Contact Service
2. Hoofdlijnen van het Bouwbesluit
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


2. Hoofdlijnen van het Bouwbesluit

2.1.Algemeen

In het onderhavige besluit zijn voorschriften gegeven voor het bouwen van woningen en woongebouwen, woonwagens en standplaatsen, niet tot bewoning bestemde gebouwen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voorts zijn voorschriften gegeven omtrent de technische staat van de hiervoor genoemde bouwwerken. Bij de voorschriften voor woningen zijn voor grote woningen afzonderlijke eisen gegeven. Dergelijke grote woningen zijn in de regel bedoeld voor de huisvesting van een groot aantal veelal individuele personen. Te denken valt in dit verband aan bijvoorbeeld gezinsvervangende tehuizen. Ook voor kleine woningen zijn specifieke voorschriften gegeven. Tot de niet tot bewoning bestemde gebouwen kunnen bijvoorbeeld worden gerekend logiesgebouwen, kantoorgebouwen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, bijeenkomstgebouwen, horecagebouwen, winkelgebouwen, sportgebouwen, industriegebouwen en stationsgebouwen. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn bijvoorbeeld viaducten, bruggen, e.d.. Met de introductie van het geconverteerde Bouwbesluit (januari 2003) is niet langer sprake van gebouwen en gebouwfuncties, maar van gebruiksfuncties.

2.1.1.Uitgangspunten voor de voorschriften

Het voorliggende besluit bevat de minimum bouwtechnische en woon- of inrichtingstechnische voorschriften waaraan een bouwwerk, publiekrechtelijk gezien, moet voldoen, wil, wat deze voorschriften betreft, voor het bouwen daarvan bouwvergunning kunnen worden verleend, alsmede de minimum voorschriften waaraan een bestaand bouwwerk moet voldoen. Bouwtechnische voorschriften zijn voorschriften die aangeven op welke wijze de constructie van een bouwwerk moet worden gemaakt en waaraan de daarin aangebrachte technische voorzieningen moeten voldoen. Tot deze voorschriften worden ook bouwfysische voorschriften en brandveiligheidsvoorschriften gerekend. De voorschriften met betrekking tot de energiezuinigheid behoren tot de bouwfysische eisen. De bouwtechnische voorschriften houden dan ook hoofdzakelijk verband met de veiligheid en de gezondheid van gebruikers van bouwwerken, alsmede met, wat gebouwen betreft, een zuinig gebruik van energie. Onder woon- of inrichtingstechnische voorschriften worden begrepen voorschriften die afmetingen respectievelijk oppervlakten van ruimten van gebouwen geven, alsmede voorschriften omtrent de situering en inrichting van die ruimten. Deze voorschriften hebben dan ook voornamelijk betrekking op de bruikbaarheid van een gebouw.

Gelet op het vorenstaande is in artikel 2 van de Woningwet bepaald dat de voorschriften van het onderhavige besluit moeten zijn te herleiden tot de uitgangspunten: veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu (duurzaam bouwen). In de wet is evenwel wat de toepasselijkheid van die uitgangspunten betreft onderscheid gemaakt in de aard van het bouwwerk. Zo zijn alle vijf uitgangspunten van toepassing op te bouwen gebouwen en gelden voor bestaande gebouwen alleen de uitgangspunten veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid. Voor de bestaande bouw zijn dan ook in het onderhavige besluit geen voorschriften uit het oogpunt van energiezuinigheid gegeven. Zoals in de memorie van toelichting bij de herziene Woningwet is vermeld, zou het, uit het oogpunt van verworven rechten, immers te ver gaan te vergen dat bijvoorbeeld bestaande woningen en woongebouwen aan dergelijke voorschriften voldoen. De voorschriften voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn, overeenkomstig artikel 2 van de Woningwet, beperkt gebleven tot de uitgangspunten veiligheid, gezondheid en milieu.

2.1.2.Herkomst van de voorschriften

Voor de in het onderhavige besluit gegeven voorschriften omtrent het bouwen van bouwwerken is uitgegaan van de technische bepalingen omtrent het bouwen van bouwwerken, vervat in de model-bouwverordening, zoals dat model luidde in augustus 1989.

De voorschriften voor te bouwen woonwagens zijn afgeleid van het Woonwagenreglement (Stb. 1970, 153) en van de Regeling geldelijke steun huurwoonwagens (Stcrt. 1989, 211). De voorschriften van laatstgenoemde regeling die was gebaseerd op de Wet geldelijke steun woonwagens (Stb. 1986, 264), zijn evenwel in belangrijke mate afgestemd op de voor woningen geldende technische eisen van de model-bouwverordening.

De voorschriften waaraan moet zijn voldaan bij het bouwen van een standplaats om daarop een woonwagen te kunnen plaatsen en geplaatst te kunnen houden, zijn afgeleid van het Besluit woonwagencentra (Stb. 1970, 152), de Regeling geldelijke steun standplaatsen voor woonwagens (Stcrt. 1989, 211) en van de Regeling geldelijke steun standplaatsen buiten een openbaar centrum voor woonwagens 1989 (Stcrt. 1989, 211).

Voor de voorschriften voor de bestaande bouw is daarentegen uitgegaan van de oudste in ons land bekende bouwvoorschriften van gemeentelijke of provinciale verordeningen, die krachtens de Woningwet van 1901 zijn gegeven. Daarbij is in beginsel gekozen voor de laagste eis die in de onderscheiden documenten ten aanzien van een bepaald onderwerp is gesteld. Reden hiervoor is dat uit het oogpunt van verworven rechten geen verdergaande eisen mogen worden gesteld dan die, welke golden op het moment waarop de bouwvergunning voor het desbetreffende bouwwerk werd verleend. Indien een hogere eis zou worden gesteld, wordt feitelijk gezien de grondslag voor het uitvaardigen van een aanschrijving wegens strijd met het onderhavige besluit verruimd, hetgeen uit het oogpunt van verworven rechten onrechtvaardig is. Het niveau dat destijds is geaccepteerd, kan nog juist uit het oogpunt van veiligheid als ondergrens worden geaccepteerd. Het vorenstaande betekent niet dat, wanneer het niveau van een voor de bestaande bouw geldend voorschrift nog niet wordt onderschreden, burgemeester en wethouders niet zouden kunnen aanschrijven tot het treffen van voorzieningen. In deze situatie bestaat er feitelijk strijd met de nieuwbouwvoorschriften en niet met de voor de bestaande bouw geldende voorschriften. De noodzaak van de te treffen voorzieningen zal in zo'n geval in de aanschrijving moeten zijn gemotiveerd. Een dergelijke noodzaak kan samenhangen met enerzijds het gebouw zelf, voortvloeiend uit bijvoorbeeld ervaringsgegevens met betrekking tot bijvoorbeeld brandonveilige situaties, of met omstandigheden die verband houden met de gebouwde omgeving. Van zo'n situatie kan ook sprake zijn wanneer het bouwwerk bij beschouwing van de voorschriften op zich zelf weliswaar niet in strijd is met de voorschriften voor de bestaande bouw, maar in samenhang met elkaar toch bijvoorbeeld een (brand)onveilige situatie oplevert.

De voorschriften voor bestaande woonwagens en standplaatsen zijn afgeleid van de voorschriften waaraan niet-gesubsidieerde woonwagens en standplaatsen in het verleden moesten voldoen om in aanmerking te komen voor een door gedeputeerde staten af te geven gebruiksvergunning, zijnde het Woonwagenreglement en het Besluit woonwagencentra.

In het onderhavige besluit zijn in tegenstelling tot hetgeen daaromtrent is gesteld in zowel het Actieprogramma deregulering (woning)bouwregelgeving als in de memorie van toelichting, behorende bij het voorstel van Wet tot herziening van de Woningwet, de in het Besluit schuilplaatsen bij de bouw van woningen 1968 gegeven voorschriften niet in het onderhavige besluit opgenomen. De reden hiervoor is dat, gelet op de internationale ontwikkelingen op het terrein van vrede en veiligheid en het daarmee samenhangende civiele verdedigingsbeleid met betrekking tot noodbestuurszetels, er niet langer aanleiding bestaat voor het bij de bouw van woningen creëren van schuilplaatsen uitsluitend met het oog op oorlogsomstandigheden. De in 1992 in het voormalige Besluit geluidwering gebouwen vervatte voorschriften zijn daarentegen in het onderhavige besluit verwerkt. Aangezien na de totstandkoming van het Actieprogramma deregulering (woning )bouwregelgeving het Besluit geluidwering gebouwen zodanig is gewijzigd dat ten behoeve van het beperken van geluidhinder in kantoorgebouwen een afzonderlijk besluit is genomen, het Besluit geluidwering kantoorgebouwen (Stb. 1989, 158), zijn de voorschriften van dat besluit eveneens in het onderhavige besluit opgenomen.

2.1.3.Het niveau van de voorschriften

Bouwbesluit (Stb. 1991, 680) Het niveau van de in het Bouwbesluit anno 1992 opgenomen voorschriften voor de nieuwbouw is, in vergelijking tot dat van de vergelijkbare voorschriften van de hiervoor genoemde documenten, in beginsel ongewijzigd gebleven. Ter uitvoering evenwel van het voornemen van enerzijds het regeerakkoord dat ten grondslag lag aan de totstandkoming van het eerste kabinet Lubbers, en anderzijds het Actieprogramma, zijn de technische voorschriften, in het bijzonder de woon of inrichtingstechnische voorschriften, waar mogelijk verminderd.

Ten einde te komen tot vermindering van overheidsbemoeienis met de inrichting van gebouwen ten aanzien waarvan thans in het algemeen in de gemeentelijke bouwverordening vooral voor woningen en woongebouwen gedetailleerde voorschriften zijn gegeven, is in het onderhavige besluit het beginsel van de "vrije indeelbaarheid" doorgevoerd. Dit hangt ook samen met het vergunningsvrij maken van een aantal bouwwerken. Hiermede is tegemoet gekomen aan de maatschappelijke behoefte aan grotere keuzevrijheid van gebruikers van gebouwen bij de technische inrichting van een gebouw. Dit is vooral van betekenis voor zich ontwikkelende veranderingen in de wooncultuur, zoals bijvoorbeeld wonen in groepsverband. Het beginsel van vrije indeelbaarheid betekent dat in de voorschriften voor bijvoorbeeld de woningbouw geen onderscheid meer is gemaakt tussen een slaapkamer, woonkamer of keuken, doch dat is uitgegaan van een verblijfsgebied waarbinnen de voor het wonen of de bestemming van het gebouw kenmerkende activiteiten kunnen plaatsvinden. Het gevolg van het vorenstaande is dat een bouwvergunning niet op het punt van de indeling van een gebouw door burgemeester en wethouders kan worden geweigerd, tenzij uit de aanvraag om die vergunning blijkt dat niet is voldaan aan de in dit besluit gestelde randvoorwaarden met betrekking tot onder meer geluidwering, luchtverversing en daglichttoetreding, die beogen te voorkomen dat vrije indeelbaarheid leidt tot een onveilige, ongezonde of volstrekt onbruikbare situatie. Deze randvoorwaarden zijn tot uitdrukking gebracht in de voorschriften waaraan een verblijfsgebied ten minste moet voldoen (zogeheten basiseisen). Praktisch gezien leidt dit ertoe dat na indeling van een verblijfsgebied in afzonderlijke ruimten, in elke verblijfsruimte een minimum aan geluidwering, luchtverversing en daglichttoetreding aanwezig is (zogeheten vangneteisen). Een en ander heeft uiteraard geen betrekking op de op grond van dit besluit verplicht te realiseren ruimten in een gebouw, zoals bijvoorbeeld bij een woning een toiletruimte, badruimte en een buiten de woning gelegen bergruimte.

Het beginsel van "vrije indeelbaarheid" is in de voorschriften voor de bestaande bouw evenwel niet tot uitdrukking gebracht. Dit, omdat op grond van de tot nu toe ingevolge de gemeentelijke bouwverordeningen geldende voorschriften, genoemd beginsel niet heeft gegolden. Bij de indiening van een aanvraag om bouwvergunning diende men uit te gaan van een ingedeeld gebouw. Met andere woorden, bij de bestaande bouw gaat het om een feitelijke situatie die moet worden beoordeeld. Het zou dan ook te ver voeren bestaande gebouwen onder dit nieuwe beginsel te brengen.

Ten einde te bewerkstelligen dat de uit de voorschriften voortvloeiende lasten zoveel mogelijk gelijkelijk zijn verdeeld over de bouwer en de (toekomstige) eigenaar van een aangrenzend perceel, zijn de voorschriften in beginsel zo geformuleerd dat bij het voldoen aan de voorschriften van dit besluit het te bouwen bouwwerk zodanige prestaties heeft, dat het mogelijk is op het aangrenzend perceel een identiek, op gelijke afstand van de perceelsgrens, doch spiegelsymmetrisch gelegen bouwwerk te bouwen zonder dat strijd met de voorschriften van dit besluit ontstaat. Dit staat bekend als het beginsel van "gelijke monniken gelijke kappen". Hiermee wordt voorkomen dat als gevolg van het realiseren van een bouwwerk aan burgers ongelijke mogelijkheden worden geboden.

Ter uitvoering van de notitie Duurzaam Bouwen die in het kader van het Nationaal Milieubeleidsplan is opgesteld (Kamerstukken II 1989/90, 21 137, nr. 23), is het niveau van de in het Bouwbesluit anno 1992 gegeven voorschriften met betrekking tot de geluidsisolatie en de thermische isolatie verhoogd. Deze verhogingen hebben respectievelijk betrekking op het verminderen van geluidhinder in gebouwen en het terugdringen van het gebruik van energie ten behoeve van vooral de verwarming van gebouwen. Op grond van het gestelde in het NMP2, het NMP-plus, de Nota energiebesparing, de Vervolgnota Energiebesparing en de notitie Duurzaam Bouwen zijn laatstbedoelde eisen bij het van kracht worden van het Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake energiebesparing verder aangescherpt.

Het niveau van de voorschriften voor bestaande bouwwerken is, zoals reeds is opgemerkt, hoofdzakelijk afgeleid van de oudste in ons land krachtens de Woningwet van 1901 voorkomende voorschriften. Het niveau van enkele voorschriften is evenwel, ondanks het beginsel van verworven rechten, tòch hoger gesteld dan in het verleden heeft gegolden. Dit, omdat dat hogere niveau uit het oogpunt van veiligheid of gezondheid noodzakelijk wordt geacht. Bij de afweging om toch een eis dan wel een hogere eis dan in het verleden te stellen, heeft ook het kostenaspect een rol gespeeld. Dat wil zeggen, dat steeds de vraag is gesteld of de uit het voldoen aan de eis voortvloeiende kosten redelijkerwijs ten laste mogen komen van de eigenaar van het bouwwerk zonder dat daarvoor vanwege de overheid geldelijke steun wordt verstrekt.

Voor de bepaling van het niveau van de voorschriften is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van resultaten van recent onderzoek. Zo is het niveau van de voorschriften anno 1992 die uit het oogpunt van bruikbaarheid voor woningen zijn gegeven, voornamelijk ontleend aan door DHV Raadgevend Ingenieursbureau opgestelde rapporten waarin voorstellen zijn neergelegd inzake de in het onderhavige besluit opgenomen woontechnische bepalingen. Deze rapporten zijn, mede naar aanleiding van door onder meer de Raad voor de Volkshuisvesting (RAVO) en de VNG ter zake gemaakte opmerkingen, in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer opgesteld. In dit verband zijn voorts vermeldingswaardig de door genoemd ingenieursbureau opgestelde rapporten inzake voorstellen met betrekking tot de toegankelijkheid van gebouwen. Deze rapporten zijn eveneens in opdracht van het ministerie tot stand gebracht. Aanleiding daarvoor waren de door de Tweede Kamer aangenomen motie-Terpstra/De Kok (Kamerstukken II 1985/86, 14 406, nr. 112), waarin werd gevraagd in het Bouwbesluit een algemene eis op te nemen ten aanzien van de toegankelijkheid van openbare gebouwen, en ter zake gemaakte opmerkingen door de Gehandicaptenraad (thans Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland) en de VNG.

Een en ander laat onverlet dat bij het opstellen van de voorschriften van dit besluit zoveel mogelijk terughoudendheid is betracht. Deze terughoudendheid vloeit voort uit het uitgangspunt dat in de voorschriften in beginsel slechts het op grond van de tot dan toe geldende voorschriften gevoerde beleid tot uitdrukking diende te worden gebracht. Daarbij heeft voorts het uitgangspunt van de budgettaire neutraliteit van de voorschriften een voorname rol gespeeld. Dit laatste uitgangspunt is om hiervoor reeds genoemde redenen ten aanzien van een drietal aspecten - geluidsisolatie, thermische isolatie en toegankelijkheid voor gehandicapten - in meer of mindere mate verlaten. Over het geheel beschouwd, zo blijkt uit onderzoek naar de kostenconsequenties van het besluit anno 1992, leidde het besluit echter niet of nauwelijks tot een toename van de bouwkosten. Hierbij wordt opgemerkt dat met het onderhavige besluit ook niet is beoogd het maatschappelijk gewenste kwaliteitsniveau van de woning- of utiliteitsbouw aan te geven. Integendeel zelfs, het marktmechanisme - vragers en aanbieders - zal daarin een nadrukkelijke rol moeten spelen. Die partijen zullen daar verantwoordelijkheid voor moeten dragen. Voor de sociale woningbouw behoeft het vorenstaande evenmin te leiden tot verlaging van het kwaliteitsniveau. Immers, met de door het Rijk destijds voor die bouw ter beschikking gestelde geldelijke steun kon een hoger kwaliteitsniveau worden gerealiseerd dan op grond van de voorschriften van het besluit publiekrechtelijk gezien verplicht was. Op welke wijze dat surplus aan geldelijke steun werd besteed, was derhalve voorbehouden aan verhuurders, zoals de toegelaten instellingen, en huurders.

Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake energieprestatie Met de invoering van de energieprestatiecoëfficiënt per 15 december 1995 is een nieuwe grootheid geïntroduceerd in de Nederlandse bouwregelgeving. Uit onderzoeken van DHV 'Kosteneffectstudie grenswaarde energieprestatiecoëfficiënt utiliteitsbouw', november 1994, en Bouwcentrum Advies bv 'Energieprestatie referentiewoningen", rapportnummer 17757, november 1994, is gebleken dat de energieprestatiecoëfficiënt van recentelijk onder het regime van het Bouwbesluit gerealiseerde gebouwen een grote spreiding vertoont. Dit is niet verwonderlijk, omdat het integrale energiebesparingsconcept tot op dat moment niet bekend was. De milieudoelstelling dwingt feitelijk tot een scherpe grenswaarde aan de energieprestatiecoëfficiënt ten einde een zo groot mogelijk percentage aan energiebesparing te realiseren. Gegeven de wijze van bouwen van destijds zou het stellen van een te scherpe grenswaarde waarmee die doelstelling direct werd geëffectueerd, de bouwkolom voor een te grote omschakeling plaatsen die niet verantwoord werd geacht. Om deze reden is er voor gekozen de energieprestatiecoëfficiënt zo te stellen dat een redelijke mate van verdergaande energiebesparing in de orde van 10 tot 20% werd gerealiseerd. De bouwkolom kon op die wijze aan deze nieuwe grootheid wennen zonder dat meteen sprake is van een verstrekkende aanpassing van de gekende bouwwijzen. Op termijn, als de bouwwereld gewend is aan de nieuwe grootheid en de consequenties op de gebouwde omgeving in zijn volle omvang bekend zijn, zou worden bezien of de grenswaarden verder zullen worden aangescherpt.

Bij de bepaling van de hoogte van de in het wijzigingsbesluit gegeven eisen is rekening gehouden met de technische haalbaarheid van mogelijke maatregelen, de kosten-batenverhouding (extra investeringskosten, inclusief onderhoud en verzekering, afgezet tegen te realiseren energiebesparing) en de gevolgen voor de rijksbegroting (extra beslag op individuele huursubsidie en de begroting voor de rijkshuisvesting) dan wel investeringskosten van beleggers en bedrijven.

De energieprestatiecoëfficiënt is een dimensieloze grootheid, zijnde het quotiënt van het karakteristiek energiegebruik van het gebouw en het toelaatbaar energiegebruik. Bij de bepaling van het karakteristieke energiegebruik is rekening gehouden met zowel het gebruik van fossiele brandstoffen als het elektriciteitsgebruik, beiden voor zover gerelateerd aan gebouwgebonden installaties. Bij de bepaling van het toelaatbaar energiegebruik is rekening gehouden met de bouwkundige praktijk van voor het van kracht worden van de energieprestatiecoëfficiënt. Het vorenstaande betekent dat indien de waarde van de energieprestatiecoëfficiënt lager is, de eis hoger is ofwel dat meer energie zal moeten worden bespaard.

Als gevolg van het geven van de in wijzigingsbesluit vervatte energiezuinigheidsvoorschriften zouden de huidige eisen met betrekking tot de warmteweerstand van scheidingsconstructies van een gebouw en de luchtdoorlatendheid van een gebouw in beginsel kunnen vervallen. Vanwege het feit dat het alsnog thermisch isoleren en luchtdicht maken van bestaande gebouwen kostbaar is, is er voor gekozen om de vigerende eisen ten aanzien van de thermische isolatie, met uitzondering van die met betrekking tot de thermische isolatie-index, en de luchtdoorlatendheid in grote lijnen te handhaven.

Besluit liften (Stb. 1996, 444) De wijziging van het Bouwbesluit, zijnde onderdeel van het Besluit liften (Stb. 1996, 444), is gebaseerd op de artikelen 2 en 120 van de Woningwet, en voorziet in de implementatie van de bouwkundige voorschriften van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake liften. Deze wijzigingen traden echter eerst op 1 juli 1997 in werking. De tot dat moment gegeven voorschriften voor liften, neergelegd in de artikelen:

a.8 en 180, voor zover het de verlichtingsinstallatie betreft;
b.17, 191, 237, 262 en 346, voor zover het de brandweerlift betreft;
c.31 en 202, voor zover het de voorziening voor luchtverversing betreft;
d.51 en 220, voor zover het de liftschacht betreft, en
e.52 en 221, voor zover het de liftmachineruimte betreft,

gaven reeds ten dele de op grond van de richtlijn liften te geven voorschriften. De wijziging voorzag in een aanvulling van deze voorschriften, opdat het Bouwbesluit alle technische voorschriften van bouwkundige aard bevat die op grond van de richtlijn moeten zijn gegeven.

Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake toegankelijkheid woningen en woongebouwen Dit besluit (Stb. 1997, 34) voorzag in wijziging van het Bouwbesluit, zoals aangekondigd in de brief van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 februari 1996 aan de Tweede kamer der Staten-Generaal inzake het ouderenbeleid/aanpasbaar bouwen (kamerstukken II, 1995/1996, 24 508, nr. 3). Deze wijziging geeft een minimum pakket aan eisen, verband houdend met aanpasbaar bouwen, voor nieuw te bouwen tot bewoning bestemde gebouwen. Deze eisen zijn gewenst in verband met de vergrijzing van onze bevolking en met het geschikt zijn of op eenvoudige wijze kunnen maken van tot bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van met name rolstoelgebruikers. Aanpasbaar bouwen heeft, nadat er enkele jaren mee is geëxperimenteerd, inmiddels goede navolging gevonden in de bouwpraktijk. Dit is gebleken uit onder meer de evaluatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de Woningwet en het Bouwbesluit. Om er voor te zorgen dat aanpasbaar bouwen integraal wordt toegepast, waardoor tegemoet wordt gekomen aan de maatschappelijke wens om integratie van de gehandicapte medemens ook in de bouwregelgeving meer gestalte te geven, is besloten het Bouwbesluit aan te vullen.

Deze aanvulling had betrekking op:

  • de opstap naar voor- en balkondeuren;
  • de aanwezigheid van een lift c.q de mogelijkheid om achteraf eenvoudig een lift te plaatsen;
  • de vrije vloeroppervlakte (=draaicirkel) in (gemeenschappelijke) verkeersruimten, waaronder direct achter de voordeur;
  • de vrije doorgang van binnendeuren op de woon- en slaapverdieping, en
  • de afmetingen van de toiletruimte.

