een woongebouw gelegen bergruimten behoeft niet inbraakveilig te zijn.

Tevens gelden de eisen voor dergelijke constructie-onderdelen in een scheidingswand tussen een woning en een ruimte van een aangrenzende gebruiksfunctie of aangrenzende gemeenschappelijke ruimte. Voorbeelden van zo’n aangrenzende gebruiksfunctie die met de woning in verbinding staat, zijn praktijk- of kantoorruimten en garages. Bij woongebouwen kan men denken aan aangrenzende gemeenschappelijke ruimten als een portiek, of een gemeenschappelijke zitgelegenheid.

Ramen, deuren en kozijnen van “woningen”, al dan niet gelegen in een woongebouw, die, bepaald op basis van NEN 5087, zijn gelegen in voor inbrekers bereikbare zones, moeten ten minste voldoen klasse 2 van de inbraakwerendheid bedoeld in NEN 5096. De bij deze klasse behorende prestatie-eisen zijn er op toegesneden dat een gelegenheidsinbreker met gebruikelijk gereedschap minimaal 3 minuten nodig heeft om in de woning in te breken. De prestatie-eisen hebben betrekking op:

a.het type glas;
b.het met sloten afsluiten van beweegbare constructie-onderdelen;
c.de weerstand tegen statische, dynamische en manuele beproevingen;
d.de corrosie bestendigheid van scharnieren, sloten en beslag, en
e.inbraakvertragende eigenschappen van sloten.

Deze weerstandsklasse 2 is vergelijkbaar met het kwaliteitsniveau zoals dit voortvloeit uit het Politiekeurmerk Veilig Wonen.

Afdeling 2.26.Tunnelveiligheid

§ 2.26.1.Nieuwbouw

Artikel 2.216.

De functionele eis in het eerste lid van artikel 2.216 luidt dat een te bouwen bouwwerk weggebruikers een adequaat veiligheidsniveau biedt.

In de in het tweede lid bedoelde tabel is voor de gebruiksfunctie bouwwerk geen gebouw zijnde, een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m, aangegeven dat aan de functionele eis van het eerste lid is voldaan door te voldoen aan artikel 2.217.

Onder een adequaat veiligheidsniveau wordt verstaan een veiligheidsniveau dat zowel voldoet aan de richtlijn tunnelveiligheid als aan het in Nederland reeds in de praktijk gebruikelijke veiligheidsniveau, voorzover dat uitgaat boven de richtlijn. Concreet betekent dit dat de voorschriften zowel gelden voor tunnels langer dan 250 m, als voor tunnels die geen deel uitmaken van het trans-Europese wegennet, en dat onder omstandigheden een hoger veiligheidsniveau dan in de richtlijn wordt voorgeschreven.

Artikel 2.217.

In artikel 2.217 is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere voorschriften met betrekking tot de veiligheid van wegtunnels kunnen worden gegeven. Op grond van dit artikel wordt de Regeling Bouwbesluit 2003 gewijzigd. In een nieuw hoofdstuk 5 van die regeling zijn veiligheidseisen voor wegtunnels opgenomen. Er zijn met name voorschriften gegeven omtrent:

  • sterkte bij brand;
  • overbrugging van hoogteverschillen;
  • trap;
  • elektriciteits- en noodstroomvoorziening;
  • verlichting;
  • beperking van uitbreiding van brand;
  • beperking van verspreiding van rook;
  • vluchten binnen een rookcompartiment en subbrandcompartiment;
  • vluchtroutes;
  • inrichting van rookvrije vluchtroutes;
  • voorkoming en beperking van ongevallen bij brand;
  • bestrijding van brand;
  • luchtverversing van overige ruimten;
  • meterruimte;
  • inrichtingseisen.

Voorts gelden de niet in de wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 aangestuurde voorschriften van de gebruiksfunctie bouwwerk geen gebouw zijnde uit het Bouwbesluit 2003.

§ 2.26.2Bestaande bouw

Artikel 2.218.

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.26.1 Nieuwbouw.

Omdat het redelijkerwijs niet mogelijk is, bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit met betrekking tot wegtunnels (Stb. 2006, 148), alle bestaande wegtunnels direct te laten voldoen, is hiervoor overeenkomstig de richtlijn ook een overgangsbepaling opgenomen. Bestaande wegtunnels behoeven pas op 1 mei 2014 aan de artikelen 2.218 en 2.219 van het Bouwbesluit 2003 en aan de wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 te voldoen. In de richtlijn is opgenomen dat Nederland voor 1 mei 2007 een verslag bij de Europese Commissie moet indienen waaruit blijkt welke maatregelen gepland zijn om alle bestaande wegtunnels op 1 mei 2014 aan deze voorschriften te laten voldoen. Op deze wijze kunnen de eventueel noodzakelijke wijzigingen aan bestaande tunnels goed worden voorbereid.

Artikel 2.219.

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.26.1 Nieuwbouw.

Omdat het redelijkerwijs niet mogelijk is, bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit met betrekking tot wegtunnels (Stb. 2006, 148), alle bestaande wegtunnels direct te laten voldoen, is hiervoor overeenkomstig de richtlijn ook een overgangsbepaling opgenomen. Bestaande wegtunnels behoeven pas op 1 mei 2014 aan de artikelen 2.218 en 2.219 van het Bouwbesluit 2003 en aan de wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 te voldoen. In de richtlijn is opgenomen dat Nederland voor 1 mei 2007 een verslag bij de Europese Commissie moet indienen waaruit blijkt welke maatregelen gepland zijn om alle bestaande wegtunnels op 1 mei 2014 aan deze voorschriften te laten voldoen. Op deze wijze kunnen de eventueel noodzakelijke wijzigingen aan bestaande tunnels goed worden voorbereid.

Hoofdstuk 3.Voorschriften uit het oogpunt van gezondheid

Afdeling 3.1.Bescherming tegen geluid van buiten, nieuwbouw

Artikel 3.1.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de bescherming tegen geluid van buiten.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. De opsplitsing van de gezondheidszorgfunctie en de onderwijsfunctie is afgestemd op de bij of krachtens de Wet geluidhinder en Luchtvaartwet gegeven voorschriften. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De voorschriften zijn beperkt tot de gebruiksfuncties wonen, kantoor, onderwijs en gezondheidszorg.

De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.2 bevat eisen betreffende de geluidwering van uit- en inwendige scheidingsconstructies van verblijfsgebieden en verblijfsruimten in bouwwerken die zijn gelegen in geluidszones, vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder rond onder meer wegen;
2.artikel 3.3 bevat eisen betreffende de geluidwering van uit- en inwendige scheidingsconstructies van verblijfsgebieden en verblijfsruimten in bouwwerken die zijn gelegen in geluidszones, vastgesteld op grond van de Luchtvaartwet rond binnenlandse luchtvaartterreinen;
3.artikel 3.4 geeft aan tot welk niveau burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen (verbouw) en
4.artikel 3.5 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften daarvoor gelden (tijdelijke bouw).

Voor de bijeenkomstfunctie, celfunctie, industriefunctie, logiesfunctie, sportfunctie, winkelfunctie, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Deze paragraaf bevat in aangepaste vorm de voorschriften van artikel 8 van het bij het Bouwbesluit, Stb. 1991, 680, ingetrokken Besluit geluidwering gebouwen en artikel 3 van het toentertijd ingetrokken Besluit geluidwering kantoorgebouwen (Stb. 1989, 158). Dit voorschrift geeft voorts uitvoering aan artikel 25 van de Luchtvaartwet in verbinding met artikel 5 van de Woningwet. Uit het TNO Bouw rapport 96 CBO R0320 blijkt dat, mits NEN 5077 op de RGV'97 wordt afgestemd, met het stellen van de eis aan de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied recht wordt gedaan aan hetgeen met de Luchtvaartwet is beoogd. Zie ook het algemeen deel van deze toelichting.

Bij Stb. 2006, 586 zijn de grenswaarden (weergegeven in tabel 3.1) behorende bij artikel 3.2, eerste lid, aangepast en is een nieuw zevende lid aan dit artikel toegevoegd. Deze aanpassing is een gevolg van een wijziging van de dosismaat op grond van de richtlijn omgevingslawaai (Pb EG L 189).

De wijziging en het onderscheid in dB(A) en dB in de tabel 3.1. bij industrielawaai resp. weg- of spoorweglawaai vindt zijn oorsprong in de wijziging van de Wet geluidhinder, in het bijzonder de invoering van de nieuwe dosismaat L den voor geluid van wegen en spoorwegen. Dit heeft enerzijds tot gevolg dat bij een zelfde hoeveelheid weg- of spoorlawaai de geluidbelasting uitgedrukt in L den [dB] 2 decibel lager is dan als deze is uitgedrukt in L Aeq [dB(A)] . Anderzijds heeft het tot gevolg een notatie van de geluidbelasting weg- of spoorweglawaai in dB en van industrielawaai in dB(A). Hoewel de eenheid van L den wordt uitgedrukt in dB, is deze zeker wel A-gewogen, maar Europese afspraken hebben geleid tot het weglaten van de ‘A’.

De Europese tendens is de toevoeging van de ‘A’ in dB(A) te laten vervallen en in de bepalingsmethode nadrukkelijk de soort weging tot uitdrukking te brengen. Dat dit nog een doorwerking moet krijgen naar product- en gebouwspecificaties is een gegeven, waarvan de (geluid)deskundigen evenwel geen punt maken; dB en dB(A) worden door elkaar gebruikt. Zo is de figuur in art. 3.2 dat de belasting van weg- of spoorweglawaai is gegeven in dB, de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie in dB(A) en het binnenniveau in dB.

In het derde lid van art. 3.2 is dit onderscheid in extremis aangegeven; in lid 1 nog niet volledig. In het derde lid van art. 3.2 heeft de doorwerking naar L den onvolledig plaatsgevonden. In het geval van weg- of spoorweglawaai zal er 38 moeten staan i.p.v. 40. Mogelijk heeft dit zijn oorzaak erin dat kantoorfuncties geen geluidgevoelige gebouwen zijn in de zin van de Wet geluidhinder en dit aspect in onderhavige wijziging van de Wet geluidhinder onvoldoende aandacht heeft gekregen. Herstel is gewenst.

Voor een uitgebreide toelichting op de nieuwe dosismaat en de verschillen met de oude dosismaat wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot implementatie van de richtlijn omgevingslawaai (Kamerstukken II 2002/03, 29 021, nr. 3, paragraaf 2.9).

CITAAT

2.9 Geluidsbelasting; de dosismaat

Inleiding De richtlijn omgevingslawaai introduceert een Europees geharmoniseerde definitie van «geluidsbelasting». De richtlijn stelt het gebruik van deze nieuwe dosismaat verplicht voor de geluidsbelastingkaarten en de actieplannen. Voor andere onderwerpen is het gebruik ervan ter keuze van de lidstaten. Dienovereenkomstig wordt de nieuwe dosismaat in dit wetsvoorstel alleen van toepassing verklaard voor het nieuwe hoofdstuk IX van de Wet geluidhinder. De nieuwe dosismaat is omschreven in het voorgestelde artikel 115.

De Europees geharmoniseerde definitie van de richtlijn omgevingslawaai wijkt op onderdelen af van de huidige definitie uit de Wet geluidhinder. Hierna worden deze verandering en de implicaties ervan beschreven. Eerst wordt op een aantal algemene aspecten ingegaan. Voor de goede orde wordt hier reeds opgemerkt dat de introductie van een nieuwe dosismaat als zodanig geen gevolgen heeft voor het geldende normenstelsel. Daarop wordt in deze paragraaf nog teruggekomen.

De Europees geharmoniseerde definitie van de richtlijn omgevingslawaai wijkt ook af van specifieke definities zoals die voor luchtvaartgeluid. Die specifieke definities blijven in deze paragraaf grotendeels buiten beschouwing. Alleen in het kader van de passages over het berekenen en meten van de geluidsbelasting wordt er in deze paragraaf aandacht aan besteed.

Begrippen Het begrip «geluidsbelasting» staat voor de hoeveelheid geluid die op een bepaalde plaats heerst, bepaald over een aangegeven periode (bijvoorbeeld alle dagperioden van een jaar). De geluidsbelasting wordt bepaald met behulp van een «recept», dat veelal de wiskundige vorm van een formule heeft. Dat recept c.q. die formule wordt doorgaans aangeduid als de «definitie» van geluidsbelasting. Met behulp van de gekozen definitie kan de geluidssituatie zoals die op een bepaalde plaats in een bepaalde periode optreedt, in één getal worden samengevat. In het verlengde daarvan heeft het begrip «geluidsbelasting», afhankelijk van de context, hetzij betrekking op de definitie, hetzij op de uitkomst van de toepassing van die definitie.

De richtlijn omgevingslawaai gebruikt het begrip «geluidsbelastingindicator ». In essentie wordt daarmee hetzelfde bedoeld als met de «definitie » van geluidsbelasting. Ook het in de praktijk gebruikte begrip «dosismaat » heeft dezelfde betekenis. In deze memorie van toelichting wordt in principe de term «dosismaat» gebruikt, maar in deze paragraaf komen ook de andere termen voor.

De dosismaat kan verschillend worden gekozen. Zo is er verschil tussen de dosismaat uit de richtlijn omgevingslawaai en die uit de huidige Wet geluidhinder (zie hierna). Ter onderscheiding wordt de dosismaat uit de richtlijn omgevingslawaai in deze memorie van toelichting aangeduid als de nieuwe dosismaat en de huidige definitie uit de Wet geluidhinder als de oude dosismaat. De nieuwe dosismaat wordt weergegeven met de symbolen L den en L night en de oude dosismaat met het symbool L wgh, waarbij «Wgh» staat voor Wet geluidhinder. In het wetsvoorstel worden de term «geluidsbelasting L den» en «geluidsbelasting L night» gebruikt. Dat is dus de geluidsbelasting bepaald volgens de nieuwe dosismaat.

Naast de geluidsbelasting L den, die is opgebouwd uit een dag-, avond- en nachtwaarde, heeft de nachtwaarde in de richtlijn omgevingslawaai ook een zelfstandige functie. Daarom wordt in de richtlijn omgevingslawaai en in dit wetsvoorstel naast elkaar gesproken over «geluidsbelasting L den» en «geluidsbelasting L night». De dagwaarde en de avondwaarde worden in de richtlijn omgevingslawaai aangeduid met de symbolen L day en L evening.

In de memorie van toelichting worden ook de termen «geluidsniveau» en «geluidssituatie» gebruikt. «Geluidsniveau» is geen synoniem voor «geluidsbelasting». Het geluidsniveau is de hoeveelheid geluid die op een bepaald moment ergens heerst. De geluidsbelasting is het gemiddelde geluidsniveau over een bepaald tijdsinterval. De term «geluidssituatie» is een algemene aanduiding die niet meer inhoudt dan zij taalkundig wil zeggen. Het is dus niet een in de wet of de akoestiek gespecificeerd begrip.

De toepasselijke eenheid In de natuurwetenschappen wordt gesproken van grootheid, getalswaarde en eenheid. Bijvoorbeeld: de lengte (grootheid) van deze weg is 3 (getalswaarde) kilometer (eenheid). In de akoestiek is dat evenzo. Als eenheid wordt de decibel gebruikt. De geluidsbelasting (grootheid) is bijvoorbeeld op een bepaalde plaats 65 (getalswaarde) decibel (eenheid). Overigens is de decibel geen natuurkundige eenheid zoals de meter of de seconde. De aanduiding «decibel» geeft aan dat het getal ervoor de met 10 vermenigvuldigde logaritme van een verhoudingsgetal is.

Zowel in de oude als in de nieuwe dosismaat wordt een weging toegepast van de frequentie van het geluid die overeenkomt met het menselijk gehoor, de zogenaamde A-weging. Een gebruikelijke afkorting van de eenheid decibel is dB(A), waarbij de A verwijst naar de toegepaste A-weging. De richtlijn omgevingslawaai gebruikt daarentegen de afkorting dB. Het weglaten van de verwijzing naar de A-weging wil echter niet zeggen dat deze niet wordt toegepast. Het betreft slechts een verschil in schrijfwijze. Nederland zal voor de toepassing van de nieuwe dosismaat de Europese schrijfwijze (dB) volgen. Voor de oude dosismaat blijft de schrijfwijze dB(A) gehandhaafd.

De mogelijkheid van verschillende dosismaten Er zijn verschillende dosismaten mogelijk. Een dosismaat wordt namelijk opgebouwd uit elementen die verschillend kunnen worden gekozen. Het betreft bijvoorbeeld de keuze van de dag-, avond- en nachtperiode, van de procedure om dag-, avond- en nachtwaarden te middelen en van factoren om de frequentie (de toonhoogte) van het geluid te wegen. Afhankelijk van de definitie zal de gevonden waarde van de geluidsbelasting (de uitkomst) – bij overigens dezelfde geluidssituatie – verschillen. Met andere woorden: de definitie en de uitkomst zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: bij een bepaalde definitie heeft de geluidsbelasting een bepaalde waarde. Welke dosismaat wordt gekozen, hangt mede af van de functie die de dosismaat dient te vervullen. Over die functie kan het volgende worden opgemerkt.

«Geluidsbelasting» is een neutrale term in die zin dat de geluidsbelasting onafhankelijk van de menselijke beleving op een exacte natuurkundige manier kan worden bepaald. In het geluidbeleid en in de geluidregelgeving is de definitie van geluidsbelasting echter op de menselijke maat gesneden, omdat het beleid en de regelgeving zijn gericht op het bestrijden van hinder en andere (gezondheids)effecten bij de mens.

De te hanteren dosismaat moet daarom een goede «voorspeller» zijn van de bij die situatie optredende negatieve effecten. Dat wil zeggen dat de getalswaarde van de geluidsbelasting een goede indicator moet zijn voor de bijbehorende hinder (en andere effecten zoals slaapverstoring, toename van de kans op hart- en vaatziekten, en concentratieproblemen).

Zowel de oude als de nieuwe dosismaat zijn een goede indicator voor genoemde effecten. Als een andere definitie van de geluidsbelasting was gekozen, bijvoorbeeld zonder A-weging, dan zou een veel minder goede relatie zijn gevonden.

De relatie tussen de geluidsbelasting en de gezondheidseffecten is zichtbaar in de zogenaamde dosis-effectrelaties die door middel van veldonderzoek worden bepaald. Er blijkt een min of meer eenduidige relatie te zijn tussen de waarde van de geluidsbelasting en de daarbij optredende (gezondheids)effecten. Daarbij treden overigens wel verschillen per bronsoort op. De dosis-effectrelatie is een grafiek waarin kan worden afgelezen hoeveel gezondheidsschade bij een gegeven waarde van de geluidsbelasting optreedt.

De dosismaat van de richtlijn omgevingslawaai L den De richtlijn omgevingslawaai schrijft het opstellen van geluidsbelastingkaarten en actieplannen voor. Een belangrijk element in die kaarten en plannen is de wijze waarop de geluidsbelasting wordt bepaald, dus de geluidsbelastingsindicator. Deze indicator is nu in alle lidstaten verschillend gedefinieerd, hetgeen de onderlinge vergelijking praktisch onmogelijk maakt. Om die onderlinge vergelijkbaarheid mogelijk te maken, is de geluidsbelastingsindicator in de richtlijn omgevingslawaai geharmoniseerd door de invoering van een uniforme indicator, de «nieuwe dosismaat ». De desbetreffende definitie is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn. Zij luidt als volgt:

Afbeelding

waarin:

  • L day het A-gewogen gemiddelde geluidsniveau over lange termijn is, als gedefinieerd in ISO 1996–2:1987, vastgesteld over alle dagperioden van een jaar;
  • L evening het A-gewogen gemiddelde geluidsniveau over lange termijn is, als gedefinieerd in ISO 1996–2:1987, vastgesteld over alle avondperioden van een jaar;
  • L night het A-gewogen gemiddelde geluidsniveau over lange termijn is, als gedefinieerd in ISO 1996–2:1987, vastgesteld over alle nachtperioden van een jaar,

en waarbij de dag 12 uren telt, de avond 4 uren en de nacht 8 uren. Als standaardwaarden daarvoor geeft de richtlijn 07:00 – 19:00 uur (dag), 19:00 – 23: 00 uur (avond) en 23:00 – 07:00 uur (nacht). (Deze standaardwaarden worden door Nederland gevolgd).

L night Voor de meeste negatieve gezondheidseffecten die door langdurige blootstelling aan lawaai worden veroorzaakt, is L den een goede indicator. L night is daar een van de «bouwblokjes» van.

L den is echter niet voor alle effecten een goede indicator. Ontwaakreacties en andere slaapverstoringen zijn uiteraard gekoppeld aan de nachtelijke geluidssituatie. Hiervoor is L den niet, maar L night wel een goede geluidsbelastingindicator. Daarom kent de richtlijn omgevingslawaai L night ook als zelfstandige dosismaat voor slaapverstoringen. Zo schrijft de richtlijn naast de L den ook kartering in L night voor. De kaarten moeten niet alleen alle woningen bevatten die een geluidsbelasting L den ondervinden van 55 dB of meer, maar ook aangeven welke woningen een geluidsbelasting L night van 50 dB of meer ondervinden.

Hierbij moet worden bedacht dat L night steeds ten minste 5 dB lager ligt dan L den. De groep woningen met een geluidsbelasting L night van 50 dB of meer maakt dus altijd deel uit van de groep woningen met een geluidsbelasting L den van 55 dB of meer. Door het L night-criterium komen er dus geen extra woningen op de kaart; er moet voor de betreffende woningen wel een extra rekenslag worden uitgevoerd.

Overeenkomsten en verschillen tussen de oude en de nieuwe dosismaat Omdat geluid veroorzaakt door bronnen als wegverkeer, industrie, spoorwegverkeer en luchtvaart voortdurend fluctueert qua geluidsterkte, is het samenvatten ervan in één getal niet eenvoudig. In de wetenschap bestaat al enkele decennia consensus over de volgende elementen daarbij:

  • Voor wat betreft de frequentie (de toonhoogte) van het geluid wordt een weging toegepast die overeenkomt met het menselijk gehoor (de zogenaamde A-weging).
  • Er wordt uitgegaan van de periode van één jaar als meest geschikte middelingsduur.
  • Er wordt niet lineair gemiddeld, maar gebruik gemaakt van een tijdsduurgewogen of «equivalente» middeling per dag-, avond- of nachtperiode, die rekening houdt met het verschil in tijdsduur van deze perioden.

De meeste landen die geluidbeleid hebben geformuleerd gaan in hun beleid uit van definities waarin deze elementen zijn verwerkt. Dit geldt ook voor zowel de oude dosismaat als de nieuwe dosismaat.

In veel opzichten zijn de oude en de nieuwe dosismaat daardoor gelijk. Zo bevatten beide definities als basis dezelfde internationaal gestandaardiseerde methode om een tijdsgemiddelde te bepalen over een aan te geven periode. Deze methode bevat zowel de A-weging als de equivalente middeling. De uitkomst van deze middeling wordt genoemd het A-gewogen equivalente geluidsniveau (gestandaardiseerd symbool: L Aeq).

Voorts wordt in de beide definities hetzelfde onderscheid gemaakt in dagdelen. In de eerste plaats hanteren zij dezelfde drie etmaalperiodes: de dag-, de avond- en de nachtperiode. In de tweede plaats is de duur van die etmaalperiodes identiek, te weten: dag 07:00–19:00 uur, avond 19:00–23:00 uur en nacht 23:00–07:00 uur. De dagwaarde (L day in de richtlijn) is het A-gewogen equivalente geluidsniveau in decibels vastgesteld over alle dagperioden van een jaar. De avond- en nachtwaarde (L evening en L night in de richtlijn) komen – mutatis mutandis – op dezelfde wijze tot stand. Omdat vaststaat dat de mens ’s avonds en ’s nachts gevoeliger is voor geluid dan overdag, geldt voor deze perioden een straftoeslag. Ook deze straftoeslagen zijn in de oude en de nieuwe dosismaat gelijk: +5 decibel voor de avondperiode en +10 decibel voor de nachtperiode.

Er is evenwel ook verschil tussen de oude en de nieuwe dosismaat. In hoofdlijnen geformuleerd is het verschil gelegen in de wijze waarop de dag-, avond- en nachtwaarden worden samengevoegd tot één getal, de (etmaalwaarde van de) geluidsbelasting. De (etmaalwaarde van de) geluidsbelasting volgens de Wet geluidhinder is de maximalewaarde van de drie etmaalperioden (Zie de definitie van «etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau in dB(A) met betrekking tot een industrieterrein» in artikel 1 van de Wet geluidhinder: «de hoogste van de volgende drie waarden»). De geluidsbelasting volgens de Europese richtlijn volgt uit een middeling van de drie etmaalperioden (het voor de duur van de etmaalperiode gewogen energetisch gemiddelde).

Op een bepaalde plaats ten opzichte van een geluidsbron kan men de geluidsbelasting volgens beide dosismaten vaststellen. Omdat de L den-waarde een middeling is en de L wgh-waarde een maximale waarde, is de L den-waarde altijd kleiner dan (of hooguit gelijk aan) de L wgh-waarde. Alleen als de dag-, avond- en nachtwaarden exact gelijk zijn, zijn de L den-waarde en de L wgh-waarde gelijk. Een voorbeeld van een verschil tussen beide waarden: op een afstand van 100 meter van een autosnelweg is de geluidsbelasting volgens de Wet geluidhinder 70 dB(A) L wgh, opgebouwd uit een dagwaarde van 67 dB(A), een avondwaarde van 64 dB(A) en een nachtwaarde van 60 dB(A). In de nieuwe dosismaat uitgedrukt heerst op die plaats een geluidsbelasting van 69 dB L den. In dit voorbeeld leidt de nieuwe dosismaat dus tot een 1 dB lagere getalswaarde voor overigens dezelfde geluidssituatie. In bijzondere gevallen kan dit verschil bij autosnelwegen oplopen tot 3 dB. Voor spoorweglawaai geeft de nieuwe dosismaat getalswaarden die in de meeste gevallen 1 à 3 dB lager liggen dan de getalswaarden die voor dezelfde situatie in de oude dosismaat gelden.

Gevolgen van de nieuwe dosismaat voor de normering Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de introductie van de nieuwe dosismaat als zodanig geen gevolgen heeft voor het geldende normenstelsel. De dosismaat bepaalt welke geluidsbelasting op een bepaalde plaats en bepaald over een aangegeven periode heerst. De normen geven aan welke geluidsbelasting ter plaatse wordt nagestreefd of (maximaal) is toegelaten.

Als ook de normen in die nieuwe dosismaat worden uitgedrukt, kan de omzetting van de normen in de nieuwe dosismaat in principe normneutraal geschieden. Daarbij kan het wel noodzakelijk zijn om de getalswaarde van de normen aan te passen. Zoals aangegeven, kan de getalswaarde van de geluidsbelasting immers bij een overigens gelijke geluidssituatie verschillen, afhankelijk van de gekozen dosismaat. In dit wetsvoorstel wordt de nieuwe dosismaat echter niet ingevoerd voor de normering (zie hierna).

Opgemerkt wordt dat de lidstaten de Europese Commissie in de nieuwe dosismaat moeten inlichten over hun nationale normen. Voor dat doel zullen de normen uit de overige hoofdstukken van de Wet geluidhinder dus wel moeten worden omgezet in de nieuwe dosismaat. Omdat de gegevensverstrekking aan de Europese Commissie geschiedt uit hoofde van de richtlijn omgevingslawaai zelf (dus zonder daartoe strekkende verplichting in de Nederlandse regelgeving) behoeft deze omzetting geen regeling bij de wet.

Het bepalen van de geluidsbelasting overeenkomstig de nieuwe dosismaat Voor wegverkeer is een belangrijk gevolg van de nieuwe dosismaat dat de avondperiode nu expliciet moet worden meegenomen. In de Wet geluidhinder wordt er van uitgegaan dat de verkeersintensiteiten in de avonduren midden tussen de dag- en de nachtwaarden in liggen. Zij zijn daarom praktisch nooit maatgevend in de definitie die de Wet geluidhinder geeft van de geluidsbelasting. Pragmatisch is de avondperiode daarom weggelaten in de definitie van de geluidsbelasting vanwege wegverkeer. In de Europese definitie kan dat niet langer het geval zijn. De richtlijn omgevingslawaai geeft een uniforme definitie voor alle geluidssoorten, hetgeen impliciet leidt tot de introductie van een avondwaarde voor wegverkeerslawaai. De praktische betekenis daarvan is dat ten behoeve van de opstelling van de geluidsbelastingkaarten naast de verkeersintensiteiten per gemiddeld dag- en nachtuur ook het avonduurgemiddelde moet worden aangeleverd.

Voor lawaai van spoorwegen en inrichtingen speelt de avondwaarde ook in de huidige Wet geluidhinder al een rol, omdat voor die bronnen de avondwaarde beïnvloedbaar is en bepalend kan zijn voor de etmaalwaarde. Voor deze bronnen brengt de richtlijn omgevingslawaai op dit punt dus geen verandering mee.

Reken- en meetmethoden De waarde van de «bouwblokjes» van de dosismaat (de dag-, avond- en nachtwaarde) wordt bepaald door middel van een reken- of meetmethode, in de richtlijn omgevingslawaai tezamen ook aangeduid als «bepalingsmethoden».

Het gebruik van gemeenschappelijke reken- en meetmethoden is in de richtlijn omgevingslawaai vooralsnog niet verplicht gesteld. De lidstaten mogen hun eigen methoden blijven toepassen, mits zij worden aangepast aan de nieuwe dosismaat. Nederland zal van deze mogelijkheid gebruik maken.

Wat de Wet geluidhinder betreft, zijn de Nederlandse reken- en meetmethoden vastgesteld bij ministeriële regelingen op grond van de artikelen 73, 102 en 105 van de Wet geluidhinder. De betrokken regelingen bestaan uit een aantal bepalingen in de regeling zelf alsmede uit technische bijlagen. De bepalingen in de regelingen zelf zullen in geringe mate worden aangepast. Aanpassing van de inhoud van de technische bijlagen ligt niet in het voornemen. Wel zullen mogelijk aanvullingen hierop plaatsvinden in verband met standaard karteringsmethoden (SKM I en SKM II ), zijnde voorgeschreven manieren om de geluidsberekeningen met het oog op kartering uit te voeren. Voor zover de genoemde artikelen van de Wet geluidhinder geen basis bieden voor de desbetreffende aanpassingen, kan gebruik worden gemaakt van het voorgestelde artikel 119 van de Wet geluidhinder.

Een vergaande aanpassing van de reken- en meetvoorschriften is niet nodig omdat deze voorschriften zijn gericht op het bepalen van dag-, avond- en nachtwaarden in L Aeq, iets waar zowel de oude als de nieuwe dosismaat vanuit gaat. Aan het meten of berekenen van de dag-, avond- of nachtwaarde op zich verandert dus niets. Wel verandert de manier waarop de meet- en/of berekeningsresultaten van de verschillende perioden bij elkaar worden gevoegd, maar daarop hebben de reken- en meetvoorschriften geen betrekking. Deze samenvoeging ligt namelijk vast in de definitie van «geluidsbelasting» zelf.

Naar verwachting kan daarom vrijwel worden volstaan met het opnemen van een bepaling in de betrokken regelingen dat de huidige rekenen meetvoorschriften mede van toepassing zijn op het bepalen van de geluidsbelasting L den. Daarnaast zijn enkele andere bepalingen nodig.

Op een enkel onderdeel geeft de richtlijn omgevingslawaai namelijk bindende voorschriften inzake het meten of berekenen. Met name betreft het de waarneemhoogte van de geluidsbelastingkaarten. Deze is in de richtlijn gesteld op 4 meter. Dit voorschrift zal in de betrokken regelingen worden vastgelegd. Afgezien van dit andere invoergegeven blijft de computermatige berekening overigens gelijk.

Daarnaast zijn voorschriften nodig voor het omrekenen van de oude dosismaat in de nieuwe dosismaat. De richtlijn verlangt dat de geluidsbelasting op de geluidsbelas-tingkaarten wordt uitgedrukt in de geharmoniseerde Europese dosismaat Lden (of Lnight).

Het «zuiver» omrekenen van de huidige specifieke dosismaat voor industrielawaai (en luchtvaartlawaai; zie hierna) naar L den is om uiteenlopende redenen onevenredig bewerkelijk. Daarom zal ten behoeve van de kartering van deze geluidssoort een vereenvoudigde conversiemethode worden uitgewerkt, welke eveneens in de reken- en meetvoorschriften zal worden vastgelegd. Daarbij kan worden gedacht aan een vaste aftrek van bijvoorbeeld 3 dB ten opzichte van de waarde van de geluidsbelasting vanwege industrielawaai, zoals die is berekend in de huidige dosismaat. Voor de gemeenten betekent deze vereenvoudigde conversie dat zij voor het opstellen van de geluidsbelastingkaart niet zelf behoeven over te gaan tot een «zuivere omrekening» van de waarden die thans worden gebruikt voor industrielawaai. Zij kunnen volstaan met het toepassen van een eenvoudige formule.

De uitkomsten van de vereenvoudigde conversie (die bijvoorbeeld zichtbaar kunnen worden in de vorm van contouren op de kaart) hebben alleen maar betekenis als onderdeel van het kaartbeeld. Met andere woorden: de geluidsbelasting in L den bepaald met de vereenvoudigde conversiemethode is slechts relevant voor de bepalingen in hoofdstuk IX van de Wet geluidhinder. Voor de andere bepalingen van de Wet geluidhinder en andere toepasselijke regelgeving blijven de huidige dosismaten uit hoofde van dit wetsvoorstel maatgevend. Zo blijven de normen en de vergunningvoorschriften uitgedrukt in de huidige dosismaten. Ook voor de handhaving blijft dat het geval.

De reken- en meetvoorschriften voor luchtvaartlawaai zijn gebaseerd op de luchtvaartwetgeving. Ook hierin zijn geringe aanpassingen nodig, onder meer inzake het omrekenen van de huidige dosismaat voor luchtvaartlawaai (de Kosteneenheid) in L den. Ook voor luchtvaartlawaai zal een vereenvoudigde conversiemethode worden ontwikkeld. Voor rekenen meetvoorschriften inzake luchtvaartlawaai kan zo nodig gebruik worden gemaakt van het tweede lid van voorgestelde artikel 119 van de Wet geluidhinder.

Opgemerkt wordt nog dat op termijn mogelijk uniforme reken- en meetvoorschriften op Europees niveau zullen worden vastgesteld. In dat geval zullen die door Nederland moeten worden overgenomen.

Verdergaande invoering van de nieuwe dosismaat Als gezegd, wordt de nieuwe dosismaat nu alleen ingevoerd voor de geluidsbelastingkaarten en de actieplannen. Voor de bestaande hoofdstukken van de Wet geluidhinder blijft de oude dosismaat van toepassing. Dit is echter niet bedoeld als permanente situatie. De bedoeling is namelijk dat de nieuwe dosismaat bij een afzonderlijk wetsvoorstel ook wordt ingevoerd voor normstelling en andere niet door Europa voorgeschreven bepalingen. Daarmee wordt voorkomen dat de uitvoerenden van het geluidbeleid blijvend moeten werken met twee maten naast elkaar. Overigens blijft het gebruik van andere dosismaten voor specifieke gevallen mogelijk.

De nieuwe dosismaat wordt niet nu over de gehele linie ingevoerd, omdat dit wetsvoorstel zich tot de implementatie van de richtlijn dient te beperken. Bovendien wordt verwacht dat de omzetting van het huidige normstelsel in de nieuwe dosismaat de nodige discussie zal opleveren, welke discussie niet kan worden ingepast binnen de implementatietermijn van 24 maanden. Omdat er nog enige tijd ligt tussen het totstandkomen van de onderhavige wet en de feitelijke werkzaamheden met de nieuwe dosismaat (de eerste geluidsbelastingkaarten moeten uiterlijk 2007 gereed zijn), is een ontkoppeling van beide wetstrajecten praktisch niet bezwaarlijk. De verwachting is dat de volledige invoering van de nieuwe dosismaat een feit kan zijn voordat de feitelijke toepassing van deze dosismaat een aanvang neemt. Er wordt naar gestreefd de volledige invoering van de nieuwe dosismaat binnen vier jaar af te ronden.

De invoering van de nieuwe dosismaat voor weg- en spoorwegverkeerslawaai heeft geen inhoudelijke gevolgen voor de toepassing van NEN 5077. De in die norm vastgelegde definities en bepalingsmethode blijven ongewijzigd van toepassing, terwijl de waarde van de geluidwering aangeduid blijft in dB(A). In tabel 3.1 is bij de grenswaarden een extra kolom toegevoegd om onderscheid te kunnen maken tussen de grenswaarden die behoren bij industrielawaai respectievelijk weg- of spoorwegverkeerslawaai. De betreffende grenswaarden worden gerelateerd aan het hogere waardenbesluit. In deze tabel is het onderlinge verschil van 2 decibel tussen dB(A) en dB tot uitdrukking gebracht. Ook is in deze tabel de aansturing van de eis in het nieuwe zevende lid geregeld.

Artikel 3.2.

Het doel van dit artikel is de geluidhinder te beperken in verblijfsgebieden en verblijfsruimten van bouwwerken. Het gaat om in de Wet geluidhinder als geluidsgevoelig aangemerkte bouwwerken (bijvoorbeeld voor wonen, gezondheidszorg en onderwijs) alsmede kantoren.

De eisen betreffen de ‘karakteristieke’ geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie. Dit met het oog op de vrije indeelbaarheid van bouwwerken. Onder karakteristieke geluidwering wordt verstaan de grootheid die het verschil weergeeft tussen geluidsniveaus aan weerszijden van die gevel waarbij de geluidwering is teruggerekend naar een standaard diepte achter de scheidingsconstructie. Enerzijds is dit het niveau van het invallende geluid aan de buitenzijde van de scheidingsconstructie en anderzijds het geluidsniveau in het verblijfsgebied erachter.

Voor het laatstgenoemde geluidsniveau geeft het eerste lid via de tabel grenswaarden. Bij het bepalen daarvan is uitgegaan van de hoogste geluidsniveaus die de Wet geluidhinder toestaat in geluidsgevoelige ruimten. Dit is mogelijk, omdat verblijfsgebieden en verblijfsruimten, waarop de onderhavige eisen betrekking hebben, kunnen worden aangemerkt als geluidsgevoelige ruimten.

Een theorielokaal van een onderwijsgebouw is ingevolge de Wet geluidhinder aangemerkt als een ruimte waarin geluidsgevoelige activiteiten plaatsvinden. Daarom geldt er voor een uitwendige scheidingsconstructie van een geluidsgevoelig verblijfsgebied, waarin een of meer theorielokalen liggen, een hogere geluidsisolatie-eis dan voor bijvoorbeeld een verblijfsgebied dat uitsluitend is bestemd voor een of meer vaklokalen.

