Contact Service
Hoofdstuk 3. Voorschriften uit het oogpunt van ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken


Hoofdstuk 3. Voorschriften uit het oogpunt van gezondheid

Afdeling 3.1. Bescherming tegen geluid van buiten, nieuwbouw

Artikel 3.1

1.

Een te bouwen bouwwerk biedt in een verblijfsgebied bescherming tegen geluid van buiten.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.1 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.2

1.

Een uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie die gevoelig is voor industrie-, weg- of spoorweglawaai, die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht, heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering, die niet kleiner is dan het verschil tussen de volgens de Wet geluidhinder geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van die scheidingsconstructie en de grenswaarde voor de geluidsbelasting in het verblijfsgebied als aangegeven in tabel 3.1, met een minimum van 20 dB(A).

2.

Een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen de woonwagen en de buitenlucht, heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering met een minimum van 20 dB(A).

3.

Een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht, heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die niet kleiner is dan het verschil tussen de geluidsbelasting zoals gedefinieerd in de Wet geluidhinder en bepaald volgens reken- en meetvoorschriften van de Wet geluidhinder van die scheidingsconstructie en 40 dB in geval van weg- of spoorweglawaai, met een minimum van 20 dB, of 40 dB(A) in geval van industrielawaai, met een minimum van 20 dB(A).

4.

Indien krachtens de Wet geluidhinder in het verblijfsgebied een hogere geluidsbelasting is toegestaan dan bedoeld in het eerste, heeft de uitwendige scheidingsconstructie een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die niet kleiner is dan het verschil tussen de geluidsbelasting van die scheidingsconstructie en het krachtens de Wet geluidhinder toegestane geluidsniveau.

5.

Op een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied als bedoeld in het eerste en derde lid, die niet de scheiding vormt met een aangrenzend verblijfsgebied van een andere gebruiksfunctie die gevoelig is voor industrie-, weg- of spoorweglawaai, zijn het eerste, derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.

6.

Een scheidingsconstructie als bedoeld in het eerste en het derde tot en met vijfde lid van een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die maximaal 2 dB(A) lager ligt dan de karakteristieke geluidwering als bedoeld in het eerste en het derde tot en met vijfde lid, van het verblijfsgebied waarin die verblijfsruimte ligt.

7.

Indien voor de betreffende gebruiksfunctie geen ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting volgens de Wet geluidhinder geldt, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor «ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting»

  1. a.

    in geval van weg of spoorweglawaai gelezen moet worden: geluidsbelasting in dB als omschreven in artikel 1 van de Wet geluidhinder en bepaald volgens het reken- en meetvoorschrift als bedoeld in artikel 110d van de Wet geluidhinder en

  2. b.

    in geval van industrielawaai gelezen moet worden: geluidsbelasting in dB(A) vanwege een industrieterrein als omschreven in artikel 1 van de Wet geluidhinder en bepaald volgens het reken- en meetvoorschrift als bedoeld in artikel 110d van de Wet geluidhinder.

Artikel 3.3

1.

Een uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie die gevoelig is voor luchtvaartlawaai, die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht, heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die, afhankelijk van de krachtens artikel 8.32 van de Wet luchtvaart, in samenhang met de artikelen 8.56, tweede lid, 8.74 en 10.24 van die wet, bepaalde geluidsbelasting van die scheidingsconstructie, niet kleiner is dan de waarde die is aangegeven in tabel 3.3.1. Indien de geluidsbelasting ligt tussen de Ke-waarden, gegeven in de eerste kolom, wordt de te bereiken waarde van de geluidwering bepaald door middel van rechtevenredige interpolatie tussen de dB(A)-waarden, gegeven in de tweede kolom.

Tabel 3.3.1 Geluidwering in geval van luchtvaartlawaai

Geluidsbelasting in Ke

Vereiste karakteristieke geluidwering in dB(A)

36–40

30–33

41–45

33–36

46–50

36–40

meer dan 50

40

2.

Een uitwendige scheidingsconstructie van een kantoorfunctie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht, heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die, afhankelijk van de krachtens artikel 8.32 van de Wet luchtvaart, in samenhang met de artikelen 8.56, tweede lid, 8.74 en 10.24 van die wet, bepaalde geluidsbelasting van die scheidingsconstructie, niet kleiner is dan de waarde die is aangegeven in tabel 3.3.2. Indien de geluidsbelasting ligt tussen de Ke-waarden, gegeven in de eerste kolom, wordt de te bereiken waarde van de geluidwering bepaald door middel van rechtevenredige interpolatie tussen de dB(A)-waarden, gegeven in de tweede kolom.

Tabel 3.3.2 Geluidwering in geval van luchtvaartlawaai

Geluidsbelasting in Ke

Vereiste karakteristieke geluidwering in dB(A)

36–40

27–30

41–45

30–33

46–50

33–36

meer dan 50

36

3.

Een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie die bijzonder gevoelig is voor luchtvaartlawaai en de buitenlucht, heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die niet kleiner is dan het verschil tussen de LAeq geluidsbelasting veroorzaakt door structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer, op die constructie en een LAeq geluidsniveau van 26 dB(A). De LAeq geluidsbelasting voor startend en landend vliegverkeer buiten een gebruiksfunctie, uitgedrukt in dB(A), wordt berekend volgens de regeling, bedoeld in artikel 8.32 van de Wet luchtvaart.

4.

Op een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, die niet de scheiding vormt met een aangrenzend verblijfsgebied van een voor luchtvaartlawaai gevoelige gebruiksfunctie, zijn het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing.

5.

Een scheidingsconstructie als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, van een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die maximaal 2 dB(A) lager is dan de karakteristieke geluidwering als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, van het verblijfsgebied waarin de verblijfsruimte ligt.

Artikel 3.4

1.

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk afwijken van de karakteristieke geluidwering, bedoeld in artikel 3.2, tot een niveau dat maximaal 10 dB(A) lager ligt.

2.

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk afwijken van de karakteristieke geluidwering, bedoeld in artikel 3.3, tweede, vierde en vijfde lid, tot een niveau dat maximaal 10 dB(A) lager ligt.

3.

In afwijking van het tweede lid wijkt het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een woonfunctie af van de karakteristieke geluidwering, bedoeld de in artikel 3.3, eerste, vierde en vijfde lid, tot het in tabel 3.4 genoemde niveau. Indien de geluidsbelasting ligt tussen de Ke-waarden, gegeven in de eerste kolom, wordt de te bereiken waarde van de geluidwering bepaald door middel van rechtevenredige interpolatie tussen de dB(A)-waarden, gegeven in de tweede kolom.

Tabel 3.4 Geluidwering in geval van luchtvaartlawaa

Geluidsbelasting in Ke

Vereiste karakteristieke geluidwering in dB(A)

40–50

30–35

51–55

35–40

meer dan 55

40

4.

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk af van de karakteristieke geluidwering, bedoeld in artikel 3.3, derde lid, voor LAeq tot een niveau van 30 dB(A).

Artikel 3.5

1.

Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk is artikel 3.2 van overeenkomstige toepassing, waarbij het geluidsniveau maximaal 10 dB(A) hoger ligt.

2.

Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk is artikel 3.3, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, waarbij de karakteristieke geluidwering ten minste de in tabel 3.4 genoemde waarde heeft. Indien de geluidsbelasting ligt tussen de Ke-waarden, gegeven in de eerste kolom, wordt de te bereiken waarde van de geluidwering bepaald door middel van rechtevenredige interpolatie tussen de dB(A)-waarden, gegeven in de tweede kolom.

3.

Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk is artikel 3.3, derde lid, van overeenkomstige toepassing, waarbij het geluidsniveau LAeq geen grotere waarde heeft dan 30 dB(A).

Afdeling 3.2. Bescherming tegen geluid van installaties, nieuwbouw

Artikel 3.6

1.