Het Bouwbesluit bevat voorschriften voor bouwwerken, zoals gebouwen. Op grond daarvan kunnen daarom slechts voorschriften worden gegeven die hun uitwerking hebben op het gebouw zelf, gegeven het aansluitende terrein op het moment van bouwen. Voorschriften die betrekking hebben op de toegankelijkheid van het op het gebouw aansluitende terrein moeten volgens artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van Woningwet regeling krijgen in de gemeentelijke bouwverordening. Een dergelijke regeling dient complementair te zijn aan de voorschriften van het Bouwbesluit. De natuurlijke gesteldheid van de bodem kan, met name in veengebieden, invloed hebben op de handhaving van het maximaal vereiste hoogteverschil ter plaatse van de voordeur en het aan het gebouw aansluitende terrein. Dit mag echter geen aanleiding zijn om voor die gebieden een regeling te treffen dat aan het vereiste maximaal toelaatbare hoogteverschil niet behoeft te zijn voldaan. Ook in die gebieden moeten ouderen en rolstoelgebruikers kunnen (blijven) wonen. Een bouwplan zal dan ook met die omstandigheid rekening moeten houden. Mocht na verloop van tijd dat hoogteverschil door die natuurlijke bodemgesteldheid groter zijn geworden, dan kunnen burgemeester en wethouders, al dan niet op klacht van belanghebbende, op grond van artikel 14 van de Woningwet de eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aanschrijven tot het treffen van voorzieningen, opdat weer aan de desbetreffende eis(en) van het Bouwbesluit wordt voldaan.

Het Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake toegankelijkheid van woningen en woongebouwen voorzag tevens in enkele juridische verbeteringen van voorschriften van het Bouwbesluit die in de praktijk onduidelijkheden opleverden. Het ging hierbij in het bijzonder om voorschriften die uit het oogpunt van brandveiligheid zijn gesteld.

Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit (aanscherping energieprestatiecoëfficiënt voor woningen en woongebouwen 1998) Dit besluit voorzag in uitvoering van de voorgenomen aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt (epc) voor tot bewoning bestemde gebouwen, zoals aangekondigd in het Plan van aanpak duurzaam bouwen (kamerstukken II, 1995/1996, nr. 24 280).

De aanscherping van de epc is gericht op het verder terugdringen van het energieverbruik (gas en elektriciteit) dat voor verwarming, mechanische ventilatie, warmtapwatergebruik, koeling, bevochtiging en verlichting van een woning of woongebouw nodig is. Hiermee wordt een verder gaande bijdrage geleverd aan het zuinig omgaan met de voorraad fossiele brandstoffen ten behoeve van een duurzame ontwikkeling. De aanscherping van de epc draagt ook bij aan het verder terugdringen van de CO2-uitstoot. Met de aanscherping van de epc wordt tevens (gedeeltelijk) uitvoering gegeven aan de aanbevelingen van richtlijn nr. 93/76/EEG van 13 september 1993 van de Raad van de Europese Gemeenschappen tot beperking van kooldioxide emissies door verbetering van de energie-efficiëntie (PbEG L 237). Deze richtlijn is vastgesteld in het kader van het SAVE-programma. De richtlijn "verplicht" de lidstaten onder meer tot programma's ter beperking van het energiegebruik voor warmtapwater. Deze richtlijn leidt tevens tot thermische isolatie van nieuwe gebouwen.

Met de invoering van de epc in december 1995 is een nieuwe grootheid geïntroduceerd in de Nederlandse bouwregelgeving. Zoals gebruikelijk na de invoering van nieuwe regelgeving, is ook de introductie en de toepassing van de epc geëvalueerd. Met het evaluatie-onderzoek is beoogd inzicht te verkrijgen in zowel de feitelijke gang van zaken als de wijze waarop energieprestatienormering door de bouwparticipanten wordt ervaren. Daartoe is onderzoek verricht. Dat onderzoek bestond uit een uitgebreide schriftelijke enquête onder de bouwparticipanten en een uit dossieronderzoek naar verleende bouwvergunningen. Verder is bronnenonderzoek verricht naar onder andere de vervaardiging en afzet van energiezuinige bouwproducten. Het evaluatie-onderzoek is uitgevoerd door BBB Bestuurs- en beleidsadviezen bv in samenwerking met Pro Communicatie bv en DHV. Het onderzoeksplan is geschreven door Climatic Design Consultants, TNO Bouw en DGMR raadgevende ingenieurs, welke partijen ook zeer nauw waren betrokken bij de normbladen NEN 2916 en NEN 5128. Deze normbladen bevatten de bepalingsmethoden ter vaststelling van de energieprestatiecoëfficiënt. De resultaten van het onderzoek, neergelegd in het BBB eindrapport Evaluatie energieprestatienormering (juni 1997), laten indicatief zien dat:

a.de implementatie van de energieprestatiecoëfficiënt als voldoende geslaagd mag worden beschouwd;
b.er brede steun bestaat voor het onderwerp energiebesparing;
c.de inspanning die moet worden gepleegd om aan te tonen dat een bouwplan aan de epc voldoet in redelijke verhouding staat tot het beoogde doel;
d.de bepalingsmethode, neergelegd in het normblad NEN 5128, toereikend is voor de aanscherping van de epc voor woningen en woongebouwen naar 1,2. Wel wordt het wenselijk geacht de bepalingsmethoden beter af te stemmen op de huidige technologische ontwikkelingen.

Tenslotte werd nog gewezen op het feit dat de praktijk destijds reeds veelvuldig een lagere epc realiseerde, omdat uitvoering werd gegeven aan het Nationaal pakket Duurzaam Bouwen Woningbouw. Dat pakket kende als vaste maatregel de realisatie van een epc van 1,3. De omstandigheid dat de diverse innovatieve ontwikkelingen nog niet in de normbladen waren verwerkt, was niet als een overwegend bezwaar aan te merken, omdat op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel van het Bouwbesluit deze ontwikkelingen gehonoreerd konden worden.

Voor woningen en woongebouwen is aan de hand van een viertal referentiewoningen en twee referentie-woongebouwen nagegaan welke financiële consequenties de aanscherping van de epc heeft (PRC Bouwcentrum bv rapport "Kostenconsequenties aanscherping vereiste epc voor woningen van 1,4 naar 1,2", juni 1997). Uit de resultaten van de uitgevoerde berekeningen blijkt dat een epc van 1,2 of minder voor alle onderzochte woningtypen (met verschillende combinaties van energiebesparende maatregelen) gerealiseerd kan worden. Van de onderzochte woningen varieerden de meerkosten van vijf van de zes woningtypen tussen de ƒ 965,- en ƒ 1.860,-. Voorts is becijferd dat het effect op de woonlasten voor de onderzochte woningen varieerde van een besparing van ƒ 50,- per jaar tot een verzwaring van ƒ 16,- per jaar. Voor onderzochte etageflats kwamen echter sterk afwijkende cijfers naar voren. Het ging hier om een meerinvestering van ƒ 6.380,- per woning resulterend in extra woonlasten van ƒ 652,- per jaar. De in dit onderzoek betrokken etageflat was qua ontwerp in relatie tot energiebesparing zeker niet optimaal. Bij het ontwerpen van dit soort woongebouwen zal in het vervolg extra aandacht moeten worden besteed aan de invloed van het ontwerp op de te nemen energiebesparende maatregelen.

De aangescherpte epc, leidde tot een energiebesparing van 10-15% ten opzichte van het huidige niveau aan energieverbruik. De kosten-batenverhouding tussen enerzijds de toename van de bouwkosten en anderzijds de verlaging van de energielasten was, gegeven het feit dat de kosten in tien jaar worden terugverdiend, acceptabel te noemen. De hiervoor genoemde energiebesparingspercentages zijn berekend aan de hand van gebouwgebonden kenmerken bij een genormeerd gebruik van die gebouwen. In werkelijkheid is het energiegebruik niet alleen afhankelijk van gebouwgebonden kenmerken, maar ook van het gebruikersgedrag, zoals het omgaan met bijvoorbeeld gebouwgebonden installaties en het open laten staan van ramen en deuren. Per woning, niet gelegen in een woongebouw, of woongebouw zal daarom de werkelijke energiebesparing verschillen. In het gememoreerde onderzoeksrapport is een vergelijking gemaakt tussen het energiegebruik van gebouwen die voldoen aan de vigerende regelgeving en het energiegebruik van diezelfde gebouwen, maar dan bouwtechnisch aangepast aan het onderhavige besluit. Omdat voor beide situaties is uitgegaan van een identiek, genormeerd gebruikersgedrag, zoals dat aan NEN 5128 ten grondslag ligt, zijn genoemde besparingspercentages als reële verwachting te beschouwen.

Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer en enige dubo-maatregelen

Algemeen Dit besluit voorziet in een wijziging van het Bouwbesluit. Het geeft minimum eisen aan de karakteristieke geluidwering van nieuw te bouwen en te verbouwen woningen en gezondheidszorggebouwen, verband houdend met structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer. Verder geeft het uitvoering aan enige duurzaam bouwen maatregelen, zoals aangekondigd in het Plan van aanpak duurzaam bouwen (kamerstukken II 1994/95, nr. 24 280, nr. 1). Tevens is in onderdeel F van het wijzigingsbesluit een wijziging terzake van de reparatie van de integrale toegankelijkheid opgenomen.

In artikel 25, vijfde lid, van de Luchtvaartwet is bepaald dat in verband met structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer bij of krachtens algemene maatregel van bestuur krachtens de Luchtvaartwet of de Woningwet voorschriften worden gegeven met betrekking tot de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een te bouwen woning of een te bouwen gezondheidszorggebouw, voor zover die constructie de scheiding vormt van een verblijfsgebied/ ruimte, bestemd voor het slapen, met de buitenlucht. Mede gelet op artikel 5 van de Woningwet, waarin is bepaald dat het krachtens die wet genomen Bouwbesluit in overeenstemming wordt gebracht met technische voorschriften die krachtens andere wetten dan de Woningwet zijn of worden gegeven, is er voor gekozen de hiervoor bedoelde geluidweringseisen rechtstreeks op te nemen in het Bouwbesluit.

In het Plan van aanpak duurzaam bouwen is aangegeven dat bepaalde, in het Bouwbesluit gegeven inrichtingseisen van sanitaire ruimten alsmede het vereiste van een aanrecht zullen worden geschrapt. Daarnaast is aangegeven dat ter bevordering van het gescheiden kunnen inzamelen van huishoudelijk afval voor te bouwen woongebouwen aanvullende technische eisen zullen worden gegeven.

Structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer

Nieuwbouw Het Bouwbesluit is het geëigende instrument voor het geven van technische voorschriften. Het Bouwbesluit van destijds kende voor nieuw te bouwen woningen en andere niet tot bewoning bestemde geluidsgevoelige gebouwen in de hoofdstukken II en VI reeds technische voorschriften voor de wering van geluid van buiten, waaronder ook dat van vliegtuiggeluid. Deze voorschriften waren mede afgestemd op het beginsel van vrije indeelbaarheid dat aan de voorschriften van het Bouwbesluit ten grondslag ligt. Om te voorkomen dat de bouwwereld met verschillende eisen voor de wering van geluid van buiten wordt geconfronteerd, is onderzoek uitgevoerd om te bezien of de voorschriften van artikel 25 van de Luchtvaartwet inzake structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer in zodanige technische voorschriften konden worden gegeven dat werd aangesloten op de systematiek van de vigerende voorschriften tegen geluid van buiten, zoals neergelegd in de artikelen 22 en 194 van het Bouwbesluit in verbinding met NEN 5077. De resultaten van dat onderzoek zijn beschreven in het TNO Bouw rapport 96 CBO R0320.

Bestaande bouw Het destijds vigerende Bouwbesluit noch het wijzigingsbesluit stelde geluidweringseisen in verband met de wering van geluid van buiten voor bestaande woningen, woongebouwen en bestaande niet tot bewoning bestemde gebouwen. Dit houdt verband met de omstandigheid dat in het verleden dergelijke eisen niet hebben gegolden. Het zou dan ook, gelet op het beginsel van verworven rechten, niet redelijk zijn om eigenaren van bestaande gebouwen alsnog te dwingen op hun kosten geluidwerende voorzieningen aan hun eigendommen te treffen. Daarom voorziet het wijzigingsbesluit ook niet in eisen met betrekking tot de wering van geluid van buiten in verband met structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer.

Verbouw van bestaande geluidsgevoelige gebouwen Omdat verbouwen volgens de definitie van "bouwen", zoals neergelegd in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet gelijk staat aan bouwen, voorziet het Bouwbesluit in een regeling dat burgemeester en wethouders in dat geval ontheffing kunnen verlenen van de nieuwbouw-eisen. Zou dat niet zijn gebeurd, dan zouden bij het verbouwen, waaronder begrepen het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen, de nieuwbouw-eisen ter zake gelden. Het opleggen van de nieuwbouw-eisen met betrekking tot de wering van geluid, zal in de regel niet leiden tot een situatie dat de kosten ervan in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten. Het verlangen van het nieuwbouwniveau bij het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen wordt dan ook niet als redelijk beschouwd. Derhalve is voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen een specifiek ontheffingsniveau gegeven in paragraaf 1.5 in verbinding met afdeling 3.1 van het Bouwbesluit 2003. Voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen in de omgeving van binnenlandse luchtvaartterreinen is in het onderhavige besluit echter een afwijkend specifiek ontheffingsniveau opgenomen. Dit ontheffingsniveau sluit aan bij het niveau, zoals neergelegd in de RGV'97. Bij dit niveau is evenwel rekening gehouden met de systematiek van het Bouwbesluit 2003 met betrekking tot het onderscheid tussen een verblijfsgebied en een verblijfsruimte. Het gaat bij het specifieke ontheffingsniveau immers om een geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, terwijl het in afdeling 3.1 gaat om de karakteristieke geluidwering van een verblijfsgebied respectievelijk verblijfsruimte. Dit laatste heeft op grond van het gestelde in artikel 25, vijfde lid, van de Luchtvaartwet regeling gekregen met de bijbehorende grenswaarde, vastgelegd in artikel 25, vierde lid, van die wet.

Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 De RGV'97 is een krachtens artikel 26b van de Luchtvaartwet door de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Defensie in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gegeven ministeriële regeling. Deze regeling bevat voorschriften inzake het op kosten van het Rijk aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan bestaande geluidsgevoelige bebouwing, gelegen binnen geluidszones rond luchtvaartterreinen, ter beperking van geluidhinder die bewoners en gebruikers van dergelijke bebouwing ondervinden door luchtvaartgeluid. Krachtens de Wet geluidhinder zijn vergelijkbare regelingen getroffen voor het saneren van geluidsgevoelige bebouwing in geluidszones rondom onder meer buitenlandse luchtvaartterreinen en rondom wegen.

Als uitgangspunt voor de eisen van het wijzigingsbesluit voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan bestaande woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen, die zijn gelegen binnen geluidszones rond luchtvaartterreinen, is de RGV'97 genomen. In het kader van de Ke-normering zijn in de RGV'97, afhankelijk van de geluidsbelasting in Ke, de geluidweringseisen opgenomen waaraan de uitwendige scheidingsconstructie moet voldoen. In het kader van de nachtnorm is in de RGV'97 bepaald dat de kwaliteit van de uitwendige scheidingsconstructie zodanig moet zijn dat wordt voldaan aan de in artikel 25, vierde lid, van de Luchtvaartwet gegeven eis van L Aeq 26 dB(A). De RGV'97 bevat verder de voorwaarden waaronder wordt overgegaan tot het vanwege het Rijk aanbrengen van geluidwerende voorzieningen, de procedure die daarbij gevolgd moet worden en de wijze waarop de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie in het kader van zowel Ke-isolatie als L Aeq-isolatie wordt bepaald.

Het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen is, zoals reeds gesteld, aan te merken als "bouwen" in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet. Het gaat immers om het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een bouwwerk. Daar zijn, mede gelet op artikel 4 van de Woningwet, in beginsel de nieuwbouwvoorschriften op van toepassing. Op grond van artikel 6 van de Woningwet is in het wijzigngsbesluit voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan bestaande geluidsgevoelige bebouwing binnen geluidszones rond luchtvaartterreinen bepaald dat met betrekking tot de hoogte van de geluidweringseis (Ke-isolatie) en de eis ingevolge de nachtnorm (L Aeq-isolatie) burgemeester en wethouders verplicht zijn vrijstelling te verlenen van de nieuwbouweisen van afdeling 3.1 tot het niveau als voorzien in die afdeling van het Bouwbesluit 2003, zoals destijds gewijzigd bij het wijzigingsbesluit. Dat niveau is ontleend aan de RGV'97. Hierdoor ontstaat voor zowel het vrijwillig aanbrengen van geluidwerende voorzieningen als het vanwege het Rijk aanbrengen van geluidwerende voorzieningen, verband houdend met luchtvaartgeluid een vergelijkbare regeling.

Plan van aanpak duurzaam bouwen

Aanrecht en sanitair In het Plan van aanpak duurzaam bouwen is aangegeven dat de voorschriften, gegeven in het Bouwbesluit, met betrekking tot de aanwezigheid van een aanrecht van bepaalde afmetingen en met betrekking tot de inrichting van sanitaire ruimten (badruimte en toiletruimte) zoveel mogelijk zullen komen te vervallen. Daarmee wordt de situatie bevorderd dat de gebruiker van het gebouw zelf dergelijke voorzieningen aanschaft en (laat) installeren. Bij die aanschaf kan de gebruiker van het gebouw dan optimaal rekening houden met zijn eigen wensen. Daarmee wordt voorkomen dat kort na realisatie van een bouwwerk een aanrecht of het sanitair wordt vervangen door een andere aanrecht of ander sanitair dat beter aansluit op de wensen van de gebruiker. Kortom er zal minder een beroep worden gedaan op eindige grondstoffen en er zal minder bouw- en sloopafval ontstaan. Gegeven de systematiek van het Bouwbesluit zijn die voorschriften voor zowel de nieuwbouw als de bestaande bouw vervallen. Immers, in het geval de voorschriften voor de bestaande bouw zouden zijn gehandhaafd, zou de figuur zijn ontstaan dat bouwvergunning is verleend maar dat op het moment van gereedmelding meteen een aanschrijving op grond van de artikelen 14 of 17 van de Woningwet zou kunnen worden uitgevaardigd, omdat het gerealiseerde gebouw dan niet voldoet aan de desbetreffende eisen voor de bestaande bouw. Gemeenten kunnen ongewenste situaties voorkomen door op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Woningwet in de gemeentelijke bouwverordening een gebruiksvoorschrift op te nemen met de strekking dat een woning of een ander gebouw niet mag worden gebruikt indien daarin op geëigende plaatsen een aanrecht of sanitair ontbreekt. Deze bepaling heeft ook zijn doorwerking voor het aanschrijvingsbeleid, omdat de gebruiksvoorschriften van de gemeentelijke bouwverordening in de artikelen 14 en 17 van de Woningwet mede aanschrijvingsgrondslag is. Wanneer een dergelijk voorschrift in de gemeentelijke bouwverordening ontbreekt, kan de gemeente tegen misstanden optreden door middel van het uitvaardigen van een aanschrijving uit andere hoofde als bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, of 17, eerste lid, van de Woningwet. Bedacht moet echter wel worden dat op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit dergelijke voorschriften gewoon wel gelden, zodat in veel gebouwen dergelijke voorzieningen bij het bouwen gewoon moeten worden aangebracht.

GFT-afval In het Plan van aanpak duurzaam bouwen is aangegeven dat in met name de grotere woongebouwen het gescheiden inzamelen van huishoudelijk afval wordt belemmerd, omdat de containers waarin de opslag plaatsvindt, niet in het woongebouw kunnen worden geplaatst zonder dat er sprake is van (ernstige) overlast. Onderzoek is uitgevoerd om te komen tot technische voorschriften waarmee deze belemmeringen worden weggenomen. De resultaten van dit onderzoek zijn beschreven in het TNO Bouw rapport 94 BKR R1022 uit 1994 en meer gespecificeerd in bijlage 4 van dat rapport. Uit dat onderzoek blijkt voorts dat voor andere gebouwen dan woongebouwen geen technische voorschriften behoeven te worden gegeven om in een effectieve scheiding van GFT-afval te voorzien. In het wijzigingsbesluit zijn deze voorschriften geconcretiseerd, zij het dat een deel van deze voorschriften op verzoek van het Overlegplatform bouwregelgeving functioneel is geredigeerd.

Besluit houden wijziging van het Bouwbesluit inzake inbraakwerend hang- en sluitwerk Met deze wijziging stelt het Bouwbesluit eisen waaraan gevelelementen van nieuw te bouwen woningen en woongebouwen moeten voldoen met het oog op het voorkomen van inbraak. Met dit besluit wordt uitvoering gegeven aan de gewijzigde motie Van Heemst (kamerstukken 1995/96, 24 400 VI nr. 28). Een essentiële overweging voor deze motie was dat hoogwaardig hang- en sluitwerk preventief werkt ten aanzien van inbraak en daarmee de veiligheid bevordert. In de motie werd voorts overwogen dat ondermeer door verzekeraars een certificeringsregeling is opgesteld, waarin kwaliteitsniveaus van inbraak- en diefstalbeveiliging zijn vastgelegd. Een van de oogmerken van de motie is verder dat de bewoners van woningen, waar zulk hang- en sluitwerk is aangebracht kunnen profiteren van eventuele door verzekeraars te verstrekken kortingen op de inboedelverzekering.

Onderzoek Ter uitvoering van de motie is door PRC Bouwcentrum onderzocht of het op korte termijn mogelijk zou zijn om voorschriften terzake van inbraakwerendheid in het Bouwbesluit op te nemen. Het rapport "Inbraakwerendheid woningen", onderzoek naar de haalbaarheid en kostenconsequenties van het opnemen van een prestatie-eis in het Bouwbesluit (PRC Bouwcentrum, 15 juli 1997), laat zien dat het uitsluitend aanbrengen van inbraakwerend hang- en sluitwerk niet in alle gevallen tot de gewenste mate van inbraakwerendheid leidt. De inbraakwerendheid wordt namelijk mede bepaald door de inrichting van de woonomgeving en door de degelijkheid van de kozijnen waarop inbraakwerend hang- en sluitwerk is aangebracht. Gezien de omstandigheid dat voor bestaande bouw het treffen van inbraakwerende voorzieningen tot relatief hoge kosten kan leiden -ook wanneer deze bestaande bouw niet is gelegen in risicogebieden- is geadviseerd de eisen van inbraakwerendheid vooralsnog uitsluitend te betrekken op nieuw te bouwen woningen of woongebouwen. Hierbij is ook meegewogen dat bij de bestaande bouw een veilige woonomgeving wordt bevorderd door het Politiekeurmerk Veilig Wonen. Uitgangspunt bij de beoordeling van de inbraakwerendheid in het kader van dit keur is niet alleen de kwaliteit van het hang- en sluitwerk, maar ook de weerstand die het totale element gedurende een bepaalde tijd moet kunnen bieden aan de algemeen gebruikelijke werkwijzes van inbrekers. Een belangrijke conclusie uit het onderzoek is dat bij wijziging van het Bouwbesluit zo dicht mogelijk bij het niveau van het genoemde Politiekeurmerk veilig wonen moet worden gebleven. Overigens wordt opgemerkt dat in dit keur ook aandacht aan de woonomgeving wordt besteed. De inrichting van de woonomgeving is echter geen onderwerp van regeling in het Bouwbesluit. Omdat het bij het ontwerp van nieuwbouw echter steeds meer gebruikelijk is om bij de inrichting van de woonomgeving rekening te houden met veiligheidsaspecten, wordt ook op dat onderdeel goed aangesloten op het Politiekeurmerk Veilig Wonen.

Voorts is gebleken dat met een beperkte aanpassing van de bestaande NEN-normbladen een prestatie eis terzake van inbraakwerendheid in het Bouwbesluit kan worden opgenomen.

Niveau van inbraakwerendheid Bij de bepaling van het niveau van inbraakwerendheid is rekening gehouden met een aantal variabelen, waaronder het type woning en de bereikbaarheid van de gevelelementen voor inbrekers. Uit oogpunt van kosten is het immers -zoals ook in het hierboven aangehaalde onderzoek gesteld- weinig zinvol eisen van inbraakwerendheid te stellen aan gevelelementen die nagenoeg onbereikbaar zijn.

