Contact Service
5. Adviezen en commentaren
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


5. Adviezen en commentaren

5.1.Bouwbesluit (Stb. 1991, 680)

Onderdelen van het besluit, zoals gepubliceerd in december 1991, zijn als (voor)ontwerpen voor advies voorgelegd aan de RAVO, de Raad voor de Brandweerzorg en Rampenbestrijding, de Centrale Raad voor de Milieuhygiëne, de Emancipatieraad, de Nationale Raad voor de Volksgezondheid, de Nederlandse Gehandicaptenraad (thans Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland) en het Centraal Coördinatiepunt Toegankelijkheid. Voorts zijn die (voor)ontwerpen voor commentaar toegezonden aan onder meer de (Commissie voor de bouwvoorschriften van de) VNG. De voorschriften met betrekking tot woonwagens zijn bovendien voorgelegd aan enige organisaties van woonwagenbewoners, waaronder het Landelijk Platform Woonwagenbewoners en het Landelijk Overleg Woonwagenvrouwen.

Als gevolg van de uitgebreide en tijdrovende procedure die een zo omvangrijk en maatschappelijk belangrijk besluit als het onderhavige nu eenmaal moet doorlopen, is vorengenoemde instellingen en instanties soms gevraagd op zeer korte termijn op een (voor)-ontwerp te reageren. Het verdient dan ook grote waardering dat de betrokken instellingen en instanties bereid en in staat zijn geweest, met inachtneming van de gestelde korte termijnen, te reageren op de onderscheiden verzoeken om advies en commentaar.

Gelet op hun wettelijk verankerde positie als adviesorgaan op het door het besluit bestreken terrein of een deel daarvan, worden hieronder de hoofdlijnen van de door de RAVO en de Raad voor de Brandweerzorg en de Rampenbestrijding uitgebrachte adviezen weergegeven. Voorts wordt ingegaan op de hoofdlijnen van de commentaren van de Commissie voor de bouwvoorschriften van de VNG, die van oudsher een belangrijke betrokkenheid heeft bij de gemeentelijke bouwregelgeving.

De RAVO stelde voorop voorstander te zijn van centraal opgestelde uniforme voorschriften. Ten aanzien van het onderdeel te bouwen woningen en woongebouwen verklaarde de Raad echter het in een aantal opzichten oneens te zijn met de uitwerking van dit beginsel. De RAVO noemde in dit verband als essentiële punten het niveau van de woontechnische eisen, dat zijns inziens te laag zou zijn, vooral in de minimum oppervlakte-eis voor woningen en door het niet meer voorschrijven van een aantal voorzieningen. Voorts richtte de kritiek van de RAVO zich op de uitwerking van de prestatie-eisen, waarvan de consequenties volgens de Raad onduidelijk waren door het toentertijd ontbreken van aangepaste normen. Aangaande het onderdeel bestaande woningen en woongebouwen concentreerde het advies van de RAVO zich op het kwaliteitsniveau en de functies van dit onderdeel. Onder instemming met het stellen van concrete minimum voorschriften voor de bestaande woningvoorraad, achtte de RAVO enige voorzichtigheid geboden bij de bepaling van het eisenniveau. Reden hiervoor was de onzekerheid met betrekking tot de praktische consequenties voor het aanschrijvingsbeleid en de woonlasten. Het woontechnische niveau van dit deel van het Bouwbesluit achtte de Raad, in tegenstelling tot het bouwtechnische niveau, aan de lage kant. Wat betreft de functies van dit onderdeel meende de Raad dat het goede mogelijkheden bood de huidige aanschrijvingspraktijk voort te zetten. Ook in het RAVO-advies inzake het onderdeel woonwagens en standplaatsen neemt het onderwerp kwaliteitsniveau een belangrijke plaats in. Afgezien van enige niet via het Bouwbesluit benvloedbare aspecten, was de Raad van mening dat de regeling op een aantal punten, zoals de verplichte aanwezigheid van sanitair in de woonwagen, qua gedetailleerdheid te ver was doorgeschoten.

In het advies van de Raad voor de Brandweerzorg en de Rampenbestrijding omtrent het onderdeel te bouwen woningen en woongebouwen werd twijfel uitgesproken over het verwezenlijken van uniformiteit in de bouwvoorschriften door middel van het Bouwbesluit. De Raad meende dat door het ontbreken van normering met betrekking tot de gelijkwaardigheidsbepalingen in het besluit, de bestaande rechtsonzekerheid niet zou worden weggenomen. De Raad adviseerde dan ook ter zake een normering aan te brengen. Voorts beval de Raad aan in de toelichting aandacht te besteden aan de relatie tussen repressie en preventie van brand en aan het verband tussen het Bouwbesluit en andere relevante regelingen. Het advies van de Raad inzake het deel bestaande woningen en woongebouwen bevatte soortgelijke opmerkingen over de gelijkwaardigheidsbepalingen, de relatie preventie-repressie en de verhouding tot andere regelgeving. Ten aanzien van het deel niet tot bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, was de Raad van mening dat het niveau van de brandveiligheidseisen aan de lage kant was.

