Home › Integrale nota van toelichting van Bouwbesluit 2012 › Artikelsgewijze toelichting › Hoofdstuk 9 Overgangs- en slotbepalingen
Dit artikel bevat algemeen overgangsrecht. Hiermee wordt bereikt dat vergunningsaanvragen en meldingen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit worden afgedaan op grond van het recht zoals het gold voor de inwerkingtreding van dit besluit. Dit betekent dat dit besluit eerst van toepassing is op vergunningaanvragen en meldingen die na de inwerkingtreding van dit besluit bij het bevoegd gezag worden ingediend. Het betreft aanvragen om vergunning voor het bouwen (eerste lid), vergunning voor brandveilig gebruik (tweede lid) en omgevingsvergunning voor het slopen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wabo (derde lid) alsmede gebruiksmeldingen als bedoeld in artikel 2.12.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (vierde lid) en sloopmeldingen op grond van de gemeentelijke bouwverordening (vijfde lid). Vergunningaanvragen en meldingen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend, moeten dus voldoen aan en worden afgehandeld op grond van voorschriften zoals die luidden voor de inwerkingtreding van dit besluit. Ten aanzien van aanvragen om vergunning voor het bouwen die gefaseerd zijn ingediend, geldt dat zowel voor de aanvraag eerste fase als de aanvraag tweede fase. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag om vergunning voor het bouwen eerste fase is ingediend, geldt de overgangsregeling van het eerste lid, onderdeel a, dus ook voor de daarmee samenhangende aanvraag om vergunning voor het bouwen tweede fase die na de inwerkingtreding van dit besluit wordt ingediend. Om te voorkomen dat in de gevallen als bedoeld in het derde tot en met vijfde lid ondanks dat vóór de inwerkingtreding van dit besluit al een aanvraag om sloopvergunning (derde lid) respectievelijk een gebruiksmelding (vierde lid) of een sloopmelding (vijfde lid) is ingediend toch ook nog een sloopmelding als bedoeld in artikel 1.26 respectievelijk een gebruiksmelding als bedoeld in artikel 1.18 moet worden ingediend, is in het derde tot en met vijfde lid een tweede volzin opgenomen die inhoudt dat een dergelijke melding in zo’n geval achterwege kan blijven. Het gaat in deze leden zowel om vergunningaanvragen en meldingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds afgehandeld zijn als om aanvragen en meldingen die op dat tijdstip ingediend maar nog niet afgehandeld zijn. Bij het vierde en vijfde lid wordt de melding behandeld als een gebruiksmelding respectievelijk sloopmelding als bedoeld in dit besluit. Bij het derde lid waar geen sprake is van een melding maar van een aanvraag om omgevingsvergunning kan de melding als bedoeld in dit besluit achterwege blijven. Voor deze relatief eenvoudige oplossing, waarbij wordt uitgegaan van de eerbiedigende werking van het oude recht, is gekozen vanuit oogpunt van regelgevingseconomie. Na de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 is gebleken dat er bij toepassing van artikel 9.1 (algemeen overgangsrecht) onduidelijkheid kan ontstaan over de status van de sloopvergunning (derde lid), gebruiksmelding (vierde lid), sloopmelding (vijfde lid) die zijn afgegeven vóór de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012. Om te bereiken dat in de gevallen als bedoeld in het derde tot en met vijfde lid ondanks dat vóór de inwerkingtreding van dit besluit al een aanvraag om vergunning is ingediend respectievelijk een melding is gedaan niet ook nog een sloopmelding als bedoeld in artikel 1.26 respectievelijk een gebruiksmelding als bedoeld in artikel 1.18 moet worden ingediend, is in het derde tot en met vijfde lid de tweede volzin zo gewijzigd dat de vergunning respectievelijk de melding na inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 aangemerkt wordt als een sloopmelding of een gebruiksmelding in de zin van dit besluit [Stb. 2013. 