Uit een kosten-analyse voor de verschillende klassen inbraakwerendheid als bedoeld in NEN 5096 blijkt dat klasse 2 in principe kostenneutraal te realiseren is. Het voorschrijven van een hogere klasse leidt al snel tot een veelvoud aan kosten. Uitgangspunt bij klasse 2 is dat een gelegenheidsinbreker met gebruikelijk gereedschap (o.a. schroevedraaier) ten minste 3 minuten nodig heeft om in de woning in te breken. Klasse 2 is te vergelijken met het kwaliteitsniveau zoals dit voortvloeit uit het Politiekeurmerk Veilig Wonen.

Premiekorting en woonlasten De kosten van inbraakwerende voorzieningen volgens klasse 2 bedragen voor:

  • Eenvoudige woningtypen : ca ƒ 200,-- tot ƒ 400,-- per woning (sociale sector)
  • 2 onder één kap, vrijstaand : ca ƒ 500,-- tot ƒ 900,-- per woning

Deze investering leidt voor de sociale sector tot een stijging van de woonlasten van ca ƒ 12,-- tot ƒ 22,-- per jaar. Uit gegevens van het Verbond van Verzekeraars blijkt dat de gemiddelde inboedelverzekering in Nederland ƒ 200,-- per polis per jaar bedraagt. De korting die op de premie wordt gegeven bij het Politiekeurmerk Veilig Wonen is gemiddeld ƒ 15,-- a ƒ 30,-- per jaar. Daar klasse 2 met dit keur gelijk te stellen is, mag redelijkerwijs worden aangenomen dat deze korting hier ook zal gelden. Hierbij moet worden aangetekend dat de hierboven genoemde kostenneutraliteit voor sociale verhuurders niet altijd zal optreden aangezien zij niet in alle gevallen de er kosten zullen doorberekenen in de huur. Voor de vrije sector zijn moeilijk algemene uitspraken over de mogelijke premiekorting te doen, gezien de grote variatie in inboedelverzekeringen die hier geldt en de omstandigheid dat reeds op ruime schaal hoogwaardig inbraakwerend hang- en sluitwerk wordt toegepast.

Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit aanscherping energieprestatiecoëfficiënt niet tot bewoning bestemde gebouwen Dit besluit voorzag in uitvoering van de voorgenomen aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt (epc) voor niet tot bewoning bestemde gebouwen, zoals aangekondigd in het Plan van aanpak duurzaam bouwen, deelplan Utiliteitsbouw (kamerstukken II 1996/97, 24280, nr. 11).

De aanscherping van de epc was gericht op het verder terugdringen van het energieverbruik (gas en elektriciteit) dat voor verwarming, mechanische ventilatie, warmtapwatergebruik, koeling, bevochtiging en verlichting van een utiliteitsgebouw nodig is. Hiermee werd een verdergaande bijdrage geleverd aan het zuinig omgaan met de voorraad fossiele brandstoffen ten behoeve van een duurzame ontwikkeling. De aanscherping van de epc draagt ook bij aan het verder terugdringen van de CO2-uitstoot. Met de aanscherping van de epc werd tevens (gedeeltelijk) uitvoering gegeven aan de aanbevelingen van de richtlijn nr. 93/76/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 september 1993 (PbEG L237) tot beperking van kooldioxide emissies door verbetering van de energie-efficiëntie. Deze richtlijn is vastgesteld in het kader van het SAVE-programma. De richtlijn "verplicht" de lidstaten onder meer tot programma's ter beperking van het energiegebruik voor warmtapwater. Deze richtlijn leidt tevens tot thermische isolatie van nieuwe gebouwen.

Evaluatie van de epc Met de invoering van de epc in december 1995 is een nieuwe grootheid geïntroduceerd in de Nederlandse bouwregelgeving. Zoals gebruikelijk na de invoering van nieuwe regelgeving, is ook de introductie en de toepassing van de epc geëvalueerd. Met het evaluatie-onderzoek is beoogd inzicht te verkrijgen in zowel de feitelijke gang van zaken als de wijze waarop energieprestatienormering door de bouwparticipanten wordt ervaren. Daartoe is onderzoek verricht. Dat onderzoek bestond uit een uitgebreide schriftelijke enquête onder de bouwparticipanten en een uit dossieronderzoek naar verleende bouwvergunningen. Verder is bronnenonderzoek verricht naar onder andere de vervaardiging en afzet van energiezuinige bouwproducten. Het evaluatie-onderzoek is uitgevoerd door BBB Bestuurs- en beleidsadviezen bv in samenwerking met Pro Communicatie bv en DHV. Het onderzoeksplan is geschreven door Climatic Design Consultants, TNO Bouw en DGMR raadgevende ingenieurs, welke partijen ook zeer nauw waren betrokken bij de normbladen NEN 2916 en NEN 5128. Deze normbladen bevatten de bepalingsmethoden ter vaststelling van de energieprestatiecoëfficiënt. De resultaten van het onderzoek, neergelegd in het BBB eindrapport "Evaluatie energieprestatienormering" (juni 1997), laten indicatief zien dat:

a.de implementatie van de energieprestatiecoëfficiënt als voldoende geslaagd mag worden beschouwd;
b.er brede steun bestaat voor het onderwerp energiebesparing;
c.de inspanning die moet worden gepleegd om aan te tonen dat een bouwplan aan de epc voldoet in redelijke verhouding staat tot het beoogde doel;

Plan van aanpak duurzaam bouwen In het Plan van aanpak Duurzaam bouwen, Deelplan Utiliteitsbouw (Tweede Kamer 1996/97, 24280 nr. 11) is de aanscherping van de energiebesparingscoëfficient voor niet tot bewoning bestemde gebouwen aangekondigd. Met betrekking tot de beoogde energiebesparing wordt daarin gesteld, dat het de bedoeling is dat met deze aanscherping opnieuw ten minste zo'n 10 tot 15% energie kan worden bespaard, mits dit technisch en economisch haalbaar en aanvaardbaar is. De technische en economische haalbaarheid zijn onderzocht.

Vaststellen van de aangescherpte grenswaarden De aangescherpte grenswaarden zijn bepaald op basis van het door DHV opgestelde rapport "Onderzoek grenswaarden utiliteitsbouw" (februari 1998). Hierbij zijn de volgende randvoorwaarden gehanteerd:

  • economische haalbaarheid: de kosten van de maatregelen dienen in redelijke verhouding te staan tot de baten van de energiebesparing;
  • technische haalbaarheid: de technieken om tot deze energiebesparing te komen dienen goed bruikbaar te zijn, er dient voldoende ervaring mee opgedaan te zijn en ze moeten gemakkelijk verkrijgbaar zijn;
  • de technieken dienen in principe deel uit te maken van de berekeningsmethode NEN 2916;
  • functionele haalbaarheid: er moet ook aan de gebruikelijke andere eisen voor gebouwen voldaan te zijn, zoals ventilatie-eisen;
  • 10 tot 15 % energiebesparing voor de gehele nieuwbouw utiliteitsbouw, waarbij de besparing per gebouwfunctie mag afwijken indien omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van 28 daadwerkelijk gerealiseerde gebouwen die voldeden aan de op dat moment geldende epc eisen en van 50 gebouwen uit de "Novem variantenboeken", voorlichtingsmateriaal voor diezelfde epc eisen. Met deze gebouwen, waarin alle gebouwfuncties vertegenwoordigd zijn, is op basis van bovengenoemde randvoorwaarden voor alle gebouwfuncties een nieuwe epc vastgesteld. Dit heeft geleid tot de volgende conclusies:

  • Alleen de epc eis voor onderwijsgebouwen wordt niet aangescherpt. Zoals ook in het Plan van aanpak duurzaam bouwen, deelplan utiliteitsbouw, is gemeld wordt de epc eis zoals die geldt sinds 15-12-1995 voor onderwijsgebouwen als zwaar ervaren. Het onderzoek heeft bevestigd dat verder aanscherpen bij de huidige stand van de techniek en de kosten van de maatregelen economisch niet aanvaardbaar is.
  • Niet bij alle onderzochte gebouwen is sprake van een volledig rendabele aanscherping. Deze gebouwen zijn qua ontwerp in relatie tot energiebesparing zeker niet optimaal. Bij het vaststellen van de nieuwe grenswaarden is een van de uitgangspunten echter geweest het ontwerp van de te onderzoeken gebouwen niet aan te passen. Bij het ontwerpen van dit soort gebouwen (met een relatief groot glas- en buitenoppervlak) zal in het vervolg extra aandacht moeten worden besteed aan de invloed van het ontwerp op de te nemen energiebesparende maatregelen.
  • De in dit besluit vastgestelde epc-waarden leiden gemiddeld tot een energiebesparing van 13 % ten opzichte van het huidige niveau. Deze energiebesparing kan in het algemeen kostenneutraal worden gerealiseerd. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de te treffen noodzakelijke maatregelen binnen de levensduur van deze maatregelen kunnen worden terugverdiend.

Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake energieprestatie van woningen en woongebouwen 2000 Dit besluit voorzag in een aanscherping per 1 januari 2000 van de energieprestatiecoëfficiënt (epc) voor tot bewoning bestemde gebouwen van 1,2 naar 1 zoals aangekondigd in het Plan van aanpak duurzaam bouwen (kamerstukken II, 1995/96, nr. 24 280). Deze aanscherping was gericht op het verder terugdringen van energieverbruik voor verwarming, mechanische ventilatie, warmwatergebruik, koeling, bevochtiging en verlichting van nieuwe woningen, waarmee een verdere bijdrage geleverd wordt aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. Ten behoeve van de aanscherping van de epc voor nieuwe woningen zijn onderzoeken verricht naar de werkelijke energiebesparing en de kostenconsequenties van de aanscherping van 1,2 naar 1.

Werkelijke energiebesparing Om enig inzicht te verkrijgen in het effect van de energieprestatie-eis op het werkelijke energieverbruik is indicatief onderzoek verricht naar de werkelijke energiebesparing in relatie tot de berekende energiebesparing. Het onderzoek is uitgevoerd bij ca. 490 woningen die reeds voldeden aan een epc van 1,4 of 1,2 en leidde tot de volgende conclusies:

  • In de praktijk ligt het gemiddelde gasverbruik in lijn met die van de epc-waarde. Per woningtype is wel er een beduidende spreiding in het gasverbruik. Dit bevestigt dat het totale gasverbruik weliswaar samenhangt met het woningtype (en grootte) en het gemiddeld aantal personen per woning, maar evenzeer met de huishoudenssituatie als overdag thuis zijn en persoonlijke voorkeuren als gewenste binnentemperatuur en ventilatiegedrag;
  • De spreiding in het electriciteitsgebruik is aanmerkelijk groter dan de spreiding in het gasgebruik. Deze spreiding hangt duidelijk samen met het al dan niet aanwezig zijn van apparatuur met een hoog electriciteitsgebruik (waaronder vaatwasser en droogtrommel).

Vanuit dit standpunt bezien zal de aanscherping van de epc dan ook een positief effect hebben op een verdere daling van het energiegebruik en de uitstoot van CO2.

Kostenconsequenties van de aanscherping Uit het door PRC Bouwcentrum opgestelde rapport “Kostenconsequenties aanscherping epc voor woningen van 1,2 naar 1,0” (mei 1999) blijkt dat de aanscherping investeringen in gebouwgebonden en installatietechnische maatregelen noodzakelijk maakt. Naar de toenmalige situatie zouden deze extra investeringen de bouwkosten tussen de 2,4 en 4,7 % verhogen. De relatie tussen kosten en baten zou naar verwachting een nadrukkelijke rol spelen bij de keuze van de maatregelen. Op dat moment was bij die keuze in het algemeen nog sprake van een jaarlijkse netto-lastenverzwaring. Uit het recente verleden bleek echter dat de meest kosteneffectieve maatregelen snel algemeen ingang vinden, met als gevolg een sterke kostendaling.

In het hier genoemde rapport worden als de meest kosteneffectieve maatregelen genoemd:

  • de toepassing van HR++ glas in plaats van gewoon HR-glas;
  • zwaardere thermische isolatie van de gevel;
  • gebalanceerde ventilatie met warmteterugwinning;
  • toepassing van cv-ketels met hoog rendement.

Besluit van 7 augustus 2001, houdende vaststelling van voorschriften met betrekking het bouwen van bouwwerken uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu (Bouwbesluit), conversie van het Bouwbesluit

Prestatie-eisen De tot dusverre nog functioneel geredigeerde voorschriften zijn zoveel mogelijk in prestatie-eisen omgezet. Daarbij is teruggegrepen op de bestaande bouwpraktijk en op besluiten die op grond van andere wetten dan de Woningwet waren gegeven. Wat bijeenkomstfuncties betreft, gaat het om het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet, het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang en om het Besluit kinderdagverblijven. Wat celfuncties en cellengebouwen betreft, gaat het hier in het bijzonder om het Besluit van 15 december 1967, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 539n, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, en om de Regeling politiecellencomplex. Wat gezondheidszorgfuncties betreft het Besluit bouwmaatstaven Wet ziekenhuisvoorzieningen. Wat sportfuncties betreft, gaat het mede om het Besluit hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden. Wat gebruiksfuncties ten dienste van het vervoer van personen betreft, gaat het om het Metroreglement en het Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen.

Toegankelijkheid Het formuleren van prestatie-eisen voor de toegankelijkheid van de verschillende gebruiksfuncties heeft geleid tot aanpassing van de systematiek en aanscherping van die voorschriften, zoals die in het Bouwbesluit tot dusverre waren gegeven. Het gemaakte onderscheid tussen een toegankelijkheidssector en een bijzondere toegankelijkheidssector is achterwege gebleven. Er is alleen nog sprake van een toegankelijkheidssector. De voorschriften die zijn gegeven voor deze sector hebben ten doel om de integrale toegankelijkheid van gebouwen voor gebruikers, met name toegespitst op mensen met een functiebeperking waaronder rolstoelgebruikers, te bevorderen. De voorschriften hebben betrekking op de minimale grootte van de toegankelijkheidssector, de ruimten die ten minste in die sector moeten liggen, en het overbruggen van niveauverschillen tussen vloeren binnen die sector en tussen de toegang tot die sector en het aansluitende terrein. Met deze aanpassing is een vereenvoudiging van de toegankelijkheidseisen tot stand gebracht. Opgemerkt wordt nog, dat niet voor alle niet tot bewoning bestemde gebouwen een toegankelijkheidssector is voorgeschreven. Het hebben van een toegankelijkheidssector is voor enige gebruiksfuncties gekoppeld aan een bepaalde gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie. Reden hiervoor is enerzijds dat de kans dat mensen met een functiebeperking waaronder rolstoelgebruikers in dergelijke, over het algemeen kleine gebouwen, te werk worden gesteld dan wel deze zullen (moeten) bezoeken, gering is en anderzijds dat het economisch niet verantwoord wordt geacht voor die gebouwen toegankelijkheidseisen te stellen. De kosten verbonden aan het toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers van die gebouwen rechtvaardigt niet dat de toegankelijkheid op grond van dit besluit wordt afgedwongen.

In het verlengde van de in 1997 gewijzigde voorschriften voor woningen en woongebouwen is de grootte van de vereiste toiletruimte voor niet tot bewoning bestemde gebouwen evenzo vastgesteld op 0,9 m x 1,2 m. Teneinde rolstoelgebruikers die in nieuw te bouwen woningen en woongebouwen zijn gehuisvest ook te kunnen laten participeren (integreren) in activiteiten in nieuw te bouwen niet tot bewoning bestemde gebouwen, zoals bijeenkomstfuncties en winkelfuncties, ligt het in de rede dat de grootte van de toiletruimte in die gebouwen ook op die afmetingen wordt vastgesteld. Het kunnen laten participeren van een grotere groep rolstoelgebruikers, met name zij die bij sanitaire verrichtingen hulp van een derde nodig hebben, in activiteiten die in nieuw te bouwen niet tot bewoning bestemde gebouwen plaatsvinden, zijn de afmetingen van de integraal toegnakelijke toiletruimte vastgesteld op 1,65 m x 2,2 m. Deze afmetingen zijn ontleend aan Het "Handboek Toegankelijkheid", van de Stichting Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad (thans Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland), 5e druk 2003 uitgegeven door Reed Business Information, in plaats van de tot nu toe in het Bouwbesluit opgenomen afmetingen van 2,2 m x 2,2 m.

Los van de toegankelijkheidssector zijn de voorschriften voor de vrije doorgang van toegangen van ruimten aangescherpt alsmede van de vrije doorgang van ruimten waardoor een verkeersroute voert. Daarmee wordt het mogelijk op grote delen van gebouwen eenvoudig ook achteraf geschikt te maken voor gebruik door mensen met een functiebeperking.

Ventilatie Bij de noodzakelijke ventilatiecapaciteit voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte speelt naast het aantal personen per vierkante meter vloeroppervlakte van dat gebied of die ruimte, een rol het maximale CO2-gehalte dat in een verblijfsgebied en verblijfsruimte nog juist toelaatbaar wordt geacht, gerelateerd aan het gebruik van het gebouw waarvan dat gebied of die ruimte deel uitmaakt. Wat het maximale CO2-gehalte betreft, zijn, zij het niet direct zichtbaar, feitelijk klassen van de ventilatie onderscheiden. Door middel van deze classificatie, die nog was opgenomen in Stb. 1998, 618 (Bouwbesluit fase 2) is het maximale CO2-gehalte dat in een verblijfsgebied en een verblijfsruimte nog juist toelaatbaar wordt geacht, tot uitdrukking gebracht. De klassen V1, V2 en V3, vertaald naar een mate van ventilatie per m², staan voor toelaatbare CO2-gehalten van onderscheidenlijk 0,08%, 0,12% en 0,18%. Het CO2-gehalte wordt algemeen als een goede maatstaf gezien voor het regelen van de kwaliteit van de binnenlucht ten behoeve van de ventilatie. De klasse V1 is bedoeld voor de situaties waarbij in het gebouw wordt overnacht, zoals bijvoorbeeld in een logiesverblijf, in bepaalde gezondheidszorgfuncties en in bepaalde celfiuncties. Die klasse geldt ook voor een verblijfsruimte waarin activiteiten plaatsvinden met een verhoogd risico voor de verontreiniging van binnenlucht, zoals een scheikundelokaal en een apothekersruimte. In zo'n verblijfsruimte wordt vaak met stoffen gewerkt die hinderlijke of schadelijke straling of gassen verspreiden. De klasse V2 is bedoeld voor situaties waarin min of meer langdurig personen verblijven zonder dat er in die gebouwen wordt overnacht. Hierbij kan worden gedacht aan het verblijf in industriefuncties, kantoorfunctiees, onderwijsfuncties en sportfuncties. De klasse V3 is toereikend voor gebouwen waarbij het merendeel van de personen die in zo'n gebouw verblijven slechts beperkte tijd in dat gebouw aanwezig zijn. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een bijeenkomstfunctie en een winkelfuncties. De achtergronden voor de ventilatieklassen zijn beschreven in het TNO Bouw rapport 94 BBI 1537. In dat rapport is ook de vertaling naar ventilatie-capaciteiten aangegeven per klasse.

Brandveiligheid De uit het oogpunt van brandveiligheid gegeven voorschriften voor te bouwen niet tot bewoning bestemde gebouwen, waaraan naast de bestaande praktijk ook de bouwkundige aspecten van de Brandbeveiligingsconcepten, uitgegeven door het ministerie van Binnenlandse Zaken, Directie Brandweer en Rampenbestrijding, ten grondslag hebben gelegen, zijn gerelateerd aan brandcompartimenten met een gebruiksoppervlakte van in beginsel ten hoogste duizend vierkante meter. Het raadplegen van de hiervoor genoemde brandbeveiligingsconcepten is op zichzelf beschouwd aan te bevelen, doch de daarin vervatte bouwkundige aspecten mogen, nu in het Bouwbesluit 2003 prestatie-eisen zijn gegeven voor de verschillende gebouwfuncties, geen rol spelen bij de beoordeling van een bouwplan. Voor de bestaande bouw zijn de eisen met betrekking tot brandveiligheid gerelateerd aan brandcompartimenten van ten hoogste twee duizend vierkante meter, of, indien in paragraaf 2.13.2 een grotere gebruiksoppervlakte is toegestaan, aan dat grotere brandcompartiment. Afhankelijk van de bestemming en inrichting van grote brandcompartimenten zullen in de regel andere grenswaarden kunnen worden aangehouden waarbij toch voldoende snel en veilig kan worden gevlucht, een brand zich niet onbeperkt kan uitbreiden en een brand voldoende kan worden bestreden. In verband hiermee zijn in de afdeling 2.22 functionele eisen opgenomen. Het tot nu toe verrichte onderzoek voor het vaststellen van prestatie-eisen voor grote brandcompartimenten heeft nog niet geleid tot het kunnen treffen van een doeltreffende regeling. Het PRC Bouwcentrum-rapport 6665 en het TNO Bouw-rapport 96 CVB R0330 bieden tezamen een hulpmiddel voor het ontwerpen van een groot brandcompartiment met het oog op het veilig verlaten daarvan. Het rapport van ingenieurs/adviesbureau SAVE, "Beheersbaarheid van brand; bouwstenen voor regelgeving", oktober 1995, biedt een hulpmiddel voor het ontwerpen van een groot brandcompartiment met het oog op het beperken van het uitbreiden van brand.

Overige wijzigingen van de inhoud van het Bouwbesluit Naast de wijziging van de vorm van het Bouwbesluit als gevolg van de conversie, is gedurende het conversieproces op onderdelen ook de inhoud van het besluit aangepast. Deze hieronder te bespreken bewust aangebrachte inhoudelijke wijzigingen zijn relatief beperkt.

In Bouwbesluit 2003 zijn de tot dusverre nog functioneel geredigeerde voorschriften voor utiliteitsgebouwen in prestatie-eisen geformuleerd. Daarbij zijn de voorschriften voor kantoorfuncties, logiesgebouwen en logiesfuncties, die reeds bestonden, aangevuld met prestatie-eisen voor alle andere utiliteitsgebouwen. Door deze completering en de daarmee gepaard gaande aanpassingen was enige vormwijziging van de voorschriften voor woningen en woongebouwen, woonwagens en bouwwerken, geen gebouw zijnde, onvermijdelijk.

Afstemming met Arbovoorschriften Ter uitvoering van artikel 5 van de Woningwet is het Bouwbesluit 2003 afgestemd op het Arbeidsomstandighedenbesluit. Het gaat om bouwtechnische arbovoorschriften waarmee het Bouwbesluit 2003 in overeenstemming is gebracht. Echter lang niet met alle bouwtechnische voorschriften is het Bouwbesluit 2003 in overeenstemming gebracht. De bouwpraktijk heeft daarom bij het bouwen van een bouwwerk waarin arbeid zal gaan worden verricht nog altijd ten minste met twee besluiten te maken, hetgeen niet de bedoeling is van artikel 5 van de Woningwet.