De grenswaarde van 30 dB(A) geldt bij een gezondheidszorgfunctie voor:

  • onderzoeks- en behandelingsruimten van ziekenhuizen en verpleeghuizen in algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen;
  • onderzoeks-, behandelings-, recreatie- en conversatieruimten, alsmede woon- en slaapruimten van gebouwen in andere gezondheidszorggebouwen;

De grenswaarde van 35 dB(A) geldt bij een gezondheidszorgfunctie voor ruimten voor patiëntenhuisvesting, alsmede recreatie- en conversatieruimten van ziekenhuizen en verpleeghuizen in algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen. De grenswaarde van 30 dB(A) geldt bij een onderwijsfunctie voor:

  • leslokalen van basisscholen;
  • theorielokalen van scholen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs, en
  • theorielokalen van instellingen voor hoger beroepsonderwijs.

De grenswaarde van 35 dB(A) bij een onderwijsfunctie geldt voor:

  • theorievaklokalen van scholen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs, en
  • theorievaklokalen van instellingen voor hoger beroepsonderwijs.

Aangezien de uitwendige scheidingsconstructie van een gebouw in de regel al een geluidwering van 20 dB(A) heeft, zonder dat extra maatregelen behoeven te worden genomen, is de in dit lid vervatte eis vooral van belang bij het bouwen van geluidsgevoelige gebouwen waarvan de geluidsbelasting meer is dan 50-55 dB(A). Dit doet zich voor in krachtens de Wet geluidhinder vastgestelde zones rond onder meer wegen, spoorwegen, industrieterreinen en buitenlandse luchtvaartterreinen. Deze laatste zijn geen onderwerp van regeling van artikel 3.2.

De geluidwering die het tweede lid vereist voor de buitenwanden van een woonwagen - ten minste 20 dB(A) is de maximaal haalbare. Dit betekent dat in zwaarder met geluid belaste gebieden de binnenwaarde in een woonwagen hoger kan zijn dan 35 dB(A), de waarde die in beginsel voor woonfuncties geldt. Voor een woonwagen moet de bescherming tegen geluidhinder daarom primair worden gezocht in de locatiekeuze van de standplaats. De normstelling voor deze locatiekeuze is geregeld in besluiten die berusten op de Wet geluidhinder, namelijk het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zone langs wegen, het Besluit geluidhinder spoorwegen en het Saneringsbesluit geluidhinder wegverkeer.

Het derde lid geeft een grenswaarde voor het geluidsniveau in de kantoorruimte die achter de uitwendige scheidingsconstructie ligt. Scheidingsconstructies van bouwwerken hebben in de regel al een geluidwering van 20 dB(A), zonder dat er extra maatregelen hoeven te worden genomen. Wanneer men deze waarde optelt bij toegelaten geluidsniveau van 40 dB(A) voor kantoorruimten, komt men op een grenswaarde van 60 dB(A)voor de geluidsbelasting van de gevel. De eisen van dit lid zijn dan ook van belang voor het bouwen van kantoren waarvan de geluidsbelasting meer is dan 60 dB(A)

Het vierde lid geeft aan dat, indien krachtens de Wet geluidhinder in het verblijfsgebied van een bouwwerk een hoger geluidsniveau is toegestaan, de karakteristieke geluidwering van de buitengevel niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de geluidbelasting van die gevel en het krachtens de Wet geluidhinder toegestane hogere geluidsniveau. Voor een kantoorfunctie zal daarbij de bepalingsmethode van het derde lid moeten worden toegepast.

Het vijfde lid heeft betrekking op de inwendige scheidingsconstructie tussen een verblijfsgebied en een besloten ruimte die aan de buitenlucht grenst, zoals bijvoorbeeld een serre of besloten galerij. Zo’n binnenwand moet dezelfde mate van geluidwering hebben als de gevel van een vergelijkbaar verblijfsgebied dat direct grenst aan de buitenlucht. Hierbij mag het positieve effect van die serre of besloten galerij worden meegerekend. Een en ander vloeit voort uit de omschrijving in het eerste hoofdstuk van het begrip ‘inwendige scheidingsconstructie’.

Het komt vaak voor dat een bouwaanvraag een niet-ingedeeld verblijfsgebied omvat. Na de voltooiing van het gebouw wordt dit gewoonlijk pas ingedeeld in onder meer afzonderlijke verblijfsruimten. Voor deze situatie waarborgt het zesde lid dat er in elke afzonderlijke verblijfsruimte een aanvaardbaar geluidsniveau optreedt.

Bij Stb. 2006, 586 is dit artikel aangepast. Met deze wijzigingen zijn enkele begrippen die in de uitvoeringspraktijk aanleiding geven tot misverstanden verduidelijkt. Het betreft met name de zinsnede “de volgens de Wet geluidhinder bepaalde geluidsbelasting”. In aansluiting met de systematiek van de Wet geluidhinder is hier bedoeld de volgens de Wet geluidhinder geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, een waarde die bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is afgesproken. Deze geluidsbelastingwaarde is vastgelegd in het hogere waardenbesluit dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan. Het gaat dan om de maximaal toelaatbare geluidsbelasting op de gevel van het bouwwerk waarin de betreffende gebruiksfunctie ligt. Tevens is de term “geluidniveau” vervangen door “geluidsbelasting”. Daarmee sluiten deze voorschriften van het Bouwbesluit 2003 beter aan bij de begripsbepalingen van de Wet geluidhinder.

Niet alleen situaties waarvoor de Wet geluidhinder grenswaarden stelt dienen te voldoen aan de eisen die dit besluit aan de geluidwering van de gevel stelt. Zo valt de beoordeling van woningbouw langs 30 km per uur wegen niet onder de Wet geluidhinder. Woningen die langs die wegen gebouwd worden dienen echter wel aan de in dit besluit opgenomen eisen voor woningen te voldoen.

Een andere situatie doet zich voor bij kantoorgebouwen. Bij kantoorgebouwen gaat het uitsluitend om de “geluidsbelasting bepaald volgens de Wet geluidhinder”. Alhoewel kantoorgebouwen niet zijn aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in de Wet geluidhinder, moet voor dit soort gebouwen wel van de in die wet opgenomen bepalingsmethode gebruik worden gemaakt. In het nieuwe zevende lid zijn deze situaties geregeld. In geval geluidsgevoelige gebruiksfuncties nabij industrieterreinen of (spoor)wegen gebouwd gaan worden en er geen hogere waardenbesluit is, omdat het bestemmingsplan ontbreekt of nog niet is geactualiseerd, of daar wettelijk geen verplichting toe bestond, dan moeten die bouwwerken toch afdoende geluidisolatie hebben. In die situaties is voor de bepaling van de karakteristieke geluidwering de “geluidbelasting zoals bepaald volgens de Wet geluidhinder” van toepassing. Dat wil zeggen dat de geluidsbelasting overeenkomstig de begripsbepaling en het reken- en meetvoorschrift van de Wet geluidhinder moet worden bepaald. Er is geen sprake van een inhoudelijke wijziging van de eisen.

Artikel 3.3.

Het doel van dit artikel is de geluidhinder te beperken in verblijfsgebieden en verblijfsruimten van geluidsgevoelige gebruiksfuncties die liggen in zones rond binnenlandse luchtvaartterreinen welke op grond van de Luchtvaartwet zijn vastgesteld.

Met de wijziging die is gepubliceerd in Stb. 2006, 257 is de tekst aangepast aan de wijziging van de Wet luchtvaart (Stb. 2002, 374). Kern van die wijziging is dat de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol onder de Wet luchtvaart valt en niet onder de Luchtvaartwet. Voor de omgeving van Schiphol zijn kaarten ontwikkeld met een zonering door middel van geluidscontouren.

Deze moeten in acht worden genomen bij de bepaling van de karakteristieke geluidwering van nieuw te bouwen bijzonder geluidsgevoelige gebouwen. Alhoewel de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (RGV ’97) is ontwikkeld voor de na-isolatie van bestaande bijzonder geluidsgevoelige gebouwen, biedt de Wet luchtvaart de mogelijkheid om deze regeling ook voor nieuw te bouwen bijzonder geluidsgevoelige gebouwen toe te passen. Daartoe bevat de RGV ’97 de betreffende geluidskaarten rondom de luchthaven Schiphol. Voor alle andere luchthavens blijft de Luchtvaartwet van kracht.

De maximaal toelaatbare geluidsbelasting van de gevels van bedoelde gebruiksfuncties is uitgedrukt in zogenaamde Kosteneenheden (Ke). In het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaartterreinen is onder meer bepaald dat er maatregelen moeten worden getroffen aan geluidsgevoelige gebruiksfuncties die worden gebouwd op plaatsen waar de geluidsbelasting hoger is dan 35 Ke. Het doel van deze maatregelen is een aanvaardbaar geluidsniveau te verzekeren binnen verblijfsgebieden en verblijfsruimten (geluidsgevoelige ruimten).

Het eerste lid eist voor een woonfunctie, gezondheidszorgfunctie en een onderwijsfunctie een zekere karakteristieke geluidwering voor de uitwendige scheidingsconstructie van verblijfsgebieden, indien deze gebruiksfuncties in een gebied liggen waar sprake is van ernstige hinder door luchtvaartlawaai. Bij de interpolatie van de grenswaarde mag de uitkomst van de interpolatie niet worden afgerond.

Het tweede lid regelt degeluidwering van vliegtuiglawaai voor kantoren.

Het derde lid is erop gericht de geluidhinder te beperken die slaapkamers van woonfuncties en ziekenkamers in de gezondheidszorgfunctie ondervinden van structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer. Dit zijn voorschrften die ook op basis van artikel 25 van de luchtvaartwet zijn gegeven in de RGV'97. Wat de L Aeq-geluidwering betreft, is aangesloten op de systematiek die het Bouwbesluit voor de wering van geluid van buiten kent. De RGV'97 kent echter geen L Aeq-geluidsbelasting op een uitwendige scheidingsconstructie. Die geluidsbelasting kan echter gelijk worden gesteld aan het gemeten binnenniveau, uitgedrukt in dB(A), bij een geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie die op 0 dB(A) is gesteld. Voor de bepaling van de geluidsbelasting is verwezen naar de NEN 5077, omdat deze de methode bevat waarmee het binnenniveau word vastgesteld als een energetisch gewogen uitkomst voor opstijgend en landend vliegverkeer.

Het vierde lid heeft betrekking op de inwendige scheidingsconstructie (binnenwand) tussen een verblijfsgebied en een besloten ruimte van bijvoorbeeld een aan een woning grenzende serre, besloten galerij, garage of buitenberging. Zo’n binnenwand moet dezelfde mate van geluidwering hebben als de gevel van een vergelijkbaar verblijfsgebied dat direct grenst aan de buitenlucht. Hierbij mag het positieve effect van die serre of besloten galerij worden meegerekend. Een en ander vloeit voort uit de omschrijving in het eerste hoofdstuk van het begrip ‘inwendige scheidingsconstructie’.

Artikel 3.5.

De ontheffingsvoorschriften zijn als het gaat om verbouwingen rond de vliegvelden Schiphol en Beek afgestemd op de inhoud van de RGV’97. Daarmee wordt voorkomen dat wat met ’s-rijks middelen wordt gesaneerd niet kan worden gerealiseerd omdat b&w van oordeel zijn dat ten onrechte is gebruik gemaakt van de ontheffingsmogelijkheid.

Het vijfde lid waarborgt dat er in elke afzonderlijke verblijfsruimte een aanvaardbaar geluidsniveau optreedt.

Afdeling 3.2.Bescherming tegen geluid van installaties, nieuwbouw

Artikel 3.6.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de bescherming tegen geluid van installaties.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.7 bevat eisen betreffende het geluidsniveau in een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie dat wordt veroorzaakt door een installatie die zich bevindt in een aangrenzende gebruiksfunctie op een aangrenzend perceel (aangrenzend perceel);
2.artikel 3.8 bevat eisen betreffende het geluidsniveau in een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie dat wordt veroorzaakt door een installatie die zich bevindt in een op hetzelfde perceel gelegen woonfunctie, logiesfunctie, of gemeenschappelijk verblijfsgebied (zelfde perceel);
3.artikelen 3.9 geeft aan tot welk niveau burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
4.artikel 3.10 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften daarvoor gelden (tijdelijke bouw).

Voor de ‘woonfunctie van een woonwagen’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis van het eerste lid op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Deze paragraaf bevat in aangepaste vorm de inhoud van artikel 5 van het voormalige Besluit geluidwering gebouwen.

In tegenstelling tot de in paragraaf 3.1 vervatte aspecten met betrekking tot de beperking van geluidhinder, zijn in deze paragraaf geen afzonderlijke voorschriften gegeven voor verblijfsruimten. De reden hiervoor is, dat de aard van een scheidingsconstructie tussen beschouwde gebruiksfuncties in de regel zodanig is dat het feitelijk gezien geen verschil maakt of sprake is van een verblijfsgebied of van een afzonderlijke verblijfsruimte.

Artikel 3.7.

Dit artikel heeft als doel geluidhinder veroorzaakt door met name genoemde installaties te beperken voor de belendingen. Enkele voorbeelden van zulke situaties zijn geluidhinder in een woonkamer als gevolg van een toilet in een aangrenzende woonfunctie of als gevolg van een liftinstallatie in een aangrenzend kantoor. Dit zowel voor niet-gemeenschappelijke (individuele) als gemeenschappelijke installaties.

De wenselijkheid van deze voorschriften vloeit voort uit de omstandigheid dat mensen geluiden van buiten de eigen woning, hotelkamer, kantoor etc. als hinderlijker ondervinden dan geluiden van binnen de eigen woning, etc. Dit komt mede doordat men in de regel geen of nauwelijks invloed kan uitoefenen op geluid dat van buiten de niet-gemeenschappelijke ruimten van de eigen gebruiksfunctie komt.

Onder het begrip ‘karakteristiek geluidsniveau’ wordt overeenkomstig NEN 5077 verstaan de grootheid die het geluidsniveau in de ontvangruimte weergeeft dat wordt veroorzaakt door een installatie die in werking is, herleid naar gestandaardiseerde afmetingen van de ontvangruimte. De hantering van dit begrip hangt samen met het beginsel van de vrije indeelbaarheid van een woonfunctie.

Artikel 3.8.

Dit artikel regelt de beperking van overlast van installaties voor op het zelfde perceel gelegen gebruiksfuncties.

Het eerste lid regelt dat een al dan niet gemeenschappelijke installatie van een woonfunctie geen geluidsoverlast zal geven in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een andere woonfunctie (bijvoorbeeld van een andere woning in het woongebouw. Een gemeenschappelijke installatie zal in geen enkele woning geluidsoverlast mogen geven.

Een soortgelijke bepaling is voor logiesfuncties (bijvoorbeeld hotelkamers) opgenomen in het tweede lid. Dit lid geldt echter ook ter bescherming van een gemeenschappelijk verblijfsgebied van een logiesfunctie. Het toelaatbaar geluidsniveau verschilt 5 dB(A) met die van een woonfunctie.

Het derde lid geeft aan dat er in een al dan niet gemeenschappelijk verblijfsgebied van een woonfunctie geen geluidsoverlast mag zijn, afkomstig van een installatie van een gebruiksfunctie anders dan een woonfunctie.

Afdeling 3.3.Geluidwering tussen verblijfsruimten van dezelfde gebruiksfuctie, nieuwbouw

Artikel 3.11.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de geluidwering tussen verblijfsruimten van één gebruiksfunctie.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De voorschriften beperken zich tot woonfuncties. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.12 bevat eisen betreffende de geluidwering tussen verblijfsruimten van een woning en tussen bepaalde verblijfsruimten van een onderwijsfunctie (isolatie-index), en
2.artikel 3.13 geeft aan tot welk niveau burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen (verbouw).
3.artikel 3.14 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften daarvoor gelden (tijdelijke bouw).

Voor andere gebruiksfuncties dan de woonfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op die andere gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 3.12.

Met dit artikel wordt beoogd mogelijke hinder in verblijfsruimten van een woonfunctie die wordt veroorzaakt door lawaai vanuit andere verblijfsruimten in die woonfunctie, te beperken. Het gaat hier uitsluitend om geluidwering tussen ruimten van eenzelfde gebruiksfunctie die zijn bestemd voor gebruik door één gebruikseenheid. De geluidwering tussen ruimten van een gebruiksfunctie en gemeenschappelijke ruimten waarop die gebruiksfunctie is aangewezen, zoals bijvoorbeeld een gemeenschappelijke keuken of badruimte, valt onder paragraaf 3.5, Geluidwering tussen ruimten van aangrenzende gebruiksfuncties.

De eisen zijn uitgedrukt in een karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en een isolatie-index voor contactgeluid. Onder de ‘karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid’ wordt verstaan de grootheid die de geluidsisolatie voor luchtgeluid tussen twee ruimten weergeeft, herleid naar gestandaardiseerde afmetingen van de ontvangstruimte. Luchtgeluid is een trilling van de lucht die wordt voortgebracht door een geluidsbron in een ruimte (zendruimte). Deze luchttrilling brengt via een constructie-onderdeel, zoals een wand, de lucht in een andere ruimte (ontvangstruimte) eveneens in trilling.

Met het begrip ‘isolatie-index voor contactgeluid’ wordt aangeduid de grootheid die de geluidsisolatie voor contactgeluid tussen twee ruimten weergeeft. De waarde van deze laatste grootheid is onafhankelijk van de afmetingen van de ontvangstruimte, zodat herleiding naar gestandaardiseerde afmetingen hierbij niet noodzakelijk is. Daarom is het ook niet nodig te spreken van een karakteristieke wering van contactgeluid. Contactgeluid is een door een geluidsbron direct, dus zonder tussenkomst van lucht, veroorzaakte trilling van een constructie-onderdeel in een ruimte (zendruimte). Deze luchttrilling brengt, eventueel via een ander constructie-onderdeel, de lucht in een andere ruimte (ontvangstruimte) eveneens in trilling.

Het voorschrift bevat de geluidsisolatie-eisen tussen niet-gemeenschappelijke verblijfsruimten in een woonfunctie, ontleend aan artikel 4 van het voormalige Besluit geluidwering gebouwen. Dit voorschrift geldt niet voor verblijfsruimten op dezelfde bouwlaag die met elkaar in open verbinding staan of worden gescheiden door een wand met daarin een deur. Zo’n eis zou niet zinvol zijn en is, met het oog op de kosten, ook niet doelmatig. Het voorschrift is wel van toepassing indien er zich in een verblijfsruimte bijvoorbeeld een open trap bevindt die naar een verblijfsruimte leidt op een andere bouwlaag. Uiteraard geldt het voorschrift ook in geval van een verbinding met een andere bouwlaag via een trappenhuis met deuren. Van ‘rechtstreeks bereikbaar zijn door een deuropening’ is geen sprake ingeval van twee aangrenzende vertrekken die met elkaar in verbinding staan via deuren die op een overloop uitkomen. Bij dit voorschrift is echter, anders dan bij artikel 4 van het voormalige Besluit geluidwering gebouwen, gelet op de vrije indeelbaarheid van de woning, geen onderscheid meer gemaakt tussen verschillende soorten verblijfsruimten, zoals bijvoorbeeld de hoofdwoonkamer en andere kamers.

Afdeling 3.4.Beperking van galm, nieuwbouw

Artikel 3.15.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van galm voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, stellen in artikel 3.16 een eis aan het geluidsabsorberend vermogen van gangen en trappenhuizen in woongebouwen (getalwaarde).

Voor andere gebruiksfuncties dan de ‘woonfunctie gelegen in een woongebouw’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op die andere gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 3.16.

Het doel van het eerste lid is de geluidhinder in appartementen als gevolg van galm in aangrenzende gangen trappenhuizen of besloten galerijen te beperken. In verband met het feit dat een gemeenschappelijke verkeersruimte, zoals een trappenhuis of besloten galerij, vanwege het galmeffect uitnodigt tot het maken van lawaai - schreeuwen, klappen of stampen - in die ruimte, voorziet het eerste lid, dat materieel overeenkomt met artikel 6 van het voormalige Besluit geluidwering gebouwen, in het terugdringen van dat galmeffect tot een aanvaardbaar niveau. Immers, door het aanbrengen van een voldoende hoeveelheid geluidsabsorberend materiaal kan de nagalmtijd worden gereduceerd tot omstreeks 1,3 seconde, waardoor de geluidsoverlast in aan die ruimten grenzende woningen wordt beperkt. In de praktijkrichtlijn NPR 5071, uitgave 1981 zoals aangevuld in 1990, zijn voorbeelden van maatregelen tegen galm gegeven.

Onder de geluidsabsorptie van een gemeenschappelijke verkeersruimte wordt verstaan de som van de geluidsabsorptie van de onderscheiden omhullingsdelen van die ruimte en van de in die ruimte aanwezige constructie-onderdelen, waarbij onder de geluidsabsorptie van een omhullingsdeel of constructie-onderdeel wordt verstaan de verhouding tussen het door dat (onder)deel geabsorbeerde, dat wil zeggen niet gereflecteerde, geluidvermogen en het op dat (onder)deel invallende geluidvermogen.

Tot 1 september 2005 hebben er ook eisen gegolden binnen een onderwijsfunctie. Het laten vervallen van deze voorschriften aan de beperking van galm in leslokalen betekent niet dat het beperken van galm niet van belang is. Het is echter aan de opdrachtgever om een programma van eisen op te stellen dat recht doet aan de onderwijskundige eisen die aan een gebouw worden gesteld.

Afdeling 3.5.Geluidwering tussen ruimten van verschillende gebruiksfuncties, nieuwbouw

Artikel 3.17.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de geluidwering tussen ruimten van andere gebruiksfuncties.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.18 bevat eisen betreffende de geluidwering tussen besloten ruimten van aangrenzende gebruiksfuncties die liggen op verschillende percelen (ander perceel);
2.artikel 3.19 bevat soortgelijke eisen, maar dan voor aangrenzende gebruiksfuncties die liggen op hetzelfde perceel (hetzelfde perceel), en
3.artikel 3.20 geeft aan tot welk niveau burgemeester en wethouders maximaal ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
4.artikel 3.21 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften daarvoor gelden (tijdelijke bouw).

Voor de woonfunctie van een woonwagen en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Deze paragraaf bevat in aangepaste vorm de voorschriften van de artikelen 3 van het voormalige Besluit geluidwering gebouwen.

Artikel 3.18.

De eisen in deze paragraaf zijn uitgedrukt in een karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid (eerste lid) en een isolatie-index voor contactgeluid (tweede lid). Een verklaring van deze termen is gegeven in de toelichting op artikel 3.12. Voor de geluidwering tussen woonfuncties is de geluidsisolatie-index voor contactgeluid overeenkomstig de Nota Mensen, Wensen,Wonen (TK, vergaderjaar 2000-2001, 27 559, nr 2) met 5 dB aangescherpt. Deze lijn is niet doorgetrokken voor de geluidwering tussen een gebruiksfunctie, niet zijnde een woonfunctie, en een woonfunctie.

Met het voorschrift van het eerste en tweede lid wordt beoogd de mogelijke hinder in een al dan niet gemeenschappelijk verblijfsgebied voor het verblijven van mensen te beperken die wordt veroorzaakt door lawaai vanuit een besloten ruimte van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander perceel. Hierbij kan worden gedacht aan een woonkamer, een zolderruimte die een slaapkamer bevatof bijvoorbeeld een leslokaal of kantoorruimte, die beschermd moeten worden tegen lawaai uit een trappenhuis, een verkoopruimte of een productiewerkplaats in een belendend bouwwerk. In de meeste gebruiksfuncties heeft een verblijfsgebied een geluidsgevoelig karakter, daarom wordt voor de geluidsisolatie-indexen in de regel een waarde verlangd van ten minste 0 dB. Uitgaande van een normale geluidsproductie, zal bij die waarde de hinder in het verblijfsgebied beperkt blijven. De eis geldt niet voor situaties waarin de ontvangruimte van het geluid ligt in een lichte industriefunctie of in een overige gebruiksfunctie. Gezien de aard van dit soort gebruiksfuncties, zoals bijvoorbeeld een bergruimte bij een woning, een magazijn in een winkel of een stal in een boerderij, wordt een geluidsisolatie-eis niet nodig geacht.

Er zijn twee gebruiksfuncties te onderscheiden met een extreme bronbelasting qua geluidsproductie. Het gaat met name om:

a.bijeenkomstfuncties, waarin geluidbelastende activiteiten kunnen plaatsvinden, die geen geluidhinder mogen veroorzaken in besloten ruimten van andere gebouwen die naast zo'n bijeenkomstgebouw staan. Bij deze geluidbelastende activiteiten kan bijvoorbeeld worden gedacht aan muziek(uitvoeringen), en
b.industriegebouwen, waarin geluidbelastende activiteiten plaatsvinden, die geen geluidhinder mogen veroorzaken in besloten ruimten van andere gebouwen die aan zo'n industriegebouw grenzen.

Voor die situaties is een strengere eis gesteld.

Er is van afgezien om naast het voorschrift voor verblijfsgebieden nog een afzonderlijk voorschrift te geven voor verblijfsruimten. De reden hiervan ligt in de aard van de scheidingsconstructies tussen de in dit lid bedoelde ruimten. Deze zijn doorgaans gelijkmatig van structuur zodat er geen verschillen zullen worden gemeten afhankelijk van het deel van de scheidingsconstructie dat tussen de beschouwde ruimten wordt beoordeeld.

Het derde en het vierde lid hebben betrekking op mogelijke hinder in besloten, al dan niet gemeenschappelijke ruimten van een woonfunctie die niet tot een verblijfsgebied behoren, welke hinder -net als in het eerste lid- wordt veroorzaakt door lawaai vanuit een besloten ruimte van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander perceel. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een toiletruimte, een vliering zolang deze binnen de woonfunctie ligt, een trappenhuis en een gemeenschappelijke ruimte voor afvalcontainers.

De voorschriften van het eerste en het vijfde lid over geluidwering van een ruimte van sportfunctie naar een onderwijsfunctie zijn ontleend aan de artikelen 16, tweede lid en 17, vierde lid, van het voormalige Bouwbesluit WBO en aan de artikelen 16, tweede lid, 17, vierde lid, en 21, derde lid, van het voormalige Bouwbesluit ISOVSO.

Artikel 3.19.

Dit artikel is vergelijkbaar met het voorgaande, maar richt zich op situaties waarin zend- en ontvangruimte van het geluid op hetzelfde perceel liggen.

Het vijfde lid heeft betrekking op de relatie tussen een woonfunctie en bijvoorbeeld een schuur of een garage die bij die woonfunctie behoort. Zo’n bergruimte wordt beschouwd als een ‘overige gebruiksfunctie’ tevens nevenfunctie zijnde. Omdat er in dit geval van mag worden uitgegaan dat lawaai in de bergruimte wordt veroorzaakt door de gebruikers van de woning zelf, is een eis aan de geluidwering niet nodig. Een eis aan de geluidwering wordt wel gesteld indien de bergruimte door twee of meer woonfuncties wordt gebruikt.

Het eerste tot en met het vierde lid geven specifieke voorschriften voor de karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de isolatie-index voor contactgeluid voorzover de al dan niet gemeenschappelijke ontvangruimte is gelegen in een woonfunctie.

Het zesde lid bepaalt dat de voorschriften van het derde en het vierde lid niet van toepassing zijn op situaties waarin een gemeenschappelijke gang of trappenhuis de ontvangruimte is als de bron van het geluid zich in een andere ruimte van die of een andere woonfunctie bevindt. Op de situatie waarin de gemeenschappelijke verkeersruimte de zendruimte van het geluid is en een verblijfsgebied in een woning de ontvangruimte, is het eerste lid onverkort van toepassing.

In het zevende lid is bepaald dat de voorschriften van het eerste tot en met vierde lid niet gelden voor gemeenschappelijke ruimten van een woongebouw, zoals gemeenschappelijke gangen, zitgelegenheden en badruimten, onderling. De reden is dat men door de aard van het gebruik daarvan niet snel hinder zal ondervinden van de andere gemeenschappelijke ruimte.

Het achtste lid regelt de geluidsisolatie tussen cellen en tussen een cel een gemeenschappelijk verblijfsgebied in een gevangenis, politiebureau of een gerechtsgebouw.

Gelet op het geluidsgevoelige karakter van een verblijfsgebied van een logiesfunctie bepaalt het negende lid dat de geluidsisolatie indices tussen bijvoorbeeld twee in een logiesgebouw gelegen logiesfuncties een waarde dienen te hebben van ten minste -5 dB. Uitgaande van een normale geluidsproductie, zal bij die waarde de hinder in de andere logiesfunctie beperkt zijn.

Tot 1 september 2005 hebben er ook eisen gegolden binnen een onderwijsfunctie. Het laten vervallen van deze voorschriften aan de geluidsisolatie tussen op een zelfde perceel gelegen ruimten betekent niet dat geluidsisolatie niet van belang is. Het is echter aan de opdrachtgever om een programma van eisen op te stellen dat recht doet aan de onderwijskundige eisen die aan een gebouw worden gesteld.

Afdeling 3.6.Wering van vocht van buiten

§ 3.6.1.Nieuwbouw

Artikel 3.22.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor wering van vocht van buiten voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het onderhavige onderwerp is er slechts één artikel. Dit is artikel 3.23, dat eisen bevat betreffende de waterdichtheid en specifieke luchtvolumestroom van scheidingsconstructies van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toilet- en badruimten.

Voor de ‘lichte industriefunctie’, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 3.23.

Het doel van dit artikel is te voorkomen dat er in gebouwen vochtoverlast optreedt en daarmee de kwaliteit van het binnenmilieu wordt aangetast. Feitelijk gezien komt dit erop neer, dat het dak en de gevels regen, sneeuw en hagel moeten kunnen weren. Bovendien moet de laagst gelegen vloer het doordringen van vocht, bijvoorbeeld vanuit de kruipruimte en optrekkend vocht, kunnen voorkomen.

Het eerste en het tweede lid komen er meestal op neer dat het dak, de gevel en de laagst gelegen vloer van een gebouw, behoudens ten behoeve van een industriefunctie, waterdicht moeten zijn. Een constructie-onderdeel is blijkens NEN 2778 waterdicht, indien dat onderdeel niet zichtbaar water doorlaat en het binnenoppervlak van de constructie over een dikte van 0,01 mm niet vochtig wordt. Deze waterdichtheid wordt vastgesteld aan de hand van a) een gestandaardiseerde beregeningsproef en b) een ter plaatse voorkomende hoogste grondwaterstand die gedurende een gestandaardiseerde tijdsduur in stand moet worden gehouden.

Niet alle uitwendige scheidingsconstructies behoeven volgens het eerste lid waterdicht te zijn. Voorbeelden hiervan zijn het dak en de gevels van een industriefunctie of een serre, schuur of garage. Indien zo’n bouwsel grenst aan een gebouw waarop het eerste lid van toepassing is, moet de wand tussen beide volgens het derde lid waterdicht zijn. Bij de bepaling van de waterdichtheid van de scheidingswand mag men rekening houden met de positieve effecten van het dak en de gevels van de serre, schuur of garage. Dit vloeit voort uit de definitie van het begrip ‘inwendige scheidingsconstructie’.

Het vierde lid bevat een eis aan de vochtwering van de begane grondvloer ter plaatse van een verblijfsgebied, toilet- of badruimte waaronder een kruipruimte ligt. Het doel hiervan is te voorkomen dat door het doordringen van lucht vanuit de kruipruimte de relatieve luchtvochtigheid in de genoemde ruimten op een te hoog niveau komt te liggen. Hierdoor zou al snel oppervlaktecondensatie op constructie-onderdelen ontstaan en schimmelgroei worden bevorderd, wat uit gezondheidsoogpunt ongewenst is.

In een gebouw ten behoeve van een industriefunctie kan een niet-besloten verblijfsgebied aanwezig zijn. Bij zo’n verblijfsgebied worden geen eisen aan de waterdichtheid gesteld. Dit is omdat in de praktijk blijkt dat voor veel industriegebouwen waterdichtheid niet relevant is en ook niet altijd kan worden gerealiseerd. Bovendien is het toegestaan in een industriegebouw een niet-besloten ruimte als verblijfsgebied aan te merken. Een dergelijke ruimte behoeft uit de aard der zaak niet waterdicht te zijn. De markt kan zelf beslissen of en in hoeverre een industriegebouw1 moet zijn. De gezondheid van in het gebouw werkzame personen kan ook worden gewaarborgd met persoonlijke beschermingsmiddelen.

Opmerking Nico Scholten

1 Bedoeld is gebouw ten behoeve van een industriefunctie.

§ 3.6.2.Bestaande bouw

Artikel 3.24.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.6.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.25.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.6.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Dit artikel vereist voor bestaande gebouwen praktisch dezelfde mate van vochtwerendheid als voor nieuwbouw. Anders dan voor nieuwbouw is er echter geen eis gesteld aan het doordringen van lucht vanuit de kruipruimte. Het stellen van zo’n eis zou namelijk hebben betekend dat houten vloeren in de bestaande voorraad niet langer zijn toegestaan.

Afdeling 3.7.Wering van vocht van binnen

§ 3.7.1.Nieuwbouw

Artikel 3.26.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor wering van vocht van binnen voor voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.27 bevat eisen aan de factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte van wanden van verblijfsgebieden (factor van de temperatuur), en
2.artikel 3.28 bevat eisen aan het vermogen tot wateropname van de wanden van een toilet- of badruimte (wateropname).

Voor de ‘lichte industriefunctie’, ‘niet-verwarmde logiesfunctie’, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid voor dit onderdeel geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

De eis voor de temperatuur van de binnenoppervlakte van een scheidingsconstructie is niet langer van toepassing op een toilet- en een badruimte. Hieraan ligt de motivering ten grondslag dat hoge vochtproducties in dergelijke ruimten mogelijk zijn als gevolg van het normale gebruik van deze ruimten. Niet zo zeer oppervlaktecondensatie is de oorzaak van de vorming van allergenen in bijvoorbeeld de badruimte, maar veeleer vocht als gevolg van het douchen. Het voorschrift met betrekking tot de wateropname van deze scheidingsconstructies voorziet in afdoende mate in het voorkomen van een ongezond binnenklimaat in bedoelde ruimten.

Artikel 3.27.

Het doel van dit artikel is te voorkomen dat er in gebouwen vochtophoping als gevolg van condensatie optreedt. Dit gebeurt met het oogmerk zoveel mogelijk te voorkomen dat er een gunstig milieu ontstaat voor schimmels en huisstofmijt.

Condensatie wordt voorkomen door het vermijden van relatief koude binnenoppervlakken, de zogenoemde koudebruggen. Het gaat daarbij om constructie-onderdelen die een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen begrenzen. Het begrip ‘factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte’ (f-factor) geeft een verhouding weer tussen twee grootheden. Enerzijds is dit het verschil tussen de temperatuur op het binnenoppervlak van een constructie-onderdeel en de buitentemperatuur, en anderzijds het verschil tussen de binnentemperatuur en de buitentemperatuur.

Het eerste en tweede lid gelden slechts voor de uitwendige scheidingsconstructie en de begane-grondvloer voorzover deze een verblijfsgebied begrenzen. Gevels ter plaatse van bijvoorbeeld een toilet- of badruimte, een serre of aangebouwde garage vallen er niet onder, evenmin als het dak boven een zolder die niet als verblijfsgebied voor het verblijven van mensen is ingericht.

Ter voorkoming van condensvorming op binnenwanden tussen dergelijke ruimten en het verblijfsgebied bevat het derde lid een eis aan deze inwendige scheidingsconstructies.

In het vierde lid is bepaald dat voor bepaalde onderdelen van, of voorzieningen samenhangend met wanden, de eisen betreffende condensvorming niet gelden. Het gaat hierbij om ramen, deuren, kozijnen, voorzieningen voor ventilatie, voor toevoer van verbrandingslucht, voor afvoer van rook en dergelijke constructie-onderdelen. Zou die eis wel zijn gesteld, dan zouden de kosten daarvan niet in redelijke verhouding staan tot het daarvan te verwachten positieve effect.

Het vijfde lid bevat een uitzondering op de eisen inzake condensvorming op wanden van verblijfsgebieden. Deze uitzondering is gemaakt voor gebouwen die niet worden verwarmd met het oog op het verblijven van mensen. De uitgezonderde gebouwen kunnen dus wel zijn verwarmd met het oog op bijvoorbeeld het vorstvrij houden. Feitelijk gaat het hier om gebouwen waarin slechts af en toe mensen aanwezig zullen zijn, bijvoorbeeld in verband met het verrichten van arbeid. Deze gebouwen moeten behoren tot de ‘andere industriefunctie’, zoals bijvoorbeeld bepaalde productiehallen en opslag- en bewaarfuncties.

Artikel 3.28.

Wanneer er als gevolg van het gebruik van water teveel vocht doordringt in de wanden of de vloer van een bad- of toiletruimte kan er schimmelvorming, rotting of lekkage ontstaan. Hierdoor kan op den duur de gezondheid van de gebruikers van het gebouw nadelig worden beïnvloed. Krachtens dit artikel mogen daarom het oppervlak van het onderste deel van die wanden en het oppervlak van de vloer slechts beperkt waterdoorlatend zijn. Dit kan worden bereikt door bijvoorbeeld het aanbrengen van tegels. De eisen leiden er tevens toe dat de wanden en de vloer op effectieve wijze kunnen worden gereinigd. Aangezien op de plaats waar wordt gedoucht, de wanden op een grotere hoogte met water in aanraking kunnen komen, dienen de wanden van de badruimte ter plaatse van het bad of de douche tot een grotere hoogte beperkt waterdoorlatend te zijn.

§ 3.7.2.Bestaande bouw

Artikel 3.29.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.7.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.30.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.7.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Dit artikel bevat voorschriften omtrent de mate van vochtdoorlatendheid van wanden en vloeren van badruimten in de bestaande bouw. De toegestane mate van vochtdoorlatendheid is dezelfde als die welke voor de nieuwbouw geldt. Aan dit voorschrift wordt bijvoorbeeld voldaan als in een bestaande badruimte op de vloer en op de wanden tot 1 m hoogte tegels zijn aangebracht.

Voor wanden en vloeren van een toiletruimte gelden, in tegenstelling tot bij de nieuwbouw, geen eisen met betrekking tot de waterdoorlatendheid. De reden hiervoor is dat veel toiletruimten in de bestaande voorraad niet aan die eisen voldoen en, gelet op het feit dat het gebruik van water in die ruimten aanzienlijk minder is dan in een badruimte, de kans op lekkage en rotting bij toiletruimten veel geringer is.

Evenmin zijn voorschriften gegeven ter vermijding van zogenoemde koudebruggen in de gevel. Dit houdt verband met het feit dat een dergelijke eis in het verleden niet heeft gegolden, hetgeen kan worden verklaard uit het feit dat dit soort eisen in de loop der tijd noodzakelijk is geworden als gevolg van het thermisch isoleren en luchtdicht maken van woningen en woongebouwen.

Afdeling 3.8.Afvoer van afvalwater en fecaliën

§ 3.8.1.Nieuwbouw

Artikel 3.31.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor afvoer van afvalwater en fecaliën voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.32 regelt in welke situatie er een afvoervoorziening aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.33 bepaalt dat een voorgeschreven afvoervoorziening moet kunnen worden aangesloten op het riool en op welke plaatsen de voorziening aansluitpunten moet hebben (aansluitingen);
3.artikel 3.34 bepaalt wat voor capaciteit de voorziening ten minste dient te hebben (capaciteit), en
4.artikel 3.35 bepaalt dat de voorziening lucht- en waterdicht moet zijn (lucht/waterdicht).

