Home › Nota van toelichting op Bouwbesluit 2003 › Artikelsgewijze toelichting › Hoofdstuk 4 Voorschriften uit het oogpunt van bruibaarheid
Het schrappen van de voorschriften van afdeling 4.1, inzake de minimum afmetingen van een standplaats voor een woonwagen, is een gevolg van de afstemming op de voorschriften voor de andere gebruiksfuncties (Stb. 2005, 1). Bij de andere gebruiksfuncties is evenmin een voorschrift voor de omvang van het perceel opgenomen. Bovendien leidden de voorschriften tot een spanningsveld tussen de woonwensen van de woonwagenbewoners (bredere wagens met inpandig sanitair) en de omvang van de standplaatsen die de gemeente op basis van het Bouwbesluit 2003 meende te moeten realiseren. De minimum standplaats uit het Bouwbesluit 2003 voldeed alleen aan de eisen van brandveiligheid bij beperkte afmetingen van de woonwagen. Bij de bredere wagens die nu gangbaar zijn behoort een daarop afgestemde ruimere standplaats. Het schrappen van deze afmetingseisen in het Bouwbesluit 2003 geeft de gemeenten meer ruimte om een eigen beleid te voeren. Hiermee wordt de eigen verantwoordelijkheid van de gemeente benadrukt om bij het bepalen van de omvang van de standplaats van geval tot geval rekening te houden met alle relevante voorschriften en omstandigheden.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor de toegankelijkheidssector van te bouwen bouwwerken.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.4 bepaalt in welke situaties een gebouw een toegankelijkheidssector moet hebben (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 4.5 bepaalt welke delen van een gebruiksfunctie een toegankelijkheidssector minimaal moet omvatten (verkeersruimte); |
| 3. | artikel 4.6 regelt welke hoogteverschillen in een toegankelijkheidssector moeten worden overbrugd door een hellingbaan of lift en stelt maxima aan niveauverschillen (hoogteverschil); |
| 4. | artikel 4.7 bevat minimumeisen aan de vrije vloeroppervlakte van een in een toegankelijkheidssector verplichte lift (afmetingen liftkooi); |
| 5. | artikel 4.8 stelt een maximum aan de loopafstand tussen een in een toegankelijkheidssector verplichte lift en een daarop aangewezen woning (loopafstand), en |
| 6. | artikel 4.9 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw). |
Voor de 'woonfunctie van een woonwagen' en enkele andere (sub)gebruiksfuncties wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.
De eisen inzake de aanwezigheid van een toegankelijkheidssector in gebruiksfuncties zijn gesteld om te bereiken dat deze voor een ieder, dus ook voor lichamelijk gehandicapten toegankelijk zijn. De voorschriften zijn ontleend aan het 'Handboek toegankelijkheid, 3e druk 1998' van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad. Het is aan de aanvrager van een bouwvergunning om aan te geven welk gedeelte van de gebruiksfunctie binnen de gestelde randvoorwaarden als toegankelijkheidssector moet worden aangemerkt. Het eerste lid vereist de aanwezigheid van een toegankelijkheidssector in onder meer zeer grote woningen. Deze zijn door hun omvang veelal met name geschikt voor huisvesting van mensen die lichamelijk in verminderde mate zelfstandig kunnen functioneren. Een voorbeeld van een zodanige huisvestingsvorm is een bejaardentehuis. Op grond van het tweede lid dienen hoge of grote woongebouwen over een toegankelijkheidssector te beschikken. Uit een oogpunt van kosten is een ondergrens gesteld aan de gelding van de eis. Wat de oppervlakte-eis betreft is de grens gelegd bij 3.500 m2 gebruiksoppervlakte. De kosten van een lift worden aanvaardbaar geacht bij dit oppervlaktecriterium van 3.500 m2, wat overeenkomt met een gemiddelde bezettingsgraad van het woongebouw van ongeveer 100 personen. Het hoogtecriterium van 1,5 m is gesteld omdat bij de berekening van de gebruiksoppervlakte woningen op de begane grond buiten beschouwing dienen te blijven. Gebruikers en bezoekers van die woningen zullen immers voor het bereiken daarvan geen gebruik behoeven te maken van de lift.
Het derde lid geeft aan wanneer een utiliteitsgebouw een toegankelijkheidssector moet hebben. Op grond van een besluit in de ministerraad van 17 april 1998 zijn deze eisen aangescherpt. In het algemeen geldt dat gebruiksfuncties met meer dan 400 m2 gebruiksoppervlakte aan deze eis moeten voldoen. Voor horecagelegenheden geldt dat zij vanaf 150 m2 gebruiksoppervlakte ten minste een integraal toegankelijk toilet moeten hebben (artikel 4.36, lid 3). In geval deze horecagelegenheid minder dan 400 m2 gebruiksoppervlakte heeft, dan behoeft er in die toegankelijkheidssector geen verblijfsruimte (afdeling 4.6) te liggen.
Dit artikel regelt dat ook rolstoelgebruikers en andere lichamelijk gehandicapten de ruimten in een toegankelijkheidssector zelfstandig kunnen bereiken. Dat een toegankelijkheidssector als zodanig rechtstreeks bereikbaar is vanaf het aansluitende terrein is geregeld in artikel 4.18. Het derde lid bepaalt dat een route naar een ruimte in een toegankelijkheidssector niet voert door een ruimte in het hoofdgedeelte van een andere gebruiksfunctie. De vervanging van 'route' door 'verkeersroute' in het tweede en derde lid heeft geen inhoudelijke gevolgen (Stb. 2005, 1). Met deze wijziging wordt beter aangesloten bij de elders in het Bouwbesluit 2003 gebruikte begrippen.
Verschillen in hoogte tussen vloeren van ruimten en tussen een vloer en het aansluitende terrein belemmeren voor veel personen de toegankelijkheid van de betrokken ruimten. De bedoeling van dit artikel is dat wat betreft een toegankelijkheidssector dergelijke hoogteverschillen worden beperkt, dan wel overbrugd door een lift of een hellingbaan. Een beperkt hoogteverschil van maximaal 2 cm is toegestaan, omdat ook rolstoelgebruikers dit nog zelfstandig kunnen overbruggen. Doorgaans gaat het hierbij om het hoogteverschil tussen een drempel en de daarop aansluitende vloeren. De bovenkant van de drempel zelf moet namelijk worden beschouwd als een vloer.
Op grond van dit artikel moet een lift die in een toegankelijkheidssector ligt zodanige afmetingen hebben, dat ook een rolstoelgebruiker daarvan zelfstandig gebruik kan maken. De eis van het eerste lid betreft zeer grote woningen die niet in een woongebouw liggen en utiliteitsgebouwen. De afmetingen stemmen overeen met die welke zijn aanbevolen in het 'Handboek voor toegankelijkheid, 3e druk 1998' van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad. Het tweede lid heeft betrekking op een woongebouw. De eis voor dit laatste is zwaarder, opdat met de lift ook een brancard kan worden vervoerd. De vereiste afmetingen stemmen overeen met de in NEN 5080, uitgave 1998, vermelde afmetingen voor een brancardlift. Daaronder wordt verstaan een lift die mede is bestemd voor het vervoer van een brancard of huisraad. Een lift met de hier vereiste afmetingen kan krachtens het Liftenbesluit I worden gebruikt door maximaal 12 personen. In artikel 4.7 is, zoals toegelicht in het algemeen deel van de toelichting onder 7, notificatie, de hoogte-eis aan de liftkooi vervallen (Stb. 2005, 1). Dit is tot uitdrukking gebracht door vrije vloeroppervlakte te vervangen door vloeroppervlakte. Zie ook de toelichting op artikel 1.1, eerste lid, vrije vloeroppervlakte.
Deze eis betekent onder meer dat er in uitgestrekte woongebouwen niet kan worden volstaan met één lift in de toegankelijkheidssector. Wanneer buiten de toegankelijkheidssector extra liften worden gerealiseerd, dan gelden daarvoor de eisen van het voorgaande artikel niet.
Uit het eerste lid volgt dat burgemeester en wethouders bij het geheel vernieuwen van een woonfunctie wel ontheffing kunnen verlenen van de voorschriften met betrekking tot de lift en de hellingbaan. Er wordt op gewezen dat het niet wenselijk is dat lichtzinnig van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Deze mogelijkheid is opgenomen om bijvoorbeeld de invulling van kleine open gaten in stedelijk gebied mogelijk te maken. Voor gedeeltelijke nieuwbouw (bijvoorbeeld renovatie) is geen bepaling opgenomen en kan derhalve op grond van artikel 1.11 ontheffing worden verleend tot het rechtens verkregen niveau.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor de vrije doorgangen van te bouwen bouwwerken.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.11 bepaalt wat voor breedte en hoogte deuropeningen van bepaalde ruimten ten minste moeten hebben (vrije doorgang); |
| 2. | artikel 4.12 bepaalt wat voor breedte gangen, galerijen en dergelijke ruimten waardoor een verkeersroute voert ten minste moeten hebben en wat de minimum breedte en lengte dienen te zijn van plaatsen in verkeersruimten waar een rolstoel moet kunnen keren (vrije vloeroppervlakte), en |
| 3. | artikel 4.13 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw). |
Voor de lichte industriefunctie, 'overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is. In de tabel is bij de woonfunctie van een woonwagen de grenswaarde voor een verkeersroute geschrapt, omdat voor een woonwagen een verkeersroute niet is voorgeschreven (Stb. 2002, 203). In tabel 4.10 zijn voor de utiliteitsbouw de grenswaarden van het eerste lid bij de artikelen 4.11 en 4.12 aangepast (Stb. 2005, 1). Het tweede lid van artikel 4.12 wordt nu ook aangestuurd voor de 'celfunctie gelegen in een cellengebouw'. De kolom voor het zevende lid van dat artikel is vervallen.