Een te bouwen bouwwerk biedt bescherming tegen geluid van installaties.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.6 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.6 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.7

Een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanisch ventilatiesysteem, een warmwatertoestel, een installatie voor het verhogen van waterdruk of een lift van een gebruiksfunctie veroorzaakt in een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie op een aangrenzend perceel een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek geluidsniveau van ten hoogste 30 dB(A). Dit geldt niet voor een op een aangrenzend perceel gelegen lichte industriefunctie of een overige gebruiksfunctie.

Artikel 3.8

1.

Een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanisch ventilatiesysteem, een warmwatertoestel, een installatie voor verhoging van waterdruk of een lift veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een andere op hetzelfde perceel gelegen woonfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek geluidsniveau van ten hoogste 30 dB(A).

2.

Een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanisch ventilatiesysteem, een warmwatertoestel, een installatie voor verhoging van waterdruk of een lift van een logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw, veroorzaakt in een verblijfsgebied van een andere op hetzelfde perceel gelegen logiesfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek geluidsniveau van ten hoogste 35 dB(A).

3.

Een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanisch ventilatiesysteem, een warmwatertoestel, een installatie voor verhoging van waterdruk of een lift veroorzaakt in een verblijfsgebied van een op hetzelfde perceel gelegen woonfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek geluidsniveau van ten hoogste 30 dB(A).

Artikel 3.9

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk veranderen of het vergroten van een bouwwerk af van het toegestane karakteristieke geluidsniveau als bedoeld in de artikelen 3.7 en 3.8, tot een niveau dat maximaal 10 dB(A) hoger is.

Artikel 3.10

Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk zijn de artikelen 3.7 en 3.8, van overeenkomstige toepassing, waarbij het geluidsniveau maximaal 10 dB(A) hoger ligt.

Afdeling 3.3. Geluidwering tussen verblijfsruimten van dezelfde gebruiksfunctie, nieuwbouw

Artikel 3.11

1.

Een te bouwen bouwwerk biedt bescherming tegen onderlinge geluidsoverlast tussen niet-gemeenschappelijke verblijfsruimten van dezelfde gebruiksfunctie.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.11 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.11 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.12

De volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de isolatie-index voor contactgeluid voor de geluidsoverdracht van een verblijfsruimte naar een andere verblijfsruimte van dezelfde woonfunctie is ten minste – 20 dB. Dit voorschrift geldt niet, indien de verblijfsruimten op dezelfde bouwlaag zijn gelegen en met elkaar in open verbinding staan, of indien de ene ruimte vanuit de andere rechtstreeks bereikbaar is door een deuropening.

Artikel 3.13

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk veranderen of het vergroten van een bouwwerk af van de vereiste geluidwering, bedoeld in artikel 3.12, tot een niveau dat maximaal 10 dB lager ligt.

Artikel 3.14

Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk is artikel 3.12 van overeenkomstige toepassing, waarbij de karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de isolatie-index voor contactgeluid maximaal 10 dB lager ligt.

Afdeling 3.4. Beperking van galm, nieuwbouw

Artikel 3.15

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft in een verblijfsruimte of een gemeenschappelijke verkeersruimte een zodanige geluidsabsorptie, dat geluidhinder door galm wordt beperkt.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.15 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.15 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.16

Een aan een niet-gemeenschappelijke ruimte van een woonfunctie grenzende besloten gemeenschappelijke verkeersruimte voor het ontsluiten van een woonfunctie gelegen in een woongebouw, heeft een volgens NEN 5078 bepaalde totale geluidsabsorptie met een getalwaarde, uitgedrukt in m², die niet kleiner is dan 1/8 van de getalwaarde van de inhoud van die ruimte, uitgedrukt in m³, in elk van de octaafbanden met middenfrequenties van 250, 500, 1 000 en 2 000 Hz.

Afdeling 3.5. Geluidwering tussen ruimten van verschillende gebruiksfuncties, nieuwbouw

Artikel 3.17

1.

Een te bouwen bouwwerk biedt bescherming tegen onderlinge geluidsoverlast tussen gebruiksfuncties.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.17 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.17 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.18

1.

De volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een op een ander perceel gelegen, aangrenzende gebruiksfunctie, is niet kleiner dan de in tabel 3.17 aangegeven grenswaarde. Dit voorschrift geldt niet indien de aangrenzende gebruiksfunctie een lichte industriefunctie of een overige gebruiksfunctie is.

2.

De volgens NEN 5077 bepaalde isolatie-index voor contactgeluid voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een op een ander perceel gelegen, aangrenzende gebruiksfunctie, is niet kleiner dan de in tabel 3.17 aangegeven grenswaarde. Dit voorschrift geldt niet indien de aangrenzende gebruiksfunctie een lichte industriefunctie of een overige gebruiksfunctie is.

3.

De volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een besloten ruimte niet zijnde een verblijfsgebied, van een op een ander perceel gelegen, aangrenzende woonfunctie, is niet kleiner dan de in tabel 3.17 aangegeven grenswaarde.

4.

De volgens NEN 5077 bepaalde isolatie-index voor contactgeluid voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een besloten ruimte niet zijnde een verblijfsgebied, van een op een ander perceel gelegen, aangrenzende woonfunctie, is niet kleiner dan de in tabel 3.17 aangegeven grenswaarde.

5.

In afwijking van het tweede lid, is de volgens NEN 5077 bepaalde isolatie-index voor contactgeluid voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een op een ander perceel gelegen, aangrenzende onderwijsfunctie, niet kleiner dan 10 dB.

Artikel 3.19

1.

De volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een op hetzelfde perceel gelegen aangrenzende woonfunctie, is niet kleiner dan de in tabel 3.17 aangegeven grenswaarde.

2.

De volgens NEN 5077 bepaalde isolatie-index voor contactgeluid voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een op hetzelfde perceel gelegen aangrenzende woonfunctie, is niet kleiner dan de in tabel 3.17 aangegeven grenswaarde.

3.

De volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid van een besloten ruimte naar een besloten ruimte niet zijnde een verblijfsgebied van een op hetzelfde perceel gelegen aangrenzende woonfunctie, is niet kleiner dan de in tabel 3.17 aangegeven grenswaarde.

4.

De volgens NEN 5077 bepaalde isolatie-index voor contactgeluid voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een besloten ruimte niet zijnde een verblijfsgebied van een op hetzelfde perceel gelegen aangrenzende woonfunctie, is niet kleiner dan de in tabel 3.17 aangegeven grenswaarde.

5.

In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, is geen eis gesteld aan de karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de isolatie-index voor contactgeluid, voor de geluidsoverdracht van een nevenfunctie van een woonfunctie naar die woonfunctie.

6.

In afwijking van het derde en vierde lid, is geen eis gesteld aan de karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de isolatie-index voor contactgeluid, voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een op hetzelfde perceel gelegen, besloten gemeenschappelijke verkeersruimte.

7.

In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, geldt geen eis voor de karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de isolatie-index voor contactgeluid, voor de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke ruimte naar een andere gemeenschappelijke ruimte indien op die ruimten uitsluitend dezelfde gebruiksfuncties zijn aangewezen.

8.

De volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de isolatie-index voor contactgeluid, voor de geluidsoverdracht van een besloten niet-gemeenschappelijke ruimte naar een binnen hetzelfde gebouw gelegen verblijfsgebied van een andere celfunctie, zijn niet kleiner dan -5 dB.

9.

De volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de isolatie-index voor contactgeluid, voor de geluidsoverdracht van een niet-gemeenschappelijke besloten ruimte van een logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw naar een gemeenschappelijk verblijfsgebied van een logiesfunctie of een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een andere logiesfunctie gelegen in hetzelfde logiesgebouw, zijn niet kleiner dan – 5 dB.

Artikel 3.20

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk veranderen of het vergroten van een bouwwerk af van de vereiste geluidwering, bedoeld in de artikelen 3.18 en 3.19, tot een niveau dat maximaal 10 dB lager ligt.

Artikel 3.21

Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk zijn de artikelen 3.18 en 3.19 van overeenkomstige toepassing, waarbij de karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de isolatie-index voor contactgeluid maximaal 10 dB lager ligt.