Artikel 3.32.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën.

Het gaat hierbij om een stelsel van afvoerleidingen binnen het gebouw tot het punt waar de voorziening het perceel verlaat. De verplichting tot aanwezigheid van de afvoervoorziening is voor de woonfunctie verplicht. Voor alle andere bouwwerken is dit afhankelijk van de aanwezigheid van een lozingstoestel. Dat wil zeggen dat indien zo’n gebruiksfunctie of ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ een toiletpot met waterspoeling, een spoelbak, een wastafel of een ander lozingstoestel bevat, het een binnenriolering moet hebben. Dit moet wat creatief worden toegepast omdat sanitairtoestellen niet langer op grond van het Bouwbesluit 2003 zijn voorgeschreven. Zodra er dus een aansluitpunt van een voorziening voor drinkwater ten behoeve van een later te plaatsen sanitairtoestel aanwezig is, zal ook in de binnenriolering moeten worden voorzien.

Het afvalwater dat mag worden afgevoerd is hetzij huishoudelijk afvalwater, hetzij bedrijfsafvalwater dat naar zijn aard overeenkomt met huishoudelijk afvalwater. Voor lozingen van andere aard gelden standaardvoorschriften krachtens de Wet milieubeheer of is een vergunning op grond van die wet nodig.

Artikel 3.33.

De binnenriolering moet zodanig zijn ingericht dat deze kan worden aangesloten op het openbaar riool. Plaats en hoogte van het aansluitpunt waar dit stelsel op het openbaar riool kan worden aangesloten, zijn afhankelijk van de ligging van het openbaar riool. Indien niet op het openbaar riool kan worden aangesloten, bijvoorbeeld bij het ontbreken van een dergelijk riool of in geval van het overbruggen van een met het oog op het noodzakelijke verhang te grote afstand tot dat riool, zal op grond van paragraaf 1.3 een gelijkwaardige voorziening moeten zijn getroffen, waarmee wordt voorkomen dat bodemverontreiniging of verontreiniging van oppervlaktewater plaatsvindt. Een gelijkwaardige voorziening zou bijvoorbeeld kunnen zijn het lozen van het afvalwater en de faecaliën op oppervlaktewater indien dit aanwezig is en de desbetreffende waterkwaliteitsbeheerder op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 1981, 573) de lozing toestaat, dan wel het lozen in de bodem, mits dit technisch uitvoerbaar is. In dit laatste geval zal moeten worden voldaan aan de desbetreffende krachtens de Wet bodembescherming (Stb. 1986, 374) gegeven voorschriften, waaronder in elk geval het Lozingenbesluit bodembescherming (Stb. 1990, 217).

Het eerste lid schrijft niet voor dat het stelsel van afvoerleidingen moet worden aangesloten op het openbaar riool, aangezien dit geen technisch voorschrift is in de zin van artikel 2 van de Woningwet, doch een voorschrift omtrent het gebruik van een woning of woongebouw, welk voorschrift op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van die wet in de gemeentelijke bouwverordening moet worden gegeven.Voor alle gebruiksfuncties geldt op grond van het tweede lid dat bij elk lozingstoestel, van welke soort dan ook, dus ook voor een in een verblijfsruimte geplaatste wasbak, spoelbak e.d., er een aansluitpunt op de binnenriolering moet zijn.

Artikel 3.34.

Voor het doeltreffend verlopen van de afvoer van afvalwater en fecaliën is een zekere doorstroomsnelheid nodig. Voor het in Nederland gebruikelijke rioleringssysteem is in NEN 3215, waarnaar is verwezen, een bepalingsmethode gegeven, waarmee kan worden bepaald welke hoeveelheid afvalwater en faecaliën op enig moment moet kunnen worden afgevoerd en waarmee kan worden geverifieerd of het rioleringsstelsel deze hoeveelheid ook ordentelijk kan afvoeren. Daarbij spelen onder meer de leidingmiddellijn, het vloeiend verloop van de leiding, het verhang en de beluchting een rol. Voor minder gangbare rioleringssystemen zal op grond van artikel 40 moeten worden aangetoond dat door middel van dat systeem een gelijkwaardige prestatie wordt geleverd.

Artikel 3.35.

Om lekkage en stank tegen te gaan moet de inrichting van de afvoervoorziening aan de NEN 3215 voldoen. Op grond van dit normblad kan door middel van het op overdruk brengen van het rioleringsstelsel worden nagegaan of de afvoervoorziening voldoende dicht is. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij het aansluiten van een lozingstoestel op dat stelsel een waterslot moet zijn toegepast.

§ 3.8.2.Bestaande bouw

Artikel 3.36.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.37.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.38.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Het tweede lid bevat voor de minimumomvang van de voorziening in bouwwerken,geen gebouw zijnde de eis dat er bij aanwezigheid van een lozingstoestel een aansluitpunt moet zijn ter plaatse van dat lozingstoestel. Deze eis is eender aan de desbetreffende nieuwbouweis voor alle utiliteitsgebouwen.

Artikel 3.39.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De in artikel 3.39 gestelde eisen met betrekking tot de capaciteit van de binnenriolering van een bestaande gebouw zijn lager dan die welke voor de nieuwbouw gelden. Het alsnog aanpassen van bestaande rioleringssystemen aan de nieuwste inzichten, zou leiden tot een financiële inspanning waarvan de kosten niet opwegen tegen de alsdan verkregen meer gezonde situatie.

Artikel 3.40.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3.9.Afvoer van hemelwater, nieuwbouw

Artikel 3.41.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de afvoer van hemelwater voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.42 regelt in welke situatie er een afvoervoorziening aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.43 bepaalt dat een voorgeschreven afvoervoorziening moet kunnen worden aangesloten op het riool (aansluitingen);
3.artikel 3.44 bepaalt wat voor capaciteit de voorziening ten minste dient te hebben (capaciteit), en
4.artikel 3.45 bepaalt dat de voorziening lucht- en waterdicht moet zijn (lucht/waterdicht).

Voor industriefunctie, ‘logiesverblijf niet gelegen in een logiesgebouw’, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 3.42.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater. Wat betreft de opvang kan hierbij worden gedacht aan dakgoten of, bij een plat dak, aan het dak zelf, en, wat betreft de afvoer, aan regenpijpen. Het doel van dit voorschrift is te voorkomen dat er een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie in en bij het gebouw ontstaat.

Artikel 3.43.

Artikel 3.42 eist niet dat de voorziening voor de afvoer van hemelwater daadwerkelijk moet zijn aangesloten op het openbaar riool, aangezien dit geen technisch voorschrift is in de zin van artikel 2 van de Woningwet, doch een voorschrift omtrent het gebruik van een gebouw, welk voorschrift op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van die wet in de gemeentelijke bouwverordening moet worden gegeven.

Wel moet de afvoervoorziening van het gebouw zodanig zijn dat deze op het riool kan worden aangesloten. Het aanwezige openbaar rioolstelstel kan gecombineerd zijn, dat wil zeggen bestemd voor de afvoer van zowel afvalwater en fecaliën als hemelwater. Het alternatief vormen twee gescheiden stelsels, namelijk voor ieder van de genoemde lozingssoorten een. In het laatste geval dient de hemelwaterafvoer krachtens het tweede lid een aansluitmogelijkheid te hebben voor het hemelwaterriool. In geval van een gecombineerd rioolstelsel mag de aanvrager van de bouwvergunning volgens het tweede lid zelf bepalen of hij met twee afzonderlijke voorzieningen aansluit op het hoofdriool of dat hij al op het eigen perceel de voorziening voor de afvoer van hemelwater en de voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën samenvoegt.

Artikel 3.44.

Dit artikel heeft als motief een doeltreffende werking te waarborgen van de vereiste afvoervoorzieningen. Hiertoe verwijst het naar de NEN 3215, waarvan toepassing leidt tot een goede afstemming tussen aanvoer- en afvoercapaciteit. Met dit normblad wordt bepaald met welke hoeveelheid regenwater er rekening moet zijn gehouden en op welke wijze er kan zijn vastgesteld of de voorziening die hoeveelheid ook werkelijk kan afvoeren.

Artikel 3.45.

Indien een hemelwaterafvoer voor een deel door gebouw voert, moet worden voorkomen dat als gevolg daarvan lekkage of stank in het gebouw optreedt. Om die reden is bepaald dat de afvoervoorziening, bepaald overeenkomstig NEN 3215, luchtdicht moet zijn, hetgeen onder andere betekent dat verbindingen tussen onderdelen van de afvoervoorziening lucht- en waterdicht moeten zijn uitgevoerd.

Afdeling 3.10.Luchtverversing van een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte

§ 3.10.1.Nieuwbouw

Artikel 3.46.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor luchtverversing van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voor te bouwen bouwwerken.

De in het tweede lid bedoelde tabellen wijzen per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Bij het samenstellen van de tabel is niet een neutrale 1 op 1 vertaling ten opzichte van het Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618, uitgevoerd. De correcte capaciteitseisen zouden de volgende zijn, te herkennen aan gele achtergrond:

Tabel 3.46a Capaciteitseisen voor een verblijfsgebied

gebruiksfunctie bezettingsgraad B1 B2 B3 B4 B5 min. cap. in m3/s
BIJEENKOMSTFUNCTIE
1. verblijfsgebied van een bijeenkomstfunctie met alcoholgebruik 4,8∙10-3 4,8∙10-3 4,8∙10-3 nt nt 7∙10-3
2. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 nt nt 7∙10-3
3. verblijfsgebied van een bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport 4,8∙10-3 1,9∙10-3 nt nt nt 7∙10-3
4. verblijfsgebied niet 1 t.m. 3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 nt nt 7∙10-3
CELFUNCTIE
1. verblijfsgebied van celfunctie niet voor dag- en nachtverblijf met toiletpot in verblijfsgebied 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 0,5∙10-3 nt 11∙10-3
2. verblijfsgebied van celfunctie niet voor dag- en nachtverblijf zonder toiletpot in verblijfsgebied 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 0,5∙10-3 nt 7∙10-3
3. verblijfsgebied van celfunctie voor dag- en nachtverblijf met toiletpot in verblijfsgebied 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 nt 11∙10-3
4. verblijfsgebied van celfunctie voor dag- en nachtverblijf zonder toiletpot in verblijfsgebied 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 nt 7∙10-3
5. verblijfsgebied uitsluitend bestemd voor bezoekers 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 nt nt 7∙10-3
6. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 nt 7∙10-3
7. verblijfsgebied anders dan 1 t.m. 6 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 0,5∙10-3 nt 7∙10-3
GEZONDHEIDSZORGFUNCTIE
1. verblijfsgebied voor bezoekers 4,8∙10-3 1,9∙10-3 1,3∙10-3 nt nt 13∙10-3
2. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 nt 13∙10-3
3. verblijfsgebied bestemd voor het verblijf van patiënten die door hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid permanent of tijdelijk aan bed zijn gebonden 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 nt 13∙10-3
4. verblijfsgebied anders dan 1 t.m. 3 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 0,5∙10-3 nt 13∙10-3
LICHTE INDUSTRIEFUNCTIE
Verblijfsgebied - - - - - -
INDUSTRIEFUNCTIE NIET ZIJNDE LICHTE INDUSTRIE
1. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 1∙10-3 7∙10-3
2. verblijfsgebied anders dan 1 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 0,5∙10-3 0,5∙10-3 7∙10-3
KANTOORFUNCTIE
Verblijfsgebied 1,3∙10-3 1,3∙10-3 1,3∙10-3 1,3∙10-3 nt 13∙10-3
LOGIESFUNCTIE
Verblijfsgebied 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 nt 7∙10-3
ONDERWIJSFUNCTIE
1. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 nt nt 7∙10-3
2. verblijfsgebied anders dan 1 8,8∙10-3 3,5∙10-3 1,4∙10-3 nt nt 7∙10-3
SPORTFUNCTIE
1. verblijfsgebied met sportgebruik 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 0,5∙10-3 0,5∙10-3 7∙10-3
2. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 1∙10-3 7∙10-3
3. verblijfsgebied anders dan 1 of 2 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 0,5∙10-3 0,5∙10-3 7∙10-3
WINKELFUNCTIE
1. verblijfsgebied (mede?) voor het winkelend publiek 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 0,5∙10-3 0,5∙10-3 7∙10-3
2. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 15∙10-3 6∙10-3 2,4∙10-3 1∙10-3 1∙10-3 7∙10-3
3. verblijfsgebied anders dan 1 of 2 8∙10-3 3,2∙10-3 1,3∙10-3 0,5∙10-3 0,5∙10-3 7∙10-3
OVERIGE GEBRUIKSFUNCTIE
1. verblijfsgebied voor het stallen van motorvoertuigen 3∙10-3 3∙10-3 3∙10-3 3∙10-3 3∙10-3 -
2. verblijfsgebied voor het opslaan van afval - - - - - 100∙10-3
3. verblijfsgebied waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen ? ? ? ? ? ?
4. verblijfsgebied anders dan 1 t.m. 3 - - - - - -
nt: niet toelaatbaar;- : geen eis

Tabel 3.46b Capaciteitseisen voor een verblijfsruimte

gebruiksfunctie bezettingsgraad B1 B2 B3 B4 B5 min. cap. in m3/s
BIJEENKOMSTFUNCTIE
1. verblijfsruimte van een bijeenkomstfunctie met alcoholgebruik 3,8∙10-3 3,8∙10-3 3,8∙10-3 nt nt 7∙10-3
2. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 nt nt 7∙10-3
3. verblijfsruimte van een bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport 3,8∙10-3 1,5∙10-3 nt nt nt 7∙10-3
4. verblijfsruimte niet 1 t.m. 3 3,8∙10-3 1,5∙10-3 0,6∙10-3 nt nt 7∙10-3
CELFUNCTIE
1. verblijfsruimte van celfunctie niet voor dag- en nachtverblijf met toiletpot in verblijfsgebied 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 0,4∙10-3 nt 11∙10-3
2. verblijfsruimte van celfunctie niet voor dag- en nachtverblijf zonder toiletpot in verblijfsgebied 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 0,4∙10-3 nt 7∙10-3
3. verblijfsruimte van celfunctie voor dag- en nachtverblijf met toiletpot in verblijfsgebied 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 nt 11∙10-3
4. verblijfsruimte van celfunctie voor dag- en nachtverblijf zonder toiletpot in verblijfsgebied 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 nt 7∙10-3
5. verblijfsruimte uitsluitend bestemd voor bezoekers 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 nt nt 7∙10-3
6. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 nt 7∙10-3
7. verblijfsruimte anders dan 1 t.m. 6 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 0,4∙10-3 nt 7∙10-3
GEZONDHEIDSZORGFUNCTIE
1. verblijfsruimte voor bezoekers 3,8∙10-3 1,5∙10-3 1∙10-3 nt nt 10∙10-3
2. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 1∙10-3 (had 0,8∙10-3 moeten zijn) nt 10∙10-3
3. verblijfsruimte bestemd voor het verblijf van patiënten die door hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid permanent of tijdelijk aan bed zijn gebonden 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 nt 10∙10-3
4. verblijfsruimte anders dan 1 t.m. 3 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 0,8∙10-3 nt 10∙10-3
LICHTE INDUSTRIEFUNCTIE
verblijfsruimte - - - - - -
INDUSTRIEFUNCTIE NIET ZIJNDE LICHTE INDUSTRIE
1. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 1∙10-3 (had 0,8∙10-3 moeten zijn) 1∙10-3 (had 0,8∙10-3 moeten zijn) 7∙10-3
2. verblijfsruimte anders dan 1 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 0,4∙10-3 0,4∙10-3 7∙10-3
KANTOORFUNCTIE
verblijfsruimte 1∙10-3 1∙10-3 1∙10-3 1∙10-3 nt 10∙10-3
LOGIESFUNCTIE
verblijfsruimte 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 0,8∙10-3 nt 7∙10-3
ONDERWIJSFUNCTIE
1. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 nt nt 7∙10-3
2. verblijfsruimte anders dan 1 7∙10-3 2,8∙10-3 1,1∙10-3 nt nt 7∙10-3
SPORTFUNCTIE
1. verblijfsruimte met sportgebruik 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 0,4∙10-3 0,4∙10-3 7∙10-3
2. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 1∙10-3 (had 0,8∙10-3 moeten zijn) 1∙10-3 (had 0,8∙10-3 moeten zijn) 7∙10-3
3. verblijfsruimte anders dan 1 of 2 3,8∙10-3 1,5∙10-3 0,6∙10-3 0,4∙10-3 0,4∙10-3 7∙10-3
WINKELFUNCTIE
1. verblijfsruimte (mede?) voor het winkelend publiek 3,8∙10-3 1,5∙10-3 0,6∙10-3 0,4∙10-3 0,4∙10-3 7∙10-3
2. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen 12∙10-3 4,8∙10-3 1,9∙10-3 1∙10-3 (had 0,8∙10-3 moeten zijn) 1∙10-3 (had 0,8∙10-3 moeten zijn) 7∙10-3
3. verblijfsruimte anders dan 1 of 2 6,4∙10-3 2,5∙10-3 1∙10-3 0,4∙10-3 0,4∙10-3 7∙10-3
OVERIGE GEBRUIKSFUNCTIE
1. verblijfsruimte voor het stallen van motorvoertuigen 3∙10-3 3∙10-3 3∙10-3 3∙10-3 3∙10-3 -
2. verblijfsruimte voor het opslaan van afval - - - - - 100∙10-3
3. verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht sterk kunnen verontreinigen ? ? ? ? ? ?
4. verblijfsruimte anders dan 1 t.m. 3 - - - - - -
nt: niet toelaatbaar;- : geen eis

De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.47 bepaalt in welke situatie er een voorziening voor luchtverversing aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.48 bepaalt wat voor capaciteit de voorziening ten minste moet hebben (capaciteit);
3.artikel 3.49 bepaalt voor de leefzone van een verblijfsgebied de maximale luchtsnelheid van de toegevoerde lucht (thermisch comfort);
4.artikel 3.50 bevat voorschriften omtrent het kunnen regelen van de voorziening door de gebruiker (regelbaarheid);
5.artikel 3.51 bepaalt de richting van de luchtstroming van en naar de voorziening (stromingsrichting);
6.artikel 3.52 stelt eisen betreffende de plaats van de instroomopening van de toevoervoorziening (plaats van de opening), en
7.artikel 3.53 bepaalt vanwaar de verse lucht naar een verblijfsgebied of verblijfsruimte moet worden toegevoerd en waarheen deze moet worden afgevoerd (luchtkwaliteit).

Voor de gebruiksfunctie ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfunctie niet van toepassing is.

Deze voorschriften zijn voor ruimten met alcoholgebruik van een bijeenkomstfunctie mede ontleend aan het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Wel moet bedacht worden dat dat besluit mechanische ventilatie voorschrijft, terwijl het Bouwbesluit dat niet doet. Daarmee is niet geheel recht gedaan aan de bedoeling van artikel 5 van de Woningwet. Degene die een bouwplan wil realiseren doet er verstandig de strengere eis van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet aan te houden.

De voorschriften zijn voor een gezondheidszorgfunctie ontleend aan het Besluit bouwmaatstaven Wet ziekenhuisvoorzieningen.

De voorschriften voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte van een onderfunctie zijn ontleend aan de artikelen 5, negende lid, en 6, vijfde lid, van zowel het voormalige Bouwbesluit WBO als het voormalige Bouwbesluit ISOVSO.

De voorschriften voor een verblijfsgebied en verblijfsruimte van een sportfunctie behorende bij een onderwijsfunctie zijn ontleend aan artikel 14, derde lid, van het voormalige Bouwbesluit WBO en aan de artikelen 14, derde lid, en 19, derde lid, van het voormalige Bouwbesluit ISOVSO.

Het voorgeschreven ventilatievoud voor een winkelfunctie is mede ontleend aan de Arbeidsomstandighedenwetgeving en heeft betrekking op het in de winkel aanwezige personeel en niet op de winkelbezoekers. In het deel van de winkelfunctie dat niet is bestemd voor bezoekers, is dan ook een hoger ventilatievoud voorgeschreven dan in het deel dat mede bestemd is voor bezoekers.

Artikel 3.47.

Dit artikel schrijft de aanwezigheid voor van een voorziening waarmee een verblijfsgebied, een verblijfsruimte, een toiletruimte en een badruimte langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd. Op deze wijze wordt zeker gesteld dat de noodzakelijke zuurstof kan worden aangevoerd en kooldioxide, waterdamp, onaangename geurstoffen en stofdeeltjes kunnen worden afgevoerd. Verder is luchtverversing nodig om de in de lucht aanwezige schadelijke stoffen als gevolg van bijvoorbeeld formaldehyde-emissie en radonstraling te kunnen afvoeren.

Artikel 3.48.

Dit artikel heeft als doel te waarborgen dat de door de mens veroorzaakte concentratie van kooldioxyde in een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte of badruimte op een aanvaardbaar peil kan worden gehouden en geurstoffen in voldoende mate kunnen worden afgevoerd.

De hoeveelheid luchtverversing van een verblijfsgebied of verblijfsruimte wordt bepaald aan de hand van zogenoemde bezettingsgraadklassen. Het is de bedoeling dat de aanvrager van een bouwvergunning voor een utiliteitsgebouw de klasse aangeeft die naar zijn oordeel van toepassing is. Daarbij zal de aanvrager moeten uitgaan van de hoogste bezetting waarop hij voor de betrokken bestemming rekent. Het uitgaan van een bezettingsgraadklasse voor de bepaling van de capaciteit van de ventilatievoorziening betekent in de praktijk dat het verblijfsgebied of de verblijfsruimte door niet méér personen mag worden gebruikt dan het aantal dat bij de opgegeven klasse behoort. Dit vloeit voort uit de gebruiksvoorschriften van de gemeentelijke bouwverordening. Wordt een deel van een gebouw op twee verschillende manieren gebruikt, dan moet het ook als twee gebruiksfuncties worden aangevraagd. In dat geval geldt de bezettingsgraadklasse waarvoor de zwaarste eis geldt.

Wat betreft de hoogte van de eisen gaan de voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte van een woonfunctie voorgeschreven capaciteit van 0,9 dm3/s respectievelijk 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte uit van gemiddeld één persoon per 7 m2 verblijfsruimte. Voor de oppervlakte van een verblijfsgebied is voorts aangenomen dat deze gemiddeld ten minste 10% groter is dan de som van de daarbinnen gelegen verblijfsruimten. Hiermee stemmen de eisen overeen met het advies van de Gezondheidsraad inzake ventilatie van 19841, waarin een minimum luchtverversing wordt aanbevolen van 25 m3/h (=7∙10-3 m3/s) per persoon. Om te waarborgen dat in het kleinst denkbare verblijfsgebied of de kleinst denkbare verblijfsruimte van 4 m2 in een woonwagen en van 5 m² in een woning toch voldoende ventilatie aanwezig is, zoals bedoeld in het advies van de Gezondheidsraad, is als ondergrens een capaciteit van 7∙10-3 m3/s voorgeschreven. Voor een verblijfsruimte is een zwaardere eis gesteld dan tot 31 december 2002 op grond van het Bouwbesluit heeft gegolden. De gegeven vangneteis kon tot te ongezonde situatie leiden, afgezet tegen het advies van de Gezondheidsraad.

De noodzakelijke ventilatiecapaciteit voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte van een niet tot bewoning bestemde gebruiksfunctie is feitelijke afhankelijk van:

a.het aantal personen per vierkante meter vloeroppervlakte van dat gebied of die ruimte, uitgedrukt in klassen van de bezettingsgraad, en
b.de klasse van de ventilatie,

zoals uitgelegd in het algemeen deel van deze toelichting. De achtergronden voor de ventilatieklassen zijn beschreven in het TNO Bouw rapport 94 BBI 1537. In dat rapport is ook de vertaling naar ventilatie-capaciteiten aangegeven per klasse.

De grenswaarden voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang gelden voor de gehele functie voor kinderopvang en niet alleen voor de ruimten waarin geslapen wordt. De vereiste waarden zijn ontleend aan de rapportage ‘Bouwbesluit 2003 toegespitst op kinderopvang’ (Van Overveld Bouwbesluit Advies bv, oktober 2002).

Voor een kantoorfunctie en een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen wordt uitgegaan van een vaste minimum capaciteit, ongeacht de klasse van de bezettingsgraad. Gemakshalve is daar ook tabel 3.16.1 voor gebruikt, zodat het lijkt alsof er een relatie bestaat tussen de klasse van de bezettingsgraad en de noodzakelijke ventilatie.

Bij het stellen van de eisen ten aanzien van verblijfsruimten is er van uitgegaan dat de eisen betreffende de ventilatie van een verblijfsgebied voldoende ventilatie binnen dat gehele gebied waarborgen. De eisen gesteld aan verblijfsruimten gelden uitsluitend als vangnet.

Het voorschrift van het derde lid voor een verblijfsgebied of verblijfsruimte met een kook- of warmwatertoestel is erop gericht dat geurstoffen, bij normale verbranding vrijkomende dampen en overmatige waterdampproductie die daar kunnen ontstaan in korte tijd kunnen worden afgevoerd en verbrandingslucht kan worden toegevoerd. Door de beperking van dit voorschrift tot toestellen met een nominale belasting van 15 kW is het niet toereikend voor ruimten waarin een of meer toestellen zijn geplaatst met een grotere nominale belasting. Voor zulke gevallen is of sprake van een meldingplichtige inrichting in de zin van de Wet milieubeheer waarvoor afzonderlijke technische voorschriften zijn gegeven of er is een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer vereist. In die vergunning kunnen op de specifieke situatie toegesneden eisen worden gesteld aan de luchtverversing.

De in het vierde lid voorgeschreven capaciteit voor een toiletruimte is zodanig dat verontreinigde lucht in korte tijd kan worden afgevoerd. De voor een badruimte voorgeschreven capaciteit is afgestemd op het afvoeren van een overmaat aan waterdamp binnen zodanige tijd dat schimmelvorming wordt voorkomen.

Het vijfde lid regelt dat in een woning of vakantiewoning de verblijfsgebieden één voor één moeten worden beoordeeld en de ventilatie niet gelijktijdig in alle verblijfsgebieden tegelijk aanwezig moet zijn. De gedachte hierachter is dat niet alle verblijfsgebieden gelijktijdig door alle gebruikers worden gebruikt die in dit verblijfsgebied kunnen vertoeven. Anders gezegd, personen kunnen allemaal slapen of allemaal in de woonkamer/keuken aanwezig zijn. De regulering leidt er verder toe dat de afvoercapaciteit van de ventilatievoorzieningen van een woning niet groter hoeft te zijn dan de noodzakelijke ventilatiecapaciteit van het grootste verblijfsgebied van de woning.

Het zesde lid ziet er op toe dat in de utiliteitsbouw in alle verblijfsgebieden gelijktijdig de volle ventilatiecapaciteit aanwezig kan zijn. Immers, alle verblijfsgebieden kunnen gelijktijdig door het maximale aantal mensen waarvoor dat gebied is ontworpen, worden gebruikt.

Omdat gemeenschappelijke verblijfsgebieden door gebruikers van verschillende woningen kunnen worden gebruikt en daarbij niet de situatie aanwezig hoeft te zijn dat slechts personen in een deel van het verblijfsgebied aanwezig zullen zijn, zullen op grond van het zevende lid alle gemeenschappelijke verblijfsgebieden gelijktijdig met de volle capaciteit moeten kunnen worden geventileerd.

OPMERKING Nico Scholten

1 “Het binnenhuisklimaat, in het bijzonder een ventilatieminimum, in Nederlandse woningen”, Gezondheidsraad, 1984.

Artikel 3.49.

In dit artikel zijn voorschriften gesteld betreffende de luchtsnelheid van de ventilatielucht, met het doel tochtverschijnselen tot een minimum te beperken. Dit voorschrift is niet voor een verblijfsruimte gegeven. Dat bij een verblijfsruimte geen hinderlijke tochtverschijnselen zich zullen voordoen is overgelaten aan de marktpartijen. Daarmee is invulling gegeven aan de gedachte van meer markt en minder overheid.

Het feit dat dit voorschrift over de luchtverversing voor een industriefunctie niet geldt, maakt het mogelijk dat de ventilatie van een industriegebouw uitsluitend tot stand komt via deuren. Dat geldt ook voor een overige gebruiksfunctie. Voor deze laatste functie kan de ventilatie ook totstandkomen via gaten in de gevel.

Artikel 3.50.

Met de eisen betreffende de regelbaarheid van de ventilatievoorziening is beoogd de gebruikers van de gebruiksfunctie de mogelijkheid te geven zelf de voorziening op de gewenste stand in te stellen. Er dient een nulstand te zijn. Die hoeft echter niet te leiden tot een absoluut luchtdicht rooster of klepraam. Daarnaast zijn er nog ten minste twee fijnregelstanden nodig. Daarmee is geregeld dat bij een grote windsterkte de ventilatietoevoer toch zo kan worden geregeld dat geen tochtverschijnselen optreden en niet onnodig veel ventilatielucht naar binnen komt. Een zelfregulerend rooster mag er voorts niet toe leiden dat er substantieel te weinig of te veel wordt geventileerd.

Het is niet de bedoeling dat de ventilatietoevoer naar een toilet- en badruimte een fijnregeling kent.

Een parkeergarage en een ruimte voor de opslag van afvalstoffen moet permanent worden geventileerd. Dit is de reden waarom volgens het derde lid een inlaatopening niet afsluitbaar mag zijn.

Artikel 3.51.

Het voorschrift inzake de richting van de luchtstroming is gesteld om te voorkomen dat bijvoorbeeld een afvoervoorziening als toevoer gaat werken. Tevens dient het er voor om te verifiëren dat de ventilatie ook daadwerkelijk tot stand kan komen. Vanwege het principe van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag ligt (zie algemeen deel van de toelichting), is bepaald dat bij het bepalen van de stromingsrichting geen rekening wordt gehouden met bouwwerken, die op een aangrenzend perceel zijn gelegen.

Artikel 3.52.

Dit voorschrift voorziet er in dat de kwaliteit van de ventilatielucht ter plaatse van de inlaat van een voldoende kwaliteit is om als ventilatielucht te kunnen worden gebruikt.

Het eerste lid leidt er toe dat tussen een toevoeropening van een ventilatievoorziening en een afvoeropening van een ventilatieopening en van een rookafvoer een zodanig afstand aanwezig is, dat door de wind de vervuilde lucht voldoende is gemengd met zuivere lucht opdat die lucht weer geschikt is als ventilatielucht.

Het tweede lid leidt er toe dat tussen een afvoeropening van een ventilatievoorziening en een toevoeropening van een ventilatieopening en van een verbrandingsluchttoevoer een zodanig afstand aanwezig is, dat door de wind de vervuilde lucht voldoende is gemengd met zuivere lucht opdat die lucht weer geschikt is ventilatielucht of verbrandingslucht die stroom via een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen.

Het derde en het vierde lid zijn de weerslag van het principe van gelijke monniken en gelijke kappen dat aan dit besluit ten grondslag ligt en dat in het algemeen deel van deze toelichting nader is beschreven.

Artikel 3.53.

In het eerste lid is praktisch gezien geregeld dat van de totale capaciteit aan ventilatielucht ten behoeve van alle verblijfsgebieden van de woning ten minste de helft van buiten moet worden aangezogen; het restant mag worden betrokken uit een ander tot de woning behorend verblijfsgebied of uit een tot de woning behorende ruimte waardoor een verkeersroute voert. Aan deze regulering ligt de gedachte ten grondslag dat in een gangbare gezinssituatie de gebruikers van de woning zich grotendeels ophouden in de woonkamer en keuken of in de slaapkamers, althans dat de verblijfsgebieden niet alle gelijktijdig volledig worden gebruikt. Met dit voorschrift is interne recirculatie van lucht toegestaan, hetgeen leidt tot energiebesparing, aangezien recirculatielucht niet meer behoeft te worden opgewarmd.

Het tweede lid regelt dat bij een gemeenschappelijk verblijfsgebied alle toevoerlucht rechtstreeks van buiten moet komen. Een gemeenschappelijk verblijfsgebied mag zijn ventilatielucht niet uit een gemeenschappelijk verblijfsgebied betrekken.

Voor de overige gebruiksfuncties bepaalt het derde lid dat alle verse lucht voor een al dan niet gemeenschappelijk verblijfsgebied rechtstreeks van buiten moet worden toegevoerd.

Op grond van het vierde lid, behoeft niet de gehele ventilatiecapaciteit van een verblijfsruimte met kooktoestel rechtstreeks naar buiten te worden afgevoerd. De afvoercapaciteit die uitgaat boven de 21 dm3/s die voor het koken nodig is, mag via een andere ruimte worden afgevoerd.

Het vijfde en het zesde lid bevatten eisen die strekken tot het rechtstreeks naar buiten afvoeren van sterk vervuilde binnenlucht. De bedoeling hiervan is te voorkomen dat onaangename geuren of grote hoeveelheden waterdamp zich verspreiden naar andere ruimten van de gebruiksfunctie.

§ 3.10.2.Bestaande bouw

Artikel 3.54.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking hebben op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de ventilatievoorziening, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort, de fijnregeling en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Artikel 3.55.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking hebben op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de ventilatievoorziening, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort, de fijnregeling en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Artikel 3.56.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking hebben op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de ventilatievoorziening, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort, de fijnregeling en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwartikelen wordt nog het volgende opgemerkt.

Het niveau van de geëiste ventilatiecapaciteit is het laagste dat in verblijfsruimten nog aanvaardbaar is uit het oogpunt van gezondheid en komt overeen met het minimum dat in de nieuwbouwvoorschriften voor verblijfsruimten, gerelateerd aan de laagste klasse van de bezettingsgraad die voor nieuwbouw is toegestaan, is geëist. Is sprake van een grotere bezetting, dan zullen b&w, zoals aangegeven in het algemeen gedeelte van de toelichting de grenswaarde dienovereenkomstig kunnen aanpassen om te beoordelen of er nog van een voldoende gezonde situatie sprake is.

De bepalingsmethode, vastgelegd in NEN 8087, laat het verder toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt.

Artikel 3.57.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking hebben op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de ventilatievoorziening, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort, de fijnregeling en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Artikel 3.58.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking hebben op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de ventilatievoorziening, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort, de fijnregeling en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Artikel 3.59.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking hebben op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de ventilatievoorziening, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort, de fijnregeling en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Afdeling 3.11.Spuivoorziening

§ 3.11.1.Nieuwbouw

Artikel 3.60.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor spuivoorzieningen voor te bouwen bouwwerken.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.61 bepaalt in welke situatie er ten behoeve van het snel kunnen afvoeren van verontreinigde binnenlucht beweegbare constructie-onderdelen (de spuivoorziening) in de gevel aanwezig moeten zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.62 bepaalt welke luchtverversingscapaciteit een spuivoorziening ten minste moet hebben (capaciteit), en
3.artikel 3.63 schrijft voor hoe groot de afstand tussen een spuivoorziening en de perceelsgrens ten minste moet zijn en hoe die afstand moet worden gemeten (plaatsbepaling).

Alleen voor de woonfunctie en de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang wijst de tabel van het tweede lid voorschriften aan. Voor de overige gebruiksfuncties worden geen enkel voorschrift aangewezen. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 3.61.

In het niet gemeenschappelijk gedeelte van een woonfunctie of een woonwagen en in een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang kunnen zich soms situaties voordoen dat snel een zeer grote mate van luchtverversing (doorspuiing) moet kunnen plaatsvinden. Hieraan ontstaat vooral behoefte wanneer een hoge concentratie van schadelijke of hinderlijke gassen optreedt, zoals bij schilderwerkzaamheden of luierlucht. De normale ventilatie is niet afgestemd op deze tijdelijke verhoogde ventilatiebehoefte. Met het oog op zulke situaties is voorgeschreven dat er in de gevel van een woning of de buitenwand van een woonwagen respectievelijk van een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang beweegbare ramen, luiken of deuren aanwezig zijn.

Het tweede lid houdt rekening met het feit dat in een kinderopvang (bezettingsgraadklasse B1) reeds zodanig veel reguliere ventilatiecapaciteit aanwezig is, dat een specifieke spuiventilatie geen toegevoegde waarde heeft.

Artikel 3.62.

Dit artikel regelt welke minimum capaciteit de doorspuivoorzieningen moeten hebben. Het uitgangspunt vormen eisen aan de totale capaciteit voor de luchtverversing van een verblijfsgebied van een woonfunctie of een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. Daarnaast is een eis gesteld aan de capaciteit voor de doorspuiïng van een verblijfsruimte. Laatstgenoemde eis dient om te verzekeren dat wanneer het verblijfsgebied na realisatie wordt ingedeeld in afzonderlijke verblijfsruimten, die afzonderlijke ruimten ook aan die eisen voldoen. De eis aan de verblijfsruimte betekent feitelijk dat indien men gebruik wil maken van de bepalingsmethoden met een toe- en afvoer in twee verschillende gevels of in een gevel en het dak er in de uitwendige scheidingsconstructie daarvan ten minste een luik, raam of deur aanwezig moet zijn waarmee die ruimte kan worden doorgespuid. Bij de bepaling van de doorspuicapaciteit mag worden uitgegaan van openstaande beweegbare constructie-onderdelen in de in- en uitwendige scheidingsconstructies van de woning of het gebouw met de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang.

Als gevolg van het feit dat ook voor een woonwagen nu de voorschriften zijn gerelateerd aan een verblijfsgebied en niet langer aan die van de woonwagen, geldt niet langer een voorschrift voor het doorspuien van de gehele woonwagen, maar is dit slechts beperkt tot het verblijfsgebied van die wagen.

De grootte van dergelijke beweegbare constructie-onderdelen is afhankelijk van de situering van die onderdelen. De in dit lid genoemde NEN 1087, die de bepalingsmethode voor de spuicapaciteit bevat, maakt onderscheid tussen een situatie waarbij die constructie-onderdelen zich slechts in één gevel bevinden, zoals bij rug-aan-rug-woningen, en een situatie waarbij die onderdelen zich in twee of meer gevels bevinden.

Artikel 3.63.

In dit artikel is aangegeven hoe groot de afstand tussen de deur, het raam of het luik dat als spuivoorziening dienst doet, en de perceelsgrens ten minste moet zijn. Beweegbare constructie-onderdelen die niet aan deze eis voldoen, mogen niet worden meegerekend bij de bepaling van de doorspuicapaciteit.

De reden achter dit voorschrift is het beginsel van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag ligt. Er wordt bij de bepaling van de spuicapaciteit geen rekening gehouden met bouwwerken, gelegen op een aangrenzend perceel. Er zal een zekere afstand aanwezig moeten zijn om te zorgen dat de spuiventilatie tot stand komt.

Voor een woonwagen moet als perceelsgrens de grens van de standplaats worden aangehouden.