De Commissie voor de bouwvoorschriften van de VNG was van mening dat de totstandkoming van het Bouwbesluit een nuttige bijdrage kan leveren aan de unificatie van technische voorschriften. Haar commentaar met betrekking tot het onderdeel woningen en woongebouwen richtte zich in hoofdzaak op de aspecten kwaliteitsniveau, systematiek en hanteerbaarheid. De Commissie bespeurde als gevolg van het vervallen van het onderscheid tussen woningen en wooneenheden een verlaging in de normstelling, met name in de woontechnische eisen. Haar opmerkingen met betrekking tot de systematiek spitsten zich toe op de haars inziens te beperkte, immers slechts aan één uitgangspunt gebonden, toetsingsruimte in het kader van de gelijkwaardigheidsbepalingen, waarvan zij een normverlagend effect verwachtte. Aangaande de problematiek van de toepassing en de handhaving van de voorschriften van het Bouwbesluit onderstreepte de Commissie de wenselijkheid van een principiële beschouwing ter zake in de toelichting. De aan het deel bestaande woningen en woongebouwen ten grondslag liggende behoefte aan concrete normstelling in maat en getal werd door de Commissie voor de bouwvoorschriften onderschreven. Zij vond dit in het voorontwerp consequent uitgewerkt. Ten aanzien van de functie van dit deel als aanschrijvingsgrondslag had de Commissie evenwel een aantal bedenkingen. Zij meende namelijk dat aanschrijven pas mogelijk zou zijn, indien het bouw- of woontechnische niveau van een onderdeel van een woning of woongebouw onder dat van dit Bouwbesluitonderdeel zou komen te liggen. Om een trendbreuk in het aanschrijvingsbeleid te voorkomen, beval de Commissie aan in de Woningwet of het Bouwbesluit tot uitdrukking te brengen dat ook de nieuwbouwvoorschriften toetsingskader kunnen zijn voor het uitvaardigen van een aanschrijving. Ten aanzien van het niveau van de voorschriften voor de bestaande voorraad meende de Commissie verder nog dat dit, gezien de functie van grens bij onderschrijding waarvan een aanschrijving op zijn plaats is, geen reële ondergrens is tot waar kan worden gegaan bij verlening van ontheffing van de nieuwbouwvoorschriften voor verbouwingen.

In plaats van de in het deel woonwagens en standplaatsen vervatte eisen voor nieuwe woonwagens zag de Commissie voor de bouwvoorschriften liever een verwijzing naar een desbetreffende NEN-norm. Over de kostenconsequenties van het kwaliteitsniveau voor nieuwe woonwagens maakte de Commissie zich zorgen. Zij vroeg zich af of dit niet hoger was dan verenigbaar met het karakter van publiekrechtelijke minimum eisen. Voor de problematiek van de afstemming van de eisen inzake voorzieningen binnen de woonwagen en die op de standplaats, met name de sanitaire voorzieningen, achtte de Commissie een oplossing geboden. Het voorontwerp van de onderdelen voor niet tot bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde werd door de Commissie naar zijn aard in twee categorieën voorschriften onderscheiden. De eerste categorie, omvattende de hoofdstukken met betrekking tot kantoorgebouwen en logiesverblijven en logiesgebouwen, die in op functionele omschrijvingen berustende prestatie-eisen waren geformuleerd, kon naar haar oordeel na verwerking van detailkritiek op de inhoud en de systematiek op verantwoorde wijze worden ingevoerd. Ten aanzien van de tweede categorie, omvattende de hoofdstukken met algemene technische voorschriften voor niet tot bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat uitsluitend uit functioneel geredigeerde voorschriften bestond, was de Commissie van mening dat een inhoudelijke aanpassing hiervan aan de systematiek van eerstbedoelde categorie voorschriften nodig was alvorens deze zou kunnen worden ingevoerd.

De uitgebrachte adviezen en commentaren zijn, waar mogelijk en gewenst, in het onderhavige besluit verwerkt. Naar aanleiding van de adviezen en commentaren heeft ten aanzien van enige onderwerpen nader onderzoek plaatsgehad. Meer in het bijzonder betreft dit de woontechnische voorschriften die voor de woningbouw gelden en een drietal praktijktoetsen. Voorts is onderzoek verricht naar de kostenconsequenties van het Bouwbesluit. Op basis van de resultaten van de verschillende onderzoeken zijn de desbetreffende voorschriften, waar nodig en gewenst, bijgesteld. Voorts is aangedrongen op een goede voorlichting en opleiding van vooral ambtenaren die bij het toezicht op de naleving van dit besluit zijn betrokken, alvorens het onderhavige besluit van kracht wordt. In dit verband wordt opgemerkt dat tussen plaatsing van dit besluit in het Staatsblad en de feitelijke inwerkingtreding daarvan, aandacht zal worden gegeven aan het opleiden van specifieke doelgroepen, zoals de ambtenaren van het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht en van de brandweer. Met de voorlichting over het Bouwbesluit is reeds enige tijd terug gestart om duidelijk te maken dat er in de nabije toekomst wijzigingen in de bouwregelgeving zullen gaan optreden. Voorts zijn nog enige hulpmiddelen voor de bouwpraktijk in ontwikkeling, zoals een praktijkboek en een geautomatiseerd consultatiesysteem.

Naar aanleiding van gemaakte opmerkingen met betrekking tot de relatie van het onderhavige besluit met het in de Woningwet neergelegde aanschrijvingsinstrument, is de tekst van artikel 14, eerste lid, van de Woningwet aangepast in die zin dat daarin nu expliciet is aangegeven dat ook de nieuwbouwvoorschriften onder bepaalde voorwaarden als toetsingskader kunnen dienen voor het uitvaardigen van een aanschrijving.

