Contact Service
Hoofdstuk 4. Voorschriften uit het oogpunt van ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Hoofdstuk 4. Voorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid

Afdeling 4.1. [Vervallen per 01-09-2005]

Artikel 4.1 [Vervallen per 01-09-2005]

Artikel 4.2 [Vervallen per 01-09-2005]

Afdeling 4.2. Toegankelijkheidssector, nieuwbouw

Artikel 4.3

1.

Een te bouwen bouwwerk is voldoende toegankelijk voor rolstoelgebruikers.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.3 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.3 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.4

1.

Een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m² heeft een toegankelijkheidssector.

2.

Een woonfunctie heeft een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, indien:

  1. a.

    de vloer van een verblijfsgebied in het woongebouw hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau of

  2. b.

    het woongebouw een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 3 500 m² die hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau.

3.

Een gebruiksfunctie heeft een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector. Dit geldt niet indien de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, vermeerderd met het totaal aan gebruiksoppervlakte van een of meer soortgelijke gebruiksfuncties gelegen op hetzelfde perceel, kleiner is dan de in tabel 4.3 aangegeven grenswaarde.

Artikel 4.5

1.

Een toegang van een woonfunctie met een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, is bereikbaar langs een route die uitsluitend voert door gemeenschappelijke verkeersruimten gelegen in een toegankelijkheidssector.

2.

Een ruimte die in een toegankelijkheidssector ligt, is rechtstreeks bereikbaar vanaf het aansluitende terrein of langs een verkeersroute die uitsluitend door een toegankelijkheidssector voert.

3.

Een verkeersroute als bedoeld in het tweede lid, voert niet door een niet-gemeenschappelijke ruimte van een andere gebruiksfunctie.

Artikel 4.6

1.

Een hoogteverschil van meer dan 0,02 m tussen vloeren die in een toegankelijkheidssector liggen is, onverminderd artikel 2.24, overbrugd door een lift of een hellingbaan.

2.

Indien het hoogteverschil tussen een vloer ter plaatse van de toegang van een woonfunctie gelegen in een woongebouw en de vloer ter plaatse van een toegang van een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, groter is dan 0,02 m, is dat hoogteverschil, onverminderd artikel 2.24, overbrugd door een lift.

3.

Indien het hoogteverschil tussen de vloer ter plaatse van een toegang van een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, en het aansluitende terrein groter is dan 0,02 m, is dat hoogteverschil overbrugd door een hellingbaan.

Artikel 4.7

1.

De kooi van een lift als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 1,35 m.

2.

De kooi van een lift als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.

Artikel 4.8

De loopafstand tussen de toegang van een woonfunctie en een toegang van een lift als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, is ten hoogste 90 m.

Artikel 4.9

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel vernieuwen van een bouwwerk niet af van de artikelen 4.4 en 4.5.

Afdeling 4.3. Vrije doorgang

§ 4.3.1. Nieuwbouw

Artikel 4.10

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft toegangen met een zodanige doorgang en verkeersroutes met een zodanige vrije doorgang, dat het gebouw voldoende toegankelijk is.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.10 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.10 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.11

1.

Een toegang van een ruimte heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste de grenswaarde als aangegeven in tabel 4.10. Dit geldt uitsluitend voor:

  1. a.

    een verblijfsgebied,

  2. b.

    een verblijfsruimte,

  3. c.

    een toiletruimte,

  4. d.

    een badruimte,

  5. e.

    een gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval als bedoeld in artikel 4.59,

  6. f.

    een ruimte voor het bereiken van een in dit lid genoemde ruimte, en

  7. g.

    een ruimte voor het bereiken van een liftkooi.

2.

In afwijking van het eerste lid heeft een toegang van de liftschacht voor het bereiken van een liftkooi een hoogte van 2,3 m. Deze hoogte wordt gemeten tussen de onderdelen van de bouwconstructie.

Artikel 4.12

1.

Een verkeersroute die begint bij een toegang als bedoeld in artikel 4.11, heeft over de volle lengte een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste de grenswaarde als aangegeven in tabel 4.10. De breedte geldt niet voor een verkeersroute voor zover deze over een trap voert.

2.

Onverminderd het eerste lid, heeft een gemeenschappelijke verkeersroute over de volle lengte een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m. De breedte geldt niet voor een toegang als bedoeld in artikel 4.11.

3.

Onverminderd het tweede lid, ontsluit ten minste een toegang van een woongebouw een gemeenschappelijke verkeersruimte die nabij die toegang, over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang heeft met een breedte van ten minste 1,5 m.

4.

Onverminderd het tweede lid, sluit een toegang van een lift aan op een gemeenschappelijke verkeersruimte die nabij die toegang, over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang heeft met een breedte van ten minste 1,5 m.

5.

Onverminderd het tweede lid, heeft een gemeenschappelijke verkeersruimte, over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,5 m. Deze eis geldt niet indien een rolstoelgebruiker vanuit die verkeersruimte zonder te keren het aansluitende terrein kan bereiken.

6.

In afwijking van het eerste lid, heeft een verkeersroute die in een toegankelijkheidssector ligt als bedoeld in artikel 4.4, derde lid, over de volle lengte een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m. De breedte geldt niet voor een toegang als bedoeld in artikel 4.11 en voor een verkeersroute voor zover deze over een trap voert.