Afdeling 3.6. Wering van vocht van buiten

§ 3.6.1. Nieuwbouw

Artikel 3.22

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige scheidingsconstructies, dat het binnendringen van vocht in verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.22 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.22 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.23

1.

Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

2.

Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voorzover die delen van invloed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

3.

Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, voorzover die scheidingsconstructie niet grenst aan een ander verblijfsgebied voor het verblijven van mensen, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

4.

Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voorzover die delen van invloed zijn op de specifieke luchtvolumestroom naar het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, heeft een volgens NEN 2690 bepaalde, specifieke luchtvolumestroom van ten hoogste 20.10–6 m³/(m².s).

§ 3.6.2. Bestaande bouw

Artikel 3.24

1.

Een bestaand bouwwerk heeft zodanige scheidingsconstructies, dat het binnendringen van vocht in verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.24 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.24 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.25

1.

Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

2.

Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voorzover die delen van invloed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in de verblijfsruimte, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

3.

Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte, voorzover die scheidingsconstructie niet grenst aan een andere verblijfsruimte voor het verblijven van mensen, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

Afdeling 3.7. Wering van vocht van binnen

§ 3.7.1. Nieuwbouw

Artikel 3.26

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige scheidingsconstructies dat de vorming van allergenen voldoende wordt beperkt.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.26 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.26 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.27

1.

Een uitwendige scheidingsconstructie heeft aan de zijde die grenst aan een verblijfsgebied, een volgens NEN 2778 bepaalde factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte, die niet kleiner is dan de in tabel 3.26 aangegeven grenswaarde.

2.

Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en een kruipruimte, met inbegrip van de hierop aansluitende delen van andere constructies, voorzover die delen van invloed zijn op de factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte, heeft aan de zijde die grenst aan een verblijfsgebied een volgens NEN 2778 bepaalde factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte, die niet kleiner is dan de in tabel 3.26 aangegeven grenswaarde.

3.

Een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en een ruimte die niet wordt verwarmd of die uitsluitend wordt verwarmd voor een ander doel dan het verblijven van mensen, heeft aan een zijde die grenst aan een verblijfsgebied een volgens NEN 2778 bepaalde factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte, die niet kleiner is dan de in tabel 3.26 aangegeven grenswaarde.

4.

Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor ramen, deuren, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen.

5.

Het eerste tot en met derde lid gelden niet, indien het verblijfsgebied uitsluitend wordt verwarmd voor een ander doel dan het verblijven van mensen.

Artikel 3.28

1.

Een scheidingsconstructie van een toiletruimte of een badruimte, heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte, tot 1,2 m hoogte boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778 bepaalde wateropname die gemiddeld niet groter is dan 0.01 kg/(m².s1/2) en op geen enkele plaats groter dan 0,2 kg/(m².s1/2).

2.

Voor een badruimte geldt het in het eerste lid gestelde voorschrift ter plaatse van een bad of een douche over een lengte van ten minste 3 m, tot een hoogte van 2,1 m boven de vloer van die ruimte.

§ 3.7.2. Bestaande bouw

Artikel 3.29

1.

Een bestaand bouwwerk heeft zodanige scheidingsconstructies dat de vorming van allergenen voldoende wordt beperkt.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.29 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.29 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.30

Een scheidingsconstructie van een badruimte, heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte tot 1 m boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778 bepaalde wateropname die gemiddeld niet groter is dan 0.01 kg/(m².s1/2) en op geen enkele plaats groter dan 0,2 kg/(m².s1/2).

Afdeling 3.8. Afvoer van afvalwater en fecaliën

§ 3.8.1. Nieuwbouw

Artikel 3.31

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën dat een voor de gezondheid nadelige situatie wordt voorkomen.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.31 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel 3.32

1.

Een gebruiksfunctie heeft een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën.

2.

Een gebruiksfunctie met een lozingstoestel heeft een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën.

Artikel 3.33

1.

Een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën heeft een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het openbaar riool.

2.

Een voorziening voor afvalwater en fecaliën heeft een aansluitpunt ter plaatse van een lozingstoestel.

Artikel 3.34

Een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën heeft een volgens NEN 3215 bepaalde capaciteit die niet kleiner is dan de volgens NEN 3215 bepaalde belasting van die voorziening.

Artikel 3.35

Een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht.

§ 3.8.2. Bestaande bouw

Artikel 3.36

1.

Een bestaand bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën dat een voor de gezondheid nadelige situatie wordt voorkomen.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.36 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel 3.37

1.

Een gebruiksfunctie heeft een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën.

2.

Een gebruiksfunctie met een lozingstoestel heeft een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën.

Artikel 3.38

1.

Een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën heeft een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het openbaar riool.

2.

Een voorziening voor afvoer van afvalwater en fecaliën heeft een aansluitpunt ter plaatse van een lozingstoestel.

Artikel 3.39

Een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën heeft een zodanige capaciteit dat elk op die voorziening aangesloten lozingstoestel binnen ten hoogste 5 minuten is geleegd.

Artikel 3.40

Een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht.

Afdeling 3.9. Afvoer van hemelwater, nieuwbouw

Artikel 3.41

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater dat een voor de gezondheid nadelige situatie wordt voorkomen.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.41 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.41 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.42

Een dak heeft een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater.

Artikel 3.43

1.

Een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater, als bedoeld in artikel 3.42, heeft een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het openbaar riool.

2.

Een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater, als bedoeld in artikel 3.42, kan worden samengevoegd met een voorziening voor afvalwater en fecaliën, als bedoeld in artikel 3.32, tenzij er een openbaar riool aanwezig is, dat uitsluitend is bestemd voor de afvoer van hemelwater.

Artikel 3.44

Een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater, als bedoeld in artikel 3.42, of een samengevoegde voorziening, als bedoeld in artikel 3.43, tweede lid, heeft een volgens NEN 3215 bepaalde capaciteit die ten minste gelijk is aan de volgens NEN 3215 bepaalde belasting van die voorziening.

Artikel 3.45

Een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater, als bedoeld in artikel 3.42, die binnen een gebouw ligt, is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht.

Afdeling 3.10. Luchtverversing van een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte

§ 3.10.1. Nieuwbouw

Artikel 3.46

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor luchtverversing van een verblijfsgebied, een verblijfsruimte, een toiletruimte en een badruimte, dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht voldoende wordt beperkt.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.46.1 en tabel 3.46.2 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.46.1 en tabel 3.46.2 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.47

1.

Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben een voorziening voor luchtverversing, bestaande uit een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van binnenlucht.

2.

Een toiletruimte en een badruimte hebben een voorziening voor luchtverversing, bestaande uit een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van binnenlucht.

Artikel 3.48

1.

Een voorziening voor luchtverversing voor een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste de grenswaarde, als aangegeven in tabel 3.46.1.

2.

Een voorziening voor luchtverversing voor een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste de grenswaarde, als aangegeven in tabel 3.46.1.

3.

Een voorziening voor luchtverversing voor een verblijfsgebied of een verblijfsruimte, met een opstelplaats voor een kooktoestel of met een opstelplaats voor een warmwatertoestel heeft een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm³/s. Bij de toepassing van dit voorschrift blijven buiten beschouwing:

  1. a.

    een opstelplaats voor een kooktoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW en

  2. b.

    een opstelplaats voor een warmwatertoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW of voor een warmwatertoestel dat geen open verbrandingstoestel is.

4.

Een voorziening voor luchtverversing voor een toiletruimte heeft een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 7 dm³/s. Een voorziening voor luchtverversing voor een badruimte heeft een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 14 dm³/s. Dit geldt ook voor een met een toiletruimte samengevoegde badruimte.

5.

Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsgebied heeft een capaciteit die niet kleiner is dan de hoogste waarde die volgens het eerste en derde lid geldt voor elk afzonderlijk verblijfsgebied.

6.

Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsgebied of verblijfsruimte heeft een capaciteit die niet kleiner is dan de totale waarde die volgens het eerste, tweede en derde lid geldt voor alle verblijfsgebieden en verblijfsruimten, die op de voorziening zijn aangewezen.

7.