5.2.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake energieprestatie

Het Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake energieprestatie is voor advies voorgelegd aan de Raad voor de Volkshuisvesting (Ravo). Voorts is dit besluit voor commentaar voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

De Ravo stelde voor om voor woningen en woongebouwen naast de in het Bouwbesluit, zoals dat voor de wijziging luidde, geldende voorschriften met betrekking tot de energiezuinigheid HR-glas en een HR-combiketel (al dan niet met waakvlam) te eisen. Een en ander gekoppeld aan het introduceren van een grenswaarde aan de energieprestatiecoëfficiënt voor die situaties, waarbij de standaardtoepassingen geen oplossing kunnen bieden. Hij bepleitte voor de niet tot bewoning bestemde gebouwen een gelijksoortige systematiek. Daarenboven bepleitte de Ravo een goede en uitgebreide voorlichting, de benutting van de EPN voor het introduceren van een energie-etiket, een afstemming op Europese normalisatie-ontwikkelingen en een evaluatie van het innovatieve aspect van de EPN. Deze evaluatie zou al kort na de invoering van de EPN moeten plaatsvinden. Daarnaast was de Ravo van mening dat de resultaten van de kosten-batenstudies die in het kader van de invoering van het onderhavige wijziging van het Bouwbesluit zijn uitgevoerd, onder de aandacht van betrokkenen dienen te worden gebracht. Voor woongebouwen dient aldus de Ravo een niet knellende grenswaarde te worden vastgesteld. Tot slot wees de Ravo op het huurprijsverhogend effect in relatie tot de huurgrenzen. Ook werd nog gewezen op andersoortige maatregelen, zoals heffingen en het stellen van eisen aan toestellen, welke maatregelen ook effect sorteren voor de bestaande gebouwenvoorraad.

De VNG onderschrijft de doelstelling van de invoering van de energieprestatienormering, doch was van mening dat invoering beter gelijktijdig met het van kracht worden van fase 2 van het Bouwbesluit, waarvan de invoering is voorzien voor oktober 1996, kan plaatsvinden. Die tweede fase voorziet immers in aanvulling van het vigerend Bouwbesluit met prestatie-eisen voor een negental te onderscheiden niet tot bewoning bestemde gebouwen. Daarbij wordt tevens rekening gehouden met de in artikel 5 van de Woningwet gegeven opdracht om het Bouwbesluit in overeenstemming te brengen met bij of krachtens andere algemene maatregelen van bestuur gegeven voorschriften. Bovendien worden in het kader van die fase de resultaten van de aan de Tweede Kamer der Staten Generaal toegezegde evaluatie meegenomen, aldus de VNG.

Verder wees de VNG nog op de consequenties van een ophanden zijnde Europese norm. Voorts pleitte de VNG voor een uitgebreid en langdurig implementatietraject voor de bouwpraktijk, waaronder begrepen de gemeenten die bouwplannen zullen moeten beoordelen aan de hand van de energieprestatienormen.

Aan het voorstel van de Ravo om voor woningen en woongebouwen een standaardpakket aan maatregelen voor te schrijven dat leidt tot het voldoen aan de voorgeschreven energieprestatiecoëfficiënt, heb ik geen gevolg gegeven. Een dergelijke handelswijze staat haaks op de aan het Bouwbesluit ten grondslag liggende gedachte dat de bouwpraktijk meer vrijheid moet hebben. Dit laat evenwel onverlet dat het door de Ravo voorgestelde pakket aan maatregelen kan leiden tot het voldoen aan de voorgeschreven energieprestatiecoëfficiënt. De ontwerper/opdrachtgever heeft aan de hand van de verschillende in de normbladen neergelegde energiebesparingsopties veel meer mogelijkheden om aan de voorgeschreven energieprestatiecoëfficiënt te voldoen dan wanneer een standaardpakket wordt voorgeschreven. Daar komt nog bij dat, gelet op de grote diversiteit in de niet tot bewoning bestemde gebouwen, een standaardpakket niet kan worden gegeven.

Wat de aanpassing op de Europese ontwikkelingen betreft, past de opmerking dat het Europa zonder grenzen is ingegeven vanuit de doelstelling tot vrij handelsverkeer van producten en diensten en niet zozeer vanuit uniformering van bouwvoorschriften in de verschillende Lidstaten van de Europese Unie. Daarbij speelt mede een rol dat het in voorbereiding zijnde Europese normblad niet als Europese geharmoniseerd normblad zal worden aangemerkt en dientengevolge implementatie in de wet- en regelgeving niet verplicht is. Daar komt nog bij dat de europese ontwikkelingen er op duiden dat dat normblad niet zonder meer geschikt is voor toepassing in het kader van een aanvraag om bouwvergunning, maar veeleer is geschreven vanuit de idee om mede op basis van niet bouwkundige kenmerken, zoals het feitelijk gebruik van een gebouw, te komen tot een voorspelling van het energiegebruik.

