Contact Service
6. Dereguleringstoets
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


6. Dereguleringstoets

6.1.Bouwbesluit (Stb. 1991,680)

Aan de hand van de vragenlijst, behorende bij de Aanwijzingen inzake de toetsing van ontwerpen van wet en van algemene maatregel van bestuur (Stcrt. 1985, 18) is getoetst of het onderhavige besluit in overeenstemming is met het kabinetsbeleid inzake terughoudendheid met regelgeving. Deze toetsing vertoont het volgende resultaat.

I.Algemeen

1.Beschrijf het beleidsterrein waarop de ontwerp -regeling betrekking heeft. Geef daarbij tevens aan welke ontwikkelingen op dat beleidsterrein noodzaken tot (verdergaand) ingrijpen door de centrale overheid. Besteed in dit verband tevens aandacht aan eventueel op dit terrein bestaande internationale regelingen waaraan Nederland gebonden is.

Het Bouwbesluit heeft betrekking op het terrein van de technische kwaliteitszorg voor te bouwen en bestaande bouwwerken. Een aantal in het Actieprogramma deregulering (woningbouw)regelgeving vervatte beleidsvoornemens wordt met het Bouwbesluit tot uitvoering gebracht. Deze voornemens strekken tot uniformering en herformulering van de technische voorschriften omtrent het bouwen van bouwwerken en bestaande bouwwerken. Achtergrond hiervan vormen, naast het algemene streven tot deregulering van regelgeving, bezwaren die in de bouwpraktijk zijn gerezen tegen het per gemeente kunnen verschillen van bouwvoorschriften en de toepassing daarvan. In dit verband gaat het bij uniformering om het in één regeling opnemen van voorschriften die thans zijn verspreid over lokaal uiteenlopende verordeningen. De herformulering van de voorschriften houdt in het omzetten van de huidige functioneel dan wel als receptuur geredigeerde eisen in op functionele omschrijvingen berustende prestatie-eisen. De opzet en uitwerking van het Bouwbesluit sluiten aan bij de systematiek en nadere uitvoering van de EEG-richtlijn bouwproducten. Door deze aansluiting naar systematiek, ook in het opzicht van verwijzing naar normbladen en kwaliteitsverklaringen, is de implementatie van genoemde richtlijn in de Nederlandse regelgeving door middel van het Bouwbesluit betrekkelijk eenvoudig te verwezenlijken.

2.Geef een overzicht van ten aanzien van het te regelen onderwerp reeds bestaande regelingen op centraal c.q. op decentraal niveau. Geef daarbij beknopt weer:
  • de doelstellingen van de regelingen;
  • hun werkingssfeer naar plaats, object en subject;
  • de organen (publiekrechtelijk en privaatrechtelijk) die bij de uitvoering ervan zijn betrokken;
  • de gesignaleerde tekortkomingen van de bestaande regelingen, die tot de ontwerp-regeling noodzaken.

Centraal in de huidige technische bouwregelgeving staat de gemeentelijke bouwverordening, die op grond van de Woningwet van 1962 in elke gemeente moet worden vastgesteld. Alle gemeenten hebben voor de inhoud van hun gemeentelijke bouwverordening de model-bouwverordening van de VNG tot uitgangspunt genomen. Ten gevolge van plaatselijke afwijkingen en aanvullingen, alsmede door het feit dat de jaarlijkse wijzigingen van de model-bouwverordening veelal eerst na een of meer jaren werden overgenomen, verschillen de verordeningen echter van gemeente tot gemeente. De doelstellingen van de op de Woningwet gebaseerde technische bepalingen van de model-bouwverordening zijn globaal dezelfde als die van het Bouwbesluit, namelijk het waarborgen van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid met betrekking tot (gebruikers van) bouwwerken. Ook naar werkingssfeer komen de huidige gemeentelijke bouwverordeningen nagenoeg overeen met het Bouwbesluit, met als verschil dat de bouwverordeningen niet op woonwagens en standplaatsen betrekking hebben en het Bouwbesluit wèl. Met de uitvoering van de bouwverordening is op ambtelijk niveau het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht belast. Dit toetst bouwplannen aan de technische eisen en coördineert de inbreng die andere diensten en instellingen daarbij hebben, zoals de brandweer en de nutsbedrijven. De bezwaren die tegen de gemeentelijke bouwverordeningen zijn gerezen betreffen, zoals in het antwoord op vraag 1 reeds is gesteld, de verschillen die deze vertonen in de eisen en hun toepassing. Op nationaal niveau bestaan voorts enige besluiten en regelingen die betrekking hebben op het onderwerp waarin bij of krachtens het Bouwbesluit wordt voorzien. In dit verband kan worden gewezen op het Besluit geluidwering gebouwen dat voorschriften bevat ter voorkoming of beperking van geluidhinder in gebouwen, het Besluit geluidwering kantoorgebouwen dat voorschriften geeft ten behoeve van het beperken van geluidhinder in kantoorgebouwen, het Besluit schuilplaatsen bij de bouw van woningen 1968 waarin voorschriften zijn gegeven in het belang van de bevolking tegen de gevolgen van oorlogsgeweld, en het Woonketenbesluit dat voorschriften bevat omtrent het bouwen, het gebruik en het onderhoud van woonketen. Bij de inwerkingtreding van het Bouwbesluit zullen genoemde besluiten worden ingetrokken. Voorts kan ten aanzien van het bouwen van woonwagens worden gewezen op het Woonwagenreglement en ten aanzien van standplaatsen op het Besluit woonwagencentra, de Regeling geldelijke steun standplaatsen voor woonwagens en de Regeling geldelijke steun standplaatsen buiten een openbaar centrum voor woonwagens 1989.

3.Geef aan in hoeverre de ontwerp-regeling een centralisatie op het betrokken beleidsterrein inhoudt, vergeleken met de thans bestaande situatie. Motiveer daarbij tevens waarom niet kan worden volstaan met regulering door de lagere overheden of met zelfregulering.

Het Bouwbesluit impliceert een centralisatie van de tot nog toe gedecentraliseerde bevoegdheid om voorschriften te geven omtrent te bouwen en bestaande bouwwerken. Deze centralisatie is eerder in dit algemeen deel onder 1.3. gemotiveerd; kortheidshalve wordt hier volstaan met te verwijzen naar hetgeen ter zake is gesteld. De toepassing van de bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschriften blijft echter tot de competentie van de gemeenten behoren. Tot centralisatie van de onderhavige regelgeving is overgegaan omdat langs die weg kan worden gewaarborgd dat de nagestreefde doeleinden - met name eenheid en doorzichtigheid in de regelgeving op het terrein van de bouw - zullen worden gerealiseerd.

II.De doelstellingen van de regeling

4.Geef hetgeen met de ontwerp-regeling moet worden bereikt zo nauwkeurig mogelijk aan.

Het Bouwbesluit strekt tot uniformering en herformulering van de technische voorschriften omtrent te bouwen en bestaande bouwwerken. Aan de in de bouwpraktijk gerezen behoefte aan uniformiteit wordt tegemoetgekomen door de voorschriften die thans zijn verspreid over lokaal uiteenlopende verordeningen en verschillende algemene maatregelen van bestuur in één regeling op te nemen. Met de herformulering van de voorschriften in op functionele omschrijvingen berustende prestatie-eisen wordt nagestreefd de regellast voor de bouwparticipanten te verminderen en hun rechtszekerheid te vergroten, alsmede belemmeringen weg te nemen voor technologische innovaties.

5.Omschrijf de werkingssfeer van de ontwerp-regeling naar plaats, object en subject.

Het Bouwbesluit is in het gehele land van toepassing op het bouwen van bouwwerken en op de staat van bestaande bouwwerken. Onder bouwen wordt ingevolge de Woningwet mede verstaan het vernieuwen, veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Het besluit richt zich primair tot degenen die het initiatief nemen tot bouwen, alsmede tot de eigenaren van bouwwerken. Naar object verschilt het van de huidige bouwverordeningen doordat het mede betrekking heeft op woonwagens en standplaatsen.

6.Geef, voor zover dit nog niet bij de beantwoording van vraag 2 naar voren kwam, aan in hoeverre de ontwerp-regeling wat betreft de doelstellingen en de werkingssfeer ervan samenhang of overlappingen vertoont met andere reeds bestaande of in voorbereiding zijnde regelingen.

Op grond van artikel 5 van de Woningwet zal het Bouwbesluit uit het oogpunt van uniformiteit van bouwvoorschriften in overeenstemming worden gebracht met op grond van andere wetten dan de Woningwet gegeven dan wel te geven technische voorschriften omtrent het bouwen van bouwwerken en omtrent bestaande bouwwerken waarmee het onderhavige besluit overlappingen vertoont of samenhangt. Hierbij kan worden gedacht aan de technische voorschriften met betrekking tot bijvoorbeeld scholen, ziekenhuizen, bejaardenoorden, fabrieken, werkplaatsen etc. Zodra het Bouwbesluit met bedoelde voorschriften in overeenstemming is gebracht, zullen die voorschriften onderwerp van toetsing van een aanvraag om bouwvergunning zijn. Hiermee wordt de duidelijkheid in de toedeling en afbakening van bestuurlijke bevoegdheden verhoogd. Immers, het is thans zo dat ten aanzien van veel onderwerpen eisen kunnen worden gesteld zowel op grond van de gemeentelijke bouwverordening als op grond van voorschriften die op rijksniveau ter zake zijn gegeven. Coördinatie van de op grond van de verschillende regelingen te stellen eisen in het kader van de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning vindt veelal niet plaats. Het komt dan ook voor dat na de voltooiing van de bouwwerkzaamheden door rijksinstanties alsnog aanvullende bouwtechnische eisen worden gesteld alvorens door die instanties toestemming wordt verleend tot het in gebruik nemen van het gebouw. Aan dit euvel zal een eind komen zodra in het Bouwbesluit de hierbedoelde voorschriften van algemene technische aard zijn opgenomen.

III.Normstelling, delegatie, bestuursinstrumenten en de met de uitvoering gemoeide bestuurlijke lasten.

7.Geef ten aanzien van in de regeling voorziene delegatie van regelgeving aan in hoeverre de normstelling in de regeling zelf vastligt en in hoeverre de bevoegdheid tot normstelling is gedelegeerd.

In het onderhavige besluit is de mate waarin bij ministeriële regeling inhoudelijke voorschriften kunnen worden gegeven zoveel mogelijk beperkt. In 2.1.8. zijn de gevallen waarin de bevoegdheid tot regelgeving is gedelegeerd alsmede de redenen daarvoor aangegeven; kortheidshalve moge hiernaar worden verwezen. In die gevallen waarin bij ministeriële regeling inhoudelijke voorschriften (kunnen) worden gegeven, is de bevoegdheid tot normstelling gedelegeerd. In de slotbepalingen van het besluit is de bepaling opgenomen dat bij ministeriële regeling nadere voorschriften kunnen worden gegeven omtrent de toepassing van normbladen en aansluitvoorwaarden. In 2.1.7. is uiteengezet wat de bedoeling is van deze gedelegeerde bevoegdheid tot regelgeving; kortheidshalve moge hiernaar worden verwezen. Het gaat hierbij voornamelijk om het verwijzen naar bepalingsmethoden. In deze gevallen is derhalve geen sprake van gedelegeerde normstelling.