Een goede toegang van een gebruiksfunctie is een noodzakelijk onderdeel van het beleid ter bevordering van integrale toegankelijkheid van gebouwen. De minimum breedte van 0,85 m komt overeen met de uitgangspunten van het 'Handboek voor Toegankelijkheid', 3e druk 1998, van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad. Dit biedt de mogelijkheid dat ook rolstoelgebruikers op normale wijze gebruik kunnen maken van een gebruiksfunctie. Wegens de toenemende gemiddelde lengte van de bevolking is de hoogte van deuren van woningen aangescherpt van 2,1 m naar 2,3 m. Daarmee wordt de gebruikswaarde van de woningen voor de langere tijd zeker gesteld. De aanpassing van tabel 4.10 en artikel 4.11 berust op het volgende. De vrije doorgang in woningen en woongebouwen is, voortvloeiend uit de nota Mensen, Wensen, Wonen (kamerstukken II 2000/01, 27 559, nr. 1), aangescherpt van 2,1 m naar 2,3 m. In de artikelen 4.11 en 4.12 is de hoogte van de vrije doorgang van een toegang en van een verkeersroute aangescherpt (Stb. 2005, 1). Daarmee is gevolg gegeven aan de aanbevelingen uit de rapportage 'Aanbevelingen voor verbetering bestaande dan wel opname van nieuwe toegankelijkheidseisen in het Bouwbesluit n.a.v. onderzoek Minimumkwaliteit- Integratie Toegankelijkheidseisen' (99cb-948/mvd/jvf, 18 oktober 1999) onder auspiciën van de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad en in samenwerking met (woon)consumentenorganisaties en het Overleg Platform Bouwregelgeving. In samenhang daarmee is het oorspronkelijke tweede lid van artikel 4.11 vervallen, omdat er nu geen hoogte-eisen meer worden gesteld aan de toegang van een lift. Hiervoor is een nieuw tweede lid in de plaats gekomen dat verduidelijkt dat er geen eisen worden gesteld aan de toegang van de liftkooi, maar wel aan de opening in de constructie van de liftschacht. In het eerste lid van artikel 4.11 worden eisen gesteld aan de hoogte van de vrije doorgang. In het nieuwe tweede lid wordt hierop voor een toegang van de liftschacht naar een liftkooi een uitzondering gemaakt. Dit nieuwe lid stelt geen eisen aan de vrije doorgang, maar aan de hoogte van de opening in de bouwconstructie. Onder 'bouwconstructie' wordt verstaan: onderdeel van een bouwwerk dat bestemd is om belasting te dragen (artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003). Bij de in het eerste lid genoemde ruimten moet daadwerkelijk een vrije doorgang worden gerealiseerd met de in de tabel aangegeven hoogte (meestal 2,3 m). Bij de in het tweede lid genoemde toegang van de liftschacht voor het bereiken van een liftkooi kan dus worden volstaan met het scheppen van de bouwkundige voorwaarden. Dit betekent dat men vrij is een lift met een lagere toegangshoogte dan 2,3 m te plaatsen. De lift moet uiteraard aan de richtlijn liften nr. 95/16/EG van 29 juni 1995 (PbEG L 213) en het daarop gebaseerde Besluit liften voldoen.
Het moet altijd mogelijk blijven om, zonder wijzigingen in de draagconstructie aan te brengen, op enig moment een lift met een toegangshoogte van 2,3 m te plaatsen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het voorschrift voor de vrije breedte onverkort op de toegang van een lift van toepassing is.
Het "Onderzoek kosteneffecten cellengebouwen" (ABT 8495 GXXK, 29 januari 2004) heeft aangetoond dat in recente justitiële bouwplannen voor cellengebouwen geen gemeenschappelijke verkeersroutes voorkomen met een kleinere breedte dan 1,2 m. Dit betekent dat het zevende lid van artikel 4.12, waarin voor de in een 'celfunctie gelegen in een cellengebouw' gelegen gemeenschappelijke verkeersroute een breedte van ten minste 1,1 m was opgenomen, zonder bezwaar kan opgaan in het gewijzigde tweede lid. Met de aansturing van dat lid is een breedte van ten minste 1,2 m geregeld voor een gemeenschappelijke verkeersroute van een celfunctie (Stb. 2005, 1).
Het doel van dit artikel is dat ruimten waardoor verkeersroutes voeren zodanige afmetingen hebben, dat deze een integrale toegankelijkheid van de daarop aangewezen ruimten waarborgen. Het eerste lid betreft de breedte van de vrije doorgang van alle verkeersroutes van de betrokken gebruiksfuncties, zowel die binnen het hoofdgedeelte van de gebruiksfunctie, als verkeersroutes waarop meer dan een gebruiksfunctie is aangewezen. Hieronder vallen bijvoorbeeld een gang in een woning, een gang in een school en een galerij in een fabriek. Met de wijziging van artikel 4.12, eerste lid, is zeker gesteld dat er geen misverstanden ontstaan over de breedte van de verkeersroute. Alleen ter plaatse van een trap geldt een minimale breedte van 80 cm (Stb. 2002, 516). Het tweede en het zesde lid bevatten een van het eerste lid afwijkende eis aan de minimum breedte van de vrije doorgang van gemeenschappelijke verkeersroutes, al dan niet in een toegankelijkheidssector gelegen, van woongebouwen. Met het oog op het groeiend aantal ouderen dat ook langer thuis zal wonen en om voortijdige aanpassing van de gebruiksfunctie te voorkomen, is de minimum breedte van de gemeenschappelijke verkeersruimten van woongebouwen aangescherpt van 1,1 m naar 1,2 m. De breedte is zodanig, dat personen elkaar kunnen passeren en dat de verkeersruimte ook voor een rolstoelgebruiker bruikbaar is. Ook biedt deze breedte voldoende mogelijkheid om bijvoorbeeld grote meubelstukken te kunnen verplaatsen. Het derde en het vierde lid maken het mogelijk met een rolstoel 360° te draaien achter een buitendeur van een woongebouw of voor een lift in dat gebouw. Het vijfde lid beoogt eveneens een gelegenheid te scheppen tot keren met een rolstoel, maar dan in gangen van een woongebouw. Het kan voorkomen dat bezoekers de bewoners niet thuis treffen. Dit voorschrift zorgt er voor dat in dat geval rolstoelgebruikers in voorwaartse richting, al dan niet via een lift, weer de toegang van het woongebouw kunnen bereiken. Met de wijziging van de vrije doorgang in artikel 4.12, zevende lid, is recht gedaan aan de huidige inzichten bij het begeleiden van gedetineerden in cellencomplexen (Stb. 2002, 516).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.3.1.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.3.1. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken:
Met de wijziging van de vrije doorgang in artikel 4.15 is recht gedaan aan de huidige inzichten bij het begeleiden van gedetineerden in cellencomplexen (Stb. 2002, 516). Artikel 4.15 is zodanig aangepast (Stb. 2005, 1), dat nu ook voor de bestaande bouw duidelijk is dat een trap of een toegang niet altijd dezelfde vrije doorgang moet hebben als een verkeersroute.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor de bereikbaarheid van gebruiksfuncties in nieuwbouw.
De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.17 geeft het maximale hoogteverschil aan tussen de vloer ter plaatse van een toegang van een woonfunctie of van een woongebouw en een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein (hoogteverschil); |
| 2. | artikel 4.18 bepaalt of een woongebouw een opstelplaats voor een lift moet hebben en zo ja, met wat voor oppervlakte, en of een gebouw een hellingbaan moet hebben (voorziening), en |
| 3. | artikel 4.19 geeft aan dat bij het ontwerpen van een woongebouw rekening moet worden gehouden met een ruime opstelplaats voor een lift (voorziening opstelplaats). |
Voor de 'woonfunctie van een woonwagen', 'celfunctie niet bestemd voor dag- en nachtverblijf', lichte industriefunctie, 'overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.
Met dit artikel is beoogd dat een rolstoelgebruiker zelfstandig een woning of woongebouw kan binnengaan. Met de wijziging van artikel 4.17, eerste lid, is de bereikbaarheid voor rolstoelgebruikers van een woning niet gelegen in een woongebouw gewaarborgd (Stb. 2002, 516).
Met dit artikel is beoogd dat een rolstoelgebruiker zonder hulp een toegankelijkheidssector kan betreden. Het is in wezen de bedoeling dat de hoofdingang van de gebruiksfunctie daartoe de mogelijkheid biedt.
Het doel van dit artikel is om in woongebouwen ruimte te reserveren voor het achteraf kunnen plaatsen van een rolstoeltoegankelijke lift. Deze ruimte kan binnen de gebruiksfunctie liggen of daarbuiten. De opstelplaats moet zodanig zijn, dat de lift kan worden aangebracht zonder dat er daardoor strijd ontstaat met de nieuwbouwvoorschriften. De opstelplaats mag bijvoorbeeld niet zo zijn gesitueerd, dat door het aanbrengen van de lift er geen of te weinig daglicht in een verblijfsruimte kan binnenvallen. Het daadwerkelijk aanbrengen van een lift is uitsluitend vereist in de situaties genoemd in artikel 4.6. In artikel 4.19 is, zoals toegelicht in het algemeen deel van de toelichting onder 7, notificatie, de hoogte-eis aan de liftkooi vervallen (Stb. 2005, 1). Dit is tot uitdrukking gebracht door vrije vloeroppervlakte te vervangen door vloeroppervlakte. Zie ook de toelichting op artikel 1.1, eerste lid, vrije vloeroppervlakte.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor verblijfsgebieden.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.21 bepaalt in welke situatie er een of meer verblijfsgebieden aanwezig moeten zijn en bevat eisen omtrent de oppervlakte daarvan (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 4.22 stelt eisen aan de ligging en bereikbaarheid van verblijfsgebieden (plaatsbepaling); |
| 3. | artikel 4.23 stelt eisen aan de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector (toegankelijkheid), en |
| 4. | artikel 4.24 stelt eisen aan de afmetingen van het verblijfsgebied en aan de hoogte daarboven (afmetingen). |
Voor 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is (Stb. 2002, 203).
Met de aanwijzing in tabel 4.20 van artikel 4.21, eerste lid, voor de 'andere overige gebruiksfunctie' (11b) is de discrepantie weggenomen met de voorschriften waarin voor die gebruiksfunctie verwezen wordt naar een verblijfsgebied (of verblijfsruimte). De vermelde grenswaarde is gelijk aan die voor de andere gebruiksfuncties (Stb. 2002, 203; Stb. 2002, 516). In tabel 4.20 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). De eisen voor de onderwijsfunctie en de sportfunctie voor onderwijs zijn ten behoeve van deregulering beperkt tot basiseisen. De grenswaarde voor de plafondhoogte in de utiliteitsbouw is voor elke gebruiksfunctie waarvoor een minimumhoogte van 2,4 m gold, in artikel 4.24, derde lid, aangescherpt tot 2,6 m. Een uitzondering op deze regel geldt voor de celfunctie, waar een minimum-plafondhoogte van 2,5 m geldt. In de tabel is een extra kolom toegevoegd voor de aansturing van het nieuwe vierde lid van artikel 4.24.