§ 3.11.2.Bestaande bouw

Artikel 3.64.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.11.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.65.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.11.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.66.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.11.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3.12.Luchtverversing van overige ruimten

§ 3.12.1.Nieuwbouw

Artikel 3.67.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor luchtverversing van overige ruimten voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.68 bepaalt in welke situatie er een voorziening voor luchtverversing aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.69 bepaalt wat voor capaciteit de voorziening ten minste moet hebben (capaciteit);
3.artikel 3.70 bevat voorschriften omtrent het kunnen regelen van de voorziening door de gebruiker (regelbaarheid);
4.artikel 3.71 bepaalt de richting van de luchtstroming van en naar de voorziening (stromingsrichting);
5.artikel 3.72 stelt eisen betreffende de plaats van de instroomopening van de toevoervoorziening (plaats van de opening), en
6.artikel 3.73 bepaalt vanwaar de verse lucht naar een verblijfsgebied of verblijfsruimte moet worden toegevoerd en waarheen deze moet worden afgevoerd (luchtkwaliteit).

Voor de gebruiksfunctie ‘ander bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfunctie niet van toepassing is.

In deze paragraaf zijn geen voorschiften opgenomen voor een ruimte ten behoeve van het stallen van een motorvoertuig. Dat wil niet zeggen dat indien een auto wordt gestald in een ruimte die daar niet primair voor is bedoeld en dus niet is aan te merken als een verblijfsgebied/verblijfsruimte voor het stallen van een motorvoertuig, er geen eisen zouden moeten gelden. Dan zal toepassing moeten worden gegeven aan de dienovereenkomstig gegeven voorschriften in afdeling 3.10.

Artikel 3.68.

Ventilatie is niet alleen voor een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte noodzakelijk, maar ook voor een aantal andere ruimten in een gebruiksfunctie. Deze ruimten zijn weliswaar niet bestemd voor langdurig verblijf van mensen, maar kunnen door de aard van hun gebruik een verhoogde kans op verontreiniging of andersoortig gevaar voor de gezondheid van de gebruikers opleveren.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening waarmee die andere ruimten in een gebruiksfunctie langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd. Zo’n ventilatievoorziening moet er om te beginnen zijn voor gemeenschappelijke gangen, trappenhuizen en dergelijke in woon- en logiesgebouwen. De gestelde eisen ten aanzien van een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte strekken ertoe de kwaliteit van de binnenlucht in die ruimte op peil te houden.

Voor een liftkooi geldt dat er op een kleine oppervlakte veel mensen kunnen samenzijn. Bij langdurig gebruik van de liftkooi, bijvoorbeeld in geval van een storing, is bij gebrek aan ventilatie de kans groot op sterke verontreiniging van de lucht in de liftkooi en kan er een hoge temperatuur ontstaan. Om die reden moet de liftschacht voldoende worden geventileerd. De voorschriften voor de ventilatie van de liftkooi zijn onderwerp van regeling van het Warenwetbesluit liften.

De aan de ventilatie van een meterruimte gestelde eis strekt ertoe dat, indien nabij een aansluiting van een gasmeter onverhoopt enige gaslekkage optreedt, dit gas in voldoende mate wordt verdund, zodat de kans op explosie beperkt is.

Tenslotte is ventilatie voorgeschreven voor grote opslagruimten voor afval, teneinde de kans te beperken dat er door de opslag van grote hoeveelheden afval stankhinder in de rest van het gebouw ontstaat.

Voor “tunnel of daarmee vergelijkbaar bouwwerk” bevat het zesde lid een functionele eis. Op grond hiervan kunnen burgemeester en wethouders bij de toetsing van een bouwaanvraag beoordelen of in voldoende mate in ventilatie is voorzien, afhankelijk van de bestemming en de grootte van dat bouwwerk. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een langgerekte autotunnel, die ventilatie behoeft om te voorkomen dat zich daarin schadelijke gassen ophopen.

Artikel 3.69.

Met dit artikel wordt beoogd dat de door de mens en door afval veroorzaakte verontreiniging en verhitting van de lucht in een gebouw op een voldoelde laag peil worden gehouden, concentratie van ontplofbare gassen wordt voorkomen en geurstoffen in voldoende mate worden afgevoerd. De voor de onderscheiden ruimten vereiste capaciteit van de luchtverversing is gerelateerd aan de aard van het gebruik van die ruimten. Evenals in paragraaf 3.10.1 is voor de bepaling van de capaciteit verwezen naar NEN 1087.

Voor de liftschacht is een gekwantificeerde eis gegeven, maar daarnaast moet de liftschacht zoveel worden geventileerd dat er voor wat betreft de liftkooi voldaan kan worden aan de op grond van het Warenwetbesluit liften, in welk besluit de liftenrichtlijn (95/EG/16) is geïmplementeeerd, gestelde eis. Zie daartoe ook NEN EN 81-1 en NEN EN 81-2, telkens onderdeel 5.2.3. De gangbare ventilatie-eis voor de liftkooi is 6 dm³/s per m² vloeroppervlakte van de liftkooi, bepaald volgens NEN 1087.

Aan de hand van ISO 4190-1:1999 (International Standard, Lift-installation Standard) is bepaald wat de relatie is tussen de vloeroppervlakte van de liftkooi en van de liftschacht en vervolgens bij welke ventilatiecapaciteit van de liftschacht de ventilatiecapaciteit voor de liftkooi is gewaarborgd.

Artikel 3.70.

Het is niet de bedoeling dat door ingrijpen van de mens de ventilatie, zoals in deze paragraaf is bedoeld, met de hand kan worden teruggeregeld tot nul. Dat kan tot overmatige stankverspreiding of tot een te grote mate van onveiligheid leiden.

Artikel 3.71.

Het voorschrift inzake de richting van de luchtstroming is gesteld om te voorkomen dat bijvoorbeeld een afvoervoorziening als toevoer gaat werken. Tevens dient het er voor om te verifiëren dat de ventilatie ook daadwerkelijk tot stand kan komen.

Vanwege het principe van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag ligt (zie algemeen deel van de toelichting), is bepaald dat bij het bepalen van de stromingsrichting geen rekening wordt gehouden met bouwwerken, die op een aangrenzend perceel zijn gelegen.

Artikel 3.72.

Het eerste lid leidt er toe dat tussen een afvoeropening van een ventilatievoorziening en een toevoeropening van een ventilatieopening en van een verbrandingsluchttoevoer een zodanig afstand aanwezig is, dat door de wind de vervuilde lucht voldoende is gemengd met zuivere lucht opdat die lucht weer geschikt is ventilatielucht of verbrandingslucht die stroom via een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen.

Vanwege het principe van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag ligt (zie algemeen deel van de toelichting), is bepaald dat bij het bepalen van de luchtkwaliteit geen rekening wordt gehouden met bouwwerken, die op een aangrenzend perceel zijn gelegen.

Aan het tweede lid ligt eveneens het principe van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag (zie algemeen deel van de toelichting). Dit voorschrift heeft voorts tot doel dat ten minste een zekere mate van ventilatie tot stand komt indien op korte afstand op een aangrenzend perceel wel een bouwwerk aanwezig is.

Artikel 3.73.

Dit artikel regelt allereerst voor opslagruimten voor afval en voor gemeenschappelijke verkeersruimten, dat de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht rechtstreeks van en naar buiten plaatsvinden. In opslagruimten voor afval vloeit uit de aard van het gebruik voort dat de binnenlucht wordt verontreinigd. Een open verbinding met andere ruimten zou verspreiding van deze verontreiniging door de rest van het gebouw tot gevolg hebben.

Indien bijvoorbeeld een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte in een woongebouw zijn lucht zou aanzuigen uit daaraan grenzende woningen, dan zouden geurstoffen zich door het gehele gebouw kunnen verspreiden, dus ook van de ene woning naar de andere woning. Dat nu is niet de bedoeling. Dat is ook mede de reden waarom in afdeling 5.2 luchtdoorlatendheidseisen zijn gesteld aan een groep van niet-gemeenschappelijke ruimten van een woonfunctie (woning).

Ten aanzien van liftschachten (voor brandweerliften) is het oogmerk van het voorschrift dat deze liften in geval van brand niet onbruikbaar worden doordat er rook kan binnendringen vanuit andere ruimten. Voorkomen moet worden dat als een lift in geval van brand komt vast te zitten, mensen in de liftkooi door verstikking met rook om het leven komen.

§ 3.12.2.Bestaande bouw

Artikel 3.74.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.75.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwvoorschriften valt het volgende op te merken.

Anders dan in de nieuwbouwvoorschriften is aan de luchtverversing van een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte geen eis gesteld. De reden hiervan is dat hiervoor tot dusver geen eis heeft gegolden en een verplichting om alsnog te voldoen aan zodanige eis te ver zou voeren.

Artikel 3.76.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwvoorschriften valt het volgende op te merken.

De capaciteit wordt bepaald volgens NEN 8087. Dit normblad staat toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt.

Voor een liftschacht is aangesloten bij de in het kader van de liftenrichtlijn (95/16/EG) geharmoniseerde normbladen.

Artikel 3.77.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.78.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwvoorschriften valt het volgende op te merken.

Het gestelde in het eerste lid is nieuw ingevoerd ten opzichte van de voorschriften die tot 31 december hebben gegolden. Dit voorschrift is een gevolg van de implementatie van de liftenrichtlijn (95/16/EG) en noopt er in voorkomende gevallen toe dat de ventilatie van een liftschacht ingrijpend wordt aangepast.

Afdeling 3.13.Toevoer van verbrandingslucht

§ 3.13.1.Nieuwbouw

Artikel 3.79.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de toevoer van verbrandingslucht voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.80 bepaalt dat er in een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel een voorziening moet zijn voor de toevoer van verbrandingslucht voor dat toestel (aanwezigheid);
2.artikel 3.81 bepaalt wat voor capaciteit de toevoervoorziening ten minste moet hebben (capaciteit);
3.artikel 3.82 stelt eisen omtrent de richting van de luchtstroming in de toevoervoorziening (stromingsrichting);
4.artikel 3.83 stelt eisen omtrent de plaats van de instroomopening van de toevoervoorziening (plaats van de opening);
5.artikel 3.84 bepaalt voor de leefzone van verblijfsruimten de maximale luchtsnelheid van de toegevoerde lucht (comfort);
6.artikel 3.85 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
7.artikel 3.86 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor de gebruiksfunctie ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfunctie niet van toepassing is.

Artikel 3.80.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht bij opstelplaatsen voor verbrandingstoestellen die op gas, olie of vaste brandstof worden gestookt. Het gaat hierbij om componenten zoals luchtroosters, luchtkanalen en eventueel overstroomcomponenten. De toevoercomponent hoeft niet te zijn gelegen in ruimte waarin de opstelplaats van het verbrandingskanaal zich bevindt. Via de gebruiksvoorschriften van de gemeentelijke bouwverordening moet zijn geregeld dat bij een in gebruik zijnd verbrandingstoestel de toevoer van verbrandingslucht ook daadwerkelijk functioneert.

Hiermee wordt bewerkstelligd dat de verbranding zodanig geschiedt dat er niet onnodig schadelijke stoffen, zoals koolmonoxyde, ontstaan die zich binnen de het gebouw verspreiden.

Van deze eis zijn uitgezonderd opstelplaatsen voor kook- en warmwatertoestellen met een gering vermogen. Dit zijn in het algemeen toestellen voor huishoudelijk gebruik, zoals een kooktoestel of een geiser. Voor een dergelijke situatie is een voor normale verbranding noodzakelijke toevoer van verse lucht geregeld in artikel 3.48, derde lid, als het kook- of warmwatertoestel in een verblijfsgebied of verblijfsruimte ligt. Is daarentegen het verbrandingstoestel met gering vermogen in een andere ruimte gelegen, dan zal de gebruiker op voldoende ventilatie moeten toezien. Daartoe is in de gemeentelijke bouwverordening een gebruiksvoorschrift opgenomen. Ook bij ligging in een verblijfsgebied of verblijfsruimte moet de ventilatie natuurlijk wel in bedrijf zijn bij gebruik van het verbrandingstoestel, wil niet een voor de gezondheid gevaarlijke situatie kunnen ontstaan.

Artikel 3.81.

De vereiste toevoervoorziening moeten zorgen voor voldoende toevoer van voor verbranding geschikte lucht. Dat mag best lucht zijn die ook voor ventilatie van de ruimte bestemd is. Hoeveel lucht er nodig is, is afhankelijk van de belasting van de te plaatsen verbrandingstoestellen en de te gebruiken brandstof. Bij verbrandingstoestellen met een totale capaciteit van ten hoogste 130 kW wordt deze capaciteit aan de hand van de tabel berekend. Daarboven is veelal een milieuvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieuvergunning vereist, in welke vergunning nadere voorschriften omtrent de verbrandingsluchttoevoer kunnen worden opgenomen. De voorwaarden zullen dan bij de verlening van de bouwvergunning mede in beschouwing moeten worden genomen.

Voor de bepaling van de capaciteit is verwezen naar NEN 1087. Dit normblad kan niet in zijn volle omvang worden toegepast omdat namelijk de afvoer niet bekend is, zodat geen luchtstromingstrajecten kunnen worden bepaald. Bij de toepassing van het normblad moet van de fictie worden uitgegaan dat de afvoer van de lucht (in de vorm van rook) niet bepalend is voor het functioneren van de luchtstroming. Met andere woorden: de afvoer is altijd groot genoeg om de minimumcapaciteit van de toevoercomponent en de overstroomcomponent te laten functioneren.

Omdat in de praktijk ten tijde van de bouwaanvraag veelal het verbrandingstoestel nog niet bekend is, is in het tweede lid een voorschrift gegeven waarmee een voorziening voor verbrandingsluchttoevoer kan worden bepaald die toereikend is voor het bouwwerk in zijn gebruiksstadium. Uitgegaan moet worden van een zodanige belasting van het verbrandingstoestel dat met gangbare toestellen de installatie kan worden gemaakt, zonder dat er strijd met het Bouwbesluit 2003 optreedt.

Bij het berekenen van de benodigde capaciteit voor opstelplaatsen voor een kook-, stook- en warmwatertoestel moet worden uitgegaan van een op gas gestookt toestel. De in rekening te brengen belasting mag niet lager zijn dan aangegeven is.

Het derde lid bevat een bijzondere regeling voor CLV-systemen. Dat is een syteem dat werkt op natuurlijke trek en dat bestaat uit een combinatie van een leiding of kanaal voor de gemeenschappelijke toevoer van verbrandingslucht en een leiding of kanaal voor de gemeenschappelijke afvoer van rook, uitsluitend bestemd voor met gas gestookte gesloten toestellen voorzien van een ventilator.

Artikel 3.82.

Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de toevoervoorziening lucht afvoert in plaats van toevoert. Het voorschrift voorziet er tevens in dat de toevoer ook daadwerkelijk de benodigde capaciteit kan realiseren.

Vanwege het principe van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag ligt (zie algemeen deel van de toelichting), is bepaald dat bij het bepalen van de richting van de stroming geen rekening wordt gehouden met bouwwerken, die op een aangrenzend perceel zijn gelegen.

Artikel 3.83.

Deze artikelen geven voorschriften omtrent de inrichting van de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht en reguleren de kwaliteit van de toegevoerde lucht en het voorkomen dat het thermisch comfort door tocht te zeer achteruitgaat. De voorschriften komen voor een voorziening ten behoeve van een verbrandingstoestel dat is opgesteld in een verblijfsgebied of verblijfsruimte, overeen met de eisen die artikel 3.49 stelt aan een voorziening betreffende de toevoer van verse lucht. De eisen luiden gelijk.

Met het derde lid van artikel 3.83 is beoogd te voorkomen dat de toevoer van verbrandings-lucht wordt belemmerd als gevolg van ophoping van bijvoorbeeld bladeren of sneeuw.

Artikel 3.84.

Deze artikelen geven voorschriften omtrent de inrichting van de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht en reguleren de kwaliteit van de toegevoerde lucht en het voorkomen dat het thermisch comfort door tocht te zeer achteruitgaat. De voorschriften komen voor een voorziening ten behoeve van een verbrandingstoestel dat is opgesteld in een verblijfsgebied of verblijfsruimte, overeen met de eisen die artikel 3.49 stelt aan een voorziening betreffende de toevoer van verse lucht. De eisen luiden gelijk.

§ 3.13.2.Bestaande bouw

Artikel 3.87.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.13.1.Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De capaciteit wordt bepaald volgens NEN 8087. Dit normblad staat toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de toevoer plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Artikel 3.88.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.13.1.Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De capaciteit wordt bepaald volgens NEN 8087. Dit normblad staat toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de toevoer plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Artikel 3.89.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.13.1.Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De capaciteit wordt bepaald volgens NEN 8087. Dit normblad staat toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de toevoer plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Artikel 3.90.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.13.1.Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De capaciteit wordt bepaald volgens NEN 8087. Dit normblad staat toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt.

Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan bepaalde inrichtingseisen van de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht, zoals ten aanzien van vermindering van het thermisch comfort en de verdunning van afvoerlucht. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de toevoer plaatsvindt. Zouden wel deze inrichtingseisen worden gesteld, dan ontstaat snel een situatie die strijdig is met het rechtens verkregen niveau waarbij de kosten die gemoeid zijn met het alsnog aanpassen niet opwegen tegen de meer gezonde situatie die dan ontstaat.

Afdeling 3.14.Afvoer van rook

§ 3.14.1.Nieuwbouw

Artikel 3.91.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor afvoer van rook voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.92 bepaalt dat er in een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel een voorziening moet zijn voor de afvoer van verbrandingslucht van dat toestel (aanwezigheid);
2.artikel 3.93 bepaalt wat voor capaciteit de afvoervoorziening ten minste moet hebben (capaciteit);
3.artikel 3.94 stelt eisen omtrent de plaats van de uitmonding van de afvoervoorziening (plaats van de uitmonding);
4.artikel 3.95 stelt eisen omtrent de richting van de stroming van de rook in de afvoervoorziening (stromingsrichting);
5.artikel 3.96 bepaalt de maximale rookdoorlatendheid van de afvoervoorziening (rookdoorlatendheid);
6.artikel 3.97 bepaalt dat de afvoervoorziening moet zijn uitgerust met een goed werkende kap (kap);
7.artikel 3.98 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
8.artikel 3.99 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor de gebruiksfunctie ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfunctie niet van toepassing is.

Artikel 3.92.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van voorzieningen voor de afvoer van rook bij opstelplaatsen voor verbrandingstoestellen die op gas, olie of vaste brandstof worden gestookt. Het gaat hierbij om voorzieningen zoals kanalen en uitmondingen. Van deze eis zijn uitgezonderd opstelplaatsen voor kook- en warmwatertoestellen met gering vermogen. Dit zijn in het algemeen toestellen voor huishoudelijk gebruik, zoals een kooktoestel of een geiser. Voor een dergelijke situatie is een bij normale verbranding noodzakelijke afvoer van met rookgas verontreinigde binnenlucht geregeld in artikel 3.48, derde lid, als het kook- of warmwatertoestel in een verblijfsgebied of verblijfsruimte ligt. Is daarentegen het verbrandingstoestel met gering vermogen in een andere ruimte gelegen, dan zal de gebruiker op voldoende ventilatie moeten toezien. Daartoe is in de gemeentelijke bouwverordening een gebruiksvoorschrift opgenomen.

Ook bij ligging in een verblijfsgebied of verblijfsruimte moet de afvoer natuurlijk wel in bedrijf zijn bij gebruik van het verbrandingstoestel, wil niet een voor de gezondheid ongewenste situatie kunnen ontstaan.

De bedoeling van de eis is te bereiken dat de bij normale verbranding vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes naar buiten worden afgevoerd. Hierbij kan worden gedacht aan waterdamp, onverbrand gas, zwaveldioxide en roet.

Artikel 3.93.

De vereiste afvoervoorziening moet voldoende capaciteit hebben om de bij de verbranding vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes te kunnen afvoeren. Hoeveel afvoercapaciteit er nodig is, is afhankelijk van de belasting van de te plaatsen verbrandingstoestellen en de te gebruiken brandstof weergegeven in formule 3.93. Bij verbrandingstoestellen met een totale capaciteit van ten hoogste 130 kW wordt deze capaciteit mede aan de hand van de in tabel 3.93 gegeven verdunningsfactor van de rook berekend. Daarboven is veelal een milieuvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieuvergunning vereist, in welke vergunning nadere voorschriften omtrent de verbrandingsluchttoevoer kunnen worden opgenomen. De voorwaarden zullen dan bij de verlening van de bouwvergunning mede in beschouwing moeten worden genomen.

Omdat in de praktijk ten tijde van de bouwaanvraag veelal het verbrandingstoestel nog niet bekend is, is in het tweede lid een voorschrift gegeven waarmee een voorziening voor afvoer van rook kan worden bepaald die toereikend is voor het bouwwerk in zijn gebruiksstadium. Uitgegaan moet worden van een zodanige belasting van het verbrandingstoestel dat met gangbare toestellen de installatie kan worden gemaakt, zonder dat er strijd met het Bouwbesluit 2003 optreedt.

Bij het berekenen van de benodigde capaciteit van opstelplaatsen voor een kook-, stook- en warmwatertoestel moet daarbij worden uitgegaan van een op gas gestookt toestel. De in rekening te brengen belasting van dit toestel mag niet lager zijn dan is aangegeven.

Het vijfde lid bevat een bijzondere regeling voor CLV-systemen. Dat is een syteem dat werkt op natuurlijke trek en dat bestaat uit een combinatie van een leiding of kanaal voor de gemeenschappelijke toevoer van verbrandingslucht en een leiding of kanaal voor de gemeenschappelijke afvoer van rook, uitsluitend bestemd voor met gas gestookte gesloten toestellen voorzien van een ventilator.

Artikel 3.94.

Met dit voorschrift wordt beoogd te voorkomen dat de concentratie van rook ter plaatse van instroomopeningen van een voorziening voor luchtverversing en een voorziening voor toevoer van verbrandingslucht te hoog wordt.

Vanwege het principe van gelijke monniken, gelijke kappen ten grondslag ligt (zie algemeen deel van de toelichting), is bepaald dat bij het bepalen van de kwaliteit van de toevoerlucht (positionering van de uitmonding) geen rekening wordt gehouden met bouwwerken, die op een aangrenzend perceel zijn gelegen.

Aan het tweede lid ligt eveneens het principe van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag (zie algemeen deel van de toelichting). Dit voorschrift heeft voorts tot doel dat ten minste een zekere mate van afvoer tot stand komt indien op korte afstand op een aangrenzend perceel wel een bouwwerk aanwezig is.

Met het derde lid van artikel 3.94 is beoogd te voorkomen dat de afvoer van rook wordt belemmerd als gevolg van ophoping van bijvoorbeeld bladeren of sneeuw.

Artikel 3.95.

Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de voorziening voor de afvoer van rook niet goed functioneert en de rook niet voldoende afvoert. Het voorschrift voorziet er tevens in dat de toevoer ook daadwerkelijk de benodigde capaciteit kan realiseren.

Vanwege het principe van gelijke monniken, gelijke kappen dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag ligt (zie algemeen deel van de toelichting), is bepaald dat bij het bepalen van de richting van de stroming geen rekening wordt gehouden met bouwwerken, die op een aangrenzend perceel zijn gelegen.

Artikel 3.96.

Dit voorschrift heeft als doel te voorkomen dat dampen, gassen of fijne vaste deeltjes zich tijdens de afvoer naar buiten alsnog binnen het gebouw verspreiden. De eisen aan een overdrukvoorziening zijn daarbij abusievelijk gelijk gesteld aan die welke gelden voor de dichtheid van een stuk buis. De eis leidt er toe dat alleen nog gelaste verbindingen mogen worden toegepast. Een voorziening voor de afvoer van rook zou minder rookdicht mogen zijn, zonder dat een voor de gezondheid schadelijke situatie ontstaat.

In het TNO Bouw memorandum 1997-BKR-M199/SNN/SSC van 23 mei 1995 is daar aandacht voor gevraagd. Impliciet is bij het gegeven voorschrift uitgegaan van een eis van 1.000 ppm aan maximale verbrandingscomponenten in de rook, terwijl naar het oordeel van de voormalige normsubcommissie 351 074 14 zou hebben kunnen worden volstaan met 300 ppm. Volstaan zou daarom kunnen worden met 0,05*10-3 m3/s per m2 inwendig oppervlak van de wand van de voorziening.

Bij een onderdrukvoorziening, zoals een schoorsteen die werkt op normale trek, leidt het ontbreken van een stootvoeg nog niet tot strijd met het voorschrift.

Artikel 3.97.

Bij het bepalen van de stromingsrichting volgens artikel 3.95 behoeft geen rekening te worden gehouden met omliggende bebouwing en andere obstakels buiten het perceel. Daardoor kan afgevoerde rook door valwinden eventueel toch terugstromen in het gebouw. Met een goed functionerende kap kan dit worden tegengegaan. GIVEG gekeurde kappen zijn echter niet verplicht gesteld. Ook andersoortige kappen kunnen aan het voorschrift voldoen.

§ 3.14.2.Bestaande bouw

Artikel 3.100.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de afvoer van rook. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften verwijzen voor de bepaling of aan de grenswaarden is voldaan naar NEN 2757. Echter in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn nadere voorschriften opgenomen in paragraaf 4.1 ten einde er voor te zorgen dat de voorschriften aansluiten bij het rechtens verkregen niveau van eertijds verleende bouwvergunningen. Tezamen met die nadere voorschriften wordt een situatie bereikt die overeenkomt met de voorschriften zoals die in de zestiger-zeventiger jaren hebben geluid. Het niveau wat destijds als gezond werd ervaren kan nog juist als ondergrens voor de bestaande bouw worden geaccepteerd. Dit niveau komt overeen met hetgeen daaromtrent is gesteld in de brochure Bodemniveau Gasinstallaties van 15 september 1992, die door EnergieNed wordt uitgegeven.

Het Nederlands Normalisatie-instituut heeft NEN 8757 in voorbereiding waarvan het de bedoeling is dat die in de plaats zal treden van NEN 2757 in samenhang met de nadere voorschriften uit de ministeriële regeling.

Artikel 3.101.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de afvoer van rook. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften verwijzen voor de bepaling of aan de grenswaarden is voldaan naar NEN 2757. Echter in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn nadere voorschriften opgenomen in paragraaf 4.1 ten einde er voor te zorgen dat de voorschriften aansluiten bij het rechtens verkregen niveau van eertijds verleende bouwvergunningen. Tezamen met die nadere voorschriften wordt een situatie bereikt die overeenkomt met de voorschriften zoals die in de zestiger-zeventiger jaren hebben geluid. Het niveau wat destijds als gezond werd ervaren kan nog juist als ondergrens voor de bestaande bouw worden geaccepteerd. Dit niveau komt overeen met hetgeen daaromtrent is gesteld in de brochure Bodemniveau Gasinstallaties van 15 september 1992, die door EnergieNed wordt uitgegeven.

Het Nederlands Normalisatie-instituut heeft NEN 8757 in voorbereiding waarvan het de bedoeling is dat die in de plaats zal treden van NEN 2757 in samenhang met de nadere voorschriften uit de ministeriële regeling.

Artikel 3.102.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de afvoer van rook. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften verwijzen voor de bepaling of aan de grenswaarden is voldaan naar NEN 2757. Echter in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn nadere voorschriften opgenomen in paragraaf 4.1 ten einde er voor te zorgen dat de voorschriften aansluiten bij het rechtens verkregen niveau van eertijds verleende bouwvergunningen. Tezamen met die nadere voorschriften wordt een situatie bereikt die overeenkomt met de voorschriften zoals die in de zestiger-zeventiger jaren hebben geluid. Het niveau wat destijds als gezond werd ervaren kan nog juist als ondergrens voor de bestaande bouw worden geaccepteerd. Dit niveau komt overeen met hetgeen daaromtrent is gesteld in de brochure Bodemniveau Gasinstallaties van 15 september 1992, die door EnergieNed wordt uitgegeven.

Het Nederlands Normalisatie-instituut heeft NEN 8757 in voorbereiding waarvan het de bedoeling is dat die in de plaats zal treden van NEN 2757 in samenhang met de nadere voorschriften uit de ministeriële regeling.

Artikel 3.103.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de afvoer van rook. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften verwijzen voor de bepaling of aan de grenswaarden is voldaan naar NEN 2757. Echter in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn nadere voorschriften opgenomen in paragraaf 4.1 ten einde er voor te zorgen dat de voorschriften aansluiten bij het rechtens verkregen niveau van eertijds verleende bouwvergunningen. Tezamen met die nadere voorschriften wordt een situatie bereikt die overeenkomt met de voorschriften zoals die in de zestiger-zeventiger jaren hebben geluid. Het niveau wat destijds als gezond werd ervaren kan nog juist als ondergrens voor de bestaande bouw worden geaccepteerd. Dit niveau komt overeen met hetgeen daaromtrent is gesteld in de brochure Bodemniveau Gasinstallaties van 15 september 1992, die door EnergieNed wordt uitgegeven.

Het Nederlands Normalisatie-instituut heeft NEN 8757 in voorbereiding waarvan het de bedoeling is dat die in de plaats zal treden van NEN 2757 in samenhang met de nadere voorschriften uit de ministeriële regeling.

Artikel 3.104.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de afvoer van rook. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften verwijzen voor de bepaling of aan de grenswaarden is voldaan naar NEN 2757. Echter in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn nadere voorschriften opgenomen in paragraaf 4.1 ten einde er voor te zorgen dat de voorschriften aansluiten bij het rechtens verkregen niveau van eertijds verleende bouwvergunningen. Tezamen met die nadere voorschriften wordt een situatie bereikt die overeenkomt met de voorschriften zoals die in de zestiger-zeventiger jaren hebben geluid. Het niveau wat destijds als gezond werd ervaren kan nog juist als ondergrens voor de bestaande bouw worden geaccepteerd. Dit niveau komt overeen met hetgeen daaromtrent is gesteld in de brochure Bodemniveau Gasinstallaties van 15 september 1992, die door EnergieNed wordt uitgegeven.

Het Nederlands Normalisatie-instituut heeft NEN 8757 in voorbereiding waarvan het de bedoeling is dat die in de plaats zal treden van NEN 2757 in samenhang met de nadere voorschriften uit de ministeriële regeling.

Artikel 3.105.

De in deze paragraaf gegeven voorschriften hebben betrekking op bestaande voorzieningen voor de afvoer van rook. Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften verwijzen voor de bepaling of aan de grenswaarden is voldaan naar NEN 2757. Echter in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn nadere voorschriften opgenomen in paragraaf 4.1 ten einde er voor te zorgen dat de voorschriften aansluiten bij het rechtens verkregen niveau van eertijds verleende bouwvergunningen. Tezamen met die nadere voorschriften wordt een situatie bereikt die overeenkomt met de voorschriften zoals die in de zestiger-zeventiger jaren hebben geluid. Het niveau wat destijds als gezond werd ervaren kan nog juist als ondergrens voor de bestaande bouw worden geaccepteerd. Dit niveau komt overeen met hetgeen daaromtrent is gesteld in de brochure Bodemniveau Gasinstallaties van 15 september 1992, die door EnergieNed wordt uitgegeven.

Het Nederlands Normalisatie-instituut heeft NEN 8757 in voorbereiding waarvan het de bedoeling is dat die in de plaats zal treden van NEN 2757 in samenhang met de nadere voorschriften uit de ministeriële regeling.

Afdeling 3.15.Beperking van de toepassing van schadelijke materialen

§ 3.15.1.Nieuwbouw

Artikel 3.106.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van de toepassing van schadelijke materialen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.107.

Voorheen werd gesproken van het beperken van stoffen die uit het oogpunt van gezondheid onaanvaardbaar vergiftig of hinderlijk voor de gezondheid zijn. Hierbij kan, wat schadelijke stoffen betreft, worden gedacht aan formaldehyde, asbest, brandvertragende middelen en houtverduurzamingsmiddelen en, wat ioniserende stralen betreft, aan radionuclide (radon) uit fosforhoudend gips. Voor welke stoffen voorschriften waren gegeven was geregeld in de Regeling Bouwbesluit materialen 1998.

In de huidige tekst gaat het om het beperken van voor de gezondheid schadelijke stoffen. Dit artikel verleent de bevoegdheid om bij ministeriële regeling voorschriften te geven betreffende de te gebruiken materialen. Het kan hierbij zowel om het materiaal zelf als om de wijze van toepassing gaan. In de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn de voorschriften van de eerdere Regeling Bouwbesluit materialen 1998 nagenoeg integraal opgenomen. Hieruit blijkt dat de voorschriften ter beperking van schadelijke materialen niet zijn veranderd.

§ 3.15.2.Bestaande bouw

Artikel 3.109a

Zie de toelichtingen op de overeenkomstige artikelen van paragraaf 3.15.1 Nieuwbouw.

Met behulp van de in deze paragraaf opgenomen voorschriften is het mogelijk geworden aan te schrijven wegens de aanwezigheid van bijvoorbeeld asbestdeeltjes in een ruimte vanwege strijd met de voorschriften voor de bestaande bouw. Tot 1 september 2005 was het alleen mogelijk aan te schrijven wegens strijd met de voorschriften voor nieuwbouw en had de gemeente een specifieke motiveringsplicht, waarover nadere uitleg was gegeven in de Regeling Bouwbesluit materialen 1998 (Stcrt, 1998, 77).

Artikel 3.109b

Zie de toelichtingen op de overeenkomstige artikelen van paragraaf 3.15.1 Nieuwbouw.

Met behulp van de in deze paragraaf opgenomen voorschriften is het mogelijk geworden aan te schrijven wegens de aanwezigheid van bijvoorbeeld asbestdeeltjes in een ruimte vanwege strijd met de voorschriften voor de bestaande bouw. Tot 1 september 2005 was het alleen mogelijk aan te schrijven wegens strijd met de voorschriften voor nieuwbouw en had de gemeente een specifieke motiveringsplicht, waarover nadere uitleg was gegeven in de Regeling Bouwbesluit materialen 1998 (Stcrt, 1998, 77).

Afdeling 3.16.Beperking van het kunnen binnendringen van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling, nieuwbouw

Artikel 3.110.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van het kunnen binnendringen van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Voor de industriefunctie, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 3.111.

Dit artikel verleent de bevoegdheid om bij ministeriële regeling eisen te stellen aan scheidingsconstructies met de grond en met de kruipruimte. Tot dusverre is van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt. Bij het stellen van regels kan bijvoorbeeld worden gedacht aan uit de bodem afkomstig radon dat als carcinogeen is aangemerkt. Studies daaromtrent zijn nog gaande. Daarbij kan dan tevens rekening worden gehouden met een te verwachten EEG-richtlijn op dit punt. De problematiek met betrekking tot de blootstelling aan radon heeft de nadrukkelijke aandacht van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, hetgeen onder meer blijkt uit haar aanbeveling van 21 februari 1990 inzake de bescherming van de bevolking tegen blootstelling aan radon binnenshuis (90/143/Euratom, PbEG L 80).

Afdeling 3.17.Bescherming tegen ratten en muizen

§ 3.17.1.Nieuwbouw

Artikel 3.114.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor bescherming tegen ratten en muizen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.115 bepaalt dat een gebouw geen openingen mag hebben van meer dan 1 cm breed die niet kunnen worden afgesloten, op enkele uitzonderingen na (openingen), en
2.artikel 3.116 bepaalt dat bij de buitenwanden van een gebouw een scherm in de grond aanwezig is (scherm).

Voor de industriefunctie, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 3.115.

Met het eerste lid is beoogd zoveel mogelijk te voorkomen dat ratten en muizen in een gebouw of in de spouw van een gevel dan wel onder de dakpannen kunnen binnendringen en zich daar vervolgens kunnen nestelen. Dit, in verband met het feit dat dergelijk gedierte ziekten kan verspreiden. Dit voorschrift leidt er onder meer toe dat aan de voet van daken zogenoemde vogelschroten dienen te worden toegepast.

De uitzonderingen op de eis betekenen onder meer, dat een schoorsteen van een bouwwerk niet behoeft te worden voorzien van een rooster.

Het tweede lid voorziet in een regeling als een woning bijvoorbeeld grenst aan een garage of een buitenberging.

Artikel 3.116.

Het hier voorgeschreven scherm dat ten minste 60 cm de grond in gaat, dient ertoe om zoveel mogelijk te voorkomen dat ratten of muizen van onderen af toegang krijgen tot een bouwwerk of zich onder dat gebouw kunnen nestelen.

Het tweede lid ziet op de gevallen waarin het in het eerste lid bedoelde voorschrift niet van toepassing is. Grenst een gebruiksfunctie waarop dit wel het geval is bijvoorbeeld een aan de woning vastgebouwde garage dan geldt de eis van wand tussen de woning en de garage. Met dit voorschrift is geregeld dat het ongedierte niet via de garage onder de woning kan komen.

Het derde lid is gegeven vanwege de verschillende verschijningsvormen van een gebruiksfunctie. Is bijvoorbeeld een meterruimte of een genoemde opstelplaats opgenomen in de garage, dan zal bij toepassing van het eerste lid die garage een scherm moeten hebben. Op grond van het derde lid kan daarvan worden afgezien.

§ 3.17.2.Bestaande bouw

Artikel 3.117.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.17.1 Nieuwbouw zijn op de voorschriften van deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.118.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.17.1 Nieuwbouw zijn op de voorschriften van deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3.18.Drinkwatervoorziening

§ 3.18.1.Nieuwbouw

Artikel 3.119.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor drinkwatervoorzieningen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.120 bepaalt in welke situatie er een drinkwaterinstallatie aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.121 bepaalt de omvang van de drinkwaterinstallatie wat betreft aansluitpunten voor het gebruik (aansluitingen), en
3.artikel 3.122 geeft de eisen waaraan een drinkwaterinstallatie met het oog op menselijke consumptie en hygiëne moet voldoen (hygiëne).

Hoewel in februari 2001 een nieuwe Waterleidingwet en Waterleidingbesluit is ingevoerd, waarbij de term leidingwater is geïntroduceerd, wordt in het Bouwbesluit 2003 nog bewust gewerkt met de term drinkwater. Leidingwater omvat namelijk alle kwaliteiten water waarvan drinkwater er één is. In het geval het Bouwbesluit 2003 op termijn onderscheid gaat maken tussen drinkwater en huishoudwater zal de terminologie hierop worden aangepast.

Artikel 3.120.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een drinkwaterinstallatie. Een drinkwaterinstallatie is niet slechts noodzakelijk voor menselijke consumptie, maar ook voor de lichamelijke hygiëne. Zo is er in alle gebruiksfuncties waarvoor een toiletvoorziening nodig wordt geacht, ook een drinkwaterinstallatie nodig.

Artikel 3.121.

Dit artikel regelt de minimumomvang van een drinkwaterinstallatie.

Er moet in de meterruimte een aansluitpunt zijn waarmee de installatie kan worden aangesloten op het distributienet van drinkwater. Dit aansluitpunt wordt in de voorschriften ‘aansluitmogelijkheid‘ genoemd om het onderscheid tot uiting te laten komen met de aansluitpunten voor de gebruiker. Of de installatie daadwerkelijk moet zijn aangesloten op het distributienet of niet, is op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Woningwet geregeld in de gemeentelijke bouwverordening.