8.Geef ten aanzien van niet in het Staatsblad of de Staatscourant gepubliceerde gedelegeerde regelgeving aan op welke wijze gewaarborgd is dat de normbladen voldoende kenbaar zijn voor de justitiabelen.

De ministeriële regelingen op grond van het Bouwbesluit zullen alle worden gepubliceerd in de Staatscourant. Normen, kwaliteitsverklaringen en (model-)aansluitvoorwaarden zullen op dezelfde wijze algemeen verkrijgbaar zijn als thans het geval is.

9.Geef aan welke openbare en privaatrechtelijke lichamen een taak hebben bij de uitvoering van de regeling en de lasten ervan dragen.

De uitvoering van de bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschriften berust primair bij de gemeenten. Deze passen de voorschriften toe bij het beoordelen van aanvragen om bouwvergunning, het toezicht op bouwwerken en, in verband daarmee, het uitvaardigen van aanschrijvingen en van onbewoonbaarverklaringen. Bij de uitvoering van de voorschriften speelt het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht een centrale rol. Naast zijn eigen toetsende taak coördineert het de inbreng van andere diensten zoals de brandweer. Ook de inbreng van privaatrechtelijke lichamen op het terrein van de nutsvoorzieningen valt onder deze coördinatie.

10.Geef een overzicht van de bestuursinstrumenten die bij de uitvoering van de regeling worden gehanteerd. Geef daarbij tevens aan in hoeverre de uitvoering van de regeling of van daarop gebaseerde gedelegeerde regelgeving aan bestuurlijk toezicht is onderworpen.

Bij de uitvoering van het Bouwbesluit worden de bestuursinstrumenten toegepast die de Woningwet aanreikt met betrekking tot de zorg voor de technische kwaliteit van bouwwerken. Dit zijn de beoordeling van bouwplannen in het kader van de beslissing omtrent aanvragen om bouwvergunning, de aanschrijving tot het treffen van voorzieningen en het aanbrengen van verbeteringen aan bestaande bouwwerken en de onbewoonbaarverklaring. De uitvoering van het Bouwbesluit en de daarop gebaseerde ministeriële regelingen door de gemeenten is, voorzover het de volkshuisvesting aangaat, op grond van de Woningwet onderworpen aan het toezicht van het Staatstoezicht op de volkshuisvesting.

11.Besteed aandacht aan de vraag welke neveneffecten - beoogd of niet-beoogd - van de uitvoering van de regeling te verwachten zijn.

Neveneffecten van het Bouwbesluit zullen er vooral zijn in de periode die de praktijk na de inwerkingtreding van het Bouwbesluit nodig heeft om met dat besluit vertrouwd te geraken. Bij deze effecten, die niet ongebruikelijk zijn bij de invoering van maatschappelijk belangrijke nieuwe regelgeving, valt vooral te denken aan de tijdsduur die in de beginsituatie benodigd zal zijn voor de voorbereiding en beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning en wellicht aan een toeneming van het aantal bezwaarschriftprocedures en beroepsprocedures omtrent de interpretatie van de voorschriften. Een meer duurzaam neveneffect is dat de fraudegevoeligheid van de bouwvoorschriften afneemt, doordat het verlenen van ontheffingen van nieuwbouwvoorschriften en het stellen van nadere eisen niet meer mogelijk is en de verlening van ontheffingen voor verbouwingen aan duidelijke grenzen is gebonden.

12.Geef een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de bestuurlijke lasten die met de uitvoering van de regeling zullen zijn gemoeid.
a.bestuurlijke lasten die rechtstreeks zijn gemoeid met de uitvoering van de regelgeving, zoals het ontwerpen van uitvoeringsregelingen, het geven van voorlichting, het behandelen van aanvragen om vergunningen en ontheffingen, de inning van belastingen en heffingen en de uitvoering van in de regeling voorgeschreven feitelijke handelingen.

Uit de beantwoording van vraag 7 blijkt reeds dat het aantal ministeriële regelingen dat na de inwerkingtreding van het onderhavige besluit moet worden ontworpen, zoveel mogelijk is beperkt. Met het ontwerpen van de desbetreffende uitvoeringsregelingen zijn dan ook relatief lage bestuurslasten gemoeid. Verder speelt voor de centrale overheid een rol de betrokkenheid, zowel in financieel opzicht als wat menskracht betreft, bij de ontwikkeling van een cursus en van hulpmiddelen, voorafgaande aan de inwerkingtreding van het Bouwbesluit. Ten aanzien van de lagere overheden, in casu de gemeenten, kan worden gesteld dat de lasten, verbonden aan de uitvoering van de technische bouwvoorschriften, per saldo gelijk blijven. Enerzijds vervalt de noodzaak nadere eisen te formuleren, behoeft er niet meer te worden onderhandeld over ontheffingen en komen de werkzaamheden met betrekking tot de aanpassing van de bouwvoorschriften geheel te vervallen. Daar staat in de sfeer van de uitvoering tegenover dat het aantal te toetsen voorschriften voor de utiliteitsbouw groter wordt en dat nu woonwagens en standplaatsen als object van uitvoering erbij komen. Overigens is het primair aan de gemeenten te bepalen, met welke intensiteit en prioriteiten zij bij de toepassing van de voorschriften te werk zullen gaan. In kwalitatief opzicht zal de toepassing van de gelijkwaardigheidsbepalingen naar verwachting in een aantal gemeenten leiden tot hogere eisen aan de deskundigheid van de uitvoerende ambtenaren.

b.bestuurlijke lasten die niet rechtstreeks voortvloeien uit de uitvoering van de regeling, maar uit in de regeling vervatte procedurele voorschriften, onder andere in verband met de noodzaak van coördinatie met andere bestuursorganen en/of met de afstemming op de uitvoering van andere regelingen, zoals bijvoorbeeld verplichte advisering, inspraak, planning en verslagleggings- en evaluatieverplichtingen.

Uit de uitvoering van het onderhavige besluit vloeien voor de rijksoverheid geen bestuurlijke lasten als hierboven bedoeld voort. Wel kan worden gewezen op het feit dat ondergetekende in het kader van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot herziening van de Woningwet heeft toegezegd dat het Bouwbesluit drie jaar na inwerkingtreding zal worden geëvalueerd, en daarna telkens om de vier jaar. Deze evaluatieverplichting brengt werkzaamheden met zich mee die bovenop de werkzaamheden komen welke zijn verbonden aan het normale beheer van het besluit.

c.bestuurlijke lasten die zijn gemoeid met het uitoefenen van toezicht op de uitvoering van de regeling (of van daarop gebaseerde gedelegeerde regelgeving) door lagere overheden, zelfstandige bestuursorganen of gedeconcentreerde diensten. Hierbij dient in het bijzonder aandacht te worden geschonken aan de inspecties en aan de lasten die gemoeid kunnen zijn met het beslechten van bestuursgeschillen en met beroepsprocedures.

Zowel op grond van de Woningwet 1962 als op grond van de herziene Woningwet heeft het Staatstoezicht op de volkshuisvesting onder meer tot taak het handhaven van de wetten en de krachtens die wetten gegeven voorschriften op het gebied van de volkshuisvesting, voorzover ter zake geen andere regeling geldt. Het toezicht op de toepassing van de bouwvoorschriften door de gemeenten is derhalve geen nieuwe taak voor het Staatstoezicht. Wel kan worden gesteld dat het feit dat de gemeenten na inwerkingtreding van het Bouwbesluit op dit terrein voortaan rijksvoorschriften toepassen, voor de rijksoverheid een stimulans zal betekenen om het inzicht in de wijze waarop de gemeenten de voorschriften toepassen, te vergroten, mede met het oog op de hiervoor vermelde evaluatieverplichting. Zoals bij de beantwoording van vraag 11 reeds is gesteld, kan tot de invoeringseffecten van het Bouwbesluit een toeneming behoren van bezwaarschriftprocedures en, wellicht, beroepsprocedures omtrent de interpretatie van de voorschriften. Beslissingen op aanvragen om bouwvergunning, aanschrijvingen tot het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen en onbewoonbaarverklaringen zijn vatbaar voor Arob-beroep. De nieuwe structuur en systematiek van de bouwvoorschriften zijn factoren die tot vorenbedoelde toeneming kunnen leiden. Er zijn evenwel redenen om aan te nemen, dat deze toeneming slechts beperkt zal zijn in omvang en tijd. Zeker nadat er enige ondervinding is opgedaan met de toepassing van de bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschriften mag, vooral vanwege de meetbare en controleerbare aard van die voorschriften, eerder minder dan meer aanleiding tot interpretatieverschillen worden verwacht. Voorts is het uit het oogpunt van tijdsdwang niet onaannemelijk dat men in de bouwpraktijk, na in een bezwaarschriftenprocedure in het ongelijk te zijn gesteld, eerder geneigd zal zijn een kwaliteitsverklaring of deskundigenrapport te verkrijgen dan beroep in te stellen bij de Afdeling rechtspraak. Ten slotte zal ook het beschikbaar komen van meer Nederlandse Praktijkrichtlijnen de kans op interpretatieverschillen en daarmee op het instellen van bezwaar of beroep verkleinen.

13.Geef aan in hoeverre deze lasten drukken op de centrale overheid c.q. op de lagere overheden.

Zie hiervoor de beantwoording van vraag 12.

14.Geef zo nauwkeurig mogelijk aan welke de personele consequenties zijn van invoering van de nieuwe regeling.

Bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wordt gerekend op jaarlijks enkele mensjaren werk ten behoeve van monitoring, evaluatie en aanpassing van het Bouwbesluit. Wat de Afdeling rechtspraak van de Raad van State betreft, is er weinig reden om aan te nemen dat het thans betrekkelijk geringe aantal beroepszaken verband houdend met toetsing aan de technische bouwvoorschriften, na invoering van het Bouwbesluit ingrijpend zal toenemen. Bij de beantwoording van vraag 12 is reeds uiteengezet dat de lasten, verbonden aan de uitvoering van de bouwvoorschriften door de gemeenten, naar verwachting per saldo gelijk blijven. De personele consequenties voor de gemeenten zullen dan ook in kwantitatieve zin niet of nauwelijks merkbaar zijn. In kwalitatieve zin zal het werken met in prestatietermen vervatte voorschriften en met gelijkwaardigheidsbepalingen in met name de middelgrote gemeenten wellicht aanleiding geven hogere eisen te stellen aan de deskundigheid van de uitvoerende ambtenaren.

IV.Handhaving, werkdruk bestuurlijk en justitieel apparaat en rechtsbescherming

15.Geef aan op welke wijze de regeling wordt gehandhaafd en welke problemen bij de handhaving zijn te verwachten. Welke sancties worden op overtreding ervan gesteld?

