Een goede toegang van een gebruiksfunctie is een noodzakelijk onderdeel van het beleid ter bevordering van integrale toegankelijkheid van gebouwen. De minimum breedte van 0,85 m komt overeen met de uitgangspunten van het 'Handboek voor Toegankelijkheid', 3e druk 1998, van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad. Dit biedt de mogelijkheid dat ook rolstoelgebruikers op normale wijze gebruik kunnen maken van een gebruiksfunctie. Wegens de toenemende gemiddelde lengte van de bevolking is de hoogte van deuren van woningen aangescherpt van 2,1 m naar 2,3 m. Daarmee wordt de gebruikswaarde van de woningen voor de langere tijd zeker gesteld. De aanpassing van tabel 4.10 en artikel 4.11 berust op het volgende. De vrije doorgang in woningen en woongebouwen is, voortvloeiend uit de nota Mensen, Wensen, Wonen (kamerstukken II 2000/01, 27 559, nr. 1), aangescherpt van 2,1 m naar 2,3 m. In de artikelen 4.11 en 4.12 is de hoogte van de vrije doorgang van een toegang en van een verkeersroute aangescherpt (Stb. 2005, 1). Daarmee is gevolg gegeven aan de aanbevelingen uit de rapportage 'Aanbevelingen voor verbetering bestaande dan wel opname van nieuwe toegankelijkheidseisen in het Bouwbesluit n.a.v. onderzoek Minimumkwaliteit- Integratie Toegankelijkheidseisen' (99cb-948/mvd/jvf, 18 oktober 1999) onder auspiciën van de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad en in samenwerking met (woon)consumentenorganisaties en het Overleg Platform Bouwregelgeving. In samenhang daarmee is het oorspronkelijke tweede lid van artikel 4.11 vervallen, omdat er nu geen hoogte-eisen meer worden gesteld aan de toegang van een lift. Hiervoor is een nieuw tweede lid in de plaats gekomen dat verduidelijkt dat er geen eisen worden gesteld aan de toegang van de liftkooi, maar wel aan de opening in de constructie van de liftschacht. In het eerste lid van artikel 4.11 worden eisen gesteld aan de hoogte van de vrije doorgang. In het nieuwe tweede lid wordt hierop voor een toegang van de liftschacht naar een liftkooi een uitzondering gemaakt. Dit nieuwe lid stelt geen eisen aan de vrije doorgang, maar aan de hoogte van de opening in de bouwconstructie. Onder 'bouwconstructie' wordt verstaan: onderdeel van een bouwwerk dat bestemd is om belasting te dragen (artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003). Bij de in het eerste lid genoemde ruimten moet daadwerkelijk een vrije doorgang worden gerealiseerd met de in de tabel aangegeven hoogte (meestal 2,3 m). Bij de in het tweede lid genoemde toegang van de liftschacht voor het bereiken van een liftkooi kan dus worden volstaan met het scheppen van de bouwkundige voorwaarden. Dit betekent dat men vrij is een lift met een lagere toegangshoogte dan 2,3 m te plaatsen. De lift moet uiteraard aan de richtlijn liften nr. 95/16/EG van 29 juni 1995 (PbEG L 213) en het daarop gebaseerde Besluit liften voldoen.
Het moet altijd mogelijk blijven om, zonder wijzigingen in de draagconstructie aan te brengen, op enig moment een lift met een toegangshoogte van 2,3 m te plaatsen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het voorschrift voor de vrije breedte onverkort op de toegang van een lift van toepassing is.
Het "Onderzoek kosteneffecten cellengebouwen" (ABT 8495 GXXK, 29 januari 2004) heeft aangetoond dat in recente justitiële bouwplannen voor cellengebouwen geen gemeenschappelijke verkeersroutes voorkomen met een kleinere breedte dan 1,2 m. Dit betekent dat het zevende lid van artikel 4.12, waarin voor de in een 'celfunctie gelegen in een cellengebouw' gelegen gemeenschappelijke verkeersroute een breedte van ten minste 1,1 m was opgenomen, zonder bezwaar kan opgaan in het gewijzigde tweede lid. Met de aansturing van dat lid is een breedte van ten minste 1,2 m geregeld voor een gemeenschappelijke verkeersroute van een celfunctie (Stb. 2005, 1).