In afwijking van het vijfde lid, heeft een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een gemeenschappelijk verblijfsgebied een capaciteit die niet kleiner is dan de totale waarde die volgens het eerste en derde lid geldt voor alle gemeenschappelijke verblijfsgebieden die op de voorziening zijn aangewezen.

Artikel 3.49

De toevoer van verse lucht veroorzaakt in de leefzone van een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen een volgens NEN 1087 bepaalde luchtsnelheid die niet groter is dan 0,2 m/s.

Artikel 3.50

1.

Een component voor toevoer van verse lucht is door de gebruiker regelbaar in het gebied van 0% tot 25% van de capaciteit als bedoeld in artikel 3.48. De voorziening laat in de nulstand niet meer door dan 10% van de capaciteit. De fijnregeling heeft, bepaald volgens NEN 1087, naast de nulstand, ten minste twee instelstanden die onderling ten minste 10% van de capaciteit verschillen. De luchtvolumestroom door een zelfregelende voorziening mag over het drukverschil van 1 Pa tot 25 Pa niet meer dan 20% van de nominale capaciteit verschillen.

2.

In afwijking van het eerste lid, behoeft een overstroomcomponent als bedoeld in NEN 1087 niet regelbaar te zijn.

3.

Een opening van een voorziening voor luchtverversing is niet afsluitbaar.

Artikel 3.51

1.

De volgens NEN 1087 bepaalde richting van de luchtstroming voor de toevoer van verse lucht gaat vanuit een voorziening voor luchtverversing naar een verblijfsgebied of een verblijfsruimte. Bij het bepalen van de richting van de luchtstroming blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

2.

De volgens NEN 1087 bepaalde richting van de luchtstroming voor de toevoer van verse lucht gaat vanuit een voorziening voor luchtverversing naar een toiletruimte of een badruimte. Bij het bepalen van de richting van de luchtstroming blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

3.

De volgens NEN 1087 bepaalde richting van de luchtstroming voor de afvoer van binnenlucht gaat vanuit een verblijfsgebied of een verblijfsruimte naar de voorziening voor luchtverversing. Bij het bepalen van de richting van de luchtstroming blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

4.

De volgens NEN 1087 bepaalde richting van de luchtstroming voor de afvoer van binnenlucht gaat vanuit een toiletruimte of een badruimte naar de voorziening voor luchtverversing. Bij het bepalen van de richting van de luchtstroming blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

Artikel 3.52

1.

Een instroomopening voor de toevoer van verse lucht van een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 3.47, is zodanig geplaatst, dat de volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactor van de rook en verdunningsfactor van de binnenlucht die afkomstig is van een uitmonding van:

  1. a.

    een voorziening voor de afvoer van rook, en

  2. b.

    een voorziening voor luchtverversing voor de afvoer van binnenlucht,

niet groter zijn dan voor die afvoervoorziening is aangegeven in tabel 3.52. Bij het bepalen van de plaats van de instroomopening blijven uitmondingen van een voorziening voor de afvoer van rook en uitstroomopeningen voor de afvoer van binnenlucht van een voorziening voor luchtverversing, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

2.

Een uitmonding voor de afvoer van binnenlucht van een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 3.47, is zodanig geplaatst, dat de volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactoren van de binnenlucht ter plaatse van een instroomopening van:

  1. a.

    een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht, die via een verblijfsgebied of een verblijfsruimte naar een verbrandingstoestel stroomt, en

  2. b.

    een voorziening voor luchtverversing voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsgebied of een verblijfsruimte, niet groter zijn dan voor de afvoervoorziening is aangegeven in tabel 3.52. Bij het bepalen van de plaats van een uitmonding blijven buiten beschouwing instroomopeningen van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en van een voorziening voor luchtverversing voor de toevoer van verse lucht, die op een ander perceel liggen. Voorts blijven buiten beschouwing instroomopeningen van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht, die liggen in een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied anders dan voor het verblijven van mensen, en voorzieningen voor het snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde lucht.

3.

Bij het bepalen van de verdunningsfactoren als bedoeld in het eerste en tweede lid, blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

4.

Een instroomopening en een uitstroomopening van een voorziening voor luchtverversing liggen, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie, op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens. Indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

Tabel 3.52 Verdunningsfactoren voor verschillende soorten afvoeren.

soort afvoer

verdunningsfactor

luchtverversing

0,01

rookafvoer voor met gas gestookte toestellen

0,01

rookafvoer voor toestellen met andere brandstoffen

0,0015

Artikel 3.53

1.

De toevoer van verse lucht naar een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied vindt rechtstreeks of via een ander niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied of via een niet-gemeenschappelijke verkeersruimte plaats. Ten minste 50% van een toevoercapaciteit bepaald volgens artikel 3.48, vindt rechtstreeks van buiten plaats.

2.

De toevoer van verse lucht naar een gemeenschappelijk verblijfsgebied vindt rechtstreeks van buiten plaats.

3.

De toevoer van verse lucht naar een verblijfsgebied vindt rechtstreeks van buiten plaats.

4.

Ten minste 21 dm³/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsgebied of een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel, als bedoeld in artikel 3.48, derde lid, bevindt, wordt rechtstreeks naar buitten afgevoerd.

5.

De afvoer van binnenlucht uit een toiletruimte of een badruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

6.

De afvoer van binnenlucht uit een ruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

§ 3.10.2. Bestaande bouw

Artikel 3.54

1.

Een bestaand bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor luchtverversing van een verblijfsruimte, een toiletruimten en een badruimte, dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht voldoende wordt beperkt.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.54 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.54 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.55

1.

Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing, bestaande uit een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van binnenlucht.

2.

Een toiletruimte en een badruimte hebben een voorziening voor luchtverversing, bestaande uit een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van binnenlucht.

Artikel 3.56

1.

Een voorziening voor luchtverversing voor een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 3.54 aangegeven grenswaarde.

2.

Een voorziening voor luchtverversing voor een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel of met een opstelplaats voor een warmwatertoestel heeft een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm³/s. Bij de toepassing van dit voorschrift blijven buiten beschouwing:

  1. a.

    een opstelplaats voor een kooktoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW en

  2. b.

    een opstelplaats voor een warmwatertoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW of voor een warmwatertoestel dat geen open verbrandingstoestel is.

3.

Een voorziening voor luchtverversing voor een toiletruimte heeft een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 7 dm³/s. Een voorziening voor luchtverversing voor een badruimte heeft een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 14 dm³/s. Dit geldt ook voor een met een toiletruimte samengevoegde badruimte.

4.

Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsruimte heeft een capaciteit die niet kleiner is dan de hoogste waarde die volgens het eerste en tweede lid geldt voor elke afzonderlijke verblijfsruimte die op de voorziening is aangewezen.

5.

In afwijking van het vierde lid, heeft een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een gemeenschappelijke verblijfsruimte een capaciteit die niet kleiner is dan de totale waarde die volgens het eerste en tweede lid geldt voor alle gemeenschappelijke verblijfsruimten die op de voorziening zijn aangewezen.

6.

Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsruimte heeft een capaciteit die niet kleiner is dan de totale waarde die volgens het eerste en tweede lid geldt voor alle verblijfsruimten die op de voorziening zijn aangewezen.

Artikel 3.57

Een opening van de voorziening voor luchtverversing van een gebruiksfunctie is niet afsluitbaar.

Artikel 3.58

1.

De richting van de luchtstroming voor de toevoer van verse lucht gaat vanuit de voorziening voor luchtverversing naar een verblijfsruimte, een toiletruimte en een badruimte.

2.

De richting van de luchtstroming voor de afvoer van binnenlucht gaat vanuit een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte naar de voorziening voor luchtverversing.

3.

Bij het bepalen van de richting van een luchtstroming als bedoeld in het eerste en het tweede lid, blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

Artikel 3.59

1.

Ten minste 21 dm³/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel, als bedoeld in artikel 3.56, tweede lid, bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd.

2.

De afvoer van binnenlucht uit een toiletruimte of een badruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

3.