Artikel 4.13

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel vernieuwen van een bouwwerk niet af van de artikelen 4.11 en 4.12.

§ 4.3.2. Bestaande bouw

Artikel 4.14

1.

Een bestaand bouwwerk heeft toegangen en verkeersroutes met een zodanige vrije doorgang, dat het gebouw voldoende toegankelijk is.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.14 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eisen voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.14 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.15

Een gemeenschappelijke verkeersroute heeft over de volle lengte een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,1 m en een hoogte van ten minste 2,1 m. De breedte geldt niet voor een toegang en voor een verkeersroute voor zover deze over een trap voert.

Afdeling 4.4. Bereikbaarheid, nieuwbouw

Artikel 4.16

1.

Een te bouwen bouwwerk is zodanig, dat het bouwwerk door rolstoelgebruikers kan worden binnengegaan en verlaten.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.16 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.16 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.17

1.

De vloer ter plaatse van ten minste een toegang van een woonfunctie heeft een hoogteverschil met, de vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein, dat niet groter is dan 0,02 m.

2.

De vloer ter plaatse van ten minste een toegang van een woongebouw heeft een hoogteverschil met het aansluitende terrein ter plaatse van die toegang, dat niet groter is dan 0,02 m.

3.

Een drempel in een toegang als bedoeld in het eerste en tweede lid, heeft ter plaatse van die toegang een hoogteverschil met een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of een aansluitende hellingbaan, dat niet groter is dan 0,02 m.

Artikel 4.18

1.

De vloer ter plaatse van ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector heeft een hoogteverschil met het aansluitende terrein ter plaatse van die toegang, dat niet groter is dan 0,02 m.

2.

De vloer ter plaatse van ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector heeft een hoogteverschil met het aansluitende terrein ter plaatse van die toegang, dat niet groter is dan 1 m.

3.

Een drempel in een vloer van een toegankelijkheidssector heeft een hoogteverschil met de aansluitende vloer, het aansluitende terrein of een aansluitende hellingbaan, dat niet groter is dan 0,02 m.

Artikel 4.19

Een woongebouw waarin de vloer ter plaatste van de toegang van een woonfunctie hoger ligt dan 3 m boven het meetniveau, heeft op elke bouwlaag een opstelplaats voor een lift. De oppervlakte van deze opstelplaats is afgestemd op het kunnen plaatsen van een lift die een liftkooi heeft met een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.

Afdeling 4.5. Verblijfsgebied, nieuwbouw

Artikel 4.20

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft een of meer verblijfsgebieden waar de voor de betrokken gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten kunnen plaatsvinden.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.20 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.20 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.21

1.

Ten minste het in tabel 4.20 aangegeven deel van de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie is verblijfsgebied.

2.

Een woonfunctie heeft een vloeroppervlakte van ten minste 24 m² aan verblijfsgebied.

3.

Een gebruiksfunctie heeft ten minste een verblijfsgebied met een vloeroppervlakte van ten minste de grenswaarde die is aangeven in tabel 4.20.

4.

Ten hoogste 35% van de totale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied als bedoeld in het eerste lid, is gemeenschappelijk verblijfsgebied, op voorwaarde dat:

  1. a.

    ten minste 24 m² niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied is, of

  2. b.

    ten minste 18 m² niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied is en ten minste een gemeenschappelijk verblijfsgebied een vloeroppervlakte heeft van ten minste 18 m².

Op het gemeenschappelijke verblijfsgebied zijn uitsluitend woonfuncties aangewezen.

5.

Het eerste lid geldt niet indien ten minste 55% van de gebruiksoppervlakte toilet-, bad-, of technische ruimte is.

Artikel 4.22

1.

Een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 4.21, is vanaf de toegang van de woonfunctie direct of via besloten niet-gemeenschappelijke ruimten van die woonfunctie bereikbaar.

2.

Een verblijfsgebied is vanaf de toegang van de woonfunctie bereikbaar zonder het betreden van een toiletruimte, badruimte of technische ruimte.

3.

In afwijking van het eerste lid, is een vloeroppervlakte aan gemeenschappelijk verblijfsgebied, als bedoeld in artikel 4.21, vierde lid, vanaf de toegang van de woonfunctie bereikbaar via besloten al dan niet gemeenschappelijke verkeersroutes.

Artikel 4.23

1.

Indien de gebruiksoppervlakte van een woonfunctie groter is dan 500 m², ligt ten minste 35% van het totaal van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector.

2.

Indien de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, vermeerderd met het totaal aan gebruiksoppervlakte van een of meer soortgelijke gebruiksfuncties, gelegen op hetzelfde perceel, groter is dan of gelijk aan 400 m², ligt het in tabel 4.20 aangegeven deel van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector.

Artikel 4.24

1.

Een verblijfsgebied heeft een vloeroppervlakte van ten minste de grenswaarde die is aangegeven in tabel 4.20.

2.

Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste lid, heeft een breedte van ten minste de grenswaarde die is aangegeven in tabel 4.20.

3.

Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste lid, heeft een hoogte boven de vloer van ten minste de grenswaarde die is aangeven in tabel 4.20.

4.

In afwijking van het derde lid heeft een nevenfunctie van een celfunctie een hoogte boven de vloer van ten minste 2,5 m.

Afdeling 4.6. Verblijfsruimte

§ 4.6.1. Nieuwbouw

Artikel 4.25

1.

De verblijfsruimten van een te bouwen bouwwerk hebben zodanige afmetingen en een zodanige bereikbaarheid, dat het bouwwerk doelmatig kan worden gebruikt.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.25 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.25 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.26

1.

Een gebruiksfunctie heeft ten minste een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste de grenswaarde die is aangeven in tabel 4.25.

2.

Een andere overige gebruiksfunctie heeft een verblijfsruimte.

Artikel 4.27

1.

Een verblijfsruimte ligt in een verblijfsgebied.

2.

Een verblijfsruimte als bedoeld in artikel 4.26, is vanaf de toegang van de woonfunctie bereikbaar via al dan niet gemeenschappelijke besloten ruimten van die woonfunctie.

3.

Een verblijfsruimte is vanaf de toegang van de woonfunctie bereikbaar zonder het betreden van een toiletruimte, badruimte, of technische ruimte.

4.

Een verblijfsruimte van een woonwagen als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, ligt op een afstand van ten minste 0,9 m van de toegang van de woonwagen.

Artikel 4.28

1.

Een verblijfsruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste de grenswaarde die is aangegeven in tabel 4.25.

2.

Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste lid, heeft een breedte van ten minste de grenswaarde als aangegeven in tabel 4.25.

3.

Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste lid, heeft een hoogte boven de vloer van ten minste de grenswaarde als aangeven in tabel 4.25.

4.

In afwijking van het derde lid heeft een nevenfunctie van een celfunctie een hoogte boven de vloer van ten minste 2,5 m.

Artikel 4.29

Voor een verblijfsruimte geldt dezelfde bezettingsgraadklasse als voor het verblijfsgebied waarin deze ligt.

§ 4.6.2. Bestaande bouw

Artikel 4.30

1.

Een bestaand bouwwerk heeft een of meer verblijfsruimten die zodanig zijn dat daarin de voor de gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten kunnen plaatsvinden.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.30 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eisen voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.30 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.31

1.

Een gebruiksfunctie heeft een of meer verblijfsruimten.

2.

Een woonfunctie heeft een totale vloeroppervlakte aan verblijfsruimte van ten minste de grenswaarde die is aangegeven in tabel 4.30.

3.

De vloeroppervlakte aan verblijfsruimte van een woonfunctie als bedoeld in het tweede lid, mag op 10 m² na deel uitmaken van gemeenschappelijke verblijfsruimten.

4.

Een gebruiksfunctie heeft ten minste een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte en een breedte van ten minste de grenswaarde die is aangeven in tabel 4.30.

Artikel 4.32

Een verblijfsruimte als bedoeld in artikel 4.31, tweede lid, is vanaf de toegang van de woonfunctie bereikbaar via al dan niet gemeenschappelijke ruimten van de woonfunctie, zonder het betreden van een toiletruimte, badruimte of technische ruimte.

Artikel 4.33

1.

Een verblijfsruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste de grenswaarde die is aangegeven in tabel 4.30.

2.

Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste lid, heeft een breedte van ten minste 1,5 m.

3.

Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste lid, heeft een hoogte boven de vloer van ten minste de in tabel 4.30 aangegeven grenswaarde.

4.

Een vloeroppervlakte van een verblijfsruimte heeft een hoogte boven de vloer van ten minste 2,1 m.

5.

In afwijking van het derde lid geldt, indien voor 1 november 2000 een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet en de bedrijfsvoering niet langer dan een jaar onderbroken is, anders dan door overmacht, de in de vergunning vereiste hoogte met een minimum van 2,1 m.

Afdeling 4.7. Toiletruimte

§ 4.7.1. Nieuwbouw

Artikel 4.34

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft voldoende toiletruimten.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.34 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.34 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.35

1.

Een gebruiksfunctie heeft een aantal toiletruimten, dat niet kleiner is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 4.34.

2.

Een gebruiksfunctie heeft voor elke 125 m² gebruiksoppervlakte of een gedeelte daarvan ten minste een toiletruimte.

3.

Een toiletruimte kan een gemeenschappelijke toiletruimte zijn. Op deze toiletruimte zijn uitsluitend gebruiksfuncties van dezelfde soort aangewezen, met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 125 m².

4.

Een gebruiksfunctie heeft een zodanig aantal toiletruimten dat op een toiletruimte niet meer is aangewezen dan de in tabel 4.34 aangegeven gebruiksoppervlakte aan gebruiksfunctie, met een minimum van twee toiletruimten.

5.

In afwijking van het vierde lid, kan worden volstaan met één toiletruimte, indien de totale gebruiksoppervlakte van een of meer op deze toiletruimte aangewezen gebruiksfuncties niet groter is dan de in tabel 4.34 aangegeven gebruiksoppervlakte.

6.

Een toiletruimte kan een gemeenschappelijke toiletruimte zijn.