De handhaving van de bouwvoorschriften berust op grond van de Woningwet primair bij de gemeenten. Het toezicht op de naleving van de nieuwbouwvoorschriften vindt plaats door de toetsing van bouwplannen in het kader van de bouwvergunningverlening en door toezicht op de bouwplaats. Bij uitoefening van dit toezicht kan gebruik worden gemaakt van de in artikel 100 van de Woningwet vervatte bevoegdheid voor de toezichthoudende ambtenaren om de bouwwerkzaamheden zo nodig stil te leggen. Voor de bestaande bouw bevat de wet de instrumenten van de aanschrijving tot het treffen van voorzieningen, de aanschrijving tot het aanbrengen van verbeteringen en de onbewoonbaarverklaring. Door middel van bestuursdwang kan, indien nodig, naleving van de voorschriften worden afgedwongen. Van de structuur van de bij of krachtens het Bouwbesluit gestelde eisen mag een positief effect worden verwacht op de handhaving. Gegeven het feit dat de eisen meetbaar en controleerbaar zijn, is strijd met die eisen immers eenvoudiger te constateren en aan te tonen dan voorheen. Met de handhaving van de voorschriften, voor zover het de volkshuisvesting betreft, is voorts het Staatstoezicht op de volkshuisvesting belast. Dit bepaalt zich hierbij tot toezicht op de taakuitoefening door de gemeenten. De sancties op overtreding van de voorschriften zijn in de Woningwet geregeld. Die sancties variëren van hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie, bijvoorbeeld voor het bouwen zonder of in afwijking van (de) bouwvergunning, tot hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie, bijvoorbeeld wegens het niet voldoen aan een aanschrijving.

16.Geef een overzicht van de vormen van rechtsbescherming die de regeling kent.

De uitvoering van het Bouwbesluit vindt plaats in het kader van de besluitvorming omtrent aanvragen om bouwvergunning, aanschrijvingen tot het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen en onbewoonbaarverklaringen. De desbetreffende beslissingen zijn vatbaar voor Arob-beroep.

17.Geef zo nauwkeurig mogelijk aan welke gevolgen de regeling heeft voor de werklast van het met de (bestuurlijke en justitiële) handhaving en geschillenbeslechting belaste apparaat.

Uit de beantwoording van de vragen 12a en 15 volgt reeds, dat er geen aanmerkelijke wijzigingen in de werklast van het met de bestuurlijke handhaving belaste apparaat worden verwacht. In de beantwoording van vraag 14 is uiteengezet, waarom er ook in het aantal (Arob-)beroepszaken geen wijzigingen van belang te verwachten zijn. Met betrekking tot strafsancties kan ten slotte worden opgemerkt, dat aan het Bouwbesluit geen redenen zijn te ontlenen, waarom in de toepassing daarvan in dit kader relevante wijzigingen zouden optreden.

V.Gevolgen voor de sociaal-economische ontwikkeling en voor bedrijfsleven, burgers en non-profitinstellingen

De beantwoording van de in hoofdstuk V gestelde vragen 18 tot en met 21 is te vinden in de hierna volgende "Checklist bedrijfseffectentoets", die in juni 1991 door het ministerie van Economische Zaken op basis van dit hoofdstuk is opgesteld.

Checklist bedrijfseffectentoets

Hoofdvraag I.Welke financiële rechten of verplichtingen vloeien er voor het bedrijfsleven voort uit de regeling jegens de overheid?

Hulpvraag Ia. Op welke delen van het bedrijfsleven heeft de regeling betrekking?

Het Bouwbesluit is van belang voor de volgende categorieën uit het bedrijfsleven:

  • opdrachtgevers: bouwondernemers, projectontwikkelaars en beleggers;
  • ontwerpend bouwbedrijf: architecten en raadgevend ingenieurs;
  • uitvoerend bouwbedrijf: aannemers;
  • toeleveranciers.

Hulpvraag Ib. Ontstaan er voor het betrokken bedrijfsleven ten gevolge van de regeling financiële rechten of verplichtingen jegens de overheid en uitvoeringsinstanties (zoals subsidies dan wel belastingen, heffingen en retributies)?

Dit is niet het geval.

Hoofdvraag II. Welke verdere consequenties zijn voor het betrokken bedrijfsleven verbonden aan het voldoen aan de regeling?

Hulpvraag IIa. Noodzaakt de regeling feitelijk dan wel juridisch tot inschakeling of extra belasting van derden (bv. accountants, notarissen, afnemers, toeleveranciers of werknemers)? Welke extra (financiële) verplichtingen brengt dit met zich?

De regeling noodzaakt niet tot inschakeling van derden. Wel ruimt het Bouwbesluit een belangrijke plaats in voor het gebruik van kwaliteitsverklaringen. Doordat hieraan onder voorwaarden een publiekrechtelijke status is gegeven, kunnen aanvragers van een bouwvergunning die bepaalde bouwmaterialen of -delen willen gebruiken, op betrekkelijk eenvoudige wijze aantonen dat deze aan de desbetreffende voorschriften van het Bouwbesluit voldoen. Op de aanvrager van een bouwvergunning rust niet de verplichting aan de gemeente kwaliteitsverklaringen over te leggen. Hij kan zich echter, vooral indien hij bij een innoverende oplossing een beroep doet op een gelijkwaardigheidsbepaling van het Bouwbesluit, daarmee een veel energie vergende en tijdrovende bewijsvoering besparen. Voorts kunnen uitvoerende en toeleverende bouwbedrijven door kwaliteitsverklaringen te laten opstellen voor hun projectongebonden producten hun positie versterken en schaalvoordelen behalen.

Hulpvraag IIb. Welke verdere gevolgen vloeien voor het betrokken bedrijfsleven voort uit de regeling?

Een van de doeleinden die met het Bouwbesluit worden nagestreefd, is verbetering van de economische positie van het bedrijfsleven. De bedoelde gevolgen liggen derhalve in de sfeer van verbetering van rendement en doelmatigheid. Eventuele uit het besluit voortvloeiende meerkosten kunnen als oorzaak hebben de eenmalige inspanning om over te schakelen op het werken met de nieuwe eisen. Bij een onderscheid naar materiële en procedurele meerkosten c.q. besparingen ontstaat het volgende beeld.

Materiële meerkosten c.q. besparingen: Gevolgen van het Bouwbesluit zijn niet te verwachten voor:

  • investeringen in apparatuur, gebouwen, installaties en materiaal;
  • het aannemen van nieuw personeel;
  • de omvang van overhead- en managementkosten.

Ten aanzien van scholing en opleiding van personeel zal het leren beheersen van de systematiek en terminologie van het Bouwbesluit een eenmalige inspanning en dus kosten vergen. Bedrijven die willen profiteren van de mogelijkheden tot innovatie die het Bouwbesluit biedt, zullen wellicht investeringen moeten doen in scholing en opleiding van hun personeel die zij anders niet of in een later stadium zouden hebben gedaan. Het Bouwbesluit beoogt de administratieve lasten voor het bedrijfsleven te verminderen. Van de opheffing van lokale verschillen tussen de bouwvoorschriften en hun toepassing als gevolg van de uniformering in het Bouwbesluit is een verlaging te verwachten van ontwerp- en productiekosten voor de landelijk opererende bedrijven door de mogelijkheid van grotere doelmatigheid en bedrijfseconomische schaalvoordelen. Onderzoek naar de kostenconsequenties van het Bouwbesluit heeft uitgewezen dat het Bouwbesluit ten opzichte van de model-bouwverordening kostenneutraal is. Ten aanzien van enkele onderwerpen heeft de doorwerking van beleidsbeslissingen, genomen in ander kader, zoals het Nationaal Milieubeleidsplan en het toegankelijkheidsbeleid, geleid tot hogere eisen. De herformulering van de bouwvoorschriften in op functionele omschrijvingen berustende prestatie-eisen en de figuur van de gelijkwaardigheidsbepalingen hebben mede ten doel innovaties in ontwerp en uitvoering van bouwwerken en hun onderdelen te bevorderen. De bedrijfseconomische beweegreden om te innoveren is een gunstiger verhouding tussen prijs en prestatie van een product te bereiken en zo concurrentievoordeel te behalen. Langs deze weg leidt het Bouwbesluit tot besparing van productiekosten. Een factor in de huidige bouwvoorschriften die leidt tot extra kosten voor opdrachtgevers en tot extra inkomsten voor het ontwerpend, uitvoerend en toeleverend bouwbedrijfsleven is de bevoegdheid voor gemeenten tot het stellen van nadere eisen. Deze vormt een belangrijke beweegreden voor het opdragen van - relatief duur - meerwerk. Het Bouwbesluit kent deze bevoegdheid niet, waardoor een besparing op de kosten van bouwwerken wordt bewerkstelligd.

Procedurele meerkosten c.q. besparingen: Tijdens de invoeringsperiode van het Bouwbesluit zal de voorbereiding van een aanvraag om bouwvergunning, zeker in gecompliceerde gevallen, meer tijd en werk kunnen vergen. Nadat ondervinding met de nieuwe voorschriften is opgedaan, zal de snelheid in het algemeen hoger kunnen uitvallen. De toetsing kan immers objectiever plaatshebben, terwijl discussies over functionele eisen die voor meer uitleg vatbaar zijn tot het verleden zullen behoren. Ook het ontbreken van de mogelijkheid voor de gemeente nadere eisen te stellen, zal tijdbesparend werken. De benodigde hoeveelheid werk voor de aanvraag zal door laatstgenoemde omstandigheid alsmede door het gebruik van kwaliteitsverklaringen kunnen afnemen.

Hoofdvraag III. Welke (gewenste of ongewenste) gevolgen heeft de regeling rechtstreeks of indirect voor de sociaal-economische ontwikkeling?

Hulpvraag IIIa. Wat zijn de gevolgen van de regeling voor de concurrentiepositie van het betrokken bedrijfsleven (nationaal en internationaal)?

De uniformering van de bouwvoorschriften en daarmee de opheffing van lokale verschillen heeft met name betekenis voor de bouwparticipanten die landelijk opereren, dus het grotere of gespecialiseerde ontwerpende en uitvoerende bouwbedrijf. De slechting van marktfragmenterende barrières leidt tot schaalvoordelen en daardoor tot efficiëntere productiemogelijkheden. Het zijn ook daarom de grote en gespecialiseerde bedrijven die zullen profiteren, omdat deze in staat zijn de kennis en de geldmiddelen te mobiliseren om bij te blijven en te innoveren. Door deze hulpmiddelen zijn zij tevens in staat kwaliteitsverklaringen te verwerven die aansluiten bij de prestatie-eisen van het Bouwbesluit. Kleinere bedrijven kunnen daarentegen hun voordeel doen met algemeen erkende standaardoplossingen, zoals bijvoorbeeld Nederlandse Praktijkrichtlijnen, die mede ten behoeve van het werken met het Bouwbesluit zijn en zullen worden ontwikkeld. Internationaal gezien, bevordert het Bouwbesluit de concurrentiepositie van het Nederlandse bouwbedrijfsleven doordat het dit noodzaakt zich in te stellen op het werken met het prestatie-concept. Van dit concept wordt eveneens uitgegaan in de richtlijn bouwproducten en de daarop gebaseerde fundamentele eisen. Ontwikkelingen in de ons omringende landen ten aanzien van prestatievoorschriften en prestatiebestekken wijzen erop, dat het prestatie-concept in het lopende decennium in de bouwpraktijk sterk aan betekenis zal winnen.

Hulpvraag IIIb. In hoeverre leidt de regeling tot een gewenste of ongewenste beïnvloeding van de marktwerking en de mogelijkheden voor nieuwe ondernemingen om toe te treden tot de markt?