Een installatie dient op grond van het tweede lid aansluitpunten te hebben voor elk in het bouwwerk aanwezig waterverbruikend toestel, zoals een kraan boven het aanrecht, het bad of de douche, een wastafel, een warmwatertoestel en een waterspoelinrichting van een toiletpot. Ook moeten de in het bouwwerk aanwezige brandslanghaspels zijn aangesloten op de drinkwaterinstallatie. Met dit voorschrift moet creatief worden omgegaan nu het Bouwbesluit 2003 waterverbruikstoestellen niet langer voorschrijft.

Artikel 3.122.

Het doel van dit artikel is te bereiken dat drinkwaterinstallaties water leveren van een kwaliteit die ter plaatse van de tappunten geschikt is voor de menselijke consumptie en hygiëne. Een drinkwaterinstallatie moet voldoen aan de in de ministeriële regeling aangewezen NEN 1006. Niet langer is verwezen naar de Model-aansluitvoorwaarden van de VEWIN. Daarmee is een overbodige schakel uit de verwijsketen gehaald. Nutsbedrijven zijn op grond van artikel 123 van de Woningwet niet bevoegd naast het Bouwbesluit 2003 aanvullende of afwijkende eisen te stellen.

In dat normblad zijn met het oog op de gezondheid eisen gesteld, waaraan de inrichting van de installatie moet voldoen. Een en ander met het oog op het kunnen handhaven van de kwaliteit van het voor de menselijke consumptie en hygiëne bestemde water.

Het betreffende normblad sluit niet 1 op 1 aan bij het Bouwbesluit 2003. Het Nederlands Normalisatie-instituut bereidt thans een herziening voor teneinde daar alsnog in te voorzien.

§ 3.18.2.Bestaande bouw

Artikel 3.123.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.18.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Voor bestaande bouwwerken is niet de minimumomvang van de installatie (aansluitpunten) voorgeschreven. De reden hiervan is dat daarvoor in het verleden geen wettelijke verplichtingen hebben gegolden.

Artikel 3.124.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.18.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Voor bestaande bouwwerken is niet de minimumomvang van de installatie (aansluitpunten) voorgeschreven. De reden hiervan is dat daarvoor in het verleden geen wettelijke verplichtingen hebben gegolden.

Artikel 3.125.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.18.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Voor bestaande bouwwerken is niet de minimumomvang van de installatie (aansluitpunten) voorgeschreven. De reden hiervan is dat daarvoor in het verleden geen wettelijke verplichtingen hebben gegolden.

Artikel 3.126.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 3.18.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Voor bestaande bouwwerken is niet de minimumomvang van de installatie (aansluitpunten) voorgeschreven. De reden hiervan is dat daarvoor in het verleden geen wettelijke verplichtingen hebben gegolden.

Afdeling 3.19.Warmwatervoorziening

§ 3.19.1.Nieuwbouw

Artikel 3.127.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor warmwatervoorzieningen voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.128 bepaalt in welke situatie er een warmwaterinstallatie aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.129 bepaalt de omvang van de warmwaterinstallatie wat betreft aansluitpunten voor het gebruik (aansluitingen), en
3.artikel 3.130 geeft de eisen waaraan een warmwaterinstallatie met het oog op menselijke hygiëne moet voldoen (hygiëne).

Artikel 3.128.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een warmwaterinstallatie. Een warmwaterinstallatie is noodzakelijk voor alle gebruiksfuncties waarin een badruimte voorkomt die is voorgeschreven in afdeling 4.8.

Artikel 3.129.

Dit artikel regelt de minimumomvang van een warmwaterinstallatie. Deze moet uit een oogpunt van doelmatigheid ten minste aansluitpunten voor warmwatertoestellen hebben ter plaatse van de in hoofdstuk 4 van dit besluit voorgeschreven badruimte en de opstelplaats voor een warmwatertoestel.

Artikel 3.130.

Het doel van dit artikel is te bereiken dat warmwaterinstallaties water leveren van een kwaliteit die ter plaatse van de tappunten geschikt is voor de menselijke hygiëne. Een drinkwaterinstallatie moet voldoen aan de in de ministeriële regeling aangewezen NEN 1006. Niet langer is verwezen naar de Model-aansluitvoorwaarden van de VEWIN. Daarmee is een overbodige schakel uit de verwijsketen gehaald. Nutsbedrijven zijn op grond van artikel 123 van de Woningwet niet bevoegd naast het Bouwbesluit aanvullende of afwijkende eisen te stellen.

In dat normblad zijn met het oog op de gezondheid eisen gesteld, waaraan de inrichting van de installatie moet voldoen. Een en ander met het oog op het kunnen handhaven van de kwaliteit van het voor de menselijke consumptie en hygiëne bestemde water.

Het betreffende normblad sluit niet 1 op 1 aan bij het Bouwbesluit. Het Nederlands Normalisatie-instituut bereidt thans een herziening voor teneinde daar alsnog in te voorzien.

§ 3.19.2.Bestaande bouw

Artikel 3.131.

Dit besluit schrijft voor bestaande bouwwerken niet de aanwezigheid van een warmwaterinstallatie voor, noch de minimumomvang van zo’n voorziening.

Voor in bestaande bouw aanwezige toestellen bevat artikel 3.132 kwaliteitsvoorschriften voor het warm tapwater. Niet is verwezen naar hetzelfde normblad als die welke geldt voor nieuw aan te leggen installaties. De reden hiervoor is dat anders eisen zouden gelden die in het verleden niet hebben gegolden en daarmee het voorschrift op gespannen voet zou hebben gestaan met verworven rechten.

Artikel 3.132.

Dit besluit schrijft voor bestaande bouwwerken niet de aanwezigheid van een warmwaterinstallatie voor, noch de minimumomvang van zo’n voorziening.

Voor in bestaande bouw aanwezige toestellen bevat artikel 3.132 kwaliteitsvoorschriften voor het warm tapwater. Niet is verwezen naar hetzelfde normblad als die welke geldt voor nieuw aan te leggen installaties. De reden hiervoor is dat anders eisen zouden gelden die in het verleden niet hebben gegolden en daarmee het voorschrift op gespannen voet zou hebben gestaan met verworven rechten.

Afdeling 3.20.Daglicht

§ 3.20.1.Nieuwbouw

Artikel 3.133.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor daglichttoetreding.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Voor het onderhavige onderwerp is er slechts één artikel met prestatie-eisen. Dit is artikel 3.134, dat regelt in welke situaties en in welke mate er daglicht moet kunnen toetreden tot verblijfsgebieden en verblijfsruimten.

Voor de bijeenkomstfunctie anders dan de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, industriefunctie, sportfunctie, winkelfunctie, ‘andere ruimte in een celfunctie’, “andere ruimte in een gezondheidszorgfunctie’, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Het feit dat voor deze gebruiksfuncties geen voorschriften gelden, heeft tot gevolg dat het tot de verantwoordelijkheid van de markt behoort om op de juiste plaatsen in voldoende mate voor daglichttoetreding zorg te dragen. Dit sluit aan bij de dereguleringsgedachte van meer markt en minder overheid.

Het voorschrift voor een ruimte voor dag- en nachtverblijf van een celfunctie is ontleend aan het Besluit van 15 december 1967, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 539n, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De voorschriften voor een gezondheidszorgfunctie zijn ontleend aan het Besluit bouwmaatstaven Wet ziekenhuisvoorzieningen.

De voorschriften voor een onderwijsfunctie zijn ontleend aan artikel 7, derde lid, van zowel het voormalige Bouwbesluit WBO als het voormalige Bouwbesluit ISOVSO.

Artikel 3.134.

In tegenstelling tot het Bouwbesluit, zoals dat tot 31 december 2002 heeft gegolden, is "uitzicht" niet langer als criterium bij dit voorschrift opgenomen. Realisatie van daglicht leidt in de regel ook tot uitzicht. Bovendien was het criterium van "uitzicht" niet alleen gericht op het naar buiten kunnen kijken, maar ook op contact met personen die van buiten komen. Op die wijze kan men op de hoogte zijn van de weersomstandigheden en de dag- en nachtcyclus. Aspecten, die met name van psychologisch belang zijn gebleken. Wanneer de bestemming van een gebouw zodanig is dat er regelmatig contact zal zijn met mensen die van buiten komen, zoals in een winkelcentrum, is het realiseren van uitzicht door ramen niet noodzakelijk en ook niet altijd in alle omstandigheden te verwezenlijken. Verder kan, wanneer uitzicht naar buiten als hiervoor beschreven, niet mogelijk is, ook langs andere weg worden voorzien in die kennelijk psychologische behoefte aan uitzicht. Te denken valt daarbij aan regels voor het gebruik van ruimten, die geen ramen hebben, door werknemers.

Uit het oogpunt van marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit ligt het dan ook in de rede dat het bevredigen van die psychologische behoefte wordt overgelaten aan de markt.

In NEN 2057 is aangegeven op welke wijze de vereiste daglichtoppervlakte moet zijn bepaald. De equivalente daglichtoppervlakte die dit normblad bedoelt, is gedefinieerd als de daglichtopening, voorzover hoger gelegen dan 60 cm boven de vloer, die met reductiefactoren wordt vermenigvuldigd. Deze reductiefactoren worden in rekening gebracht met het oog op bepaalde belemmeringen. Dit zijn bijvoorbeeld dakoverstekken en uitkragende balkons, die de toetreding van daglicht door die openingen beperken.

De eis van het eerste lid heeft betrekking op verblijfsgebieden. Deze kunnen zijn ingedeeld in meer dan één verblijfsruimte. Om te waarborgen dat in elke afzonderlijke verblijfsruimte voldoende daglicht kan toetreden, bevat het tweede lid een minimum eis betreffende de daglichtopening van een verblijfsruimte.

De vereiste daglichtoppervlakte kan worden verwezenlijkt door openingen in zowel uitwendige als inwendige scheidingsconstructies. Zo mag bijvoorbeeld wanneer er een serre aan de buitenkant van de gebruiksfunctie is, de daglichttoetreding via die serre zijn meegerekend voor een aangrenzend verblijfsgebied of aangrenzende verblijfsruimte.

Het derde lid sluit echter deze indirecte daglichttoetreding uit, indien de tussenliggende ruimte een verblijfsgebied, toilet-, bad- of technische ruimte is.

Op grond van NEN 2057 moet bij het bepalen van de daglichttoetreding ook rekening worden gehouden met belemmeringen die worden veroorzaakt door bouwwerken en andere obstakels die zich op een naburig perceel bevinden. Dit is echter in strijd met het beginsel “gelijke monniken, gelijke kappen” dat aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag ligt. Daarom bevatten het vierde en het vijfde lid enkele voorschriften die bewerkstelligen dat men voor een gebruiksfunctie onafhankelijk van zijn omgeving kan nagaan of het aan de eisen inzake daglicht voldoet. Zo moet men krachtens onderdeel c. uitgaan van een genormeerde belemmering, die op grond van deskundig inzicht is vastgesteld. Dat is het gevolg van het vergunningsvrij kunnen bouwen en het op het voorhand daarmee reeds rekening houden. Bij de keuze van de afstand tot de perceelsgrens, die in onderdeel b is genoemd, is rekening gehouden met de in het Burgerlijk Wetboek genoemde maat vanwaar men op het perceel van buren mag uitkijken.

Het zesde lid geeft aan dat voor bijvoorbeeld een bunker daglichttoetreding niet is vereist. Dat zou voor meer gebruiksfuncties moeten gelden waarvoor uit de aard van de bestemming daglichttoetreding ongewenst is. Artikel 201, eerste lid, van Stb. 2001, 618 (Bouwbesluit fase 2) gaf dat nog helder aan.

Het zevende lid maakt bijvoorbeeld een aula en een collegezaal zonder daglicht mogelijk. Handhaving van dit voorschrift moet plaatsvinden via toepassing van artikel 56 van de Woningwet.

§ 3.20.2.Bestaande bouw

Artikel 3.135.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.20.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften voor een celfunctie zijn afgestemd op de Regeling politiecellencomplex. De daarin voor daglichttoetreding gehanteerde systematiek wijkt af van de systematiek van equivalente daglichtoppervlakte waarin voor daglichttoetreding de eisen van het Bouwbesluit zijn uitgedrukt. Cellen, gebouwd overeenkomstig de ten tijde van het bouwen geldende eisen, kunnen in strijd zijn met het onderhavige voorschrift van het Bouwbesluit, reden waarom artikel 9.2.10, tweede lid, van het Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618, was voorzien in het door de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie kunnen verlenen van ontheffing van dit voorschrift. Abusievelijk is dit dit van het voorschrift bij de conversie naar het Bouwbesluit 2003 achterwege gebleven.

De voorschriften voor een onderwijsfunctie zijn te herleiden tot artikel 7, derde lid, van zowel het voormalig Bouwbesluit WBO als het voormalig Bouwbesluit ISOVSO.

Artikel 3.136.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.20.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften voor een celfunctie zijn afgestemd op de Regeling politiecellencomplex. De daarin voor daglichttoetreding gehanteerde systematiek wijkt af van de systematiek van equivalente daglichtoppervlakte waarin voor daglichttoetreding de eisen van het Bouwbesluit zijn uitgedrukt. Cellen, gebouwd overeenkomstig de ten tijde van het bouwen geldende eisen, kunnen in strijd zijn met het onderhavige voorschrift van het Bouwbesluit, reden waarom artikel 9.2.10, tweede lid, van het Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618, was voorzien in het door de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie kunnen verlenen van ontheffing van dit voorschrift. Abusievelijk is dit dit van het voorschrift bij de conversie naar het Bouwbesluit 2003 achterwege gebleven.

De voorschriften voor een onderwijsfunctie zijn te herleiden tot artikel 7, derde lid, van zowel het voormalig Bouwbesluit WBO als het voormalig Bouwbesluit ISOVSO.

Hoofdstuk 4.Voorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid

Afdeling 4.1.Oppervlakte van de standplaats, nieuwbouw

Vervallen

Afdeling 4.2.Toegankelijkheidssector, nieuwbouw

Artikel 4.3.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de toegankelijkheidssector van te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.4 bepaalt in welke situaties een gebouw een toegankelijkheidssector moet hebben (aanwezigheid);
2.artikel 4.5 bepaalt welke delen van een gebruiksfunctie een toegankelijkheidssector minimaal moet omvatten (verkeersruimte);
3.artikel 4.6 regelt welke hoogteverschillen in een toegankelijkheidssector moeten worden overbrugd door een hellingbaan of lift en stelt maxima aan niveauverschillen (hoogteverschil);
4.artikel 4.7 bevat minimumeisen aan de vloeroppervlakte van een in een toegankelijkheidssector verplichte lift (afmetingen liftkooi);
5.artikel 4.8 stelt een maximum aan de loopafstand tussen een in een toegankelijkheidssector verplichte lift en een daarop aangewezen woning (loopafstand), en
6.artikel 4.9 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw),

Voor de ‘woonfunctie van een woonwagen’ en enkele andere (sub)gebruiksfuncties wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

De voorschriften omtrent toegankelijkheid moeten in samenhang worden gezien met de voorschriften van de afdelingen 4.3 (vrije doorgang), 4.4 (bereikbaarheid), 4.5 (verblijfsgebied), 4.7 (toiletruimte), 4.8 (badruimte) en 4.9 (kleedruimte).

Artikel 4.4.

De eisen inzake de aanwezigheid van een toegankelijkheidssector in gebruiksfuncties zijn gesteld om te bereiken dat deze voor een ieder, dus ook voor mensen met een functiebeperking toegankelijk zijn. De voorschriften zijn mede ontleend aan het ‘Handboek toegankelijkheid’ van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad (thans Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland), 5e druk 2003 uitgegeven door Reed Business Information. Het is aan de aanvrager van een bouwvergunning om aan te geven welk gedeelte van de gebruiksfunctie binnen de gestelde randvoorwaarden als toegankelijkheidssector wordt aangemerkt.

In tegenstelling tot het oude Bouwbesluit richt toegankelijkheid zich niet langer alleen op de bezoeker van een niet tot bewoning bestemd gebouw.

Door de NS zijn evenzo "richtlijnen toegankelijkheid" vastgesteld, welke richtlijnen op onderdelen zwaardere eisen bevatten en op andere onderdelen lichtere eisen dan in de voorschriften van dit besluit zijn neergelegd. Het zonder meer toepassen van de Richtlijnen toegankelijkheid van de NS leidt derhalve niet in alle gevallen tot het voldoen aan dit besluit.

Het eerste lid vereist de aanwezigheid van een toegankelijkheidssector in onder meer zeer grote woningen. Deze zijn door hun omvang veelal met name geschikt voor huisvesting van mensen die lichamelijk in verminderde mate zelfstandig kunnen functioneren. Een voorbeeld van een zodanige huisvestingsvorm is een bejaardentehuis.

Op grond van het tweede lid dienen hoge of grote woongebouwen over een toegankelijkheidssector te beschikken. Uit een oogpunt van kosten is een ondergrens gesteld aan de gelding van de eis. Wat de oppervlakte-eis betreft is de grens gelegd bij 3.500 m2 gebruiksoppervlakte of een verblijfsgebied dat op ten minste 12,5 m boven het meetniveau ligt. De kosten van een lift worden aanvaardbaar geacht bij dit oppervlaktecriterium van 3.500 m2, wat overeenkomt met een gemiddelde bezettingsgraad van het woongebouw van ongeveer 100 personen en bij dit hoogtecriterium. Het hoogtecriterium van 1,5 m is gesteld omdat bij de berekening van de gebruiksoppervlakte woningen op de begane grond buiten beschouwing dienen te blijven. Gebruikers en bezoeker van die woningen zullen immers voor het bereiken daarvan geen gebruik behoeven te maken van de lift.

Het derde lid geeft aan wanneer een utiliteitsgebouw een toegankelijkheidssector moet hebben. Op grond van het schrijven van voormalig Staatssecretaris Tommel aan de voorzitter en leden van de ministerraad ( kenmerk BDB/98034326/Z2014093 van april 1998) zijn deze eisen ten dele aangescherpt ten opzichte van de voorschriften die waren voorzien in Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618, welke voorschriften nimmer in werking zijn getreden. In het algemeen geldt dat gebruiksfuncties met meer dan 400 m2 gebruiksoppervlakte aan deze eis moeten voldoen. Voor horecagelegenheden geldt dat zij vanaf 150 m2 gebruiksoppervlakte een toegankelijkheidssector moeten hebben. Dit houdt verband met het feit dat zo’n gelegenheid ten minste een integraal toegankelijk toilet moet hebben (artikel 4.36, lid 3). In geval deze horecagelegenheid minder dan 400 m2 gebruiksoppervlakte heeft, dan behoeft er in die toegankelijkheidssector geen verblijfsgebied (afdeling 4.5) te liggen.

Het ware logisch geweest dat voor elke nieuwe winkelfunctie en gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten een toegankelijkheidssector zou zijn voorgeschreven, zoals voorzien in Bouwbesluit fase 2. Dit is nu voor de kleine winkels en gezondheidscentra aan het marktmechanisme overgelaten.

Artikel 4.5.

Het eerste lid regelt dat in een woongebouw de route vanaf een toegang van het dat gebouw tot ten minste één toegang van een woning, gelegen in dat gebouw, in zijn geheel in een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector ligt. Daarmee is geregeld dat mensen met een functiebeperking tot aan de woning kunnen komen.

Het tweede lid voorziet erin dat vanaf het aansluitende terrein alle ruimten die deel uitmaken van de toegankelijkheidssector met elkaar in verbinding staan.

Het derde lid sluit uit dat een toegankelijkheidssector zich bevindt in een woning. Dit is overigens reeds geregeld in het eerste lid, want dan zou de toegankelijkheidssector een niet gemeenschappelijke zijn en dat sluit dat lid reeds uit.

Artikel 4.6.

Dit artikel regelt dat rolstoelgebruikers en mensen met een andere functiebeperking de ruimten in een toegankelijkheidssector zelfstandig kunnen bereiken. Dat een toegankelijkheidssector als zodanig rechtstreeks bereikbaar is vanaf het aansluitende terrein, is geregeld in artikel 4.18.

Verschillen in hoogte tussen vloeren van ruimten en tussen een vloer en het aansluitende terrein belemmeren voor veel personen de toegankelijkheid van de betrokken ruimten. De bedoeling van dit artikel is dat wat betreft een toegankelijkheidssector dergelijke hoogteverschillen worden beperkt, dan wel overbrugd door een lift of een hellingbaan. Een beperkt hoogteverschil van maximaal 2 cm is toegestaan, omdat ook mensen met een funtiebeperking, zoals rolstoelgebruikers, dit nog zelfstandig kunnen overbruggen. Doorgaans gaat het hierbij om het hoogteverschil tussen een drempel en de daarop aansluitende vloeren. De bovenkant van de drempel zelf moet namelijk worden beschouwd als een vloer.

Het derde lid bevat een regeling voor niet tot bewoning bestemde gebouwen ten aanzien van het overbruggen van een hoogteverschil tussen het aansluitende terrein en een toegang tot de toegankelijkheidssector. Dat verschil moet worden overbrugd door een hellingbaan als bedoeld in paragraaf 2.6.1, indien dit verschil groter is dan 2 cm. Voor tot bewoning bestemde gebouwen is de overeenkomstige regeling neergelegd in afdeling 4.4, artikel 4.16 juncto artikel 4.18, eerste lid, waarbij is bepaald dat het hoogteverschil niet groter mag zijn dan 2 cm en een hellingbaan dus geen optie is.

Artikel 4.7.

Op grond van dit artikel moet een lift die in een toegankelijkheidssector ligt zodanige vloerafmetingen hebben, dat ook een rolstoelgebruiker daarvan zelfstandig gebruik kan maken. De eisen aan de hoogte van een liftkooi worden gesteld op grond van het Warenwetbesluit liften.

De eis van het eerste lid betreft zeer grote woningen die niet in een woongebouw liggen, zoals een tehuis of een bejaardenoord, en utiliteitsgebouwen. De afmetingen stemmen overeen met die welke zijn aanbevolen in het ‘Handboek voor toegankelijkheid’ van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad (thans Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland), 5e druk 2003 uitgegeven door Reed Business Information.

Het tweede lid heeft betrekking op een woongebouw. De eis voor deze laatste is zwaarder, opdat met de lift ook een brancard kan worden vervoerd. De vereiste afmetingen stemmen overeen met de in NEN 5080, uitgave 1998, vermelde afmetingen voor een brancardlift. Daaronder wordt verstaan een lift die mede is bestemd voor het vervoer van een brancard of huisraad. Een lift met de hier vereiste afmetingen kan krachtens het Warenwetbesluit liften worden gebruikt door maximaal 12 personen. De sterkte en het vermogen van de lift moeten daarop zijn afgestemd. Indien een grotere liftkooi wordt gemaakt dan in dit lid is voorgeschreven, dan mag die lift ingevolge het Warenwetbesluit liften door meer dan 12 personen worden gebruikt, mits de sterkte en het vermogen van de lift daarop zijn berekend. Indien niet aan de bij of krachtens het Warenwetbesluit liften gestelde eisen wordt voldaan, kan de Arbeidsinspectie het gebruik van die lift verbieden.

Artikel 4.8.

Deze eis betekent onder meer dat er in uitgestrekte woongebouwen niet kan worden volstaan met één lift in de toegankelijkheidssector. Dit voorschrift leidt er toe dat de afstand tussen twee liften maximaal 180 m kan bedragen. Voor niet tot bewoning bestemde gebouwen kan met één lift worden volstaan.

Wanneer buiten de toegankelijkheidssector extra liften worden gerealiseerd, dan gelden daarvoor de eisen van het voorgaande artikel niet. Dit betekent dat indien een extra lift wordt gemaakt ter vergroting van de bruikbaarheid van het gebouw slechts behoeft te worden aangegeven dat ter plaatste van de lift geen sprake is van een toegankelijkheidssector. De lift mag wel vanuit de toegankelijkheidssector kunnen worden betreden.

Artikel 4.9.

Uit dit voorschrift volgt dat burgemeester en wethouders bij het geheel vernieuwen van een woonfunctie wel ontheffing kunnen verlenen van de voorschriften met betrekking tot de lift en de hellingbaan. Er wordt op gewezen dat het niet wenselijk is dat lichtzinnig van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Deze mogelijkheid is opgenomen om bijvoorbeeld de invulling van kleine open gaten in stedelijk gebied mogelijk te maken. Er ontstaat dan wel een toegankelijkheidssector die niet in lijn is met de begripsomschrijving, zodat mensen met een functiebeperking daarvan niet zelfstandig gebruik kunnen maken.

Voor gedeeltelijke nieuwbouw (bijvoorbeeld renovatie) is geen bepaling opgenomen en kan derhalve op grond van artikel 1.11 ontheffing worden verleend tot het rechtens verkregen niveau.

Afdeling 4.3.Vrije doorgang

§ 4.3.1.Nieuwbouw

Artikel 4.10.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de vrije doorgangen van te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.11 bepaalt wat voor breedte en hoogte toegangen van bepaalde ruimten ten minste moeten hebben (vrije doorgang);
2.artikel 4.12 bepaalt wat voor breedte en hoogte gangen, galerijen en dergelijke ruimten waardoor een verkeersroute voert ten minste moeten hebben en wat de minimum breedte en lengte dienen te zijn van plaatsen in verkeersruimten waar een rolstoel moet kunnen keren (vloeroppervlakte), en
3.artikel 4.13 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw).

Voor de lichte industriefunctie, 'overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 4.11.

Een goede toegang van de primaire ruimten van een gebruiksfunctie is een noodzakelijk onderdeel van het beleid ter bevordering van integrale toegankelijkheid van gebouwen. Daarbij gaat het erom dat de toegangen die door gewone mensen voor het gebruik van het gebouw worden gebruikt, ook door mensen met een functiebeperking kunnen worden gebruikt. Het gaat daarbij om alle toegangen van de in dit artikel genoemde ruimten. Kan bijvoorbeeld vanuit de woonkamer de tuin worden betreden dan zal dat moeten kunnen via een toegang bedoeld in dit artikel. Kan een toiletruimte zowel rechtstreeks vanuit een slaapkamer worden betreden als vanuit een ruimte waardoor een verkeersroute voert (bijvoorbeel overloop), dan zullen beide toegang de eisen van dit artikel moeten voldoen. De minimum breedte van 0,85 m komt overeen met de uitgangspunten van het ‘Handboek voor Toegankelijkheid’ van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad (thans Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland), 5e druk 2003 uitgegeven door Reed Business Information. Dit biedt de mogelijkheid dat ook rolstoelgebruikers op normale wijze gebruik kunnen maken van de primaire ruimten van een gebruiksfunctie.

Wegens de toenemende gemiddelde lengte van de bevolking is de hoogte van vrije doorgangen van gebruiksfuncties aangescherpt van 2,1 m naar 2,3 m. Daarmee wordt de gebruikswaarde van gebruiskfuncties voor de langere tijd zeker gesteld. Daarmee is gevolg gegeven aan de aanbevelingen uit de rapportage ‘Aanbevelingen voor verbetering bestaande dan wel opname van nieuwe toegankelijkheidseisen in het Bouwbesluit n.a.v. onderzoek Minimumkwaliteit- Integratie Toegankelijkheidseisen’ (99cb-948/mvd/jvf, 18 oktober 1999) onder auspiciën van de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad en in samenwerking met (woon)consumentenorganisaties en het Overleg Platform Bouwregelgeving. De hoogte van de de toegang van een liftschacht is eveneens aangescherpt tot een hoogte van 2,3 m. Het tweede lid verduidelijkt dat er geen eisen worden gesteld aan de toegang van de liftkooi, maar wel aan de opening in de constructie van de liftschacht. In het eerste lid van artikel 4.11 worden eisen gesteld aan de hoogte van de vrije doorgang. In het tweede lid wordt hierop voor een toegang van de liftschacht naar een liftkooi een uitzondering gemaakt. Dit lid stelt geen eisen aan de vrije doorgang, maar aan de hoogte van de opening in de bouwconstructie. Onder ‘bouwconstructie’ wordt verstaan: onderdeel van een bouwwerk dat bestemd is om belasting te dragen (artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003). Bij de in het eerste lid genoemde ruimten moet daadwerkelijk een vrije doorgang worden gerealiseerd met de in de tabel aangegeven hoogte (meestal 2,3 m). Bij de in het tweede lid genoemde toegang van de liftschacht voor het bereiken van een liftkooi kan dus worden volstaan met het scheppen van de bouwkundige voorwaarden. Dit betekent dat men vrij is een lift met een lagere toegangshoogte dan 2,3 m te plaatsen. De lift moet uiteraard aan de richtlijn liften nr. 95/16/EG van 29 juni 1995 (PbEG L 213) en het daarop gebaseerde Besluit liften voldoen.

Het moet altijd mogelijk blijven om, zonder wijzigingen in de draagconstructie aan te brengen, op enig moment een lift met een toegangshoogte van 2,3 m te plaatsen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het voorschrift voor de vrije breedte onverkort op de toegang van een lift van toepassing is.

Artikel 4.12.

Het doel van dit artikel is dat ruimten waardoor verkeersroutes voeren zodanige afmetingen hebben, dat deze een integrale toegankelijkheid van de daarop aangewezen ruimten waarborgen.

Het eerste lid betreft de breedte van de vrije doorgang van alle verkeersroutes van de betrokken gebruiksfuncties, zowel die binnen het niet-gemeenschappelijk gedeelte van de gebruiksfunctie, als verkeersroutes waarop meer dan een gebruiksfunctie is aangewezen. Hieronder vallen bijvoorbeeld een gang in een woning, een gang in een school en een galerij in een fabriek. Het voorschrift geldt niet voor een deel van de verkeersroute dat over een trap voert. Reden daarvoor is dat een rolstoel niet zelfstandig door de gebruiker van die stoel over een trap behoeft te kunnen worden voortbewogen. Dus ter plaatse van de trap gelden geen eisen aan de vrije doorgang. De ruimte waarin de trap zich bevinden moet wel aan dit voorschrift voldoen als de trap niet aanwezig is.

Het tweede lid bevat een van het eerste lid afwijkende eis aan de minimum breedte van de vrije doorgang van gemeenschappelijke verkeersroutes, al dan niet in een toegankelijkheidssector gelegen, van woongebouwen en cellengebouwen. Met het oog op het groeiend aantal ouderen dat ook langer thuis zal wonen en mogelijk op termijn zal zijn aangewezen op hulpmiddelen zoals een rollator of een rolstoel en om aanpassing van de gebruiksfunctie alsdan te voorkomen, is de minimum breedte van de gemeenschappelijke verkeersroutesvan woongebouwen gesteld op 1,2 m. Dat is 10 cm meer dan tot dusverre werd geëist. De breedte is zodanig, dat de route door een rolstoelgebruiker kan worden gebruikt wanneer een tegemoet komend personen een kwartslag gedraaid zich in de verkeersroute opstelt. Ook biedt deze breedte voldoende mogelijkheid om bijvoorbeeld grote meubelstukken te kunnen verplaatsen, hetgeen overigens niet tot een overheidstaak moet worden gerekend om dit te reguleren. Ook dit voorschrift geldt niet ter plaatse van een trap.

Het “Onderzoek kosteneffecten cellengebouwen” (ABT 8495 GXXK, 29 januari 2004) heeft aangetoond dat in recente justitiële bouwplannen voor cellengebouwen geen gemeenschappelijke verkeersroutes voorkomen met een kleinere breedte dan 1,2 m.

Het derde en het vierde lid maken het mogelijk met een rolstoel 360 te draaien achter een buitendeur van een woongebouw of voor een lift in dat gebouw.

Het vijfde lid leidt er toe dat een rolstoelgebruiker die op bezoek gaat bij personen die wonen in een woning, gelegen in een woongebouw, dat woongebouw op eenvoudige wijze kan verlaten indien hij die personen niet thuistreft. De rolstoelgebruiker kan namelijk op basis van het onderhavige voorschrift of in voorwaartse richting een andere lift bereiken dan waarmee hij of zij naar boven is gekomen dan wel hoeft niet achteruit te rijden tot aan laatstbedoelde lift, maar kan doorrijden naar een gedeelte van de gemeenschappelijke verkeersruimte, waar hij of zij eenvoudig kan keren en in voorwaartse richting laatstbedoelde lift weer kan bereiken.

Het zesde lid voorziet in de breedte van de vrije doorgang van verkeersroutes in een toegankelijkheidssector van niet tot bewoning bestemde gebouwen. Het vervallen van artikel 213, derde lid, (oud) hangt samen met de omstandigheid dat niet alle verkeersruimten, die in een toegankelijkheidssector liggen, een breedte van 1,4 meter behoeven te hebben, terwijl toch sprake kan zijn van een situatie waarin een rolstoelgebruiker op afdoende wijze kan deelnemen aan de activiteiten die in een gebouw plaatsvinden. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarbij de hoofdgangen van een gebouw een breedte hebben van 1,4 meter, doch daarop een haaks aansluitende gang, die leidt naar bijvoorbeeld een verblijfsruimte, slechts een breedte heeft van 1,1 meter.

§ 4.3.2.Bestaande bouw

Artikel 4.14.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 4.3.1 Nieuwbouw is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.15.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 4.3.1 Nieuwbouw is van overeenkomstige toepassing. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.

Dit artikel bevat een eis voor de breedte van gangen in penitentiaire inrichtingen. Dit voorschrift is niet afgestemd op de Regeling politiecellencomplex. Volgens die regeling geldt een minimum breedte van 1.25 m.

Een trap of een toegang hoeft niet altijd dezelfde vrije doorgang te hebben als een verkeersroute.

Afdeling 4.4.Bereikbaarheid, nieuwbouw

Artikel 4.16.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de bereikbaarheid van gebruiksfuncties in te bouwen bouwwerken.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.17 geeft het maximale hoogteverschil aan tussen de vloer ter plaatse van een toegang van een woonfunctie of van een woongebouw en een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein (hoogteverschil), en  
2.artikel 4.18 bepaalt of een woongebouw een opstelplaats voor een lift moet hebben en zo ja, met wat voor oppervlakte, en of een gebouw een hellingbaan moet hebben (voorziening), en  
3.artikel 4.19 geeft aan dat bij het ontwerpen van een woongebouw rekening moet worden gehouden met een ruime opstelplaats voor een lift (voorziening opstelplaats).  

Voor de 'woonfunctie van een woonwagen', 'celfunctie niet bestemd voor dag- en nachtverblijf', lichte industriefunctie, 'overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 4.17.

Dit artikel 42 maakt het mogelijk dat een persoon met een functiebeperking, zoals een rolstoelgebruiker, zonder hulp vanaf het aansluitende terrein een woning of een woongebouw kan binnengaan. Daartoe mag het hoogteverschil tussen het aansluitende terrein en een toegang van de woning of het woongebouw niet groter zijn dan 2 centimeter. In een woongebouw moet vanuit een gemeenschappelijke gang zonder hulpmiddelen door een persoon met een functiebeperking een woning kunnen worden betreden. Dat geldt ook in het geval die gang niet door een persoon met een functiebeperking zelfstandig kan worden bereikt. Dit is gedaan om in de toekomst met een minimum aan aanpassingen een woongebouw alsnog optimaal toegankelijk te maken.

Uiteraard mogen drempels de doelstelling van het voorschrift niet teniet doen.

Omdat niet langer een buitenruimte is voorgeschreven is het voorschrift dat regelde dat het niveauverschil tussen een vloer van een woning en de buitenruimte niet groter mocht zijn dan 2 cm evenzo vervallen. Dit laat onverlet dat het aanbeveling verdient bij het niveau verschil bij een buitenruimte rekening te houden met personen met een functiebeperking.

Artikel 4.18.

Met dit artikel is beoogd dat een rolstoelgebruiker zonder hulp een toegankelijkheidssector kan betreden.

In de woningbouw mag het hoogteverschil met het aansluitende terrein ter plaatse van een toegang van een toegankelijkheidssector ten hoogtste 2 cm zijn.

In de utiliteitsbouw mag dit hoogteverschil ten hoogste 1 m zijn. Consequentie is dan wel ingevolge artikel 4.6, derde lid, dat een hellingbaan aanwezig moet zijn die aan de bovenzijde een plateau heeft met afmetingen van ten minste 1,4 m x 1,4 m.

Artikel 4.19.

Dit artikel regelt dat in situaties waar voor een woongebouw geen lift is vereist, achteraf op eenvoudige wijze een lift kan worden geplaatst. Er dient namelijk ruimte, al dan niet binnen het gebouw, te zijn gereserveerd, die op elke bouwlaag kan worden benut voor het achteraf kunnen installeren van een lift, opdat het woongebouw, zo nodig, op een later tijdstip geschikt gemaakt kan worden voor personen die minder goed ter been zijn.

Afdeling 4.5.Verblijfsgebied, nieuwbouw

Artikel 4.20.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor verblijfsgebieden.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.21 bepaalt in welke situatie er een of meer verblijfsgebieden aanwezig moeten zijn en bevat eisen omtrent de oppervlakte daarvan (aanwezigheid);  
2.artikel 4.22 stelt eisen aan de ligging en bereikbaarheid van verblijfsgebieden (plaatsbepaling);  
3.artikel 4.23 stelt eisen aan de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector (toegankelijkheid), en  
4.artikel 4.24 stelt eisen aan de afmetingen van het verblijfsgebied en aan de hoogte daarboven (afmetingen).  

Voor de ‘andere overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

De voorschriften over een verblijfsgebied voor een winkelfunctie voor het slijtersbedrijf zijn mede ontleend aan het Besluit inrichtingseisen Drank en Horecawet.

Artikel 4.21.

Om de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten te kunnen verrichten, is het noodzakelijk dat er in een gebruiksfunctie voldoende aantal vierkante meters gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied aanwezig is. Het eerste lid bevat een eis terzake die ook van toepassing is op een overige gebruiksfunctie. Elk van de gebruiksfuncties dient over het vereiste percentage aan verblijfsgebied te beschikken. In beginsel ligt dit verblijfsgebied binnen het niet gemeenschappelijk gedeelte van de gebruiksfunctie. Slechts bij een woonfunctie is het toegestaan een gedeelte van het verblijfsgebied als gemeenschappelijk verblijfsgebied te realiseren, doch op dat gemeenschappelijk verblijfsgebied mogen alleen groepen van niet-gemeenschappelijke ruimten van woonfuncties (oud woningen) zijn aangewezen. Een gebouw, anders dan een woongebouw, kan dus niet over gemeenschappelijk verblijfsgebied beschikken. Dit wijkt (onbedoeld) af van het Bouwbesluit zoals dat voor het Bouwbesluit 2003 heeft gegolden. Destijds was het percentage aan verblijfsgebied gesteld voor het gehele gebouw, zodat bijvoorbeeld in een logiesgebouw een gedeelte van het logiesgebouw ook verblijfsgebied kon bevatten dat ten dienste stond aan de verschillende logiesverblijven die in dat gebouw waren gesitueerd.

In de woonfunctie mag een verblijfsgebied niet zijn uitgeplaatst, anders dan het gemeenschappelijke verblijfsgebied. In theorie kan bij andere gebruiksfuncties een gedeelte van het verblijfsgebied zijn uitgeplaatst, doch dit uitgeplaatste gedeelte blijft niet – gemeenschappelijk.

