Home › Nota van toelichting op Bouwbesluit 2003 › Artikelsgewijze toelichting › Hoofdstuk 3 Voorschriften uit het oogpunt van gezondheid › Afdeling 3.14 Afvoer van rook
Het eerste lid geeft de functionele eis voor afvoer van rook voor nieuwbouw.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.92 bepaalt dat er in een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel een voorziening moet zijn voor de afvoer van verbrandingslucht van dat toestel (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 3.93 bepaalt wat voor capaciteit de afvoervoorziening ten minste moet hebben (capaciteit); |
| 3. | artikel 3.94 stelt eisen omtrent de plaats van de uitmonding van de afvoervoorziening (plaats van de uitmonding); |
| 4. | artikel 3.95 stelt eisen omtrent de richting van de stroming van de rook in de afvoervoorziening (stromingsrichting); |
| 5. | artikel 3.96 bepaalt de maximale rookdoorlatendheid van de afvoervoorziening (rookdoorlatendheid); |
| 6. | artikel 3.97 bepaalt dat de afvoervoorziening moet zijn uitgerust met een goed werkende kap (kap); |
| 7. | artikel 3.98 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en |
| 8. | artikel 3.99 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw). |
Voor de gebruiksfunctie 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is.
Dit artikel regelt de aanwezigheid van voorzieningen voor de afvoer van rook bij opstelplaatsen voor verbrandingstoestellen die op gas, olie of vaste brandstof worden gestookt. Het gaat hierbij om voorzieningen zoals kanalen en uitmondingen. Van deze eis zijn uitgezonderd in een verblijfsruimte gelegen opstelplaatsen voor kook- en warmwatertoestellen met gering vermogen, dit zijn in het algemeen toestellen voor huishoudelijk gebruik. Voor een dergelijke situatie is een bij normale verbranding noodzakelijke afvoer van met rookgas verontreinigde binnenlucht geregeld in artikel 3.48, derde lid. De bedoeling van de eis is te bereiken dat de bij normale verbranding vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes naar buiten worden afgevoerd. Hierbij kan worden gedacht aan waterdamp, onverbrand gas, zwaveldioxide en roet. De redactie van de eerste volzin van artikel 3.92 is afgestemd met de voorschriften van afdeling 3.13, toevoer van verbrandingslucht. Artikel 3.92 heeft betrekking op een voorziening voor de afvoer van rook van een verbrandingstoestel, ongeacht de ruimte waar deze zich bevindt. Een dergelijke voorziening geldt niet voor verbrandingstoestellen met een lage nominale belasting en een beperkt gebruik in tijd zoals gasfornuizen en geisers. Als zo'n verbrandingstoestel in een verblijfsruimte is geplaatst, dan zorgt het voorschrift van artikel 3.48, derde lid voor voldoende ventilatiecapaciteit in die verblijfsruimte. Is het verbrandingstoestel in een andere ruimte gesitueerd dan zal de gebruiker zelf op voldoende ventilatie moeten toezien (Stb. 2002, 203).
De vereiste afvoervoorzieningen moeten voldoende capaciteit hebben om de bij de verbranding vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes te kunnen afvoeren. Voor alle afvoervoorzieningen geldt de algemene eis van voldoende capaciteit. Omdat vaak rekening moet worden gehouden met een nog onbekend verbrandingstoestel, wordt een capaciteit vereist die voldoende is voor een fictief 'standaard' verbrandingstoestel. Bij het berekenen van de benodigde capaciteit van opstelplaatsen voor een kook-, stook- en warmwatertoestel moet worden uitgegaan van een op gas gestookt toestel. De in rekening te brengen belasting van dit toestel mag niet lager zijn dan is aangegeven. In tabel 3.93 worden voor verschillende typen verbrandingstoestellen de bijbehorende rekenwaarden aangegeven voor de verdunningsfactor van rook. Alle typen verbrandingstoestellen zijn zonder (toestel)ventilator in aanmerking genomen. Bij de rekenwaarden is onderscheid gemaakt tussen afvoeren zonder en met ventilator, dat wil zeggen tussen natuurlijke en mechanische afvoer.
De inrichtingseisen die deze artikelen aan de afvoervoorziening stellen, hebben als doel te voorkomen dat dampen, gassen of fijne vaste deeltjes zich tijdens de afvoer naar buiten alsnog binnen verspreiden. Verder wordt ermee beoogd te voorkomen dat de concentratie van rook ter plaatse van instroomopeningen van een luchttoevoervoorziening voor luchtverversing te hoog wordt. De tekstuele wijziging in artikel 3.95 verduidelijkt, dat het gaat om de af te voeren rook en niet om de afgevoerde rook (Stb. 2002, 203).
De inrichtingseisen die deze artikelen aan de afvoervoorziening stellen, hebben als doel te voorkomen dat dampen, gassen of fijne vaste deeltjes zich tijdens de afvoer naar buiten alsnog binnen verspreiden. Verder wordt ermee beoogd te voorkomen dat de concentratie van rook ter plaatse van instroomopeningen van een luchttoevoervoorziening voor luchtverversing te hoog wordt. De tekstuele wijziging in artikel 3.95 verduidelijkt, dat het gaat om de af te voeren rook en niet om de afgevoerde rook (Stb. 2002, 203).
De inrichtingseisen die deze artikelen aan de afvoervoorziening stellen, hebben als doel te voorkomen dat dampen, gassen of fijne vaste deeltjes zich tijdens de afvoer naar buiten alsnog binnen verspreiden. Verder wordt ermee beoogd te voorkomen dat de concentratie van rook ter plaatse van instroomopeningen van een luchttoevoervoorziening voor luchtverversing te hoog wordt. De tekstuele wijziging in artikel 3.95 verduidelijkt, dat het gaat om de af te voeren rook en niet om de afgevoerde rook (Stb. 2002, 203).
Bij het bepalen van de stromingsrichting volgens artikel 3.95 behoeft geen rekening te worden gehouden met omliggende bebouwing en andere obstakels buiten het perceel. Daardoor kan afgevoerde rook door valwinden eventueel toch terugstromen in de gebruiksfunctie. Met een goed functionerende kap kan dit worden tegengegaan.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 (Stb. 2002, 203).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 (Stb. 2002, 203).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 (Stb. 2002, 203).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 (Stb. 2002, 203).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 (Stb. 2002, 203).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 (Stb. 2002, 203).