Om de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten te kunnen verrichten, is het noodzakelijk dat er in een gebruiksfunctie voldoende aantal vierkante meters gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied aanwezig is. Het eerste lid bevat een eis terzake. Behalve de woonfunctie is deze eis niet op afzonderlijke gebruiksfuncties gericht, maar op het utiliteitsgebouw zelf waarin een of meer gebruiksfuncties liggen. Hiermee worden problemen bij de toedeling van het verblijfsgebied voorkomen. Deze zijn denkbaar wanneer bijvoorbeeld een gebruiksfunctie multifunctioneel is, zoals een sportzaal die tevens voor toneelvoorstellingen dient. Het vereiste percentage van 55 % sluit aan op de gangbare wijze van bouwen en biedt een redelijke ontwerp-marge tussen een optimaal en een, al dan niet bewust, minder doelmatig ingedeelde gebruiksfunctie.
Activiteiten die kenmerkend zijn voor het wonen zijn zitten, koken, eten en slapen. Behalve dat hiervoor 55 % van de gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied aanwezig moet zijn, stelt het tweede lid nog een minimum oppervlakte van 24 m2 aan het verblijfsgebied van de woning. Uit praktijkonderzoek is gebleken dat het kleinst mogelijke ruimtebeslag voor het door één persoon verrichten van voor het wonen kenmerkende activiteiten 24 m2 is. Een woning moet volgens het derde lid een verblijfsgebied bevatten met een bepaalde minimum breedte en minimum lengte. De bedoeling hiervan is dat er voldoende ruimte is voor een minimale zitgelegenheid. Hierbij is uitgegaan van een potentiële bezettingsgraad van ten hoogste twee personen, zulks op grond van onderzoek ('Woontechnische bepalingen in het Bouwbesluit', 1988). Het besluit van 28 oktober 1998, houdende wijziging van het Bouwbesluit (afstemming op fase 1 op fase 2; Stb. 1998, 619), bevatte voor woningen groter dan 50 m2 een zwaardere eis ten aanzien van deze oppervlakte voor zitgelegenheid, namelijk ten minste 3,6 m x 3,6 m. Uit een oogpunt van deregulering is die eis hier niet overgenomen, zodat nu voor alle woningen de eis van ten minste 3,3 m x 3,3 m geldt. Een naar aard gelijke eis van 35 m2 geldt voor ten minste een verblijfsgebied in cafés en soortelijke horecagelegenheden. Dit laatste op grond van de afstemming van dit besluit met het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Een beperkt gedeelte van het vereiste verblijfsgebied van een woonfunctie in een woongebouw mag buiten de woning zijn gelegen, maar dan wel in het woongebouw. Het vierde lid maakt dit mogelijk, op voorwaarde dat het betrokken verblijfsgebied deel uitmaakt van een gemeenschappelijk verblijfsgebied dat aan meer van de woningen toebehoort, bijvoorbeeld een gezamenlijk dagverblijf. Het is zaak dat ook in zo'n situatie de meest essentiële voor het wonen kenmerkende activiteiten - zitten en slapen - binnen het hoofdgedeelte van de woning kunnen worden verricht. Daarom zijn er minimum eisen gesteld aan het in het hoofdgedeelte van de woning aanwezige verblijfsgebied. Het toevoegen van het vijfde lid van artikel 4.21 biedt de mogelijkheid een voorzieningengebouwtje op een standplaats, camping of sportterrein te plaatsen (Stb. 2005, 1). Een dergelijk gebouwtje kan namelijk in de regel niet voldoen aan de eis dat ten minste 55 % van de gebruiksoppervlakte in het verblijfsgebied ligt. Per slot van rekening kan volgens artikel 1, eerste lid, een verblijfsgebied ook geen toilet-, bad- of technische ruimte bevatten.
Deze wijziging van artikel 4.21 (Stb. 2005, 528) is een verdere correctie op de wijziging van dit artikel in Staatsblad 2005, 1. Met het opnemen van het percentage van 55% van de gebruiksoppervlakte wordt beter recht gedaan aan de situatie dat het niet nodig een verblijfsgebied te realiseren in een zogenoemd voorzieningen- sanitair- of toiletgebouwtje op een woonwagenstandplaats, een camping of een sportterrein. Hiermee is het ook mogelijk om naast de toilet-, bad- of meterruimten in hetzelfde gebouwtje ook bijvoorbeeld een verkeersruimte of bezemkast te realiseren.
Dit artikel heeft in zijn geheel betrekking op woonfuncties. De verblijfsgebieden van een woonfunctie moeten in principe bereikbaar zijn zonder dat men door ruimten behoeft te gaan die ook worden gebruikt door derden. Dit is geregeld in het eerste lid. Op grond van het derde lid kan hiervan afgeweken worden bij woningen met gemeenschappelijke voorzieningen (bijvoorbeeld studentenhuizen en verzorgingshuizen). Deze gemeenschappelijke verblijfsgebieden moeten vanuit het privé-gedeelte van zo'n woonfunctie binnendoor, dus via besloten verkeersroutes, bereikbaar zijn, dan wel rechtstreeks vanuit het privé-gedeelte van de woonfunctie. Artikel 4.22, eerste lid, is zodanig aangepast dat duidelijk is, dat een verblijfsgebied direct achter de voordeur van een woonfunctie mag liggen (Stb. 2005, 1). Het tweede lid bepaalt dat de woning zo moet worden ingedeeld, dat men om vanaf de toegang van de woonfunctie bij het verblijfsgebied te komen niet door een toiletruimte, badruimte, of technische ruimte hoeft. Overigens sluit deze eis niet uit dat het verblijfsgebied ook rechtstreeks toegankelijk is vanuit de genoemde ruimten.
In navolging van de voorschriften voor integrale toegankelijkheid bij woningen is besloten (ministerraad 17 april 1998) om deze voorschriften ook voor de utiliteitsbouw aan te scherpen. Met uitzondering van de 'celfunctie voor kortstondig verblijf', de lichte industriefunctie en de 'overige gebruiksfunctie' geldt voor de utiliteitsbouw dat bij een gebruiksoppervlakte groter dan of gelijk aan 400 m2, voortaan ten minste 40 % van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in de toegankelijkheidssector moet liggen. Voor de onderwijsfunctie geldt hierop uit praktische overwegingen nog de uitzondering dat in die situatie alle verblijfsgebieden in de toegankelijkheidssector moeten liggen. Hiermee wordt voorkomen dat de toegankelijkheidssector alleen op de begane grond van de school wordt gerealiseerd, waardoor de lokalen op de volgende verdieping niet voor rolstoelgebruikers toegankelijk zijn.
Dit artikel geeft de afmetingen aan waaraan een verblijfsgebied ten minste moet voldoen om geschikt te zijn voor het verrichten van de voor de betrokken gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten. Wegens de toenemende gemiddelde lengte van de bevolking is in het derde lid de minimale hoogte van plafonds in woningen aangescherpt van 2,4 m naar 2,6 m. Een soortgelijke aanscherping heeft in artikel 4.11 plaatsgevonden voor de hoogte van de deuren. Daarmee wordt de gebruikswaarde van de woningen voor de langere termijn zeker gesteld. Een verblijfsgebied in bepaalde niet in een logiesgebouw gelegen logiesfuncties, zoals bijvoorbeeld een vakantiehuis, blokhut of volkstuinhuisje, mag op grond van dit artikel voldoen aan lagere afmetingseisen dan voor een verblijfsgebied in het algemeen gelden. De reden hiervoor is dat het gebruik van dergelijke bouwwerken door dezelfde persoon van beperkte duur is. Hetzelfde geldt voor cellen die bestemd zijn voor kortstondig verblijf. Voor de andere overige gebruiksfuncties, zoals bijvoorbeeld voor het stallen van motorvoertuigen, zijn de afmetingsvoorschriften voor een verblijfsgebied niet van toepassing. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat in een parkeergarage een vrije hoogte van ten minste 2,4 m verplicht wordt gesteld. Het nieuwe vierde lid van artikel 4.24 regelt dat, indien een gebruiksfunctie een nevenfunctie van een celfunctie is, ook daarvoor met een plafondhoogte van 2,5 m kan worden volstaan (Stb. 2005, 1). Daarbij kan onder meer worden gedacht aan een in een cellenblok opgenomen ruimte voor de bewaking. Hiermee is de flexibiliteit van een ontwerp voor een gebouw met celfuncties en nevenfuncties gewaarborgd.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor verblijfsruimten voor nieuwbouw.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.26 bepaalt dat er een of meer verblijfsruimten aanwezig moeten zijn en bevat eisen omtrent de oppervlakte daarvan (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 4.27 stelt eisen aan de ligging en bereikbaarheid van verblijfsruimten (bereikbaarheid); |
| 3. | artikel 4.28 stelt eisen aan de afmetingen van het verblijfsruimte en aan de hoogte daarboven (afmetingen), en |
| 4. | artikel 4.29 stelt eisen aan de bezetting van verblijfsruimten (bezettingsgraadklasse). |
Voor een 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is. Met de aanwijzing in tabel 4.25 van artikel 4.26, eerste en het nieuwe zesde lid voor een overige gebruiksfunctie, is de discrepantie weggenomen met de voorschriften waarin voor de desbetreffende gebruiksfuncties verwezen wordt naar een verblijfsruimte. Aan de minimale vloeroppervlakte van een verblijfsruimte van een andere onbenoemde gebruiksfunctie is met de aanwijzing van het zesde lid geen ondergrens meer gesteld (Stb. 2002, 203; Stb. 2002, 516). In tabel 4.25 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). De eisen voor de onderwijsfunctie en de sportfunctie voor onderwijs zijn ten behoeve van deregulering beperkt tot basiseisen. De grenswaarde voor de plafondhoogte in de utiliteitsbouw is voor elke gebruiksfunctie waarvoor een minimumhoogte van 2,4 m gold, in artikel 4.28, derde lid, aangescherpt tot 2,6 m. Een uitzondering op deze regel geldt voor de celfunctie, waar een minimum-plafondhoogte van 2,5 m geldt. In de tabel is een extra kolom toegevoegd voor de aansturing van het nieuwe vierde lid van artikel 4.28.
Een gebruiksfunctie moet een of meer verblijfsruimten hebben. Dit vloeit voort uit de aanwezigheidseis van verblijfsgebieden (afdeling 4.5). Een verblijfsgebied bevat immers volgens zijn begripsbepaling een of meer verblijfsruimten. De eisen die van belang zijn voor ruimten waarin mensen verblijven of waarin voor de gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten worden verricht zijn in verband met de vrije indeelbaarheid in beginsel gericht op verblijfsgebieden. Om te voorkomen dat er bij indeling van een verblijfsgebied in verblijfsruimten een onaanvaardbare toestand ontstaat, staan er in een aantal andere afdelingen in dit besluit zogenaamde vangneteisen voor verblijfsruimten, zoals bijvoorbeeld bij daglichttoetreding en luchtverversing. Het doel van dit artikel is te waarborgen dat gebruiksfuncties een of meer qua afmetingen bruikbare ruimten bevatten voor de activiteiten die voor die gebruiksfunctie kenmerkend zijn. Wat de voorschriften voor specifieke ruimten betreft, vereist het eerste lid voor bepaalde gebruiksfuncties dat er in minimaal één verblijfsruimte voldoende ruimte ten behoeve van een voor die gebruiksfunctie kenmerkende activiteit is. Voor woningen en woonwagens is dit het wonen, ten behoeve waarvan er ruimte moet zijn voor een minimale zitgelegenheid. Bij het bepalen van de minimaal vereiste afmetingen van deze zitgelegenheid is uitgegaan van een potentiële bezettingsgraad van ten hoogste twee personen. Voor cafés en soortgelijke horecagelegenheden is de kenmerkende activiteit het schenken en gebruiken van alcoholische drank. De afmetingseis met het oog op de ruimte die daarvoor beschikbaar moet zijn, is afgeleid uit het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. In artikel 4.26 zijn het tweede tot en met vijfde lid vervallen (Stb. 2005, 1). Dit vloeit voort uit de deregulering van de specifieke voorschriften voor de onderwijsfunctie voor speciaal en basisonderwijs en de daaraan gerelateerde voorschriften voor de sportfunctie voor onderwijs.
Het eerste lid bepaalt dat een verblijfsruimte deel uitmaakt van een verblijfsgebied om zeker te stellen dat een verblijfsruimte tevens moet voldoen aan de eisen voor het verblijfsgebied waarin die ruimte ligt. Dit geldt zowel wanneer er slechts één verblijfsruimte is, als wanneer het verblijfsgebied is ingedeeld in meer verblijfsruimten. Opgemerkt wordt dat de eisen op verblijfsgebiedniveau namelijk aanzienlijk hoger kunnen liggen. Het tweede lid geldt voor alle woningen in woongebouwen. Daarbij wordt nadrukkelijk de mogelijkheid gegeven dat een woning een verblijfsruimte kan hebben die in een gemeenschappelijk verblijfsgebied ligt, zoals bijvoorbeeld een centrale zitgelegenheid in een serviceflat. De bewoners moeten zo'n gemeenschappelijke verblijfsruimte beschermd tegen weer en wind kunnen bereiken via gemeenschappelijke gangen en trappenhuizen, dan wel rechtstreeks vanuit hun woning. Het derde lid geldt voor iedere woonfunctie. Het houdt in dat men om bij een verblijfsruimte te komen niet genoodzaakt mag zijn door een toiletruimte, badruimte of technische ruimte te lopen. Overigens sluit deze eis niet uit dat de verblijfsruimte ook rechtstreeks toegankelijk is vanuit de genoemde ruimten. Met het vierde lid is beoogd te voorkomen dat de gebruiker van de verblijfsruimte van de woonwagen hinder ondervindt van tocht bij het openstaan van de buitendeur.
Dit artikel geeft de afmetingen aan die een verblijfsruimte ten minste moet hebben om geschikt te zijn voor het verrichten van de voor de betrokken gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten. De afmetingen stemmen overeen met die, welke een verblijfsgebied volgens afdeling 4.5 ten minste moet hebben. Voor verblijfsruimten in woningen geldt ook de aanscherping van de plafondhoogte van 2,4 m tot 2,6 m. Door deze afmetingseisen is het mogelijk om een 'niet-ingedeeld' verblijfsgebied aan te merken als een afzonderlijke verblijfsruimte, wat strookt met de definitie van 'verblijfsgebied' als bestaande uit één of meer verblijfsruimten. Anderzijds is het hierdoor mogelijk ook de kleinste afzonderlijke verblijfsruimte aan te merken als verblijfsgebied, zodat ook de eisen voor het verblijfsgebied op die verblijfsruimte van toepassing zijn.
Voor gebruiksfuncties als voor het stallen van motorvoertuigen zijn de afmetingsvoorschriften voor een verblijfsruimte niet van toepassing. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat in een parkeergarage een vrije hoogte van ten minste 2,4 m verplicht wordt gesteld. Het nieuwe vierde lid van artikel 4.28 regelt dat, indien een gebruiksfunctie een nevenfunctie van een celfunctie is, ook daarvoor met een plafondhoogte van 2,5 m kan worden volstaan (Stb. 2005, 1). Daarbij kan onder meer worden gedacht aan een in een cellenblok opgenomen ruimte voor de bewaking. Hiermee is de flexibiliteit van een ontwerp voor een gebouw met celfuncties en nevenfuncties gewaarborgd.
Dit artikel vormt onderdeel van het geheel van bepalingen voor de utiliteitsbouw die ten doel hebben de zogenoemde vrije indeelbaarheid van die gebruiksfuncties mogelijk te maken. De aanvrager van een bouwvergunning is vrij om in zijn bouwplan voor een verblijfsgebied een bepaalde bezettingsgraadklasse aan te geven. Zijn keus heeft tot gevolg dat die klasse ook geldt voor de verblijfsruimten die in dat gebied worden verwezenlijkt. Er wordt zo voorkomen dat bij indeling van het verblijfsgebied nadat de bouwvergunning is verleend, er verblijfsruimten ontstaan met een lagere bezettingsgraadklasse dan die van het verblijfsgebied.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.6.1 (Stb. 2002, 203). In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.
In tabel 4.30 is voor de bestaande bouw de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). De aanscherping van de eis voor de plafondhoogte van de bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik, van 2,1 m tot 2,4 m, in artikel 4.33, derde lid, en de toevoeging van het vijfde lid, vloeien voort uit de afstemming van het Bouwbesluit 2003 met het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Deze aanpassingen hebben ook geleid tot extra kolommen in de tabel.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.6.1 (Stb. 2002, 203). In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.
Het derde lid maakt het mogelijk dat van een woonfunctie in een woongebouw een deel van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte van de woonfunctie wordt verwezenlijkt als gemeenschappelijke verblijfsruimte elders in het woongebouw. Op grond van het derde lid moet 10 m2 aan verblijfsruimte binnen de woning aanwezig zijn. Deze oppervlakte kan nog juist voldoende worden geacht voor het in de woning verrichten van de voor het wonen kenmerkende activiteiten die niet buiten de woning kunnen worden verricht.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.6.1 (Stb. 2002, 203). In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.
In artikel 4.32 is het woord 'besloten' geschrapt (Stb. 2005, 1). Het al dan niet droog kunnen bereiken van een verblijfsruimte die buiten de woning zelf ligt, bijvoorbeeld een ruimte achter in de tuin van een woning, wordt aan de markt overgelaten.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.6.1 (Stb. 2002, 203). In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.
Artikel 4.33, derde lid, is zodanig aangepast (Stb. 2005, 1) dat in de tabel de bijzondere grenswaarde van 2,4 m voor een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik kan worden aangegeven. In het kader van de afstemming van het Bouwbesluit 2003 met het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet is de hoogte boven de vloer voor bestaande bijeenkomstfuncties voor alcoholgebruik gesteld op 2,4 m (Stb. 2005, 1). Een uitzondering geldt voor horecalokaliteiten die reeds voor 1 november 2000 over een vergunning op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet beschikten. Voor dergelijke horecalokaliteiten geldt de in de oorspronkelijke vergunning aangegeven plafondhoogte, mits deze ten minste 2,1 m is. Voorwaarde hierbij is dat de bedrijfsvoering, behoudens in geval van overmacht, niet langer dan één jaar onderbroken mag zijn geweest.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor toiletruimten.
De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.35 bepaalt in welke situatie er een of meer toiletruimten aanwezig moeten zijn en bevat eisen omtrent het aantal daarvan (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 4.36 heeft dezelfde strekking als artikel 4.35, maar betreft toiletten die mede toegankelijk zijn voor rolstoelgebruikers (integraal toegankelijk); |
| 3. | artikel 4.37 bevat eisen aan de bereikbaarheid van toiletruimten (bereikbaarheid); |
| 4. | artikel 4.38 bepaalt wat voor afmetingen en oppervlakte toiletruimten moeten hebben (afmetingen), en |
| 5. | artikel 4.39 vereist dat bepaalde toiletruimten afsluitbaar moeten zijn (afsluitbaarheid). |
Voor de lichte industriefunctie, 'andere celfunctie', 'overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is. In tabel 4.34 is de aansturing van eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Daartoe is ook een kolom voor het nieuwe tweede lid van artikel 4.39 toegevoegd. Het aantal toiletruimten was ten onrechte gekoppeld aan de bezettingsgraadklassen met een relatief zware eis aan het aantal toiletten. Gevolg hiervan was dat naast het winkelpersoneel ook het maximaal aantal bezoekers bepalend was voor het aantal toiletruimten in een winkelfunctie. Dit leidde met name bij grote winkels, zoals meubeltoonzalen, tot een aanmerkelijk groter aantal toiletten dan in de praktijk noodzakelijk wordt geacht. De eis voor het minimum aantal toiletten in de winkelfunctie is nu naar beneden bijgesteld. De plafondhoogte van een toiletruimte is voor de utiliteitsbouw aangescherpt van 2,1m naar 2.3 m (Stb. 2005, 1). Een uitzondering is gemaakt voor een niet in een logiesgebouw gelegen logiesfunctie, zoals een zelfstandig recreatieverblijf ofwel vakantiehuisje. Dit type bouwwerken kan volstaan met een plafondhoogte van 2,1 m. Er is een kolom toegevoegd voor de aansturing van artikel 4.36, zesde lid (Stb. 2005, 1), voor een andere bijeenkomstfunctie (2d). Tevens is voor deze functie het derde lid van artikel 4.38 aangestuurd.
