Home › Nota van toelichting op Bouwbesluit 2003 › Artikelsgewijze toelichting › Hoofdstuk 4 Voorschriften uit het oogpunt van bruibaarheid › Afdeling 4.3 Vrije doorgang
Het eerste lid geeft de functionele eis voor de vrije doorgangen van te bouwen bouwwerken.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.11 bepaalt wat voor breedte en hoogte deuropeningen van bepaalde ruimten ten minste moeten hebben (vrije doorgang); |
| 2. | artikel 4.12 bepaalt wat voor breedte gangen, galerijen en dergelijke ruimten waardoor een verkeersroute voert ten minste moeten hebben en wat de minimum breedte en lengte dienen te zijn van plaatsen in verkeersruimten waar een rolstoel moet kunnen keren (vrije vloeroppervlakte), en |
| 3. | artikel 4.13 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw). |
Voor de lichte industriefunctie, 'overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is. In de tabel is bij de woonfunctie van een woonwagen de grenswaarde voor een verkeersroute geschrapt, omdat voor een woonwagen een verkeersroute niet is voorgeschreven (Stb. 2002, 203). In tabel 4.10 zijn voor de utiliteitsbouw de grenswaarden van het eerste lid bij de artikelen 4.11 en 4.12 aangepast (Stb. 2005, 1). Het tweede lid van artikel 4.12 wordt nu ook aangestuurd voor de 'celfunctie gelegen in een cellengebouw'. De kolom voor het zevende lid van dat artikel is vervallen.
Een goede toegang van een gebruiksfunctie is een noodzakelijk onderdeel van het beleid ter bevordering van integrale toegankelijkheid van gebouwen. De minimum breedte van 0,85 m komt overeen met de uitgangspunten van het 'Handboek voor Toegankelijkheid', 3e druk 1998, van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad. Dit biedt de mogelijkheid dat ook rolstoelgebruikers op normale wijze gebruik kunnen maken van een gebruiksfunctie. Wegens de toenemende gemiddelde lengte van de bevolking is de hoogte van deuren van woningen aangescherpt van 2,1 m naar 2,3 m. Daarmee wordt de gebruikswaarde van de woningen voor de langere tijd zeker gesteld. De aanpassing van tabel 4.10 en artikel 4.11 berust op het volgende. De vrije doorgang in woningen en woongebouwen is, voortvloeiend uit de nota Mensen, Wensen, Wonen (kamerstukken II 2000/01, 27 559, nr. 1), aangescherpt van 2,1 m naar 2,3 m. In de artikelen 4.11 en 4.12 is de hoogte van de vrije doorgang van een toegang en van een verkeersroute aangescherpt (Stb. 2005, 1). Daarmee is gevolg gegeven aan de aanbevelingen uit de rapportage 'Aanbevelingen voor verbetering bestaande dan wel opname van nieuwe toegankelijkheidseisen in het Bouwbesluit n.a.v. onderzoek Minimumkwaliteit- Integratie Toegankelijkheidseisen' (99cb-948/mvd/jvf, 18 oktober 1999) onder auspiciën van de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad en in samenwerking met (woon)consumentenorganisaties en het Overleg Platform Bouwregelgeving. In samenhang daarmee is het oorspronkelijke tweede lid van artikel 4.11 vervallen, omdat er nu geen hoogte-eisen meer worden gesteld aan de toegang van een lift. Hiervoor is een nieuw tweede lid in de plaats gekomen dat verduidelijkt dat er geen eisen worden gesteld aan de toegang van de liftkooi, maar wel aan de opening in de constructie van de liftschacht. In het eerste lid van artikel 4.11 worden eisen gesteld aan de hoogte van de vrije doorgang. In het nieuwe tweede lid wordt hierop voor een toegang van de liftschacht naar een liftkooi een uitzondering gemaakt. Dit nieuwe lid stelt geen eisen aan de vrije doorgang, maar aan de hoogte van de opening in de bouwconstructie. Onder 'bouwconstructie' wordt verstaan: onderdeel van een bouwwerk dat bestemd is om belasting te dragen (artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003). Bij de in het eerste lid genoemde ruimten moet daadwerkelijk een vrije doorgang worden gerealiseerd met de in de tabel aangegeven hoogte (meestal 2,3 m). Bij de in het tweede lid genoemde toegang van de liftschacht voor het bereiken van een liftkooi kan dus worden volstaan met het scheppen van de bouwkundige voorwaarden. Dit betekent dat men vrij is een lift met een lagere toegangshoogte dan 2,3 m te plaatsen. De lift moet uiteraard aan de richtlijn liften nr. 95/16/EG van 29 juni 1995 (PbEG L 213) en het daarop gebaseerde Besluit liften voldoen.