Artikel 4.36

1.

Ten minste een toiletruimte van een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m² is integraal toegankelijk.

2.

Een woonfunctie gelegen in een woongebouw met een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.4, zonder niet-gemeenschappelijke toiletruimte, heeft ten minste een gemeenschappelijke toiletruimte die integraal toegankelijk is.

3.

Ten minste een toiletruimte is integraal toegankelijk.

4.

Indien de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, vermeerderd met het totaal aan gebruiksoppervlakte van een of meer gebruiksfuncties van dezelfde soort, gelegen op hetzelfde perceel, groter is dan of gelijk aan 400 m², is het aantal integraal toegankelijke toiletruimten ten minste gelijk aan de getalwaarde van het aantal toiletruimten, bedoeld in artikel 4.35, derde en vierde lid, gedeeld door tien, op een geheel getal naar boven afgerond.

5.

Indien de gebruiksoppervlakte van een onderwijsfunctie, vermeerderd met het totaal aan gebruiksoppervlakte van een of meer gebruiksfuncties van dezelfde soort, gelegen op hetzelfde perceel, groter is dan of gelijk aan 400 m², is het aantal integraal toegankelijke toiletruimten ten minste gelijk aan de getalwaarde van het aantal toiletruimten, bedoeld in artikel 4.35, vierde lid, gedeeld door 35, op een geheel getal naar boven afgerond.

6.

Indien de totale gebruiksoppervlakte aan bijeenkomstfuncties gelegen op hetzelfde perceel, groter is dan of gelijk aan 400 m², is ten minste een toiletruimte een integraal toegankelijke toiletruimte.

Artikel 4.37

1.

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.35, eerste en tweede lid, en 4.36, eerste en tweede lid, is vanaf de toegang van de woonfunctie bereikbaar via besloten niet-gemeenschappelijke ruimten van die woonfunctie.

2.

In afwijking van het eerste lid, is de toiletruimte vanaf de toegang van de woonfunctie bereikbaar via besloten al dan niet gemeenschappelijke verkeersroutes.

3.

Een toiletruimte ligt niet buiten de standplaats.

4.

Het hoogteverschil tussen ten minste een vloer waarop een toegang van de woonfunctie zich bevindt en de vloer van ten minste een gemeenschappelijke toiletruimte als bedoeld in artikel 4.35, derde lid, is niet meer dan 3 m. Dit geldt niet voor een integraal toegankelijke toiletruimte en een woonfunctie met een niet-gemeenschappelijke toiletruimte.

5.

De loopafstand tussen ten minste een toegang van de woonfunctie en de toegang van ten minste een gemeenschappelijke toiletruimte als bedoeld in artikel 4.35, derde lid, is niet groter dan 25 m. Dit geldt niet voor een integraal toegankelijke toiletruimte en een woonfunctie met een niet-gemeenschappelijke toiletruimte.

6.

Een integraal toegankelijke toiletruimte ligt in een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.4.

7.

Een toiletruimte is niet rechtstreeks toegankelijk vanuit een verblijfsruimte.

Artikel 4.38

1.

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.35, eerste tot en met zesde lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,9 m x 1,2 m.

2.

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.35, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1 m². De breedte van die vloeroppervlakte is ten minste 0,8 m.

3.

Een integraal toegankelijke toiletruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,65 m x 2,2 m.

4.

Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, heeft een hoogte boven de vloer van ten minste de grenswaarde als aangegeven in tabel 4.34.

Artikel 4.39

1.

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.35 is afsluitbaar.

2.

Ten minste een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.35 is afsluitbaar.

§ 4.7.2. Bestaande bouw

Artikel 4.40

1.

Een bestaand bouwwerk heeft voldoende toiletruimten.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.40 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.40 geen voorschrift is gegeven.

Artikel 4.41

1.

Een gebruiksfunctie heeft een aantal toiletruimten, dat niet kleiner is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 4.40.

2.

Een gebruiksfunctie zonder niet-gemeenschappelijke toiletruimte, heeft voor elke in tabel 4.40 aangegeven gebruiksoppervlakte of gedeelte daarvan, ten minste een, al dan niet gemeenschappelijke toiletruimte.

3.

Een gebruiksfunctie heeft voor elke in tabel 4.40 aangegeven gebruiksoppervlakte of gedeelte daarvan, een al dan niet gemeenschappelijke toiletruimte, met een minimum van twee toiletruimten.

4.

In afwijking van het eerste en derde lid, kan worden volstaan met één al dan niet gemeenschappelijke toiletruimte, indien de totale gebruiksoppervlakte van de op deze toiletruimten aangewezen gebruiksfuncties niet groter is dan 600 m².

5.

Een toiletruimte kan een gemeenschappelijke toiletruimte zijn.

Artikel 4.42

1.

Een gemeenschappelijke toiletruimte als bedoeld in artikel 4.41, tweede lid, is, vanaf de toegang van de woonfunctie bereikbaar door al dan niet gemeenschappelijke besloten ruimten van de woonfunctie.

2.

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.41, is niet rechtstreeks toegankelijk vanuit een verblijfsruimte.