Voorts is aangedrongen op een goede voorlichting en opleiding van de gehele bouwkolom voordat het wijzigingsbesluit van kracht wordt. In dit verband wordt opgemerkt dat tussen plaatsing van het wijzigingsbesluit in het Staatsblad en de feitelijke inwerkingtreding daarvan, aandacht is gegeven aan het opleiden van specifieke doelgroepen, zoals de gemeenteambtenaren die zijn belast met het toezicht op het bouwen en wonen, de leden van de verschillende brancheverenigingen (BNA, ONRI, VNI, UNETO e.d.) en de gebruikers (opdrachtgevers, beleggers, uitvoerend bouwbedrijven e.d.) van de normbladen NEN 5128 en NEN 2916 en de bijbehorende, door het NNI uitgebrachte nederlandse praktijkrichtlijnen. Met de voorlichting over de energieprestatienormen, waarnaar het wijzigingsbesluit verwijst, is het Nederlands Normalisatie-instituut, mede op aandringen van de Ministeries van Economische Zaken en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de bouwpraktijk, al in het begin van 1995 gestart. Verder is voorzien in een opleidingstraject dat, zodra het wijzigingsbesluit in het Staatsblad was gepubliceerd, van start is gegaan. Voorts zijn nog enige hulpmiddelen voor de bouwpraktijk ontwikkeld, zoals een specifiek op de energieprestatie geënte brochure, die is uitgebracht door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en enkele Novem publicaties, zoals een handleiding voor de praktijk en een variantenboek, waarin enige alternatieve uitvoeringsmogelijkheden met de daaruit voortvloeiende energieprestatiecoëfficiënten, zijn beschreven. Ook het mede door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer ontwikkelde geautomatiseerde Bouwbesluit Consultatiesysteem (BCS) is aan het onderhavige besluit aangepast ten behoeve van de gebruikers van dat systeem.

5.3.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake toegankelijkheid van woningen en woongebouwen

Het Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake toegankelijkheid van woningen en woongebouwen is, omdat het geen betrekking heeft op hoofdlijnen van beleid, niet voor advies voorgelegd aan een formeel adviesorgaan. Het ontwerp-besluit is wel toegezonden aan enige andere instanties, zoals de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB). In het OPB zijn ook de VNG en de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad (thans Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland) vertegenwoordigd. In het kader van de evaluatienota Woningwet en Bouwbesluit (kamerstukken II, 1996/1997, 25 000 XI, nr. 39) hebben zowel de VNG als het OPB hun opvatting over de toegankelijkheidseisen (aanpasbaar bouwen) kenbaar gemaakt. In de brief van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 februari 1996 aan de Tweede kamer der Staten-Generaal inzake het ouderenbeleid/aanpasbaar bouwen (kamerstukken II, 1995/1996, 24 508, nr. 3).inzake het Ouderenbeleid is de Staatssecrataris van Volkhuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op de aanbevelingen van het OPB op het punt van toegankelijkheid ingegaan.

5.4.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit (aanscherping energieprestatiecofficiënt voor woningen en woongebouwen 1998)

Het ontwerp-wijzigingsbesluit is ter kennisneming toegezonden aan de VROM-raad. Omdat dit besluit geen betrekking heeft op hoofdlijnen van beleid, is het besluit niet voor advies voorgelegd. Het ontwerp-wijzigingsbesluit is verder toegezonden aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en aan het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB) met het verzoek hun zienswijzen daarover kenbaar te maken. Het OPB, waarin de VNG is vertegenwoordigd, onderschrijft de wens om de epc voor de woningbouw te verlagen, maar tekent wel aan dat de ervaringstijd tussen de 1,4 en 1,2 vrij kort is. Het platform meent dat een verzwaring van de epc naar 1,2 in 1998 voor de meeste woningtypen geen problemen zal opleveren. Voor een paar woningtypen (bijvoorbeeld urban villa's en kleine vrijstaande woningen) wordt extra aandacht gevraagd. Het Overlegplatform acht het voorts wenselijk dat de bepalingsmethoden, zoals vastgelegd in de normbladen, binnen afzienbare termijn beter worden afgestemd op de huidige technologische ontwikkelingen, mede gezien in het licht van de voorgenomen verdere aanscherping van de epc naar 1,0 in 2000.

5.5.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit (structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer en enige dubo-maatregelen)

Het ontwerp-besluit is toegezonden aan het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB) met het verzoek zijn zienswijze daarover kenbaar te maken. Verder is het ontwerp-besluit toegezonden aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) met het verzoek haar zienswijze in te brengen in het OPB, opdat bij het formuleren van de zienswijze van het OPB rekening kan worden gehouden met de opvattingen van de VNG.

Ten aanzien van de voorstellen met betrekking tot structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer heeft het OPB kenbaar gemaakt daar tegen geen bezwaar te hebben, temeer daar zij heeft begrepen dat het louter een overheveling van reeds bestaande voorschriften naar het Bouwbesluit betreft. Wel heeft zij aandacht gevraagd voor de leesbaarheid van de tekst. In verband hiermee heb de staatssecretaris van VROM de redactie van het voorstel op dit punt op onderdelen aangepast.

Op het voornemen om de inrichtingseisen (aanrecht en sanitair) uit het Bouwbesluit te schrappen heeft het OPB als volgt gereageerd. Het OPB kan zich in principe wel vinden in de doelstellingen van het voornemen, maar acht het schrappen van de voorschriften ter beperking van de afvalberg en de aanwending van nieuwe primaire grondstoffen niet nodig. Het voortijdig slopen van keukens en sanitair zou door het verdwijnen van de exploitatiesubsidies voor nieuwbouw weinig meer voorkomen.