Het Bouwbesluit beperkt zich als uitwerking van het dereguleringsstreven tot het aangeven van een minimum niveau dat publiekrechtelijk moet worden afgedwongen om uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid of energiezuinigheid misstanden te voorkomen. De verantwoordelijkheid voor de concreet te verwezenlijken kwaliteit van in het bijzonder de woningbouw verschuift daarmee van de publieke naar de private sector, waardoor een grotere nadruk komt te liggen op de werking van het marktmechanisme. Wat de toetreding tot de markt betreft, kunnen vooral opdrachtgevers die een bedrijf beginnen er baat bij hebben dat de bouwtechnische voorschriften zijn geformuleerd in prestatie-eisen die meetbaar en controleerbaar zijn. Er is dan ook reden om aan te nemen dat het Bouwbesluit eerder een positieve dan een negatieve invloed zal hebben op de mogelijkheden voor nieuwe ondernemingen om toe te treden tot de markt.

Hulpvraag IIIc. Welke gevolgen heeft de regeling voor:

  • de ontwikkeling van de afzet;
  • de rentabiliteit van de betrokken ondernemingen;
  • de investeringsgeneigdheid;
  • de marktpositie van het niet rechtstreeks betrokken bedrijfsleven;
  • mogelijkheden om financieringsmiddelen aan te trekken;
  • de arbeidsmarkt en werkgelegenheid?

Voor geen van deze onderwerpen zijn vanwege het Bouwbesluit ingrijpende gevolgen te verwachten. Ten aanzien van de afzet speelt een rol dat de uniformiteit van de regelgeving de toegankelijkheid van de markt vergroot, waardoor de penetratiesnelheid van nieuwe producten kan toenemen en industrialisering van het bouwproces wordt bevorderd. Van de grotere kansen die het Bouwbesluit schept voor innovaties valt een toeneming in de investeringsgeneigdheid te verwachten ten aanzien van kennis, speurwerk en ontwikkeling.

Bij de invulling van vorenstaande vragenlijst is gebruik gemaakt van een in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer opgesteld rapport met betrekking tot de effecten van het Bouwbesluit. Dit regeleffectrapport, dat in november 1991 is uitgebracht, is opgesteld op basis van onderzoek dat is uitgevoerd door het Instituut voor Bestuurswetenschappen in samenwerking met KPMG Klynveld Management Consultants en TNO Bouw.

6.2.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake energieprestatie

Financiële gevolgen In de onderzoeksrapporten van DHV 'Kosteneffectstudie grenswaarde energieprestatiecoëfficiënt utiliteitsbouw', november 1994 en van Bouwcentrum Advies bv 'Onderzoek naar de extra kosten bij verdergaande energiebesparing Woningnieuwbouw, rapportnummer 6616, april 1993 en "Energieprestatie referentiewoningen", rapportnummer 17757, november 1994, is beschreven wat de financiële consequenties zijn van het invoeren van een energieprestatiecoëfficiënt. Daartoe is aan de hand van NEN 5128 en NEN 2916 nagegaan welke bouwkundige maatregelen zullen leiden tot energiebesparing. Dit kunnen maatregelen zijn ten aanzien van een eenentwintigtal afzonderlijke aspecten, zoals oriëntatie van een gebouw, toepassing van speciale glassoorten (HR-glas, ook wel LE-glas genoemd), bewust toepassen van ramen naar optimale grootte en oriëntatie, het toepassen van meer isolatie in de gebouwschil, het toepassen van energiezuinige verlichting, het toepassen van verbrandingstoestellen met een hoog rendement, het toepassen van waakvlamloze toestellen, het meer luchtdicht bouwen, het beperken van niet noodzakelijke ventilatiestromen, het toepassen van gebalanceerde ventilatie met warmteterugwinning en het toepassen van energiezuinige pompen in ventilatie- en verwarmingsinstallaties. Het voldoen aan de energieprestatiecoëfficiënt zal in de regel worden gerealiseerd door een combinatie van maatregelen toe te passen.

Voor woningen en woongebouwen is aan de hand van een viertal referentiewoningen nagegaan, welke consequenties bepaalde maatregelen hebben voor de stichtingskosten en voor de woonlasten. Voorts is nagegaan welke energiebesparing per maatregel op grond van NEN 5128 mag worden verwacht. Gebleken is dat geen van de maatregelen rendabel is. Dit is verklaarbaar, omdat met de huidige gasprijzen de rentabiliteitsdrempel reeds met de vigerende eisen van het Bouwbesluit ten aanzien van de warmteweerstand, de It-waarde en de luchtdoorlatendheid zijn overschreden. Met de voorgestelde energieprestatiecoëfficiënt, leidend tot een energiebesparing in de orde van 10-15%, is de kosten-batenverhouding tussen enerzijds de toename van de huurprijs en anderzijds de verlaging van de energielasten het gunstigst te noemen. De gevolgen voor de MVROM-begroting in het kader van de IHS worden geschat op cumulatief ca. 0,9 mln.

Voor de niet tot bewoning bestemde gebouwen zijn achtenentwintig recentelijk gerealiseerde gebouwen doorgerekend. In deze gebouwen waren alle gebouwfuncties die het Bouwbesluit op basis van het onderhavige besluit onderscheidt, vertegenwoordigd. De effecten van verschillende maatregelen en combinaties van maatregelen zijn doorgerekend op verwachte energiebesparing, effect op de stichtingskosten, effect op de jaarlijkse energiekosten en het gekapitaliseerd kosteneffect op de totale investering. Met de voorgestelde energieprestatiecoëfficiënten en de nagestreefde energiebesparing in de orde van 15-20% schommelen de effecten op de stichtingskosten tussen 0,3 en 2%. Het gekapitaliseerd kosteneffect is echter slechts marginaal negatief te noemen (0,1%). Hierbij moet worden aangetekend dat vanwege het tot dusverre ontbreken van het voorgestelde energiebesparingsinstrument, gerealiseerde bouwwerken een grote spreiding vertonen in de energieprestatiecoëfficiënt bij het doorrekenen van de gebouwen zonder dat maatregelen worden genomen. Gebouwvorm, oriëntatie en raamafmetingen zijn voor de uitgevoerde studies niet gewijzigd, zodat de uitkomsten van de studies aan de conservatieve kant zijn.

De hiervoor genoemde energiebesparingspercentages zijn berekend aan de hand van gebouwgebonden kenmerken bij een genormeerd gebruik van die gebouwen. In werkelijkheid is het energiegebruik niet alleen afhankelijk van gebouwgebonden kenmerken, maar ook van het gebruikersgedrag, zoals het omgaan met bijvoorbeeld gebouwgebonden installaties en open laten staan ramen en deuren. Per gebouw zal daarom de werkelijke energiebesparing verschillen. In de gememoreerde onderzoeksrapporten is een vergelijking gemaakt tussen het energiegebruik van gebouwen die voldoen aan de vigerende regelgeving en het energiegebruik van diezelfde gebouwen, maar dan bouwtechnisch aangepast aan het onderhavige besluit. Omdat voor beide situaties is uitgegaan van een identiek, genormeerd gebruikersgedrag, zoals dat aan NEN 2916 en NEN 5128 ten grondslag ligt, zijn genoemde besparingspercentages als reële verwachting te beschouwen.

Wetgevingstoets De met dit wijzigingsbesluit beoogde wijziging van het Bouwbesluit strekt tot verdergaande energiebesparing met behoud van de keuzevrijheid voor de burger ten aanzien van in te zetten technische oplossingen teneinde dit doel te bereiken. In lijn met de opzet van de voorschriften van het Bouwbesluit (Stb. 1991,680) is voorzien in een grenswaarde voor de te stellen eis aan de energieprestatiecoëfficiënt. Voorts is voorzien in verwijzing naar een tweetal normbladen voor het bepalen of een gebouw aan die grenswaarde voldoet.

Het beleid om enerzijds te komen tot verdergaande energiebesparing en anderzijds te komen tot deregulering staat in relatie tot dit wijzigingsbesluit ogenschijnlijk op gespannen voet. Bedacht moet echter worden dat met het in het wijzigingsbesluit omzetten van een aantal functionele eisen uit het Bouwbesluit in prestatie-eisen, een verdergaande uniformering ten aanzien van de toepassing van de bouwvoorschriften is bereikt. Een dergelijke uniformering is ook te beschouwd als deregulering, omdat daarmee voor de burger de veelheid aan regels als gevolg van verschil in opvatting tussen de verschillende gemeenten en soms binnen een gemeente, wordt weggenomen.

Met het introduceren van de energieprestatienormering wordt een nieuw element aan de bouwregelgeving toegevoegd. Gelet op de reeds bestaande praktijk rondom de handhaving van het Bouwbesluit, de ontwikkelde praktijkrichtlijnen en de daarvan deel uitmakende elektronische versie van de norm, waarmee toetsing aan de hand van de door de aanvrager te overleggen gegevens eenvoudig kan plaatsvinden, alsmede het in gang gezette voorlichtings- en kennisoverdrachtstraject, mag worden verwacht dat van toename van bestuurlijke lasten hoegenaamd geen sprake zal zijn. Wel is vereist dat, wil de controle of conform de bouwvergunning is gebouwd effectief zijn, het controlerende apparaat beter op de hoogte is van installatietechnische zaken. Dit wordt in het voorlichtings- en kennisoverdrachtstraject ondervangen.

De met het wijzigingsbesluit nagestreefde doelstelling leidt er toe dat meer energiezuinige oplossingen moeten worden toegepast. Dit heeft tot gevolg dat er rond de totstandkoming van een bouwproject organisatorische veranderingen zullen plaatsvinden. Deze veranderingen zullen er toe leiden dat reeds in een vroeg stadium van het bouwkundig ontwerp het energiezuinigheidsaspect een rol zal moeten gaan spelen. De ontwerpers zullen zich, meer dan in het verleden, moeten verdiepen in energiezuinig ontwerpen, hetgeen ook zijn weerslag zal moeten krijgen in de bestemmingsplannen en de stedebouwkundige ontwikkelingen. Er zal daarnaast meer sprake moeten zijn van geïntegreerd ontwerpen. Dit zal niet zozeer leiden tot het wijzigen van de totale kosten gemoeid met ontwerp en advieskosten, als wel tot een verschuiving van de advieskosten naar een eerder stadium van het bouwproces. In het aanloopstadium kan dit leiden tot een geringe verhoging van de advieskosten, maar de verwachting is dat na enige gewenning sprake zal zijn van een marginale verhoging. Een secundair gevolg van de introductie van het energieprestatieconcept en de daaruit voortvloeiende integratie van ontwerp- en installatietechnieken is ook dat er een opwaartse druk van uitgaat op de kwaliteit van het binnenklimaat. Was vroeger het bouwkundig kader voor de installatie-adviseur een vast gegeven, en moest hij daarbinnen maar tot een optimalisatie zien te komen, binnen de geïntegreerde benadering zijn ook veranderingen van het bouwkundig kader mogelijk, zodat het optimalisatieproces kan worden verbeterd.

De grotere ontwerpbureaus zullen met de introductie van de energieprestatienormering minder moeite hebben dan de kleine ontwerpbureaus. Deze laatste zullen meer en meer zijn aangewezen op ondersteuning van ter zake deskundige adviesbureaus. Daarnaast zal vanwege de complexiteit van de bepalingsmethoden de computer, zo dit al niet het geval is, nog verder zijn intrede doen in de bouwpraktijk.