75]. Het gaat in deze leden dus zowel om vergunningaanvragen en meldingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds afgehandeld zijn als om aanvragen en meldingen die op dat tijdstip ingediend maar nog niet afgehandeld zijn. Met deze wijzigingen is dus bereikt dat aanvragen en meldingen worden afgehandeld volgens het ‘oude’ recht en daarna, inclusief de daaraan verbonden voorschriften respectievelijk nadere voorwaarden, worden aangemerkt als een sloopmelding of gebruiksmelding in de zin van dit besluit. Op de handhaving is artikel 1b van de Woningwet in samenhang met het de betreffende artikelen in het Bouwbesluit 2012 van toepassing. Verder is aan artikel 9.1 een zesde lid toegevoegd. In dit zesde lid is een algemene overgangsbepaling opgenomen. Hebben het eerste tot en met vijfde lid betrekking op overgangsrechtelijke situaties die op een gegeven moment zijn uitgewerkt, het zesde lid zal een permanente rol spelen. Dit lid bepaalt dat op een aanvraag om vergunning voor het bouwen of voor brandveilig gebruik, een gebruiksmelding of een sloopmelding, gedaan voor het tijdstip waarop enige wijziging van dit besluit in werking treedt of een bezwaar of beroep ingesteld tegen een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag of melding zal worden beslist overeenkomstig de voorschriften die golden op het tijdstip waarop de aanvraag of melding is gedaan. Hiermee is voor de looptijd van het Bouwbesluit 2012 veiliggesteld dat er bij de behandeling van aanvragen en meldingen (en bezwaar en beroep op een dergelijke aanvraag of melding) altijd mag worden uitgegaan van de versie die gold op het moment dat de desbetreffende aanvraag of melding werd gedaan. De reikwijdte van dit zesde lid zal alleen moeten worden aangepast op het moment dat er een nieuw soort vergunning of melding in het Bouwbesluit 2012 wordt opgenomen.
Dit artikel bevat een aantal specifieke overgangsbepalingen. In artikel 9.2 (specifiek overgangsrecht) van het Bouwbesluit 2012 zijn het eerste en zesde lid (vijfde lid oud) gewijzigd en is een nieuw tweede lid ingevoegd. Tevens zijn aan het eind drie nieuwe leden toegevoegd [Stb. 2011, 676]. Op grond van het eerste lid mogen artikel 1.2, eerste lid (voor zover dit betrekking heeft op de voorschriften van hoofdstuk 2) en artikel 6.25, derde lid, buiten toepassing blijven wanneer op het tijdstip van inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 is voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken, de eerder verleende gebruiksvergunning of de eerder gedane gebruiksmelding met betrekking tot het maximaal toelaatbaar aantal personen in een bouwwerk of een ruimte daarvan en de doorstroomcapaciteit van vluchtroutes. Met dit vereenvoudigde voorschrift wordt voorkomen dat de in dit lid genoemde artikelen nadelige gevolgen hebben voor die gevallen die voor het tijdstip van in werking treden van dit besluit wel voldeden aan de op dat moment geldende voorschriften. Dit overgangsrecht is ook van toepassing bij verbouw en functiewijziging. Als er wordt verbouwd, en bijvoorbeeld het trappenhuis blijft ongewijzigd, dan geldt dit overgangsrecht ook voor de vluchtcapaciteit van dit vluchttrappenhuis. Hiermee wordt voorkomen dat het trappenhuis dat voor de inwerkingtreding als voldoende veilig werd beoordeeld, na verbouwing van de rest van het gebouw of bij verandering van gebruik niet meer voldoet. Dit geldt alleen als het aantal personen dat gebruik moet maken van dat trappenhuis niet groter wordt. Indien het aantal personen dat na een verbouwing of functiewijziging gebruik maakt van het trappenhuis groter is dan voorheen was toegestaan dan is dit overgangsrecht niet van toepassing, en moet gewoon aan desbetreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2012 worden voldaan. Het overgangsrecht is ook niet van toepassing wanneer het trappenhuis zodanig wordt verbouwd dat de brandveiligheid of vluchtcapaciteit afneemt.. Het nieuwe tweede lid [Stb. 2011, 676] betreft het buiten toepassing laten van enkele voorschriften van dit besluit in gevallen dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 of het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken met betrekking