De stellingname van het OPB dat met het schrappen van de inrichtingseisen slechts een beperkte bijdrage aan de milieuproblematiek wordt geleverd is op zichzelf niet onjuist. Het algemene beeld kan wel worden onderschreven dat door de wijzigingen in het woningsubsidiebeleid, het voortijdig slopen van keuken-, bad- en toiletinrichting zal zijn afgenomen. Echter de wijziging levert vooral een belangrijke bijdrage aan het creëren van grotere keuzemogelijkheden voor de consument. Het mag zo zijn dat daar waar aanbieder en klant elkaar reeds kennen binnen de vigerende regelgeving creatieve oplossingen mogelijk zijn, dit gaat niet meer op wanneer aanbieder en toekomstige bewoner nog geen overeenkomst met elkaar hebben. Juist in die situatie zal zich het risico voordoen dat de inrichting van keuken-, bad- en toiletruimte door voortijdige sloop wordt getroffen. Ik heb de voorstellen, ondanks de kritische kanttekeningen van het OPB, gehandhaafd, nu zij niet met overtuigende argumenten tegen het schrappen van de inrichtingseisen zijn gekomen.

Ten aanzien van voorstellen voor het bevorderen van de gescheiden opslag van huishoudelijk afval heeft het OPB opgemerkt deze voorstellen te gedetailleerd te vinden. Het OPB heeft zich uitgesproken om deze voorschriften toch functioneel te redigeren en niet, zoals gebruikelijk in het Bouwbesluit, in prestatie-eisen. Gezien het relatief geringe bereik van de onderhavige bepaling en de gedetailleerdheid die op dit moment niet kan worden vermeden ben ik aan de nadrukkelijke wens van het OPB tegemoetgekomen. Ik ben mij daarbij bewust van het feit dat inbreuk wordt gemaakt op de systematiek van het Bouwbesluit. Ik beschouw deze inbreuk echter als een tijdelijke, omdat ik voornemens ben te bevorderen dat te gelegener tijd de functionele eis alsnog wordt omgezet in een prestatie-eis. Daarbij zal als uitgangspunt gelden de wijze waarop aan de huidige functionele eis in de praktijk inhoudelijk invulling is gegeven.

5.6.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit (inbraakwerend hang- en sluitwerk)

Het ontwerp-besluit is opgesteld in overleg met de Ministeries van Binnenlandse zaken en Justitie. Het ontwerp-besluit is verder toegezonden aan het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB) met het verzoek hun zienswijze daarover kenbaar te maken. Het OPB onderschrijft de wenselijkheid om in het Bouwbesluit een bepaling gericht op het voorkomen van inbraak op te nemen.

5.7.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt van niet tot bewoning bestemde gebouwen

Het ontwerp-besluit is toegezonden aan het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB) met het verzoek hun zienswijzen daarover kenbaar te maken. Het OPB gaat akkoord met het ontwerp-besluit maar wijst op de noodzaak bij eventuele toekomstige aanscherpingen de daadwerkelijke effecten op het energiegebruik, de consequenties voor het binnenmilieu, als ook de effecten op het materiaalgebruik in de beslissing te betrekken. Met de zienswijzen van het OPB zal rekening worden gehouden. In dit licht is nu reeds opdracht verleend onderzoek te doen naar het werkelijk energiegebruik van kantoren onder zowel de vigerende epc als de aangescherpte epc. Voorts worden momenteel de mogelijkheden voor verder onderzoek naar de overige sectoren in de utiliteitsbouw nagegaan.

5.8.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt van woningen en woongebouwen 2000

Omdat het besluit geen betrekking heeft op de hoofdlijnen van beleid, is het concept besluit niet voor advies voorgelegd aan de VROM-raad, maar daar ter kennisneming aan toegezonden. Het Overlegplatform bouwregelgeving onderkent de noodzaak dat ingevolge de Kyoto-afspraken maatregelen nodig zijn om de CO2 uitstoot terug te dringen. Wel wordt bepleit na deze aanscherping eerst het energie-instrumentarium te evalueren op consequenties voor en relaties tussen energiebesparing, kosten, binnenmilieu en gebouwontwerp, alvorens tot besluitvorming over mogelijke verdere aanscherping over te gaan.

5.9.Conversie van het Bouwbesluit

Overlegplatform Bouwregelgeving Het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB, een advies- en overlegorgaan waarin de verschillende geledingen van het bouwbedrijfsleven en de “bouwconsumenten” zitting hebben) heeft op basis van een eigen onderzoek uit 1998 (‘Herijking Bouwregelgeving’) aangegeven dat het oorspronkelijke Bouwbesluit moeilijk leesbaar is. Het is daarom een groot voorstander van de conversie van het Bouwbesluit. Het OPB heeft de aanbeveling gedaan de bouwregelgeving te vereenvoudigen en beter op relevante regelgeving af te stemmen.

Het OPB heeft met genoegen geconstateerd dat er gehoor is gegeven aan zijn indringende oproep om te komen tot een geconverteerd Bouwbesluit. Met het OPB zijn de voortgang en de inhoud van de conversie regelmatig besproken, zowel in pleno als in werkgroepverband. Het eindoordeel van het OPB over het geconverteerde Bouwbesluit is positief en de nagestreefde inwerkingtreding per 1 januari 2003 wordt dan ook ondersteund.