Dit artikel regelt of een gebruiksfunctie een of meer toiletruimten moet omvatten. Voor de bepaling van het aantal vereiste toiletruimten bevat dit artikel drie methoden, die elk van toepassing zijn op een aantal gebruiksfuncties. De methode in het eerste lid verwijst naar het minimum aantal toiletruimten, dat de tabel per gebruiksfunctie aangeeft. Een voorbeeld zijn de ten minste twee toiletruimten die cafés moeten hebben. Dit vereiste, dat ook voor een aantal andere gebruiksfuncties geldt, is gesteld met het oog op gescheiden gebruik door beide seksen. Het verwezenlijken van meer toiletruimten dan voorgeschreven is een verantwoordelijkheid van de markt, die rekening kan houden met het gebruikscomfort dat men wil bieden. In het tweede lid, wordt een maximum gesteld aan de hoeveelheid gebruiksoppervlakte die op een toiletruimte mag zijn aangewezen, met een minimum van één toiletruimte voor de desbetreffende gebruiksfunctie. Het gaat hierbij om grotere woningen en grotere logiesfuncties als bijvoorbeeld kampeerboerderijen. Door het aantal toiletten te bepalen aan de hand van de gebruiksoppervlakte wordt een zekere mate van evenredigheid bereikt tussen het te verwachten aantal gebruikers en het aantal toiletten. De derde methode staat in het vierde lid en houdt eveneens een maximum in voor de hoeveelheid gebruiksoppervlakte die op een toiletruimte mag zijn aangewezen. Het verschil met de tweede methode is dat de hoeveelheid gebruiksoppervlakte voor elke betrokken soort gebruiksfunctie in de tabel is aangegeven in relatie met bezettingsgraadklassen. Voor de betrokken gebruiksfuncties is het minimum aantal toiletruimten twee. Een voorbeeld van zo'n gebruiksfunctie is een kantoor, dat bij bezettingsgraadklasse B4 op elke 360 m2 gebruiksoppervlakte een toilet moeten hebben, maar waarvoor ook bij een gebruiksoppervlakte van bijvoorbeeld slechts 100 m2 het minimum van twee toiletruimten geldt. Een toiletruimte kan binnen het hoofdgedeelte van de gebruiksfunctie liggen, maar ook daarbuiten. De toiletruimte behoort dan of tot een individuele gebruiksfunctie, zoals een woning, of tot meer dan één gebruiksfunctie. Zo kunnen op grond van het derde lid kleine woningen in een woongebouw een gemeenschappelijke toiletruimte hebben.
Hierbij is een maximum gesteld aan de daarop aangewezen gebruiksoppervlakte om te voorkomen dat te veel mensen die toiletruimte moeten delen. Krachtens het zesde lid kunnen toiletruimten van de meeste gebruiksfuncties die niet tot bewoning zijn bestemd, gemeenschappelijk zijn. Dit wil zeggen, dat op zo'n toiletruimte meerdere gebruiksfuncties in hetzelfde gebouw kunnen zijn aangewezen. Deze gebruiksfuncties kunnen gelijksoortig zijn, bijvoorbeeld twee winkels (elke gebruikseenheid is immers één gebruiksfunctie), maar ook ongelijksoortig, zoals een winkel en een kantoor. In afdeling 4.8 (badruimten) is geregeld, dat het combineren van een toiletruimte met een badruimte is toegestaan, tenzij de toiletruimte een integraal toegankelijke toiletruimte is.
Met dit artikel wordt beoogd te waarborgen dat een of meer van de in een gebruiksfunctie aanwezige toiletruimten zo zijn ingericht dat een lichamelijk gehandicapte daarvan gebruik kan maken. Deze zogenoemde integraal toegankelijke toiletruimten mogen worden meegerekend bij het bepalen van het op grond van het voorgaande artikel vereiste aantal toiletruimten. Voortvloeiende uit hun bijzonder maatschappelijke functie bepaalt het derde lid dat een horecagelegenheid met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m2 ten minste een integraal toegankelijk toilet moet hebben. Het vierde en het vijfde lid bevatten een eis aan het aantal integraal toegankelijke toiletruimten die is gebaseerd op de uitkomst van de berekening van het aantal toiletten volgens het vierde lid van het vorige artikel. Die uitkomst dient voor de onderwijsfunctie gedeeld te worden door 35 en voor de overige betrokken gebruiksfuncties door tien. Het resultaat moet naar boven worden afgerond tot een geheel getal, dat dan de ondergrens vormt voor het aantal te realiseren integraal toegankelijke toiletten. De onderstaande tabel bevat enkele voorbeelden van deze berekeningswijze. In artikel 4.36, vierde lid, is ook een verwijzing naar het derde lid van artikel 4.35 opgenomen (Stb. 2005, 1), waarmee ook voor de logiesfunctie een juiste aansturing voor integraal toegankelijke toiletruimten is gewaarborgd. Met het nieuwe zesde lid van artikel 4.36, in samenhang met de aansturing van artikel 4.38, derde lid (afmetingen), is geregeld (Stb. 2005, 1) dat ook een 'andere bijeenkomstfunctie' van bepaalde omvang een integraal toegankelijke toiletruimte moet hebben. Daarmee is ook voor deze gebruiksfunctie invulling gegeven aan het besluit van de ministerraad van 17 april 1998 omtrent de wenselijkheid van integrale toegankelijkheid van utiliteitsgebouwen.
Tabel rekenvoorbeelden aantal integraal toegankelijke toiletten
In het voorbeeld van de winkelfunctie is er geen integraal toegankelijke toiletruimte vereist, omdat de totale gebruiksoppervlakte van de betrokken gebruiksfunctie kleiner is dan 400 m2.
De strekking van dit artikel is tweeledig. Allereerst waarborgt het dat de toiletruimte binnen de woning of het woongebouw bereikbaar is, zodat bewoners op weg naar het toilet niet worden blootgesteld aan weer en wind. Dit betekent voor een woonfunctie dat de toiletruimte binnen de woning ligt. Indien de woning de toiletruimte elders in het woongebouw heeft, dan mag de toiletruimte ook bereikbaar zijn via een besloten gemeenschappelijke verkeersroute. In de tweede plaats is dit artikel erop gericht dat gemeenschappelijke toiletruimten binnen redelijke tijd vanuit de woning te bereiken zijn. Hiertoe zijn er eisen gesteld aan verschillen in hoogteligging en afstand tussen deze toiletruimten en de erop aangewezen woningen. Het voorschrift van het vierde lid betekent feitelijk dat een gemeenschappelijke toiletruimte op dezelfde verdieping moet liggen als de daarop aangewezen woningen, dan wel één verdieping hoger of lager. Op grond van het derde lid mag de toiletruimte van een woonwagen ook buiten de wagen op de standplaats liggen, bijvoorbeeld in een voorzieningengebouw. Voor utiliteitsgebouwen is er in dit opzicht geen eis gesteld, zodat de toiletruimte van bijvoorbeeld een fabriek in een bijgebouw mag liggen. Het artikel is evenmin van toepassing op de logiesfunctie gelegen op een zogenaamd complex; een toiletruimte voor een zomerhuisje op een complex mag daarom ook buiten dat huisje liggen, bijvoorbeeld in een toiletgebouw. Het zevende lid, inhoudende dat de toiletruimte niet rechtstreeks vanuit een verblijfsruimte toegankelijk mag zijn, is van toepassing op alle bijeenkomstfuncties. Deze eis vindt zijn oorsprong in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet.
De minimum plafondhoogte van toiletten in woningen is gelijk aan de vrije hoogte van deuren in de woningen (artikel 4.11) aangescherpt van 2,1 m tot 2,3 m. De afmetingen die het derde lid vereist, zijn afkomstig uit het 'Handboek voor Toegankelijkheid', 3e druk 1998, van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad. Een integraal toegankelijke toiletruimte dient namelijk zodanige afmetingen te hebben, dat lichamelijk gehandicapten daarvan zelfstandig of met hulp gebruik kunnen maken.
Het afsluitbaar zijn van een toiletruimte in het eerste lid betekent dat de ruimte voorzien moet zijn van een deur. Het is niet vereist is dat de deur op slot kan worden gedaan. Met deze eis wordt tevens uitgesloten dat de toiletruimte wordt gecombineerd met een andere ruimte. Een combinatie met de badruimte is daarentegen wel toegestaan in artikel 4.35. Omdat het in een kinderdagverblijf niet altijd wenselijk is alle toiletruimten van een deur te voorzien, is aan artikel 4.39 een tweede lid toegevoegd (Stb. 2005, 1). Daarin wordt geregeld dat ten behoeve van leiding, bezoekers en oudere kinderen slechts een toiletruimte afsluitbaar moet zijn.
Zie de toelichtingen op de artikelen 4.35 tot en met 4.39 van paragraaf 4.7.1. In aanvulling hierop valt het volgende op te merken.
In tabel 4.40 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd en is een kolom toegevoegd voor het nieuwe tweede lid van artikel 4.44 ( Stb. 2005, 1).
In tabel 4.40 is het vierde lid van artikel 4.41 ook voor kinderopvang aangestuurd (Stb. 2005, 528). Hiermee is zeker gesteld dat het voor kinderopvang in een bestaand gebouw niet nodig is meer toiletruimten te realiseren dan voor kinderopvang in een nieuw te bouwen gebouw. De eisen zijn daarmee tevens in overeenstemming gebracht met die voor een bestaande onderwijsfunctie.
Zie de toelichtingen op de artikelen 4.35 tot en met 4.39 van paragraaf 4.7.1. In aanvulling hierop valt het volgende op te merken.
Het tweede lid stelt voor een woonfunctie in een woongebouw en een logiesfunctie die in een logiesgebouw ligt een maximum aan de hoeveelheid gebruiksoppervlakte die op een toiletruimte mag zijn aangewezen, met een minimum van één toiletruimte voor die woonfunctie of die logiesfunctie. Bij woonfuncties is ervan uitgegaan dat ten hoogste 10 personen op één gemeenschappelijke toiletruimte zijn aangewezen.
Zie de toelichtingen op de artikelen 4.35 tot en met 4.39 van paragraaf 4.7.1. In aanvulling hierop valt het volgende op te merken.
De eis van het eerste lid houdt in dat gemeenschappelijke toiletten waarop woonfuncties zijn aangewezen, uitsluitend inpandig mogen kunnen worden bereikt. Hieraan kan zijn voldaan als de verbindingsroute loopt door gangen, trappenhuizen of besloten galerijen, maar ook wanneer de woningen elk rechtstreeks toegang hebben tot een eraan grenzende gemeenschappelijke toiletruimte. In tegenstelling tot wat voor nieuwbouw geldt, zijn er geen eisen gesteld aan de maximum afstand en het maximum hoogteverschil tussen de gemeenschappelijke toiletruimte en de daarop aangewezen woonfuncties.