Het invoeren van de energieprestatiecoëfficiënt leidt tot het toepassen van betere isolatie van de schil van gebouwen, met name waar het gaat om de ramen. Voorts leidt het tot, vanuit energiezuinigheid gezien, betere klimaatbeheersingsinstallaties. Dit heeft een verhoogde inspanning van de branches tot gevolg, die in die sectoren actief zijn. Daarnaast vormt het introduceren van de energieprestatie een stimulans om te komen tot innovatieve ontwikkelingen rondom energiebesparing van gebouwen.

Met de introductie van de energieprestatiecoëfficiënt nemen de bouwkosten toe en daarmee ook de huurkosten. De exploitatiekosten zullen echter afnemen. In het geval sprake is van een optimaal ontwerp zullen de kosten en baten door de bank genomen in evenwicht zijn. Niet in alle gevallen worden de kosten gemaakt door de rechtspersoon die ook de lusten krijgt. De huurverhoging en de besparing op de exploitatiekosten zullen elkaar redelijk in evenwicht houden. De gevolgen voor de begroting in het kader van de IHS worden geschat op ca. 0,9 mln.

6.3.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake toegankelijkheid woningen en woongebouwen

Financiële gevolgen

a.het structurele dan wel eenmalige karakter van de effecten

Het gaat om vijf aanvullende eisen van aanpasbaar bouwen, die bij de invoering eenmalig bijzondere aandacht vragen van de bij de bouw van woningen en woongebouwen betrokken bedrijven. Daarna zijn ze een integraal onderdeel van het bouwproces (ontwerp, uitvoering en controle). Praktisch gezien levert de invoering van deze eisen geen grote veranderingen op. Veel nieuwbouwwoningen voldoen nu al, in meer of mindere mate, aan deze eisen. Door het uniformeren van deze eisen is een standaardisatie van programma's van eisen te verwachten met mogelijkheden tot besparing op termijn. In de komende vier jaren zullen deze eisen bij de bouw van gemiddeld 75.000 woningen (al dan niet gelegen in een woongebouw) per jaar moeten worden toegepast.

De gewijzigde eisen met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag leiden tot minder eisen en daarmee samenhangende kosten.

b.de onderverdeling tussen financiële en nalevingseffecten

Bij integratie van de eisen met betrekking tot de toegankelijkheid van woningen en woongebouwen aan het begin van het bouwproces zijn er geen of weinig extra kosten per woning (de extra kosten variëren nu tussen ƒ 100,- en ƒ 1.000,- per woning). Deze extra kosten gelden alleen voor die woningen en woongebouwen, die nog niet aan deze eisen voldoen. Omdat deze eisen nu uniform zullen gaan gelden, zal het effect op de naleving ervan optimaal zijn en zullen de bedrijven in een gelijkwaardige concurrentiepositie tot elkaar komen te staan. De vermindering van de eisen met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag betekent een vermindering van financiële gevolgen, omdat minder dure scheidingsconstructies, waaronder begrepen deuren, kunnen worden geplaatst. Bovendien zal de vermindering van deze eisen leiden tot minder financiële lasten verband houdend met de naleving van de eisen voor zowel het bouwbedrijfsleven als de gemeenten.

c.de gevolgen voor de omvang van de administratieve lasten

Dat aan de eisen voor toegankelijkheid van woningen en woongebouwen wordt voldaan, moet op de bij de bouwaanvraag te overleggen tekeningen worden aangegeven. De architect zal dus enige niet noemenswaardige administratieve last ondervinden bij de invoering van deze eisen. Dit wil zeggen, bij die architecten die niet al rekening hielden met deze eisen. De standaardisatie zal die geringe last op korte termijn echter wegnemen. De vermindering van de eisen met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag leiden daarentegen tot minder administratieve lasten. De scheidingsconstructies, waar het hier om gaat, behoeven niet langer aan een dergelijke eis te voldoen. Daardoor behoeft op tekening noch op andere wijze te worden aangetoond dat die scheidingsconstructies aan een dergelijke eis zullen voldoen.

Wetgevingstoets Het Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake toegankelijkheid woningen en woongebouwen is van belang voor de volgende categorieën uit het bedrijfsleven:

  • opdrachtgevers: bouwondernemers, projectontwikkelaars en beleggers;
  • ontwerpend bouwbedrijf: architecten en raadgevend ingenieurs;
  • uitvoerend bouwbedrijf: aannemers;
  • toeleveranciers, met name de deurenfabrikanten.

De effecten zullen voornamelijk zichtbaar zijn bij de deurenfabrikanten. Dit vloeit voort uit de eis voor de afmetingen van de binnendeuren. Tot dusver was aan binnendeuren geen eis gesteld, waardoor ook binnendeuren met geringere afmetingen konden worden geplaatst. De toepassing van binnendeuren met geringere afmetingen zal dan ook geringer zijn dan tot nu toe. Dat kan betekenen dat het productieproces moet worden aangepast, zodanig dat de productie van binnendeuren met de voorgeschreven afmetingen moet worden vergroot en die van binnendeuren met geringere afmetingen dan vereist, moet worden verminderd of voor de woningbouw zelfs afgebouwd. Aanpassing van het productieproces kan leiden tot een verder gaande standaardisatie binnen het bedrijf, hetwelk op termijn besparingen oplevert voor dat bedrijf. Ook de vermindering van de eisen met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag heeft de meeste gevolgen voor producenten van deuren. In de scheidingsconstructies, waarvoor geen eis meer geldt met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag behoeven geen brandwerende deuren meer te worden toegepast. Het feit dat in bepaalde situaties niet langer brandwerende deuren noodzakelijk zijn, zal nauwelijks effect hebben op het productieproces. De afschaffing van de eis met betrekking tot branddoorslag en brandoverslag heeft slechts een beperkte betekenis voor het totaal van de (ver)nieuwbouw. Vast staat in elk geval dat de toepassing van zowel brandwerende als niet-brandwerende deuren aan de orde blijft op basis van het Bouwbesluit.

6.4.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit (aanscherping energieprestatiecofficiënt voor woningen en woongebouwen 1998)

Financiële gevolgen Voor woningen en woongebouwen is aan de hand van een viertal referentiewoningen en twee referentiewoongebouwen nagegaan welke financiële consequenties de aanscherping van de epc heeft (PRC Bouwcentrum bv rapport "Kostenconsequenties aanscherping vereiste epc voor woningen van 1,4 naar 1,2", juni 1997). Uit de resultaten van de uitgevoerde berekeningen blijkt dat een epc van 1,2 of minder voor alle onderzochte woningtypen (met verschillende combinaties van energiebesparende maatregelen) gerealiseerd kan worden. Van de onderzochte woningen variëren de meerkosten van vijf van de zes woningtypen tussen de ƒ 965,- en ƒ 1.860,-. Voorts is becijferd dat het effect op de woonlasten voor de onderzochte woningen varieert van een besparing van ƒ 50,- per jaar tot een verzwaring van ƒ 16,- per jaar. Voor onderzochte etageflat komen echter sterk afwijkende cijfers naar voren. Het gaat hier om een meerinvestering van ƒ 380,- per woning resulterend in extra woonlasten van ƒ 652,- per jaar. De in dit onderzoek betrokken etageflat is qua ontwerp in relatie tot energiebesparing zeker niet optimaal. Bij het ontwerpen van dit soort woongebouwen zal in het vervolg extra aandacht moeten worden besteed aan de invloed van het ontwerp op de te nemen energiebesparende maatregelen.

De in het onderhavige besluit voorgeschreven epc, leidt tot een energiebesparing van 10-15% ten opzichte van het huidige niveau aan energieverbruik. De kosten-batenverhouding tussen enerzijds de toename van de bouwkosten en anderzijds de verlaging van de energielasten is, gegeven het feit dat de kosten in tien jaar worden terugverdiend, acceptabel te noemen. De hiervoor genoemde energiebesparingspercentages zijn berekend aan de hand van gebouwgebonden kenmerken bij een genormeerd gebruik van die gebouwen. In werkelijkheid is het energiegebruik niet alleen afhankelijk van gebouwgebonden kenmerken, maar ook van het gebruikersgedrag, zoals het omgaan met bijvoorbeeld gebouwgebonden installaties en het open laten staan van ramen en deuren. Per woning, niet gelegen in een woongebouw, of woongebouw zal daarom de werkelijke energiebesparing verschillen. In het gememoreerde onderzoeksrapport is een vergelijking gemaakt tussen het energiegebruik van gebouwen die voldoen aan de vigerende regelgeving en het energiegebruik van diezelfde gebouwen, maar dan bouwtechnisch aangepast aan het onderhavige besluit. Omdat voor beide situaties is uitgegaan van een identiek, genormeerd gebruikersgedrag, zoals dat aan NEN 5128 ten grondslag ligt, zijn genoemde besparingspercentages als reële verwachting te beschouwen.

Wetgevingstoets De bedrijfseffecten kunnen, gebaseerd op het door BBB Bestuurs- en beleidsadviezen bv opgestelde rapport "Onderzoek milieu- en bedrijfseffectentoets voorgenomen aanscherping energieprestatiecoëfficiënt voor woningen in het Bouwbesluit (juni 1997) als volgt worden samengevat:

1.Voor welke categorieën bedrijven heeft de ontwerp-regelgeving bedrijfseffecten?

Het onderhavige besluit is van belang voor de volgende categorieën uit het bedrijfsleven:

  • opdrachtgevers: bouwondernemers, projectontwikkelaars en beleggers;
  • ontwerpend bouwbedrijf: architecten en raadgevende ingenieurs;
  • uitvoerend bouwbedrijf: aannemers;
  • toeleveranciers.

2.Hoeveel bedrijven worden daadwerkelijk met de ontwerp-regelgeving geconfronteerd?
Architecten- en technische ontwerp- en adviesbureaus 7.491
aannemersbedrijven incl. installatiebedrijven 25.053
minder dan tien werknemers: 21.649
minder dan honderd werknemers: 3.173
meer dan honderd werknemers: 231
3.Wat zijn voor de betrokken bedrijven de meest waarschijnlijke aard en omvang van de kosten en baten?
a.het structurele dan wel eenmalige karakter van de effecten

Het gaat om aanscherping van een bestaande eis met behoud van de bestaande bepalingsmethode. Aan het zich eigen maken van de aangescherpte epc zijn dan ook geen kosten verbonden. Wat de structurele kostenconsequenties betreft voor woningen en woongebouwen geldt het gestelde in paragraaf 5 "Financiële gevolgen" van het algemeen deel van de toelichting. De grotere ontwerpbureaus zullen met de verdere aanscherping van de epc in de vorm van een bouwkundige uitwerking minder moeite hebben dan de kleine ontwerpbureaus. Deze laatsten zullen wellicht vaker zijn aangewezen op ondersteuning van ter zake deskundige adviesbureaus. Voor specifieke gevallen zal door de ontwerpers mogelijkerwijs ook meer een beroep moeten worden gedaan op adviesbureaus.

b.de onderverdeling tussen financiële en nalevingseffecten

Omdat de aangescherpte eis uniform zal gaan gelden, zal het effect op de naleving ervan optimaal zijn en zal de onderlinge concurrentiepositie van bedrijven hier niet door beïnvloed worden.