Artikel 4.43

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.41, eerste tot en met derde lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,64 m². De breedte van die vloeroppervlakte is ten minste 0,6 m en de hoogte daarboven is ten minste 2 m.

Artikel 4.44

1.

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.41 is afsluitbaar.

2.

Ten minste een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.41 is afsluitbaar.

Afdeling 4.8. Badruimte

§ 4.8.1. Nieuwbouw

Artikel 4.45

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft voldoende badruimten.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.45 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.45 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.46

1.

Een gebruiksfunctie heeft een aantal badruimten, dat niet kleiner is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 4.45.

2.

Een gebruiksfunctie heeft een zodanig aantal badruimten, dat op een badruimte niet meer is aangewezen dan de in tabel 4.45 aangegeven gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie.

3.

Een celfunctie voor dag- en nachtverblijf heeft een gemeenschappelijke badruimte waarop alleen cellen zijn aangewezen, die in hetzelfde cellenblok liggen.

4.

Een badruimte als bedoeld in het eerste lid, mag een gemeenschappelijke badruimte zijn. Het aantal gemeenschappelijke badruimten is zodanig dat op een badruimte in totaal niet meer dan 250 m² gebruiksoppervlakte aan woonfuncties is aangewezen.

5.

Een badruimte als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, mag een gemeenschappelijke badruimte zijn.

6.

Een badruimte mag zijn samengevoegd met een toiletruimte.

Artikel 4.47

1.

Ten minste een badruimte als bedoeld in artikel 4.46, tweede lid, is een integraal toegankelijke badruimte.

2.

Indien een woonfunctie gelegen in een woongebouw geen niet-gemeenschappelijke badruimte heeft, is ten minste een badruimte als bedoeld in artikel 4.46, vierde lid, een integraal toegankelijke badruimte. Dit geldt uitsluitend, indien:

  1. a.

    in het woongebouw een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau, of

  2. b.

    het woongebouw een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 3 500 m², die hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau.

3.

Indien de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, vermeerderd met het totaal aan gebruiksoppervlakte van een of meer gebruiksfuncties van dezelfde soort, gelegen op hetzelfde perceel, groter is dan of gelijk aan 400 m², is het aantal integraal toegankelijke badruimten ten minste gelijk aan de getalwaarde van het aantal aanwezige badruimten gedeeld door 20, op een geheel getal naar boven afgerond.

4.

Een gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten heeft een zodanig aantal integraal toegankelijke badruimten, dat op een integraal toegankelijke badruimte niet meer dan 750 m² gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie is aangewezen, met een minimum van een integraal toegankelijke badruimte.

5.

Een integraal toegankelijke badruimte als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, kan zijn samengevoegd met een toiletruimte.

Artikel 4.48

1.

Een badruimte als bedoeld in artikel 4.46, is vanaf de toegang van de woonfunctie bereikbaar via besloten niet-gemeenschappelijke ruimten van die woonfunctie.

2.

In afwijking van het eerste lid, is een badruimte vanaf ten minste een toegang van de woonfunctie bereikbaar via besloten al dan niet gemeenschappelijke verkeersroutes.

3.

Het hoogteverschil tussen de vloer ter plaatse van ten minste een toegang van de woonfunctie en de vloer van ten minste een gemeenschappelijke badruimte als bedoeld in het tweede lid, is niet meer dan 3 m. Dit geldt niet voor een integraal toegankelijke badruimte als bedoeld in artikel 4.47, en een woonfunctie met een niet-gemeenschappelijke toiletruimte.

4.

De loopafstand tussen ten minste een toegang van de woonfunctie en de toegang van een badruimte die wordt bereikt via een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes als bedoeld in het tweede lid, is niet groter dan 25 m, opdat die badruimte binnen redelijke tijd kan worden bereikt. Dit geldt niet voor een integraal toegankelijke badruimte als bedoeld in artikel 4.47, en een woonfunctie met een niet-gemeenschappelijke toiletruimte.

5.

Een badruimte als bedoeld in artikel 4.46, eerste lid, ligt niet buiten de standplaats.

6.

Een integraal toegankelijke badruimte ligt in een toegankelijkheidssector.

Artikel 4.49

1.

Een badruimte als bedoeld in artikel 4.46, eerste en tweede lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste de in tabel 4.45 aangegeven grenswaarde.

2.

Een badruimte als bedoeld in artikel 4.46, derde lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1% van de totale gebruiksoppervlakte van de niet-gemeenschappelijke ruimten van de op deze badruimte aangewezen celfuncties, met een minimum van 1,6 m².

3.

Een badruimte die is samengevoegd met een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.46, zesde lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste de grenswaarde die is aangegeven in tabel 4.45.

4.

Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, heeft een breedte van ten minste de grenswaarde die is aangegeven in tabel 4.45.

5.

Een integraal toegankelijke badruimte als bedoeld in artikel 4.47, eerste tot en met vierde lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste de grenswaarde die is aangegeven in tabel 4.45.

6.

Een integraal toegankelijke badruimte die is samengevoegd met een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.47, vijfde lid, heeft een vloeroppervlakte ten minste 7,8 m². De breedte van de vloeroppervlakte is ten minste 2,2 m.

7.

Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, heeft een hoogte boven de vloer van ten minste de grenswaarde als aangegeven in tabel 4.45.

Artikel 4.50

Een badruimte als bedoeld in artikel 4.46 is afsluitbaar.

§ 4.8.2. Bestaande bouw

Artikel 4.51

1.

Een bestaand bouwwerk heeft voldoende badruimten.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.51 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.51 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.52

1.

Een gebruiksfunctie heeft ten minste een al dan niet gemeenschappelijke badruimte.

2.

Een celfunctie voor langdurig dag- en nachtverblijf heeft een gemeenschappelijke badruimte waarop alleen cellen zijn aangewezen die in hetzelfde cellenblok liggen.

3.

Onverminderd het eerste lid, heeft een gebruiksfunctie een zodanig aantal al dan niet gemeenschappelijke badruimten, dat op een badruimte niet meer dan de in tabel 4.51 aangegeven gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie is aangewezen.

4.

Een badruimte kan zijn samengevoegd met een toiletruimte.

Artikel 4.53

1.

Een badruimte als bedoeld in artikel 4.52, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte die niet kleiner is dan 0,36 m².

2.

Een badruimte die is samengevoegd met een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.52, vierde lid, heeft een vloeroppervlakte die niet kleiner is dan 1 m².

3.

Een badruimte als bedoeld in artikel 4.52, tweede lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1% van de totale gebruiksoppervlakte van de op deze badruimte aangewezen cellen, met een minimum van 0,36 m².

4.

Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, heeft een breedte van ten minste 0,6 m. De hoogte boven de vloeroppervlakte is ten minste 2 m.

Artikel 4.54

Een badruimte als bedoeld in artikel 4.52 is afsluitbaar.

Afdeling 4.9. [Vervallen per 01-09-2005]

Artikel 4.55 [Vervallen per 01-09-2005]

Artikel 4.56 [Vervallen per 01-09-2005]

Artikel 4.57 [Vervallen per 01-09-2005]

Afdeling 4.10. Gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval, nieuwbouw

Artikel 4.58

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft een ruimte waar huishoudelijk afval gescheiden kan worden opgeslagen.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.58 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.58 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.59

1.

Een woonfunctie gelegen in een woongebouw, heeft een gemeenschappelijke opslagruimte voor het plaatsen van containers voor huishoudelijk afval. Dit geldt niet indien de woonfunctie beschikt over een rechtstreeks vanaf het aansluitende terrein bereikbare bergruimte en de afmetingen van de bergruimte, de loopafstand en het hoogteverschil tussen een toegang van de woonfunctie en een toegang van die bergruimte geen beletsel vormen voor het gescheiden kunnen opslaan van huishoudelijk afval.

2.

Een gemeenschappelijke opslagruimte als bedoeld in het eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,75 % van de totale gebruiksoppervlakte van de op die opslagruimte aangewezen woonfuncties, met een minimum van 1,6 m². De vloeroppervlakte heeft een breedte van ten minste 0,8 m en een hoogte boven de vloer van ten minste 2,1 m.

Artikel 4.60

1.

Een gemeenschappelijke opslagruimte als bedoeld in artikel 4.59, eerste lid, is vanaf een toegang van de woonfunctie bereikbaar via gemeenschappelijke verkeersruimten.

2.

De loopafstand tussen een toegang van een opslagruimte als bedoeld in artikel 4.59, en een toegang van de woonfunctie mag geen beletsel vormen voor een doeltreffend gebruik van de in de opslagruimte geplaatste containers.

3.

Een hoogteverschil van meer dan 0,02 m tussen de vloer van een opslagruimte als bedoeld in artikel 4.59, en het aansluitende terrein is overbrugd door een hellingbaan.

Artikel 4.61

Een gemeenschappelijke opslagruimte als bedoeld in artikel 4.59, is afsluitbaar en een deur van die ruimte kan van buitenaf uitsluitend met een sleutel worden geopend.

Afdeling 4.11. Stallingsruimte voor fietsen, nieuwbouw

Artikel 4.62

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft een stallingsruimte voor fietsen.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.62 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door de toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.62 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.63

Een gebruiksfunctie heeft als nevenfunctie of als buitenruimte een al dan niet gemeenschappelijke stallingsruimte voor fietsen, waarvan de totale vloeroppervlakte niet kleiner is dan het in tabel 4.62 aangegeven deel van de totale gebruiksoppervlakte van de op die stallingsruimte aangewezen gebruiksfuncties, met een minimum van 2 m². De vloeroppervlakte heeft een breedte van ten minste 0,8 m en indien deze overdekt is een hoogte boven de vloer van ten minste 2,1 m.

Artikel 4.64

Een stallingsruimte voor fietsen als bedoeld in artikel 4.63, is vanaf de openbare weg rechtstreeks bereikbaar via het aansluitende terrein.

Afdeling 4.12. Meterruimte, nieuwbouw

Artikel 4.65

1.

Een te bouwen bouwwerk waarin zich een voorziening voor elektriciteit, gas, drinkwater of verwarming bevindt, heeft een meterruimte waarin de centrale schakel-, verdeel- en meetapparatuur voor die voorziening kan worden geplaatst.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.65 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.65 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.66

1.