Zie de toelichtingen op de artikelen 4.35 tot en met 4.39 van paragraaf 4.7.1. In aanvulling hierop valt het volgende op te merken.
De minimum afmetingseisen voor een bestaande niet integraal toegankelijke toiletruimte zijn afgeleid van de kleinste afmetingen die in het verleden voor een dergelijke ruimte werden vereist. Met deze afmetingen moet de toiletruimte, hoewel krap bemeten, nog juist bruikbaar worden geacht.
Zie de toelichtingen op de artikelen 4.35 tot en met 4.39 van paragraaf 4.7.1.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor badruimten.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.46 bepaalt in welke situatie er een of meer badruimten aanwezig moeten zijn en bevat eisen omtrent het aantal daarvan (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 4.47 bepaalt hetzelfde als artikel 4.46, maar dan voor integraal toegankelijke badruimten (integrale toegankelijkheid); |
| 3. | artikel 4.48 bevat eisen aan de bereikbaarheid van badruimten (bereikbaarheid); |
| 4. | artikel 4.49 bepaalt wat voor afmetingen badruimten moeten hebben (afmetingen), en |
| 5. | artikel 4.50 vereist dat bepaalde badruimten afsluitbaar moeten zijn (afsluitbaarheid). |
Voor de bijeenkomstfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, winkelfunctie, 'overige gebruiksfunctie', 'bouwwerk geen gebouw zijnde', alsmede enkele subgebruiksfuncties, wijst de tabel van het tweede lid geen voorschrift aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is. In tabel 4.45 is de plafondhoogte voor een badruimte in de utiliteitsbouw (aansturing van artikel 4.49, zevende lid) aangescherpt van 2,1 m naar 2.3 m (Stb. 2005, 1). Voorts zijn in het kader van deregulering de eisen aan een badruimte voor een onderwijsfunctie en voor een sportfunctie behorend tot een onderwijsfunctie (gymzaal) geschrapt.
Dit artikel regelt of een gebruiksfunctie één of meer badruimten moet omvatten. Wat betreft het aantal vereiste badruimten geeft het eerste lid voor bepaalde gebruiksfuncties een minimum aan. Voor enkele andere gebruiksfuncties stelt het tweede lid, behalve een minimum aan het aantal badruimten, een maximum aan de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie(s) die erop is (zijn) aangewezen. Artikel 4.46, vierde lid, is in het kader van deregulering van de eisen voor de onderwijsfunctie geschrapt (Stb. 2005, 1). Evenals bij andere onderwijsvormen al eerder het geval was, is het al dan niet realiseren van een badruimte voor het speciaal bouwkundig onderwijs voortaan een beslissing van de onderwijsinstelling zelf. Op grond van het vierde lid kan een vereiste badruimte voor meer dan één woonfunctie zijn bestemd. Om tegen te gaan dat teveel personen op zo'n gemeenschappelijke badruimte zijn aangewezen, is daarom een maximum gesteld aan de oppervlakte van de betrokken woonfuncties. Het vijfde lid maakt het mogelijk dat een voorgeschreven badruimte voor meer dan een gebruiksfunctie van dezelfde soort is bestemd, bijvoorbeeld twee logiesfuncties. Het zesde lid staat toe dat een badruimte - voorgeschreven of niet voorgeschreven - is samengevoegd met een toiletruimte. De laatste mag ook een integraal toegankelijke toiletruimte zijn.
Het doel van dit artikel is te waarborgen dat één of meer van de in een gebruiksfunctie aanwezige badruimten zo zijn ingericht dat rolstoelgebruikers daarvan gebruik kunnen maken. Het tweede lid heeft betrekking op hoge of grote woongebouwen waarin gemeenschappelijke badruimten voorkomen. Voor de bepaling of er ten minste een badruimte geschikt moet zijn voor lichamelijk gehandicapten wordt het gehele woongebouw in ogenschouw genomen. Het combineren van een integraal toegankelijke badruimte met een toiletruimte is krachtens het vijfde lid toegestaan, ook wanneer de toiletruimte een integraal toegankelijk toilet is. De bedoeling van dit lid is eraan bij te dragen dat de toegankelijkheidssector minimaal de ruimten omvat die nodig zijn om het doel van de integrale toegankelijkheid te kunnen beantwoorden.
De strekking van dit artikel, dat alleen op de woonfunctie betrekking heeft, is tweeledig. Allereerst waarborgt het dat een voorgeschreven badruimte binnen de woning of het woongebouw bereikbaar is, zodat bewoners op weg daarheen niet zijn blootgesteld aan weer en wind. Dit betekent dat de niet-gemeenschappelijke badruimte binnen de woning ligt en dat een gemeenschappelijke badruimte in een woongebouw bereikbaar moet zijn door een deur tussen de woning en die badruimte dan wel via een gemeenschappelijke verkeersroute. Voorts is dit artikel erop gericht dat gemeenschappelijke badruimten van een woonfunctie binnen redelijke tijd te bereiken zijn. Hiertoe zijn er eisen gesteld aan verschillen in hoogteligging en afstand tussen deze badruimten en de erop aangewezen woonfuncties. Het voorschrift van het vierde lid betekent feitelijk dat een gemeenschappelijke badruimte op dezelfde verdieping moet liggen als de daarop aangewezen woonfuncties, dan wel een verdieping hoger of lager.
Dit artikel regelt dat de vloeroppervlakte van een voorgeschreven badruimte ten minste bepaalde afmetingen moet hebben. Deze afmetingen zijn zodanig dat er ook na plaatsing van bijvoorbeeld een wastafel en een douchebak voldoende gebruiksruimte is. De plafondhoogte van badruimten in woningen is gelijk aan de vrije hoogte van deuren in woningen (artikel 4.11) aangescherpt van 2,1 m tot 2,3 m. Een integraal toegankelijke badruimte dient zodanige afmetingen te hebben, dat een rolstoelgebruiker daarvan zelfstandig of met hulp gebruik kan maken. De afmetingen in het zesde lid zijn gebaseerd op het 'Handboek voor Toegankelijkheid', 3e druk 1998, van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad.
Het afsluitbaar zijn in de zin van het Bouwbesluit betekent hier dat een badruimte een deur moet hebben die dicht kan. Het is niet vereist is dat de deur op slot kan worden gedaan.
Zie de toelichtingen op de artikelen 4.46 tot en met 4.50 van paragraaf 4.8.1. De tabel is in die zin aangepast dat het eerste lid van artikel 4.52 ook van toepassing is op de logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw (Stb. 2002, 516).
In tabel 4.51 is de aansturing van artikel 4.53 voor de andere woonfunctie uit de tabel geschrapt (Stb. 2005, 1). Het is namelijk niet logisch om eisen te stellen aan de afmetingen van een badruimte, terwijl een dergelijke ruimte voor een bestaande woning niet is voorgeschreven.
Zie de toelichtingen op de artikelen 4.46 tot en met 4.50 van paragraaf 4.8.1. De tabel is in die zin aangepast dat het eerste lid van artikel 4.52 ook van toepassing is op de logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw (Stb. 2002, 516).
In tabel 4.51 is de aansturing van artikel 4.53 voor de andere woonfunctie uit de tabel geschrapt (Stb. 2005, 1). Het is namelijk niet logisch om eisen te stellen aan de afmetingen van een badruimte, terwijl een dergelijke ruimte voor een bestaande woning niet is voorgeschreven.
Zie de toelichtingen op de artikelen 4.46 tot en met 4.50 van paragraaf 4.8.1. De tabel is in die zin aangepast dat het eerste lid van artikel 4.52 ook van toepassing is op de logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw (Stb. 2002, 516).
In tabel 4.51 is de aansturing van artikel 4.53 voor de andere woonfunctie uit de tabel geschrapt (Stb. 2005, 1). Het is namelijk niet logisch om eisen te stellen aan de afmetingen van een badruimte, terwijl een dergelijke ruimte voor een bestaande woning niet is voorgeschreven.
Zie de toelichtingen op de artikelen 4.46 tot en met 4.50 van paragraaf 4.8.1. De tabel is in die zin aangepast dat het eerste lid van artikel 4.52 ook van toepassing is op de logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw (Stb. 2002, 516).
In tabel 4.51 is de aansturing van artikel 4.53 voor de andere woonfunctie uit de tabel geschrapt (Stb. 2005, 1). Het is namelijk niet logisch om eisen te stellen aan de afmetingen van een badruimte, terwijl een dergelijke ruimte voor een bestaande woning niet is voorgeschreven.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor gemeenschappelijke opslagruimten voor huishoudelijk afval.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.59 bepaalt in welke situatie een gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval aanwezig moet zijn en welke afmetingen deze moet hebben (aanwezigheid en afmetingen); |
| 2. | artikel 4.60 bevat eisen omtrent de wijze waarop men een gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval en, van daaraf, het aansluitende terrein kan bereiken (bereikbaarheid), en |
| 3. | artikel 4.61 houdt in dat een gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval voorzien moet zijn van een deur met een slot (afsluitbaarheid). |
Voor andere gebruiksfuncties dan de 'woonfunctie gelegen in een woongebouw' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op die andere gebruiksfuncties van toepassing is.
Het eerste lid heeft als doel de belemmeringen voor het gescheiden inzamelen van afval voor bewoners van een woongebouw weg te nemen. Daartoe wordt een bruikbare ruimte voor de opslag van huishoudelijk afval voorgeschreven. Het voorschrift laat burgemeester en wethouders enige beleidsruimte bij de beoordeling of een gemeenschappelijke berging ten behoeve van het gescheiden inzamelen van afval noodzakelijk is. Hierbij kunnen zij rekening houden met het feitelijk gebruik van het woongebouw. Er kan bijvoorbeeld onderscheid worden gemaakt tussen een woongebouw bestemd voor bijzondere huisvesting, zoals voor ouderen of mindervalide personen, en andersoortige woongebouwen. In het tweede lid is een eis gesteld aan de minimum oppervlakte van de opslagruimte. De afmetingen zijn zodanig dat daarin een voldoende aantal containers kan worden geplaatst en dat er voldoende ruimte is om van de containers gebruik te kunnen maken.
Dit artikel bevat eisen aan de inrichting van het woongebouw, zodat er een doeltreffend gebruik van de opslagruimte kan worden gemaakt. Zo mag de opslagruimte niet te ver van de toegang van de woonfunctie liggen. Ook voorzien de eisen erin dat de containers niet over een trap of hellingbaan behoeven te worden gesleept om ze aan de straat te kunnen zetten.