Brandveiligheidsaspecten De brandveiligheidsaspecten uit het geconverteerde Bouwbesluit zijn opgesteld na overleg met het Landelijk Netwerk van Brandweer (LNB), Nederlands Verbond Toelevering Bouw (NVTB) en het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (NIBRA).

5.10.Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt van niet tot bewoning bestemde gebouwen 2003

Het ontwerp-besluit is aan het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB) voorgelegd. Dit platform heeft in zijn advies nr. 24 van 28 mei 2001 gesteld dat ingevolge de Kyoto-afspraken maatregelen noodzakelijk zijn om de CO2-uitstoot terug te dringen. Het OPB heeft echter aangegeven in eerste aanleg geen voorstander te zijn van een aanscherping van de energieprestatie-eisen voor de utiliteitsbouw. Een integrale afweging tussen de verschillende in te zetten instrumenten om CO2-reductie in de gebouwde omgeving te realiseren werd nog gemist en men twijfelde aan de kostenconsequenties. In meergenoemde brief “Klimaatbeleid gebouwde omgeving” is deze afweging wel gemaakt. De in te zetten maatregelen zijn toepasbaar op nieuwbouw, op de bestaande voorraad, op gebouwniveau of op locatieniveau. De aanscherping van de energieprestatie-eisen voor de utiliteitsbouw maakt onderdeel uit van het maatregelenpakket uit deze brief. De keuze voor deze maatregel is mede gebaseerd op een afweging van de verwachte kostenconsequenties van de verschillende maatregelen. De DUBO-raad heeft het ontwerp-besluit op 28 juni 2001 ter kennisname ontvangen.

5.11.Besluit van 17 december 2004, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijzigingen in verband met het opnemen van de subgebruiksfunctie kinderopvang, het dereguleren van de onderwijsfunctie en enkele andere wijzigingen van het Bouwbesluit 2003)

Naast inhoudelijk overleg met de ministeries van SZW, OCW, VWS en Justitie heeft over deze wijziging afstemming plaatsgevonden met:

  • Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en het LNB voor de aanpassingen van de brandveiligheidvoorschriften,
  • Rijkswaterstaat voor de voorschriften voor constructieve veiligheid, en
  • Brancheorganisaties.

Aan de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit is bijzondere aandacht besteed in het licht van het VROM-VNG actieprogramma Handhaving Bouwregelgeving (Kamerstukken II 2000/2001, 27 600 XI, nr. 51).

Op 18 december 2003 is het ontwerpbesluit in een gezamenlijk overleg van het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB), de Juridisch Technische Commissie (JTC) en het Interdepartementaal Overleg Bouwregelgeving (IOB) besproken. Hierna heeft op 19 mei 2004 nog een vervolgoverleg plaatsgevonden. Het OPB stemt in met het ontwerpbesluit. De commentaren uit genoemde overlegrondes zijn in het voorliggende besluit verwerkt. Daarbij wordt opgemerkt dat het verzoek uit het OPB om in het verlengde van het opnemen van voorschriften voor een nooddeur de term ‘toegang’ te wijzigen in ‘uitgang’, niet is gehonoreerd. Het Bouwbesluit 2003 gebruikt de term ‘toegang’ zowel voor de toegang (bij voorschriften over gebruiksveiligheid en bruikbaarheid) als voor de uitgang van een ruimte (bijvoorbeeld bij vluchten bij brand). Ook een nooduitgang is volgens het Bouwbesluit 2003 een toegang. Vervanging van het begrip toegang door een begrip waarin ook het gebruik als uitgang zichtbaar wordt, zou veel consequenties hebben en ook onbedoelde effecten kunnen veroorzaken in onder meer NEN-normen en kwaliteitsverklaringen1.

Toch bleven er bij de leden van het OPB zorgen bestaan over de kwaliteit van onderhavige wijziging van het Bouwbesluit 2003 (Betrokken bouwpartners zoals BNA, Bouwend Nederland, Uneto-VNI en NVTB hebben daartoe de nodige vragen bij gesteld, uitmondend in brief van de BNA van 7 april 2004 en een tweede reactie van de BNA d.d. BNA d.d. 18 mei, kenmerk b04014br). Dit in termen van: consistentie en motivatie van gemaakte keuzen, samenhang met andere regelgeving en de bijbehorende voorlichting. Om aan elke twijfel een eind te maken is een OPB-werkgroep in gesteld onder voorzitterschap van de directeur van het NVTB, genaamd “dereguleringscommissie Bouwbesluit 2003”. De volgende partijen hebben deelgenomen aan deze commissie: de BNA, de VNG, de Vereniging Stadswerk Nederland (VSN) en VROM. Daarnaast heeft de dereguleringscommissie zich laten bijstaan door twee externe deskundigen, afkomstig van TNO en het Uythoven Bouw Advies bv. Deze dereguleringscommissie Bouwbesluit 2003 had tot opdracht de voorliggende wijziging van het Bouwbesluit 2003, zoals gepubliceerd in Staatsblad 2005 nummer 1, nader te bezien en te komen met aanbevelingen hoe met eventuele onduidelijkheden omgegaan zou kunnen worden. Dit tegen de achtergrond dat vermindering van regeldruk speerpunt is van het kabinet en dat dus ook op het terrein van de bouwregelgeving eerder gestreefd dient te worden naar ‘minder’ dan naar ‘meer’ regels.