Het verder aanscherpen van de epc leidt tot het toepassen van betere isolatie van de schil van gebouwen, met name waar het gaat om de ramen. Voorts leidt het tot, vanuit energiezuinigheid gezien, tot betere klimaatbeheersingsinstallaties. Dit heeft een verhoogde inspanning van de in die sector actieve branches tot gevolg. Daarnaast vormt het aanscherpen van de epc een stimulans om te komen tot verdere innovatieve ontwikkelingen rondom energiebesparing van gebouwen.

c.de onderbouwing en de onzekerheidsmarges van de kosten en baten

Zie de antwoorden op de vragen a en b.

d.de gelijkmatigheid in de verdeling van de effecten tussen (categorieën) bedrijven

De effecten zullen voornamelijk zichtbaar zijn bij de bedrijven die energiebesparende bouwproducten leveren.

e.de gevolgen voor de omvang van de administratieve lasten

Er treedt geen verandering op in de administratieve lasten, omdat het een aanscherping betreft van een reeds bestaand voorschrift.

4.Hoe verhouden de kosten en baten zich tot de draagkracht van het betrokken bedrijfsleven?

Er is geen reden te veronderstellen dat het aanscherpen van de eis de draagkracht van het betrokken bedrijfsleven beïnvloedt. De meerkosten zijn, voor zover daarvan sprake is, per woning gering dan wel staan in redelijke verhouding tot de daarvan te verwachten milieuwinst. Met de aanscherping van de epc nemen de bouwkosten toe en daarmee ook de huurkosten. De exploitatiekosten zullen echter afnemen. In het geval sprake is van een optimaal ontwerp zullen de kosten en baten door de bank genomen in evenwicht zijn. Niet in alle gevallen worden de kosten gemaakt door de partij die ook de baten krijgt. De huurverhoging en de besparing op de woonlasten zullen elkaar in het algemeen redelijk in evenwicht houden.

5.Wat zijn de gevolgen voor het energieverbruik en de mobiliteit?

Het voorschrift van het onderhavige besluit heeft geen betrekking op mobiliteit.

De milieu-effecten kunnen, gebaseerd op het door BBB Bestuurs- en beleidsadviezen bv opgestelde rapport "Onderzoek milieu- en bedrijfseffectentoets voorgenomen aanscherping energieprestatiecoëfficiënt voor woningen in het Bouwbesluit" (juni 1997) als volgt worden samengevat:

Energie

a.Het gasverbruik van nieuw te bouwen woningen daalt met 13,4% ten opzichte van de huidige nieuwbouw, het elektriciteitsgebruik verandert niet;
b.de totale besparing op het aardgasverbruik loopt op van circa 35 mln m3 over de periode van 1998 tot 2000, circa 100 mln m3 over de periode van 1998 tot 2005 en circa 150 mln m3 over de periode tot 2010;
c.de CO2-uitstoot neemt af met circa 70 kiloton over de periode van 1998 tot 2000, oplopend tot 300 kiloton over de periode van 1998 tot 2010;
d.van de besparingen is circa 5%-10% het gevolg van de toename van het gebruik van duurzame energie, met name zonneboilers;
e.voor de toenemende productie van isolatiematerialen wordt jaarlijks circa 0,5 PJ extra aan fossiele brandstoffen verbruikt.

Grondstoffen Voor de toenemende productie van glaswol is jaarlijks circa 10.000 ton extra zand nodig.

Emissies naar de lucht en de bodem De bijdrage van de woningbouw aan de NOx-emissie naar de lucht en de bodem neemt af met circa 1% in 2010;

6.5.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit (Structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer en enige dubo-maatregelen)

1.Voor welke categorieën bedrijven heeft de ontwerp-regelgeving bedrijfseffecten?

Het onderhavige besluit is van belang voor de volgende categorieën uit het bedrijfsleven, weergegeven met hun SBI codes:

code omschrijving
2523 Vervaardiging van kunststofproducten voor de bouw
2812 Vervaardiging van metalen ramen, deuren en kozijnen
4521.1 Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw (aannemingsbedrijven)
4522 Dakdekken en bouwen van dakconstructies
4532 Isolatiewerkzaamheden
7011 Projectontwikkelaars
7420.1 Architecten en technische ontwerp- en adviesbureaus voor b&u-bouw
2.Hoeveel bedrijven worden daadwerkelijk met de ontwerp-regelgeving geconfronteerd?
SBI-code betrokken bedrijven (totaal) niet actief kleinbedrijf (1-9) middenbedrijf (10-99) grootbedrijf (100 e.m) alle bedrijven of deel
2523 235 22 127 74 12 D
2812 225 17 123 75 10 D
4521.1 16.689 3.338 11.029 2.160 152 D
4522 1.337 203 935 195 4 D
4532 619 90 425 97 7 D
7011 3.551 1.367 2.129 55 0 D
7420.1 6.869 1.716 4.774 362 17 D
3.Wat zijn voor de betrokken bedrijven de meest waarschijnlijke aard en omvang van de kosten en baten?
a.het structurele dan wel eenmalige karakter van de effecten

Het gaat om twee aanvullende eisen (karakteristieke geluidwering structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer en opslagruimte voor huishoudelijk afval) die bij de invoering ervan eenmalig bijzondere aandacht vragen van de bij de bouw van woningen en woongebouwen betrokken bedrijven. Daarna zijn deze aanvullende eisen een integraal onderdeel van het bouwproces (ontwerp, uitvoering en controle).

De kostenconsequenties voor het structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer betreffen alleen woningen en bepaalde gezondheidszorggebouwen, die worden gerealiseerd in geluidszones rond vliegvelden met nachtelijk vliegverkeer. Dit gaat om een beperkt aantal gebouwen. Macro-economisch zijn de effecten verwaarloosbaar.

In het TNO Bouw rapport 94-BKR-R1022, blz. 37, is aangegeven dat de kostenconsequenties voor het voorschrijven van een opslagruimte voor GFT-afval marginaal zijn.

De gewijzigde eisen met betrekking tot het aanrecht en het sanitair zullen niet leiden tot een substantiële verandering. De bouwkosten, voor zover gerelateerd aan het Bouwbesluit, zullen afnemen. De exploitatiekosten zullen met een vergelijkbare kostenpost toenemen als gevolg van de eenmalige aanschaf door de eigenaar of gebruiker van een gebouw bij de ingebruikname van het gebouw. In het geval de aanschaf voor een duurzamer aanrecht en duurzamer sanitair hoger in prijs uitvalt, wordt dit in de exploitatiekosten terugverdiend omdat de gebruiksduur toeneemt en per saldo de netto-contante waarde op jaarbasis eerder af- dan toeneemt. Daarnaast komt dat de hoeveelheid sloopafval afneemt en er bovendien minder een beroep wordt gedaan op eindige grondstoffen. Dit betekent dat de maatschappelijk te maken kosten zullen afnemen. In het TNO Bouw rapport 94-BKR-R1022 zijn indicatief de kostenconsequenties inzichtelijk gemaakt.

b.de onderverdeling tussen financiële en nalevingseffecten

Omdat de eisen met betrekking tot de karakteristieke geluidwering in verband met structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer en tot het gescheiden kunnen opslaan van huishoudelijk afval in woongebouwen uniform zullen gaan gelden, zal het effect op de naleving ervan optimaal zijn en zullen de bedrijven in een gelijkwaardige concurrentiepositie tot elkaar komen te staan. De vermindering van de eisen met betrekking tot de inrichtingseisen voor de keuken en sanitaire ruimten betekent een vermindering van financile gevolgen in het algemeen. De marktwerking kan voor de inrichting van een keuken, een toilet- en een badruimte optimaal tot haar recht komen. Daarnaast zal de vermindering van deze eisen leiden tot minder financiële lasten verband houdend met de naleving van de eisen voor zowel het bouwbedrijfsleven als de gemeenten.

c.de onderbouwing en de onzekerheidsmarges van de kosten en baten

Zie de antwoorden op de vragen a en b.

d.de gelijkmatigheid in de verdeling van de effecten tussen (categorieën) bedrijven

De effecten zullen voornamelijk zichtbaar zijn bij de bedrijven die keukens en sanitair produceren en die daarin handelen.

e.de gevolgen voor de omvang van de administratieve lasten

Dat aan de eisen voor nachtelijk vliegverkeer en opslag voor huishoudelijk afval wordt voldaan, moet op de bij de bouwaanvraag te overleggen tekeningen worden aangegeven dan wel uit andere daarbij behorende bescheiden blijken. De architect zal dus enige niet-noemenswaardige administratieve last ondervinden bij de invoering van deze eisen. De standaardisatie zal die geringe last op korte termijn echter wegnemen. Bedacht moet namelijk worden dat de geluidweringseisen alleen betrekking hebben op het bouwen van woningen, woongebouwen en bepaalde gezondheidszorggebouwen in geluidszones rondom vliegvelden en buiten die zones niet. De eis voor het gescheiden kunnen opslaan van huishoudelijk afval geldt alleen voor woongebouwen, waarvan het aantal beperkt is. De vermindering van de eisen met betrekking tot het aanrecht en het sanitair leiden daarentegen tot minder administratieve lasten.

4.Hoe verhouden de kosten en baten zich tot de draagkracht van het betrokken bedrijfsleven?

Er is geen reden te veronderstellen dat het voorschrijven van de geluidweringseisen inzake nachtelijk vliegverkeer en de opslag van huishoudelijk afval de draagkracht van het betrokken bedrijfsleven beïnvloedt. De meerkosten zijn, voor zover daarvan sprake is, per woning of gezondheidszorggebouw gering dan wel staan in redelijke verhouding tot de daarvan te verwachten milieuwinst.

5.Wat zijn de gevolgen voor het energieverbruik en de mobiliteit?

De voorschriften van het onderhavige besluit hebben geen substantiële invloed op het energieverbruik en de mobiliteit .

6.6.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit (inbraakwerend hang- en sluitwerk)

1.Voor welke categorieën bedrijven heeft de ontwerp-regeling bedrijfseffecten?

Het onderhavige besluit is van belang voor de volgende categorieën uit het bedrijfsleven:

  • opdrachtgevers: woningcorporaties, bouwondernemers, projectontwikkelaars en beleggers;
  • ontwerpend bouwbedrijf: architecten en raadgevende ingenieurs;
  • uitvoerend bouwbedrijf: aannemers, beveiligingsbedrijven;
  • fabrikanten van gevelelementen en van hang- en sluitwerk;
  • groothandels in hang- en sluitwerk;
  • schadeverzekeringsmaatschappijen.
2.Hoeveel bedrijven worden daadwerkelijk met de ontwerp-regeling geconfronteerd?
  • Architecten- en technische ontwerp en adviesbureaus circa 9.500
  • aannemers inclusief beveiligingsbedrijven circa 25.000
  • fabrikanten van gevelelementen en van hang- en sluitwerk circa 400
  • groothandels in hang-en sluitwerk circa 110
  • schadeverzekeringsmaatschappijen circa 150.
3.Wat zijn voor de betrokken bedrijven de meest waarschijnlijke aard en omvang van de kosten en baten?
a.het structurele dan wel eenmalige karakter van de effecten

De invoering van dit besluit zal voor het bouwbedrijf, omdat er ook op dit moment al in veel gevallen aan de voorgeschreven kwaliteitsklasse wordt voldaan, slechts beperkte effecten hebben. In principe kan door alle betrokken partijen worden volstaan met een korte bijscholing. Onder verwijzing naar paragraaf 2 wordt opgemerkt dat er bij de voorgenomen wijziging van het Bouwbesluit in principe geen sprake zal zijn van structurele kostenconsequenties.

b.de onderverdeling tussen financiële en nalevingseffecten

Omdat de eisen met betrekking tot het hang- en sluitwerken de gevelelementen uniform als een minimumniveau gaan gelden, zal het effect op de naleving optimaal zijn en zal de onderlinge concurrentiepositie van bedrijven hier niet door beïnvloed worden. Voorts zal het verhogen van de kwaliteit leiden tot een grotere sociale veiligheid. Gegeven het feit dat het onderhavige besluit budgettair neutraal kan worden uitgevoerd, zullen er in principe geen wijzigingen optreden de financiële effecten voor de bouwpraktijk.

c.de onderbouwing en de onzekerheidsmarges van de kosten en de baten

Zie de antwoorden op de vragen a en b.

d.de gelijkmatigheid in de verdeling van de effecten tussen (categorieën) bedrijven

Er zijn slechts beperkte effecten omdat de op grond van het ontwerp-besluit voorgeschreven kwaliteit in de praktijk reeds in veel gevallen wordt gerealiseerd. Deze effecten zullen zich dan met name voor doen bij beveiligingsbedrijven en de fabrikanten van hang- en sluitwerk.