Vervallen van voorschriften In het kader van het project MDW is begin 1998 besloten een aantal voorschriften uit het Bouwbesluit te schrappen. Het betreft de voorschriften voor aansluitingen voor radio, tv en telefoon, bergruimte en buitenruimte, opstelplaats voor wasapparatuur, verplaatsing en vervorming. Voorts is besloten de voorschriften voor de minimale maatvoering voor verblijfsruimten van woningen te vereenvoudigen. Verwacht mag worden dat de markt voor deze onderwerpen voldoende zelfregulerend is. Dat schrappen is wat drastisch gebeurd. Ook op grond van besluiten en regelingen die op andere wetgeving dan de Woningwet zijn gebaseerd, zijn eisen gesteld aan onder meer een buitenruimte. Deze eisen zijn op grond van artikel 5 van de Woningwet opgenomen in Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618. Bij de conversie zijn ook die voorschriften geschrapt. De andere wetgeving, zoals de Regeling politiecellencomplex en het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang, kent deze voorschriften nog wel, zodat er tijdens het bouwen wel rekening mee moet worden gehouden, hoewel ogenschijnlijk de idee bestaat dat dit niet langer nodig is. Op (te) scheve vloeren kan niet veilig worden gewerkt, wat strijd oplevert met het Arbeidsomstandighedenbesluit. Dat geldt ook voor te slappe vloeren oftewel vloeren die te veel vervormen. Iets vergelijkbaars geldt voor de bergruimte. Vreemd is bijvoorbeeld dat een vakantiewoning een fietsenstalling moet hebben, en een woning een bergruimte, die mede voor dit doel is bestemd, althans in de voorschriften, ontbeert. Verder staat het voorschrift over een gemeenschappelijke bergruimte voor huishoudelijk afval (ten behoeven van scheiding van GFT-afval en ander afval) nu de eis van een gewone bergruimte is vervallen in een merkwaardig daglicht. Er was namelijk een relatie tussen de loopafstand naar de eigen bergruimte en de noodzaak voor deze gemeenschappelijke bergruimte. Nu doet zich de omstandigheid voor dat een eengezinswoning geen mogelijkheid meer heeft voor opslag van huishoudelijk afval en een meergezinswoning deze wel moeten hebben. Daarmee wordt het gelijkheidsbeginsel doorbroken. Tenslotte zijn er de voorschriften over bergruimten van een onderwijsfunctie die in Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618, waren ontleend aan de artikelen 5, twaalfde lid, en 8, eerste lid, van het voormalige Bouwbesluit WBO en aan de artikelen 5, tiende lid, en 8, tweede lid, van het voormalige Bouwbesluit ISOVSO. Ook deze zijn vandaag de dag nog nodig. Ook waren er nog bergruimten voorgeschreven bij een sportfunctie (artikel 7.8.17 van Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618). Deze voorschriften over bergruimten van een sportgebouw waren ontleend aan artikel 17, negende lid, van het voormalige Bouwbesluit WBO en aan de artikelen 17, negende lid, en 22, vierde lid, van het voormalige Bouwbesluit ISOVSO. Het schrappen van de voorschriften over sanitair roept ook vragen op. Tal van andere voorschriften (Arbobesluit, Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet) kennen deze voorschriften wel. Daarnaast bevatten de artikelen 7, tweede lid en 11, tweede lid, van zowel het voormalige Bouwbesluit WBO als het voormalige Bouwbesluit ISOVSO de noodzaak van een aanrecht of wasbak in een onderwijslokaal en een aanrecht in de lerarenkamer. Reden waarom deze voorschriften waren opgenomen in Bouwbesluit fase 2, Stb. 1998, 618. Er was dus alle reden, mede in het licht van artikel 5 van de Woningwet, om in het Bouwbesluit 2003 het schrappen van het aanrecht en het sanitair te beperken tot de woningbouw, waar het met het oog op duurzaam bouwen ook als enige zoden aan de dijk zal zetten.

Aanpassing voorschriften Naar aanleiding van het MDW-advies zijn voor te bouwen woonfuncties de voorschriften voor brandwerende deuren vervangen door het voorschrijven van een op het elektriciteitsnet aangesloten niet-ioniserende rookmelder.

Voortvloeiend uit de Nota Mensen, Wensen, Wonen zijn de algemene eisen voor toegankelijkheid en hoogte van ruimten in woonfuncties aangescherpt. Tevens is een aanscherping van de eis met betrekking tot de contactgeluidisolatie bij wooonfuncties opgenomen. Doel is de gebruikswaarde van woningen die nu worden gebouwd, ook voor de langere termijn voldoende zeker te stellen en daarmee voortijdige aanpassing of zelfs sloop te voorkomen. De aanscherping voor woonfuncties betreft de volgende eisen:

  • minimumplafondhoogte van 2.40 naar 2.60 m.
  • minimum hoogte van deuren en sanitaire ruimten van 2.10 m naar 2.30 m
  • betere beloopbaarheid van trappen (aan/optrede)
  • bredere gangpaden in collectieve woongebouwen
  • een verhoging van de contactgeluidisolatie met 5 dB

Besluit tot aanscherping energieprestatiecoëfficiënten voor niet tot bewoning bestemde gebouwen Naar aanleiding van een motie van het Tweede Kamerlid De Boer c.s. van 29 november 2000 (kamerstukken II 2000/2001, 27 400 XIII, nr. 26) - waarin wordt verzocht de energieprestatie-eisen aan te scherpen voor zowel woningen als utiliteitsgebouwen - zijn de mogelijkheden hiertoe onderzocht. Besloten is dat een aanscherping voor utiliteitsgebouwen in de rede lag.

Besluit van 17 december 2004, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijzigingen in verband met het opnemen van de subgebruiksfunctie kinderopvang, het dereguleren van de onderwijsfunctie en enkele andere wijzigingen van het Bouwbesluit 2003) Deregulering

a. Onderwijsfunctie en de sportfunctie voor onderwijs Na overleg met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) zijn de specifieke voorschriften voor het speciaal en basisonderwijs in de hoofdstukken veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid geschrapt1. Deze voorschriften vloeiden voort uit voormalige subsidieregelingen van OCW2. Het uitsluitend opnemen van basiseisen voor onderwijs biedt meer helderheid, omdat deze voor elke onderwijssoort gelijk zijn. Het biedt de schoolbesturen ook meer flexibiliteit. Zij kunnen zonodig hun specifieke wensen, gerelateerd aan het voorgestane gebruik van het gebouw, per bouwplan vastleggen in een programma van eisen.
Opmerking Nico Scholten

1 Behoudens de eis voor de grootte van het sportlokaal.

2 De voorschriften voor onderwijsgebouwen en sportgebouwen, behorende bij een onderwijsgebouw, waren mede ontleend aan het Besluit van 19 september 1985, houdende voorschriften met betrekking tot de voorzieningen in de huisvesting van scholen voor basisonderwijs (Bouwbesluit WBO, Stb. 515) en het Besluit van 13 december 1988, houdende voorschriften met betrekking tot de voorzieningen in de huisvesting van scholen voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, alsmede voor speciaal en voorgezet speciaal onderwijs (Bouwbesluit ISOVSO, Stb. 585). Deze besluiten zijn echter met ingang van 1 januari 1997 komen te vervallen in het kader van de decentralisatie van de onderwijswetgeving.

b. Oppervlaktemaat voor een standplaats De voorgeschreven minimum afmetingen voor een standplaats zijn uit het besluit geschrapt. De standplaatsbeheerders kunnen aan de hand van de plaatselijke situatie per woonwagencentrum en per wagen afzonderlijk de gewenste maatvoering voor de standplaatsen bepalen1. Het schrappen van dit voorschrift is een eerste stap in de actualisering van de bouwtechnische eisen voor deze woonvorm. Ten behoeve van een verdergaande bijstelling wordt op dit moment onderzoek verricht. Het voornemen is om bij een volgende wijziging van het Bouwbesluit 2003 de voorschriften voor woonwagens te herzien.
Opmerking Nico Scholten

1 Zij doen er daarbij verstandig aan de stedenbouwkundige consequenties in relatie tot de brandveiligheid mede in beschouwing te nemen.

Afstemming met technische regelgeving van andere ministeries Overeenkomstig artikel 5 van de Woningwet is het wijzigingbesluit1 afgestemd met technische voorschriften in het Arbeidsomstandighedenbesluit van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Tevens zijn de wijzigingen inzake kinderopvang afgestemd met SZW.

Opmerking Nico Scholten

1 Ten dele.

a. Arbeidsomstandighedenbesluit Het bedrijfsleven heeft bij meerdere gelegenheden de verschillen tussen de voorschriften met betrekking tot nooddeuren in het Arbeidsomstandighedenbesluit en die met betrekking tot toegangen in het Bouwbesluit 2003 aan de orde gesteld. Om deze reden is besloten deze voorschriften op elkaar af te stemmen. Dit heeft geleid tot het opnemen in het Bouwbesluit 2003 van het begrip nooddeur en het stellen van beperkingen aan het toepassen van schuifdeuren1 in vluchtroutes.
Opmerking Nico Scholten

1 Het ware verstandig geweest dit meteen ook te doen voor hefdeuren.

b. Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet In het wijzigingsbesluit is voor bestaande bouw de plafondhoogte voor een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik in overeenstemming gebracht met de maatvoering in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet voor nieuwe horecagelegenheden in bestaande bouwwerken. Dit komt neer op een hoogte boven de vloer van 2,4 m. Een uitzondering is gemaakt voor horecagelegenheden die reeds voor 1 november 2000 over een vergunning op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet beschikten. Deze horecagelegenheden mogen voortaan onder de in het Bouwbesluit 20031 gegeven voorwaarden een lagere plafondhoogte hebben2.
Opmerking Nico Scholten

1 Het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet.

2 De handhaafbaarheid van dit voorschrift is echter voor een bouw- en woningtoezichtambtenaar niet goed mogelijk.

Nieuwe en geactualiseerde voorschriften

a. Bouwtechnische eisen voor kinderopvang In het Bouwbesluit 2003 zoals dit luidde per 1 januari 2003 was reeds aangegeven dat (bedrijfsmatige) kinderopvang onder de bijeenkomstfunctie valt, zonder verbijzondering van de eisen naar de specifieke vormen van kinderopvang, zoals buitenschoolse opvang, kindercentra, of de zogenoemde 24-uurs opvang. In de praktijk stelden gemeenten voor de diverse vormen van kinderopvang eigen verordeningen op, die waren gebaseerd op het toenmalige Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang1. Bij het opstellen en toepassen van deze gemeentelijke voorschriften speelde de visie van de plaatselijke GGD en brandweer een belangrijke rol. Deze plaatselijke voorschriften werden door de brancheorganisaties veelal als onnodig gedetailleerd en rigide ervaren. De brancheorganisaties vroegen daarom aandacht voor het probleem van de naar hun oordeel sterk uiteenlopende voorwaarden voor het verlenen van een vergunning voor kinderopvang en vervolgens een gebruiksvergunning. Gevolg hiervan was dat de exploitanten regelmatig tot kostbare en naar hun oordeel onnodige bouwkundige aanpassingen werden gedwongen. Voorts bleek dat voor de bedrijfsmatige kinderopvang de bouwtechnische voorschriften voor de bijeenkomstfunctie op een aantal punten te kort schoten. De wens om te komen tot adequate landelijk uniforme bouwtechnische voorschriften was derhalve groot. Dit werd onderschreven door SZW. Uitgebreid overleg heeft vervolgens geleid tot het opnemen van specifieke bouwkundige voorschriften voor bedrijfsmatige kinderopvang in het wijzigingsbesluit. Deze voorschriften voor kinderopvang zijn gebaseerd op genoemd Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang en het onderzoeksrapport ‘Bouwbesluit 2003 toegespitst op kinderopvang’ (Van Overveld Bouwbesluit Advies bv, oktober 2002). Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Stichting Waarborgfonds Kinderopvang en begeleid door de brancheorganisaties voor de kinderopvang, GGD-Nederland, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het kennisinstituut voor brandweer en rampenbestrijding (NIBRA), SZW en VROM. Het onderzoek was aanleiding om de voorschriften voor de bijeenkomstfunctie op diverse plaatsen te verbijzonderen. Daarom is in het wijzigingsbesluit de nieuwe subgebruiksfunctie ‘bijeenkomstfunctie voor kinderopvang’ opgenomen. In de tabellen is waar nodig een verdergaande onderverdeling van de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang aangebracht. Daarbij is voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar rekening gehouden met de beperkte zelfredzaamheid van die kinderen en de omvang van de groepen. Omdat zowel bij de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar als bij 24-uursopvang (kinderopvang voor slapen) slaapgelegenheid wordt geboden, gelden daarvoor zwaardere brandveiligheidseisen2. Voor het niveau van eisen voor kinderen in de basisschoolleeftijd (de zogenoemde buitenschoolse opvang) is aansluiting gezocht bij het niveau van eisen voor de onderwijsfunctie3. Op deze wijze is zeker gesteld dat dit type kinderopvang in een regulier schoolgebouw kan plaatsvinden. Voor de gevallen waar een dergelijke verbijzondering niet noodzakelijk is, gelden de basiseisen voor de bijeenkomstfunctie. Over de in dit besluit opgenomen voorschriften is overleg gevoerd met de brancheorganisaties, GGD-Nederland en het Landelijk Netwerk voor de Brandpreventie (LNB). Voor een bestaande of een nieuwe kinderopvang in een bestaand gebouw zijn met name uit veiligheids- en gezondheidsoverwegingen nadere voorschriften opgenomen, bijvoorbeeld bij vloerafscheidingen en luchtverversing. Verder zijn bij bestaande bouw vooral de basisvoor-schriften voor de bestaande bijeenkomstfunctie van toepassing gebleven. Zo gelden voor kinderdagverblijven in de bestaande bouw geen zwaardere eisen voor de sterkte bij brand. Dergelijke zwaardere eisen zouden onevenredige beperkingen stellen aan het kunnen vestigen van kinderopvangvoorzieningen in bestaande bouw. Dit betekent echter niet dat het brandveiligheidsniveau daarmee onvoldoende gewaarborgd zou zijn. Het uitgangspunt is namelijk dat deze bouwkundige voorschriften, tezamen met de gebruiksvoorschriften in de gemeentelijke bouwverordening, het gewenste brandveiligheidsniveau voor kinderopvang waarborgen. Om ook voor kinderopvang landelijke uniformiteit in de gemeentelijke bouwverordeningen te bewerkstelligen, heeft de VNG het voornemen nadere voorwaarden voor het brandveilig gebruik in de model-bouwverordening op te nemen (zie voor nadere informatie over brandveilig gebruik van gebouwen de VROM-circulaire MG 2003-19, de VROM-brochure Vluchten bij brand, handreiking voor gebruiksvergunningen en de website www.vrom.nl). Daarnaast nemen ook de brancheorganisaties voor de kinderopvang BOINK, MO-groep en ‘Branchevereniging kinderopvang’ hun verantwoordelijkheid en hebben voor hun leden een convenant opgesteld met kwaliteitsregels, onder meer op het gebied van veiligheid en gezondheid. Dit convenant zal voor alle nieuwe en reeds bestaande kinderopvangvoorzieningen gelden en sluit aan op de bouwtechnische eisen in het aangepaste Bouwbesluit 2003.
Opmerking Nico Scholten

1 Welke verordeningen geen rol mochten spelen bij verlening van een bouwvergunning danwel een aanschrijving op basis van artikel 13 e.v. van de Woningwet.

2 De gestelde eisen moeten mede in samenhang worden gezien met de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang, waarin onder meer het aantal beroepskrachten gerelateerd aan aantal en leeftijd van de kinderen is geregeld en de aanscherping van de Model-bouwverordening 1992 in de 10e serie wijzigingen

3 En deels zijn daarop die eisen verder aangescherpt.

b. Asbest Bij de aanwezigheid van een te hoge concentratie aan asbestvezels in een ruimte van een bestaand bouwwerk, was het aanschrijven door burgemeester en wethouders op basis van de Woningwet wegens strijd met de eisen in het besluit te gecompliceerd1. Met het opnemen van een paragraaf voor de bestaande bouw (§ 3.15.2, beperking van de toepassing van schadelijke stoffen) is optreden in die situatie beter mogelijk gemaakt.
Opmerking Nico Scholten

1 Dit was mogelijk wegens strijd met de nieuwbouweisen, mits dit terdege was gemoitveerd, zoals nader uitgewerkt in de Regeling tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit materialen (stcrt 1998, 77)

c. Maatvoering utiliteitsbouw Op verzoek van consumentenorganisaties zijn, ook met het oog op de steeds langer wordende mens, voor nieuw te bouwen utiliteitsgebouwen de plafondhoogte en de hoogte van de vrije doorgang aangescherpt. Voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte gaat die hoogte van 2,4 m naar 2,6 m en voor de vrije doorgang (deuren, verkeersroutes en verkeersruimten), toilet- en badruimten van 2,1 m naar 2,3 m. Deze voorschriften zijn via het wijzigingsbesluit gelijk gesteld aan de reeds eerder aangescherpte voorschriften voor nieuw te bouwen woningen. Daarmee is gevolg gegeven aan de aanbevelingen uit de rapportage ‘Aanbevelingen voor verbetering bestaande dan wel opname van nieuwe toegankelijkheidseisen in het Bouwbesluit n.a.v. onderzoek Minimumkwaliteit- Integratie Toegankelijkheidseisen’ (99cb-948/mvd/jvf, 18 oktober 1999) onder auspiciën van de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad en in samenwerking met (woon)consumentenorganisaties en het Overleg Platform Bouwregelgeving. Een door DHV Bouw en Milieu uitgevoerd onderzoek naar de bedrijfs- en milieueffecten (BET/MET-analyse) (B&M 20020028, 27 februari 2003) heeft uitgewezen dat als gevolg van de wijzigingen van deze maatvoeringen in de utiliteitsbouw de extra bouwkosten marginaal en de milieueffecten nihil zijn. Dit komt voornamelijk doordat de meeste utiliteitsbouw nu al een plafondhoogte heeft van ten minste 2,6 m, waarmee in wezen sprake is van vastlegging van de in de huidige praktijk veelal reeds als minimum gehanteerde maatvoering1. Een uitzondering op de regel van ten minste 2,6 m is opgenomen bij de plafondhoogte voor de celfunctie. Hier is namelijk rekening gehouden met de programma’s van eisen voor penitentiaire inrichtingen van het Ministerie van Justitie. De plafondhoogte voor een dergelijk verblijfsgebied of verblijfsruimte is op ten minste 2,5 m gesteld.
Opmerking Nico Scholten

1 Nog geen uitvoering is gegeven aan de afspraak om voor de utiliteitsbouw ook de eisen aan trappen voor woningbouw en u-bouw gelijk te trekken.

Besluit van 15 oktober 2005, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijziging met betrekking tot de aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt voor de woonfunctie en enkele andere wijzigingen) Dit besluit voorziet in een aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) voor tot bewoning bestemde gebouwen van 1 naar 0,8. Deze aanscherping is gericht op het verder terugdringen van het energiegebruik voor verwarming, mechanische ventilatie, warmwatergebruik, koeling, bevochtiging en verlichting van nieuwe woningen, waarmee een verdere bijdrage geleverd wordt aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. Reeds in 2003 zijn de resultaten van een regeleffecttoets voor deze aanscherping voorgelegd aan het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB). Het OPB heeft destijds, vanwege de ongunstige kosteneffectiviteit, geadviseerd om af te zien van aanscherping per 1 januari 2004. Uit vervolgonderzoek (rapport Regeleffecttoets aanscherping EPC, DHV, mei 2005) blijkt dat als gevolg van (installatie)technische ontwikkelingen én de hogere energieprijzen een kostenneutrale aanscherping thans wel mogelijk is. De gemiddelde reductie in de CO2-uitstoot per woning is bij aanscherping van de EPC van 1 naar 0,8 begroot op ca. 510 kg per jaar, hetgeen bij een jaarlijkse bouwproductie van 80.000 woningen overeenkomt met een reductie van ca. 40.800 ton CO2-uitstoot per jaar. Op basis van de gehanteerde uitgangspunten wordt verwacht dat de initiële extra investeringen voor bouwkosten – afhankelijk van de keuze van maatregelen en het type woning – tussen de 0,5% en 3% bedragen. Voor de koopprijs van woningen bedragen de initiële meerkosten minder dan 1%. Deze kosten worden in de loop van de tijd terugverdiend door de lagere energiekosten vergeleken met de energiekosten bij een EPC van 1,0. Aangezien dergelijke kosteneffectieve maatregelen in de regel snel ingang vinden in de bouwpraktijk en daarmee tot schaalvoordelen in de productie leiden wordt een verdere kostendaling verwacht. Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen (EPBD) richt zich mede op het vaststellen van energieprestatie-eisen. Nederlandheeft aan artikel 4, eerste lid, van de EPBD nu reeds voldaan doordat in het Bouwbesluit 2003 (en daarvoor in het Bouwbesluit uit 1991) al sedert 1995 een energieprestatiecoëfficiënt is opgenomen. Met de aanscherping van de EPC wordt dit onderdeel van de EPBD op een hoger niveau ingevuld.

Besluit van 10 maart 2006, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijzigingen in verband met de implementatie van de richtlijn tunnelveiligheid), Stb. 2006, 148 Deze wijziging van het Bouwbesluit 2003 is ter implementatie van richtlijn 2004/54/EG van het Europees parlement en de raad van 29 april 2004 inzake minimum veiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet.

Artikel 1.1 van deze richtlijn stelt: «Deze richtlijn beoogt een minimaal veiligheidsniveau te verzekeren voor weggebruikers in tunnels van het trans-Europese wegennet door preventie van kritische gebeurtenissen die mensenlevens, milieu en tunnelinstallaties in gevaar kunnen brengen, en door bescherming te bieden bij ongevallen». Deze richtlijn is van toepassing op alle tunnels gelegen in het trans-Europese wegennet met een lengte van meer dan 500 m, ongeacht of deze in gebruik, in aanbouw, dan wel in de ontwerpfase zijn. De implementatietermijn verstrijkt op 30 april 2006.

Implementatie van deze richtlijn vindt onder meer plaats door het stellen van regels met betrekking tot de veiligheid van voor het wegverkeer toegankelijke tunnels in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Kamerstukken II 2004/2005, 30 209, nr. 2), het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Barvw) en een daarop gebaseerde regeling. In het Barvw zijn met name de voorschriften voor een veilig gebruik van wegtunnels opgenomen. De noodzakelijke bouwtechnische voorschriften zijn opgenomen in een op dit besluit gebaseerde wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003.

De transponeringstabel die is opgenomen in de bijlage van deze toelichting, biedt een overzicht van de artikelen van deze richtlijn en de implementatie daarvan, voorzover nodig, in de Nederlandse regelgeving. Reden om de noodzakelijke bouwtechnische wijzigingen als gevolg van implementatie van deze richtlijn niet in de regelgeving inzake de tunnelveiligheid op te nemen ligt in het voorschrift van artikel 2 van de Woningwet. Op grond van artikel 2 van de Woningwet worden alle bouwtechnische voorschriften opgenomen in het Bouwbesluit 2003 en in de daarop gebaseerde Regeling Bouwbesluit 2003.

In het systeem van het Bouwbesluit 2003 vallen tunnels of tunnelvormige bouwwerken onder de gebruiksfunctie «Bouwwerk geen gebouw zijnde». Tot de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit gelden voor deze gebruiksfunctie geen voorschriften die specifiek op langere wegtunnels zijn gericht. Op basis van het wijzigingsbesluit is een nieuwe afdeling 2.26 Tunnelveiligheid in het Bouwbesluit 2003 opgenomen. In deze afdeling is een paragraaf voor nieuwbouw en een paragraaf voor bestaande bouw opgenomen. Overeenkomstig het systeem van het Bouwbesluit 2003 geeft het eerste lid van het eerste artikel de functionele eis. Waarna de tabel van het tweede lid voor de gebruiksfunctie wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 meter aanwijst welke voorschriften van toepassing zijn. In dit specifieke geval is ervoor gekozen zoveel mogelijk voorschriften in een specifiek hoofdstuk in de Regeling Bouwbesluit 2003 op te nemen. Op deze wijze wordt de toegankelijkheid voor zowel de reguliere gebruiker van het Bouwbesluit 2003 als voor de opdrachtgevers voor tunnels zo goed mogelijk gediend.

Hoewel de hierboven genoemde wet zich in beginsel beperkt tot implementatie van de richtlijn, gaat de wet op een beperkt aantal onderdelen iets verder. Ditzelfde geldt derhalve voor het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels en voor het wijzigingsbesluit. Voorzover hier van belang: de richtlijn heeft betrekking op tunnels in het trans-Europese wegennet langer dan 500 m. In het wijzigingsbesluit is in lijn met de bovengenoemde wet echter uitgegaan van voorschriften voor alle wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar overweging 25 van de richtlijn die de lidstaten aanspoort vergelijkbare veiligheidsniveaus toe te passen voor wegtunnels op hun grondgebied die geen deel uitmaken van het trans-Europese wegennet. Voor een onderbouwing van de keuze voor een tunnellengte van 250 m in plaats van 500 m wordt ook verwezen naar de op 8 juli 2005 aan de Tweede Kamer aangeboden Beleidsvisie Tunnelveiligheid deel B (Kamerstukken II, 2004/2005, 29 296, nr. 3). In deze beleidsvisie wordt uitgegaan van het in Nederland bestaande veiligheidsniveau van tunnels. De conclusie hierbij is dat het, om aan dit veiligheidsniveau te blijven voldoen, noodzakelijk is het in deze wijziging van het Bouwbesluit 2003 opgenomen veiligheidsniveau van toepassing te verklaren op tunnels met een lengte vanaf 250 m.