Een gebruiksfunctie met een voorziening voor elektriciteit, gas, drinkwater of verwarming, die een aansluitmogelijkheid heeft op het desbetreffende openbare net, heeft een al dan niet gemeenschappelijke meterruimte.

2.

Onverminderd het eerste lid, heeft een woonfunctie met een gemeenschappelijke voorziening voor elektriciteit, gas, drinkwater of verwarming, een gemeenschappelijke meterruimte.

Artikel 4.67

1.

Een meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, eerste lid, heeft afmetingen en een indeling, die voldoen aan NEN 2768.

2.

Een gemeenschappelijke meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, tweede lid, heeft afmetingen en een indeling die zijn afgestemd op de in de meterruimte te plaatsen apparatuur.

3.

Een meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, eerste lid, heeft afmetingen en een indeling die zijn afgestemd op de in de meterruimte te plaatsen apparatuur.

Artikel 4.68 [Vervallen per 01-09-2005]

Artikel 4.69

De uitwendige scheidingsconstructie van een meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, is, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend.

Afdeling 4.13. Liftschacht, nieuwbouw

Artikel 4.70

1.

Een te bouwen bouwwerk met een lift heeft, voor het veilig en doelmatig functioneren van die lift, een liftschacht.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.70 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel 4.71

Een gebruiksfunctie met een lift heeft een al dan niet gemeenschappelijke liftschacht.

Artikel 4.72

1.

De vloer van een liftschacht ligt:

  1. a.

    indien het hoogteverschil tussen de laagste en hoogste vloer, die door de lift worden ontsloten, ten hoogste 50 m is, ten minste 1,4 m onder de laagste vloer die door de lift wordt ontsloten, en

  2. b.

    indien het hoogteverschil tussen de laagste en hoogste vloer, die door de lift worden ontsloten, groter is dan 50 m, ten minste 1,6 m onder de laagste vloer die door de lift wordt ontsloten.

2.

Het plafond van een liftschacht ligt:

  1. a.

    indien het hoogteverschil tussen de hoogste en laagste vloer, die door de lift worden ontsloten, ten hoogste 50 m is, ten minste 3,6 m boven de hoogste vloer die door de lift wordt ontsloten, en

  2. b.

    indien het hoogteverschil tussen de hoogste en laagste vloer, die door de lift worden ontsloten, groter is dan 50 m, ten minste 3,8 m boven de hoogste vloer die door de lift wordt ontsloten.

Artikel 4.73

In een liftschacht zijn uitsluitend leidingen of installaties aanwezig, die nodig zijn voor het veilig functioneren van de lift.

Artikel 4.74

De uitwendige scheidingsconstructie van een liftschacht is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

Afdeling 4.14. Liftmachineruimte, nieuwbouw

Artikel 4.75

1.

Een bouwwerk met een lift heeft een liftmachineruimte voor het veilig en doelmatig functioneren van die lift.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.75 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel 4.76

Een gebruiksfunctie met een lift heeft een al dan niet gemeenschappelijke liftmachineruimte.

Artikel 4.77

Een gemeenschappelijke liftmachineruimte is, voor het onbelemmerd kunnen bereiken van die ruimte, vanaf de toegang van het woongebouw uitsluitend bereikbaar door een of meer gemeenschappelijke verkeersruimten.

Artikel 4.78

Een liftmachineruimte heeft een vloeroppervlakte die is afgestemd op de omvang van de te plaatsen apparatuur.

Artikel 4.79

De uitwendige scheidingsconstructie van een liftmachineruimte is, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend.

Afdeling 4.15. Opstelplaats voor een aanrecht en opstelplaats voor een kooktoestel

§ 4.15.1. Nieuwbouw

Artikel 4.80

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft opstelplaatsen voor een aanrecht en een kooktoestel, zodat vaatwerk kan worden gereinigd en voedsel en dranken kunnen worden bereid.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.80 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.80 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.81

1.

Een woonfunctie heeft in dezelfde verblijfsruimte een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel.

2.

Het eerste lid geldt niet, indien in een gemeenschappelijke verblijfsruimte waarop de woonfunctie is aangewezen, een opstelplaats voor een gemeenschappelijk aanrecht en een opstelplaats voor een gemeenschappelijk kooktoestel aanwezig zijn.

3.

Een opstelplaats als bedoeld in het eerste lid, bevindt zich niet op de vloeroppervlakte van 3,3 m x 3,3 m als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid. De afstand van de voorkant van de opstelplaats tot de rand van die vloeroppervlakte is niet kleiner dan 0,6 m.

4.

Een opstelplaats bevindt zich niet op de vloeroppervlakte van 4 m x 3 m als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid.

5.

Een gebruiksfunctie heeft een opstelplaats voor een aanrecht.

Artikel 4.82

1.

Een opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 4.81, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,5 m x 0,6 m.

2.

Een opstelplaats voor een gemeenschappelijk aanrecht als bedoeld in artikel 4.81, tweede lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 2,1 m x 0,6 m.

3.

Een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.81, eerste en tweede lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,6 m x 0,6 m.

§ 4.15.2. Bestaande bouw

Artikel 4.83

1.