4.Welke doelgroep(en) worden met de effecten van de ontwerp-regelgeving geconfronteerd en wat is hun omvang?

Doelgroep van de ontwerp-regelgeving zijn de opdrachtgevers, waarbij in eerste instantie aan de opdrachtgevers in de sociale woningbouw wordt gedacht

5.Wat zijn de gevolgen van de ontwerp-regelgeving voor de handhavingsinzet en de handhavingsbehoefte?

Omdat de voorgenomen wijziging van het Bouwbesluit in de praktijk reeds veel wordt toegepast en er een groot maatschappelijk draagvlak is wordt verwacht dat er in de praktijk niet of nauwelijks gevolgen voor de handhavingsinzet en de handhavingsbehoefte zijn.

6.Welke organisaties zullen de ontwerp-regelgeving uitvoeren en wat is hun oordeel over de uitvoerbaarheid of de kosten van uitvoering?

De controle zal in de praktijk plaats vinden door Bouw- en Woningtoezicht. Er wordt niet verwacht dat deze wijziging van het Bouwbesluit tot problemen op het terrein van de uitvoerbaarheid of de kosten van uitvoering zal leiden.

6.7.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt van niet tot bewoning bestemde gebouwen

De bedrijfs-effecten kunnen, gebaseerd op het door BBB Bestuurs- en beleidsadviezen bv opgestelde rapport "Onderzoek milieu- en bedrijfseffectentoets voorgenomen aanscherping energieprestatiecoëfficiënt voor niet tot bewoning bestemde gebouwen in het Bouwbesluit" (januari 1998) als volgt worden samengevat:

1.Voor welke categorieën bedrijven heeft de ontwerp-regelgeving bedrijfseffecten?

Het onderhavige besluit is van belang voor de volgende categorieën uit het bedrijfsleven:

  • opdrachtgevers: bouwondernemers, projectontwikkelaars en beleggers, overheid;
  • ontwerpend bouwbedrijf: architecten en raadgevende ingenieurs;
  • uitvoerend bouwbedrijf: aannemers;
  • toeleveranciers.
2.Hoeveel bedrijven worden daadwerkelijk met de ontwerp-regelgeving geconfronteerd?

Architecten- en technische ontwerp- en adviesbureaus circa 9.500 aannemersbedrijven incl. installatiebedrijven 25.000

3.Wat zijn voor de betrokken bedrijven de meest waarschijnlijke aard en omvang van de kosten en baten?
a.het structurele dan wel eenmalige karakter van de effecten

Het gaat om aanscherping van een bestaande eis met behoud van de bestaande bepalingsmethode. Aan het zich eigen maken van de aangescherpte epc zijn dan ook geen kosten verbonden. De grotere ontwerpbureaus zullen met de verdere aanscherping van de epc in de vorm van een bouwkundige uitwerking minder moeite hebben dan de kleine ontwerpbureaus. Deze laatsten zullen wellicht vaker zijn aangewezen op ondersteuning van ter zake deskundige adviesbureaus. Voor specifieke gevallen zal door de ontwerpers mogelijkerwijs ook meer een beroep moeten worden gedaan op adviesbureaus.

b.de onderverdeling tussen financiële en nalevingseffecten

Omdat de aangescherpte eis uniform zal gaan gelden, zal het effect op de naleving ervan optimaal zijn en zal de onderlinge concurrentiepositie van bedrijven hier niet door beïnvloed worden.

Het verder aanscherpen van de epc leidt tot het toepassen van betere isolatie van de schil van gebouwen, met name waar het gaat om de ramen. Voorts leidt het, vanuit energiezuinigheid gezien, tot betere klimaatbeheersingsinstallaties. Dit heeft een verhoogde inspanning van de in die sector actieve branches tot gevolg. Daarnaast vormt het aanscherpen van de epc een stimulans om te komen tot verdere innovatieve ontwikkelingen rondom energiebesparing van gebouwen.

c.de onderbouwing en de onzekerheidsmarges van de kosten en baten

Zie de antwoorden op de vragen a en b.

d.de gelijkmatigheid in de verdeling van de effecten tussen (categorieën) bedrijven

De effecten zullen voornamelijk zichtbaar zijn bij de bedrijven die energiebesparende bouwproducten leveren.

e.de gevolgen voor de omvang van de administratieve lasten

Er treedt geen verandering op in de administratieve lasten, omdat het een aanscherping betreft van een reeds bestaand voorschrift.

4.Hoe verhouden de kosten en baten zich tot de draagkracht van het betrokken bedrijfsleven?

Er is geen reden te veronderstellen dat het aanscherpen van de eis de draagkracht van het betrokken bedrijfsleven beïnvloedt. De meerkosten zijn, voor zover daarvan sprake is, per gebouwfunctie gering dan wel staan in redelijke verhouding tot de daarvan te verwachten milieuwinst.

Met de aanscherping van de epc nemen de bouwkosten toe en daarmee ook de huurkosten. De exploitatiekosten zullen echter afnemen. In het geval sprake is van een optimaal ontwerp zullen de kosten en baten door de bank genomen in evenwicht zijn. Niet in alle gevallen worden de kosten gemaakt door de partij die ook de baten krijgt. De huurverhoging en de besparing op de exploitatiekosten zullen elkaar in het algemeen redelijk in evenwicht houden.

5.Wat zijn de gevolgen voor het energieverbruik en de mobiliteit?

Het voorschrift van het onderhavige besluit heeft geen betrekking op mobiliteit.

De milieu-effecten kunnen, gebaseerd op het eerdergenoemde door BBB Bestuurs- en beleidsadviezen bv opgestelde rapport als volgt worden samengevat:

Energie

  • Het gasgebruik van niet tot bewoning bestemde gebouwen daalt met 11,9% ten opzichte van de huidige nieuwbouw;
  • Het elektriciteitsgebruik van de gebouwgebonden installaties van nieuw te bouwen utiliteitsgebouwen waaraan energieprestatie-eisen zijn gesteld daalt met circa 14,2 % ten opzichte van de huidige nieuwbouw;
  • De totale besparing op het aardgasgebruik loopt op van circa 8 mln. m3 in 2000 tot circa 36 mln. m3 in 2005 en circa 65 mln. m3 in 2010;
  • De totale besparing op het elektriciteitsgebruik loopt op van circa 31 mln. kWh in 2000 tot circa 136 mln. kWh in 2005 en circa 241 mln. kWh in 2010;
  • De CO2-uitstoot neemt af met circa 34 kiloton in 2000, circa 149 kiloton in 2005, oplopend tot circa 264 kiloton in 2010;
  • Voor de toenemende productie van isolatiematerialen wordt jaarlijks circa 0,2 PJ extra aan fossiele brandstof verbruikt.

Grondstoffen Voor de toenemende productie van glaswol is jaarlijks circa 3.000 ton extra zand nodig

Afvalstromen De samenstelling van het bouw- en sloopafval zal enigszins veranderen.

Emissies naar lucht en naar de bodem

  • De emissie van NOx naar de lucht wordt gereduceerd met circa 54 ton in 2000, circa 234 ton in 2005, oplopend tot circa 414 ton in 2010.
  • De emissie van SO2 naar de lucht wordt gereduceerd met circa 25 ton in 2000, circa 109 ton in 2005, oplopend tot circa 194 ton in 2010.

6.8Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt van woningen en woongebouwen 2000

Bedrijfs- en milieueffectentoets In het deze paragraaf wordt nader ingegaan op de verwachte effecten van de aanscherping.

Voor welke categorieën bedrijven heeft de ontwerp-regelgeving bedrijfseffecten? De bedrijfseffecten kunnen, gebaseerd op het door BBB Bestuurs- en beleidsadviezen bv uitgevoerde onderzoek (rapport “Aanscherping EPC-eis woningen van 1,2 naar 1,0” van juni 1999) als volgt worden samengevat:

Het onderhavige besluit is van belang voor de volgende categorieën uit het bedrijfsleven:

  • opdrachtgevers: woningbouwverenigingen en -stichtingen, bouwondernemers, projectontwikkelaars;
  • ontwerpend bouwbedrijf: architecten en raadgevende ingenieurs;
  • uitvoerend bouwbedrijf: aannemers en installatiebedrijven;
  • fabrikanten en toeleveranciers.

Hoeveel bedrijven worden daadwerkelijk met de ontwerp-regelgeving geconfronteerd?

  • Aannemingsbedrijven 7555
  • electrotechnische installatiebedrijven 1250
  • isolatiebedrijven 200
  • installatie bedrijven voor verwarming en luchtbehandeling 360
  • projectontwikkelaars 2960
  • woningbouwverenigingen en -stichtingen 730
  • architecten- en technische ontwerp- en adviesbureaus 4505
  • electrotechnische- en installatiebedrijven 1040

Wat zijn voor de betrokken bedrijven de meest waarschijnlijke ad en omvang van de kosten en baten ?

a.het structurele dan wel eenmalige karakter van de effecten Het gaat om aanscherping van een bestaande eis met behoud van de bestaande bepalingsmethode. Aan het zich eigen maken van de aangescherpte epc zijn dan ook geen kosten verbonden. De grotere ontwerpbureaus zullen met de verdere aanscherping van de epc in de vorm van een bouwkundige uitwerking minder moeite hebben dan de kleine ontwerpbureaus. Deze laatsten zullen wellicht vaker zijn aangewezen op ondersteuning van ter zake deskundige adviesbureaus. Voor specifieke gevallen zal door de ontwerpers mogelijkerwijs ook meer een beroep moeten worden gedaan op adviesbureaus.
b.de onderverdeling tussen financiële en nalevingseffecten Omdat de aangescherpte eis uniform zal gaan gelden zal de concurrentiepositie van bedrijven hier niet door beïnvloed worden. Het verder aanscherpen van de epc leidt tot het toepassen van betere isolatie van de schil van de woningen en woongebouwen, met name waar het gaat om de ramen. Dit heeft een verhoogde inspanning van de in die sector actieve branches tot gevolg. Daarnaast vormt het aanscherpen van de epc een stimulans om te komen tot verdere innovatieve ontwikkelingen rondom energiebesparing.
c.de onderbouwing en de onzekerheidsmarges van de kosten en baten Zie de antwoorden op de vragen a en b.
d.de gelijkmatigheid in de verdeling van de effecten tussen (categorieën) bedrijven De effecten zullen voornamelijk zichtbaar zijn bij de bedrijven die energiebesparende bouwproducten leveren. Hierbij moet met name gedacht worden aan de leveranciers van de onder 3 genoemde producten.
e.de gevolgen voor de omvang van de administratieve lasten Er treedt geen verandering op in de administratieve lasten, omdat het een aanscherping betreft van een reeds bestaand voorschrift.