Het vereiste percentage van 55% sluit aan op de gangbare wijze van bouwen en biedt een redelijke ontwerp-marge tussen een optimaal en een, al dan niet bewust, minder doelmatig ingedeelde gebruiksfunctie. Door dit voor alle gebruiksfuncties, met uitzondering van het bouwwerk, geen gebouw zijnde, zo te regelen hebben ook de andere aan een verblijfsgebied gerelateerde voorschriften, zoals de ventilatievoorschriften, reële betekenis.

Activiteiten die kenmerkend zijn voor het wonen zijn zitten, koken, eten en slapen. Behalve dat hiervoor 55 % van de gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied aanwezig moet zijn, stelt het tweede lid nog een minimum oppervlakte van 24 m² aan het verblijfsgebied van de woning. Uit door de Studiecommissie woontechnische bepalingen Bouwbesluit uitgevoerde onderzoeken ("Voorstellen met betrekking tot de aanpassing van de woontechnische bepalingen in het Bouwbesluit", oktober 1987, en "Praktijktoetsing van de voorstellen voor woontechnische bepalingen in het Bouwbesluit", maart 1989) is gebleken dat het kleinst mogelijke ruimtebeslag voor het door één persoon verrichten van voor het wonen kenmerkende activiteiten, zonder dat sprake is van het verrichten van die activiteiten in gemeenschappelijke ruimten, 24 m² is.

Een woonfunctie moet volgens het derde lid een verblijfsgebied bevatten met een bepaalde minimum breedte en minimum lengte. De bedoeling hiervan is dat er voldoende ruimte is voor een minimale zitgelegenheid. Hierbij is uitgegaan van een potentiële bezettingsgraad van ten hoogste twee personen, zulks op grond van onderzoek (“Woontechnische bepalingen in het Bouwbesluit”, 1988). Het besluit van 28 oktober 1998, houdende wijziging van het Bouwbesluit (afstemming fase 1 op fase 2) (Stb. 1998, 619), bevatte voor woningen groter dan 50 m² een zwaardere eis ten aanzien van deze oppervlakte voor zitgelegenheid, namelijk ten minste 3,6 m x 3,6 m. Uit een oogpunt van deregulering is die eis hier niet overgenomen, zodat nu voor alle woningen de eis van ten minste 3,3 m x 3,3 m geldt. Een naar aard gelijke eis van 35 m² geldt voor ten minste een verblijfsgebied in cafés en soortelijke horecagelegenheden. Dit laatste op grond van de afstemming van dit besluit met het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet.

Een beperkt gedeelte van het vereiste verblijfsgebied van een woonfunctie in een woongebouw mag buiten het niet-gemeenschappelijke gedeelte van de woonfunctie (woning) zijn gelegen, maar dan wel in het woongebouw. Het vierde lid maakt dit mogelijk, op voorwaarde dat het betrokken verblijfsgebied deel uitmaakt van een gemeenschappelijk verblijfsgebied dat aan meer van de woningen toebehoort, bijvoorbeeld een gezamenlijk dagverblijf. Het is zaak dat ook in zo’n situatie de meest essentiële voor het wonen kenmerkende activiteiten - zitten en slapen - binnen het hoofdgedeelte van de woning kunnen worden verricht. Daarom zijn er minimum eisen gesteld aan het in het hoofdgedeelte van de woning aanwezige verblijfsgebied. Is het verblijfsgebied van een in een woongebouw gelegen woning kleiner dan 24 m², dan moet het gemeenschappelijk verblijfsgebied waarop die woning is aangewezen ten minste 18 m² zijn. Een en ander komt overeen met de resultaten van meergenoemde onderzoeken van de Studiecommissie woontechnische bepalingen Bouwbesluit.

Het vijfde lid biedt de mogelijkheid een voorzieningengebouwtje op een standplaats, camping of sportterrein te plaatsen. Een dergelijk gebouwtje kan namelijk in de regel niet voldoen aan de eis dat ten minste 55 % van de gebruiksoppervlakte in het verblijfsgebied ligt. Per slot van rekening kan volgens artikel 1, eerste lid, een verblijfsgebied ook geen toilet-, bad- of technische ruimte bevatten. Dit zou ook moeten gelden voor een kleedgebouw. Weliswaar is kleedruimte niet genoemd in artikel 1.1, eerste lid, als zijnde niet gelegen in een verblijfsgebied, maar gelet op de geschiedenis van het Bouwbesluit (2003) ligt ook deze ruimte niet in een verblijfsgebied.

Artikel 4.22.

Dit artikel heeft in zijn geheel betrekking op woonfuncties. De verblijfsgebieden van een woonfunctie moeten in principe bereikbaar zijn zonder dat men door ruimten behoeft te gaan die ook worden gebruikt door derden. Dit is geregeld in het eerste lid. Dit betekent praktisch gezien dat een verblijfsgebied binnen de omhullende van de groep van gemeenschappelijke ruimten moet liggen.

Op grond van het derde lid kan hiervan afgeweken worden bij woningen met gemeenschappelijke voorzieningen (bijvoorbeeld studentenhuizen en verzorgingshuizen). Deze gemeenschappelijke verblijfsgebieden moeten vanuit het privé-gedeelte van zo’n woonfunctie beschut, dus via besloten verkeersroutes, bereikbaar zijn, dan wel rechtstreeks vanuit het privé-gedeelte van de woonfunctie.

Het tweede lid bepaalt dat de woning zo moet worden ingedeeld, dat men om vanaf de toegang van de woonfunctie bij het verblijfsgebied te komen niet door een toiletruimte, badruimte, of technische ruimte hoeft. Het zou immers, mede uit privacy-overwegingen, te ver gaan toe te staan dat een verblijfsgebied uitsluitend via een dergelijke ruimte bereikbaar is.

Overigens sluit deze eis niet uit dat het verblijfsgebied ook rechtstreeks toegankelijk is vanuit de genoemde ruimten.

Artikel 4.23.

In navolging van de voorschriften voor integrale toegankelijkheid bij woningen is besloten (zie het schrijven van voormalig Staatssecretaris Tommel aan de voorzitter en leden van de ministerraad ( kenmerk BDB/98034326/Z2014093 van april 1998) ) om deze voorschriften ook voor de utiliteitsbouw aan te scherpen. Met uitzondering van de ‘celfunctie voor kortstondig verblijf’ (politiecel en cel in een gerechtsgebouw), de lichte industriefunctie en de ‘overige gebruiksfunctie’ geldt voor de utiliteitsbouw dat bij een gebruiksoppervlakte groter dan of gelijk aan 400 m², voortaan ten minste 40 % van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in de toegankelijkheidssector moet liggen en daarmee geschikt moet zijn voor gebruik door mensen met een functiebeperking, zoals een rolstoelgebruiker.

Voor de onderwijsfunctie geldt hierop de uitzondering dat in die situatie alle verblijfsgebieden in de toegankelijkheidssector moeten liggen. Hiermee wordt voorkomen dat de toegankelijkheidssector alleen op de begane grond van de school wordt gerealiseerd, waardoor de lokalen op de volgende verdieping niet voor mensen met een functiebeperking, zoals rolstoelgebruikers, toegankelijk zijn. Dit voorschrift over de toegankelijkheid van een onderwijsfunctie is ontleend aan artikel 5, achtste en elfde lid, van het voormalige Bouwbesluit WBO en aan artikel 5, zesde en negende lid, van het voormalige Bouwbesluit ISOVSO. De voorschriften met betrekking tot integrale toegankelijkheid van een verblijfsgebied van een sportfunctie behorende bij een onderwijsfunctie voor het basisonderwijs of voor het speciaal onderwijs hadden gelijkluidend moeten zijn aan die van een onderwijsfunctie en waren dan ontleend aan artikel 14, vijfde lid, van zowel het voormalige Bouwbesluit WBO als het voormalige Bouwbesluit ISOVSO. Daaraan is abusievelijk in tegenstelling tot Bouwbesluit fase 2, geen invulling gegeven.

Artikel 4.24.

Dit artikel geeft de afmetingen aan waaraan een verblijfsgebied ten minste moet voldoen om geschikt te zijn voor het verrichten van de voor de betrokken gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten.

Wegens de toenemende gemiddelde lengte van de bevolking is in het derde lid de minimale hoogte van plafonds in alle gebruiksfuncties met uitzondering van de celfunctie, aangescherpt van 2,4 m naar 2,6 m. Een soortgelijke aanscherping heeft in artikel 4.11 plaatsgevonden voor de hoogte van vrije doorgangen. Daarmee wordt de gebruikswaarde van de gebruiksfuncties voor de langere termijn zeker gesteld. Een uitzondering op deze regel geldt voor de celfunctie, waar een minimum-plafondhoogte van 2,5 m geldt.

Een verblijfsgebied in bepaalde, niet in een logiesgebouw gelegen, logiesfuncties, zoals bijvoorbeeld een vakantiehuis, blokhut of volkstuinhuisje, mag op grond van dit artikel voldoen aan lagere afmetingseisen dan voor een verblijfsgebied in het algemeen gelden. De reden hiervoor is dat het gebruik van dergelijke bouwwerken door dezelfde persoon van beperkte duur is.

Voor de ‘andere overige gebruiksfuncties’, zoals bijvoorbeeld voor het stallen van motorvoertuigen, zijn de afmetingsvoorschriften voor een verblijfsgebied niet van toepassing. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat in een parkeergarage een vrije hoogte van ten minste 2,4 m verplicht wordt gesteld.

Het vierde lid regelt dat, indien een gebruiksfunctie een nevenfunctie van een celfunctie is, ook daarvoor met een plafondhoogte van 2,5 m kan worden volstaan. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan een in een cellenblok opgenomen ruimte voor de bewaking. Hiermee is de flexibiliteit van een ontwerp voor een gebouw met celfuncties en nevenfuncties gewaarborgd.

Afdeling 4.6.Verblijfsruimte

§ 4.6.1.Nieuwbouw

Artikel 4.25.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor verblijfsruimten voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.26 bepaalt dat er een of meer verblijfsruimten aanwezig moeten zijn en bevat eisen omtrent de oppervlakte daarvan (aanwezigheid);  
2.artikel 4.27 stelt eisen aan de ligging en bereikbaarheid van verblijfsruimten (bereikbaarheid);  
3.artikel 4.28 stelt eisen aan de afmetingen van het verblijfsruimte en aan de hoogte daarboven (afmetingen), en  
4.artikel 4.29 stelt eisen aan de bezetting van verblijfsruimten (bezettingsgraadklasse).

Voor de ‘andere overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

De voorschriften over een verblijfsruimte voor een winkelfunctie voor het slijtersbedrijf zijn mede ontleend aan het Besluit inrichtingseisen Drank en Horecawet.

Artikel 4.26.

Een gebruiksfunctie moet één of meer verblijfsruimten hebben. Dit vloeit voort uit de aanwezigheidseis van verblijfsgebieden (afdeling 4.5). Een verblijfsgebied bevat immers volgens zijn begripsbepaling een of meer verblijfsruimten. De eisen die van belang zijn voor ruimten waarin mensen verblijven of waarin voor de gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten worden verricht zijn in verband met de vrije indeelbaarheid in beginsel gericht op verblijfsgebieden. Om te voorkomen dat er bij indeling van een verblijfsgebied in verblijfsruimten een onaanvaardbare toestand ontstaat, zijn er in een aantal andere afdelingen in dit besluit zogenaamde vangneteisen gegeven voor verblijfsruimten, zoals bijvoorbeeld bij daglichttoetreding en luchtverversing.

Het doel van dit artikel is te waarborgen dat gebruiksfuncties een of meer qua afmetingen bruikbare ruimten bevatten voor de activiteiten die voor die gebruiksfunctie kenmerkend zijn. Wat de voorschriften voor specifieke ruimten betreft, vereist het eerste lid voor bepaalde gebruiksfuncties dat er in minimaal één verblijfsruimte voldoende ruimte is ten behoeve van een voor die gebruiksfunctie kenmerkende activiteit. Voor woningen en woonwagens is dit het wonen, ten behoeve waarvan er ruimte moet zijn voor een minimale zitgelegenheid. Bij het bepalen van de minimaal vereiste afmetingen van deze zitgelegenheid is uitgegaan van een potentiële bezettingsgraad van ten hoogste twee personen. Voor cafés en soortgelijke horecagelegenheden is de kenmerkende activiteit het schenken en gebruiken van alcoholische drank. De afmetingseis met het oog op de ruimte die daarvoor beschikbaar moet zijn, is afgeleid uit het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet.

Het voorschrift over een verblijfsruimte voor personen die niet ouder zijn dan vijf jaren van een gezondheidszorgfunctie is ontleend aan het Besluit bouwmaatstaven Wet ziekenhuisvoorzieningen.

De vereiste afmetingen stemmen overeen met die, welke een verblijfsgebied ingevolge afdeling 4.5 ten minste dient te hebben. Hierdoor is gewaarborgd dat een "niet ingedeeld" verblijfsgebied als een afzonderlijke verblijfsruimte kan worden aangemerkt, hetgeen in overeenstemming is met de in artikel 1 gegeven omschrijving van het begrip "verblijfsgebied".

In het tweede lid is voor een “overige gebruiksfunctie, niet zijnde een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m²" wel een verblijfsruimte voorgeschreven, maar is het niet nodig gevonden om eisen te stellen aan de vloeroppervlakte en de afmetingen daarvan.

Artikel 4.27.

Het eerste lid bepaalt dat een verblijfsruimte deel uitmaakt van een verblijfsgebied om zeker te stellen dat een verblijfsruimte tevens moet voldoen aan de eisen voor het verblijfsgebied waarin die ruimte ligt. Dit geldt zowel wanneer er slechts één verblijfsruimte is, als wanneer het verblijfsgebied is ingedeeld in twee of meer verblijfsruimten. Opgemerkt wordt dat de eisen op verblijfsgebiedniveau namelijk aanzienlijk hoger kunnen liggen. Met dit voorschrift is de impliciete regeling via de begripsomschrijving ook expliciet gemaakt.

Het tweede lid geldt voor alle woningen in woongebouwen. Daarbij wordt nadrukkelijk de mogelijkheid gegeven dat een woning een verblijfsruimte kan hebben die in een gemeenschappelijk verblijfsgebied ligt, zoals bijvoorbeeld een centrale zitgelegenheid in een serviceflat. De bewoners moeten zo’n gemeenschappelijke verblijfsruimte beschermd tegen weer en wind kunnen bereiken via gemeenschappelijke gangen en trappenhuizen, dan wel rechtstreeks vanuit hun woning.

Het derde lid geldt voor iedere woonfunctie. Het houdt in dat men om bij een verblijfsruimte te komen niet genoodzaakt mag zijn door een toiletruimte, badruimte of technische ruimte te lopen. Overigens sluit deze eis niet uit dat de verblijfsruimte ook rechtstreeks toegankelijk is vanuit de genoemde ruimten. Het zou immers, mede uit privacy-overwegingen, te ver gaan toe te staan dat een verblijfsruimte uitsluitend via een dergelijke ruimte bereikbaar is.

Op grond van het vierde lid moet, uit het oogpunt van wooncomfort, tussen de toegangsdeur van de woonwagen en de zitgelegenheid van die wagen een ruimte aanwezig zijn, opdat de zitgelegenheid volledig en effectief kan worden benut.

Artikel 4.28.

Dit artikel geeft de afmetingen aan die een verblijfsruimte ten minste moet hebben om geschikt te zijn voor het verrichten van de voor de betrokken gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten. De afmetingen stemmen overeen met die, welke een verblijfsgebied volgens afdeling 4.5 ten minste moet hebben. Voor verblijfsruimten in gebruiksfuncties geldt ook de aanscherping van de plafondhoogte van 2,4 m tot 2,6 m. Een uitzondering op deze regel geldt voor de celfunctie, waar een minimum-plafondhoogte van 2,5 m geldt.

Door deze afmetingseisen is het mogelijk om een nader opgedeeld verblijfsgebied aan te merken als een afzonderlijke verblijfsruimte, wat strookt met de definitie van ‘verblijfsgebied’ als bestaande uit één of meer verblijfsruimten. Anderzijds is het hierdoor mogelijk ook de kleinste afzonderlijke verblijfsruimte aan te merken als verblijfsgebied, zodat ook de eisen voor het verblijfsgebied op die verblijfsruimte van toepassing zijn.

Voor gebruiksfuncties als voor het stallen van motorvoertuigen zijn de afmetingsvoorschriften voor een verblijfsruimte niet van toepassing. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat in een parkeergarage een vrije hoogte van ten minste 2,4 m verplicht wordt gesteld.

Het vierde lid regelt dat, indien een gebruiksfunctie een nevenfunctie van een celfunctie is, ook daarvoor met een plafondhoogte van 2,5 m kan worden volstaan. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan een in een cellenblok opgenomen ruimte voor de bewaking. Hiermee is de flexibiliteit van een ontwerp voor een gebouw met celfuncties en nevenfuncties gewaarborgd.

Artikel 4.29.

Dit artikel vormt onderdeel van het geheel van bepalingen voor de utiliteitsbouw die ten doel hebben de zogenoemde vrije indeelbaarheid van die gebruiksfuncties mogelijk te maken. De aanvrager van een bouwvergunning is vrij om in zijn bouwplan voor een verblijfsgebied een bepaalde bezettingsgraadklasse aan te geven. Zijn keus heeft tot gevolg dat die klasse ook geldt voor de verblijfsruimten die in dat gebied worden verwezenlijkt. Er wordt zo voorkomen dat bij indeling van het verblijfsgebied er verblijfsruimten ontstaan met een lagere bezettingsgraadklasse dan die van het verblijfsgebied.

§ 4.6.2.Bestaande bouw

Artikel 4.30.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.6.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.

De voorschriften voor een onderwijsfunctie zijn te herleiden tot artikel 10, eerste lid, van het Bouwbesluit WBO.

Artikel 4.31.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.6.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.

De voorschriften voor een onderwijsfunctie zijn te herleiden tot artikel 10, eerste lid, van het Bouwbesluit WBO.

Om de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten te kunnen verrichten, is het noodzakelijk dat er in een gebruiksfunctie een aantal vierkante meters gebruiksoppervlakte als verblijfsruimte aanwezig is. In het eerste lid is onder meer aangegeven hoeveel m² vloeroppervlakte aan verblijfsruimte ten minste in een bestaande woning aanwezig moet zijn voor het kunnen verrichten van de elementaire, voor het wonen kenmerkende activiteiten, namelijk zitten, eten, koken en slapen. De minimum vloeroppervlakte aan verblijfsruimte die in een bestaande woning aanwezig moet zijn, is geringer dan de minimum vloeroppervlakte aan verblijfsgebied die in een te bouwen woning aanwezig moet zijn. De voor de bestaande voorraad voorgeschreven minimum vloeroppervlakte aan verblijfsruimte is afgeleid van het door DHV Raadgevend Ingenieursbureau bv. opgestelde onderzoeksrapport "Woontechnische bepalingen in het Bouwbesluit bestaande woningen", mei 1989.

De in het tweede lid voorgeschreven minimum vloeroppervlakte die in ten minste één verblijfsruimte - veelal de woonkamer - van een bestaande woning aanwezig moet zijn, is bestemd voor het kunnen plaatsen en gebruiken van zitgelegenheid. Die vloeroppervlakte is kleiner dan in de nieuwbouw is geëist, doch moet bij een sobere inrichting nog nèt voldoende worden geacht. De afmetingen van de voorgeschreven minimum vloeroppervlakte zijn afgeleid van het door DHV Raadgevend Ingenieursbureau bv. opgestelde onderzoeksrapport "Woontechnische bepalingen in het Bouwbesluit bestaande woningen", mei 1989.

Het derde lid maakt het mogelijk dat van een woonfunctie in een woongebouw een deel van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte van de woonfunctie wordt verwezenlijkt als gemeenschappelijke verblijfsruimte elders in het woongebouw. Op grond van het derde lid moet 10 m² aan verblijfsruimte binnen de woning aanwezig zijn. Deze oppervlakte kan nog juist voldoende worden geacht voor het in de woning verrichten van de voor het wonen kenmerkende activiteiten die niet buiten de woning kunnen worden verricht.

Artikel 4.32.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.6.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.

De voorschriften voor een onderwijsfunctie zijn te herleiden tot artikel 10, eerste lid, van het Bouwbesluit WBO.

Een bestaande woonfunctie kan uit afzonderlijke gebouwen bestaan, die slechts via de buitenlucht met elkaar in verbinding staan, zoals bijvoorbeeld een “bijgebouw” waarin wordt geslapen. Het al dan niet droog kunnen bereiken van een verblijfsruimte die buiten de woning zelf ligt, bijvoorbeeld een ruimte achter in de tuin van een woning, wordt aan de markt overgelaten.

Artikel 4.33.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.6.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.

De voorschriften voor een onderwijsfunctie zijn te herleiden tot artikel 10, eerste lid, van het Bouwbesluit WBO.

Het vierde lid bevat een eis inzake de hoogte die een verblijfsruimte ten minste moet hebben, wil die ruimte nog geschikt zijn voor het daarin kunnen verrichten van de desbetreffende, voor het wonen kenmerkende activiteiten. Is de hoogte boven de vloer van een ruimte lager dan 2,1 m, dan telt die ruimte niet mee als verblijfsruimte. Indien een deel van een ruimte wel voldoet aan die hoogte-eis en een ander deel niet, bijvoorbeeld in het geval van een (verblijfs)ruimte die onder een schuin dak is gelegen, telt bij de bepaling van de minimum vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste lid, alleen eerstbedoeld deel als verblijfsruimte mee.

De afwijkende eis voor de plafondhoogte van de bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik, van 2,4 m, in het derde en het vijfde lid, vloeit voort uit de afstemming van het Bouwbesluit 2003 met het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet.

In het kader van de afstemming van het Bouwbesluit 2003 met het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet is de hoogte boven de vloer voor bestaande bijeenkomstfuncties voor alcoholgebruik gesteld op 2,4 m. Een uitzondering geldt voor horecalokaliteiten die reeds voor 1 november 2000 over een vergunning op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet beschikten. Voor dergelijke horecalokaliteiten geldt de in de oorspronkelijke vergunning aangegeven plafondhoogte, mits deze ten minste 2,1 m is. Voorwaarde hierbij is dat de bedrijfsvoering, behoudens in geval van overmacht, niet langer dan één jaar onderbroken mag zijn geweest.

Afdeling 4.7.Toiletruimte

§ 4.7.1.Nieuwbouw

Artikel 4.34.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor toiletruimten.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.35 bepaalt in welke situatie er één of meer toiletruimten aanwezig moeten zijn en bevat eisen omtrent het aantal daarvan (aanwezigheid);  
2.artikel 4.36 heeft dezelfde strekking als artikel 4.35, maar betreft toiletten die mede toegankelijk zijn voor mensen met een functiebeperking (rolstoelgebruikers) (integraal toegankelijk);  
3.artikel 4.37 bevat eisen aan de bereikbaarheid van toiletruimten (bereikbaarheid);  
4.artikel 4.38 bepaalt wat voor afmetingen en oppervlakte toiletruimten moeten hebben (afmetingen), en  
5.artikel 4.39 vereist dat toiletruimten afsluitbaar moeten zijn (afsluitbaarheid).

Voor de lichte industriefunctie, ‘andere celfunctie’, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Voor de situatie dat een gebouw twee of meer gebruiksfuncties bevat en de toiletruimten gemeenschappelijk worden gebruikt, bevat het Bouwbesluit 2003 geen voorschriften. Om toch het benodigde minimum aantal toiletruimten voor die veelvoorkomende situaties te bepalen zijn de achtergronden van de voorschriften van belang. Daarbij spelen de rekenwaarden van de klasse van de bezettingsgraad, zoals neergelegd in het algemeen deel van deze toelichting een rol. Op grond van de arbovoorschriften zoals deze tot 1997 hebben geluid, is uitgegaan van één toiletruimte per 20 werknemers, met een minimum van twee. Het vereiste van ten minste twee toiletruimten vloeit voort uit de uit het oogpunt van arbeidsomstandigheden en integratie van de vrouw in het arbeidsproces noodzakelijke scheiding van toiletten naar seksen. Wanneer echter niet meer dan 10 personen in een gebouw werkzaam zijn mag met 1 toiletruimte worden volstaan.

Met deze kennis gewapend kan het volgende worden afgeleid:

Het noodzakelijk aantal gemeenschappelijke toiletruimten voor niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties is:

Afbeelding

waarin:

GO Bn is de getalswaarde van de gebruiksoppervlakte in m² die op een toiletruimte is aangewezen bij een bezettingsgraadklasse B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5.
60, 150, 360 en 900 zijn de getalswaarden, afhankelijk van de klasse van de bezettingsgraad, voor het bepalen van het aantal toiletruimten, gebaseerd op maximaal 20 personen aangewezen op één toiletruimte.

Bij een combinatiegebouw met een bijeenkomstfunctie, niet zijnde voor het aanschouwen van sport, blijft de gebruiksoppervlakte van die functie buiten beschouwing, maar wordt het aantal toiletruimten daarna met 2 verhoogd. Hierbij geldt dat het aantal gemeenschappelijke toiletruimten minimaal 2 moet zijn (ook bij B5), tenzij aan de volgende formule is voldaan (geldt niet voor bijeenkomstfunctie anders dan het aanschouwen van sport):

Afbeelding

waarin:

GO Bn is de getalswaarde van de gebruiksoppervlakte in m² die op een toiletruimte is aangewezen bij een bezettingsgraad B1, B2, B3, B4 respectievelijk B5, m.u.v. een winkelfunctie, sportfunctie, celfunctie voor langdurig dag- en nachtverblijf, voor een gezondheidszorgfunctie en voor een logiesfunctie, gelegen in een logiesgebouw
GO winkel is de gebruiksoppervlakte van een winkelfunctie, onafhankelijke van een klasse van de bezettingsgraad
GO sport is de gebruiksoppervlakte van een sportfunctie, onafhankelijk van de klasse van de bezettingsgraad
GO cel;lang is de gebruiksoppervlakte van een celfunctie voor langdurig dag- en nachtverblijf, onafhankelijk van de klasse van de bezettingsgraad
GO gezondheidszorg is de gebruiksoppervlakte van een gezondheidszorggebouw, onafhankelijk van de klasse van de bezettingsgraad
Artikel 4.35.

Dit artikel regelt of een gebruiksfunctie een of meer toiletruimten moet omvatten.

Voor de bepaling van het aantal vereiste toiletruimten bevat dit artikel drie methoden, die elk van toepassing zijn op een aantal gebruiksfuncties.

De methode in het eerste lid verwijst naar het minimum aantal toiletruimten, dat de tabel per gebruiksfunctie aangeeft. Een voorbeeld zijn de ten minste twee toiletruimten die cafés en winkels moeten hebben. Dit vereiste, dat ook voor een aantal andere gebruiksfuncties geldt, is gesteld met het oog op gescheiden gebruik door beide seksen. Uit dit voorschrift vloeit voort dat het tot de verantwoordelijkheid van de markt behoort om op de juiste plaatsen in voldoende mate in een bijvoorbeeld een bijeenkomstfunctie voor toiletruimten zorg te dragen. Voor winkelfuncties speelt daarbij mee dat het aantal toiletruimten alleen is bedoeld voor het winkelpersoneel. Dit sluit aan bij de dereguleringsgedachte van meer markt en minder overheid. Daarbij zal men rekening houden met het gebruikscomfort dat men aan het aantal te verwachten gasten wil bieden. Het minimum voorgeschreven aantal toiletruimten is in elk geval voldoende voor het personeel dat in de bijeenkomstfunctie werkzaam is.

In het tweede lid, is een maximum gesteld aan de hoeveelheid gebruiksoppervlakte die op een toiletruimte mag zijn aangewezen, met een minimum van één toiletruimte voor de desbetreffende gebruiksfunctie. Het gaat hierbij om grotere woonfuncties, zoals tehuizen en grotere logiesfuncties als bijvoorbeeld kampeerboerderijen. Door het aantal toiletten te bepalen aan de hand van de gebruiksoppervlakte wordt een zekere mate van evenredigheid bereikt tussen het te verwachten aantal bewoners en het aantal toiletruimten. Het resultaat van de berekening moet naar boven worden afgerond tot een geheel getal.

De derde methode staat in het vierde lid en houdt eveneens een maximum in voor de hoeveelheid gebruiksoppervlakte die op een toiletruimte mag zijn aangewezen. Het verschil met de tweede methode is dat de hoeveelheid gebruiksoppervlakte voor elke betrokken soort gebruiksfunctie in de tabel is aangegeven in relatie met bezettingsgraadklassen. Voor de betrokken gebruiksfuncties is het minimum aantal toiletruimten twee. Een voorbeeld van zo’n gebruiksfunctie is een kantoor, dat bij bezettingsgraadklasse B4 op elke 360 m² gebruiksoppervlakte een toiletruimte moeten hebben, maar waarvoor ook bij een gebruiksoppervlakte van bijvoorbeeld slechts 100 m² het minimum van twee toiletruimten geldt. Het resultaat van de berekening moet naar boven worden afgerond tot een geheel getal.

Voor een celfunctie voor langdurig dag- en nachtverblijf en een gezondheidszorgfunctie is feitelijk geen sprake van een relatie met het aantal gebruikers van die functie, omdat ongeacht de klasse van de bezettingsgraad de toelaatbare gebruiksoppervlakte per toiletruimte gelijk is. Voor een winkelfunctie moet niet gebruik worden gemaakt van de klasse van de bezettingsgraad zoals in de rest van het besluit is gebruikt, maar van de klasse die uitsluitend rekening houdt met het aantal werkzame personen. Het wordt tot de verantwoordelijkheid van de markt gerekend om op de juiste plaatsen in voldoende mate voor toiletruimten voor het winkelend publiek zorg te dragen. Dit sluit aan bij de dereguleringsgedachte van meer markt en minder overheid. Daarbij zal men rekening houden met het gebruikscomfort dat men aan het aantal te verwachten bezoekers wil bieden.

Voor een industriefunctie kan de gekozen benadering tot een relatief groot aantal toiletruimten leiden vergeleken met de tot dusverre bestaande praktijk. Met toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel (paragraaf 1.3) kan worden bereikt dat weer het normale aantal toiletruimten behoeft te worden gerealiseerd.

Het minimum aantal van twee toiletruimten behoeft op grond van het vijfde lid niet altijd te worden gemaakt. Gebouwen, waarin in de regel slechts een beperkt aantal personen aanwezig zullen zijn, behoeven slechts één toiletruimte te hebben. Dit beperkte aantal personen is tot uitdrukking gebracht in de maximum gebruiksoppervlakte van het gebouw. Deze oppervlakte is zo gekozen dat in de regel niet meer dan tien personen van zo'n gebouw gebruik zullen maken.

Een toiletruimte kan binnen het niet-gemeenschappelijke gedeelte van de gebruiksfunctie liggen, maar ook in het gemeenschappelijke gedeelte. De toiletruimte wordt dan gebruikt door een individuele gebruiksfunctie, zoals een woning, of door twee of meer gebruiksfuncties. Zo kunnen op grond van het derde lid kleine woningen in een woongebouw een gemeenschappelijke toiletruimte hebben. Hierbij is een maximum gesteld aan de daarop aangewezen gebruiksoppervlakte om te voorkomen dat te veel mensen die toiletruimte moeten delen. Het derde lid regelt verder dat bij woonfuncties van een gemeenschappelijke toiletruimte geen andere gebruiksfuncties gebruik mogen maken dan uitsluitend woonfuncties. Voor een logiesfunctie geldt een vergelijkbare regeling. Met de introductie van het Bouwbesluit 2003 is het begrip “complex” vervallen. Echter het derde lid staat toe dat op een vakantiepark toiletruimten voor gemeenschappelijk gebruik in een zogeheten sanitaire unit worden gesitueerd tezamen met de wasgelegenheid en douches.

Krachtens het zesde lid kunnen toiletruimten van de meeste gebruiksfuncties die niet tot bewoning zijn bestemd, gemeenschappelijk zijn. Dit wil zeggen, dat op zo’n toiletruimte twee of meer gebruiksfuncties in hetzelfde gebouw kunnen zijn aangewezen.

In afdeling 4.8 (badruimten) is geregeld, dat het combineren van een toiletruimte met een badruimte is toegestaan.

Bedacht moet worden dat, hoewel het Bouwbesluit 2003 dit niet regelt, in een cel waarin kortdurend verblijf plaatsvindt, zoals in een politiecellencomplex, op grond van de Regeling politiecellencomplex een toiletpot aanwezig moet zijn. Dit voorschrift zal naast het Bouwbesluit 2003 in acht moeten worden genomen.

Artikel 4.36.

Met dit artikel wordt beoogd te waarborgen dat een of meer van de in een gebruiksfunctie aanwezige toiletruimten zo zijn ingericht dat een persoon met een functiebeperking daarvan gebruik kan maken. Dit voorschrift is een nadere uitwerking van het beleid inzake duurzaam bouwen en het verder integreren van mensen met een functiebeperking in de samenleving ((Brief Tommel aan de TK, vergaderjaar 1997-1998, 24280, nr. 16). Deze zogenoemde integraal toegankelijke toiletruimten mogen worden meegerekend bij het bepalen van het op grond van het voorgaande artikel vereiste aantal toiletruimten.

Het eerste en het tweede lid bevatten een regeling voor een aantal specifieke woonfuncties. Het gaat hierbij met name om zogeheten megawoningen (tehuizen) en woongebouwen waarbij binnen de woning niet een eigen toiletruimte aanwezig is. Deze laatste situatie ziet er met name op toe dat bezoekers met een functiebeperking binnen het woongebouw van een toiletruimte gebruik kunnen maken.

Voortvloeiende uit hun bijzonder maatschappelijke functie bepaalt het derde lid dat een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik (horecagelegenheid) met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m² ten minste een integraal toegankelijk toilet moet hebben.

Het vierde en het vijfde lid bevatten een eis aan het aantal integraal toegankelijke toiletruimten die is gebaseerd op de uitkomst van de berekening van het aantal toiletten volgens het vierde lid van artikel 4.35. Die uitkomst dient voor de onderwijsfunctie gedeeld te worden door 35 en voor de overige betrokken gebruiksfuncties door tien. Het resultaat moet naar boven worden afgerond tot een geheel getal, dat dan de ondergrens vormt voor het aantal te realiseren integraal toegankelijke toiletruimten. De onderstaande tabel bevat enkele voorbeelden van deze berekeningswijze.

Tabel rekenvoorbeelden aantal integraal toegankelijke toiletten

gebruiksfunctie gebruiksoppervlakte in m² opgegeven bezettingsgraadklasse aantal toiletten volgens art. 4.35 lid 4 en lid 5 uitkomst volgens art. 4.36 delen door: uitkomst na afronding aantal integraal toeg. toiletten volgens art. 4.36
10 (lid 4) 35 (lid 5)
Andere industriefunctie 5800 B3 38,6 = 391 3,86 4 4
Kantoorfunctie 5300 B4 14,72 = 15 1,472 2 2
Onderwijsfunctie 500 B2 8,33 = 9 0,238 1 1
Winkelfunctie 380 B52 1 n.v.t. 0

1 Dit aantal is met toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel en de uitgangspunten per 20 werknemers 1 toiletruimte met een minimum van 2 en tot 10 werknemers slechts 1 toiletruimte terug te brengen tot gangbare proporties.

2 Uitsluitend afgestemd op het personeel.

In het voorbeeld van de winkelfunctie is er geen integraal toegankelijke toiletruimte vereist, omdat de totale gebruiksoppervlakte van de betrokken gebruiksfunctie kleiner is dan 400 m².

Met het zesde lid, in samenhang met artikel 4.38, derde lid (afmetingen), is geregeld dat een ‘andere bijeenkomstfunctie’ van bepaalde omvang een integraal toegankelijke toiletruimte moet hebben. Daarmee is voor deze gebruiksfunctie invulling gegeven aan het besluit van de ministerraad van 17 april 1998 omtrent de wenselijkheid van integrale toegankelijkheid van utiliteitsgebouwen.

Artikel 4.37.

De strekking van dit artikel is tweeledig. Allereerst waarborgt het dat de toiletruimte binnen de woning of het woongebouw bereikbaar is zonder dat bewoners op weg naar het toilet worden blootgesteld aan weer en wind. Dit betekent voor een woonfunctie dat de toiletruimte binnen de woning ligt. Indien “de woning” de toiletruimte elders in het woongebouw heeft, dan mag de toiletruimte uitsluitend bereikbaar zijn via een besloten gemeenschappelijke verkeersroute.

In de tweede plaats is dit artikel erop gericht dat gemeenschappelijke toiletruimten binnen redelijke tijd vanuit “de woning” te bereiken zijn. Hiertoe zijn er eisen gesteld aan verschillen in hoogteligging en afstand tussen deze toiletruimten en de erop aangewezen woningen. Het voorschrift van het vierde lid betekent feitelijk dat een gemeenschappelijke toiletruimte op dezelfde verdieping moet liggen als de daarop aangewezen woningen, dan wel één verdieping hoger of lager.

Op grond van het derde lid mag de toiletruimte van een woonwagen ook buiten de wagen op de standplaats liggen, bijvoorbeeld in een voorzieningengebouw.

Voor utiliteitsgebouwen is er in dit opzicht geen eis gesteld, zodat de toiletruimte van bijvoorbeeld een fabriek in een bijgebouw mag liggen. Het artikel is evenmin van toepassing op de logiesfunctie gelegen op een zogenaamd complex; een toiletruimte voor een zomerhuisje op een complex mag daarom ook buiten dat huisje liggen, bijvoorbeeld in een toiletgebouw.

Het zevende lid, inhoudende dat de toiletruimte niet rechtstreeks vanuit een verblijfsruimte toegankelijk mag zijn, is van toepassing op alle bijeenkomstfuncties voorzover niet bedoeld voor het aanschouwen van sport. Deze eis vindt zijn oorsprong in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Het is echter niet een geheel correcte vertaling van dat voorschrift. Het is niet de bedoeling dat via eenzelfde voorruimte de naar sekse gescheiden toiletruimten worden bereikt. Het besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet spreekt van toiletgelegenheden waarbinnen toiletruimten zijn gesitueerd. Er moeten twee volledig naar sekse gescheiden toiletgelegenheden zijn.

Artikel 4.38.

Elke toiletruimte moet, blijkens het eerste lid, bepaalde minimum afmetingen hebben. Deze afmetingen zijn zodanig, dat na plaatsing van de toiletpot met waterspoelinrichting voldoende gebruiksruimte resteert. Het voorschrift voorziet in zodanige afmetingen van de toiletruimte dat een rolstoelgebruiker, al dan niet met hulp van een derde, gebruik kan maken van die toiletruimte. Wat de plaats van de deur van de toiletruimte betreft, ligt het in de rede dat deze uit het oogpunt van toegankelijkheid voor een rolstoelgebruiker wordt geplaatst in de lange zijde van de toiletruimte, zoals ook is aangegeven in het Handboek voor toegankelijkheid. Het Bouwbesluit 2003 dwingt daar echter niet toe.

De afmetingen van de toiletruimte zijn zodanig dat in de utiliteitsbouw tot dusverre gebruikelijke groepen met toiletcabines niet langer mogelijk zijn. Dat is een gevolg van bewust beleid om mensen met een functiebeperking meer te integreren in de normale samenleving. De afmetingen van de cabines zullen voortaan groter moeten zijn.