Besluit van 8 mei 2006, houdende hernieuwde vaststelling van de wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijziging met betrekking tot de aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt voor tot bewoning bestemde gebouwen en enkele andere wijzigingen) en tot wijziging van het Bouwbesluit 2003 als gevolg van de wijziging van de Wet luchtvaart inzake de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol (Stb. 2002, 374), Stb. 2006, 257. Dit besluit is identiek aan dat van Stb. 2005, 528, doch om redenen van het Securitel-arrest vanwege het niet notificeren van dat besluit opnieuw uitgegeven met gelijke inhoud. Tevens is de aansluiting aan de Wet luchtvaart voor eisen met betrekking tot structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer gerealiseerd.

Besluit van 20 oktober 2006, houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur aan de wet van 5 juli 2006 houdende wijziging Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase; Stb. 350), Stb. 2006, 586, 30 november 2006 Deze algemene maatregel van bestuur hangt direct samen met de wet van 5 juli 2006 houdende wijziging van de Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase; Stb. 2005, 350) (hierna te noemen: de wet). Een belangrijk onderwerp dat regeling vindt in deze wet is de decentralisatie op het gebied van het vaststellen van de zogenaamde hogere waarden: gemeenten zullen in een groot aantal gevallen zelf deze hogere waarden gaan bepalen. Een ander onderwerp is nog de introductie van de dosismaat L den, overigens met uitzondering van de categorie industrielawaai. Ter uitvoering van de wet is vastgesteld het Besluit geluidhinder. Dat besluit bevat onder meer regels over industrieterreinen, wegen en spoorwegen, naast bijvoorbeeld een opsomming van welke gebouwen worden bedoeld met andere gezondheidszorggebouwen. Het onderhavige besluit voorziet in de noodzakelijke aanpassingen in de lagere regelgeving ten gevolge van de wet. Het onderhavige besluit strekt mede tot de aanpassing van het Bouwbesluit 2003 aan de wijziging van de Wet luchtvaart inzake de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol (Stb. 2002, 374).

Besluit van 30 oktober 2007, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijziging met betrekking tot de CE-markeringen en kwaliteitsverklaringen), Stb. 2007, 439, gepubliceerd 13 november 2007, in werking getreden 1 januari 2008 Deze wijziging van het Bouwbesluit 2003 vindt plaats ter verdere implementatie van de bouwproductenrichtlijn. Naar aanleiding van opmerkingen van de Europese Commissie zijn vragen gerezen bij de uitleg van met name artikel 1.7 van het Bouwbesluit 2003 zoals dat tot de inwerkingtreding van deze wijziging luidde. Een consequentie van dat artikel zou namelijk kunnen zijn dat een kwaliteitsverklaring in gebruik blijft voor producten waarvoor al een CE-markering beschikbaar is. Met de in deze amvb opgenomen wijziging van de artikelen 1.6 en 1.7 is zeker gesteld dat het voor producten waarvoor een CE-markering is vastgesteld, verboden is een op de eisen waarop die CE-markering betrekking heeft toegesneden nationale kwaliteitsverklaring te eisen of verplicht te stellen. Zaken waarover de CE-markering geen uitspraak doet, zoals bijvoorbeeld de installatie van een product in het bouwwerk, kunnen echter onderdeel uit blijven maken van een (nationale) kwaliteitsverklaring. Er is voor gekozen om de uitgangspunten voor de onderwerpen CE-markering en kwaliteitsverklaringen voortaan in twee verschillende artikelen op te nemen.

2.1.4.Vorm van de voorschriften

De in het onderhavige besluit gegeven voorschriften zijn, overeenkomstig het daaromtrent gestelde in meergenoemd Actieprogramma, zoveel mogelijk geformuleerd in prestatie-eisen die zijn gebaseerd op functionele eisen. Bepalend voor deze wijze van formuleren is geweest, dat prestatie-eisen voldoen aan de in het kader van de deregulering gehanteerde toetsingscriteria. Deze criteria zijn in het bijzonder:

  • het voorschrift moet zoveel mogelijk (rechts)zekerheid en (rechts)gelijkheid bieden;
  • het voorschrift moet ondubbelzinnig zijn;
  • het voorschrift moet meetbaar en controleerbaar zijn, en
  • het voorschrift moet zo min mogelijk vrijheidsbeperkend en innovatie-belemmerend zijn.

Met de opmerking dat prestatie-eisen moeten zijn gebaseerd op functionele eisen, wordt bedoeld dat het voorschrift niet alleen de prestatie-eis (een in maten of getallen geconcretiseerd voorschrift dat is toegespitst op een bepaalde eigenschap van een constructie en dat een te behalen grenswaarde bevat die ondubbelzinnig kan worden berekend of gemeten) moet bevatten, maar ook de motivering daarvan. Dit betekent dat het voorschrift een combinatie is van een functionele eis en een prestatie-eis. Zo is bijvoorbeeld bepaald dat een vloer, ter voorkoming van het van die vloer kunnen vallen (functionele eis), bij de randen moet zijn voorzien van een afscheiding die, gemeten vanaf de vloer, een voorgeschreven hoogte van bijvoorbeeld 1 m (prestatie-eis) heeft. Zou zijn volstaan met een functionele eis, dan zou het voorschrift slechts bepalen dat een vloer zodanig moet zijn dat wordt voorkomen dat van die vloer kan worden gevallen.

In dit verband wordt nog opgemerkt dat in de gevallen waarin toepassing wordt gegeven aan de in dit besluit nog voorkomende functioneel geredigeerde voorschriften zal de aanvrager van de bouwvergunning ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten aantonen dat zijn bouwplan aan die eisen voldoet. Zijn burgemeester en wethouders van oordeel dat het bouwplan niet aan die eisen voldoet, dan dienen zij de bouwvergunning gemotiveerd te weigeren. Het is voor de aanvrager van een bouwvergunning voor een dergelijk bouwwerk dan ook van groot belang dat hij zich met het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht verstaat over de vraag welke criteria ("eisen") de gemeente hanteert bij het beoordelen of aan bedoelde functionele eisen is voldaan. Daarbij zal in de regel kunnen zijn uitgegaan van de in deze toelichting bij de desbetreffende artikelen dan wel, voor zover de model-bouwverordening (oude stijl) daarin voorziet, van de in dat model gegeven richtlijnen. Dit laatste betekent een bestendiging van de aloude praktijk, zoals die tot voor kort, mede aan de hand van jurisprudentie, op grond van de model-bouwverordening of het oude Bouwbesluit gold.

Op 3 oktober 1996 is de evaluatienota herziene Woningwet en Bouwbesluit aan de Tweede Kamer aangeboden. De belangrijkste conclusies waren dat het in 1992 in werking getreden Bouwbesluit als te ontoegankelijk werd ervaren, dat prestatie-eisen soms te abstract en moeilijk toetsbaar waren en dat de complexe doorverwijzingstructuur in de NEN-normbladen voor de praktijk moeilijk hanteerbaar was. Verder werden de voorschriften van het Bouwbesluit complex gevonden en werden de teksten als nogal juridisch van aard en onvoldoende toegesneden op de praktijk ervaren.

In aansluiting op het evaluatieonderzoek is de bouwregelgeving onderwerp geweest van een onderzoek in het kader van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW). Ook dit uit 1997 stammende onderzoek leidde tot de conclusie dat het Bouwbesluit onvoldoende transparant en toegankelijk was en dat er sprake was van een hoog detailniveau. Deze MDW-commissie heeft in dit verband de aanbeveling gedaan om, in aansluiting op het toen reeds op initiatief van de marktpartijen in gang gezette juridisch-technische onderzoek naar de mogelijkheden van een eventuele conversie van het Bouwbesluit, zo snel mogelijk over te gaan tot een uitwerking en inwerkingtreding hiervan. De conclusies uit het evaluatierapport, het MDW-onderzoek en identieke commentaren vanuit de praktijk hebben de aanzet gegeven om tot conversie van het Bouwbesluit (andere vormgeving) over te gaan.

Doelstelling van de conversie van het Bouwbesluit De doelstelling van de conversie is het voor de gebruikers beduidend toegankelijker en eenvoudiger hanteerbaar maken van de voorschriften in het Bouwbesluit. Daartoe heeft het besluit een geheel andere opzet gekregen. Met deze vormtechnische operatie zijn de voorschriften stelselmatig op een andere wijze gestructureerd en waar mogelijk vereenvoudigd. In materieel opzicht was het de bedoeling dat de voorschriften grotendeels onveranderd bleven.

Met de tekst van het geconverteerde Bouwbesluit is een aantal belangrijke in de evaluatienota van 1996 en het MDW-onderzoek van 1997 gesignaleerde bezwaren weggenomen en wordt, voorover het de systematiek en de tekst van het Bouwbesluit betreft, een bijdrage geleverd aan de met het Regeerakkoord Kok II beoogde verdergaande vereenvoudiging van de bouwregelgeving.

Opzet van de conversie In het oorspronkelijke Bouwbesluit werden per type bouwwerk alle bouwtechnische voorschriften steeds opnieuw weergegeven. Omdat een gebouw vaak meerdere functies herbergt, leidde dit er toe dat voor één beoordelingsaspect, bijvoorbeeld geluidwering of ventilatie, telkens op twee of meer plaatsen gezocht diende te worden naar de betreffende voorschriften.

Het uitgangspunt van de conversie is dat niet langer per type bouwwerk de eisen voor alle beoordelingsaspecten worden vermeld, maar dat nu per beoordelingsaspect de eisen voor alle typen bouwwerken worden gegeven. De voorschriften zijn als het ware ‘gekanteld’.

De te converteren voorschriften bleken af en toe onvoldoende expliciet verwoord om een plaats te kunnen krijgen in de nieuwe structuur van het besluit. In die gevallen is de conversietekst zoveel mogelijk opgesteld rekening houdend met de bedoeling van de oorspronkelijke tekst. Tijdens het conversieproces kwam ook aan het licht dat bij een enkel beoordelingsaspect nog een voorschrift ontbrak. In die gevallen zijn de voorschriften aangevuld.

Het begrip “gebruiksfunctie” Met de conversie is ook een aantal wijzigingen in de terminologie van het Bouwbesluit aangebracht. Dit was noodzakelijk om de nieuwe systematiek van de conversie consistent te kunnen doorvoeren. De belangrijkste is het nieuwe begrip “gebruiksfunctie”, omdat dat voor de gehele nieuwe systematiek een kernbegrip is.

De eisen die aan (een deel van) een bouwwerk worden gesteld zijn afhankelijk van de gebruiksfunctie waarbinnen dat (deel van het) bouwwerk zich bevindt. De gebruiksfunctie bepaalt de eisen. Met gebruiksfunctie wordt blijkens de begripsomschrijving bedoeld: de gedeelten van één of meer bouwwerken op een perceel of standplaats, die eenzelfde gebruiksbestemming hebben en die tezamen een gebruikseenheid vormen. Gedeelten zijn:

a.ruimten of groepen van ruimten;
b.constructie-onderdelen, zoals bouwconstructies of onderdelen van die constructies;
c.voorzieningen of delen van voorzieningen, en
d.routes (trajecten) of delen van routes (trajecten) om vanaf of naar het aansluitende terrein ruimten binnen de gebruiksfunctie te bereiken of te verlaten.

Een gebruiksfunctie omvat alles waarop die gebruiksfunctie is aangewezen. In de eerste plaats de eigen onderdelen, de niet-gemeenschappelijke ruimten en voorzieningen met inbegrip van onder meer een opstelplaats voor een stooktoestel. In de tweede plaats ook de gemeenschappelijke ruimten en voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een lift in een woongebouw en de vluchtroutes uit de de niet-gemeenschappelijke ruimten van een woonfunctie. Dit betekent dat een gebruiksfunctie meer omvat dan men geneigd is te denken. Zo hoort de lift in een woongebouw bij elke ‘woonfunctie’ (in dit geval bijvoorbeeld bij ieder appartement in het woongebouw) die op die lift is aangewezen. Er zijn 12 verschillende (hoofd)gebruiksfuncties onderscheiden. Waar nodig wordt er gebruik gemaakt van subgebruiksfuncties. ‘Woonfunctie’ bijvoorbeeld is de eerste hoofdgebruiksfunctie (voorheen ‘woning en woongebouw’). Als subgebruiksfuncties van ‘woonfunctie’ zijn bijvoorbeeld onderscheiden:

  • woonfunctie gelegen in een woongebouw,
  • woonfunctie van een woonwagen, en
  • andere woonfunctie.

Indien nodig worden ook andere onderverdelingen toegepast, bijvoorbeeld bij voorschriften voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte groter dan 500 m2. Onderverdeling van een hoofdgebruiksfunctie in subgebruiksfuncties komt, afhankelijk van het beoordelingsaspect, bij de meeste gebruiksfuncties voor. Een meer gedetailleerde uitleg van dit begrip is te vinden bij de artikelsgewijze toelichting.

Een probleem bij deze benadering zijn de onderwerpen die in de praktijk op gebouwniveau voor de verschillende gebruiksfuncties worden opgelost, zoals bijvoorbeeld het aantal toiletruimten voor een school, waarin verschillende gebruiksfuncties voorkomen. Met alleen het reguleren van de voorschriften per gebruiksfunctie kan dan niet worden volstaan, omdat een regeling noodzakelijk is over de combinatie van de noodzakelijke voorzieningen. Nog niet altijd is in dergelijke voorschriften voorzien.

Systematiek van de voorschriften Bouwwerken zijn onder te verdelen in gebouwen en andere bouwwerken (geen gebouw zijnde). In onderstaand schema is systematisch aangegeven hoe het geconverteerde Bouwbesluit vanuit gebruiksfuncties eisen stelt aan bouwwerken en onderdelen daarvan. Het begrip gebruiksfunctie vervangt daarbij de in het “oude” Bouwbesluit gebruikte term “……gebouw”, waarbij op de puntjes de betrokken functie werd weergegeven. De indeling in gebruiksfuncties van een bouwwerk bepaalt de eisen die voor de respectievelijke onderdelen van het bouwwerk gelden. Daarbij is gebruiksfunctie echter niet synoniem aan gebouwfunctie.

Afbeelding

Een bouwwerk kan worden ontleed vanuit verschillende invalshoeken in verschillende soorten onderdelen. Het eerste onderscheid is of er sprake is van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Voor de vraag of een bouwwerk een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is, wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op hoofdstuk 1 en de jurisprudentie terzake. Alle overige gebruiksfuncties maken onderdeel uit van een gebouw. Vanuit de invalshoek ruimten bestaat een gebouw bijvoorbeeld uit brandcompartimenten. Deze compartimenten kunnen weer zijn onderverdeeld in subbrandcompartimenten en niet-subrandcompartimenten en in rookcompartimenten. Daarnaast kan een gebruiksfunctie zijn onderverdeeld in verblijfsgebieden en andere ruimten. Weer een ander onderscheid betreft de indeling in toegankelijkheidssector en niet-toegankelijkheidssector. Voor wat betreft de invalshoek voorzieningen kan gedacht worden aan ventilatievoorzieningen, elektrische aansluitingen, brandslanghaspels en dergelijke. Na het ontleden van het bouwwerk op de hier boven beschreven wijze kan worden bepaald welke voorschriften voor welke situatie gelden. Voor de woonfunctie zijn bijvoorbeeld aan de ventilatievoorzieningen van een ruimte andere eisen gesteld dan voor de sportfunctie. Het komt regelmatig voor dat ruimten en bouwdelen deel uitmaken van twee of meer gebruiksfuncties. De fundering van een gebouw met woonfuncties en winkelfuncties is bijvoorbeeld zowel een bouwconstructie van de woonfuncties als een bouwconstructie van de winkelfuncties. Ruimten en bouwdelen die deel uitmaken van twee of meer gebruiksfunctie moeten voldoen aan alle eisen die het Bouwbesluit daarvoor vanuit die verschillende gebruiksfuncties aangeeft. Soms betekent dit dat de zwaarste eis geldt en soms dat een combinatie van de voorschriften moet worden toegepast. Een voorbeeld van een ruimte die die in twee of meer gebruiksfuncties ligt, is een sportzaal die ook wordt gebruikt voor tentoonstellingen en het afnemen van schriftelijke examens. Dit gedeelte van een bouwwerk moet voldoen aan de eisen die gelden voor de volgende gebruiksfuncties:

  • bijeenkomstfunctie ( tentoonstellingen),
  • onderwijsfunctie (schriftelijke examens) en
  • sportfunctie.

Een ander voorbeeld is een gemeenschappelijke ruimte waardoor een verkeersroute voert, die voor twee of meer gebruiksfuncties wordt gebruikt als vluchtroute. Dit betekent dat de bijdrage tot brandvoortplanting van het plafond van die ruimte moet voldoen aan het hoogste niveau van de verschillende eisen die voor die gebruiksfuncties aan een dergelijk bouwdeel zijn gesteld.

Hetzelfde geldt voor een vluchtroute - bijvoorbeeld van een kantoorfunctie - die door een verblijfsruimte van een andere gebruiksfunctie voert – bijvoorbeeld een werkplaats. De bijdrage tot brandvoortplanting van het plafond in de werkplaats moet dan voldoen aan de eis voor een ruimte waardoor een vluchtroute van een kantoorfunctie voert, en aan de eis voor een verblijfsruimte van een werkplaats. Tevens moet dan die ruimte aan alle eisen die voor een kantoorfunctie gelden voldoen. Immers die ruimte ligt dan in een kantoorfunctie. Om te voorkomen dat dit tot onbedoelde effecten leidt, is in NEN 2580, waar het Bouwbesluit 2003 naar verwijst, het begrip “bijzondere gemeenschappelijke ruimte” geïntroduceerd. Voor dergelijke ruimten mag wat betreft sterkte, gebruiksoppervlakte en energieprestatie worden gedaan alsof de ruimte niet gemeenschappelijk is. De vluchtroutes van bijvoorbeeld een woning, een eetcafé, een kantoor en een winkel mogen fysiek dezelfde zijn, op voorwaarde dat de capaciteit van die vluchtroute voldoende is om het gebouw voldoende veilig te kunnen verlaten. De vluchtroutes moeten dan voldoen aan alle eisen die horen bij deze gebruiksfuncties, waarbij voor sommige eisen combinatieregels moeten worden toegepast, die niet altijd in de voorschriften zijn gegeven en voor sommige eisen de zwaarste eis. De grenswaarden zijn voor elke gebruiksfunctie afzonderlijk in het Bouwbesluit 2003 te vinden. Evenzo gelden voor de loopafstand (tussen een punt in een ruimte van een gebruiksfunctie en een toegang van een (sub)brandcompartiment) de eisen die gesteld zijn vanuit de gebruiksfunctie waarin de te ontvluchten ruimte ligt. Dat gehele traject wordt afgelegd binnen de gebruiksfunctie van waaruit wordt vertrokken. Immers, een vluchtroute ligt altijd binnen de gebruiksfunctie. Indien dit traject door een andere gebruiksfunctie loopt, dan gelden de eisen van de eerstbedoelde gebruiksfunctie (bijvoorbeeld het kantoorfunctie) binnen die andere gebruiksfunctie (bijvoorbeeld de winkelfunctie). Dat betekent in de praktijk dat het (vlucht)traject voor de ene gebruiksfunctie (kantoorfunctie) in die andere gebruiksfunctie (winkelfunctie) vrij moet blijven en dus gevrijwaard van “ingebouwde” obstakels.

Opbouw van de voorschriften De bouwtechnische voorschriften zijn per paragraaf of afdeling in eerste aanleg in de vorm van functionele eisen gesteld. Waar mogelijk zijn deze eisen uitgewerkt in concrete prestatievoorschriften. Prestatie-eisen kunnen worden gesteld aan de eigenschappen van de onderdelen van een bouwwerk, zogeheten inrichtingseisen, maar kunnen ook bestaan uit een aanwezigheidseis. Een prestatie-eis kenmerkt zich door een grenswaarde en een daaraan gekoppelde eenduidige bepalingsmethode. Voorbeeld:

Functionele eis: Een te bouwen bouwwerk heeft, afhankelijk van bestemming en inrichting, voldoende toiletruimten, die zodanig zijn dat daarin sanitaire handelingen voldoende doelmatig kunnen worden verricht.
Prestatie-eis 1: Een gebruiksfunctie heeft voor elke 125 m2 gebruiksoppervlakte of een gedeelte daarvan ten minste één toiletruimte.
Prestatie-eis 2: Een toiletruimte heeft een vloeroppervlakte met een breedte van ten minste 0,9 m en een lengte van ten minste 1,2 m.

Functionele eis Het eerste artikel van elke paragraaf van een afdeling (beoordelingsaspect) geeft het kader aan voor de andere voorschriften van deze paragraaf. Het eerste lid bevat een functionele eis. In het tweede lid staat dat aan het eerste lid (de functionele eis) is voldaan, indien er aan de (prestatie)eisen wordt voldaan, die voor de betrokken gebruiksfuncties zijn aangewezen in de aansturingstabellen die deel uitmaken van het tweede lid. In een derde lid is bepaald dat de functionele eis niet geldt voor die gebruiksfuncties waarvoor in de tabel geen voorschrift is aangewezen (een gehele rij met streepjes in de tabel). Ingeval het eerste artikel geen derde lid heeft, geldt de functionele eis uit het eerste lid dus wel voor die gebruiksfuncties waarvoor geen voorschriften in de tabel zijn aangewezen. In dit laatste geval geldt dat ten genoegen van burgemeester en wethouders moet worden aangetoond, dat voldaan is aan de functionele eis. Dit betekent niet dat burgemeester en wethouders terzake van het desbetreffende beoordelingsaspect zelf eisen mogen vaststellen. De gemeente mag slechts toetsen of de voorstellen van de aanvrager of bouwer leiden tot het voldoen aan het eerste lid. Als er middels een derde lid bepaald is dat er geen functionele eis geldt voor een bepaalde gebruiksfunctie, is het niet toegestaan het bouwplan af te keuren als de gemeente van oordeel is dat niet aan het eerste lid is voldaan. De Woningwet bepaalt zeer strikt welke bevoegdheden de gemeentelijke overheid heeft op het door de wet bestreken gebied, voorzover het de bouwregelgeving betreft, bijvoorbeeld in de artikelen 8 en 122. De wetgever heeft dus in de Woningwet een uitputtende regeling gegeven met betrekking tot de bouwregelgeving. Uit dat systeem van de Woningwet volgt dat het de gemeentelijke regelgever niet vrij staat eisen te stellen voor die gebruiksfuncties waar de wetgever geen eisen voor heeft gesteld.

Prestatie-eisen De prestatie-eisen volgen in de artikelen na het eerste artikel en de aansturingstabel van elk paragraaf (aspect). In de aansturingstabel zijn de prestatie-eisen aangewezen die voor elke gebruiksfunctie gelden. Een prestatie-eis bestaat uit een een grenswaarde, en een bepalingsmethode. De grenswaarde van bijvoorbeeld de warmteweerstand van een uitwendige scheidingsconstructie (2,5 m²·K/W) wordt met een bepalingsmethode (NEN 1068) bepaald. Voor de bepalingsmethode wordt doorgaans naar privaatrechtelijke documenten, zoals een NEN-normblad, verwezen. Voor sommige voorschriften is de bepalingsmethode triviaal en niet verder in de voorschriften aangeduid.

Aansturingstabellen Om aan te geven welke voorschriften voor welke gebruiksfunctie gelden, is gebruik gemaakt van een aansturingstabel. Per beoordelingsaspect is een aansturingstabel gegeven voor nieuwbouw en ook voor bestaande bouw, als daarvoor voorschriften zijn gesteld. De tabellen wijzen de voorschriften van het beoordelingsaspect aan die voor de verschillende (sub)gebruiksfuncties van toepassing zijn. Zo kan de lezer eenvoudig nagaan welke verschillen er zijn in de eisen voor de diverse functies.

Voorbeeld van een aansturingstabel (afdeling trap, nieuwbouw, § 2.5.1)

Afbeelding

De op een gebruiksfunctie van toepassing zijnde artikelleden zijn in de kolommen onder ‘leden van toepassing’ aangewezen door middel van de vermelding van het lidnummer. Wanneer een van toepassing zijnd artikel geen leden kent, dan is bij dat artikel in plaats van het lidnummer een sterretje (*) vermeld. Indien een artikel of een artikellid niet van toepassing is, vermeldt de tabel een streepje.