De rapportage is via de JTC aan het OPB voorgelegd. Het is in de eerste plaats aan het OPB om zich een oordeel over de rapportage en bijbehorende aanbevelingen te vormen en een advies uit te brengen. Vanzelfsprekend is het vervolgens aan de Minister van VROM om dit OPB-advies al dan niet over te nemen. Een en ander conform de reguliere wijze van advisering door het OPB op terrein van de bouwregelgeving.

De dereguleringscommissie heeft 4 keer vergaderd, aan de hand van de nodige inhoudelijke (achtergrond)notities (zie TNO Bouw en Ondergrond rapport 2005-REG-R0123). Begonnen is met een bespreking van een door de externe deskundigen voorbereide analyse aangaande het voorliggende wijzigingsbesluit. In de 2 volgende vergaderingen zijn benoemde ‘actiepunten’ nader uitgediept, eveneens mede op basis van schriftelijke inbreng van de externe deskundigen dan wel van VROM. In de laatste vergadering is het voorliggende eindrapport besproken en vastgesteld.

Bij de inhoudelijke bespreking heeft de commissie zich laten leiden door de volgende uitgangspunten:

  • Iedere keer te bedenken ‘wat het doel’ van de betreffende voorschriften is (‘memoriebank’);
  • Stil te staan bij onderscheid regels in het kader ‘algemeen belang’ versus ‘eigen belang’ (conform de OPB-toekomstvisie);
  • Ook oog te hebben voor (komende) Europese ontwikkelingen;
  • Zien te komen tot een conclusie van de commissie;
  • En vervolgens (waar nodig) zien te komen met een aanbeveling dan wel een concreet oplossingsvoorstel.

De commissie heeft zich met name gebogen over de volgende aspecten: de wijze waarop de subgebruiksfunctie voor kinderopvangvoorzieningen inhoud is gegeven, de samenhang tussen bouwtechnische en gebruiksvoorschriften, de samenhang tussen brandcompartimenten en subbrandcompartimenten, de aanpassingen met betrekking tot de borstwering, de voorgestelde aanpassingen voor liften (liftkooi, liftschacht en brandweerlift), de wijziging van de breedte van een vluchtdeur (mede i.r.t. de wijziging van de breedte van de vluchtroute), alsmede enkele andere kleinere punten.

Algemene conclusies De dereguleringscommissie is in de eerste plaats van mening dat de voorliggende wijziging van het Bouwbesluit 2003 bijdraagt aan deregulering (bijv. de onderwijsfunctie) en uniformering (bijv. de kinderdagverblijven) en aan de algemene wens om de technische bouwregelgeving gebruikvriendelijker en beter toepasbaar voor de praktijk te maken. Na doorvoering van deze wijziging zal immers het bestaan van lokaal verschillende regelgeving ten aanzien van kinderdagverblijven, die maar ten dele een relatie had met het Bouwbe-sluit 2003, tot de verleden tijd behoren. Het uniformeren van deze eisen zal zorgen voor meer eenduidigheid voor betrokkenen.

Maar ook minder in het oog springende onderdelen van deze wijzigingen, zoals de naadloze afstemming van de eisen ten aanzien van nooddeuren op die van het Arbeidsomstandighedenbesluit, is voor de praktijk van belang. Uit het EZ-project “aanpak strijdige regels” is immers gebleken dat (vermeende) tegenstrijdigheid van regelgeving voor betrokkenen het meest hinderlijk is omdat je dan niet weet waar je je aan moet houden én je bovendien onverwachts geconfronteerd kunt worden met ‘lastige’ toezichthouders’. Een bekende en in de praktijk voorkomende knellende situatie van een nooddeur die (vanwege het vluchten) naar buiten toe dient te draaien, maar op grond van het Bouwbesluit 2003 niet over een trottoir of fietspad mag draaien, zal na doorvoering van de onderhavige wijziging goeddeels tot de verleden tijd behoren. Dan is immers geregeld dat een nooddeur onder bepaalde voorwaarden over een trottoir of fietspad mag draaien. Ook de deregulering van specifieke eisen ten aanzien van de onderwijsfunctie is een goede zaak. Dit geeft scholen meer ruimte tot maatwerk, omdat men dan zelf kan afwegen of bepaalde specifieke voorzieningen al dan niet noodzakelijk zijn. De dereguleringscommissie acht het daarom wenselijk dat deze wijziging wordt ingevoerd, echter met in acht name van de navolgende kanttekeningen.

In de tweede plaats is naar voren gekomen dat een aantal punten van zorg de komende tijd nadere aandacht dan wel diepgaandere bestudering vergen. Voor deze punten van zorg geldt dat het in de ogen van de dereguleringscommissie verstandig is dat het JTC en OPB zich hier een oordeel over vellen aan de hand van de weergegeven bevindingen en aanbevelingen per item. Opgemerkt zij daarbij dat het voor het overgrote deel gaat om vraagstukken met een bredere context die reeds langer aanwezig zijn in het Bouwbesluit 2003 en en waar de huidige wijziging op voortborduurt. Vanuit de premisse dat aanscherping van regelgeving voor de nieuwbouw geen consequenties heeft voor de bestaande voorraad, kan voorliggende wijziging dan ook worden doorgevoerd, zonder dat eerst de brede context nader wordt uitgewerkt. Deze keuze laat uiteraard onverlet dat het van groot belang is en blijft om de bedoelde brede benadering bij de eerstkomende wijziging van het Bouwbesluit 2003, in de zgn “derde tranche”, ter hand te nemen en op te lossen.