Het moet altijd mogelijk blijven om, zonder wijzigingen in de draagconstructie aan te brengen, op enig moment een lift met een toegangshoogte van 2,3 m te plaatsen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het voorschrift voor de vrije breedte onverkort op de toegang van een lift van toepassing is.
Het "Onderzoek kosteneffecten cellengebouwen" (ABT 8495 GXXK, 29 januari 2004) heeft aangetoond dat in recente justitiële bouwplannen voor cellengebouwen geen gemeenschappelijke verkeersroutes voorkomen met een kleinere breedte dan 1,2 m. Dit betekent dat het zevende lid van artikel 4.12, waarin voor de in een 'celfunctie gelegen in een cellengebouw' gelegen gemeenschappelijke verkeersroute een breedte van ten minste 1,1 m was opgenomen, zonder bezwaar kan opgaan in het gewijzigde tweede lid. Met de aansturing van dat lid is een breedte van ten minste 1,2 m geregeld voor een gemeenschappelijke verkeersroute van een celfunctie (Stb. 2005, 1).
Het doel van dit artikel is dat ruimten waardoor verkeersroutes voeren zodanige afmetingen hebben, dat deze een integrale toegankelijkheid van de daarop aangewezen ruimten waarborgen. Het eerste lid betreft de breedte van de vrije doorgang van alle verkeersroutes van de betrokken gebruiksfuncties, zowel die binnen het hoofdgedeelte van de gebruiksfunctie, als verkeersroutes waarop meer dan een gebruiksfunctie is aangewezen. Hieronder vallen bijvoorbeeld een gang in een woning, een gang in een school en een galerij in een fabriek. Met de wijziging van artikel 4.12, eerste lid, is zeker gesteld dat er geen misverstanden ontstaan over de breedte van de verkeersroute. Alleen ter plaatse van een trap geldt een minimale breedte van 80 cm (Stb. 2002, 516). Het tweede en het zesde lid bevatten een van het eerste lid afwijkende eis aan de minimum breedte van de vrije doorgang van gemeenschappelijke verkeersroutes, al dan niet in een toegankelijkheidssector gelegen, van woongebouwen. Met het oog op het groeiend aantal ouderen dat ook langer thuis zal wonen en om voortijdige aanpassing van de gebruiksfunctie te voorkomen, is de minimum breedte van de gemeenschappelijke verkeersruimten van woongebouwen aangescherpt van 1,1 m naar 1,2 m. De breedte is zodanig, dat personen elkaar kunnen passeren en dat de verkeersruimte ook voor een rolstoelgebruiker bruikbaar is. Ook biedt deze breedte voldoende mogelijkheid om bijvoorbeeld grote meubelstukken te kunnen verplaatsen. Het derde en het vierde lid maken het mogelijk met een rolstoel 360° te draaien achter een buitendeur van een woongebouw of voor een lift in dat gebouw. Het vijfde lid beoogt eveneens een gelegenheid te scheppen tot keren met een rolstoel, maar dan in gangen van een woongebouw. Het kan voorkomen dat bezoekers de bewoners niet thuis treffen. Dit voorschrift zorgt er voor dat in dat geval rolstoelgebruikers in voorwaartse richting, al dan niet via een lift, weer de toegang van het woongebouw kunnen bereiken. Met de wijziging van de vrije doorgang in artikel 4.12, zevende lid, is recht gedaan aan de huidige inzichten bij het begeleiden van gedetineerden in cellencomplexen (Stb. 2002, 516).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.3.1.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.3.1. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken:
Met de wijziging van de vrije doorgang in artikel 4.15 is recht gedaan aan de huidige inzichten bij het begeleiden van gedetineerden in cellencomplexen (Stb. 2002, 516). Artikel 4.15 is zodanig aangepast (Stb. 2005, 1), dat nu ook voor de bestaande bouw duidelijk is dat een trap of een toegang niet altijd dezelfde vrije doorgang moet hebben als een verkeersroute.