Een bestaand bouwwerk heeft opstelplaatsen voor een aanrecht en een kooktoestel, zodat vaatwerk kan worden gereinigd en voedsel en dranken kunnen worden bereid.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.83 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.83 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.84

1.

Een woonfunctie heeft in dezelfde besloten ruimte een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel.

2.

Het eerste lid geldt niet, indien in een gemeenschappelijke verblijfsruimte waarop de woonfunctie is aangewezen, een opstelplaats voor een gemeenschappelijk aanrecht en een opstelplaats voor een gemeenschappelijk kooktoestel aanwezig zijn.

3.

Een opstelplaats als bedoeld in het eerste lid, bevindt zich niet op de vloeroppervlakte van 7,5 m² als bedoeld in artikel 4.31, vierde lid.

4.

Een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik heeft een opstelplaats voor een aanrecht.

Artikel 4.85

1.

Een opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 4.84, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,4 m.

2.

Een opstelplaats voor een gemeenschappelijk aanrecht als bedoeld in artikel 4.84, tweede lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,5 m x 0,5 m.

3.

Een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.84,eerste en tweede lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,4 m x 0,4 m.

Afdeling 4.16. Opstelplaats voor een stooktoestel

§ 4.16.1. Nieuwbouw

Artikel 4.86

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft een opstelplaats voor een stooktoestel, zodat verwarmingsapparatuur kan worden geplaatst.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.86 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.86 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.87

Een gebruiksfunctie heeft een al dan niet gemeenschappelijke opstelplaats voor een stooktoestel. Dit geldt niet indien de gebruiksfunctie kan worden aangesloten op een publieke voorziening voor verwarming.

Artikel 4.88

1.

Een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel ligt niet in een toiletruimte of badruimte.

2.

Een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel ligt niet in een ruimte die mede is bestemd voor het stallen van motorvoertuigen of voor de opslag van bij ministeriële regeling aangewezen brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen.

3.

Een opstelplaats voor een stooktoestel ligt niet in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert.

4.

Een ruimte waarin een of meer opstelplaatsen voor verbrandingstoestellen liggen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW, is een stookruimte.

5.

Een opstelplaats voor een gemeenschappelijk stooktoestel ligt in een stookruimte.

Artikel 4.89

1.

De afmetingen van een stookruimte zijn afgestemd op de te plaatsen verbrandingsapparatuur.

2.

De afmetingen van een opstelplaats voor een stooktoestel zijn afgestemd op de te plaatsen verbrandingsapparatuur.

§ 4.16.2. Bestaande bouw

Artikel 4.90

1.

Een bestaand bouwwerk heeft een opstelplaats voor een stooktoestel, zodat verwarmingsapparatuur kan worden geplaatst.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.90 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.90 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.91

Een gebruiksfunctie heeft een al dan niet gemeenschappelijke opstelplaats voor een stooktoestel. Dit geldt niet indien de gebruiksfunctie kan worden aangesloten op een publieke voorziening voor verwarming.

Artikel 4.92

1.

Een opstelplaats, als bedoeld in artikel 4.91, voor een open verbrandingstoestel, ligt niet in een toiletruimte of badruimte.

2.

Een opstelplaats voor een stooktoestel ligt niet in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert.

3.

Een opstelplaats voor een gemeenschappelijk stooktoestel, als bedoeld in artikel 4.91, ligt in een stookruimte.

4.

Een ruimte waarin een of meer opstelplaatsen voor verbrandingstoestellen liggen met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW, is een stookruimte.

Artikel 4.93

De afmetingen van een stookruimte zijn afgestemd op de te plaatsen verbrandingsapparatuur.

Afdeling 4.17. Opstelplaats voor een warmwatertoestel, nieuwbouw

Artikel 4.94

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft een opstelplaats voor een warmwatertoestel, waar apparatuur voor het verwarmen van water kan worden geplaatst.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.94 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.94 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 4.95

Een gebruiksfunctie heeft een al dan niet gemeenschappelijke opstelplaats voor een warmwatertoestel. Dit geldt niet, indien de gebruiksfunctie kan worden aangesloten op een publieke voorziening voor warm water.

Artikel 4.96

1.

Een opstelplaats voor een warmwatertoestel mag zijn samengevoegd met een opstelplaats voor een stooktoestel als bedoeld in afdeling 4.16.

2.

Een opstelplaats voor een warmwatertoestel voor een open verbrandingstoestel, ligt niet in een ruimte die mede is bestemd voor het stallen van motorvoertuigen of voor de opslag van bij ministeriële regeling aangewezen brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen.

3.

Een gemeenschappelijke opstelplaats voor een warmwatertoestel als bedoeld in artikel 4.95, ligt in een stookruimte.

Artikel 4.97

De afmetingen van een gemeenschappelijke opstelplaats als bedoeld in artikel 4.95, zijn afgestemd op de te plaatsen apparatuur.

Afdeling 4.18. [Vervallen per 01-09-2005]

Artikel 4.98 [Vervallen per 01-09-2005]

Artikel 4.99 [Vervallen per 01-09-2005]

Artikel 4.100 [Vervallen per 01-09-2005]

Artikel 4.101 [Vervallen per 01-09-2005]