Met een slot wordt toegang van onbevoegden tot de opslagruimte tegengegaan.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor stallingsruimten voor fietsen.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.63 bepaalt in welke situatie een stallingsruimte aanwezig moet zijn en welke afmetingen deze moet hebben (aanwezigheid en afmetingen), en |
| 2. | artikel 4.64 bevat eisen omtrent de ligging en bereikbaarheid van een stallingsruimte (ligging). |
Voor de woonfunctie, 'lichte industriefunctie', 'logiesfunctie', 'andere overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is. In tabel 4.62, die betrekking heeft op stallingsruimte voor fietsen, is de aansturing voor de logiesfunctie geschrapt (Stb. 2005, 1). De voorschriften met betrekking tot fietsenstallingen zijn destijds in het Bouwbesluit 2003 opgenomen ter nadere uitwerking van het Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer (Kamerstukken II, 1989/90, 20 922, nr. 16). Het beleid is er op gericht het gebruik van de fiets naar het werk te stimuleren teneinde de automobiliteit terug te dringen. Om deze reden moet er vooral bij kantoren, fabrieken en werkplaatsen voldoende stallingruimte voor fietsen aanwezig zijn. Ten onrechte waren de voorschriften ook van toepassing verklaard voor de logiesfunctie. Verder is in tabel 4.62 bij bezettingsgraadklasse B3, de waarde 3 vervangen door 2. Dit percentage aan stallingsruimte komt overeen met het percentage zoals gegeven in Stb. 1998, 618 (fase 2).
Dit artikel heeft tot doel te voorzien in de behoefte aan stallingsruimte voor fietsen en bromfietsen bij utiliteitsgebouwen. De stallingsruimte kan worden gerealiseerd in het gebouw, of, al dan niet overdekt in de open lucht. Met de hoogte-eis wordt beoogd dat de gebruiker van een overdekte fietsenstalling zich daarin op normale wijze kan bewegen zonder het hoofd te stoten. De aanpassing van artikel 4.63 vloeit voort uit de introductie van het begrip 'nevenfunctie'. Een fietsenstalling als bedoeld in artikel 4.63 kan een nevenfunctie bij een andere gebruiksfunctie zijn maar ook een buitenruimte (Stb. 2002, 203).
De fietsenstalling mag om redenen van bruikbaarheid niet te ver afliggen van de toegang van de betrokken gebruiksfunctie. Daarom schrijft het artikel voor dat de stallingsruimte rechtstreeks bereikbaar moet zijn van het aansluitende terrein.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor een meterruimte.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.66 bepaalt in welke situatie een meterruimte aanwezig moet zijn (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 4.67 bepaalt welke afmetingen, indeling en leidingdoorvoeren een meterruimte moet hebben (afmetingen), en |
| 3. | Artikel 4.68, met betrekking tot de bereikbaarheid van de meterruimte, is geschrapt en tabel 4.65 is daarop aangepast (Stb. 2005, 1). |
Voor de gebruiksfunctie 'bouwwerken geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is.
Dit artikel regelt de aanwezigheid van een meterruimte voor het aansluiten van voorzieningen voor drinkwater, gas, elektriciteit en verwarming op de openbare distributienetten. Deze meterruimte hoeft niet per se individueel te zijn, maar mag gedeeld worden met andere gebruiksfuncties. Men kan bij dit laatste bijvoorbeeld denken aan een gemeenschappelijke meterruimte van een woongebouw of een winkel met een kantoor (winkelfunctie met kantoorfunctie). In het tweede lid is geregeld dat, indien er in een woongebouw een gemeenschappelijke voorziening voor drinkwater, gas, elektriciteit of verwarming is, er voor die gemeenschappelijke voorziening een meterruimte is. Met een gemeenschappelijke voorziening wordt, naast bijvoorbeeld een stroomvoorziening voor een gemeenschappelijke lift of verlichting van een trappenhuis, ook een leiding bedoeld die zich tussen de aansluiting op het openbare distributienet en de aftakking naar een individuele meter (van een afzonderlijke gebruiksfunctie) bevindt. Deze gemeenschappelijke meterruimte is niet noodzakelijkerwijs bedoeld voor meetapparatuur.
Een voorgeschreven meterruimte moet voor wat betreft de inrichting voldoen aan de eisen van NEN 2768. Dit betekent onder meer dat de doorvoeren van de dienstleidingen voor elektriciteit, gas en water vanaf de gevel van de gebruiksfunctie tot in de meterruimte lucht- en waterdicht moeten zijn. De bedoeling is onder meer te voorkomen dat gassen vanuit de kruipruimte via de meterruimte in de gebruiksfunctie kunnen doordringen. Verder is in het tweede en derde lid geregeld dat de meterruimte voor installaties van een grotere omvang dan waarin NEN 2768 voorziet, zodanige afmetingen heeft, dat de benodigde apparatuur in die ruimte kan worden geplaatst en dat die apparatuur bereikbaar is voor onderhoud en het aflezen van de meterstanden. In artikel 4.67 worden de leidingdoorvoeren geschrapt (Stb. 2005, 1). De aanwezigheid van leidingdoorvoeren is noodzakelijk uit oogpunt van veiligheid (elektriciteit en gas) en gezondheid (drinkwater) en slechts in beperkte mate uit oogpunt van bruikbaarheid. Deze voorschriften behoren gezien de systematiek van het Bouwbesluit 2003 in de hoofdstukken veiligheid en gezondheid. In het verlengde hiervan zijn de voorschriften voor leidingdoorvoeren uitgewerkt in de Regeling Bouwbesluit 2003, bij de voorzieningen voor elektriciteit, gas en drinkwater.
Artikel 4.68, met betrekking tot de bereikbaarheid van de meterruimte, is geschrapt (Stb. 2005, 1). Het voorschrift van het eerste lid van dat artikel is volledig vervallen, terwijl de voorschriften van het tweede en derde lid zijn opgenomen onder de brandveiligheidsvoorschriften in paragraaf 2.20.1. Volgens de laatste opvattingen weegt het veiligheidsaspect bij de ligging van een meterruimte zwaarder dan het bruikbaarheidsaspect.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor liftschachten.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.71 bepaalt in welke situatie een liftschacht aanwezig moet zijn (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 4.72 regelt op welke hoogte de vloer en het plafond van de liftschacht moeten liggen ten opzichte van de laagste en hoogste verdiepingsvloer (hoogteligging); |
| 3. | artikel 4.73 verbiedt de aanwezigheid van niet voor de lift bestemde leidingen en installaties in de liftschacht (inrichting), en |
| 4. | artikel 4.74 bepaalt dat de uitwendige scheidingsconstructie van een liftschacht regenwerend moet zijn (waterdichtheid). |
Dit artikel bevat de aanwezigheidseis van een liftschacht indien een gebruiksfunctie voorzien is van een personen- of een goederenlift. Aan artikel 4.71 en artikel 4.76 is bij de liftschacht respectievelijk de liftmachineruimte toegevoegd (Stb. 2005, 1) dat deze al dan niet gemeenschappelijk kan zijn. Zonder deze toevoeging zou, strikt genomen, elke gebruiksfunctie zijn eigen liftschacht respectievelijk liftmachineruimte moeten hebben.
Het doel van dit artikel is te verzekeren dat er zowel boven als beneden in de liftschacht op veilige wijze onderhouds- en reparatiewerk aan de liftinstallatie kan worden verricht. Daartoe is voorgeschreven dat er voldoende ruimte moet zijn tussen de hoogst- en laagstgelegen halteplaatsen van de lift en respectievelijk het plafond en de vloer van de liftschacht.
Met dit artikel is, evenals met de andere artikelen van deze afdeling, uitvoering gegeven aan artikel 2, derde lid, van de richtlijn nr. 95/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende liften. Daarin staat dat er in een liftschacht geen leidingen of installaties aanwezig mogen zijn die niet voor de veiligheid of het functioneren van de lift vereist zijn.
Door dit artikel wordt bereikt dat er geen water kan doordringen in de liftschacht. Zo wordt voorkomen dat er kortsluiting ontstaat, of dat er plassen op de vloer van de liftschacht ontstaan, wat een gevaarlijke situatie zou kunnen opleveren voor degenen die daar reparatie- of onderhoudswerk moeten verrichten.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor een liftmachineruimte.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.76 bepaalt in welke situatie een liftmachineruimte aanwezig moet zijn (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 4.77 regelt op welke wijze de liftmachineruimte moet kunnen worden bereikt (bereikbaarheid); |
| 3. | artikel 4.78 bevat een eis inzake de vloeroppervlakte van de liftmachineruimte (afmetingen), en |
| 4. | artikel 4.79 bepaalt dat de uitwendige scheidingsconstructie van een liftmachineruimte regenwerend moet zijn (regenwerendheid). |
Dit artikel bevat de aanwezigheidseis van een liftmachineruimte, indien de gebruiksfunctie is voorzien van een personen- of goederenlift. Deze ruimte dient voor het plaatsen van de machines en bijbehorende toestellen ten behoeve van het functioneren van de lift. Aan artikel 4.76 is bij de liftmachineruimte toegevoegd (Stb. 2005, 1) dat deze al dan niet gemeenschappelijk kan zijn. Zonder deze toevoeging zou, strikt genomen, elke gebruiksfunctie zijn eigen liftmachineruimte moeten hebben.
Dit artikel is uitsluitend van toepassing bij een woongebouw en is bedoeld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners van het woongebouw. Het is onwenselijk als een liftmonteur de liftmachineruimte van de gemeenschappelijke lift uitsluitend via een woning of een andere niet-gemeenschappelijke ruimte zou kunnen betreden. Daarom is voorgeschreven dat de liftmachineruimte vanaf het aansluitende terrein uitsluitend door gemeenschappelijke verkeersruimten bereikbaar moet zijn.
Het doel van deze bepaling is te verzekeren dat de liftmachinekamer voldoende ruimte biedt voor het verrichten van onderhoud en reparatie aan de opgestelde apparatuur.
Door dit artikel wordt bereikt dat er geen water op de vloer van de liftmachineruimte kan blijven staan, opdat daar op een veilige wijze reparatie- of onderhoudswerk kan worden verricht.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor opstelplaatsen voor een aanrecht en opstelplaatsen voor een kooktoestel.