Het gaat dan met name om de samenhang tussen brandcompartimenten en subbrandcompartimenten, het verschil met betrekking tot het vluchtconcept bij gebruiksfuncties waarin wordt geslapen en het verschil in eisen bij afscheidingen van vloeren, trappen en hellingbanen. In de aanbevelingen van de commissie komen deze onderwerpen terug. Betreffende onderwerpen zijn overigens niet nieuw. In genoemde BNA-brieven wordt immers al een aantal zaken aangegeven die de komende jaren (stapsgewijs) grondig aangepakt zouden moeten worden. VROM heeft dit in haar reactie in algemene zin omarmd en nader uitgewerkt in het plan het plan van aanpak “Bouwbesluit 2007 en volgende jaren”, dat in november 2004 aan de JTC is voorgelegd. Naast deregulering door vermindering van het aantal subgebruiksfuncties (wat bovendien de flexibiliteit van gebouwen vergroot) zal de komende jaren dus ook gewerkt moeten worden aan inhoudelijke verbeteringen van het Bouwbesluit 2003 gericht op consistentie, gebruiksvriendelijkheid en betere toepasbaarheid.

In de derde plaats is richting JTC en OPB aanbevolen een drietal onderwerpen nog voor de inwerkingtreding nog eens goed op z’n merites te bezien. Het betreft hier de wijzigingen ten aanzien van de liftschachten, de borstwering en de aanpassing ten aanzien van de breedte van een vluchtdeur inclusief vluchtroute.

In de vierde plaats kent het wijzigingsbesluit een aantal redactionele onvolkomenheden die naar het oordeel van de commissie niet bijdragen aan optimalisering van het Bouwbesluit 2003, eerder bijdragen aan het tegendeel en om die reden aanpassing behoeven. Verder is vastgesteld dat de toelichting niet altijd voldoende is toegesneden op de inhoud van de voorschriften en daarbij gemaakte nadere afspraken op aanpalende terreinen die mede van belang zijn om bijvoorbeeld de veiligheid voldoende te waarborgen.

Samengevat was de dereguleringscommissie Bouwbesluit 2003 van mening dat het wenselijk is de voorliggende wijziging van het Bouwbesluit 2003 in te voeren, mits verstandig wordt omgegaan met een enige onduidelijkheden in het wijzigingsbesluit en de aanbevelingen worden opgevolgd. Verder acht de dereguleringscommissie het van belang dat met voortvarendheid gewerkt gaat worden aan de eerstkomende wijziging van het Bouwbesluit 2003; oftewel de wijziging per 2007. De hoofdpunten van dit traject zijn reeds met JTC en OPB besproken. De dereguleringscommissie meent dat bij de verdere uitwerking gebruik gemaakt zou kunnen worden van haar analytische beschouwingen. Hiertoe heeft de dereguleringscommissie betreffende documenten overhandigd aan de voorzitter van de stuurgroep “Aansturing derde wijzigingspakket bouwregelgeving”.

Opmerking Nico Scholten

1 Dit laatste is niet het geval.

5.12.Besluit van 15 oktober 2005, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijziging met betrekking tot de aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt voor de woonfunctie en enkele andere wijzigingen)

De in dit besluit opgenomen correcties van het wijzigingsbesluit van 17 december 2004 zijn aanbevolen door de Dereguleringscommissie Bouwbesluit 2003.

Dit ontwerpbesluit is besproken in het OPB.

Het OPB heeft kennisgenomen van de hierboven genoemde brief van 23 mei jl. en realiseert zich dat politieke besluitvorming heeft plaatsgevonden. Het OPB is in meerderheid tegen aanscherping per 1 januari 2006.

5.13.Besluit van 10 maart 2006, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijzigingen in verband met de implementatie van de richtlijn tunnelveiligheid)

Het wijzigingsbesluit is voorbereid met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties (BZK) en met het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Voorts is het ontwerp-besluit besproken in het Interdepartementaal Overleg Bouwregelgeving (IOB), de Juridisch Technische Commissie (JTC) en het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB).

5.14.Besluit van 8 mei 2006, houdende hernieuwde vaststelling van de wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijziging met betrekking tot de aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt voor tot bewoning bestemde gebouwen en enkele andere wijzigingen) en tot wijziging van het Bouwbesluit 2003 als gevolg van de wijziging van de Wet luchtvaart inzake de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol (Stb. 2002, 374), Stb. 2006, 257.

Dit wijzigingsbesluit is niet voorgelegd aan het het Interdepartementaal Overleg Bouwregelgeving (IOB), de Juridisch Technische Commissie (JTC) en het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB).

5.15.Besluit van 20 oktober 2006, houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur aan de wet van 5 juli 2006 houdende wijziging Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase; Stb. 350), Stb. 2006, 586, 30 november 2006

Dit wijzigingsbesluit is voorgelegd aan het het Interdepartementaal Overleg Bouwregelgeving (IOB), de Juridisch Technische Commissie (JTC) en het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB). Er waren geen opmerkingen.

5.16.Besluit van 30 oktober 2007, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijziging met betrekking tot de CE-markeringen en kwaliteitsverklaringen), Stb. 2007, 439

Dit wijzigingsbesluit is niet voorgelegd aan het het Interdepartementaal Overleg Bouwregelgeving (IOB), de Juridisch Technische Commissie (JTC) en het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB).