Home › Nota van toelichting op Bouwbesluit 2003 › Artikelsgewijze toelichting › Hoofdstuk 4 Voorschriften uit het oogpunt van bruibaarheid › Afdeling 4.6 Verblijfsruimte
Het eerste lid geeft de functionele eis voor verblijfsruimten voor nieuwbouw.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.26 bepaalt dat er een of meer verblijfsruimten aanwezig moeten zijn en bevat eisen omtrent de oppervlakte daarvan (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 4.27 stelt eisen aan de ligging en bereikbaarheid van verblijfsruimten (bereikbaarheid); |
| 3. | artikel 4.28 stelt eisen aan de afmetingen van het verblijfsruimte en aan de hoogte daarboven (afmetingen), en |
| 4. | artikel 4.29 stelt eisen aan de bezetting van verblijfsruimten (bezettingsgraadklasse). |
Voor een 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is. Met de aanwijzing in tabel 4.25 van artikel 4.26, eerste en het nieuwe zesde lid voor een overige gebruiksfunctie, is de discrepantie weggenomen met de voorschriften waarin voor de desbetreffende gebruiksfuncties verwezen wordt naar een verblijfsruimte. Aan de minimale vloeroppervlakte van een verblijfsruimte van een andere onbenoemde gebruiksfunctie is met de aanwijzing van het zesde lid geen ondergrens meer gesteld (Stb. 2002, 203; Stb. 2002, 516). In tabel 4.25 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). De eisen voor de onderwijsfunctie en de sportfunctie voor onderwijs zijn ten behoeve van deregulering beperkt tot basiseisen. De grenswaarde voor de plafondhoogte in de utiliteitsbouw is voor elke gebruiksfunctie waarvoor een minimumhoogte van 2,4 m gold, in artikel 4.28, derde lid, aangescherpt tot 2,6 m. Een uitzondering op deze regel geldt voor de celfunctie, waar een minimum-plafondhoogte van 2,5 m geldt. In de tabel is een extra kolom toegevoegd voor de aansturing van het nieuwe vierde lid van artikel 4.28.
Een gebruiksfunctie moet een of meer verblijfsruimten hebben. Dit vloeit voort uit de aanwezigheidseis van verblijfsgebieden (afdeling 4.5). Een verblijfsgebied bevat immers volgens zijn begripsbepaling een of meer verblijfsruimten. De eisen die van belang zijn voor ruimten waarin mensen verblijven of waarin voor de gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten worden verricht zijn in verband met de vrije indeelbaarheid in beginsel gericht op verblijfsgebieden. Om te voorkomen dat er bij indeling van een verblijfsgebied in verblijfsruimten een onaanvaardbare toestand ontstaat, staan er in een aantal andere afdelingen in dit besluit zogenaamde vangneteisen voor verblijfsruimten, zoals bijvoorbeeld bij daglichttoetreding en luchtverversing. Het doel van dit artikel is te waarborgen dat gebruiksfuncties een of meer qua afmetingen bruikbare ruimten bevatten voor de activiteiten die voor die gebruiksfunctie kenmerkend zijn. Wat de voorschriften voor specifieke ruimten betreft, vereist het eerste lid voor bepaalde gebruiksfuncties dat er in minimaal één verblijfsruimte voldoende ruimte ten behoeve van een voor die gebruiksfunctie kenmerkende activiteit is. Voor woningen en woonwagens is dit het wonen, ten behoeve waarvan er ruimte moet zijn voor een minimale zitgelegenheid. Bij het bepalen van de minimaal vereiste afmetingen van deze zitgelegenheid is uitgegaan van een potentiële bezettingsgraad van ten hoogste twee personen. Voor cafés en soortgelijke horecagelegenheden is de kenmerkende activiteit het schenken en gebruiken van alcoholische drank. De afmetingseis met het oog op de ruimte die daarvoor beschikbaar moet zijn, is afgeleid uit het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. In artikel 4.26 zijn het tweede tot en met vijfde lid vervallen (Stb. 2005, 1). Dit vloeit voort uit de deregulering van de specifieke voorschriften voor de onderwijsfunctie voor speciaal en basisonderwijs en de daaraan gerelateerde voorschriften voor de sportfunctie voor onderwijs.
Het eerste lid bepaalt dat een verblijfsruimte deel uitmaakt van een verblijfsgebied om zeker te stellen dat een verblijfsruimte tevens moet voldoen aan de eisen voor het verblijfsgebied waarin die ruimte ligt. Dit geldt zowel wanneer er slechts één verblijfsruimte is, als wanneer het verblijfsgebied is ingedeeld in meer verblijfsruimten. Opgemerkt wordt dat de eisen op verblijfsgebiedniveau namelijk aanzienlijk hoger kunnen liggen. Het tweede lid geldt voor alle woningen in woongebouwen. Daarbij wordt nadrukkelijk de mogelijkheid gegeven dat een woning een verblijfsruimte kan hebben die in een gemeenschappelijk verblijfsgebied ligt, zoals bijvoorbeeld een centrale zitgelegenheid in een serviceflat. De bewoners moeten zo'n gemeenschappelijke verblijfsruimte beschermd tegen weer en wind kunnen bereiken via gemeenschappelijke gangen en trappenhuizen, dan wel rechtstreeks vanuit hun woning. Het derde lid geldt voor iedere woonfunctie. Het houdt in dat men om bij een verblijfsruimte te komen niet genoodzaakt mag zijn door een toiletruimte, badruimte of technische ruimte te lopen. Overigens sluit deze eis niet uit dat de verblijfsruimte ook rechtstreeks toegankelijk is vanuit de genoemde ruimten. Met het vierde lid is beoogd te voorkomen dat de gebruiker van de verblijfsruimte van de woonwagen hinder ondervindt van tocht bij het openstaan van de buitendeur.
Dit artikel geeft de afmetingen aan die een verblijfsruimte ten minste moet hebben om geschikt te zijn voor het verrichten van de voor de betrokken gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten. De afmetingen stemmen overeen met die, welke een verblijfsgebied volgens afdeling 4.5 ten minste moet hebben. Voor verblijfsruimten in woningen geldt ook de aanscherping van de plafondhoogte van 2,4 m tot 2,6 m. Door deze afmetingseisen is het mogelijk om een 'niet-ingedeeld' verblijfsgebied aan te merken als een afzonderlijke verblijfsruimte, wat strookt met de definitie van 'verblijfsgebied' als bestaande uit één of meer verblijfsruimten. Anderzijds is het hierdoor mogelijk ook de kleinste afzonderlijke verblijfsruimte aan te merken als verblijfsgebied, zodat ook de eisen voor het verblijfsgebied op die verblijfsruimte van toepassing zijn.
Voor gebruiksfuncties als voor het stallen van motorvoertuigen zijn de afmetingsvoorschriften voor een verblijfsruimte niet van toepassing. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat in een parkeergarage een vrije hoogte van ten minste 2,4 m verplicht wordt gesteld. Het nieuwe vierde lid van artikel 4.28 regelt dat, indien een gebruiksfunctie een nevenfunctie van een celfunctie is, ook daarvoor met een plafondhoogte van 2,5 m kan worden volstaan (Stb. 2005, 1). Daarbij kan onder meer worden gedacht aan een in een cellenblok opgenomen ruimte voor de bewaking. Hiermee is de flexibiliteit van een ontwerp voor een gebouw met celfuncties en nevenfuncties gewaarborgd.
Dit artikel vormt onderdeel van het geheel van bepalingen voor de utiliteitsbouw die ten doel hebben de zogenoemde vrije indeelbaarheid van die gebruiksfuncties mogelijk te maken. De aanvrager van een bouwvergunning is vrij om in zijn bouwplan voor een verblijfsgebied een bepaalde bezettingsgraadklasse aan te geven. Zijn keus heeft tot gevolg dat die klasse ook geldt voor de verblijfsruimten die in dat gebied worden verwezenlijkt. Er wordt zo voorkomen dat bij indeling van het verblijfsgebied nadat de bouwvergunning is verleend, er verblijfsruimten ontstaan met een lagere bezettingsgraadklasse dan die van het verblijfsgebied.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.6.1 (Stb. 2002, 203). In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.
In tabel 4.30 is voor de bestaande bouw de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). De aanscherping van de eis voor de plafondhoogte van de bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik, van 2,1 m tot 2,4 m, in artikel 4.33, derde lid, en de toevoeging van het vijfde lid, vloeien voort uit de afstemming van het Bouwbesluit 2003 met het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Deze aanpassingen hebben ook geleid tot extra kolommen in de tabel.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.6.1 (Stb. 2002, 203). In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.
Het derde lid maakt het mogelijk dat van een woonfunctie in een woongebouw een deel van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte van de woonfunctie wordt verwezenlijkt als gemeenschappelijke verblijfsruimte elders in het woongebouw. Op grond van het derde lid moet 10 m2 aan verblijfsruimte binnen de woning aanwezig zijn. Deze oppervlakte kan nog juist voldoende worden geacht voor het in de woning verrichten van de voor het wonen kenmerkende activiteiten die niet buiten de woning kunnen worden verricht.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.6.1 (Stb. 2002, 203). In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.
In artikel 4.32 is het woord 'besloten' geschrapt (Stb. 2005, 1). Het al dan niet droog kunnen bereiken van een verblijfsruimte die buiten de woning zelf ligt, bijvoorbeeld een ruimte achter in de tuin van een woning, wordt aan de markt overgelaten.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.6.1 (Stb. 2002, 203). In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.
Artikel 4.33, derde lid, is zodanig aangepast (Stb. 2005, 1) dat in de tabel de bijzondere grenswaarde van 2,4 m voor een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik kan worden aangegeven. In het kader van de afstemming van het Bouwbesluit 2003 met het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet is de hoogte boven de vloer voor bestaande bijeenkomstfuncties voor alcoholgebruik gesteld op 2,4 m (Stb. 2005, 1). Een uitzondering geldt voor horecalokaliteiten die reeds voor 1 november 2000 over een vergunning op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet beschikten. Voor dergelijke horecalokaliteiten geldt de in de oorspronkelijke vergunning aangegeven plafondhoogte, mits deze ten minste 2,1 m is. Voorwaarde hierbij is dat de bedrijfsvoering, behoudens in geval van overmacht, niet langer dan één jaar onderbroken mag zijn geweest.