De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.81 bepaalt in welke situatie er een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel aanwezig moeten zijn en bevat eisen omtrent de ligging daarvan (aanwezigheid), en |
| 2. | artikel 4.82 stelt eisen aan de oppervlakte van de in artikel 4.81 bedoelde opstelplaatsen (afmetingen). |
De tabel in het tweede lid wijst voorschriften aan voor de woonfunctie en de 'bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik'. Het derde lid bepaalt dat voor die gebruiksfuncties waarvoor de tabel geen enkel voorschrift aanwijst, de functionele eis van het eerste lid niet geldt. De onderwijsvoorschriften zijn onbedoeld ongewijzigd geconverteerd naar het nieuwe Bouwbesluit. Daarom is artikel 4.81, zesde lid, alsnog geschrapt en tabel 4.80 daarop aangepast (Stb. 2002, 203).
Dit artikel geeft in het eerste en tweede lid de aanwezigheidseis van voorzieningen die in een keuken van de woonfunctie benodigd zijn. De keukenvoorziening moet zijn gelegen in een verblijfsruimte. Die verblijfsruimte kan zowel binnen de woning als daarbuiten in een gemeenschappelijke ruimte liggen. De beperking van de laatste mogelijkheid tot woonfuncties met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2 is met de inwerkingtreding van dit besluit komen te vervallen. De bedoeling van het derde en het vierde lid is in de woonfunctie de vloeroppervlakte vrij te houden, die op grond van artikel 4.26, eerste lid, bestemd is voor een minimale zitgelegenheid. Deze eisen laten de mogelijkheid open om de plaatsen voor aanrecht en kooktoestel in dezelfde ruimte te situeren als waarin zich ook de oppervlakte voor de minimale zitgelegenheid bevindt. Het maken van een open keuken is dan mogelijk. Met de eis van het vijfde lid wordt beoogd dat in horecagelegenheden het glas- en vaatwerk deugdelijk kan worden afgewassen. De onderwijsvoorschriften zijn onbedoeld ongewijzigd geconverteerd naar het nieuwe Bouwbesluit. Daarom is artikel 4.81, zesde lid, alsnog geschrapt (Stb. 2002, 203).
De volgens het eerste lid minimaal vereiste afmetingen van de opstelplaats voor het aanrecht in de woonfunctie zijn zodanig, dat één persoon de voor de maaltijdbereiding noodzakelijke handelingen kan verrichten. Krachtens het tweede lid moet een opstelplaats voor een gemeenschappelijk aanrecht langer zijn dan voor een aanrecht voor een individuele woning. De minimum afmetingen van een opstelplaats voor een kooktoestel van het derde lid zijn afgestemd op de gangbare maten van een gas- of elektrisch fornuis.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 4.15.1.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 4.15.1. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.
Het eerste lid staat toe, dat de opstelplaatsen voor aanrecht en kooktoestel niet binnen de woonfunctie liggen, maar in een besloten ruimte daarbuiten, bijvoorbeeld in een schuur of een voorzieningengebouw op een standplaats voor een woonwagen. Het tweede lid bevat voor een woonfunctie in een woongebouw een uitzondering op de aanwezigheidseis van het eerste lid. Er moeten in zo'n geval in een gemeenschappelijke verblijfsruimte van het woongebouw ten minste een aanrecht en één opstelplaats voor een kooktoestel voor gemeenschappelijk gebruik aanwezig zijn. De eisen in het derde lid laten de mogelijkheid open dat de opstelplaatsen voor aanrecht en kooktoestel in dezelfde ruimte zijn gesitueerd als waarin ook de oppervlakte voor een minimale zitgelegenheid is opgenomen. In zo'n geval zal die ruimte naast de voorgeschreven oppervlakte voor een minimale zitgelegenheid ook de voor aanrecht en kooktoestel vereiste minimumoppervlakte moeten bevatten.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 4.15.1.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor opstelplaatsen voor een stooktoestel voor nieuwbouw.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld
| 1. | artikel 4.87 bepaalt in welke situatie er een opstelplaats voor een stooktoestel aanwezig moet zijn (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 4.88 bevat voorschriften omtrent de ligging van de opstelplaats (plaatsbepaling), en |
| 3. | artikel 4.89 schrijft voor waarop de afmetingen van een stookruimte of opstelplaats moeten zijn afgestemd (afmetingen). |
Voor de gebruiksfunctie 'bouwwerken geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is.
Dit artikel bevat de aanwezigheidseis van een opstelplaats voor bijvoorbeeld een haard of een cv-ketel. Deze opstelplaats kan er zijn voor een of meer verschillende gebruiksfuncties. De opstelplaats is niet vereist indien de gebruiksfunctie kan worden verwarmd door middel van een publieke voorziening zoals bijvoorbeeld stadsverwarming.
In dit artikel zijn voorschriften gegeven met betrekking tot de situering van de voorgeschreven opstelplaats voor een stooktoestel. Op grond van artikel 4.87 mag een voorgeschreven opstelplaats in de gebruiksfunctie zelf liggen, maar ook daarbuiten. In het eerste tot en met het derde lid worden beperkingen gesteld aan de keuze van de ruimten waarin men de opstelplaats kan situeren. Het is niet toegestaan een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel te situeren in een toilet- of badruimte, zulks met het oog op het gebruik van deze ruimten en de veelal beperkte oppervlakte. En om calamiteiten te voorkomen mag een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel van een woonfunctie niet liggen in een garage of opslagplaats voor stoffen die gevaar voor brand of ontploffing opleveren. Voorts is het om obstakels te voorkomen niet toegestaan de opstelplaats te situeren in een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert. Eisen tot het situeren van de opstelplaats in een afzonderlijke stookruimte komen voor in het vierde en het vijfde lid. Het gaat hierbij vooral om opstelplaatsen die zijn bestemd voor het plaatsen van een of meer verwarmingsapparaten met een grote capaciteit, waarbij het zowel voorgeschreven als niet voorgeschreven opstelplaatsen betreft. Uit veiligheidsoverwegingen mogen die toestellen niet worden geplaatst in ruimten die in beginsel voor andere doeleinden zijn bestemd. Het gaat in het voorschrift van artikel 4.88 om het in acht nemen van de veiligheid ingeval een open verbrandingstoestel is geïnstalleerd. Een specifieke verwijzing naar de opstelplaats als bedoeld in artikel 4.87 is niet gewenst, omdat ook een opstelplaats voor een verbrandingstoestel die niet onder dit artikel valt veilig moet zijn (Stb. 2002, 203).
Dit artikel bepaalt dat de afmetingen van een stookruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel moeten zijn afgestemd op de te plaatsen verwarmingsapparatuur. De bedoeling hiervan is niet alleen dat het plaatsen van de verwarmingsapparatuur mogelijk moet zijn, maar ook dat er voldoende ruimte is voor het kunnen verrichten van onderhoud aan die apparatuur.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.16.1.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.16.1.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.16.1.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 4.16.1.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor een opstelplaats voor een warmwatertoestel.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 4.95 bepaalt in welke situatie er een opstelplaats voor een warmwatertoestel aanwezig moet zijn (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 4.96 bevat voorschriften omtrent de ligging van de opstelplaats (plaatsbepaling), en |
| 3. | artikel 4.97 schrijft voor waarop de afmetingen van de opstelplaats moeten zijn afgestemd (afmetingen). |
Voor een 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is. In tabel 4.94 is bij de woonfunctie de onderverdeling aangepast (Stb. 2005, 1). De woonfunctie van een woonwagen en de 'andere woonfunctie' zijn samengevoegd, omdat voor deze beide functies voor deze afdeling precies dezelfde voorschriften gelden. Deze wijziging heeft dus geen enkel gevolg. Voorts zijn in de tabel de voorschriften van de artikelen 4.95 en 4.97 niet meer aangestuurd voor de onderwijsfunctie. Evenals bij andere onderwijsvormen al eerder het geval was, mag bij het speciaal bouwkundig onderwijs en een sportfunctie behorende tot een onderwijsfunctie voortaan door de onderwijsinstelling zelf worden beslist of zij een opstelplaats voor een warmwatertoestel wil realiseren.
Dit artikel bevat de aanwezigheidseis van een opstelplaats voor apparatuur voor het verwarmen van water, zoals bijvoorbeeld een (bad)geiser of een boiler. Deze kan dienen voor bijvoorbeeld één woning, maar ook voor meer woningen of zelfs verschillende soorten gebruiksfuncties. Indien een gebruiksfunctie waarvoor een warmwaterinstallatie is voorgeschreven kan worden aangesloten op een openbare voorziening voor de levering van warm water, geldt de eis van aanwezigheid van een opstelplaats voor een warmwatertoestel niet. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een voorziening in het kader van stadsverwarming.
In dit artikel zijn voorschriften gegeven met betrekking tot de situering van de opstelplaats voor een warmwatertoestel. Het eerste lid staat toe dat de vereiste opstelplaats voor een warmwatertoestel wordt gecombineerd met de in afdeling 4.16 vereiste opstelplaats voor een stooktoestel. Voor de gecombineerde opstelplaats gelden dan wel tevens de beperkingen aan de plaatskeuze die zijn verbonden aan de opstelplaats voor een stooktoestel. Die beperkingen zijn deels dezelfde als in de volgende leden van dit artikel gesteld. In het tweede en derde lid worden beperkingen gesteld aan de situering van de opstelplaats. Op grond van artikel 4.95 mag een vereiste opstelplaats in het hoofdgedeelte van de gebruiksfunctie liggen, maar ook daarbuiten. Om calamiteiten te voorkomen mag een opstelplaats die is bestemd voor een open verbrandingstoestel krachtens het tweede lid niet liggen in een garage of in een opslagplaats voor stoffen die gevaar voor brand of ontploffing opleveren. Het derde lid heeft betrekking op een woongebouw met een gemeenschappelijke opstelplaats voor een warmwatertoestel waarop meerdere woonfuncties of andersoortige gebruiksfuncties zijn aangewezen. Zo'n opstelplaats moet in een stookruimte liggen, een begrip dat is ontleend aan NEN 1078. Voor een stookruimte gelden op grond van de voorschriften betreffende gasvoorziening zwaardere eisen met betrekking tot de veiligheid, zodat in die ruimte ook andere toestellen kunnen worden geplaatst.
Dit artikel bepaalt dat de afmetingen van een gemeenschappelijke opstelplaats voor een warmwatertoestel moeten zijn afgestemd op de te plaatsen apparatuur. De bedoeling hiervan is niet alleen dat het plaatsen van deze apparatuur mogelijk moet zijn, maar ook dat er voldoende ruimte is voor het kunnen verrichten van onderhoud aan die apparatuur.