De afmetingen van een toiletruimte voor een woonwagen, zoals vereist in het tweede lid, zijn niet zonder meer geschikt om door mensen met een functiebeperking met hulp van derden te kunnen worden gebruikt. Bij het Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake toegankelijkheid van woningen en woongebouwen (Stb. 1997, 34, inclusief verbeterblad, is destijds voor een woonwagen het aanpassen van het voorschrift als te ingrijpend beoordeeld.

De afmetingen die het derde lid vereist, zijn afkomstig uit het ‘Handboek voor Toegankelijkheid’ van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad (thans Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland), 5e druk 2003 uitgegeven door Reed Business Information. Een integraal toegankelijke toiletruimte dient namelijk zodanige afmetingen te hebben, dat mensen met een functiebeperking daarvan zelfstandig of met beperkte hulp gebruik kunnen maken. De afmetingen van deze ruimte zijn ten opzichte van het oude Bouwbesluit verkleind. Er was oorspronkelijk uitgegaan van een tweezijdig benaderbare toiletpot. Achteraf gezien wordt als minimum voorschrift een eenzijdig benaderbare toiletpot toereikend gevonden.

De minimum plafondhoogte van toiletruimten in gebruiksfuncties is, zoals blijkt uit het vierde lid, gelijk aan de hoogte van vrije doorgangen in die functie (artikel 4.11) aangescherpt van 2,1 m tot 2,3 m.

Artikel 4.39.

Het afsluitbaar zijn van een toiletruimte in het eerste lid betekent dat de ruimte voorzien moet zijn van een deur die de toiletruimte volledig afscheidt van een aangrenzende ruimte. Het is niet vereist is dat de deur op slot kan worden gedaan. Het voorschrift geldt niet voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. Voor een onderwijsfunctie geldt deze uitzondering niet zodat er geen gelijkschakeling is tussen naschoolse opvang en de reguliere kinderopvang.

Met deze eis wordt tevens uitgesloten dat de toiletruimte wordt gecombineerd met een andere ruimte. Een combinatie met de badruimte is daarentegen wel toegestaan in artikel 4.35.

Het voorschrift impliceert dat behoudens de deur ook de wanden van een toiletruimte geheel van vloer tot plafond doorlopen. Voor groepen van toiletcabines waarbij de toiletruimten niet geheel afsluitbaar zijn (de wanden lopen niet door tot de vloer en het plafond) zal toepassing moeten worden gegeven aan het gelijkwaardigheidsbeginsel.

In tegenstelling tot hetgeen algemeen geldt, behoeft een deur van toiletruimte van een celfunctie niet tot op de grond door te lopen en aan de bovenzijde aan te sluiten op de bovendorpel van het kozijn. Hiermee is gewaarborgd dat een bewaarder ook in een toiletruimte voldoende toezicht kan uitoefenen op het doen en laten van een gedetineerde.

Omdat het in een kinderdagverblijf niet altijd wenselijk is alle toiletruimten van een deur te voorzien, is in het tweede lid geregeld dat ten behoeve van leiding, bezoekers en oudere kinderen een afsluitbare toiletruimte beschikbaar moet zijn. Dit voorschrift had beter achterwege kunnen blijven wegens het motief van de noodzaak van een deur. Er zijn sloten in de handel waarmee een toiletdeur gemakkelijk van de buitenkant kan worden geopend.

§ 4.7.2.Bestaande bouw

Artikel 4.40.

De toelichtingen op de artikelen 4.35 tot en met 4.39 van paragraaf 4.7.1 Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.41.

De toelichtingen op de artikelen 4.35 tot en met 4.39 van paragraaf 4.7.1 Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing. In aanvulling hierop valt het volgende op te merken.

Gelet op het feit dat vroeger de aanwezigheid van een toiletruimte binnen de woning niet verplicht was, is in het eerste lid voorgeschreven dat een bestaande woonfunctie ten minste één toiletruimte moet hebben, waarbij niet geldt dat deze in de woning moet zijn gelegen. Hij moet tot de woning behoren, maar mag elders op het perceel zijn gelegen. De gekozen formulering houdt in dat de toiletruimte ook buiten de woning, bijvoorbeeld in een schuurtje in de tuin, mag zijn gelegen. Een en ander betekent bijvoorbeeld dat, indien een buiten de woning gelegen toiletruimte niet voldoet aan de gestelde afmetingen, een aanschrijving op grond van artikel 14 van de Woningwet zou kunnen worden uitgevaardigd om de toiletruimte met die eisen in overeenstemming te brengen. Uit het oogpunt van woongerief zou het in dit geval evenwel meer voor de hand liggen op grond van artikel 15 van die wet een aanschrijving tot woningverbetering uit te vaardigen, waardoor in één keer een aan de eisen des tijds beantwoordende, binnen de woning gelegen toiletruimte kan worden gerealiseerd.

Het tweede lid stelt voor een woonfunctie in een woongebouw en een logiesfunctie die in een logiesgebouw ligt een maximum aan de hoeveelheid gebruiksoppervlakte die op een toiletruimte mag zijn aangewezen, met een minimum van één toiletruimte voor die woonfunctie of die logiesfunctie. Bij woonfuncties is ervan uitgegaan dat ten hoogste 10 personen op één gemeenschappelijke toiletruimte zijn aangewezen.

Bij het aantal toiletruimten dat is vereist op grond van het derde lid is de besluitwetgever uitgegaan van de laagste klasse van van de bezettingsgraad die voor de nieuwbouw voor die gebruiksfunctie is toegestaan. Is sprake van een hogere bezetting dan kunnen B&W de grenswaarde dienovereenkomstig aanpassen. Uitgangspunt is dat per 30 personen ten minste 1 toiletruimte aanwezig moet zijn met een minimum van 2 toiletruimten. Volstaan mag worden met 1 toiletruimte tot een totaal van 15 personen. Het aantal personen moet worden berekend met de rekenwaarden van de klasse van de bezettingsgraad die is vermeld in het algemeen gedeelte van deze toelichting.

Artikel 4.42.

De toelichtingen op de artikelen 4.35 tot en met 4.39 van paragraaf 4.7.1 Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing. In aanvulling hierop valt het volgende op te merken.

De eis van het eerste lid houdt in dat gemeenschappelijke toiletten waarop woonfuncties zijn aangewezen, uitsluitend inpandig moeten kunnen worden bereikt. Hieraan kan zijn voldaan als de verbindingsroute loopt door gangen, trappenhuizen of besloten galerijen, maar ook wanneer de woningen elk rechtstreeks toegang hebben tot een eraan grenzende gemeenschappelijke toiletruimte. In tegenstelling tot wat voor nieuwbouw geldt, zijn er geen eisen gesteld aan de maximum afstand en het maximum hoogteverschil tussen de gemeenschappelijke toiletruimte en de daarop aangewezen woonfuncties.

Artikel 4.43.

De toelichtingen op de artikelen 4.35 tot en met 4.39 van paragraaf 4.7.1 Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing. In aanvulling hierop valt het volgende op te merken.

De minimum afmetingseisen voor een bestaande, niet integraal toegankelijke toiletruimte zijn afgeleid van de kleinste afmetingen die in het verleden voor een dergelijke ruimte werden vereist. Met deze afmetingen moet de toiletruimte, hoewel krap bemeten, nog juist bruikbaar worden geacht.

Artikel 4.44.

De toelichtingen op de artikelen 4.35 tot en met 4.39 van paragraaf 4.7.1 Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 4.8.Badruimte

§ 4.8.1.Nieuwbouw

Artikel 4.45.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor badruimten.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.46 bepaalt in welke situatie er een of meer badruimten aanwezig moeten zijn en bevat eisen omtrent het aantal daarvan (aanwezigheid);  
2.artikel 4.47 bepaalt hetzelfde als artikel 4.46, maar dan voor integraal toegankelijke badruimten (integrale toegankelijkheid);  
3.artikel 4.48 bevat eisen aan de bereikbaarheid van badruimten (bereikbaarheid);  
4.artikel 4.49 bepaalt wat voor afmetingen badruimten moeten hebben (afmetingen), en  
5.artikel 4.50 vereist dat bepaalde badruimten afsluitbaar moeten zijn (afsluitbaarheid).

Voor de bijeenkomstfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, onderwijsfunctie, winkelfunctie, 'overige gebruiksfunctie', 'bouwwerk geen gebouw zijnde', alsmede enkele subgebruiksfuncties, wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

De voorschriften voor een onderwijsfunctie zijn ontleend aan artikel 8, tweede lid, van het voormalige Bouwbesluit ISOVSO.

De voorschriften voor een sportfunctie zijn, wat zwembaden betreft, ontleend aan het Besluit hygiëne en veiligheid zweminrichtingen.

Artikel 4.46.

Dit artikel regelt of een gebruiksfunctie één of meer badruimten moet omvatten.

Wat betreft het aantal vereiste badruimten geeft het eerste lid voor bepaalde gebruiksfuncties een minimum aan. Voor enkele andere gebruiksfuncties stelt het tweede lid, behalve een minimum aan het aantal badruimten, een maximum aan de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie(s) die erop is (zijn) aangewezen.

Op grond van het vijfde lid kan een vereiste badruimte voor meer dan één woonfunctie zijn bestemd. Om tegen te gaan dat teveel personen op zo’n gemeenschappelijke badruimte zijn aangewezen, is daarom een maximum gesteld aan de oppervlakte van de betrokken woonfuncties.

Het zesde lid maakt het mogelijk dat een voorgeschreven badruimte voor meer dan één gebruiksfunctie is bestemd. Het voorschrift staat toe dat het ook bij verschillende gebruiksfuncties kan, maar de kans van voorkomen daarom is kleing. Veelal zal het gaan om gebruikfunctie van dezelfde soort, bijvoorbeeld twee logiesfuncties.

Het zevende lid staat toe dat een badruimte - voorgeschreven of niet voorgeschreven - is samengevoegd met een toiletruimte. De laatste mag ook een integraal toegankelijke toiletruimte zijn.

Artikel 4.47.

Het doel van dit artikel is te waarborgen dat één of meer van de in een gebruiksfunctie aanwezige, al dan niet gemeenschappelijke badruimten zo zijn ingericht dat personen met een functiebeperking daarvan gebruik kunnen maken.

Het tweede lid heeft betrekking op hoge of grote woongebouwen waarin gemeenschappelijke badruimten voorkomen. Voor de bepaling of er ten minste een badruimte geschikt moet zijn voor lichamelijk gehandicapten wordt het gehele woongebouw in ogenschouw genomen. Dit voorschrift is nieuw en levert een bijdrage aan duurzaam bouwen. Op deze wijze kunnen oudere mensen die eerder hulpbehoevend zijn, langer zelfstandig blijven wonen op de locatie waar ze altijd hebben gewoond.

Het derde lid bevat een regeling voor het aantal vereiste, integraal toegankelijke badruimten.

Het combineren van een integraal toegankelijke badruimte met een toiletruimte is krachtens het vijfde lid toegestaan, ook wanneer de toiletruimte een integraal toegankelijk toiletruimte is. De bedoeling van dit lid is eraan bij te dragen dat de toegankelijkheidssector minimaal de ruimten omvat die nodig zijn om aan het doel van de integrale toegankelijkheid te kunnen beantwoorden.

Artikel 4.48.

De strekking van dit artikel, dat alleen op de woonfunctie betrekking heeft, is tweeledig. Allereerst waarborgt het dat een voorgeschreven badruimte binnen de woning of het woongebouw bereikbaar is, zodat bewoners op weg daarheen niet zijn blootgesteld aan weer en wind. Dit betekent dat de niet-gemeenschappelijke badruimte binnen de woning ligt en dat een gemeenschappelijke badruimte in een woongebouw bereikbaar moet zijn door een deur tussen de woning en die badruimte dan wel via een besloten, gemeenschappelijke verkeersroute.

Voorts is dit artikel erop gericht dat gemeenschappelijke badruimten van een woonfunctie binnen redelijke tijd te bereiken zijn. Hiertoe zijn er eisen gesteld aan verschillen in hoogteligging en afstand tussen deze badruimten en de erop aangewezen woonfuncties.

Het voorschrift van het vierde lid betekent feitelijk dat een gemeenschappelijke badruimte op dezelfde verdieping moet liggen als de daarop aangewezen woonfuncties, dan wel een verdieping hoger of lager.

Artikel 4.49.

Dit artikel regelt dat de vloeroppervlakte van een voorgeschreven badruimte ten minste bepaalde afmetingen moet hebben. Deze afmetingen zijn zodanig dat er ook na plaatsing van bijvoorbeeld een wastafel en een douchebak voldoende gebruiksruimte is. De plafondhoogte van badruimten in gebruiksfuncties is, gelijk aan de vrije hoogte van deuren in die functies (artikel 4.11), aangescherpt van 2,1 m tot 2,3 m.

Wanneer het gaat om een gecombineerde toilet- en badruimte, zal naast het gegeven voorschrift ook het matje van 0,9 m x 1,2 m in de ruimte moeten passen.

Een integraal toegankelijke badruimte dient zodanige afmetingen te hebben, dat een rolstoelgebruiker daarvan zelfstandig of met hulp gebruik kan maken. De afmetingen in het zesde lid zijn gebaseerd op het ‘Handboek voor Toegankelijkheid’ van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad (thans Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland), 5e druk 2003 uitgegeven door Reed Business Information.

Artikel 4.50.

Het afsluitbaar zijn in de zin van het Bouwbesluit betekent hier dat een badruimte een deur moet hebben die dicht kan. Dat wil zeggen dat de deur aan bovenzijde aansluit tegen de bovendorpel en doorloopt tot aan de vloer. Het is niet vereist is dat de deur op slot kan worden gedaan.

Wanden moeten van vloer tot plafond doorlopen. Voor groepen van douchecabines waarbij de cabines niet geheel afsluitbaar zijn (de wanden lopen niet door tot de vloer en het plafond) zal toepassing moeten worden gegeven aan het gelijkwaardigheidsbeginsel.

In tegenstelling tot hetgeen algemeen geldt, behoeft een deur van badruimte van een celfunctie niet tot op de grond door te lopen en aan de bovenzijde aan te sluiten op de bovendorpel van het kozijn. Het is echter in tegenstelling tot het voorschrift zelve wel de bedoeling dat de badruimte van een celfunctie een deur heeft. Met het niet volledig afsluitbaar zijn is gewaarborgd dat een bewaarder ook in een badruimte voldoende toezicht kan uitoefenen op het doen en laten van een gedetineerde. Dit voorschrift is mede ontleend aan de Regeling politiecellencomplex.

§ 4.8.2.Bestaande bouw

Artikel 4.51.

De toelichtingen op de artikelen 4.46 tot en met 4.50 van paragraaf 4.8.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften voor een sportfunctie zijn, wat zwembaden betreft, ontleend aan het Besluit hygiëne en veiligheid zweminrichtingen. De aanwezigheid van een badruimte binnen de woning was in het verleden niet verplicht. Om die reden wordt in deze paragraaf dan ook niet geëist dat in een bestaande woning een badruimte aanwezig is. Indien die ruimte er echter wèl is - en dit is in het grootste deel van de bestaande woningvoorraad het geval -, dient die ruimte uit het oogpunt van bruikbaarheid aan de gestelde minimum afmetingen te voldoen. Die afmetingen zijn afgestemd op de minimum afmetingen van een douche.

Indien een badruimte van een woning niet voldoet aan bijvoorbeeld de gestelde afmetingen, kan op grond van artikel 14 van de Woningwet een aanschrijving worden uitgevaardigd om die ruimte alsnog met die eisen in overeenstemming te brengen. In een dergelijk geval zou echter ook kunnen worden overgegaan tot het uitvaardigen van een aanschrijving tot woningverbetering op grond van artikel 15 van die wet.

Artikel 4.52.

De toelichtingen op de artikelen 4.46 tot en met 4.50 van paragraaf 4.8.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften voor een sportfunctie zijn, wat zwembaden betreft, ontleend aan het Besluit hygiëne en veiligheid zweminrichtingen. De aanwezigheid van een badruimte binnen de woning was in het verleden niet verplicht. Om die reden wordt in deze paragraaf dan ook niet geëist dat in een bestaande woning een badruimte aanwezig is. Indien die ruimte er echter wèl is - en dit is in het grootste deel van de bestaande woningvoorraad het geval -, dient die ruimte uit het oogpunt van bruikbaarheid aan de gestelde minimum afmetingen te voldoen. Die afmetingen zijn afgestemd op de minimum afmetingen van een douche.

Indien een badruimte van een woning niet voldoet aan bijvoorbeeld de gestelde afmetingen, kan op grond van artikel 14 van de Woningwet een aanschrijving worden uitgevaardigd om die ruimte alsnog met die eisen in overeenstemming te brengen. In een dergelijk geval zou echter ook kunnen worden overgegaan tot het uitvaardigen van een aanschrijving tot woningverbetering op grond van artikel 15 van die wet.

Artikel 4.53.

De toelichtingen op de artikelen 4.46 tot en met 4.50 van paragraaf 4.8.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften voor een sportfunctie zijn, wat zwembaden betreft, ontleend aan het Besluit hygiëne en veiligheid zweminrichtingen. De aanwezigheid van een badruimte binnen de woning was in het verleden niet verplicht. Om die reden wordt in deze paragraaf dan ook niet geëist dat in een bestaande woning een badruimte aanwezig is. Indien die ruimte er echter wèl is - en dit is in het grootste deel van de bestaande woningvoorraad het geval -, dient die ruimte uit het oogpunt van bruikbaarheid aan de gestelde minimum afmetingen te voldoen. Die afmetingen zijn afgestemd op de minimum afmetingen van een douche.

Indien een badruimte van een woning niet voldoet aan bijvoorbeeld de gestelde afmetingen, kan op grond van artikel 14 van de Woningwet een aanschrijving worden uitgevaardigd om die ruimte alsnog met die eisen in overeenstemming te brengen. In een dergelijk geval zou echter ook kunnen worden overgegaan tot het uitvaardigen van een aanschrijving tot woningverbetering op grond van artikel 15 van die wet.

Artikel 4.54.

De toelichtingen op de artikelen 4.46 tot en met 4.50 van paragraaf 4.8.1 Nieuwbouw zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

De voorschriften voor een sportfunctie zijn, wat zwembaden betreft, ontleend aan het Besluit hygiëne en veiligheid zweminrichtingen. De aanwezigheid van een badruimte binnen de woning was in het verleden niet verplicht. Om die reden wordt in deze paragraaf dan ook niet geëist dat in een bestaande woning een badruimte aanwezig is. Indien die ruimte er echter wèl is - en dit is in het grootste deel van de bestaande woningvoorraad het geval -, dient die ruimte uit het oogpunt van bruikbaarheid aan de gestelde minimum afmetingen te voldoen. Die afmetingen zijn afgestemd op de minimum afmetingen van een douche.

Indien een badruimte van een woning niet voldoet aan bijvoorbeeld de gestelde afmetingen, kan op grond van artikel 14 van de Woningwet een aanschrijving worden uitgevaardigd om die ruimte alsnog met die eisen in overeenstemming te brengen. In een dergelijk geval zou echter ook kunnen worden overgegaan tot het uitvaardigen van een aanschrijving tot woningverbetering op grond van artikel 15 van die wet.

Afdeling 4.9.Kleedruimte, nieuwbouw

Vervallen

Afdeling 4.10.Gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval, nieuwbouw

Artikel 4.58.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor gemeenschappelijke opslagruimten voor huishoudelijk afval.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.59 bepaalt in welke situatie een gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval aanwezig moet zijn en welke afmetingen deze moet hebben (aanwezigheid en afmetingen);  
2.artikel 4.60 bevat eisen omtrent de wijze waarop men een gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval en, van daaraf, het aansluitende terrein kan bereiken (bereikbaarheid); 
3.artikel 4.61 houdt in dat een gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval voorzien moet zijn van een deur met een slot (afsluitbaarheid).

Voor andere gebruiksfuncties dan de ‘woonfunctie gelegen in een woongebouw’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op die andere gebruiksfuncties niet van toepassing is.

De in deze paragraaf neergelegde voorschriften voorzien er in dat in een woongebouw met woningen waarvan de bergruimten op een te grote afstand zijn gesitueerd van een toegang van de woning of waarin een te groot hoogteverschil moet worden overbrugd om de tot de woning behorende bergruimte te kunnen bereiken danwel waarin bedoelde bergruimte ontbreekt, een afzonderlijke ruimte voor het gescheiden kunnen opslaan van huishoudelijk afval aanwezig moet zijn. Een te grote afstand of een te groot hoogteverschil vormt, zo blijkt uit het TNO Bouw rapport 94 BKR R1022, en met name bijlage 4 van dat rapport, een belemmering om daadwerkelijk invulling te geven aan de op grond van de Wet milieubeheer geldende wettelijke verplichting tot het gescheiden inzamelen van huishoudelijk afval. De voorschriften zijn op uitdrukkelijk verzoek van het Overlegplatform bouwregelgeving ten dele functioneel geredigeerd. Burgemeester en wethouders hebben bij de handhaving van deze voorschriften enige beleidsruimte om tot een oordeel te komen. Daarbij kan rekening worden gehouden met het feitelijk gebruik van het woongebouw. Differentiatie is bijvoorbeeld mogelijk tussen een woongebouw bestemd voor bijzondere huisvesting, zoals voor ouderen of niet goed ter been zijnde personen, en andersoortige woongebouwen.

Bij de toepassing van deze paragraaf in een concrete situatie kan, afgaande op het TNO-rapport aan een volgende materialisering worden gedacht:

Gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval

Artikel xxxx

1. Indien de afstand, gemeten langs de kortste route, tussen een toegang van een woning, gelegen in een woongebouw, en de toegang tot de bergruimte, behorende tot die woning, groter is dan 50 m of het hoogteverschil tussen de toegang van een woning en de toegang van de bergruimte, behorende tot die woning, groter is dan 3 m, heeft het woongebouw, opdat huishoudelijk afval doeltreffend kan worden opgeslagen, ten minste één opslagruimte voor huishoudelijk afval, gelegen buiten de woning.
2. De opslagruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,0075 m² per m² gebruiksoppervlakte van de in het woongebouw gelegen, op die opslagruimte aangewezen woningen, met een minimum van 1,6 m²; de breedte van die vloeroppervlakte is ten minste 0,8 m; de hoogte boven die vloeroppervlakte is ten minste 2,1 m.
3. De afstand, gemeten langs de kortste route, tussen de toegang van de opslagruimte en de toegang van een woning, aangewezen op die opslagruimte, is ten hoogste 50 m; het hoogteverschil tussen de vloer van de opslagruimte en de vloer waarop zich de toegang van de woning, aangewezen op die opslagruimte, zich bevindt, is ten hoogste 3 m.
4. Een hoogteverschil van meer dan 0,02 m tussen:
a. de vloer van de opslagruimte en de vloer waarop de toegang van de woning, aangewezen op die opslagruimte, zich bevindt, en
b. de vloer van de opslagruimte en de vloer ter plaatse van een toegang van het woongebouw, langs welke toegang vanuit de opslagruimte het aansluitende terrein wordt bereikt,
is overbrugd door een hellingbaan of een lift; de lift heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1 m²; de breedte van de lift is ten minste 0,85 m; het hoogteverschil tussen de toegang van het woongebouw en het aansluitende terrein is ten hoogste 1 m; dat hoogteverschil is overbrugd door een hellingbaan; het vereiste van een hellingbaan geldt niet indien het hoogteverschil ten hoogste 0,02 m is.
5. De afstand, gemeten lang de kortste route, tussen de toegang van de opslagruimte en de toegang van een lift is ten hoogste 50 m.

Artikel 4.59.

Het eerste lid heeft als doel de belemmeringen voor het gescheiden inzamelen van afval voor bewoners van een woongebouw weg te nemen. Daartoe wordt een bruikbare ruimte voor de opslag van huishoudelijk afval voorgeschreven.

Het voorschrift laat burgemeester en wethouders enige beleidsruimte bij de beoordeling of een gemeenschappelijke opslagruimte ten behoeve van het gescheiden inzamelen van afval noodzakelijk is. Hierbij kunnen zij rekening houden met het feitelijk gebruik van het woongebouw. Er kan bijvoorbeeld onderscheid worden gemaakt tussen een woongebouw bestemd voor bijzondere huisvesting, zoals voor ouderen of personen met een functiebeperking, en andersoortige woongebouwen. De in het algemeen deel van deze paragraaf beschreven uitwerking is afgestemd op normaal gebruik van het woongebouw.

In het tweede lid is een eis gesteld aan de minimum oppervlakte van de opslagruimte. De afmetingen zijn zodanig dat daarin een voldoende aantal containers kan worden geplaatst en dat er voldoende ruimte is om van de containers gebruik te kunnen maken. Gebaseerd op het genoemde TNO rapport is er per woning rekening mee gehouden dat twee containers, zogenoemde clico's, kunnen worden geplaatst in die opslagruimte.

Artikel 4.60.

Dit artikel bevat eisen aan de inrichting van het woongebouw, zodat er een doeltreffend gebruik van de opslagruimte kan worden gemaakt. Zo mag de opslagruimte niet te ver van de toegang van de woonfunctie liggen.

Ook voorzien de eisen er in dat de clico’s zonder dat ze over de trap behoeven te worden gesleept naar het aansluitende terrein kunnen worden gebracht.

Artikel 4.61.

Ten einde vandalisme, zoals brandstichting, tegen te gaan, is voorgeschreven dat de opslagruimte geheel omsloten moet zijn van onder tot boven en slechts kan worden betreden nadat met een sleutel de toegangsdeur is geopend.

Afdeling 4.11.Stallingsruimte voor fietsen, nieuwbouw

Artikel 4.62.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor stallingsruimten voor fietsen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die ten dele prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.63 bepaalt in welke situatie een stallingsruimte aanwezig moet zijn en welke afmetingen deze moet hebben (aanwezigheid en afmetingen), en  
2.artikel 4.64 bevat eisen omtrent de ligging en bereikbaarheid van een stallingsruimte (ligging).  

Voor de woonfunctie, ‘lichte industriefunctie’, ‘logiesfunctie’, ‘andere overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

De voorschriften voor een onderwijsfunctie zijn mede ontleend aan artikel 5, twaalfde lid, van het voormalige Bouwbesluit WBO en aan artikel 5, tiende lid, van het voormalige Bouwbesluit ISOVSO.

De voorschriften voor een sportfunctie is mede ontleend aan artikel 14, zesde lid, van zowel het voormalige Bouwbesluit WBO als het voormalige Bouwbesluit ISOVSO.

De voorschriften met betrekking tot fietsenstallingen zijn in het Bouwbesluit 2003 opgenomen ter nadere uitwerking van het Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer (Kamerstukken II, 1989/90, 20 922, nr. 16). Het beleid is er op gericht het gebruik van de fiets naar het werk te stimuleren teneinde de automobiliteit terug te dringen. Om deze reden moet er vooral bij kantoren, fabrieken en werkplaatsen voldoende stallingruimte voor fietsen aanwezig zijn. Gelet op het kabinetsbeleid de automobiliteit terug te dringen, mag worden aangenomen dat naast een toename van het gebruik van het openbaar vervoer, ook het gebruik van de fiets zal toenemen. In verband met dit laatste, zal de behoefte aan fietsenstallingen toenemen. Daarom moeten bij gebouwen op grond van deze paragraaf voldoende doeltreffende stallingsmogelijkheden voor fietsen aanwezig zijn, waarvan de omvang is gerelateerd aan de gebruiksoppervlakte van het gebouw.

Artikel 4.63.

Dit artikel heeft tot doel te voorzien in de behoefte aan stallingsruimte voor fietsen en bromfietsen bij utiliteitsgebouwen.

De stallingsruimte kan worden uitgevoerd als overige gebruiksfunctie, zijnde een gebouw, tevens nevenfunctie zijnde, of als een stuk terrein, dat al dan niet, gelijkend op een carport, overdekt is. Een stuk grond, zijnde een buitenruimte, kan als stallingsruimte voor fietsen worden aangemerkt. De fietsenstalling hoeft niet op het zelfde perceel te zijn gelegen als het te bouwen gebouw, mits maar duidelijk is dat de vereiste oppervlakte aan fietsenstalling ten dienste van het te bouwen gebouw aanwezig is. Zo kan worden gebruik gemaakt van een openbare voorziening voor het stallen van fietsen welke voorziening ten dienste staat van verschillende gebouwen.

Met de hoogte-eis wordt beoogd dat de gebruiker van een overdekte fietsenstalling zich daarin op normale wijze kan bewegen zonder het hoofd te stoten.

Artikel 4.64.

Indien de stallingsmogelijkheden voor fietsen in het gebouw of een bij het gebouw behorend gebouw zijn gelegen, dienen die fietsenstallingen vanaf het aan het gebouw aansluitende terrein goed bereikbaar te zijn. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer de stallingsruimte via al dan niet gemeenschappelijke verkeersruimten is te bereiken.

Afdeling 4.12.Meterruimte, nieuwbouw

Artikel 4.65.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor een meterruimte voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.66 bepaalt in welke situatie een meterruimte aanwezig moet zijn (aanwezigheid);  
2.artikel 4.67 bepaalt welke afmetingen en indeling een meterruimte moet hebben (afmetingen);  
3.artikel 4.68 is vervallen, en
4.artikel 4.69 bepaalt dat de uitwendige scheidingsconstructie van een meterruimte regenwerend moet zijn (regenwerendheid).

Voor de gebruiksfunctie ‘bouwwerken, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfunctie niet van toepassing is.

Voor de bestaande bouw is geen meterruimte voorgeschreven. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat in het verleden een dergelijke ruimte niet is geëist. Het thans alsnog eisen van dergelijke ruimten zou op gespannen voet staan met het rechtens verkregenniveau en de eigenaar van een gebouw voor kosten plaatsen waarvan het nut niet opweegt tegen de verhoogde veiligheid en bruikbaarheid van het gebouw.

Artikel 4.66.

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een meterruimte voor het aansluiten van voorzieningen voor drinkwater, gas, elektriciteit en verwarming op de openbare distributienetten. Deze meterruimte hoeft niet per se individueel te zijn, maar mag gedeeld worden met andere gebruiksfuncties. Men kan bij dit laatste bijvoorbeeld denken aan een gemeenschappelijke meterruimte in een woongebouw of een winkel met een kantoor (winkelfunctie met kantoorfunctie).

In het tweede lid is geregeld dat, indien er in een woongebouw een gemeenschappelijke voorziening voor drinkwater, gas, elektriciteit of verwarming is, er voor die gemeenschappelijke voorziening een afzonderlijke gemeenschappelijke meterruimte is. Met een gemeenschappelijke voorziening wordt, naast bijvoorbeeld een stroomvoorziening voor een gemeenschappelijke lift of verlichting van een trappenhuis, ook een leiding bedoeld die zich tussen de aansluiting op het openbare distributienet en de aftakking naar een individuele meter (van een afzonderlijke gebruiksfunctie) bevindt.

Artikel 4.67.

Een voorgeschreven meterruimte moet voor wat betreft de inrichting voldoen aan bepaalde eisen van NEN 2768. Het normblad bevat ook een reeks eisen die door het Bouwbesluit niet worden aangestuurd. Die eisen hebben alleen betekenis voor privaatrechtelijke overeenkomsten.

Verder is in het tweede en derde lid geregeld dat de meterruimte, voor installaties van een grotere omvang dan waarin NEN 2768 voorziet, zodanige afmetingen heeft, dat de benodigde apparatuur in die ruimte kan worden geplaatst en dat die apparatuur bereikbaar is voor onderhoud en het aflezen van de meterstanden. Het tweede lid duidt daarbij op gemeenschappelijke meterruimten in een woongebouw.

Artikel 4.68.

Vervallen

Noot: Een deel van deze eisen is thans ondergebracht in artikel 2.185.

Artikel 4.69.

Ingevolge dit artikel moeten de wanden, de vloer en het plafond van de meterruimte het vermogen hebben de in die ruimte geplaatste apparatuur te vrijwaren van regen, hagel en sneeuw. Daarmee wordt een vanuit arbeidsomstandigheden onveilige situatie voorkomen.

Afdeling 4.13.Liftschacht, nieuwbouw

Artikel 4.70.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor liftschachten voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.71 bepaalt in welke situatie een liftschacht aanwezig moet zijn (aanwezigheid);  
2.artikel 4.72 regelt op welke hoogte de vloer en het plafond van de liftschacht moeten liggen ten opzichte van de laagste en hoogste verdiepingsvloer (hoogteligging);  
3.artikel 4.73 verbiedt de aanwezigheid van niet voor de lift bestemde leidingen en installaties in de liftschacht (inrichting), en  
4.artikel 4.74 bepaalt dat de uitwendige scheidingsconstructie van een liftschacht regenwerend moet zijn (waterdichtheid).

Deze voorschriften zijn tevens een nadere uitwerking van de EG-richtlijn liften (95/16/EG). Deze paragraaf voorziet tezamen met andere afdelingen in de implementatie van:

Dit artikel voorziet voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in de implementatie van:

a.artikel 2, derde lid, van de richtlijn liften (95/15/EG), dat verbiedt dat in een liftschacht leidingen aanwezig zijn die geen relatie hebben met de veiligheid en het functioneren van de lift;
b.artikel 3 in verbinding met onderdeel 2.2 van bijlage I van die richtlijn, voor zover het de uitloop van een liftschacht betreft ten einde het gevaar voor verplettering te voorkomen van personen die in de liftschacht onderhoudswerkzaamheden verrichten;
c.artikel 3 in verbinding met onderdeel 4.7 van bijlage I van die richtlijn, voor zover het de ventilatie van de liftkooi betreft (geregeld in afdeling 3.10);
d.artikel 3 in verbinding met onderdeel 4.8 van bijlage I van die richtlijn, voor zover het de verlichtingsinstallatie onder normale en in noodsituaties betreft (geregeld in afdeling 2.8), en
e.artikel 3 in verbinding met onderdeel 4.9 van bijlage I van die richtlijn, voor zover het de werking van de noodverlichting betreft (geregeld in afdeling 2.8).

Artikel 4.71.

Met het oog op het doelmatig kunnen functioneren van een lift schrijft dit artikel voor dat ten behoeve van de lift een schacht aanwezig moet zijn waarin de liftkooi zich op en neer kan bewegen. Daarmee worden gevaarlijke situaties voorkomen (voldoen aan de arbowetgeving) en tevens leidt dit er toe dat mocht de lift zijn vastgelopen, bijvoorbeeld bij brand, personen die in de lift aanwezig zijn niet direct in gevaar hoeven te zijn.

Veelal zal het gaan om een liftschacht ten dienste van twee of meer gebruiksfuncties, zodat het om een gemeenschappelijke liftschacht gaat.

Artikel 4.72.

Het doel van dit artikel is te verzekeren dat er zowel boven als beneden in de liftschacht op veilige wijze onderhouds- en reparatiewerk aan de liftinstallatie kan worden verricht. Daartoe is voorgeschreven dat er voldoende ruimte moet zijn tussen de hoogst- en laagstgelegen halteplaatsen van de lift en respectievelijk het plafond en de vloer van de liftschacht.

Artikel 4.73.

Met dit artikel is, evenals met de andere artikelen van deze afdeling, uitvoering gegeven aan artikel 2, derde lid, van de richtlijn nr. 95/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten betreffende liften. Daarin staat dat er in een liftschacht geen leidingen of installaties aanwezig mogen zijn die niet voor de veiligheid of het functioneren van de lift vereist zijn.

Artikel 4.74.

Door dit artikel wordt bereikt dat er geen water kan doordringen in de liftschacht. Zo wordt voorkomen dat er kortsluiting ontstaat, of dat er plassen op de vloer van de lifschacht ontstaan, wat een gevaarlijke situatie zou kunnen opleveren voor degenen die daar reparatie- of onderhoudswerk moeten verrichten.

Afdeling 4.14.Liftmachineruimte, nieuwbouw

Artikel 4.75.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor een liftmachineruimte voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.76 bepaalt in welke situatie een liftmachineruimte aanwezig moet zijn (aanwezigheid);  
2.artikel 4.77 regelt op welke wijze de liftmachineruimte moet kunnen worden bereikt (bereikbaarheid);  
3.artikel 4.78 bevat een eis inzake de vloeroppervlakte van de liftmachineruimte (afmetingen), en  
4.artikel 4.79 bepaalt dat de uitwendige scheidingsconstructie van een liftmachineruimte regenwerend moet zijn (regenwerendheid).  

Artikel 4.76.

Dit artikel bevat de aanwezigheidseis van een liftmachineruimte, indien de gebruiksfunctie is voorzien van een personen- of goederenlift. Deze ruimte dient voor het plaatsen van de machines en bijbehorende toestellen ten behoeve van het functioneren van de lift.

Veelal zal het gaan om een liftmachineruimte ten dienste van twee of meer gebruiksfuncties, zodat het om een gemeenschappelijke liftmachineruimte gaat.

Artikel 4.77.

Dit artikel is uitsluitend van toepassing bij een woongebouw en is bedoeld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners van het woongebouw. Het is onwenselijk als een liftmonteur de liftmachineruimte van de gemeenschappelijke lift uitsluitend via een woning of een andere niet-gemeenschappelijke ruimte zou kunnen betreden. Daarom is voorgeschreven dat de liftmachineruimte vanaf het aansluitende terrein uitsluitend door gemeenschappelijke verkeersruimten bereikbaar moet zijn.

Artikel 4.78.

Het doel van deze bepaling is te verzekeren dat de liftmachinekamer naast ruimte voor de apparatuur voldoende ruimte biedt voor het verrichten van onderhoud en reparatie aan de opgestelde apparatuur.

Artikel 4.79.

Door dit artikel wordt bereikt dat er geen water op de vloer van de liftmachineruimte kan blijven staan, opdat daar op een veilige wijze reparatie- of onderhoudswerk kan worden verricht.

Afdeling 4.15.Opstelplaats voor een aanrecht en opstelplaats voor een kooktoestel

§ 4.15.1.Nieuwbouw

Artikel 4.80.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel voor te bouwen bouwwerken.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.81 bepaalt in welke situatie er een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel aanwezig moeten zijn en bevat eisen omtrent de ligging daarvan (aanwezigheid), en  
2.artikel 4.82 stelt eisen aan de oppervlakte van de in artikel 4.81 bedoelde opstelplaatsen (afmetingen).

De tabel in het tweede lid wijst voorschriften aan voor de woonfunctie en de bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik. Het derde lid bepaalt dat voor die gebruiksfuncties waarvoor de tabel geen enkel voorschrift aanwijst, de functionele eis van het eerste lid niet geldt.

Artikel 4.81.

Dit artikel geeft in het eerste en tweede lid de aanwezigheidseis van voorzieningen die in een keuken van de woonfunctie benodigd zijn. De keukenvoorziening moet zijn gelegen in een verblijfsruimte. Die verblijfsruimte kan zowel binnen de groep van niet-gemeenschappelijke ruimten (vroeger de woning geheten) als daarbuiten in een gemeenschappelijke ruimte liggen. De beperking van de laatste mogelijkheid tot woningen met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m² is met de inwerkingtreding van dit besluit komen te vervallen.