Hoe verhouden de kosten en baten zich tot de draagkracht van het betrokken bedrijfsleven? Er is geen reden te veronderstellen dat het aanscherpen van de eis de draagkracht van het betrokken bedrijfsleven beïnvloedt. De meerkosten zijn, voor zover daarvan sprake is, gering dan wel staan in redelijke verhouding tot de daarvan te verwachten milieuwinst.

Met de aanscherping van de epc nemen de bouwkosten wederom toe en daarmee ook de huurkosten. De exploitatiekosten zullen daarentegen verder afnemen. In het geval sprake is van een optimaal ontwerp zullen de kosten en baten door de bank genomen in evenwicht zijn. Het is alleen niet in alle gevallen zo dat de kosten gemaakt worden door de partij die ook de baten krijgt. De huurverhoging en de besparing op de exploitatiekosten zullen elkaar in het algemeen redelijk in evenwicht houden.

Wat zijn de gevolgen voor het energieverbruik en de mobiliteit? Het voorschrift van het onderhavige besluit heeft geen betrekking op mobiliteit.

De milieueffecten van het aanscherpen van een energieprestatiecoëfficiënt van 1,2 voor de huidige nieuwbouwwoningen naar 1 worden als volgt samengevat:

Energie, grondstoffen en afvalstromen

  • Het gasverbruik daalt met circa 15%, waardoor de totale besparing op het aardgasverbruik oploopt van 67 miljoen m3 in 2005 tot 125 miljoen m3 in 2010. Deze besparing is voor circa 10% het gevolg van de toename van het gebruik van duurzame energie, met name zonneboilers;
  • Het elektriciteitsgebruik stijgt met circa 1%, waardoor de jaarlijkse toename in 2005 circa 12 miljoen kWh bedraagt, oplopend tot 23 miljoen kWh in 2010;
  • Voor de toenemende productie van isolatiematerialen en installatietechnische componenten wordt jaarlijks circa 0,5 PJ extra aan fossiele brandstoffen verbruikt, terwijl voor de productie van glaswol jaarlijks circa 5000 ton extra zand nodig is;
  • De samenstelling van bouw- en sloopafval zal enigszins wijzigen.

Emissies

  • De CO2-uitstoot neemt af met circa 125 kiloton in 2005, oplopend tot circa 233 kiloton in 2010;
  • De totale NOx-uitstoot neemt af met circa 0,4 % in 2010, waarbij de NOx-uitstoot naar de lucht vermindert met circa 90 ton in 2005 tot circa 170 ton in 2010. Bij de CO2- en NOx-uitstoot is rekening gehouden met de hier bovengenoemde 0,5 PJ aan extra verbruik van fossiele brandstoffen;
  • De SO2-uitstoot neemt marginaal toe.

6.9.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake conversie (Stb. 2001, 410) Gelijktijdig met de conversie is het Bouwbesluit op een aantal inhoudelijke punten gewijzigd (zie hiervoor onder 4). Deze wijzigingen zijn getoetst op effecten voor bedrijven en milieu en op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid ervan.

6.9.1.Analyse inzake deregulering, arbo-aspecten, integrale toegankelijkheid en rookmelders

In het kader van het MDW-project heeft het vorige kabinet (Brief Tommel aan de TK, vergaderjaar 1997-1998, 24280, nr. 16) besloten tot het schrappen van de eisen inzake verplaatsing en vervorming, aansluiting telefoon, radio en TV in een woning, bergruimte en buitenruimte en een opstelplaats voor wasapparatuur in een woning, alsmede tot vereenvoudiging van de minimale maatvoering van verblijfsruimten. Een andere wijziging betreft het afstemmen van het Bouwbesluit op het Arbeidsomstandighedenbesluit. Voorts zijn de voorschriften inzake de integrale toegankelijkheid van utiliteitsgebouwen aangescherpt. Tot slot worden niet-ioniserende rookmelders in woningen verplicht gesteld, waardoor brandwerende deuren niet meer verplicht zijn.

De voorgenomen wijzigingen zijn getoetst aan de ‘Checklist bedrijfseffectentoets’ en de ‘Checklist Milieutoets’. De bedrijfs- en milieueffecten kunnen kort worden samengevat: de gevolgen voor het bedrijfsleven en het milieu van het aanpassen van de voorschriften zijn in het algemeen niet relevant, verwaarloosbaar of zeer gering. Door de toepassing van rookmelders zullen de branddeurfabrikanten wellicht met een verlies aan omzet worden geconfronteerd, waarbij van belang is dat dit voornemen al in 1997 aan de Tweede Kamer kenbaar is gemaakt, zodat men daar tijdig op kon anticiperen. Verder zal de afvalstroom aan rookmelders groter worden. Daarentegen is een beperkte milieuwinst te verwachten als gevolg het feit dat minder hout voor binnendeuren zal worden gebruikt.

6.9.2.Analyse inzake aanscherping toegankelijkheidseisen en bruikbaarheid

Naar aanleiding van een advies van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad (thans Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland) en andere woonconsumentenorganisaties is in de Nota Mensen, Wensen, Wonen (TK, vergaderjaar 2000 2001, 27 559, nr 2) de aanscherping van een aantal eisen met betrekking tot toegankelijkheid aangekondigd, tezamen met een verzwaarde eis voor contactgeluidisolatie voor woningen. De maatregelen zullen bij de gangbare woningtypen leiden tot een structurele verhoging van de bouwkosten met circa 5 tot 6 % (gemiddeld ƒ 8300 per woning) en een toename van de reële stichtingskosten c.q. prijsstijging van ca 3 tot 4% voor nieuwe woningen. Tegenover deze prijsstijging staat een groter wooncomfort en voor kopers een toegenomen markt- en toekomstwaarde van de woningen. Verder kan dit leiden tot lagere investeringen voor aanpassing/verbetering op lange termijn. De meerkosten voor energie en onderhoud zijn zeer gering. De conclusie luidt dat de kwaliteitsverbeterende maatregelen uit maatschappelijk, economisch en milieuoogpunt alleszins verantwoord zijn. Deze conclusie wordt tevens onderbouwd door de beraadslagingen die hierover met de bouwpartners in het OPB hebben plaatsgevonden.

6.10.Besluit inzake wijziging va het Bouwbesluit inzake aanscherping epc voor de utiliteitsbouw, Stb. 2002, 518

Niveau van grenswaarden De uiteindelijk bepaalde grenswaarden zijn tot stand gekomen op basis van een met de relevante maatschappelijke partijen overeengekomen onderzoeksmethodiek. Uitgangspunten bij het vaststellen van de hoogte van deze grenswaarden waren de kosten en baten, de CO2-reducerende effecten en de effecten op het binnenmilieu van een aanscherping. Resultaten van deze onderzoeken zijn vastgelegd in het rapport: “Aanscherping van de EPC-eisen voor nieuwe utiliteitsgebouwen” van Novem uit maart 2001. Ten behoeve van de aanscherping van de grenswaarden voor gebruiksfuncties is vervolgens onderzoek uitgevoerd naar de bedrijfseffecten, de consumenteneffecten, de milieueffecten en de effecten op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regelgeving. Deze effecten zijn neergelegd in de rapportage “Regeleffecttoets voor de aanscherping van de EPC van nieuwbouw” van DHV uit juli 2001.

6.10.1.Bedrijfseffecten

Aanscherping van de prestatie-eisen bij de utiliteitsbouw zal naar verwachting leiden tot een toename in de toepassing van maatregelen als:

  • verhoogde isolatiewaarden (dikkere isolatielagen met als gevolg een groter bebouwd oppervlak en een iets bredere schil en grotere dakrand);
  • Hoogrendement++-glas;
  • Hoogfrequent++-verlichting met lager geïnstalleerd vermogen per m2 vloeroppervlak;
  • hogere rendementen van warmteopwekking door bijvoorbeeld het meer toepassen van lage temperatuurverwarmingssystemen (met grotere radiatoren en/of vloer- en wandverwarmings-systemen) of toepassing van warmte/koudeopslag in de bodem (met grotere technische ruimten dan traditioneel);
  • zonne-energiesystemen (m.n. zonnecollectoren); en
  • warmtepompen.

De technische wijzigingen leiden tot een beperkte omzetstijging bij de toeleveranciers van betreffende maatregelen. Toepassing van ‘nieuwe’ maatregelen (voorbeelden: warmtepompen, laagthermische verwarmingsystemen en toepassing zonnecollectoren) vragen van de betrokken marktpartijen nieuwe kennis, gewijzigde inzichten en meer alertheid tijdens alle fasen van het ontwerp- en bouwproces. Verder zal het introduceren van nieuwe technologieën tot verhoogde onderhoudsinspanningen leiden als gevolg van mogelijke kinderziektes en kennistekorten.

6.10.2.Consumenteneffecten

Met geringe meerkosten (initiële meerinvesteringen bedragen gemiddeld ca. € 12,-/m2 bruto-vloeroppervlakte, hetgeen indicatief overeenkomt met ongeveer € 180,- per minder uitgestoten ton CO2) is een besparingspercentage haalbaar van gemiddeld ca. 7% (variërend van 3% tot 18%); dit met gebruikmaking van uitsluitend algemeen toegepaste technieken. Een verdere aanscherping heeft daarnaast in het algemeen een gunstige invloed op het binnenklimaat als gevolg van het frequenter toepassen van alternatieve verlichtingssystemen en laag thermische verwarmingssystemen. Extra voorlichting is nodig om bepaalde risicofactoren te beperken, zoals warmteterugwinning met gebruikmaking van warmtewielen, te hoge percentages recirculatielucht in het ventilatiesysteem, toepassing van (te) lage glaspercentages en/of lichtniveaus.

6.10.3.Milieueffecten

De jaarlijkse CO2-reductie die bereikt kan worden als gevolg van de aanscherping betreft 0,01 Mton, en neemt bij gelijkblijvende bouwproductie elk jaar lineair toe. Hiermee wordt een bijdrage aan het behalen van de reductietaakstelling op grond van het verdrag van Kyoto geleverd van ongeveer 8%. Onderzoek wijst uit dat de positieve milieueffecten als gevolg van de CO2-reductie ruimschoots opwegen tegen de hogere milieubelasting door het gewijzigde materiaalgebruik.

6.10.4.Effecten op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Onderzoek in een aantal gemeenten wijst uit dat de toepassing van nieuwe maatregelen en technieken in bepaalde gevallen aanvullende kennis vergt, en tot extra controles op haalbaarheid en belemmeringen aanleiding geeft (onderzoek DGMR, 2000). Door VROM en de VNG is een verbetertraject voor de handhaving van de bouwregelgeving ingezet, waarin aandacht aan deze problematiek zal worden besteed. In dit verband wordt overigens ook opgemerkt dat de administratieve lasten als gevolg van aanscherping te verwaarlozen zijn. Voor het overige zijn voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid geen consequenties van de wijziging te verwachten (kamerstukken II 2001/2002, 28 325, nr. 1, blz. 23-30).