tot noodverlichting. Indien en voor zover de noodverlichting blijft voldoen aan de artikelen 2.66 en 2.67 van het Bouwbesluit 2003 behoeft geen rekening te worden gehouden met artikel 6.3 van dit besluit. Dat artikel is derhalve alleen van toepassing op nieuwe situaties, verbouwingen die invloed hebben op de noodzakelijke verlichtingsbronnen en op gevallen waarin het bestaande gebruik van een bouwwerk na de inwerkingtreding van dit besluit wijzigt. In dat geval is namelijk niet meer voldaan aan de uitzondering van dit tweede lid en is artikel 6.3 onverkort van toepassing. In het nieuwe derde lid (voorheen tweede lid [Stb. 2011, 416]) is het overgangsrecht voor tunnels met een tunnellengte van meer dan 250 meter die al op 29 juni 2006 waren opengesteld, vereenvoudigd. Tunnelbeheerders hebben tot 1 mei 2014 om te zorgen dat de tunnels aan relevante voorschriften voor bestaande bouw voldoen. Zie ook artikel 18 van de Wet aanvullende regels aanvullende regels veiligheid wegtunnels.Het vierde lid [derde lid Stb. 2011, 416] heeft betrekking op het realiseren van voldoende stallingsruimte bij nieuw te bouwen utiliteitsgebouwen. Tot de inwerkingtreding van dit besluit waren op het bouwen van utiliteitsgebouwen de voorschriften van afdeling 4.11 van het Bouwbesluit 2003 van toepassing. In dit besluit zijn geen voorschriften met betrekking tot de stallingsruimte voor fietsen opgenomen. Dit onderwerp moet voortaan, evenals voor parkeervoorzieningen voor motorvoertuigen het geval zal zijn, worden geregeld in gemeentelijke bestemmingsplanvoorschriften. Hiervoor is gekozen omdat de behoefte aan dergelijke stallingsruimte sterk afhankelijk is van plaatselijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van onderwijsinstellingen of uitgaansgelegenheden en kantoorgebouwen. Voor zover in het bestemmingsplan geen voorschriften over stallingsruimte voor fietsen bij een te bouwen bouwwerk zijn opgenomen, blijven tot 1 januari 2017 de voorschriften van afdeling 4.11 van het Bouwbesluit 2003, zoals die voor inwerkingtreding van dit besluit luidden, van toepassing. In de periode tussen de inwerkingtreding van dit besluit en 1 januari 2017 hebben gemeenten de tijd om dergelijke stallingsvoorschriften in de bestemmingsplannen op te nemen. In artikel 9.2 (specifiek overgangsrecht) is in het vierde lid 1 januari 2017 vervangen door 1 april 2022 [Stb. 2013,75]. Deze nieuwe datum sluit beter aan op het actualiseringsfrequentie voor bestemmingsplannen zoals vastgelegd in artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening en kunnen de regels omtrent stallingruimte van fietsen mee worden genomen in de reguliere actualisering van bestemmingsplannen. Met het vijfde lid [vierde lid Stb. 2011, 416] wordt bereikt dat een document als bedoeld in artikel 2.1.7 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken, dat is afgegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en waarvan de geldigheidsduur op dat tijdstip niet is verstreken, voor de toepassing van dit besluit mag worden aangemerkt als een document als bedoeld in artikel 1.17 van dit besluit. Hiermee wordt voorkomen dat men op grond van dit besluit voor een nieuw document zou moeten zorgdragen terwijl de geldigheidsduur van het reeds beschikbare document nog niet verstreken was op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Het zesde lid [vijfde lid Stb. 2011, 416] is vergelijkbaar met het vierde lid. Zolang de geldigheidsduur van het reeds beschikbare document nog niet verstreken is, is het niet nodig een nieuw document aan te schaffen. Hoewel de in de artikelen 2.2.1, negende lid, 2.3.9 en 2.5.1 van het Gebruiksbesluit bedoelde documenten formeel niet hetzelfde zijn als het in de artikelen 6.20, zesde lid, en 6.32, eerste en tweede lid, van dit besluit bedoelde certificaten mag tot het verstrijken van de geldigheidsduur van de oude documenten worden gewacht alvorens de nieuwe certificaten nodig zijn. Om het bedrijfsleven voldoende gelegenheid te geven om aan de nieuwe certificatie- en inspectiesschema’s te wennen geldt