De afvoer van binnenlucht uit een ruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

Afdeling 3.11. Spuivoorziening

§ 3.11.1. Nieuwbouw

Artikel 3.60

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft een voorziening voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.60 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.60 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.61

1.

De uitwendige scheidingsconstructie heeft beweegbare onderdelen voor het snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de in artikel 3.47 bedoelde voorziening voor luchtverversing een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit heeft van 6 dm³/s per m² vloeroppervlakte van het verblijfsgebied en 3 dm³/s per m² vloeroppervlakte van de verblijfsruimte.

Artikel 3.62

1.

Beweegbare onderdelen als bedoeld in artikel 3.61, geven een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie voor een verblijfsgebied van ten minste 6 dm³/s per m² vloeroppervlakte van dat gebied. Voor een verblijfsruimte is de capaciteit ten minste 3 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte.

2.

Het eerste lid geldt niet voor een gemeenschappelijk verblijfsgebied of een gemeenschappelijke verblijfsruimte.

Artikel 3.63

Een beweegbaar onderdeel als bedoeld in artikel 3.61, ligt, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie, op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens. Indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt de afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

§ 3.11.2. Bestaande bouw

Artikel 3.64

1.

Een bestaand bouwwerk heeft een voorziening voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.64 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.64 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.65

1.

De uitwendige scheidingsconstructie heeft beweegbare onderdelen voor het snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de in artikel 3.55 bedoelde voorziening voor luchtverversing een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit heeft van 3 dm³/s per m² vloeroppervlakte van de verblijfsruimte.

Artikel 3.66

1.

Beweegbare onderdelen als bedoeld in artikel 3.65, geven een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie voor een verblijfsruimte van ten minste 3 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte.

2.

Het eerste lid geldt niet voor een gemeenschappelijke verblijfsruimte.

Afdeling 3.12. Luchtverversing van overige ruimten

§ 3.12.1. Nieuwbouw

Artikel 3.67

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor luchtverversing voor een meterruimte voor een voorziening voor gas, een liftschacht, een gemeenschappelijke verkeersruimte, een ruimte met een netto-inhoud van meer dan 3 m³ voor het opslaan van afval en een tunnelruimte, dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht voldoende wordt beperkt.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.67 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.67 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.68

1.

Een meterruimte voor een voorziening voor gas heeft een voorziening voor luchtverversing, bestaande uit een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van binnenlucht.

2.

Een liftschacht heeft een voorziening voor luchtverversing, bestaande uit een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van binnenlucht.

3.

Een ruimte, niet zijnde een verblijfsgebied of een verblijfsruimte, met een netto-inhoud van meer dan 3 m³ voor het opslaan van afval heeft een voorziening voor luchtverversing, bestaande uit een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van binnenlucht.

4.

Een gemeenschappelijke verkeersruimte heeft een voorziening voor luchtverversing, bestaande uit een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van binnenlucht.

5.

Een tunnel of een tunnelvormig bouwwerk voor verkeer heeft, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, een voorziening voor luchtverversing.

Artikel 3.69

1.

Een voorziening voor luchtverversing van een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte heeft een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,7 dm³/s per m² vloeroppervlakte van de gemeenschappelijke verkeersruimte, gemeten over de ten minste vereiste breedte van die ruimte.

2.

Een voorziening voor luchtverversing van een meterruimte voor een voorziening voor gas heeft een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 2 dm³/s per m³ netto-inhoud van de meterruimte, met een minimum van 2 dm³/s.

3.

Een voorziening voor luchtverversing van een liftschacht heeft een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die liftschacht.

4.

Een voorziening voor luchtverversing van een ruimte voor het opslaan van afval als bedoeld in artikel 3.68, derde lid, heeft een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 100 dm³/s.

5.

Een voorziening voor luchtverversing heeft, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, een zodanige capaciteit dat geen gevaar ontstaat voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk.

Artikel 3.70

1.

Een opening van een voorziening voor luchtverversing van een meterruimte voor een voorziening voor gas, een liftschacht of een gemeenschappelijke verkeersruimte is niet afsluitbaar.

2.

Een opening van een voorziening voor luchtverversing van een ruimte voor het opslaan van afval als bedoeld in artikel 3.68, derde lid, is niet afsluitbaar.

Artikel 3.71

1.

De volgens NEN 1087 bepaalde richting van de luchtstroming voor de toevoer van verse lucht gaat vanuit een voorziening voor luchtverversing naar ruimten als bedoeld in artikel 3.68.

2.

De volgens NEN 1087 bepaalde richting van de luchtstroming voor de afvoer van binnenlucht gaat vanuit ruimten als bedoeld in artikel 3.68, naar de voorziening voor luchtverversing.

3.

Voor de toepassing van de voorschriften als bedoeld in het eerste en tweede lid blijven buiten beschouwing bouwwerken en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen die op een ander perceel liggen.

Artikel 3.72

1.

Een uitmonding voor de afvoer van binnenlucht van een voorziening voor luchtverversing is zodanig geplaatst, dat de volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactor van de binnenlucht ter plaatse van een op hetzelfde perceel gelegen instroomopening van:

  1. a.

    een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht die via een verblijfsgebied of een verblijfsruimte voor het verblijven van mensen naar een verbrandingstoestel stroomt, en

  2. b.

    een voorziening voor luchtverversing voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsgebied of een verblijfsruimte voor het verblijven van mensen niet groter is dan 0,01. Voor de toepassing van dit voorschrift blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

2.

Een opening van een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 3.68, ligt, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie, op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens. Indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt deze afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

Artikel 3.73

1.

Toevoer van verse lucht naar een ruimte voor het opslaan van afval als bedoeld in artikel 3.68, derde lid, vindt rechtstreeks van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht uit een ruimte voor het opslaan van afval als bedoeld in artikel 3.68, derde lid, vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

2.

Toevoer van verse lucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte vindt rechtstreeks van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht uit een gemeenschappelijke verkeersruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

3.

Toevoer van verse lucht naar een liftschacht vindt rechtstreeks of via de liftmachineruimte van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht uit een liftschacht vindt rechtstreeks of via de liftmachineruimte naar buiten plaats.

§ 3.12.2. Bestaande bouw

Artikel 3.74

1.

Een bestaand bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor luchtverversing voor een besloten ruimte voor centrale meetapparatuur voor gas, een liftschacht, een ruimte met een netto-inhoud van meer dan 3 m³ voor het opslaan van afval en een tunnelruimte, dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht voldoende wordt beperkt.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.74 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.74 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.75

1.

Een besloten ruimte waarin zich centrale meetapparatuur voor gas bevindt, heeft een voorziening voor luchtverversing, bestaande uit een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van binnenlucht.

2.

Een liftschacht heeft een voorziening voor luchtverversing, bestaande uit een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van binnenlucht.

3.

Een ruimte voor opslag van afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m³, niet zijnde een verblijfsgebied of een verblijfsruimte, heeft een voorziening voor luchtverversing, bestaande uit een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van binnenlucht.

4.

Een tunnel of een tunnelvormig bouwwerk voor verkeer heeft, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, een voorziening voor luchtverversing.

Artikel 3.76

1.

Een voorziening voor luchtverversing van een besloten ruimte waarin zich centrale meetapparatuur voor gas bevindt, heeft een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 2 dm³/s per m³ netto-inhoud van de bedoelde ruimte, met een minimum van 2 dm³/s.

2.

Een voorziening voor luchtverversing van een liftschacht heeft een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die liftschacht.

3.

Een voorziening voor luchtverversing van een ruimte voor het opslaan van afval als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, heeft een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 100 dm³/s.

4.

Een voorziening voor luchtverversing heeft, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, een zodanige capaciteit dat geen gevaar ontstaat voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk.

Artikel 3.77

Een opening van een voorziening voor luchtverversing van een ruimte voor het opslaan van afval als bedoeld in artikel 3.75, is niet afsluitbaar.

Artikel 3.78

1.

Toevoer van verse lucht naar een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks of via de liftmachineruimte van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht uit een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks of via de liftmachineruimte naar buiten plaats.

2.