In het geval dat er voor twee of meer gebruiksfuncties uiteenlopende getalswaarden van toepassing zijn, verwijst een prestatie-eis voor die waarden naar de aansturingstabel (in de tabel zijn dat gemakshalve grenswaarden genoemd). De getalswaarde staat echter niet in de aansturingstabel, maar in de artikeltekst zelf als:

1.het voorschrift slechts op één gebruiksfunctie van toepassing is, of
2.het voorschrift van toepassing is op meer dan één gebruiksfunctie en voor al die gebruiksfuncties dezelfde grenswaarde geldt.

Bezettingsgraadklassen In sommige aansturingstabellen zijn per gebruiksfunctie ook klassen van de bezettingsgraad weergegeven. Deze bij de utiliteitsbouw toegepaste klassen hebben een relatie met verschillende voorschriften. In het geval bepaalde klassen niet zijn toegestaan, bijvoorbeeld vanwege arbovoorschriften, is dit in de tabel aangegeven met de afkorting ‘n.t.’ (niet toegestaan). Indien in de tabel voor de grenswaarde het > teken is geplaatst wordt hiermee bedoeld dat de bezettingsgraadklasse geldt voor iedere waarde die groter is dan de vermelde waarde. In de hierboven opgenomen voorbeeldtabel betekent dit dat voor celfunctie, “ander verblijfsgebied”, bij een opgegeven bezettingsgraadklasse B5 de op de trap aangewezen oppervlakte iedere waarde boven de 600 m2 mag hebben. Anders gezegd, altijd mag zijn volstaan met een trap volgens kolom A.

Het gebruik van klassen van de bezettingsgraad is nodig omdat binnen de onderscheiden gebruiksfuncties het feitelijk gebruik divers is. Zo kunnen er binnen de functie "winkelfunctie" verblijfsgebieden zijn, die bestemd zijn voor veel mensen per vierkante meter (groot warenhuis) en verblijfsgebieden, bestemd voor weinig mensen (toonzaal van een meubelzaak). Prestatie-eisen kunnen niet worden gekoppeld aan niet objectief vast te stellen kenmerken van een bouwwerk, zoals het aantal personen. Om toch rekening te kunnen houden met het gedifferentieerde gebruik van die gebouwen zijn in dit besluit klassen gebruikt voor de bezettingsgraad van gebouwen. Met deze klassen is het aantal personen, dat na realisatie gebruik mag maken van een verblijfsgebied, verblijfsruimte of rookcompartiment tot uitdrukking gebracht. De daarbij onderscheiden klassen bevatten elk een bandbreedte waarbinnen het aantal personen ligt dat per m² vloeroppervlakte van de desbetreffende ruimte gebruik mag maken. Gerelateerd aan deze klassen zijn voor een aantal prestatie-eisen grenswaarden gegeven. De aanvrager van een bouwvergunning geeft bij zijn bouwaanvraag per verblijfsgebied en rookcompartiment de klasse van de bezettingsgraad op. Omdat in een rookcompartiment verschillende verblijfsgebieden kunnen liggen en er naast verblijfsgebieden ook andere ruimten in compartiment kunnen liggen, behoeft de klasse van een verblijfsgebied niet dezelfde te zijn als die van het rookcompartiment waarin dat verblijfsgebied ligt. De binnen een verblijfsgebied gelegen verblijfsruimte heeft echter per definitie dezelfde klasse van de bezettingsgraad als het verblijfsgebied waarin die verblijfsruimte ligt. Bij de uitwerking van de voorschriften die aan een bezettingsgraad zijn gerelateerd, is uitgegaan van onderstaande rekenwaarden.

Klasse Rekenwaarde van de bezettingsgraad
in gebruiksoppervlakte van een gebouw in vloeroppervlakte aan verblijfsgebied of verblijfsruimte
B1 1,2 m² per persoon 0,8 m² per persoon
B2 3 m² per persoon 2 m² per persoon
B3 7,5 m² per persoon 5 m² per persoon
B4 18 m² per persoon 12 m² per persoon
B5 45 m² per persoon 30 m² per persoon

In het algemeen moet ten minste zijn uitgegaan van klasse B5. Indien voor een verblijfsgebied, verblijfsruimte, een rookcompartiment of een gebouw een hogere klasse is voorgeschreven, zal die hogere klasse minimaal moeten worden aangehouden (in de tabellen tot uitdrukking gebracht doordat bepaalde klassen niet mogen worden gebruikt). Indien van een bepaalde klasse is uitgaan, betekent dit dat in de praktijk een verblijfsgebied, verblijfsruimte, rookcompartiment of een gebouw door niet meer dan het bij die klasse behorend aantal personen mag worden gebruikt. Dit vloeit mede voort uit het aan zo'n voorschrift gerelateerde gebruiksvoorschrift van het Arbeidsomstandighedenbesluit of de gemeentelijke bouwverordening. Wanneer men wil dat meer personen gebruik moeten kunnen maken van het verblijfsgebied, de verblijfsruimte of het rookcompartiment, dan zal in het ontwerp moeten zijn uitgegaan van een hogere klasse. De voorgaand aangegeven rekenwaarden kunnen worden gebruikt voor de herleiding van de aan de technische voorschriften ten grondslag liggende uitgangspunten en kunnen zo een hulpmiddel zijn voor het samenstellen van combinatieregels die in het besluit niet altijd zijn gegeven.

De gekozen classificatie voor de bezettingsgraad laat onverlet dat in voorkomende gevallen, met gebruikmaking van het gelijkwaardigheidsprincipe kan worden gekozen voor een afwijkende classificatie. Het hanteren van andere klassegrenzen en daarbij behorende rekenwaarden van de bezettingsgraad, met daarop toegesneden grenswaarden kan leiden tot een voor die situatie nauwkeuriger aansluiting bij de voorschriften die tot nu toe hebben gegolden.

Voor de voorschriften die voor een bestaand bouwwerk zijn gegeven is geen zichtbare relatie gelegd met de klassen van de bezettingsgraad. Een deel van de prestatie-eisen voor de nieuwbouw van het onderhavige besluit zijn wel gerelateerd aan een aantal personen per m² vloeroppervlakte aan verblijfsgebied of verblijfsruimte van het gebouw of aan het aantal personen per m² gebruiksoppervlakte van een rookcompartiment van dat gebouw of aan de gebruiksoppervlakte van het gehele gebouw. Voor de voorschriften van de bestaande bouw is dan uitgegaan van het laagste aantal personen per m² vloeroppervlakte of gebruiksoppervlakte, dat voor de nieuwbouw is aangehouden, anders gezegd de laagste klasse van de bezettingsgraad. Wordt het gebouw echter door een groter aantal personen per m² vloeroppervlakte respectievelijk gebruiksoppervlakte gebruikt, dan kunnen burgemeester en wethouders bij hun beoordeling van de staat van een bestaand niet tot bewoning bestemde gebouw rekening houden met dit grotere aantal personen en uitgaan van een hoger bodemniveau, gerelateerd aan de voor de nieuwbouw voor die hogere klasse van de bezettingsgraad gegeven grenswaarden. Voor het niveauverschil tussen de nieuwbouw en de bestaande bouw is onderscheiden naar de bezettingsgraadklassen B1 tot en met B5, afhankelijk van het onderwerp, een bepaald niveauverschil aangehouden. Dat niveauverschil is te herleiden uit de vergelijking van de voorschriften voor nieuwbouw en bestaande bouw.

2.1.5.Gelijkwaardigheid

Het onderhavige besluit voorziet in de mogelijkheid af te wijken van de in dit besluit gegeven prestatie-eisen. Afwijking van de prestatie-eisen kan wenselijk of zelfs noodzakelijk zijn in verband met bijvoorbeeld de aard van het desbetreffende bouwwerk of plaatselijke omstandigheden dan wel in verband met de omstandigheid, dat innovatieve materialen of constructies zijn of worden toegepast. Met het oog hierop is in paragraaf 1.3 van het onderhavige besluit een zogenoemde gelijkwaardigheidsbepaling opgenomen.

Indien bij het bouwen van een bouwwerk toepassing wordt gegeven aan een gelijkwaardigheidsbepaling, zal de aanvrager van de bouwvergunning ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten aantonen dat zijn bouwplan voldoet aan de doelstelling en het niveau van de prestatie-eis waarvan hij afwijkt. De oplossingen waarvoor hij kiest, moeten immers gelijkwaardig zijn aan het niveau van de desbetreffende prestatie-eis in samenhang met de functionele eis van het voorschrift. Ter illustratie wordt een voorbeeld gegeven. Afdeling 2.16 bepaalt dat de weerstand tegen rookdoorgang tussen een zogenoemd rookcompartiment en een andere besloten ruimte van een gebouw, niet zijnde een ruimte geen brandcompartiment zijnde, ten minste 30 minuten moet zijn. Met dit voorschrift is beoogd dat gedurende die periode de verspreiding van rook vanuit een rookcompartiment naar een andere besloten ruimte wordt beperkt. Indien de oorzaak van de rookverspreiding in het rookcompartiment is weggenomen, wordt een gelijkwaardig veilige situatie bewerkstelligd als met het voorschrift is beoogd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een in voldoende mate betrouwbare automatische rook- en warmte-afvoerinstallatie is aangebracht.

Bij toepassing van een gelijkwaardigheidsbepaling is het raadzaam dat de aanvrager van de bouwvergunning, voordat hij zijn aanvraag indient, ter zake overleg voert met het gemeentelijk bouwtoezicht dat burgemeester en wethouders moet adviseren over de door hen te nemen beslissing op de aanvraag om bouwvergunning. Hij kan zodoende vooraf te weten komen op welke wijze hij wordt geacht aan te tonen dat de voorgenomen oplossing voldoet aan doelstelling en niveau van de prestatie-eis waarvan hij afwijkt. Dit kan betekenen dat een onderzoeksrapport of een verklaring van een onafhankelijke deskundige bij de aanvraag om bouwvergunning moet worden overgelegd. In dit verband kan bijvoorbeeld ook worden gedacht aan een kwaliteitsverklaring die door een door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen deskundig, onafhankelijk instituut, is afgegeven. Een dergelijke verklaring moet door burgemeester en wethouders als voldoende bewijs worden geaccepteerd. Voorts kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een zogenoemd CUR-VB-rapport op het gebied van betonconstructies, een uitgave van het Staalbouwkundig Genootschap op het gebied van staalconstructies of in vakbladen gepubliceerde wetenschappelijke artikelen. Wat deze stukken betreft, is het oordeel van burgemeester en wethouders bepalend of een dergelijk stuk als voldoende bewijs kan gelden. De behandeling van een dergelijke aanvraag om bouwvergunning zal in de regel meer tijd kosten dan wanneer de prestatie-eisen zouden zijn gevolgd dan wel de gelijkwaardigheid zou zijn aangetoond op basis van erkende kwaliteitsverklaringen.

Een in een bepaalde afdeling van een hoofdstuk gegeven voorschrift kan ook een relatie hebben met andere uitgangspunten van dat hoofdstuk of andere hoofdstukken. Zo kunnen bij een prestatie-eis die uit het oogpunt van veiligheid is gesteld, ook overwegingen van gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid of mileu (duurzaam bouwen) een rol spelen. Om te voorkomen dat bij de toepassing van een gelijkwaardigheidsbepaling andere overwegingen niet kunnen worden meegewogen, is in de gelijkwaardigheidsbepaling een daartoe strekkende voorziening opgenomen. Indien bijvoorbeeld, zoals hierboven uiteengezet, in het kader van een gelijkwaardige bruikbaarheid een mechanisch hefplateau wordt toegepast in plaats van een hellingbaan, dient dat hefplateau tevens een gelijkwaardig gebruiksveiligheidsniveau te hebben als de hellingbaan. Dit betekent bijvoorbeeld dat het hefplateau moet zijn voorzien van afscheidingen waardoor een rolstoelgebruiker niet het risico loopt van dat plateau af te geraken. In bijlage 2 bij de oorspronkelijke nota van toelichting van Stb. 1991, 680 is een overzicht gegeven van de relaties tussen de verschillende uitgangspunten die bij de toepassing van een gelijkwaardigheidsbepaling een rol kunnen spelen.

De gelijkwaardigheidsbepaling is ook voor de bestaande bouw van belang, alhoewel die bepaling daar een andersoortig karakter heeft. Immers, aan de hand van die bepaling kan, wanneer het bouwwerk op het eerste gezicht niet aan de prestatie-eisen lijkt te voldoen, worden vastgesteld of dat bouwwerk toch aan de desbetreffende prestatie-eisen voldoet, maar dan op basis van gelijkwaardigheid. Deze situatie kan zich ook voordoen wanneer bij de nieuwbouw toepassing is gegeven aan de gelijkwaardigheidsbepaling. Is dit het geval, dan kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van dat bouwwerk niet aanschrijven tot het treffen van voorzieningen wegens strijd met het Bouwbesluit 2003.

De gelijkwaardigheidsbepaling maakt het mogelijk dat bouwproducten die afkomstig zijn uit een andere lidstaat van de EU en die conform de aldaar geldende technische voorschriften zijn vervaardigd, doch die niet voldoen aan de desbetreffende bij of krachtens het onderhavige besluit gestelde prestatie-eis, toch kunnen worden toegepast, mits wordt aangetoond dat met het product een gelijkwaardige prestatie wordt geleverd als met die eis is beoogd. In de nabije toekomst zullen bouwproducten ingevolge de richtlijn bouwproducten uitsluitend vrij verhandelbaar zijn als ze zijn voorzien van de CE-markering. Aangezien dergelijke bouwproducten ingevolge artikel 1.7 eerste lid, worden geacht bouwproducten te zijn waarvoor een kwaliteitsverklaring is afgegeven, zal de gelijkwaardigheid van dergelijke producten dan op eenvoudiger wijze kunnen worden aangetoond. Het elders uitgevoerde onderzoek zal dus moeten worden geaccepteerd als bewijs voor de prestatie van het product. Daarmee is echter nog niet gezegd dat het product in zijn toepassing leidt tot het voldoen aan het Bouwbesluit.

Indien de aanvrager van de bouwvergunning er niet in slaagt aan burgemeester en wethouders aan te tonen dat de door hem gekozen bouwkundige oplossing, bijvoorbeeld voor een experimenteel project, wat niveau betreft ten minste gelijk is aan het niveau dat is beoogd met de prestatie-eis waarvan hij afwijkt, bestaat voor de aanvrager in beginsel de mogelijkheid op grond van artikel 7 van de Woningwet vrijstelling van de desbetreffende eis te vragen aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Een voorwaarde daarvoor is evenwel, dat burgemeester en wethouders een verklaring afgeven waaruit blijkt dat zij de bouwvergunning zullen verlenen indien de beoogde vrijstelling is verleend. Een dergelijke verklaring zullen burgemeester en wethouders in beginsel slechts afgeven indien zij van oordeel zijn dat de desbetreffende oplossing, hoewel niet is aangetoond dat die gelijkwaardig is, toch moet kunnen worden verwezenlijkt. Uiteraard moet bovendien vaststaan dat er, gelet op artikel 44 van de Woningwet, geen andere redenen zijn om de bouwvergunning te weigeren.

2.1.6.Ontheffing van een voorschrift

In het onderhavige besluit is niet voorzien in de mogelijkheid dat burgemeester en wethouders bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning voor het bouwen van een nieuw bouwwerk ontheffing kunnen verlenen van de prestatie-eisen. Het zou immers een aantasting betekenen van de geloofwaardigheid van de voor de nieuwbouw geldende eisen die als minimum eisen zijn aangemerkt.

Op grond van de omschrijving van het begrip "bouwen" in artikel 1 van de Woningwet, is het geheel of gedeeltelijk veranderen, vernieuwen of vergroten van een bouwwerk aan te merken als bouwen, zodat bij het verbouwen of renoveren in beginsel de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn. Het toepassen van die nieuwbouwvoorschriften bij het verbouwen of renoveren is evenwel, technisch gezien, niet altijd mogelijk en staat bovendien, financieel gezien, niet altijd in redelijke verhouding tot het resultaat daarvan. Om die redenen is in paragraaf 1.5 van dit besluit voorzien in het voorschrift dat in geval van verbouw of renovatie burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van de nieuwbouwvoorschriften tot het niveau van de ingevolge dit besluit voor de bestaande bouw geldende voorschriften. Wanneer er evenwel ten aanzien van een bepaald onderwerp wèl een nieuwbouwvoorschrift bestaat, maar geen voorschrift voor de bestaande bouw, dan biedt de hiervoor bedoelde ontheffingsbepaling geen soelaas. Artikel 6 van de Woningwet bepaalt immers dat bij een voorschrift moet worden aangegeven tot welk niveau burgemeester en wethouders ontheffing mogen verlenen. De bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing is nooit bedoeld om volledige ontheffing te verlenen. Zou dat het geval zijn geweest, dan zou de rechtvaardiging van een dergelijk voorschrift op zijn minst twijfelachtig zijn. Burgemeester en wethouders kunnen in een dergelijk geval bij verbouw of renovatie dus geen ontheffing verlenen, omdat het niveau waartoe zij ontheffing kunnen geven, ontbreekt. Het verlenen van ontheffing zou in een dergelijk geval nu juist wel noodzakelijk of gewenst kunnen zijn. Gelet hierop is voor dergelijke gevallen in paragraaf 1.5 van dit besluit voorzien in specifieke ontheffingen. In dit verband valt bijvoorbeeld te denken aan de voor de nieuwbouw geldende voorschriften met betrekking tot de geluidwering. Het opnemen van dergelijke voorschriften voor de bestaande bouw zou, gelet op het feit dat die voorschriften in het verleden niet hebben gegolden, te ver gaan. Bovendien zou, wanneer toch een voorschrift voor de bestaande bouw zou zijn gegeven, het niveau daarvan zodanig laag moeten zijn dat het voorschrift, feitelijk gezien, inhoudsloos is.

Tenslotte is in paragraaf 1.5 nog een bijzondere ontheffing opgenomen. Deze bepaling maakt het mogelijk dat in die gevallen waarin noch een eis voor de bestaande bouw is gegeven, waardoor er geen ontheffingsniveau geldt, noch een specifieke ontheffing is gegeven, toch tot een bepaald niveau ontheffing kan worden verleend. Dit niveau is het rechtens verkregen niveau, te weten: het niveau waarvoor destijds bouwvergunning is verleend.

Van bepaalde voorschriften mag echter bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of het vergroten van een bestaand bouwwerk geen ontheffing worden verleend. Het gaat daarbij om bepaalde voorschriften met betrekking tot de aspecten veiligheid, gezondheid. Voor de energiezuinigheidseisen geldt een bijzondere regeling. Deze komt er op neer dat voor het geheel vernieuwen of veranderen van een (verwarmd) gebouw geen ontheffing kan worden verleend van de voor het desbetreffende gebouw geldende eisen inzake energiezuinigheid, waaronder begrepen de energieprestatiecoëfficiënt. Verder zou voor het gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of het vergroten van een verwarmd gebouw dat, voor zover het om een bestaand gebouw gaat dat is gebouwd vóór de inwerkingtreding van het Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake energieprestatie, de ontheffingsregeling moeten gelden zoals die voor dat tijdstip gold. Voor verwarmde gebouwen die na dat tijdstip zijn gebouwd en weer worden verbouwd, zouden de nieuwbouw-eisen van het wijzigingsbesluit, waaronder begrepen de energieprestatiecoëfficiënt, van toepassing moeten blijven. Immers, artikel 4 van de Woningwet verzet zich hier niet tegen, omdat er immers een rechtens verkregen niveau is en er door de verbouwingen een vanuit de optiek van energiezuinigheid geen slechtere situatie zou mogen ontstaan. In afdeling 5.1 is abusievelijk is een absolute ontheffing voor die gevallen voorzien. Voor de toegankelijkheidseisen voor gebouwen geldt evenzo een bijzondere regeling. Deze komt er op neer dat voor het geheel vernieuwen of veranderen van een gebouw geen ontheffing kan worden verleend van de voor het desbetreffende gebouw geldende eisen inzake toegankelijkheid. Verder geldt voor het gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of het vergroten van een gebouw dat, voor zover het om een bestaand gebouw gaat dat is gebouwd vóór de inwerkingtreding van het Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit inzake toegankelijkheid van gebouwen, de ontheffingsregeling geldt zoals die voor dat tijdstip gold. Voor gebouwen die na dat tijdstip zijn gebouwd en weer worden verbouwd, blijven de nieuwbouw-eisen van het wijzigingsbesluit van toepassing. Een bijzondere regeling geldt evenzeer voor de geluidwering. Het verlangen van het nieuwbouwniveau bij het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen wordt in algemene zin niet als redelijk beschouwd. Derhalve is voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen een specifiek ontheffingsniveau gegeven in de paragrafen 3.1 tot en met 3.5. Voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen in de omgeving van binnenlandse luchtvaartterreinen is echter een afwijkend specifiek ontheffingsniveau opgenomen. Dit ontheffingsniveau sluit aan bij het niveau, zoals neergelegd in de RGV'97. Bij dit niveau is evenwel rekening gehouden met de systematiek van het Bouwbesluit 2003 met betrekking tot het onderscheid tussen een verblijfsgebied en een verblijfsruimte. Het gaat bij het specifieke ontheffingsniveau immers om een geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, terwijl het in paragraaf 3.1 primair gaat om de karakteristieke geluidwering van een verblijfsgebied respectievelijk verblijfsruimte. Dit laatste heeft op grond van het gestelde in artikel 25, vijfde lid, van de Luchtvaartwet regeling gekregen met de bijbehorende grenswaarde, vastgelegd in artikel 25, vierde lid, van die wet.

2.1.7.Normen, aansluitvoorwaarden en kwaliteitsverklaringen

Ter uitvoering van artikel 3 van de Woningwet is in het onderhavige besluit verwezen naar normbladen of delen van normbladen. Deze normbladen worden uitgegeven door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut. Ten behoeve van de totstandkoming van normbladen heeft NEN een aantal commissies ingesteld waarin in beginsel de voor een normeringsonderwerp relevante maatschappelijke groeperingen zijn vertegenwoordigd. Nadat een normblad in concept gereed is, en de betreffende normcommissie met de tekst heeft ingestemd, wordt dit normblad als ontwerp-normblad (de zogenoemde groene versie) gepubliceerd. Deze publicatie heeft tot doel dat een ieder binnen de in dit ontwerp-normblad aangeduide periode kritiek kan leveren op dat ontwerp. Indien op het ontwerp-normblad kritiek is geleverd wordt het ontwerp-normblad opnieuw besproken in de betreffende normcommissie en wordt het normblad zo nodig aangepast. Hierna wordt het, eventueel aangepaste, normblad door NEN gepubliceerd.

Op drieërlei wijze is gebruik gemaakt van de mogelijkheid bij of krachtens het Bouwbesluit naar normbladen te verwijzen. Hoewel in beginsel de eisen bij of krachtens het Bouwbesluit zelf zijn gegeven, is uit praktische en ten dele historische overwegingen in een beperkt aantal gevallen volstaan met een verwijzing naar een normblad. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het aspect constructieve veiligheid. Ook waar krachtens het Bouwbesluit eisen gelden voor de inrichting van een voorziening (elektriciteit, gas, droge blusleiding etc.), gebeurt dit door middel van verwijzing naar een normblad. Het handelt in de meeste gevallen om eisen die te gedetailleerd en uitgebreid zijn om bij of krachtens het Bouwbesluit zelf te omschrijven. Verwijzing naar een normblad vindt eveneens plaats als het er om gaat bij een normblad gedefinieerde en omschreven begrippen aan te duiden. De laatste en verreweg de meest voorkomende verwijzing naar een normblad heeft betrekking op de aansturing van een in zo'n normblad vastgelegde bepalingsmethode die onlosmakelijk deel uitmaakt van de prestatie-eis die bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 is gesteld. Alvorens bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 naar een normblad is verwezen, is nagegaan of het normblad in overeenstemming is met de uitgangspunten die aan het Bouwbesluit 2003 ten grondslag liggen. Belangrijke overwegingen daarbij zijn onder meer:

  • het normblad mag niet meer regelen dan uit publiekrechtelijk oogpunt noodzakelijk is te achten;
  • het normblad mag niet zijn gebaseerd op nieuw beleid, leidende tot nieuwe en veelal verdergaande eisen dan tot dusverre hebben gegolden;
  • het normblad moet aansluiten op het Bouwbesluit;
  • het normblad moet ondubbelzinnig en volgens het prestatie-beginsel zijn geformuleerd;
  • in het normblad of het desbetreffende aan te wijzen deel van het normblad mag geen vermenging hebben plaatsgevonden met administratieve dan wel andere niet-technische inhoudelijke bepalingen, zoals bijvoorbeeld een regeling van bevoegdheden.

