Home › Nota van toelichting op Bouwbesluit 2003 › Artikelsgewijze toelichting › Hoofdstuk 3 Voorschriften uit het oogpunt van gezondheid › Afdeling 3.20 Daglicht
Het eerste lid geeft de functionele eis voor daglicht.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het onderhavige onderwerp is er slechts één voorschrift. Dit is artikel 3.134, dat regelt in welke situaties en in welke mate er daglicht moet kunnen toetreden tot verblijfsgebieden en verblijfsruimten.
Voor de bijeenkomstfunctie, industriefunctie, sportfunctie, winkelfunctie, 'andere ruimte in een celfunctie', gezondheidszorgfunctie, 'overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is. In tabel 3.133 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang opgenomen (Stb. 2005, 1). Daarmee zijn deze eisen voor een ruimte waarin kinderen spelen afgestemd op die voor de onderwijsfunctie.
De bedoeling van dit artikel is te bereiken dat er voldoende daglicht kan toetreden tot een verblijfsgebied of verblijfsruimte, voorzover dat uit een oogpunt van gezondheid noodzakelijk is. Dit artikel heeft niet het waarborgen van de gelegenheid tot uitzicht vanuit de genoemde ruimten tot doel. Bij het laatste gaat het om een psychologische behoefte. Uit oogpunt van marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit ligt het in de rede dat de markt daarin voorziet. In NEN 2057 is aangegeven op welke wijze de vereiste daglichtoppervlakte moet zijn bepaald. De equivalente daglichtoppervlakte die deze norm bedoelt is gedefinieerd als de daglichtopening, voorzover hoger gelegen dan 60 cm boven de vloer, die met reductiefactoren wordt vermenigvuldigd. Deze reductiefactor wordt in rekening gebracht met het oog op bepaalde belemmeringen. Dit zijn bijvoorbeeld dakoverstekken en uitkragende balkons, die de toetreding van daglicht door die openingen beperken. De eis van het eerste lid heeft betrekking op verblijfsgebieden. Deze kunnen zijn ingedeeld in meer dan één verblijfsruimte. Om te waarborgen dat in elke afzonderlijke verblijfsruimte voldoende daglicht kan toetreden, bevat het tweede lid een minimum eis betreffende de daglichtopening van een verblijfsruimte. De vereiste daglichtoppervlakte kan worden verwezenlijkt door openingen in zowel uitwendige als inwendige scheidingsconstructies. Zo mag bijvoorbeeld wanneer er een serre aan de buitenkant van de gebruiksfunctie is, de daglichttoetreding via die serre zijn meegerekend voor een aangrenzend verblijfsgebied of aangrenzende verblijfsruimte. Het derde lid sluit echter deze indirecte daglichttoetreding uit, indien de tussenliggende ruimte een verblijfsgebied, toilet-, bad- of technische ruimte is. Op grond van NEN 2057 moet bij het bepalen van de daglichttoetreding ook rekening worden gehouden met belemmeringen die worden veroorzaakt door bouwwerken en andere obstakels die zich op een naburig perceel bevinden. Dit is echter in strijd met het beginsel 'gelijke monniken, gelijke kappen' dat aan het Bouwbesluit ten grondslag ligt. Daarom bevat het vierde lid enkele voorschriften die bewerkstelligen dat men voor een gebruiksfunctie onafhankelijk van zijn omgeving kan nagaan of het aan de eisen inzake daglicht voldoet. Zo moet men krachtens onderdeel c. uitgaan van een genormeerde belemmering, die op grond van deskundig inzicht is vastgesteld. Onderdeel b. heeft daarentegen betrekking op het eigen perceel. Bij de keuze van de afstand tot de perceelsgrens is rekening gehouden met de in het Burgerlijk Wetboek genoemde maat. Het zevende lid maakt bijvoorbeeld een aula zonder daglicht mogelijk.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.20.1.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.20.1 (zie ook voetnoot 32).