Toevoer van verse lucht naar een ruimte voor het opslaan van afval als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, vindt rechtstreeks van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht uit de ruimte voor het opslaan van afval vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

Afdeling 3.13. Toevoer van verbrandingslucht

§ 3.13.1. Nieuwbouw

Artikel 3.79

1.

Een te bouwen bouwwerk waarin zich een opstelplaats voor een verbrandingstoestel bevindt, heeft een zodanige voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht dat het door onvolledige verbranding ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.79 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.79 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.80

Een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht. Bij de toepassing van dit voorschrift blijft een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel, met een nominale belasting van ten hoogste 15 kW, buiten beschouwing.

Artikel 3.81

1.

Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding in de toestellen doeltreffend plaats kan vinden. Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit die niet kleiner is dan de totale volgens tabel 3.81.1 benodigde capaciteit.

2.

Onverminderd het eerste lid, heeft een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van niet meer dan 130 kW een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit die niet kleiner is dan de volgens tabel 3.81.1 benodigde capaciteit voor:

  1. a.

    een verbrandingstoestel met een nominale belasting van ten minste 30 W per m² van de op het toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, met een minimum van 6 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor een met gas gestookt stooktoestel als bedoeld in artikel 4.87,

  2. b.

    een verbrandingstoestel met een nominale belasting van ten minste 20 W per m² van de op het toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, met een minimum van 6 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor een met gas gestookt warmwatertoestel als bedoeld in artikel 4.95,

  3. c.

    een verbrandingstoestel met een nominale belasting van ten minste 30 W per m² van de op het toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, met een minimum van 6 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor een met gas gestookt stooktoestel dat is samengevoegd met een warmwatertoestel als bedoeld in artikel 4.96, en

  4. d.

    een verbrandingstoestel met open vuur met een nominale belasting van ten minste 15 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor een met vaste brandstof gestookte open haard met open vuur.

Tabel 3.81.1

verbrandingstoestel

benodigde capaciteit van de toevoer van verbrandingslucht per kW nominale belasting

brandstof

[m³/s]

gesloten vuur met trekonderbreker

aardgas/butaan/propaan

0,78 . 10-3

open vuur (blokkenvuurtoestel type II)

aardgas

3,35 . 10-3

gesloten vuur, met ventilator, zonder trekonderbreker

aardgas/butaan/propaan

0,38 . 10-3

gesloten vuur

olie

0,32 . 10-3

gesloten vuur

kolen

0,52 . 10-3

open vuur, vaste brandstof (open haard).

vaste brandstof

2,8 . 10-3

3.

Een toevoervoorziening voor verbrandingslucht van een CLV-systeem heeft een doorlaat met een oppervlakte, zoals voor de uitvoering van dat systeem is aangegeven in tabel 3.81.2.

>Tabel 3.81.2

uitvoering CLV-systeem

Benodigde oppervlakte van de doorlaat in cm²

Concentrisch

2,5 tot en met 3,5 maal de oppervlakte van de doorlaat van de rookafvoervoorziening

Parallel

2 tot en met 3 keer de oppervlakte van de doorlaat van de rookafvoervoorziening

Artikel 3.82

De volgens NEN 1087 bepaalde richting van de luchtstroming voor de toevoer van verbrandingslucht gaat vanuit de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht naar een opstelplaats van een verbrandingstoestel. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

Artikel 3.83

1.

Indien de verbrandingslucht wordt toegevoerd via een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen, wordt de instroomopening van de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht zodanig geplaatst, dat de volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactor van de rook en verdunningsfactor van de binnenlucht die afkomstig zijn van een uitmonding van:

  1. a.

    een voorziening voor de afvoer van rook en

  2. b.

    een voorziening voor luchtverversing, bestemd voor de afvoer van binnenlucht,

niet groter is dan voor die afvoervoorziening is aangegeven in tabel 3.83. Voor de toepassing van dit voorschrift blijven uitmondingen, bouwwerken en met een bouwwerk gelijk te stellen belemmeringen die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

2.

Een instroomopening van de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht ligt, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie, op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens. Indien het perceel waarop een gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt de afstand gerekend tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

3.

De onderzijde van de instroomopening van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht, gelegen boven een constructie-onderdeel of het aansluitende terrein, ligt, ter voorkoming van gehele of gedeeltelijke afsluiting van de opening door ophoping van vuil of sneeuw, ten minste 0,3 m boven de bovenzijde van dat constructie-onderdeel of dat terrein.

Tabel 3.83

Afvoervoorziening

toegestane verdunningsfactor

Luchtverversing

0,01

rookafvoer voor met gas gestookte toestellen

0,01

rookafvoer voor toestellen met andere brandstoffen

0,0015

Artikel 3.84

De toevoer van verbrandingslucht veroorzaakt in de leefzone van een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen een volgens NEN 1087 bepaalde luchtsnelheid die niet groter is dan 0,2 m/s.

Artikel 3.85

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk niet af van de artikelen 3.83 en 3.84.

Artikel 3.86

Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk zijn de artikelen 3.83 en 3.84 van toepassing.

§ 3.13.2. Bestaande bouw

Artikel 3.87

1.

Een bestaand bouwwerk waarin zich een opstelplaats voor een verbrandingstoestel bevindt, heeft een zodanige voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht dat het door onvolledige verbranding ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.87 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.87 een voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.88

Een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht. Bij de toepassing van dit voorschrift blijft een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel, met een nominale belasting van ten hoogste 15 kW buiten beschouwing.

Artikel 3.89

Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding in de toestellen doeltreffend plaats kan vinden. Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit die niet kleiner is dan de totale volgens tabel 3.89 benodigde capaciteit.

Tabel 3.89

verbrandingstoestel

benodigde capaciteit van de toevoer van verbrandingslucht per kW nominale belasting

brandstof

[m³/s]

gesloten vuur met trekonderbreker

aardgas/butaan/propaan

0,78 . 10-3

open vuur (blokkenvuurtoestel type II)

aardgas

3,35 . 10-3

gesloten vuur, met ventilator, zonder trekonderbreker

aardgas/butaan/propaan

0,38 . 10-3

gesloten vuur

olie

0,32 . 10-3

gesloten vuur

kolen

0,52 . 10-3

open vuur, vaste brandstof (open haard).

vaste brandstof

2,8 . 10-3

Artikel 3.90

De richting van de luchtstroming voor de toevoer van verbrandingslucht gaat vanuit een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht naar een opstelplaats voor een verbrandingstoestel. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

Afdeling 3.14. Afvoer van rook

§ 3.14.1. Nieuwbouw

Artikel 3.91

1.

Een te bouwen bouwwerk waarin zich een opstelplaats voor een verbrandingstoestel bevindt, heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van rook dat geen voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht ontstaat.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.91 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.91 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.92

Een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft een voorziening voor de afvoer van rook. Bij de toepassing van dit voorschrift blijft een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel, met een nominale belasting van ten hoogste 15 kW buiten beschouwing.

Artikel 3.93

1.

Een voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding in de toestellen doeltreffend plaatsvindt. Een voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van ten hoogste 130 kW heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit die niet kleiner is dan de totale normaalvolumestroom van de rook bij de nominale belasting van de verbrandingstoestellen die op die voorziening zijn aangewezen. De normaalvolumestroom van een open verbrandingstoestel wordt bepaald met formule 3.93.

2.

Onverminderd het eerste lid, heeft een voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van niet meer dan 130 kW een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit die niet kleiner is dan de volgens tabel 3.93 bepaalde normaalvolumestroom voor:

  1. a.

    een verbrandingstoestel met een nominale belasting van ten minste 30 W per m² van de op het toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, met een minimum van 6 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor een met gas gestookt stooktoestel als bedoeld in artikel 4.87,

  2. b.

    een verbrandingstoestel met een nominale belasting van ten minste 20 W per m² van de op het toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, met een minimum van 6 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor een met gas gestookt warmwatertoestel als bedoeld in artikel 4.95,

  3. c.

    een verbrandingstoestel met een nominale belasting van ten minste 30 W per m² van de op het toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, met een minimum van 6 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor een met gas gestookt stooktoestel dat is samengevoegd met een warmwatertoestel als bedoeld in artikel 4.96, en

  4. d.

    een verbrandingstoestel met open vuur met een nominale belasting van ten minste 15 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor een met vaste brandstof gestookte open haard met open vuur.