Om te bewerkstelligen dat de voor het Bouwbesluit 2003 van belang zijnde normbladen aan bovengenoemde criteria voldoen, heeft NEN op verzoek van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het zogenoemde Actieprogramma Bouwbesluit en normen opgesteld en uitgevoerd. In het kader van dit project is door een groot aantal normcommissies, normsubcommissies en werkgroepen gewerkt aan de herformulering van bestaande normbladen en aan het opstellen van enkele nieuwe normbladen. Deze inspanning heeft het mogelijk gemaakt bij of krachtens het Bouwbesluit naar de van belang zijnde normbladen te verwijzen. Nadien zijn nog een aantal actieprogramma’s uitgevoerd om de aansluiting tussen normbladen en het Bouwbesluit 2003 verder te optimaliseren.

In paragraaf 1.2 is een bepaling opgenomen dat bij ministeriële regeling nadere voorschriften kunnen worden gegeven omtrent de toepassing van de normbladen. De bedoeling van deze nadere voorschriften is dat bij regeling, deels via verwijzing naar NEN 2000, kan worden aangegeven welke uitgave van het normblad en welk deel van het normblad van toepassing is, bijvoorbeeld artikel 4.2 van NEN 2608, 4e druk, december 1997, inclusief wijzigingsblad NEN 2608/A1, december 2001. Indien in het aangewezen normblad of deel van het normblad een doorverwijzing plaatsvindt naar een of meer andere normbladen, kan bij of krachtens de ministeriële regeling ook van die andere normbladen worden aangegeven welke uitgave het betreft en welk deel van toepassing is. Door dit mechanisme is gewaarborgd dat latere herzieningen van de desbetreffende normbladen niet automatisch bindend zijn, hetgeen uit het oogpunt van rechtszekerheid is geboden. Voorts kan, indien een in een normblad gehanteerd begrip, gegeven voorschrift of methode afwijkt van een in het Bouwbesluit 2003 gehanteerd begrip, gegeven voorschrift of methode, bij of krachtens ministeriële regeling worden aangegeven op welke wijze deze begrippen, voorschriften of methoden op elkaar aansluiten.

Bij of krachtens het onderhavige besluit is niet langer verwezen naar aansluitvoorwaarden van bouwtechnische aard, zoals de door de desbetreffende overkoepelende organisatie van nutsbedrijven uitgegeven model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie, gas en drinkwater. Van de geboden mogelijkheid in artikel 3 van de Woningwet is niet langer gebruik gemaakt. Er is in plaats daarvan rechtsstreeks verwezen naar de relevante delen van normbladen. Dat wil overigens niet zeggen dat nu artikel 123 van de Woningwet feitelijk zonder betekenis is geworden, nutsbedrijven nu weer vrij zijn om aanvullende bouwtechnische eisen te stellen. Ook voor de nutsbedrijven geldt dat het Bouwbesluit een uitputtende regeling van bouwtechnische voorschriften is.

De reden voor de nadere aanduiding van normbladen bij of krachtens ministeriële regeling is, dat normbladen regelmatig - in de regel om de 5 jaar - plegen te worden herzien en daarop bij ministeriële regeling zo nodig soepel en snel kan worden ingespeeld. Van het Bouwbesluit 2003 maakt, wat de aansturing van normbladen betreft, per 1 januari 2003 de Regeling Bouwbesluit 2003 deel uit.

Tenslotte is in paragraaf 1.4 eveneens een regeling getroffen met betrekking tot de verwijzing naar kwaliteitsverklaringen. Een kwaliteitsverklaring is, blijkens artikel 1 van de Woningwet, een schriftelijk bewijs, voorzien van een door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen merkteken, afgegeven door een door die minister aangewezen deskundig, onafhankelijk instituut, op grond waarvan een bouwmateriaal of bouwdeel, indien dat materiaal of deel bij het bouwen wordt toegepast, wordt geacht te voldoen aan de bij of krachtens het onderhavige besluit gestelde eisen. Instituten die door de Stichting Raad voor de Accreditatie als certificeringsinstelling op het gebied van de bouw zijn erkend, zijn als zodanig aangewezen. De door de aangewezen instituten af te geven kwaliteitsverklaringen zijn inmiddels afgestemd op de uitgangspunten en de wijze van formulering van de voorschriften van het onderhavige besluit. Die afstemming heeft plaatsgevonden op basis van door de Stichting Bouwkwaliteit opgestelde specifieke, op de voorschriften van het onderhavige besluit afgestemde eisen. Aan die eisen moet de inhoud van een kwaliteitsverklaring voldoen. Met behulp van een kwaliteitsverklaring kan worden aangetoond dat bij toepassing van de in de desbetreffende kwaliteitsverklaring aangeduide bouwmaterialen of bouwdelen aan bepaalde voorschriften van het Bouwbesluit 2003 wordt geacht te zijn voldaan. Burgemeester en wethouders zijn gehouden dergelijke kwaliteitsverklaringen als voldoende bewijs te accepteren.

2.1.8.Voorschriften bij ministeriële regeling

In het onderhavige besluit is de mate waarin bij ministeriële regeling inhoudelijke voorschriften kunnen worden gegeven, zoveel mogelijk beperkt. Voor te bouwen gebruiksfuncties betreft dit de mogelijkheid tot het geven van voorschriften omtrent de toepassing van materialen waaruit stoffen kunnen vrijkomen of waaruit ioniserende stralen kunnen ontstaan die voor de gezondheid van de mens schadelijk of hinderlijk zijn. Deze voorschriften zijn opgenomen in de Regeling Bouwbesluit 2003. Verder kunnen er bij ministeriële regeling voorschriften worden gegeven omtrent de wering van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling. De reden voor eerstgenoemde mogelijkheid tot subdelegatie is dat op die wijze bij eventuele calamiteiten snel en doeltreffend kan worden ingegrepen, zoals in het verleden het geval is geweest bij de toepassing van spaanplaat waaruit een onaanvaardbare mate van formaldehyde vrijkwam. Wat de uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling betreft, is inmiddels in EU-verband vastgesteld dat schadelijk radon zonder deugdelijke afscherming in een gebouw kan binnendringen. Er zijn evenwel nog geen eisen geformuleerd met het oog op de wering van dat radon. Daarnaar vindt zowel in EU-verband als landelijk nog onderzoek plaats. Tevens voorzien de voorschriften van het besluit in de verplichting bij ministeriële regeling een nadere uitwerking te geven aan twee brandveiligheidsaspecten. Het gaat hierbij om de aanduiding van bij brand gevaar opleverende stoffen en om voorschriften omtrent de doorstroom- en opvangcapaciteit van vluchtroutes. De reden voor deze subdelegatie is onder meer dat de te geven voorschriften te gedetailleerd van aard zijn om in het Bouwbesluit 2003 zelf te geven.

Bij de voorschriften voor de bestaande bouw is, in tegenstelling tot bij de nieuwbouwvoorschriften, niet overal verwezen naar normbladen. Reden hiervoor is dat de desbetreffende normbladen niet of onvoldoende zijn toegesneden op de bestaande bouw. In dergelijke gevallen is verwezen naar bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, waarin zowel het niveau van de eisen als de methode waarmee kan worden nagegaan of aan de eisen is voldaan, is vastgelegd. Uit het oogpunt van terughoudendheid met regelgeving zijn de mogelijkheden tot subdelegatie voor de bestaande bouw evenwel zoveel mogelijk beperkt. Wat de voor de bestaande bouw bij ministeriële regeling gestelde eisen betreft, is rekening gehouden met een natuurlijke vermindering van de kwaliteit van materialen en constructies. Daarbij is in beginsel uitgegaan van de desbetreffende normbladen voor de nieuwbouw, waarbij rekening is gehouden met het hiervoor gestelde. Wat de nutsvoorschriften betreft, zijn voor de voorschriften voor de bestaande bouw verwijzingen gepleegd naar inhet verleden gepubliceerde normbladen.

Tot slot biedt het onderhavige besluit de mogelijkheid bij ministeriële regeling voorschriften te geven omtrent het gebruik van de in de richtlijn bouwproducten genoemde CE-markering en omtrent hetgeen overigens met het oog op de implementatie van die richtlijn regeling behoeft. De te geven voorschriften omtrent het gebruik van de CE-markering zijn van zodanig gedetailleerde en technische aard dat deze zich niet goed lenen voor regelgeving door middel van een algemene maatregel van bestuur. Door middel van de tweede delegatiemogelijkheid kan, zo nodig, snel en doeltreffend worden ingespeeld op thans niet te voorziene ontwikkelingen met betrekking tot de nadere uitwerking en toepassing van de richtlijn bouwproducten.

Bij wijziging van het Bouwbesluit 2003 (Stb. 2006, 148) is geregeld dat in de Regeling Bouwbesluit 2003 de implementatie van de richtlijn tunnelveiligheid (2004/54/EG) nader gestalte heeft gekregen.

2.2.De voorschriften naar onderwerp beschouwd

2.2.1.Inleiding

In deze paragraaf is een beschouwing gegeven over de onderwerpen die uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu regeling hebben gekregen in het onderhavige besluit. Daarbij dient evenwel te worden bedacht dat, zoals reeds eerder in deze nota is opgemerkt, de beschouwde onderwerpen, mede gelet op artikel 2 van de Woningwet en het beginsel van verworven rechten voor de bestaande bouw, niet allemaal, geheel of gedeeltelijk, van toepassing zijn op de verschillende in dit besluit bedoelde soorten gebruiksfuncties.

2.2.2.Veiligheid

De voorschriften die uit het oogpunt van veiligheid zijn gesteld, richten zich op de constructieve veiligheid, gebruiksveiligheid, brandveiligheid en sociale veiligheid.

De voorschriften met betrekking tot de constructieve veiligheid hebben ten doel te waarborgen dat een bouwwerk niet geheel of gedeeltelijk instort of omvalt als gevolg van de op het bouwwerk werkende krachten. Met andere woorden, die voorschriften moeten waarborgen dat het bouwwerk voldoende sterkte en stabiliteit heeft. Voorts moet de hoofddraagconstructie van een bouwwerk in staat zijn bijzondere belastingen, zoals bepaalde explosies, een extreme grondwaterstand, te weerstaan, opdat voortschrijdende instorting van dat bouwwerk wordt voorkomen. Voor de nieuwbouw geldt daarenboven dat het bouwwerk duurzaam bestand moet zijn tegen de daarop werkende krachten. Voorts moeten de hoofddraagconstructie en de draagconstructie van een vloer, trap en hellingbaan van een bouwwerk zodanig sterk zijn dat die constructies bij brand niet binnen een korte tijdsduur instorten, opdat de in die bouwwerken aanwezige vluchtmogelijkheden in stand blijven en door in het gebouw aanwezige personen of de brandweer, ondanks de brand, kunnen worden gebruikt. Deze eisen zijn ook gegeven om gevaar voor de omgeving te voorkomen en maatschappelijke schade te minimaliseren.

De voorschriften met betrekking tot de verplaatsing van een bouwwerk, die impliciet door aansturing van de sterkte-eisen via de NEN 6700 van kracht zijn, zijn gesteld om te voorkomen dat de bruikbaarheid van het bouwwerk vermindert als gevolg van het in zijn geheel ten opzichte van het maaiveld te veel zakken van dat bouwwerk of een deel daarvan. Derhalve zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare zakking van een bouwwerk.

De voorschriften met betrekking tot de gebruiksveiligheid hebben ten doel ongevallen in en om een gebouw zoveel mogelijk te voorkomen. Met het oog hierop zijn dan ook, om te voorkomen dat iemand van een vloer naar beneden kan vallen, eisen gesteld met betrekking tot de aanwezigheid van afscheidingen bij randen van vloeren, alsmede aan die afscheidingen zelf. Dit laatste mede om het overklauteren of doorvallen door kleine kinderen zoveel mogelijk tegen te gaan. Voorts zijn ten einde op redelijk veilige wijze de voor het gebruik van het bouwwerk van belang zijnde ruimten te kunnen bereiken, eisen gesteld aan de wijze waarop hoogteverschillen veilig moeten zijn te overbruggen. Daarnaast zijn met het oog op het zo vloeiend en veilig mogelijk kunnen begaan van een trap of hellingbaan waarmee hoogteverschillen moeten zijn overbrugd, eisen gesteld aan een trap en een hellingbaan. Voorts zijn ten einde ongevallen, vooral buiten het gebouw, tegen te gaan, aan de situering van deuren en ramen en andere beweegbare onderdelen in de gevel eisen gesteld. Dergelijke eisen zijn ook gegeven om vluchtroutes veilig te kunnen gebruiken. Om op veilige wijze van besloten ruimten gebruik te kunnen maken is voorts een verlichtingsinstallatie voorgeschreven die in bepaalde situaties tevens moet zijn aangesloten op een noodstroomvoorziening. Tenslotte zijn in dit verband, met het oog op een veilig gebruik, eisen gesteld aan de veiligheid van elektriciteits- en gasinstallaties.

De voorschriften met betrekking tot de brandveiligheid, die op grond van artikel 2 van de Woningwet alleen betrekking kunnen hebben op bouwkundige aspecten, hebben ten doel het zoveel mogelijk voorkomen van brandgevaarlijke situaties, de beperking van ontwikkeling van brand, beperking van uitbreiding van brand, beperking van het ontstaan van rook, beperking van verspreiding van rook, het uit een gebouw op veilige wijze kunnen vluchten of worden gered bij brand, het zoveel mogelijk voorkomen en beperken van ongevallen bij brand, het beperken van branduitbreiding en het kunnen bestrijden van brand. De brandveiligheid van gebouwen kan niet alleen worden bereikt door het stellen van bouwkundige eisen. Op grond van de gebruiksbepalingen die, gelet op artikel 8 van de Woningwet, in de gemeentelijke bouwverordening dienen te worden opgenomen, kunnen aanvullende niet-bouwkundige voorschriften zijn geformuleerd die tezamen met de voorschriften uit dit besluit moeten leiden tot een brandveilig bouwwerk. Deze gebruiksbepalingen kunnen betrekking hebben op onder meer:

  • de bereikbaarheid voor brandweervoertuigen;
  • de beschikbaarheid van bluswater;
  • de aanwezigheid, inrichting en instandhouding van een brandmeldinstallatie;
  • de aanwezigheid, inrichting en instandhouding van een ontruimingsalarmeringsinstallatie;
  • de instandhouding van een rook en warmte-afvoerinstallatie;
  • de instandhouding van een automatische brandblusinstallatie;
  • de aanwezigheid, inrichting en instandhouding van kleine blusmiddelen, zoals schuimblussers;
  • het maximale aantal personen dat in relatie tot de bouwkundige en niet bouwkundige eisen in een gebouw of een gedeelte daarvan aanwezig mag zijn;
  • de inrichting van een gebouw, waaronder plafond- en wandversiering;
  • de opslag van brandgevaarlijke stoffen in een gebouw.

Een en ander betekent derhalve dat preventie, een samenstel van bouwkundige en niet-bouwkundige voorschriften, en repressie bepalend zijn voor het brandveiligheidsniveau.

Bij de bepaling van het niveau van de bouwkundige eisen is, zoals ook het geval was bij de voorschriften van voor het Bouwbesluit, uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

  • binnen 15 minuten na het ontstaan van een brand is die brand ontdekt en vindt alarmering van de door die brand bedreigde personen en de brandweer plaats;
  • binnen 15 minuten na alarmering van de door de brand bedreigde personen moeten die personen zonder hulp van de brandweer kunnen vluchten;
  • binnen 15 minuten na het melden van de brand is de brandweer aanwezig en operationeel, en
  • binnen 60 minuten na het ontstaan van de brand moet de brandweer de brand onder controle hebben of, anders gezegd, de brand meester zijn. Op dat moment moeten ook alle door de brand bedreigde personen zijn gered. Met andere woorden, de brandweer moet binnen 30 minuten bedreigde personen hebben gered en de verdere uitbreiding van de brand hebben voorkomen.

Meer in detail ziet het tijdschema er uit als aangegeven in figuur 1.

Afbeelding

Figuur 1 - Normatief verloop ontdekken, melden en blussen

Het verloop van een brand laat zich beschrijven zoals aangegeven in figuur 2

Afbeelding

Figuur 2 - Brandverloop

In de groeifase vindt volgens de aan de regelgeving ten grondslag liggende modellering ontdekking, melding, alarmering en het vluchten zich af. Dan is er nog geen sprake van een grote brand. Afhankelijk van gebruik en bestemming van delen van een gebouw zijn de gebruiksvoorschriften uit de gemeentelijke bouwverordening hierop afgestemd.

Met het oog op het zoveel mogelijk voorkomen van brandgevaarlijke situaties zijn onder meer eisen gesteld, waardoor bij oververhitting het risico van het ontstaan van brand wordt beperkt. Deze eisen hebben betrekking op de toepassing van onbrandbaar materiaal ter plaatse van een stookplaats en aan de binnenzijde van bepaalde schachten, kokers en kanalen. Een voorziening voor de afvoer van rook moet voorts brandveilig zijn om brand ter plaatse van en in nabijheid van die voorziening te voorkomen. Om voorts te voorkomen dat als gevolg van de uitstoot van vaste vuurdeeltjes een naburig pand in brand geraakt, zijn eisen gesteld aan de plaatsing van uitmondingen van een rookafvoervoorziening. In verband met het voorgaande is daarnaast geëist dat in het algemeen het dak van een gebouw niet brandgevaarlijk mag zijn. Ter beperking van de ontwikkeling van een brand zijn eisen gesteld aan de bijdrage tot brandvoortplanting van constructie-onderdelen die in een bouwwerk zijn toegepast, opdat gebruikers van een bouwwerk nog tijdig in staat zijn het brandende deel van het bouwwerk te verlaten. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen constructie-onderdelen die een ruimte waardoor een van rook of een van brand en rook gevrijwaarde vluchtroute voert, omhullen dan wel in een dergelijke ruimte zijn gelegen en andere constructie-onderdelen. Om de uitbreiding van brand naar andere bouwwerken en naar gedeelten van bouwwerken te voorkomen en daarmee de omvang van een brand beperkt te houden, zijn eisen geformuleerd met betrekking tot de indeling van gebouwen in brandcompartimenten, opdat in beginsel de omvang van een brand beperkt blijft. Om de uitbreiding van brand te beperken, moeten voorts de scheidingsconstructies tussen een brandcompartiment en bepaalde andere ruimte een zekere weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag hebben, waarbij de eisen zijn gedifferentieerd naar enerzijds bestemming en grootte van het gebouw en anderzijds bestemming van die andere besloten ruimten. Slechts zelfsluitende deuren mogen in bepaalde scheidingsconstructies voorkomen. Ten einde het ontstaan van rook te beperken, zijn aan constructie-onderdelen die besloten ruimten omhullen dan wel in dergelijke ruimten zijn toegepast, eisen gesteld inzake de rookproductie. Evenals bij de eisen inzake de beperking van de ontwikkeling van brand, is bij het stellen van deze eisen onderscheid gemaakt tussen ruimten waardoor een van rook gevrijwaarde en een van brand en rook gevrijwaarde vluchtroute voert en andere ruimten.

Om de verspreiding van rook naar andere bouwwerken en naar gedeelten van bouwwerken te beperken en daarmee de veilige ontvluchting uit een bouwwerk mogelijk te maken, zijn eisen geformuleerd met betrekking tot de indeling van brandcompartimenten in rookcompartimenten. Deze eisen hebben mede ten doel om de in een rookcompartiment verblijvende personen in de gelegenheid te stellen het bedreigde gedeelte van het bouwwerk, zijnde het rookcompartiment waarin de brand woedt, te verlaten. Ten einde de verspreiding van rook te beperken, moeten voorts de scheidingsconstructies tussen een rookcompartiment en bepaalde andere besloten ruimten een bepaalde weerstand tegen rookdoorgang hebben, waarbij de eisen zijn gedifferentieerd naar enerzijds bestemming en grootte van het gebouw en anderzijds bestemming van die andere besloten ruimten. In bepaalde scheidingsconstructie mogen slechts zelfsluitende constructie-onderdelen voorkomen.

Met het oog op het veilig kunnen vluchten bij brand zijn eisen gesteld inzake het aantal en de inrichting van (brand) en rookvrije vluchtroutes. De eisen zijn gedifferentieerd naar bestemming en grootte van het bouwwerk. Deze eisen hebben onder meer betrekking op het aantal uitgangen van een rookcompartiment, gerelateerd aan de grootte van een rookcompartiment, de afmetingen van uitgangen, de vrije doorgang van die vluchtroute, de draairichting van deuren in die vluchtroute, de afmetingen van trappenhuizen en de indirect noodzakelijke aanwezigheid van veiligheidstrappenhuizen. Met het oog op het zoveel mogelijk voorkomen van ongevallen bij brand zijn eisen gesteld op basis waarvan de brandweer snel kan handelen om de in een gebouw aanwezige personen die door de brand worden bedreigd, te redden. Deze eisen hebben bijvoorbeeld betrekking op de afstand tussen een toegang van een rookcompartiment en een trap die naar buiten voert, de aanwezigheid van een zogenoemde brandweerlift in hoge gebouwen en de afstand tussen een toegang van een rookcompartiment en die lift.

Om de brandweer in staat te stellen een eenmaal ontstane brand te blussen, zijn eisen gesteld met betrekking tot de aanwezigheid van enige voorzieningen. Zo is geëist dat in hoge gebouwen droge blusleidingen aanwezig zijn waaraan brandslangen kunnen worden gekoppeld vanaf de brandweerauto en op elke verdieping van het gebouw, opdat niet te veel tijd verloren gaat met het uitleggen en koppelen van brandslangen. Voorts moet in heel hoge gebouwen een droge blusleiding zijn voorzien van een elektrisch aangedreven pomp om daarmee voldoende druk te kunnen houden op het opgepompte bluswater. Die pomp moet bovendien zijn aangesloten op een noodstroomvoorziening, opdat bij het uitvallen van de reguliere stroomvoorziening de pomp bij brand toch zijn werk kan doen. Voor bepaalde gebruiksfuncties is nog een eis gesteld met betrekking tot de aanwezigheid van brandslanghaspels, opdat gebruikers van het gebouw zelf kunnen trachten een beginnende brand te blussen. Voor zover de brandveiligheidseisen in prestatie-eisen zijn geformuleerd, hebben zij betrekking op gebouwen met een hoogte van ten hoogste 70 meter, omdat met het bouwen van dergelijke gebouwen voldoende ervaring is opgedaan om voorschriften te geven. Voor hogere gebouwen zal door burgemeester en wethouders moeten worden bezien of aanvullende bouwkundige eisen noodzakelijk zijn om een brandveilige situatie te bereiken. Dat geldt ook voor gebouwen die lager dan 8 m onder de grond zijn gelegen. In dit verband wordt ook gewezen op de door het Ministerie van Binnelandse Zaken gepubliceerde "Brandbeveiligingsconcepten" voor verschillende gebuiksfuncties. Bedacht moet worden dat die concepten slechts een leidraad vormen en geen regelgeving zijn; bepalend zijn, wat de technische voorschriften betreft, de eisen van het Bouwbesluit.

De voorschriften met betrekking tot de sociale veiligheid hebben hoofdzakelijk ten doel het zoveel mogelijk tegengaan van het onbevoegd binnendringen van kwaadwillende personen in woongebouwen. Zo zijn aan de toegang van een woongebouw om veel voorkomende criminaliteit - diefstal, vandalisme en ongewenste intimiteiten - te beperken, eisen gesteld die er op neerkomen dat een buitenstaander niet zonder een actieve handeling van een bewoner van een woongebouw in dat gebouw kan binnenkomen. Het stellen van een soortgelijke eis voor niet tot bewoning bestemde gebouwen is, gelet op de bestemming van die gebouwen die veelal is gericht op het vrijelijk kunnen binnentreden van personen, achterwege gebleven. Bepaalde gevelelementen van nieuw te bouwen woonfuncties en woongebouwen moeten voorts voldoen aan inbraakveiligheidseisen.