De bedoeling van het derde en het vierde lid is in de woonfunctie het aanrecht en het kooktoestel zo te positioneren dat de vloeroppervlakte wordt vrijgehouden, die op grond van artikel 4.26, eerste lid, minimaal is bestemd voor zitgelegenheid. Deze eisen laten de mogelijkheid open om de plaatsen voor aanrecht en kooktoestel in dezelfde ruimte te situeren als waarin zich ook de oppervlakte voor de zitgelegenheid bevindt. Het maken van een open keuken is dan mogelijk.

Met de eis van het vijfde lid wordt beoogd dat in horecagelegenheden het glas- en vaatwerk deugdelijk kan worden afgewassen. Dit voorschrift over een opstelplaats voor een aanrecht van een bijeenkomstfunctie is ontleend aan het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet.

Artikel 4.82.

De volgens het eerste lid minimaal vereiste afmetingen van de opstelplaats voor het aanrecht in de woonfunctie zijn zodanig, dat één persoon de voor de maaltijdbereiding noodzakelijke handelingen kan verrichten. De keukenvoorziening, zijnde het aanrecht, is echter niet voorgeschreven.

Krachtens het tweede lid moet een opstelplaats voor een gemeenschappelijk aanrecht langer zijn dan voor een aanrecht voor een individuele woning.

De minimum afmetingen van een opstelplaats voor een kooktoestel van het derde lid zijn afgestemd op de gangbare maten van een gas- of elektrisch fornuis.

§ 4.15.2.Bestaande bouw

Artikel 4.83.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 4.15.1 Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepasisng. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.

Indien een keukeninrichting niet in de woning is gelegen of niet voldoet aan de afmetingseisen, kan op grond van artikel 14 of 15 van de Woningwet een aanschrijving worden uitgevaardigd om die ruimte alsnog met die eisen in overeenstemming te brengen. In een dergelijk geval zou het beste kunnen worden overgegaan tot het uitvaardigen van een aanschrijving tot woningverbetering op grond van artikel 15 van die wet.

Artikel 4.84.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 4.15.1 Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepasisng. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.

Indien een keukeninrichting niet in de woning is gelegen of niet voldoet aan de afmetingseisen, kan op grond van artikel 14 of 15 van de Woningwet een aanschrijving worden uitgevaardigd om die ruimte alsnog met die eisen in overeenstemming te brengen. In een dergelijk geval zou het beste kunnen worden overgegaan tot het uitvaardigen van een aanschrijving tot woningverbetering op grond van artikel 15 van die wet.

Het eerste lid staat toe, dat de opstelplaatsen voor aanrecht en kooktoestel niet binnen de de groep van gemeenschappelijke ruimten van de woonfunctie (voorheen de woning geheten) liggen, maar in een besloten ruimte, niet zijnde een verblijfsruimte, daarbuiten, bijvoorbeeld in een schuur of een voorzieningengebouw op een standplaats voor een woonwagen.

Het tweede lid bevat voor een woonfunctie in een woongebouw een uitzondering op de aanwezigheidseis van het eerste lid. Er moeten in zo’n geval in een gemeenschappelijke verblijfsruimte van het woongebouw ten minste een aanrecht en één opstelplaats voor een kooktoestel voor gemeenschappelijk gebruik aanwezig zijn.

De eisen in het derde lid laten de mogelijkheid open dat de opstelplaatsen voor aanrecht en kooktoestel in dezelfde ruimte zijn gesitueerd als waarin ook de oppervlakte voor een zitgelegenheid is opgenomen. In zo’n geval zal die ruimte naast de voorgeschreven oppervlakte voor een minimale zitgelegenheid ook de voor aanrecht en kooktoestel vereiste minimumoppervlakte moeten bevatten. In afwijking van de nieuwbouwvoorschriften, behoeft in dit laatste geval geen rekening te worden gehouden geëiste gebruiksruimte van 0,6 m tussen enerzijds de opstelplaats voor het aanrecht en de opstelplaats voor het kooktoestel en anderzijds het zitgedeelte van de woonkamer.

Artikel 4.85.

De toelichting op de artikelen van paragraaf 4.15.1 Nieuwbouw is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.

Indien een keukeninrichting niet in de woning is gelegen of niet voldoet aan de afmetingseisen, kan op grond van artikel 14 of 15 van de Woningwet een aanschrijving worden uitgevaardigd om die ruimte alsnog met die eisen in overeenstemming te brengen. In een dergelijk geval zou het beste kunnen worden overgegaan tot het uitvaardigen van een aanschrijving tot woningverbetering op grond van artikel 15 van die wet.

Afdeling 4.16.Opstelplaats voor een stooktoestel

§ 4.16.1.Nieuwbouw

Artikel 4.86.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor opstelplaatsen voor een stooktoestel voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die voor het grootste deel prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld

1.artikel 4.87 bepaalt in welke situatie er een opstelplaats voor een stooktoestel aanwezig moet zijn (aanwezigheid);  
2.artikel 4.88 bevat voorschriften omtrent de ligging van de opstelplaats (plaatsbepaling), en  
3.artikel 4.89 schrijft voor waarop de afmetingen van een stookruimte of opstelplaats moeten zijn afgestemd (afmetingen).

Voor de gebruiksfunctie ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfunctie niet van toepassing is.

Artikel 4.87.

Dit artikel bevat de aanwezigheidseis van een opstelplaats voor bijvoorbeeld een haard of een cv-ketel. Deze opstelplaats kan er zijn voor een of meer verschillende gebruiksfuncties. Dan is sprake van een gemeenschapppelijke opstelplaats. Deze opstelplaats mag deel uitmaken van een andere ruimte. De opstelplaats is niet vereist indien de gebruiksfunctie kan worden verwarmd door middel van een publieke voorziening, zoals bijvoorbeeld stadsverwarming.

Artikel 4.88.

In dit artikel zijn voorschriften gegeven met betrekking tot de situering van een opstelplaats voor een verbrandingstoestel, zijnde een stooktoestel.Op grond van artikel 4.87 mag een voorgeschreven opstelplaats in de groep van gemeenschappelijke ruimten van een gebruiksfunctie zelf liggen, maar ook daarbuiten.

In het eerste tot en met het derde lid zijn beperkingen gesteld aan de keuze van de ruimten waarin men de opstelplaats kan situeren. Het is niet toegestaan een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel te situeren in een toilet- of badruimte, zulks met het oog op het het gevaar van een open verbrandingstoestel in een vochtige ruimte.

En om calamiteiten te voorkomen mag een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel niet liggen in een garage of opslagplaats voor stoffen die gevaar voor brand of ontploffing opleveren. Voorts is het om obstakels te voorkomen niet toegestaan de opstelplaats te situeren in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert.

Het vierde en het vijfde lid geen aan wanneer een opstelplaats in een afzonderlijke stookruimte moeten zijn opgenomen. Het gaat hierbij vooral om opstelplaatsen die zijn bestemd voor het plaatsen van een of meer stooktoestellen met een grote capaciteit, waarbij het zowel voorgeschreven als niet voorgeschreven opstelplaatsen betreft. Is in een woongebouw en een logiesgebouw sprake van een gemeenschappelijke stooktoestel, dan bevindt dat toestel zich in een stookruimte. Uit veiligheidsoverwegingen mogen die toestellen niet worden geplaatst in ruimten die in beginsel voor andere doeleinden zijn bestemd. Op grond van afdeling 2.13 moeten dergelijke ruimten als brandcompartiment zijn aangemerkt.

Artikel 4.89.

Dit artikel bepaalt dat de afmetingen van een stookruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel moeten zijn afgestemd op de te plaatsen verwarmingsapparatuur. De bedoeling hiervan is niet alleen dat het plaatsen van de verwarmingsapparatuur mogelijk moet zijn, maar ook dat er voldoende ruimte is voor het kunnen verrichten van onderhoud aan die apparatuur.

§ 4.16.2.Bestaande bouw

Artikel 4.90.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.16.1 zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.91.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.16.1 zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.92.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.16.1 zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.93.

De toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.16.1 zijn op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 4.17.Opstelplaats voor een warmwatertoestel, nieuwbouw

Artikel 4.94.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor een opstelplaats voor een warmwatertoestel.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die voornamelijk prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 4.95 bepaalt in welke situatie er een opstelplaats voor een warmwatertoestel aanwezig moet zijn (aanwezigheid);  
2.artikel 4.96 bevat voorschriften omtrent de ligging van de opstelplaats (plaatsbepaling), en  
3.artikel 4.97 schrijft voor waarop de afmetingen van de opstelplaats moeten zijn afgestemd (afmetingen).

Voor een ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis op deze gebruiksfunctie niet van toepassing is.

Artikel 4.95.

Dit artikel bevat de aanwezigheidseis van een opstelplaats voor apparatuur voor het verwarmen van water, zoals bijvoorbeeld een (bad)geiser of een boiler. Deze kan dienen voor bijvoorbeeld één woonfunctie, maar ook voor meer woonfuncties of zelfs verschillende soorten gebruiksfuncties. Indien een gebruiksfunctie waarvoor een warmwaterinstallatie is voorgeschreven kan worden aangesloten op een openbare voorziening voor de levering van warm water, geldt de eis van aanwezigheid van een opstelplaats voor een warmwatertoestel niet. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een voorziening in het kader van stadsverwarming.

Een opstelplaats voor een warmwatertoestel is voorgeschreven voor de gebruiksfuncties waarvoor het vereiste van een badruimte geldt.

Artikel 4.96.

In dit artikel zijn voorschriften gegeven met betrekking tot de situering van de opstelplaats voor een warmwatertoestel. De opstelplaats mag, anders dan voor de opstelplaats voor een stooktoestel het geval is, deel uitmaken van elke andere ruimte in de gebruiksfunctie. In dit laatste geval zal de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook moeten voldoen aan de ingevolge dit besluit of de bouwverordening ter zake geldende eisen.

Het eerste lid staat toe dat de vereiste opstelplaats voor een warmwatertoestel wordt gecombineerd met de in afdeling 4.16 vereiste opstelplaats voor een stooktoestel. Voor de gecombineerde opstelplaats gelden dan wel tevens de beperkingen aan de plaatskeuze die zijn verbonden aan de opstelplaats voor een stooktoestel. Die beperkingen zijn deels dezelfde als in de volgende leden van dit artikel gesteld.

In het tweede en derde lid worden beperkingen gesteld aan de situering van de opstelplaats. Op grond van artikel 4.95 mag een vereiste opstelplaats in het hoofdgedeelte van de gebruiksfunctie liggen, maar ook daarbuiten.

Om calamiteiten te voorkomen mag een opstelplaats die is bestemd voor een open verbrandingstoestel krachtens het tweede lid niet liggen in een garage of in een opslagplaats voor stoffen die gevaar voor brand of ontploffing opleveren.

Het derde lid heeft betrekking op een woongebouw met een gemeenschappelijke opstelplaats voor een warmwatertoestel waarop twee of meer woonfuncties zijn aangewezen. Zo’n ruimte is op grond van afdeling 2.13 tevens een stookruimte.

Artikel 4.97.

Dit artikel bepaalt dat de afmetingen van een gemeenschappelijke opstelplaats voor een warmwatertoestel moeten zijn afgestemd op de te plaatsen apparatuur. De bedoeling hiervan is niet alleen dat het plaatsen van deze apparatuur mogelijk moet zijn, maar ook dat er voldoende ruimte is voor het kunnen verrichten van onderhoud aan die apparatuur.

Afdeling 4.18.Bassin, nieuwbouw

Vervallen

Hoofdstuk 5.Voorschriften uit het oogpunt van energiezuinigheid

Afdeling 5.1.Thermische isolatie, nieuwbouw

Artikel 5.1.

Het eerste lid geeft de functionele eis met betrekking tot de thermische isolatie van te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 5.2 bepaalt hoe groot het warmte-isolerend vermogen van scheidingsconstructies minimaal moet zijn (algemeen);  
2.artikel 5.3 bepaalt hoe groot het warmte-isolerend vermogen van ramen, deuren en dergelijke minimaal moet zijn (deur, raam, kozijn);  
3.artikel 5.4 geeft aan vanaf welke waarde van de isolatie-index een woonwagen niet aan de eisen voor de uitwendige scheidingsconstructie hoeft te voldoen (thermische-isolatie-index);  
4.artikel 5.5 houdt in hoe groot het gedeelte van de scheidingsconstructies mag zijn dat niet aan de warmte-isolatie-eisen hoeft te voldoen (vrijgesteld);  
5.artikel 5.6 geeft aan tot welk niveau burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en  
6.artikel 5.7 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften daarvoor gelden (tijdelijke bouw).

Voor de ‘niet-verwarmde logiesfunctie’, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel van het tweede lid geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 5.2.

Het doel van dit artikel is bereiken dat de gevel, het dak en de begane-grondvloer van een gebruiksfunctie zodanig worden geïsoleerd, dat warmte niet naar buiten kan weglekken. In beginsel voldoet een gebouw dat een geïsoleerde buitenschil heeft, inclusief de begane grondvloer, aan het voorschrift.

Krachtens het eerste lid moet de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte een Rc-waarde van ten minste 2,5 m².K/W hebben.

Een dergelijke eis geldt op grond van het tweede lid ook voor de begane-grondvloer van die ruimten boven een kruipruimte.

Het derde lid houdt in dat dezelfde eis geldt voor een binnenwand tussen een verblijfsgebied, toilet- of badruimte en een onverwarmde serre of garage. Grenst het verblijfsgebied aan een deel van het gebouw dat wordt verwarmd voor andere doeleinden dan het verblijven van mensen, zoals een verwarmde broeikas, dan geldt de prestatie-eis evenzo.

Het is echter niet de bedoeling dat de eis geldt tussen een woonkamer en een onverwarmde gang, ook als dat de gang van de naastgelegen woning is. Het is niet de bedoeling dat de eis van toepassing is op een woningscheidende wand.

Bij het bepalen of de binnenwand voldoet aan de eis, mag rekening worden gehouden met de positieve effecten van de aansluitende ruimte, voorzover deze als aansluitend constructiedeel is aan te merken. Dit vloeit voort uit de bepaling van het begrip “inwendige scheidingsconstructie”, die onder meer inhoudt dat aansluitende constructiedelen worden geacht deel uit te maken van de inwendige scheidingsconstructie, voorzover deze van invloed zijn op het voldoen aan de eis.

Het vierde lid heeft betrekking op een woonwagen. Gelet op het feit dat een woonwagen geen vloer heeft die grenst aan een kruipruimte, maar een vloer die grenst aan de buitenlucht, kan volstaan worden met een eis aan de uitwendige scheidingsconstructie. Om de bouwwijze van woonwagens niet te beïnvloeden is volstaan met een warmteweerstand van ten minste 2 m².K/W.

Uit het vijfde lid volgt dat de eisen aan de warmte-isolatie van gevel, dak en begane-grondvloer alleen gelden voor gebruiksfuncties die voor het gebruik door mensen worden verwarmd. Op grond van dit voorschrift kan bij bepaalde industriefuncties worden afgezien van thermische isolatie.

Artikel 5.3.

De warmteweerstand van ramen en deuren schiet in het algemeen tekort om te voldoen aan de in artikel 5.2 gestelde eis. Dit geldt ook voor in kozijnen opgenomen borstweringen (panelen). Op grond van het eerste lid mag daarom voor dit soort constructie-onderdelen worden volstaan met een lagere isolatiewaarde. Praktisch gezien betekent dit voor ramen en deuren met beglazing, dat deze moeten zijn voorzien van thermisch isolerend dubbel glas. Verder kunnen op grond van dit voorschrift binnen de gangbare afmetingen van kozijnstijlen borstweringen worden verwezenlijkt die niet voldoen aan de eis van artikel 5.2.

Het tweede lid bevat een maximum voor het aandeel van de hier bedoelde constructie-onderdelen in de uitwendige scheidingsconstructie van een woonwagen. De bedoeling van deze “vangnet-eis” is te voorkomen dat er voor een te groot deel van de woonwagen wordt volstaan met een lagere isolatiewaarde en als gevolg daarvan het warmteverlies onnodig groot wordt. Omdat er voor woonwagens geen energieprestatie-eis geldt (zie afdeling 5.3), wordt niet op andere wijze voorzien in het terugdringen van grote vlakken met relatief weinig thermische isolatie.

Artikel 5.4.

Dit artikel bepaalt dat de warmte-isolatie-eisen voor de buitenwand van een woonwagen niet gelden, indien de thermische-isolatie-index, zoals die wordt bepaald volgens NEN 1068, ten minste 8 is. Het doel hiervan is een grotere vrijheid te scheppen voor het ontwerpen van een woonwagen, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de beperking van het warmte-verlies. Dit voorschrift maakt het bijvoorbeeld mogelijk meer glas toe te passen dan artikel 5.3, tweede lid, toestaat. De isolatie-waarde van dat glas en van de overige delen van de uitwendige scheidingsconstructie moet dan uiteraard wel toereikend zijn om te voldoen aan de verlangde thermische-isolatie-index.

Artikel 5.5.

Uit praktisch oogpunt is het noodzakelijk dat gedeelten van de uitwendige scheidingsconstructie niet hoeven te zijn geïsoleerd. Er moet immers gelegenheid zijn om voorzieningen aan te brengen, zoals bijvoorbeeld een ventilatierooster. Daarom bepaalt dit artikel dat van de scheidingsconstructie, waaronder begrepen de binnenwanden als bedoeld in artikel 5.2, derde lid, een gedeelte ter grootte van 2% van de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie niet aan de isolatie-eisen hoeft te voldoen.

In het tweede lid heeft de gebruiksoppervlakte geen betrekking op de woonfunctie, maar op de woonwagen sec, zoals deze af fabriek wordt geleverd.

Afdeling 5.2.Beperking van luchtdoorlatendheid, nieuwbouw

Artikel 5.8.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van luchtdoorlatendheid voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 5.9 bepaalt hoe groot de luchtvolumestroom door scheidingsconstructies maximaal mag zijn (algemeen), en  
2.artikel 5.10 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw).

Voor de ‘niet-verwarmde logiesfunctie’, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel geen enkel voorschrift aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis op deze gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Artikel 5.9.

De omhullende constructie van een aangesloten gedeelte van een gebruiksfunctie, zoals een woning, laat van nature een zekere mate van lucht door. Het doel van dit artikel is te bereiken dat deze luchtdoorlatendheid zo wordt beperkt, dat er ook bij sterke wind, slechts een beperkte mate van warmteverlies ten gevolge van infiltratie optreedt.

Met het oog hierop is in het eerste lid een eis gesteld aan de luchtdoorlatendheid van een aaneengesloten deel van de gebruiksfunctie dat alle niet-gemeenschappelijke verblijfsgebieden, toilet- en badruimten omsluit, zoals een woning. De prestatie-eis betekent ook dat de omhullende constructie van een gemeenschappelijk verblijfsgebied voldoende luchtdicht moet zijn.

Dit voorschrift betekent dat in het bijzonder aandacht zal moeten worden geschonken aan plaatsen in de gevel, dak en begane grondvloer waar, naar verwachting, een te grote luchtdoorlatendheid kan optreden. Hierbij valt onder meer te denken aan aansluitingen van kozijnen op muren, aansluitingen van hellende daken op de gevel en doorvoeringen. Voor de totale schil van zo’n aaneengesloten deel geldt een grenswaarde van ten hoogste 0,2 m³/s per 500 m³ netto inhoud van de woning, zoals blijkt uit NEN 2686. Deze eis is afgeleid uit de voormalige NEN 2687 waarin luchtdoorlatendheidklassen voor de woningbouw waren opgenomen. De eis betekent bijvoorbeeld dat woningen tot die 500 m³ netto-inhoud relatief lekker mogen zijn en vanaf die inhoud het luchtverlies evenredig met de netto-inhoud mag toenemen. Dit vloeit voort uit het feit dat het relatieve aandeel aan naden kieren bij kleine eenheden relatief groot is en het voorschrift anders voor die eenheden een te grote inspanning met zich zouden brengen om er aan te voldoen.

Wat betreft een woning geldt het voorschrift zowel voor een woning die in een woongebouw is gelegen als een woning die niet in een woongebouw is gelegen. Aan een woongebouw op zich zelf is geen eis ten aanzien van de luchtdoorlatendheid gesteld, ook al doet het vierde lid anders vermoeden. Voor een logiesgebouw werkt het eender. De eisen gelden voor de groep van niet gemeenschappelijke ruimten van de logiesfunctie en voor de omhullende van een gemeenschappelijk verblijfsgebied.

Het maakt bij de toepassing van het voorschrift geen verschil of de te beschouwen eenheid ruimten grenst aan een ander verwarmd gedeelte. Ook in dat geval moet het te beschouwen gedeelte op zich zelf luchtdicht zijn.

Het tweede lid bevat soortgelijke eisen voor een woonwagen. Bij de bepaling van de totale luchtvolumestroom van een woonwagen blijft een eventuele toiletruimte of badruimte in een bijgebouw op de standplaats buiten beschouwing.

Op grond van het derde lid geldt de luchtdoorlatendheidseis van het eerste lid slechts voor een industriefunctie die ten behoeve van het verblijven van personen worden verwarmd.

Het vierde lid geeft een eis voor de beperking van de luchtdoorlatendheid van een gebouw met twee of meer gebruiksfuncties, niet zijnde een woongebouw of logiesgebouw. Dit kan bijvoorbeeld een kantoorgebouw met een kantinezijn. Voor een dergelijk gebouw moet de luchtdoorlatendheid voor alle gebruiksfuncties tezamen worden bepaald.

Afdeling 5.3.Energieprestatie, nieuwbouw

Artikel 5.11.

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de energieprestatie voor te bouwen bouwwerken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie de voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 5.12 bepaalt welke energieprestatiecoëfficiënt een gebruiksfunctie ten hoogste mag hebben (energieprestatiecoëfficiënt);  
2.artikel 5.13 regelt hoe de energieprestatiecoëfficiënt moet worden bepaald (bepalingsmethode), en  
3.artikel 5.14 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen bij het geheel vernieuwen van een bouwwerk (verbouw).  

Voor de ‘woonfunctie van een woonwagen’, industriefunctie, ‘onverwarmde logiesfunctie, niet gelegen in een logiesgebouw’, ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde’ wijst de tabel geen enkel voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis niet van toepassing is voor deze gebruiksfuncties.

Artikel 5.12.

Het oogmerk van dit artikel is dat er bij gebruiksfuncties meer energie wordt bespaard dan kan worden bereikt met uitsluitend eisen aan thermische isolatie en luchtdoorlatendheid als bedoeld in de afdelingen 5.1 en 5.2. Het voorschrift dient ter uitvoering van de notitie Duurzaam Bouwen die in het kader van het Nationaal Milieubeleidsplan is opgesteld (Kamerstukken II 1989/90, 21 137, nr 23, het NMP2 (Kamerstukken 1993-1994, 23 560, nrs 1-2), de Vervolgnota Energiebesparing (Kamerstukken 1993-1994, 23 561, nrs 1-2, het Plan van aanpak duurzaam bouwen (kamerstukken II, 1995/96, nr. 24 280), de motie van het Tweede Kamerlid De Boer c.s. van 29 november 2000 (kamerstukken II 2000/2001, 27 400 XIII, nr. 26 en de brief van voormalig staatssecretaris Remkes over “Klimaatbeleid gebouwde omgeving” aan de Tweede Kamer van 27 november 2001 (kamerstukken II 2001/2002, 26 603, nr. 26).

De eis is uitgedrukt in een grenswaarde voor de zogenoemde energieprestatiecoëfficiënt (epc). Dit is een getal dat de belangrijkste energetische eigenschappen van een gebruiksfunctie waardeert, met inbegrip van de daarin aanwezige installaties bij een gestandaardiseerd gebruikersgedrag.

In dit voorschrift is een grenswaarde gegeven voor de energieprestatiecoëfficiënt. De energieprestatiecoëfficiënt is een grootheid waarin de energiewinst door benutting van opvallende zonnestraling en het energiegebruik ten gevolge van zowel transmissie en ventilatie als ten gevolge van gebouwgebonden installaties, welke installaties relatie hebben met het handhaven van een gezond binnenklimaat, zoals ventilatoren ten behoeve ventilatie, de verlichting, koel- en bevochtingingsinstallaties en verwarmingsinstallaties en ten gevolge van warmtapwaterverbruik zijn samengebracht. Het geven van voorschriften in termen van een gemaximeerde energieprestatiecoëfficiënt leidt tot het geïntegreerd ontwerpen van het bouwkundig casco en de gebouwgebonden installaties en zal leiden tot een in zijn totaliteit energiezuinig (woning)bouwconcept. Doordat de eis is gesteld op het bouwwerkniveau (in dit geval aan een gebruiksfunctie), heeft de ontwerper een maximale vrijheid bij het bepalen van de weg waarlangs aan de verlangde energieprestatie zal worden voldaan. De grenswaarden voor de epc’s verschillen per gebruiksfunctie. Een verschil in grenswaarde betekent echter niet zonder meer een verschil in zwaarte van de eis. De epc is namelijk de uitkomst van een berekening, waarin voor elke gebruiksfunctie verschillende kengetallen en een speciaal voor de desbetreffende gebruiksfunctie vastgesteld toelaatbaar energiegebruik een rol spelen. De differentiatie van de grenswaarden vloeit voort uit het feit dat in NEN 2916 bij de bepaling van de karakteristieke energieprestatie naar gebouwfunctie onderscheiden kengetallen worden gebruikt. Deze kengetallen zijn afgestemd op een modaal gebruik van de onderscheiden gebouwfuncties, dat zo nauwkeurig mogelijk aansluit bij het feitelijk gebruik van die gebouwfuncties. Voor deze benadering is gekozen om te voorkomen dat bij het inzetten van energiebesparingsopties weliswaar aan de grenswaarde wordt voldaan, maar in de praktijk de gekozen bouwkundige oplossing niet leidt tot energiebesparing. In de normbladen worden onder meer de volgende kengetallen onderscheiden:

a.de binnentemperatuur;
b.de fractie van de tijd dat een gebouw wordt geventileerd;
c.de minimum aan te houden interne warmteproductie ten gevolge van verlichting, gebruiksapparatuur en van gebruikers van het gebouw;
d.de benuttingsfactoren waarmee tot uitdrukking wordt gebracht in hoeverre het gebouw in staat is zonnewarmte en interne warmte te benutten;
e.het specifiek energiegebruik voor verlichting bij toepassing van de forfaitaire rekenmethode;
f.de maximale brandduur van de verlichtingsinstallatie;
g.het aantal uren dat een eventueel aanwezige koelinstallatie in bedrijf kan zijn;
h.de benuttingsfactoren waarmee tot uitdrukking wordt gebracht in hoeverre het gebouw in staat is de vrij beschikbare koelte te benutten;
i.het aantal gram-uren per dm³ vocht dat eventueel per jaar moet worden toegevoerd, en
j.het jaarlijks netto-warmtapwatergebruik per m² vloeroppervlakte.

Voorts wordt de differentiatie van de grenswaarden beïnvloed door de in het Bouwbesluit 2003 gegeven minimum ventilatiecapaciteit voor de verschillende gebouwfuncties.

De epc voor een woning of woongebouw is in de loop van de tijd aangescherpt van 1.4 naar 1,2 en vervolgens per 1 januari 2000 naar 1.De grenswaarde van de epc voor utilitaire gebruiksfuncties is met de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2003 voor de tweede maal sinds de invoering per 15 december 1995 aangescherpt. In onderstaand overzicht zijn de onderdelen van de tabel waarin daadwerkelijke wijzigingen zijn opgetreden weergegeven.

Gebruiksfuncties Oude eis Gewijzigde eis
Bijeenkomstfunctie 2.4 2.2
Celfunctie 2.2 1.9
Gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten 3.8 3.6
Andere gezondheidszorgfunctie 1.8 1.5
Kantoorfunctie 1.6 1.5
Logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw 2.1 1.9
Onderwijsfunctie 1.5 1.4
Sportfunctie 2.2 1.8
Winkelfunctie 3.5 3.4

Is een gebruiksfunctie gesplitst over twee of meer gebouwen, dan geldt de epc per gebouw. Zou dat niet zijn gedaan, dan zou een versoepeling van het voorschrift zijn opgetreden, hetgeen niet past in een tijdperk waar verder op energiegebruik moet worden bespaard.

Voor een winkelgebouw is dit een relatief hoge waarde. De reden hiervoor is dat is uitgegaan van een energiegebruik voor verlichting aan de hand van de in NEN 2916 opgenomen bepalingsmethode, gekoppeld aan forfaitaire waarden voor de verlichtingsinstallatie. Zou van de eertijds geadviseerde waarde zijn uitgegaan, dan rest de aanvrager van een bouwvergunning voor een winkelgebouw geen andere keuze dan reeds in het stadium van een bouwaanvraag de keuze te maken voor een energiezuinige verlichtingsinstallatie. Immers, op grond van NEN 2916 vervult het energiegebruik van een verlichtingsinstallatie een dominante rol. In praktische zin zal een aanvrager van een bouwvergunning moeten uitgaan van de forfaitaire waarde, omdat de keuze voor het soort verlichtingsinstallatie sterk wordt beïnvloed door inrichting van het winkelgebouw. Die inrichting zal veelal eerst kort voor de ingebruikname van het winkelgebouw bekend zijn.

Gelet op de consequenties van de in NEN 2916 neergelegde bepalingsmethode, is geaccepteerd dat in het geval de aanvrager kiest voor een energiezuinige verlichtingsinstallatie het gebouw veelal zonder verdere bijzondere maatregelen aan de grenswaarde zal voldoen.

Per 1 januari 2006 is de eis van de woningbouw verder verscherpt van 1 naar 0,8. De in het algemeen deel van Staatsblad 2005, 528 genoemde aankondiging van deze aanscherping heeft sedert 2003 een positief effect op de installatiebranche gehad. Nieuwe technieken zoals warmteterugwinning bij douchewater, verbetering van het opwekkingsrendement voor tapwater alsmede vraaggestuurde ventilatiesystemen krijgen meer aandacht.

Mede door dergelijke ontwikkelingen blijft voor ontwerpers ook bij de onderhavige aanscherping naar 0,8 de keuzevrijheid intact.

Zonder rekening te houden met de op termijn nog te verwachten verdere kostendaling is een kostenneutrale aanscherping van de EPC tot 0,8 mogelijk gebleken voor nagenoeg ieder woningtype. Alleen voor vrijstaande woningen dient bij deze EPC-waarde rekening te worden gehouden met geringe jaarlijkse meerkosten van ca. 0,5% vergeleken met de reguliere jaarlijkse woonlasten bij een EPC van 1.

Nieuwe ontwikkelingen op ventilatiegebied leiden er toe dat in veel gevallen gekozen kan worden of voor gebalanceerde ventilatie met warmteterugwinning of voor vraaggestuurde ventilatie via gevelroosters met mechanische afzuiging. De hoogte van de EPC-waarde leidt niet tot een doorslaggevende voorkeur voor een van beide ventilatiesystemen. Op basis hiervan bestaat ook bij een EPC-waarde van 0,8 de mogelijkheid om een goed binnenmilieu te realiseren, zolang ontwerp, uitvoering en onderhoud adequaat zijn. Het is de verantwoordelijkheid van de ontwerper/bouwer om een deugdelijk systeem te realiseren zodat de gezondheid van de gebruiker gewaarborgd is. De brancheorganisaties hebben inmiddels richtlijnen ontwikkeld voor de toepassing van energiebesparende technieken. Met de toepassing van deze richtlijnen is gewaarborgd dat in het ontwerp- en bouwproces adequate ventilatiesystemen worden gerealiseerd. Ook informatie naar gebruikers is van belang voor een juist gebruik van de gekozen ventilatiesystemen.

In het tweede lid is voor een woongebouw, een logiesgebouw en een cellengebouw de epc-eis gesteld aan het gehele bouwwerk en niet aan een afzonderlijke woonfunctie, logiesfunctie respectievelijk celfunctie.

Veel gebouwen bevatten een combinatie van gebruiksfuncties, zoals bijvoorbeeld een kantoor met een kantine (bijeenkomstfunctie) en bedrijfskeuken (industriefunctie). Het derde lid houdt in dat in dat geval geen eis meer wordt gesteld aan de afzonderlijke gebruiksfuncties in dat bouwwerk. Er geldt dan een eis voor het totale jaarlijkse energiegebruik van het gebouw. Compensatie tussen de gebruiksfuncties is dus mogelijk. Het energiegebruik en het toelaatbare energiegebruik moeten beide worden berekend volgens NEN 2916. Het toelaatbare energiegebruik is afhankelijk van de epc-eis die voor de afzonderlijke gebruiksfuncties zou hebben gegolden. Gebruiksfuncties waarvoor geen epc-eis geldt, zoals de industriefunctie, blijven bij de berekening buiten beschouwing. Voor het berekenen van het toelaatbare energiegebruik (Qpres;toel) is in onderdeel 5.2.2 van NEN 2916 een formule opgenomen. Met deze formule wordt de toelaatbare karakteristieke energieprestatie berekend met behulp van de voor de afzonderlijke gebruiksfuncties geldende energieprestatiecoëfficiënten. Deze toelaatbare karakteristieke energieprestatie is een optelsom van de naar de gebruiksoppervlakte gewogen, per gebruiksfunctie toelaatbare karakteristieke energieprestaties. In feite is voor een gecombineerd gebouw Qpres;toel de eis en dient te worden nagegaan of het karakteristieke energiegebruik niet boven die eis uitkomt.

Artikel 5.13.

De epc vormt de uitkomst van een berekening volgens de normbladen waarnaar het eerste en het tweede lid verwijzen. De berekening betreft het gestandaardiseerd energiegebruik van de installaties van een gebruiksfunctie.

In het tweede lid zijn voorts de in NEN 2916 geduide factoren gekwantificeerd waarmee de mate van energiezuinigheid van een om redenen van een gezond binnenklimaat gekoeld of zwaar geventileerd gebouw, wordt gereduceerd ten opzichte van gebouwen zonder die koeling of extra ventilatie. Daardoor kunnen dergelijke gebouwen nog reëel worden gebouwd, terwijl ze toch een bijdrage leveren aan de beoogde energiebesparing. De factor waarmee compensatie voor toelaatbaar energiegebruik voor ventilatie kan worden gerealiseerd, is met name noodzakelijk om er voor te zorgen dat de energieprestatiecoëfficint van identieke gebouwfuncties, waarvan de klasse van de bezettingsgraad, bedoeld in tabel 1, verschilt, leidt tot min of meer vergelijkbare consequenties.

Voor de praktijk zijn er op basis van de aangewezen normbladen rekenprogramma’s ontwikkeld. Deze zijn onder andere vastgelegd de Nederlandse Praktijkrichtlijnen NPR 2917 en NPR 5129.

Artikel 5.14.

Met het eerste lid wordt voor het geheel vernieuwen van een gebruiksfunctie beoogd de mogelijkheid van ontheffing van de energieprestatie-eisen uit te sluiten. Bij het geheel vernieuwen gaat het in de regel om volledige afbraak, gevolgd door nieuwbouw. Daarbij mogen de fundamenten blijven liggen. Uit een oogpunt van de met de energieprestatienormering nagestreefde doeleinden is er geen reden deze vervangende nieuwbouw anders te behandelen dan volledige nieuwbouw.

Artikel 4 van de Woningwet geeft expliciet aan dat bij verbouw de nieuwbouwvoorschriften slechts betrekking kunnen hebben op de verbouwing, dus niet op een reeds bestaand deel van het bouwwerk. Bij de berekening van de energieprestatiecoëfficiënt moet echter het gehele bouwwerk worden betrokken, dus ook reeds bestaande delen. Om strijd met artikel 4 van de Woningwet te voorkomen, is daarom in het tweede lid bepaald dat bij verbouw geen eisen aan de epc worden gesteld. Gaat het echter om bouwwerk waarvoor na 15 december 1995 bouwvergunning is aangevraag, dan is er sprake van een rechtens aanwezige epc-vereiste. In dat geval moet het voorschrift zo worden geïnterpreteerd dat dat niveau niet mag worden onderschreden.

Hoofdstuk 6.Voorschriften uit het oogpunt van milieu

Als vijfde pijler voor het Bouwbesluit 2003 noemt artikel 2 van de Woningwet het milieu. Om te voorkomen dat te gelegener tijd een nieuw hoofdstuk in het Bouwbesluit 2003 moet worden ingevoegd – hetgeen dan tot vernummeringen zou moeten leiden – is nu vast een hoofdstuk gereserveerd.

Hoofdstuk 7.Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 7.1.

Het eerste lid bevat een overgangsregeling waardoor dit besluit eerst van toepassing is op aanvragen om bouwvergunning die na de inwerkingtreding van dit besluit bij burgermeester en wethouders worden ingediend. Aanvragen om bouwvergunning die voor de inwerkingtreding zijn ingediend moeten voldoen aan het Bouwbesluit zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Het tweede lid bevat een algemene overgangsbepaling.

De in het eerste lid opgenomen overgangsbepaling heeft betrekking op aanvragen om bouwvergunning die zijn ingediend voor 1 januari 2003. Op dergelijke aanvragen is het oude Bouwbesluit van toepassing. In het tweede lid is bepaald dat aanvragen om bouwvergunning die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van een wijziging van het Bouwbesluit 2003 moeten voldoen aan het Bouwbesluit 2003 zoals het luidde voor de inwerkingtreding van die wijziging. Dit tweede lid is algemeen geformuleerd. Hiermee is ook voor komende wijzigingen van het Bouwbesluit 2003 zeker gesteld dat de voorschriften, zoals die luiden op het moment van aanvraag om bouwvergunning, bepalend zijn.

Het derde lid bevat een specifieke overgangsbepaling voor tunnels. Het gestelde in de artikelen 2.216 en 2.217 van het wijzigingsbesluit (Stb. 2006, 148) is voor te bouwen wegtunnels in het trans-Europese wegennet met een lengte van meer dan 500 m ook van toepassing op wegtunnels waarvan de aanvraag om bouwvergunning is ingediend voor de inwerkingtreding van dat wijzigingsbesluit en de bouwvergunning is verleend na de inwerkingtreding van dat wijzigingsbesluit. Dit wijkt af van het algemene uitgangspunt van het Bouwbesluit 2003 (artikel 7.1, eerste en tweede lid) dat de bepalingen van toepassing zijn die golden op het tijdstip van de aanvraag van de bouwvergunning.

Artikel 7.2.

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het onderhavige besluit.Deze inwerkingtreding heeft per 1 januari 2003 plaatsgevonden, zoals kenbaar gemaakt in Stb. 2002, 582. Hierbij is overeenkomstig artikel 2, vijfde lid, van de Woningwet rekening gehouden met het voorschrift dat inwerkingtreding eerst twee maanden na publicatie in het Staatsblad kan plaatsvinden. Per 1 september 2005 is een wijziging in werking getreden. Een volgende wijziging heeft plaatsgevonden per 1 januari 2006. De wijziging inzake tunnelveiligheid is op 29 juni 2006 in werking getreden. De opnieuw gepubliceerde epc-wijziging is op 16 augustus 2006 in werking getreden. De wijziging met betrekking tot de afstemming op de Wet geluidhinder is op 1 januari 2007 in werking getreden.