Formule 3.93

qvn = B x 0,27 x 10-3 x n'

waarin:

qvn

is de normaalvolumestroom in m³/s;

B

is de nominale belasting van het toestel, in kW;

n'

is de «rekenwaarde verdunningsfactor van rook» zoals aangegeven in tabel 3.93.

Tabel 3.93

verbrandingstoestel

rekenwaarde verdunningsfactor van rook (n')

afvoer zonder ventilator

afvoer met ventilator

brandstof

[-]

[-]

gesloten vuur, zonder ventilator, met trekonderbreker

aardgas/butaan/propaan

3,0

5,0

open vuur, zonder ventilator (blokkenvuurtoestel type II)

aardgas

12,5

12,5

gesloten vuur, zonder ventilator

olie (HBO I)

1,3

2,6

gesloten vuur, zonder ventilator

kolen, hout

2,0

4,0

open vuur, zonder ventilator

vaste brandstof

10,0

10,0

3.

In afwijking van het eerste lid, heeft een voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel met ventilator en een nominale belasting van ten hoogste 130 kW, een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit die gelijk is aan de door de toestelventilator opgewekte volumestroom.

4.

Een combinatie van een component voor afvoer van binnenlucht van een voorziening voor luchtverversing en een voorziening voor afvoer van rook van een verbrandingstoestel heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit die gelijk is aan de hoogste waarde die geldt voor de component en de voorziening afzonderlijk.

5.

Een CLV-systeem heeft een volgens NEN 2757 bepaald positief drukverschil tussen het afvoerkanaal voor rook en het toevoerkanaal voor verbrandingslucht.

Artikel 3.94

1.

Een uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rook wordt zodanig geplaatst, dat de volgens NEN 2757 bepaalde verdunningsfactor van de rook, ter plaatse van een op hetzelfde perceel als die voorziening gelegen instroomopening van:

  1. a.

    een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht, indien de toevoer van verbrandingslucht plaatsvindt via een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen, en

  2. b.

    een voorziening voor luchtverversing voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen, niet groter is dan voor die afvoervoorziening is aangegeven in tabel 3.94. Daarbij blijven een bouwwerk en met een bouwwerk gelijk te stellen belemmeringen die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

Tabel 3.94

afvoervoorziening voor

toegestane verdunningsfactor

rook afkomstig van een met gas gestookt toestel

0,01

rook afkomstig van een met een andere brandstof gestookt toestel

0,0015

2.

De uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rook ligt, gemeten langszij aan een uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie, niet zijnde het dak, op een afstand van ten minste 1 m van de perceelsgrens. De afstand gemeten loodrecht op die uitwendige scheidingsconstructie is ten minste 2 m. Indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt de afstand gerekend tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

3.

De onderzijde van de uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rook, gelegen boven een constructieonderdeel of het aansluitende terrein, ligt, ter voorkoming van gehele of gedeeltelijke afsluiting van de opening door ophoping van vuil of sneeuw, ten minste 0,3 m boven de bovenzijde van dat constructie-onderdeel of dat terrein.

Artikel 3.95

De rook stroomt, bepaald volgens NEN 2757, vanaf de opstelplaats van een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rook. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven bouwwerken en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

Artikel 3.96

Een voorziening voor de afvoer van rook heeft, ter voorkoming van onaanvaardbare verspreiding van voor de gezondheid schadelijke of hinderlijke bestanddelen uit de rook door ondichtheden, een volgens NEN 2757 bepaalde doorlatendheid die niet groter is dan in tabel 3.96 is aangegeven.

Tabel 3.96

voorziening voor de afvoer van rook

toegestane doorlatendheid

een overdrukvoorziening als bedoeld in NEN 2757

0,0056 x 10-3 m³/s per m² inwendig oppervlak van de voorziening, gemeten bij een drukverschil van 200 Pa

een onderdrukvoorziening als bedoeld in NEN 2757

3 x 10-3 m³/s per m² inwendig oppervlak van de voorziening, gemeten bij een drukverschil van 40 Pa

Artikel 3.97

Een voorziening voor de natuurlijke afvoer van rook als bedoeld in artikel 3.92, is, ter voorkoming van het terugstromen van rook, voorzien van een goed functionerende kap.

Artikel 3.98

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk niet af van de artikelen 3.94 tot en met 3.96.

Artikel 3.99

Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk zijn de artikelen 3.94 tot en met 3.96 van toepassing.

§ 3.14.2. Bestaande bouw

Artikel 3.100

1.

Een bestaand bouwwerk waarin zich een opstelplaats voor een verbrandingstoestel bevindt, heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van rook dat geen voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht ontstaat.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.100 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.100 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.101

Een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft een voorziening voor de afvoer van rook. Bij de toepassing van dit voorschrift blijft een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel, met een nominale belasting van ten hoogste 15 kW, buiten beschouwing.

Artikel 3.102

1.

Een voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW, heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding in het toestel doeltreffend plaatsvindt. Een voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van ten hoogste 130 kW heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit, die niet kleiner is dan de totale normaalvolumestroom van de rook bij de nominale belasting van de verbrandingstoestellen die op die voorziening zijn aangewezen. De normaalvolumestroom van een open verbrandingstoestel wordt bepaald met formule 3.102.

Formule 3.102

qvn = B x 0,27 x 10-3 x n'

waarin:

qvn

is de normaalvolumestroom in m³/s;

B

is de nominale belasting van het toestel, in kW;

n'

is de «rekenwaarde verdunningsfactor rook» zoals aangegeven in tabel 3.102.

Tabel 3.102

verbrandingstoestel

rekenwaarde verdunningsfactor van rook (n')

afvoer zonder ventilator

afvoer met ventilator

brandstof

[-]

[-]

gesloten vuur, zonder ventilator, met trekonderbreker

aardgas/butaan/propaan

3,0

5,0

open vuur, zonder ventilator (blokkenvuurtoestel type II)

aardgas

12,5

12,5

gesloten vuur, zonder ventilator

olie (HBO I)

1,3

2,6

gesloten vuur, zonder ventilator

kolen, hout

2,0

4,0

open vuur, zonder ventilator

vaste brandstof

10,0

10,0

2.

In afwijking van het eerste lid, heeft een voorziening voor de afvoer van rook, als bedoeld in artikel 3.101, voor een open verbrandingstoestel met ventilator, met nominale belasting van ten hoogste 130 kW, een volgens NEN 2757 bepaalde afvoercapaciteit die gelijk is aan de door de toestelventilator opgewekte volumestroom.

3.

Een combinatie van een component voor de afvoer van binnenlucht van een voorziening voor luchtverversing en een voorziening voor de afvoer van rook van een verbrandingstoestel heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit, die gelijk is aan de hoogste waarde die geldt voor de component en de voorziening afzonderlijk.

4.

Een CLV-systeem heeft een volgens NEN 2757 bepaald positief drukverschil tussen het afvoerkanaal voor rook en het toevoerkanaal voor verbrandingslucht.

Artikel 3.103

De afgevoerde rook stroomt, bepaald volgens NEN 2757, vanaf de opstelplaats van een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rook. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven bouwwerken en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

Artikel 3.104

Een overdrukvoorziening voor de afvoer van rook heeft, ter voorkoming van onaanvaardbare verspreiding van voor de gezondheid schadelijke of hinderlijke bestanddelen uit de rook door ondichtheden, een volgens NEN 2757 bepaalde toelaatbare rookdoorlatendheid bij een drukverschil van 200 Pa, van ten hoogste 0,0056*10-3 m³/s per m² inwendig oppervlak van de wand van de voorziening.

Artikel 3.105

Een voorziening voor de natuurlijke afvoer van rook, als bedoeld in artikel 3.101, is, ter voorkoming van het terugstromen van rook, voorzien van een goed functionerende kap.