De voorschriften met betrekking tot tunnelveiligheid vloeien voort uit de implementatie van richtlijn tunnelveiligheid (2004/54/EG). Implementatie van deze richtlijn vindt onder meer plaats door het stellen van regels met betrekking tot de veiligheid van voor het wegverkeer toegankelijke tunnels in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Kamerstukken II 2004/2005, 30 209, nr. 2), het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Barvw) en een daarop gebaseerde regeling. In het Barvw zijn met name de voorschriften voor een veilig gebruik van wegtunnels opgenomen. De noodzakelijke bouwtechnische voorschriften zijn opgenomen in een op dit Bouwbesluit 2003 gebaseerde Regeling Bouwbesluit 2003. Hoewel de wijziging van het Bouwbesluit (Stb. 2006, 148) zich in beginsel beperkt tot implementatie van de richtlijn, gaat de wet op een beperkt aantal onderdelen iets verder. Ditzelfde geldt derhalve voor het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels en voor het wijzigingsbesluit. Voorzover hier van belang: de richtlijn heeft betrekking op tunnels in het trans-Europese wegennet langer dan 500 m. In het wijzigingsbesluit is in lijn met de bovengenoemde wet echter uitgegaan van voorschriften voor alle wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar overweging 25 van de richtlijn die de lidstaten aanspoort vergelijkbare veiligheidsniveaus toe te passen voor wegtunnels op hun grondgebied die geen deel uitmaken van het trans-Europese wegennet. Voor een onderbouwing van de keuze voor een tunnellengte van 250 m in plaats van 500 m wordt ook verwezen naar de op 8 juli 2005 aan de Tweede Kamer aangeboden Beleidsvisie Tunnelveiligheid deel B (Kamerstukken II, 2004/2005, 29 296, nr. 3). In deze beleidsvisie wordt uitgegaan van het in Nederland bestaande veiligheidsniveau van tunnels. De conclusie hierbij is dat het, om aan dit veiligheidsniveau te blijven voldoen, noodzakelijk is het in deze wijziging van het Bouwbesluit 2003 opgenomen veiligheidsniveau van toepassing te verklaren op tunnels met een lengte vanaf 250 m.

2.2.3.Gezondheid

De voorschriften die uit het oogpunt van gezondheid zijn gesteld, richten zich op de bescherming tegen schadelijke of hinderlijke invloeden, bescherming tegen schadelijke of hinderlijke stoffen, wering van schadelijk of hinderlijk gedierte, watervoorziening en de daglichttoetreding.

De voorschriften met betrekking tot de bescherming tegen schadelijke of hinderlijke invloeden hebben ten doel het zoveel mogelijk beperken van geluidsoverlast en vochtoverlast. Met het oog hierop zijn, om de hinder vanwege het geluid van buiten als gevolg van het wegverkeer, spoorwegverkeer, luchtvaartverkeer of van de industrie te beperken, eisen gesteld aan de geluidwering van de gevel. Voorts zijn eisen gesteld aan de geluidwering tegen installatielawaai, de geluidwering tussen besloten ruimten en het beperken van galm in bepaalde ruimten. Overmatig geluid heeft een nadelige uitwerking op de gemoedstoestand van mensen en beperkt de communicatie tussen mensen in ruimten waar zij elkaar doorgaans plegen te treffen. Met het oog op het zoveel mogelijk beperken van vochtoverlast, die een nadelige invloed op de bronchiën van mensen heeft en een goede voedingsbodem voor schimmels vormt, zijn ten einde het binnendringen van onder meer regenwater en grondwater in een gebouw en het binnendringen van in een gebouw geproduceerd vocht in de constructie tegen te gaan, eisen gesteld aan de waterdichtheid van de gevels, het dak en de begane-grondvloer, aan de temperatuur van de binnenoppervlakte van scheidingsconstructies van voor het verblijf van mensen bestemde ruimten en aan de wateropname van de wanden en vloeren van natte ruimten, zoals de toiletruimte en de badkamer. Voorts is in dit verband een eis gesteld aan de specifieke luchtdoorlatendheid van een vloer boven een kruipruimte van een gebouw ten einde te voorkomen dat te veel vochtige lucht uit de kruipruimte in het gebouw kan doordringen. Tenslotte zijn voor bepaalde scheidingsconstructies van bijvoorbeeld een meterruimte, eisen met betrekking de regenwerendheid gesteld om te voorkomen dat ongezonde en onveilige situaties kunnen ontstaan. De voorschriften met betrekking tot de bescherming tegen schadelijke of hinderlijke stoffen hebben ten doel dat afvalwater en faecaliën, alsmede hemelwater worden afgevoerd, de binnenlucht in besloten ruimten in voldoende mate wordt ververst en dat ten behoeve van de verbranding van verbrandingstoestellen lucht wordt toegevoerd en rook wordt afgevoerd. Voorts hebben die voorschriften ten doel de toepassing van schadelijke materialen te beperken en het binnendringen in een gebouw van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling tegen te gaan. Om te voorkomen dat vervuild afvalwater, zoals water dat voor het wassen van groenten of de persoonlijke hygiëne is gebruikt, opnieuw wordt gebruikt of, en dit geldt ook voor spoelwater met faecaliën, zo maar buiten wordt weggegooid, waardoor verontreiniging van de grond ontstaat en een goede voedingsbodem voor ziektekiemen en schadelijk gedierte wordt gecreëerd in de directe omgeving van het gebouw, is de eis gesteld dat in het gebouw een rioleringsstelsel aanwezig is dat op het openbaar riool moet kunnen worden aangesloten. Bovendien moet dat rioleringsstelsel om stank en lekkage in het gebouw te voorkomen, aan bepaalde eisen, zoals het luchtdicht zijn, voldoen.

Om te voorkomen dat als gevolg van neerslag de directe omgeving van een gebouw gedurende langere tijd drassig is, waardoor een goede voedingsbodem voor ziektekiemen ontstaat, is geëist dat bepaalde gebouwen een goede hemelwaterafvoer hebben die kan worden aangesloten op het openbaar riool.

Ten einde de binnenlucht in een gebouw te verversen - dit wil zeggen, verse lucht toe te voeren en gebruikte lucht af te voeren - zijn, om de kwaliteit van de binnenlucht op een redelijk peil te houden, omdat die lucht wordt vervuild door de mens zelf - lichaamsgeuren, kookluchtjes, roken e.d. -, alsmede door andere omstandigheden, zoals de afgifte van stoffen of gassen uit in bijvoorbeeld het meubilair gebruikte materialen, eisen gesteld aan de ventilatie van ruimten waarin gewoonlijk mensen plegen te verblijven. Voor zover die ruimten in de praktijk op verschillende manieren kunnen worden gebruikt, zijn bij de formulering van de voorschriften met betrekking tot ventilatie klassen onderscheiden naar het gemiddeld aanwezige aantal personen per m² vloeroppervlakte van die ruimten (verblijfsgebied of verblijfsruimte). Het is de bedoeling dat een aanvrager om bouwvergunning bij zijn aanvraag kenbaar maakt voor welke klasse hij die ruimte geschikt wil doen zijn. De bouwkundige situatie zal dan ook moeten zijn toegesneden op dat beoogde gebruik. Het aantal personen moet zijn uitgedrukt in een bepaalde in dit besluit gegeven klasse. Indien van een klasse is uitgaan, betekent dit dat in de praktijk een dergelijk verblijfsgebied of een dergelijke verblijfsruimte door niet meer dan het bij die klasse behorend aantal personen mag worden gebruikt. Dit vloeit voort uit het aan dit voorschrift gerelateerde gebruiksvoorschrift, zoals neergelegd in het Arbeidsomstandighedenbesluit of de gemeentelijke bouwverordening. Dit betekent voorts dat, wanneer meer personen gebruik moeten kunnen maken van een verblijfsgebied of verblijfsruimte, zal moeten zijn uitgegaan van een andere klasse.

Voorts zijn in dit verband ventilatie-eisen gesteld aan ruimten waarin per definitie stank ontstaat of gassen aanwezig zijn die niet in andere besloten ruimten van een gebouw mogen binnendringen. Dit laatste om de kwaliteit van de binnenlucht in die ruimten niet nadelig te beïnvloeden. Omdat verbrandingstoestellen, zoals bijvoorbeeld een open haard en een geiser, lucht nodig hebben voor een goede verbranding en de bij de verbranding ontstane rook uit de ruimte waarin zo'n toestel is geplaatst, moet worden afgevoerd ten einde te voorkomen dat er enerzijds een vacuüm ontstaat en er anderzijds een ophoping van gevaarlijke gassen, zoals bijvoorbeeld kooldioxyde, optreedt, zijn eisen gesteld aan de noodzakelijke toevoer van voor de verbranding noodzakelijke lucht en de afvoer van rook naar buiten.

Met het oog op het vrijkomen van een te grote mate aan schadelijke stoffen of straling uit materialen die bij het bouwen worden gebruikt, kunnen, om te voorkomen dat daardoor in een gebouw de kwaliteit van de binnenlucht wordt verontreinigd, waardoor oog-, huid- of andere ziekten kunnen ontstaan, eisen worden gesteld inzake ten hoogste toelaatbare concentraties formaldehyde in voor het verblijf bestemde ruimten en inzake materialen waarin onder meer asbest, houtverduurzamingsmiddelen, brandvertragende middelen of radionnuclide is respectievelijk zijn verwerkt. Dergelijke voorschriften gelden ook voor materialen die aan de buitenzijde van een bouwwerk worden gebruikt. Dit, om te voorkomen dat in de directe omgeving van het bouwwerk een voor de gezondheid van de gebruikers van dat bouwwerk, zodanig schadelijke situatie ontstaat dat ziekten kunnen worden opgelopen of door aanzuiging van lucht van buiten ten behoeve van de verversing van de binnenlucht, de kwaliteit van die lucht nadelig wordt beïnvloed. De in dit kader te geven voorschriften hebben ook een relatie met het op grond van de Wet bodembescherming (Stb. 1986, 374) genomen Bouwstoffenbesluit (stb. 1995, 567). De in dat besluit te geven voorschriften, voor zover die betrekking hebben op voor de bouw bestemde materialen, zullen op termijn ook in de op grond van het onderhavige besluit te geven ministeriële regeling worden opgenomen. Die voorschriften zijn gericht op de bescherming van bodem en water bij het gebruik van bouwstoffen in werken in het algemeen. Zodra het Bouwstoffenbesluit in werking is getreden en de daarbij behorende bepalingsmethoden in op prestatie-eisen gebaseerde normbladen zijn opgenomen, zal op grond van artikel 5 van de Woningwet worden bezien op welke wijze die voorschriften bij of krachtens het onderhavige besluit kunnen worden geïncorporeerd. Dit spoort goed met het gegeven dat de Woningwet en het Bouwbesluit de instrumenten vormen voor de implementatie van de richtlijn bouwproducten, in het kader waarvan op termijn wellicht ook regels aan bouwstoffen zullen worden gesteld met het oog op de bescherming van bodem en oppervlaktewater.

Ook uit de grond, vooral de grond die direct onder een gebouw is gelegen, kunnen voor de gezondheid van mensen schadelijke stoffen en schadelijke straling in het gebouw binnendringen. Door deze stoffen en straling kan de kwaliteit van de binnenlucht nadelig worden beïnvloed. Aangezien wel bekend is dat radon zo'n schadelijk gas is, maar nog niet bekend is welke maatregelen tegen het binnendringen moeten worden genomen, is in het onderhavige besluit voorzien in de mogelijkheid dat bij ministeriële regeling ter zake voorschriften kunnen worden gegeven. Op die wijze kan, zodra bedoelde maatregelen bekend zijn dan wel zodra blijkt dat ook tegen andere stoffen of straling maatregelen moeten worden genomen voor de nieuwbouw, snel en doeltreffend op die omstandigheden worden ingespeeld, waardoor het aantal saneringssituaties niet groter wordt dan het al is.

De voorschriften met betrekking tot de wering van schadelijk of hinderlijk gedierte hebben ten doel zoveel mogelijk te voorkomen dat ratten en muizen in een gebouw of in of onder de constructie van een gebouw kunnen doordringen, omdat dergelijke dieren dragers van ziektekiemen zijn die ziekten bij de mens veroorzaken. In verband hiermee zijn eisen gesteld aan openingen in de gevel en het dak, aangezien muizen tegen een muur kunnen opklimmen. Bovendien is die eis bedoeld om het nestelen van ratten en muizen in de spouw, de ruimte tussen een binnen- en buitenmuur, tegen te gaan. Voorts is een eis gesteld om zoveel mogelijk te voorkomen dat ratten en muizen onder een gebouw kunnen nestelen.

De voorschriften met betrekking tot de watervoorziening hebben ten doel dat in een gebouw of bij een bouwwerk, geen gebouw zijnde, kwalitatief goed drinkwater kan worden gebruikt voor het wassen van groenten e.d. en voor de persoonlijke hygiëne. Bovendien betekent de aanwezigheid van water in een gebouw ook een aansporing voor het schoonhouden van dat gebouw. Ten einde te waarborgen dat de kwaliteit van het door het ter plaatse werkzame waterleidingbedrijf geleverde drinkwater ook in een gebouw op een kwalitatief verantwoord peil blijft, is de eis gesteld dat wanneer in een gebouw of bij een bouwwerk, geen gebouw zijnde, een drinkwaterinstallatie aanwezig is, die aan technische eisen moet voldoen. Voorts zijn eisen gesteld aan de ten minste noodzakelijke omvang van een drinkwaterinstallatie. Zo is bepaald dat aansluitpunten noodzakelijk zijn in een toilet- en badruimte, bij een opstelplaats voor een aanrecht, een brandslanghaspel en andere waterverbruikstoestellen.

De voorschriften met betrekking tot warm water hebben ten doel dat op enkele van belang zijnde plaatsen in een gebouw warm water kan worden betrokken voor het zich kunnen wassen of douchen. Deze activiteiten zijn van belang voor een goede persoonlijke hygiëne, waardoor het lichaam kan worden gereinigd van vuil dat in de regel een bron voor besmetting met bacteriën is. Derhalve is geëist dat het warmwatertoestel is aangesloten op de drinkwatervoorziening. Gelet op het vorenstaande moet warm water kunnen worden getapt in een badruimte. De voorschriften met betrekking tot daglicht en uitzicht hebben ten doel dat in een gebouw voldoende daglicht kan toetreden. Om goed te kunnen functioneren, vooral ook op de werkplek, heeft de mens behoefte aan daglicht en uitzicht. Voldoende daglicht en uitzicht zijn immers van invloed op de gemoedstoestand van de mens. Voldoende daglicht komt ten goede aan het gevoel van zich welbevinden. Bij de bepaling van de daglichttoetreding moet rekening worden gehouden met belemmeringen voor de daglichttoetreding die het bouwwerk zelf oplevert. Geen rekening behoeft te worden gehouden met belemmeringen die zich buiten het eigen perceel bevinden. Daarvoor in de plaats moet wel rekening zijn gehouden met een standaard belemmering. Dit is gedaan om te waarborgen dat als gevolg van het oprichten van een bouwwerk op een naastgelegen perceel de noodzakelijk geachte en ingevolge dit besluit vereiste daglichttoetreding niet wordt verminderd. Bovendien wordt hiermede bereikt dat de eigenaar van een reeds bestaand gebouw niet als gevolg van het naast zijn gebouw bouwen van een ander bouwwerk, wordt geconfronteerd met de situatie dat zijn gebouw daardoor in strijd komt met de in het onderhavige besluit gestelde eisen met betrekking tot de daglichttoetreding. Immers, in een dergelijk geval kan die eigenaar worden verrast met een door burgemeester en wethouders uitgevaardigde aanschrijving om zijn gebouw in overeenstemming te brengen met de eisen van het onderhavige besluit. Een vergelijkbare regeling is in het onderhavige besluit ook opgenomen ten aanzien van de eisen met betrekking tot de brandveiligheid, luchtverversing en toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rook.

2.2.4.Bruikbaarheid

De voorschriften die uit het oogpunt van bruikbaarheid zijn gesteld, houden verband met de toegankelijkheid, ruimten en opstelplaatsen en gemeenschappelijke ruimten en opstelplaatsen. De voorschriften bepalen de minimum-inrichting van een gebouw, waarbij bij de nieuwbouw is uitgegaan van eisen des tijds, verband houdend met de desbetreffende functie van het gebouw. Daarbij speelt ook een rol de bezoekbaarheid van een gebouw door mensen met een functiebeperking waaronder onder meer rolstoelgebruikers.

Met het oog op de toegankelijkheid zijn, om mensen met een functiebeperking waaronder ook rolstoelgebruikers toegang te geven tot een gebouw en tot bepaalde in een woonfunctie, woongebouw of niet tot bewoning bestemd gebouw gelegen ruimten, eisen gesteld aan de vrije doorgang van deuren en gangen, de ten hoogste toelaatbare niveauverschillen tussen vloeren en de aanwezigheid van bepaalde voor rolstoelgebruikers noodzakelijke voorzieningen, zoals een op een rolstoelgebruiker afgestemde lift of hellingbaan. Dit wil zeggen, dat de desbetreffende deuropeningen en gangen een bepaalde breedte moeten hebben. Deze eisen maken het ook mogelijk dat bijvoorbeeld grote meubelstukken naar de in een gebouw gelegen afzonderlijke ruimten kunnen worden vervoerd, maar dat is geen doel op zich. Voor een woongebouw is voorts een vloeroppervlakte direct achter de toegang, direct voor een lift en in een gemeenschappelijke verkeersruimte vereist waar een rolstoelgebruiker kan keren. De voorschriften die betrekking hebben op de bereikbaarheid van in een woongebouw gelegen niet gemeenschappelijke gedeelten van woonfuncties beogen hoofdzakelijk de bezoekbaarheid van die gedeelten voor rolstoelgebruikers te vergroten. Voorts moet voor woongebouwen waarin geen lift is vereist reeds ruimte worden gereserveerd waar eventueel later alsnog een lift kan worden geplaatst. Bij niet tot bewoning bestemde gebouwen is, wat dit aspect betreft, een bijzondere regeling getroffen, waardoor ook rolstoelgebruikers zelfstandig de in een dergelijk gebouw zich kunnen verplaatsen. Het gaat daarbij zowel om gebruikers van het gebouw als om bezoekers. Voor hoge of grote woongebouwen betekent het dat naast een trap ook een lift aanwezig moet zijn die aan bepaalde eisen voldoet. In een niet tot bewoning bestemd gebouw met een zekere gebruiksoppervlakte moet een zogenoemde toegankelijkheidssector aanwezig zijn. De toegankelijkheidssector omvat die afzonderlijke ruimten die nodig zijn voor het zelfstandig kunnen functioneren van mensen met een functiebeperking, zoals rolstoelgebruikers. Ook voor grote woonfuncties is de aanwezigheid van een voor rolstoelgebruikers toegankelijk gedeelte voorgeschreven.

De voorschriften die betrekking hebben op ruimten en opstelplaatsen zijn vooral gericht op de aanwezigheid in een tot bewoning bestemd gebouw van afzonderlijke ruimten en van opstelruimte voor bepaalde apparatuur die in het bijzonder verband houdt met het kunnen plaatsvinden van voor het wonen kenmerkende activiteiten. Ook voor niet tot bewoning bestemde gebouwen zijn ten aanzien van de met het desbetreffende gebouw samenhangende kenmerkende activiteiten, dergelijke eisen gesteld. Wat ruimten betreft moet, afhankelijk van de functie van het gebouw, worden gedacht aan verblijfsruimten, toiletruimten, badruimten, kleedruimten, meterruimten, schachten voor liften, technische ruimten, specifieke ruimten voor het plaatsen van clico's, stallingsruimten en fietsenstallingen en stookruimten. Wat betreft opstelplaatsen moet worden gedacht aan bijvoorbeeld opstelruimte voor een kook- en voor een stook- en warmwatertoestel. Met het oog op het besparen van ruimte en op bepaalde gebruiksvormen die zich vooral ten aanzien van woongebouwen voordoen, is toegestaan dat bepaalde ruimten worden samengevoegd dan wel als gemeenschappelijke ruimten worden gerealiseerd. Dit laatste is vooral van belang bij de bouw van bijvoorbeeld studentenflats, zusterhuizen e.d. Op grond van deze voorschriften mag in een dergelijk gebouw bovendien worden volstaan met bijvoorbeeld een geringer aantal toiletruimten of badruimten en mag de opstelplaats voor het aanrecht in de niet-gemeenschappelijke gedeelten van woonfuncties achterwege blijven, wanneer in een gemeenschappelijke verblijfsruimte maar een opstelplaats voor een aanrecht aanwezig is. Met andere woorden, de kenmerkende activiteit, zoals bijvoorbeeld douchen of koken, moet binnen een dergelijk woongebouw mogelijk blijven. Deze uitplaatsingsmogelijkheid geldt voor een deel van het voor een woonfunctie voorgeschreven, niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied, de toiletruimte, de badruimte, de buitenruimte, de opstelplaats voor het aanrecht en de opstelplaatsen voor het kooktoestel, het stooktoestel en het warmwatertoestel. Voor logiesgebouwen zijn met woongebouwen vergelijkbare uitplaatsingsmogelijkheden gegeven. In verband met de bevordering van duurzaam bouwen schrijft het Bouwbesluit geen aanrecht, geen toiletpot en geen bad of douche voor. Bij de gereedmelding van een gebouwen hoeven deze onderdelen niet aanwezig te zijn. De gebruiker van het gebouw mag het "sanitair" later naar eigen keuze kiezen en (laten) plaatsen.

2.2.5.Energiezuinigheid

De voorschriften die uit het oogpunt van energiezuinigheid zijn gegeven, omvatten de thermische isolatie en de beperking van de luchtdoorlatendheid van de scheidingsconstructies van een verwarmd gebouw, alsmede de energieprestatie van bepaalde gebruiksfuncties of gebouwen. Deze voorschriften zijn gericht op het terugdringen van het gebruik van gas en elektriciteit. Het gaat daarbij om het energiegebruik door transmissie en infiltratie en ventilatie via de gebouwschil en om energiegebruik van gebouwgebonden installaties, zoals die voor verwarming, koeling, warm water, ventilatie, bevochtiging en verlichting. Het terugdringen van het gebruik van deze energie draagt bovendien bij tot een geringere belasting van het milieu. Een ander oogmerk voor het stellen van deze eisen is voor de woningbouw gelegen in het beperken van de woonlasten. Immers, een zwaardere isolatie en een lagere energieprestatie betekent minder gebruik van de steeds duurder wordende energie die voor de verwarming en het normale gebruik van het gebouw nodig is.

De voorschriften voor de thermische isolatie van gebouwen zijn bedoeld om de begane-grondvloer, de gevel en het dak zodanig te isoleren, dat warmte niet naar buiten kan weglekken en kou niet naar binnen kan stromen. In de praktijk betekent dit doorgaans dat de begane-grondvloer aan de onderzijde met isolatiemateriaal wordt bekleed, de spouw met isolatiemateriaal wordt gevuld en tussen de dakbedekking en het dakbeschot dergelijk materiaal wordt aangebracht. Bepaalde constructie-onderdelen die zich vooral in de gevel van een gebouw bevinden, behoeven evenwel niet aan de hiervoor bedoelde hoge isolatie-eis te voldoen. Anders kunnen ramen, deuren, borstweringen e.d. niet worden gerealiseerd. Het glas in ramen en deuren moet van zodanige kwaliteit zijn dat het een bepaalde warmtedoorgang niet te boven gaat. Dit wordt in de regel alleen bereikt door toepassing van thermisch isolerend dubbelglas. De voorschriften voor de luchtdoorlatendheid leiden er toe dat de constructie van de begane-grondvloer, de gevel en het dak zodanig dicht zijn, dat door kieren en ventilatie-openingen geen te grote stroming van lucht gaat ontstaan, waardoor als gevolg van die luchtstroming te veel koude buitenlucht het gebouw ongecontroleerd kan binnendringen met als gevolg dat extra energietoevoer nodig is om de binnenlucht op temperatuur te houden. De voorschriften met betrekking tot de energieprestatie leiden tot een verdergaande energiebesparing dan met de eisen inzake de thermische isolatie en de luchtdoorlatendheid kan worden bereikt. De verdergaande energiebesparing kan worden bereikt door ook andere aspecten van een gebouw daarbij te betrekken. Aspecten die betrekking hebben op energiegebruikende gebouwgebonden installaties en benutting van passieve zonne-energie.