een overgangstermijn waarbij in de periode tussen de inwerkingtreding van dit besluit en 1 januari 2014 de oude documenten nog mogen worden afgegeven. Zij worden tot het moment van verstrijken van de geldigheidsduur, dat dus na 1 januari 2014 kan liggen, beschouwd als een geldig certificaat in de zin van dit besluit. In de periode tussen de inwerkingtreding van dit besluit en 1 januari 2014 geldt derhalve een duaal stelsel, er kan in die periode gekozen worden tussen de oude en de nieuwe voorschriften. In het zesde lid (nieuw) is de overgangstermijn van 2014 verruimd naar 2015 [Stb. 2011, 676]. Dit betekent dat de oude documenten een jaar langer mogen worden afgegeven, zodat het bestaan van het duale stelsel met een jaar is verlengd. Tevens zijn de verwijzingen naar artikel 6.20 en 6.32 aangepast aan de wijzigingen in die artikelen [Stb. 2011, 676]). Met het nieuwe zevende lid [Stb. 2011, 676] blijven de relevante voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening van toepassing op bouwwerken voor de bouw waarvan vergunning is verleend voordat dit besluit in werking is getreden. Dit betekent dat voor een bestaande verbindingsweg als bedoeld in artikel 6.37 een bestaande opstelplaats voor brandweervoertuigen als bedoeld in artikel 6.38 en een bestaande route als bedoeld in artikel 6.49 de eisen van toepassing blijven die golden op het moment van inwerkingtreding van dit besluit. Dit betekent dat het kan voorkomen dat in dergelijke gevallen niet aan de maatvoering van het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan. Een dergelijke overgangsbepaling is nodig omdat er in de praktijk bestaande situaties zijn waarbij het redelijkerwijs niet mogelijk is om wat betreft de hier boven genoemde opstelplaatsen, verbindingswegen en routes alsnog aan de maatvoering en voorwaarden van het Bouwbesluit 2012 te voldoen. Het nieuwe achtste lid [Stb. 2011, 676] regelt dat op een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit bestaande bijeenkomstfunctie voor kinderopvang de voorschriften van paragraaf 3.10.2 (ventilatievoorziening) van het Bouwbesluit 2003 tot 1 april 2017 van toepassing blijven. Voor zover de voorziening voor luchtverversing niet aan de daaraan in paragraaf 3.6.2 van het Bouwbesluit 2012 gestelde eisen voldoet, heeft men tot 1 april 2017 gelegenheid om de voorziening aan te passen. Dit sluit aan bij de afspraken die het kabinet heeft gemaakt in het kader van de «Nationale aanpak milieu en gezondheid 2008–2012» dat gericht is op een gezond binnenklimaat in onder andere de kinderopvang. Samen met de Brancheorganisatie Kinderopvang, BOinK, Abvakabo, GGD-NL en de vereniging BWT zijn afspraken gemaakt om te komen tot verbetering van het binnenklimaat in de kinderopvang. De eerste twee jaar wordt met name gewerkt aan bewustwording, verbeteren van ventilatiegedrag en het nemen van eenvoudige maatregelen. Voor meer ingrijpende, meestal duurdere bouwkundige maatregelen, wordt een termijn van maximaal vijf jaar gehanteerd zodat dit ingepast kan worden in het reguliere onderhoud en beheer van de gebouwen. Opgemerkt wordt dat in de overgangsperiode tot 1 april 2017 de in paragraaf 3.10.2 van het Bouwbesluit 2003 opgenomen eisen niet mogen worden onderschreden. Het voldoen aan die minimumvoorschriften, betekent overigens niet dat elke CO2-concentratie is toegestaan. Bij een te hoge CO2-concentratie kan sprake zijn van overtreding van de zorgplicht van artikel 1.a, tweede lid, van de Woningwet. De zorgplicht houdt ook in dat het gebruik van een kinderopvang geen gevaar voor de gezondheid mag opleveren. Daarbij wordt in het algemeen een CO2-waarde van 1200 ppm als gezondheidstechnische referentiewaarde gehanteerd. Voor de volledigheid wordt daarbij opgemerkt dat ook bij een CO2-concentratie van 1000 ppm al klachten als hoofpijn en slaperigheid kunnen optreden. Het nieuwe negende lid [Stb. 2011, 676] geeft een overgangsbepaling voor die gebieden waar voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit op basis van de gemeentelijke bouwverordening en eventuele