Afdeling 3.15. Beperking van de toepassing van schadelijke materialen

§ 3.15.1. Nieuwbouw

Artikel 3.106

1.

Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat de aanwezigheid van voor de gezondheid schadelijke stoffen, en van ioniserende stralen beperkt is.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.106 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel 3.107

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het in een bouwwerk toepassen van materialen waaruit giftige of hinderlijke stoffen kunnen vrijkomen of waaruit ioniserende stralen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Kernenergiewet, kunnen ontstaan.

Artikel 3.108

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk niet af van artikel 3.107.

Artikel 3.109

Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk is artikel 3.107 van toepassing.

§ 3.15.2. Bestaande bouw

Artikel 3.109a

1.

Een bestaand bouwwerk is zodanig dat de aanwezigheid van voor de gezondheid schadelijke stoffen beperkt is.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.109a voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel 3.109b

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het in een bouwwerk aanwezig zijn van materialen waaruit giftige of hinderlijke stoffen kunnen vrijkomen.

Afdeling 3.16. Beperking van het kunnen binnendringen van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling, nieuwbouw

Artikel 3.110

1.

Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat gebruikers ervan zo min mogelijk worden blootgesteld aan uit de bodem afkomstige schadelijke stoffen of aan straling.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.110 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.110 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.111

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven waaraan een uitwendige scheidingsconstructie moet voldoen, die de scheiding vormt met de grond of met de kruipruimte, met inbegrip van delen van andere constructies die aansluiten op die constructie, voorzover die delen van invloed zijn op het voldoen aan artikel 3.110, eerste lid.

Artikel 3.112

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk niet af van artikel 3.111.

Artikel 3.113

Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk is artikel 3.111 van toepassing.

Afdeling 3.17. Bescherming tegen ratten en muizen

§ 3.17.1. Nieuwbouw

Artikel 3.114

1.

Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.

2.

Voorzover voor een gebruiksfuncties in tabel 3.114 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.114 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.115

1.

Een uitwendige scheidingsconstructie heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit geldt niet voor een afsluitbare opening en een opening die de uitmonding is van een voorziening voor:

  1. a.

    luchtverversing,

  2. b.

    de afvoer van rook of

  3. c.

    de ont- en beluchting van een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is.

Artikel 3.116

1.

Een gebruiksfunctie heeft ter plaatse van een uitwendige scheidingsconstructie, een scherm tot een vanaf het aansluitende terrein gemeten diepte van ten minste 0,6 m. Het scherm heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is.

3.

Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op een scheidingsconstructie van een meterruimte of van een opstelplaats voor een stooktoestel, indien zich, ter plaatse van de inwendige scheidingsconstructies die de scheiding vormen tussen die ruimte en een andere ruimte van de gebruiksfunctie, een scherm als bedoeld in het eerste lid, bevindt.

§ 3.17.2. Bestaande bouw

Artikel 3.117

1.

Een bestaand bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.

2.

Voorzover voor een gebruiksfuncties in tabel 3.117 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.117 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.118

1.

Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit geldt niet voor een afsluitbare opening en een opening die de uitmonding is van een voorziening voor:

  1. a.

    luchtverversing,

  2. b.

    de afvoer van rook of

  3. c.

    de ont- en beluchting van een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is.

Afdeling 3.18. Drinkwatervoorziening

§ 3.18.1. Nieuwbouw

Artikel 3.119

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor drinkwater dat kan worden beschikt over water, geschikt voor menselijke consumptie en hygiëne.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.119 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel 3.120

Een gebruiksfunctie heeft een voorziening voor drinkwater.

Artikel 3.121

1.

Een voorziening voor drinkwater heeft in een meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het distributienet voor drinkwater.

2.

Een voorziening voor drinkwater heeft een aansluitpunt bij een opstelplaats voor een waterverbruikstoestel.

Artikel 3.122

Een voorziening voor drinkwater voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften.

§ 3.18.2. Bestaande bouw

Artikel 3.123

1.

Een bestaand bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor drinkwater dat kan worden beschikt over water, geschikt voor menselijke consumptie en hygiëne.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.123 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

>

Artikel 3.124

Een gebruiksfunctie heeft een voorziening voor drinkwater.

Artikel 3.125

Een voorziening voor drinkwater heeft een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het distributienet voor drinkwater.

Artikel 3.126

Een voorziening voor drinkwater voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften.

Afdeling 3.19. Warmwatervoorziening

§ 3.19.1. Nieuwbouw

Artikel 3.127

1.

Een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige voorziening dat kan worden beschikt over warm water voor de menselijke hygiëne.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.127 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel 3.128

Een gebruiksfunctie met een badruimte als bedoeld in artikel 4.46, heeft een voorziening voor warm water.

Artikel 3.129

Een warmwatervoorziening als bedoeld in artikel 3.128, heeft een aansluitpunt:

  1. a.

    in een badruimte als bedoeld in artikel 4.46, en

  2. b.

    bij een opstelplaats voor een warmwatertoestel als bedoeld in artikel 4.95.

Artikel 3.130

Een voorziening voor warm water voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften.

§ 3.19.2. Bestaande bouw

Artikel 3.131

1.

Een bestaand bouwwerk heeft een zodanige voorziening dat kan worden beschikt over warm water voor de menselijke hygiëne.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.131 voorschriften zijn gegeven, wordt aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel 3.132

Een voorziening voor warm water voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften.

Afdeling 3.20. Daglicht

§ 3.20.1. Nieuwbouw

Artikel 3.133

1.

Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.133 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.133 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.134

1.

Een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte in m² waarvan de getalwaarde niet kleiner is dan de getalwaarde van het in tabel 3.133 aangegeven deel van de vloeroppervlakte in m² van dat verblijfsgebied.

2.

Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 3.133 gegeven oppervlakte.

3.

Een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt niet gerealiseerd door middel van een lichtopening in een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een aangrenzend verblijfsgebied, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte.

4.

Bij het bepalen van een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste en tweede lid:

  1. a.

    blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing,

  2. b.

    blijven daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie, die op een loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m vanaf de perceelsgrens liggen, buiten beschouwing, waarbij, indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand wordt aangehouden tot het hart van de weg, het openbaar groen of het openbaar water, en

  3. c.

    is de in rekening te brengen belemmeringshoek a, bedoeld in NEN 2057, voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 25°.

5.

Bij het bepalen van een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste of tweede lid:

  1. a.

    blijven bouwwerken, niet zijnde de woonwagen, en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen buiten beschouwing, en

  2. b.

    is de in rekening te brengen belemmeringshoek a, bedoeld in NEN 2057, voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 25°.

6.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking.

7.

Het tweede lid geldt niet voor een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m². Bij het bepalen van de equivalente daglichttoetreding van het verblijfsgebied waarin die verblijfsruimte ligt, blijft, in afwijking van het eerste lid, de vloeroppervlakte van die ruimte buiten beschouwing.

§ 3.20.2. Bestaande bouw

Artikel 3.135

1.

Een bestaand bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.

2.

Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.135 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.135 geen voorschrift is aangewezen.

Artikel 3.136

1.

Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 3.135 gegeven oppervlakte.

2.

De equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste lid, wordt niet gerealiseerd door middel van een lichtopening in een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte.

3.

Bij het bepalen van de equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste lid:

  1. a.

    blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing;

  2. b.

    blijven daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie die op een loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m vanaf de perceelsgrens liggen buiten beschouwing, waarbij, indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand mag worden aangehouden tot het hart van de weg, het openbaar groen of het openbaar water, en

  3. c.

    is de in rekening te brengen belemmeringshoek a, als bedoeld in NEN 2057, voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 25°.

4.

Bij het bepalen van de equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste lid:

  1. a.

    blijven bouwwerken, niet zijnde de woonwagen, en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen buiten beschouwing, en

  2. b.

    is de in rekening te brengen belemmeringshoek a, bedoeld in NEN 2057, voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 25°.

5.

Het eerste lid geldt niet voor een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking.

6.

Het eerste lid geldt niet voor een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m².