daarop gebaseerde nadere afspraken een aansluitplicht op een distributienet voor warmte (stadsverwarming) geldt. In dergelijke gebieden blijft die aansluitplicht ook na inwerkingtreding van dit besluit bestaan. Als er na de inwerkingtreding van dit besluit in een dergelijk gebied wordt bijgebouwd dan geldt de aansluitplicht ook voor deze nieuwe gebouwen. Met dit overgangsrecht wordt rekening gehouden met de bijzondere eigenschappen van een warmtenet. Alleen wanneer in een bepaald gebied de aansluitplicht op een warmtenet over een langere periode is gewaarborgd is een dergelijk systeem uit het oogpunt van energiezuinigheid en milieu haalbaar. Met gebied wordt bedoeld het gebied waarvoor een gemeente daadwerkelijk een concessie voor de aanleg en exploitatie van een warmtenet aan een netbeheerder heeft gegund. Dit kan ook de hele gemeente zijn. Artikel 6.10, derde lid, is als het overgangsrecht geldt dus niet van toepassing. Genoemd derde lid is wel van toepassing op nieuwe bouwwerken in gebieden waar op het moment van inwerkingtreding van dit besluit nog geen stadsverwarming is aangelegd en ook geen concessie overeenkomstig bovenstaande is verleend. In dergelijke gebieden is aansluiting niet nodig wanneer niet aan de criteria van artikel 6.10, derde lid is voldaan of wanneer in een specifiek geval een beroep op gelijkwaardigheid is gedaan.
In dit besluit zijn de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 (Stb. 2001, 410), het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) en paragraaf 2 van het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Stb. 2006, 248) samengebracht. In verband daarmee komen die besluiten en die paragraaf te vervallen op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Wijziging van de intrekkingsbepaling [Stb. 2011, 676] is nodig omdat artikel 5.2 (energieprestatiecoëfficiënt) van het Bouwbesluit 2012 niet gelijk met de rest van het besluit inwerking zal kunnen treden. Om die reden is in het eerste lid van artikel 9.3 bepaald dat het Bouwbesluit 2003 met uitzondering van afdeling 5.3 zal worden ingetrokken. In het tweede lid is bepaald dat afdeling 5.3 op een later moment bij koninklijk besluit zal worden ingetrokken. Afdeling 5.3 van het Bouwbesluit 2003 wordt ingetrokken wanneer artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012 in werking treedt. Zie ook de toelichting op artikel II [van het Besluit houdende wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 betreffende correcties en enkele vereenvoudigingen van het Bouwbesluit 2012, Stb. 2011, 676]
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het onderhavige besluit. Het voornemen is de inwerkingtreding te bepalen op 1 januari 2012. Hiermee is rekening gehouden met het systeem van de vaste verandermomenten. Wijziging [Stb. 2011, 676] van de inwerkingtredingsbepaling van het Bouwbesluit 2012 is nodig omdat op het moment van vaststelling van dit besluit duidelijk is dat de afdelingen 2.16, 5.2 en 6.12 en artikel 5.2 op een later moment dan de overige onderdelen van het Bouwbesluit 2012 in werking zullen treden. Daarom is in het eerste lid van artikel 9.4 bepaald dat het Bouwbesluit 2012 met uitzondering van de genoemde afdelingen en het genoemde artikel op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking zal treden. In het tweede lid is bepaald dat de inwerkingtreding van die afdelingen en dat artikel zal plaatsvinden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor iedere afdeling of onderdeel daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Met dit onderscheid in een eerste en tweede lid kan in andere regelgeving die gelijktijdig met het Bouwbesluit 2012 in werking moet treden op eenvoudige wijze naar het in het eerste lid van artikel 9.4 bedoelde moment worden verwezen.
De citeertitel is Bouwbesluit 2012. Evenals bij het Bouwbesluit 2003 het geval was is in de citeertitel een jaartal opgenomen ten einde duidelijk tot uitdrukking te brengen dat het een geheel nieuw besluit betreft. 2012 is het jaar van beoogde inwerkingtreding van het besluit.